Menu

zondag 21 juli 2013

Het blauwe kind – Henry Bauchau


“Het blauwe kind” (L’ Enfant blue - 2004) is een beetje een ouderwets, maar bijna hypnotiserend verhaal over een psychotische jongen, Orion, en zijn vasthoudende psycholoog Véronique. Je moet wel houden van ‘een reis naar binnen’, maar dan weet je ook echt niet wat je leest. De Mechelse schrijver Henry Bauchau (1913 - 2012) was zelf psychoanalyticus, en brak pas op 95-jarige leeftijd door met “Maalstroom” (Le boulevard périphérique) dat bekroond werd met de beroemde Prix du Livre Inter, 2008. Wat je noemt een laatbloeier dus. “Het blauwe kind” speelt zich af in Parijs, waar ik net was toen ik het las: misschien dat het daarom des te meer tot mijn verbeelding sprak. Véronique moet oppassen dat ze niet meegesleurd wordt in de wanen van Orion; en dat is te begrijpen, want dat moest ik zelf ook…

Stoppen die doorslaan
Véronique Vasco is blij als ze op haar veertigste een onderwijsbaantje aangeboden krijgt in een dagcentrum voor kinderen met een beperking: werk ligt nu eenmaal niet voor het opscheppen. Daar ontmoet ze de dertienjarige Orion, die eigenlijk niet te handhaven is in de klas, omdat regelmatig alle stoppen bij hem doorslaan. Met ongekend geweld trapt hij deuren in en smijt met schoolbanken rond als medeleerlingen hem pesten. Omdat Véronique ook de nodige papieren heeft als psycholoog wordt haar gevraagd of ze Orion onder haar hoede wil nemen. Ze begint aan de taak, waarvan ze niet weet, dat die zestien jaar zal gaan duren.

De demon van Parijs
Spreken is moeilijk voor Orion, zijn woordenschat is miniem, maar hij zit wel steeds te tekenen. Het eerste wat Véronique van hem ziet is een tekening van een eiland. Hij lijkt geobsedeerd door labyrinthen. Dan vertelt ze hem spontaan het verhaal over Kreta en het labyrinth met de Minotaurus: "... een verhaal van vóór de televisie...". De mythe inspireert Orion bij het maken van tekeningen en praten over wat er mis gaat in zijn hoofd.
Orion vertelt hoe hij geteisterd wordt door de stralen van "... de demon van Parijs...", die “… door een klein deurtje die Orion niet meer dicht krijgt…” bij hem is binnengekomen tijdens een hartoperatie in het ziekenhuis. Hij was toen vier jaar. Toch dook er tijdens dat ziekenhuisverblijf een "... blauw kind..." op, dat hem beschermde, overal doorheen sleepte en heel lief voor hem was. Helaas bleef het achter toen Orion weer naar huis mocht. De demon ging wel mee en laat Orion sindsdien andere mensen slaan en bijten. Soms heeft hij geluk, en rennen er ’s nachts driehonderd witte paarden door de straten van Parijs die de demon wegjagen: “… Orion is een beetje een niet-normaal mens omdat de demon van Parijs op mijn rug springt, mijn bek aan flarden slaat, hem kapotteert, maar minder als we met z’n tweeën zijn…”.

Een telefoon zonder praten
Met eindeloos geduld dringt Véronique door in de belevingswereld van Orion: “… Jij ruikt de geur van de demon niet, hoewel Orion merkt dat jij een beetje weet dat hij bestaat…” en “… Het is bijna alsof er een telefoon is tussen jou en mij. Een telefoon zonder praten…”.
Véronique betrekt haar man, die door het verhaal heen op zoek is naar zijn bestemming als musicus, in haar relatie met Orion. Orion wordt kind aan huis bij hen: ze nodigen hem uit om te komen eten en gaan met hem hardlopen. De vraag of het wel goed is een persoonlijke relatie met een cliënt aan te knopen schijnt geen ogenblik in tel te zijn; hoogstens ervaart Veronique haar betrokkenheid af en toe als te intens. Niet dat de omgang met Orion altijd even opwindend verloopt (wat natuurlijk voor iedere relatie geldt); soms kost het Véronique heel wat moeite om er een beetje leven in te blazen: “… Dus doe ik mijn best om verbaasd, verbijsterd te blijven, in de eentonigheid en banaliteit van elke dag…”.
Soms vervalt Orion door onverwachte situaties in onvoorspelbaar en beangstigend gedrag. Zo gauw hij spanning voelt opkomen begint hij met zijn armen te zwaaien en te springen: zijn sint vitusdans. Hij heeft geen geduld. Als een directrice hem laat wachten verbouwt hij heel de wachtruimte en bedreigt haar. Hij gaat door het lint als er geen water uit een kraan komt en veroorzaakt een schandaal met twee oude dametjes door naar hun totaal ongevaarlijke hondje te spugen en te trappen. Soms lijkt het erop dat hij Véronique zal aanvallen als hij haar met een stok bedreigt en zelfs met een mes door haar kleren heen prikt.
Om met Orion overweg te kunnen moet ze beschikken over stalen zenuwen.

Schilder-beeldhouwer
Véronique gelooft in haar werk met Orion. Als ze niet met hem doorgaat zal hij in een psychiatrisch ziekenhuis belanden, “…opgenomen in een korset van medicijnen…”. Ze gelooft dat er een kunstenaar in hem schuilt, en moedigt hem aan te tekenen: “… Je kunt beter je monsters in een tekening stoppen dan ze in je hoofd laten zitten…”. Dus uit Orion zijn duivelse vernietigingdrang in zijn “Meer van Parijs” waarin alleen de Eiffeltoren en de koepel van Montmartre boven een zondvloed uitsteken, zijn angsten in een tekening die bevolkt is met geraamten: "Het Ontaarde Kerkhof" geheten, en zijn hemelse verlangens in de toverwereld van “Paradijseiland nr. 2”, waarin hij als een soort Tarzan door de lianen slingert, en mooie meisjes met hem spelen: “… Er is een andere tekening, zal ik die laten zien? Die is er razendsnel gekomen omdat mijn hand dat wilde…”. Werd het verhaal over de Minotaurus nog aangereikt door Véronique, het verhaal over “Paradijseiland nr. 2” welt helemaal uit Orion zelf op (over “Paradijseiland nr. 1” mag niet gesproken worden want daar zijn ‘rampen gebeurd’). Ook komt Orion zelf op het idee om "angstdictee’s" te dicteren die Véronique uitschrijft en waarin hij zichzelf uitlegt. Véronique gaat met hem naar gitaarles, en zoekt ateliers op waar hij kan schilderen en beeldhouwen. Zijn kunst wordt tentoongesteld op exposities en hij wint prijzen. Hij leert zichzelf enigszins te beheersen en zijn teleurstellingen te overwinnen: hij verliest vrienden die te ziek worden om met hem samen te leren en te werken, en een meisje waar hij van houdt wordt door haar vader bij hem weggehouden – waarschijnlijk omdat hij niet wil dat zijn dochter met een halve gek als Orion omgaat. Uiteindelijk loopt hij trots met zijn visitekaartje op zak: "Orion. Schilder-beeldhouwer". Hij ís iemand.

“Ik”
“… In zijn gekwetste, gewonde, geknevelde wezen zit dus die half bedolven meester, die ziener van het blinde leven…”. Orion wordt sterker als hij "het blauwe kind" kan oproepen; en overstijgt zichzelf als hij zich inbeeldt "het blauwe kind" te zijn. Ergens in het boek zegt hij ook dat hij zich kan voorstellen dat hij "de demon van Parijs" doodslaat.
Het verhaal is met heel veel inlevingsvermogen vertaald door Kris Lauwerys, die de verhaspelde woorden van Orion in prachtige taal heeft gegoten: Orion heeft een bus “… geneushoornd…”, hij hoort bij het leger van de “… verrotzooiden…” en “… verwartaligen…”, zijn klasgenoten zijn “… gemenestrekerikken…” die hij “… vermorzeldiggeld…” en “… verknuppeld…” en “… verranseld…” en met wie hij “… relknokt…”. De Seine is “… gemuilkorfd…”, mevrouw en Orion “… praten bijna altijd met elkaar onder het praten…”, en teder noemt Orion de “… mooie dikke slaapbuik voor de baby…” van een zwangere hulpverleenster haar “… buikwieg…”. Orion kan niet zwemmen omdat een voet altijd de grond moet aanraken: tegelijk belet hem dat zelfmoord te plegen door zichzelf op zijn wanhopigste momenten in zee te verdrinken.
Voor Véronique behaalt Orion zijn grootste overwinning aan het eind van dit ontroerende boek als hij in een cafeetje zijn eigen sinaasappelsap durft te betalen, en eindelijk “ik” zegt, in plaats van "Orion" of “hij”, als hij het over zichzelf heeft: Orion is niet meer bang voor zijn ik.

Kunst en psychotherapie
Evenals Véronique - “… We gaan vooruit, we gaan achteruit, we maken pas op de plaats in het mijnenveld van kunst en psychoanalyse…” - geloofde Henry Bauchau vast dat kunst kon genezen; dat wanen gaandeweg minder en gekanaliseerd konden worden in kunstwerken; dat het combineren van kunst en psychotherapie tastbare resultaten opleverden.
Iemand als collega-schrijfster en psychoanalytica Jacqueline Harpman (1929-2012) dacht daar duidelijk anders over: “… Maar het is echt een mythe dat je je van iets kan bevrijden door erover te schrijven. Als je een probleem hebt, is het na het schrijven echt niet opgelost. Je kunt eventueel een katharsis beleven, maar alles komt daarna weer op dezelfde plaats terecht…” (“Franstalige literatuur van nu”, Margot Dijkgraaf, De Geus – 2004).
Hoewel kunst voor sommigen misschien het enige begaanbare pad naar de wereld zal zijn, vraag ik mij af of iemand als b.v. Vincent van Gogh de gedrevenheid in zijn kunst had behouden als hij van zijn gekwelde hart was verlost. En om maar heel dicht bij huis te blijven: ik denk niet dat ik deze blog zou hebben geschreven als mijn leven het equivalent van een zelfgenoegzaam arcadië zou zijn. Waarom zou ik?
Wij blijven bezig omdat we, zoals Orion zo mooi zegt in “Het blauwe kind”, we “… niet áf zijn…”.
Misschien moeten we dat ook helemaal niet willen…

Uitgave: De Bezige Bij Antwerpen - 2011, vertaling Kris Lauwerijs, 383 blz., ISBN 978 908 542 260 0, €22,50
Rechtstreeks bestellen: klikhier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen