Menu

woensdag 30 oktober 2019

Corrie ten Boom – Omnibus


Toen psycholoog Edith Eger in “De keuze” – zie mijn vorige blog – een fragment aan de verbluffend vergevingsgezinde Corrie ten Boom (1892-1983) besteedde, die ze een ‘Rechtvaardige onder de Volken’ noemt, wist ik bijna zeker dat zich in de nalatenschap van mijn vader een boek van Corrie ten Boom moest bevinden. Dus toog ik naar de zolder en duikelde ik onder in een doos oude meuk inderdaad een omnibus van deze evangeliste op. Het bevat de volgende titels: “In Hem geborgen”, “Onbegrijpelijke liefde” (een benaming die zich toch ergens in mijn onderbewuste moet hebben opgeslagen, gezien ik die in mijn vorige blog als kop heb gebruikt) en “Marsorders voor de eindstrijd”. Edith Eger, die vertelt hoe ongelooflijk moeilijk ze het vond om de plaatsen Berchtesgaden en Auschwitz te visiteren, hoewel ze dat wel nodig achtte voor haar genezing, heeft niets teveel gezegd. Corrie ten Boom, die het concentratiekamp Ravensbrück overleefde, bracht het op in het totaal kapotgebombardeerde Duitsland lezingen te gaan houden. Ik ben zelden verhalen tegengekomen waarin het gaat over hoe de Duitsers zélf de Tweede Wereldoorlog hebben ondergaan en verwerkt – dit is er één van.

Met Joden de Tenach bestuderen

“In Hem geborgen” is een soort autobiografie. Natuurlijk nogal ouderwets en sentimenteel geschreven, maar schitterend om te lezen (het grappige is dat Corrie het over een oude tante heeft die ook al stichtelijke gedichten en boeken schreef - helaas werden het nooit bestsellers omdat ze in haar ogen veel te zijig en uit de tijd waren). De laatste twee boeken hebben een meer evangeliserende toon. Corrie ten Boom begint te vertellen over haar opa die een horlogemakerswinkel in de Barteljorisstraat in Haarlem heeft. In 1844 vraagt een predikant of hij met andere gelovigen een gebedsgroep wil vormen om voor de Joden, ‘Gods oude volk’, te bidden, waar hij onmiddellijk mee instemt. Een totaal nieuw idee, want Joden worden met afkeer bekeken (trouwens, wie denkt dat dat tegenwoordig anders is hoeft de krant maar open te slaan: zie het Joodse gezin in Hippolytushoef - of all places - dat al jaren wordt getreiterd). Als zijn zoon, die de vader van Corrie zal worden, met haar moeder trouwt, begint het kersverse echtpaar ook een juwelierszaak. In hartje Amsterdam: “… Doordat ze in de Joodse buurt woonden, was het voor vader mogelijk met de Joden in contact te komen. Hij vond het fijn hun Sjabbat en andere feesten mee te maken. Samen met hen bestudeerde hij het oude testament, hun Tenach, in het licht van het nieuwe testament, dat de vervulling is van de Tenach…”. Het gezin heeft geen cent te makken. Corrie’s vader is een expert op het gebied van horloges, schrijft zelfs artikelen in vakbladen, maar geeft niets om de financiën. Soms vergeet hij gewoon geld te vragen voor uitgevoerde reparaties.

Nooit zo gelachen
Corrie vertelt dat een Joodse vrouw, die ziet dat haar zwangere moeder babykleertjes aan het naaien is, geschokt uitroept dat ze ‘God verzoekt’. Corrie (en voor mij is dat ook nieuw): “… Op dat ogenblik begreep ik waarom Maria alleen maar wat doeken voor het kindje Jezus had. Het was geen armoede, maar volgens Joodse gewoonte werd de baby-uitzet niet genaaid voordat het kind ter wereld was gekomen. Ik heb gehoord dat Portugese Joden zich ook nu nog aan deze gewoonte houden…”. Haar moeder vraagt haar ongetrouwde zus Anna of ze wil komen kramen. De afgesproken zes weken worden uiteindelijk veertig jaar! Ik weet nog dat het voor de generatie van mijn grootouders inderdaad heel gewoon was dat alleenstaande familieleden inwoonden. Binnen zeven jaar worden er zeven baby’s geboren, waarvan er eentje sterft. Vroeger, toen vrouwen nog schorten droegen: “… Iedere keer als ik van kou rilde, rolde tante Anna mij in haar schort en bond mij tegen haar lichaam. Daar werd ik warm en stil van…”. Als Corrie een half jaar is neemt haar vader de winkel van zijn ouders in Haarlem over. Omdat haar moeder vaak ziek is, werkt Tante Anna zich een ongeluk om het gezin op poten te houden. Iedere zaterdag geeft haar zwager haar daarvoor een gulden, die hij ’s woensdags meestal terug vraagt, zodat ze weer te eten hebben. Het is armoe troef. Toch zijn ze met z’n allen aperte levensgenieters: “… ‘We hebben nooit zoveel gelachen als toen jullie klein waren,’ zei tante Anna vaak…”. Dat kun je ook wel zien aan het wilskrachtige, vrolijke portret, van een verrassend jonge Corrie die ik in het boek vond – zie hieronder (ik kende eigenlijk alleen de foto’s van een wat oudere vrouw met een grote knot, de onafscheidelijke boodschappentas en soms een wandelstok).


Warm gezin
Corrie schetst het beeld van een enorm warm, vrolijk, levendig en diep-gelovig gezin, waar de deur altijd open staat. Haar vader is een schat van een man die zijn kinderen op handen draagt. Op een foto in het boek (zie hieronder), ziet hij er met zijn lange baard uit als een oude tsaddiek. Corrie zelf heeft iets van een kwajongen. Ze vertelt hoe ze met sneeuwballen de hoge hoeden van de hoofden van heren-passanten kegelt en weggestuurd wordt uit de klas, waarna ze de hoofdonderwijzer gunstig probeert te stemmen door hem de volgende dag een zendingskrantje aan te bieden: “… Ik vind anders niet, dat je je gisteren erg christelijk hebt gedragen…”, zegt hij droog. Er komt nóg een, bepaald niet verpierde, tante in huis wonen, die weduwe is geworden. Het valt niet mee met zoveel opvoedende bemoeials om je heen. De volwassenen organiseren ook nog eens allerlei christelijke clubs - voor kinderen, dienstmeisjes, militairen – om ze van de straat te houden en het goede mee te geven. Corrie: “… Voor ik kon (piano) spelen, moest ik al zingen. Ik herinner me dat ik, toen ik nog jong was, een lied zong over het verloren schaap dat door de herder gevonden werd. De laatste regel was: ‘En dat afgedwaalde schaap was ik.’ Op een avond nam een grote officier mij op zijn knie en vroeg: ‘Hoe ben jij nu verloren geraakt?’ Ik moest hem bekennen dat ik mij niet kon herinneren ooit verdwaald en gevonden te zijn door de goede Herder…”. Ik denk dat het deze zelfspot is waardoor Corrie’s vroomheid eigenlijk nooit irritant wordt. Aan tafel bespreken ze alles. Ook de vriendjes van de meiden: “… In die periode had Nollie veel aanbidders. Een jongen in haar klas was erg verliefd op haar. De hele familie leefde met Nollie mee. Bij het avondeten vertelde ze altijd met veel plezier wat er die dag op school was gebeurd. ‘Henk heeft mij een lok haar gevraagd. Daar zal ik hem eens gelukkig mee maken!’ ’s Avonds knipten wij een dikke pluk grijs haar uit het haardkleedje en pakten die keurig in een papiertje met een rood lint er omheen. Ze gaf het aan Henk op het moment dat hij de klas uitliep. Een week lang heeft hij toen geen woord tegen haar gezegd…”. Nou Henk, daar sta je dan, voor eeuwig in het geheugen gegrift van duizenden christenen, wat we natuurlijk allemaal wel willen, maar het liefst op een andere manier. Al met al vindt Corrie dat ze in het hectische gezin veel geleerd heeft wat haar later van pas is gekomen. Niet in de laatste plaats van haar broer die theologie studeerde in Leiden. Hij kan het vak kerkgeschiedenis pas goed onder de knie krijgen als hij er les in geeft, beweert hij, wat ik wel snap. Ik begrijp een boek pas goed als ik er een blog over schrijf. Hij stelt voor Corrie als leerling te gebruiken, waar ze grif in toestemt. Maar wel ’s morgensvroeg: “… Ik genoot van zijn lessen, maar de ruwe manier waarop Willem me wakker maakte, stelde ik allerminst op prijs. Hij trok eenvoudig de dekens en mijn kussen van mijn bed af en gooide die buiten op de gang…”.


Sadhoe Soendar Singh
Corrie leert van haar vader het juweliersvak, en haalt als eerste Nederlandse vrouw het vakdiploma horlogemaker, wanneer dat verplicht wordt. Volgens haarzelf is ze er echter nooit erg goed in geworden. Het is verbazingwekkend hoeveel ontwikkeling de familie opdoet buiten het reguliere onderwijs om. Een oom is koster, waardoor ze gratis alle concerten in de Grote of St. Bavokerk in Haarlem kunnen meemaken. Corrie vertelt hoe ze als kind met haar nichtje verstoppertje speelt in de immense kerk. Ze zingen met z’n allen cantates van Bach alsof het niks is. Een klant leidt verscheidene winters een filosofiegroep bij hen thuis. Ze lezen elkaar onder het breien en naaien Dickens voor zodat bepaalde uitdrukkingen van de schrijver vaste gezegden worden in het gezin. Als er voor de alledag kerkdienst van een half uur, in de Grote Kerk, geen dominee komt opdagen wordt Corrie opgetrommeld. Ik heb de indruk dat daarmee haar evangeliserende leven min of meer begint. Haar zus levert de preken en zorgt dat ze er netjes uitziet, want Corrie geeft geen zier om kleding: “… ‘Betsie, wat ter wereld kan ik tegen de mensen zeggen?’ Zonder enige aarzeling gaf ze antwoord. Het was alsof ze de hele dag over niets anders gedacht had. Terwijl ze mij de hele preek vertelde, borstelde ze mijn mantel af, kamde mijn haar op en keek kritisch naar mijn japon, daar ik zo uit de werkplaats kwam. ‘Houd je mantel maar aan, je japon is niet zo erg schoon. Neem als onderwerp Psalm 23: ‘De Here is mijn Herder.’ Schapen kunnen soms erg dom zijn. Ze zien het voedsel niet als ze er met de rug naar toe staan. Wij hebben de Heer even hard nodig als de schapen de herder.’…”. Ze nemen allerlei gestrande tieners in huis en zetten een soort van christelijke padvindersclubs op, die weer ter ziele gaan als de oorlog uitbreekt. Ook al blijft ze ongetrouwd, ze is nooit een chagrijnige ‘oude vrijster’ geworden, vindt ze zelf. Het meest verrast ben ik als ze gaat vertellen over een ontmoeting met Sadhoe Soendar Singh, waar ik ooit een boekje van heb besproken dat ik in een kringloopwinkel vond – zie hier.

Heer, help me liegen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de juwelierszaak één groot verzets- en onderduikhol. De familie Ten Boom heeft honderden Joden geholpen uit handen van de Duitsers te blijven. Tegenwoordig is het een museum – zie hier. Corrie vertelt hoe diep het haar bejaarde vader treft als hij Joden de gele ster ziet dragen. Hij wil dat ze er ook een voor hem koopt, om zich met hen te vereenzelvigen. Corrie weigert: “… Vader nam zijn hoed af voor iedere Jood, die hij tegenkwam. De Rabbi van Haarlem was een huisvriend. Betsie had Hebreeuwse les van hem gehad. Vader en hij lazen dikwijls samen de Bijbel en elkaars boeken. Op een dag bracht de Rabbi alle boeken terug; ook gaf hij aan vader zijn sieraden en horloges in bewaring. Vader bad met hem ten afscheid. We hebben hem nooit meer gezien…”. Corrie scheert de Duitsers zeker niet over één kam: “… Het Duitse leger marcheerde door de Barteljorisstraat. Tanks, kanonnen, cavalerie en duizenden, duizenden soldaten. Op een tank zat een officier. Hij had een hoogrode kleur en keek strak voor zich uit. Er was een uitdrukking van schaamte op zijn gezicht. Na de oorlog zei een Duitser eens tegen me: ‘Bij iedere stap die ik in Holland deed, voelde ik me beschaamd. Ik wist dat ik meewerkte aan de bezetting van een neutraal land.’ …”. En even verder: “… Op een keer kwam een Duitse soldaat in de winkel. Hij keek rond en zag dat ik alleen was. ‘Grüss Gott,’ zei hij. ‘Waarom zeg je niet ‘Heil Hitler’?’ ‘Ik geloof niet in Hitler, ik geloof in God.’ ‘Geloof je in Jezus Christus?’ ‘Ja, dat doe ik en veel van mijn compagnie ook.’ ‘Ik hoorde dat er vannacht op de vliegtuigen van de geallieerden geschoten werd. Waar was je toen?’ ‘Ik stond bij het afweergeschut. Ik mikte niet op de vliegtuigen, maar ernaast. Ik bid, dat de geallieerden zullen winnen. Als Hitler zou winnen, zou dat het einde van het christendom betekenen.’ ‘Waarom werk je dan voor hem?’ ‘Ik heb geen keus. Als ik deserteer, wordt mijn hele gezin naar een concentratiekamp gestuurd.’ In die man zag ik een stukje Duitsland, dat ik bijna vergeten was…”. Corrie: “… Het Duitse leger bestond hoofdzakelijk uit gewone mensen. Maar wat dan dat leger volgde… de Gestapo en de SS… waren de schurken die vernietiging en dood brachten…”. De Ten Booms helpen ook soldaten het leger van Hitler uit. Corrie over haar gebed, ‘Heer, zet een wacht voor mijn lippen’: “… Het was een Bijbeltekst, maar in gewoon Hollands kwam het neer op: ‘Heer, help me liegen.’…”. Sommigen zeggen dan ook tegen haar: “… ‘Ik zou nooit zo hebben kunnen liegen als jij.’ Misschien zegt u, die dit leest: ‘U zondigde, want de duivel is de vader van alle leugens,’ U heeft gelijk, dat wil ik niet ontkennen…”. Ze is bepaald niet kleinzielig. Komt aanzetten met verhalen uit de Bijbel waardoor leugens levens redden. Rachab, de hoer, die spionnen in huis verborg. De Egyptische vroedvrouwen die, om Joodse jongetjes te redden, zeiden dat de Israëlitische vrouwen zo sterk waren dat ze al gebaard hadden voor zij er aan te pas kwamen.

Leerschool

Het is niet te geloven, maar de familie Ten Boom wordt verraden door een Nederlander die zegt zeshonderd gulden nodig te hebben om een agent om te kopen. Geld om zijn vrouw uit de gevangenis te bevrijden. Corrie schraapt het bij elkaar: “… Toen de man na een uur terug kwam, gaf ik hem de zeshonderd gulden. Ik bad met hem, dat God het geld zou zegenen en het leven van zijn vrouw zou redden…”. Vijf minuten later staat de Gestapo voor de deur. Maanden van eenzame opsluiting volgen. Corrie’s oude vader sterft tien dagen na de arrestatie. Ook haar broer en neefje overlijden. Als ze overgeplaatst wordt naar kamp Vught ziet ze haar zus Betsie weer. Vandaar gaat het naar concentratiekamp Ravensbrück, waar haar zus sterft. Corrie komt vrij. Ze vertelt hoe een leeuwerik drie weken lang in de lucht, boven hun hoofd begon te zingen, als ze uren lang op appèl moesten staan – wat hen afleidde van de wreedheden die om hen heen gebeurden. Hoe je moeilijke ervaringen ‘vleugels kunt geven’ (en dit is géén reclame voor Red Bull): “… De ene vleugel heet ‘overgave’, de andere ‘vertrouwen’. Als je dat doet, zie je de dingen als het ware vanuit Gods gezichtspunt, je ziet ze niet van de onderkant zoals een rups, maar van bovenaf zoals een vlinder…”. Ze heeft overweldigende mystieke ervaringen in kamp Ravensbrück, waar ze niet heel veel over schrijft: “… De volgende morgen, toen we naar het appèl moesten lopen, gingen we langs een andere weg dan onze medegevangenen. Dus waren we met ons tweeën, nee, met ons drieën! Betsie sprak, ik zei wat en de Heer sprak. Hoe Hij het zei, dat weet ik niet, maar we verstonden het beiden…”. Het doet me denken aan moslims die vaak zeggen in dromen de Heer te hebben ontmoet. Betsie zegt dat ze in visioenen opvanghuizen voor ontheemden heeft gezien die Corrie na de oorlog moet opzetten. Dat alles wat ze in het kamp ondergaat een leerschool is voor later (zie ook “Leerschool” van Tara Westover). Ze voorziet dat Corrie de hele wereld over gaat om lezingen te houden – wat ook echt allemaal zal gaan gebeuren.

Landloper voor God

Na de bevrijding verkoopt Corrie de juwelierszaak inclusief het huis, en zet de Ten Boom Stichting op. Twee panden worden gekocht. Een medewerker: “… ‘Denk je, Corrie, dat het geld uit de hemel komt vallen?’ vroegen ze mij in hun volgende brief. ‘Dat is het enige adres waar ik verwachting van heb,’ antwoordde ik…”. Ex-gevangenen worden opgevangen. Een psychiater zet zich met raad en daad kosteloos in. Corry vindt het prima als cliënten midden in de nacht uit het raam klimmen om een eind te gaan wandelen. Of als horen en zien je vergaat omdat een paar jongens tegelijk én piano, én accordeon spelen, terwijl de radio ook nog eens keihard aanstaat. Is het niet heerlijk om niet meer in de gevangenis te zitten? Ondertussen vraagt de psychiater zich af hoe hij van dit zooitje ongeregeld ooit weer normale mensen moet maken. Corrie wordt overal gevraagd lezingen te houden. Eerst in de Verenigde Staten. Later in Duitsland: “… De mensen voelden zich daar verslagen en hopeloos. Overal zag ik puinhopen: puinhopen van steden en puinhopen van mensen…”. In Duitsland is het vluchtelingenprobleem verschrikkelijk: “… Men spreekt van negen miljoen mensen, die geen fatsoenlijk onderdak hebben. Daar zijn de ‘Umsiedler’ uit de Russische zone en andere Oostelijke landen, zoals Tsjechoslowakije, Polen en Hongarije; en dan de ontelbaren die ‘ausgebombt’ zijn…”. Ze huurt een voormalig concentratiekamp in Darmstad om daklozen op te vangen: “… Terwijl ik met hen praatte, kwam ik in contact met het verwonde Duitsland, zoals nergens anders…”. Corrie: “… De eerste jaren na de oorlog was het alsof vele Duitsers alle energie kwijt waren. Zij hadden overal ter wereld hun gezicht verloren. Hun huizen waren verwoest. Zij waren de wanhoop nabij, toen zij hoorden hoe groot Adolf Hitlers misdaden waren geweest…”. In Manilla op de Filippijnen spreekt ze zevenduizend criminelen in een gevangenis met een tekort aan bewakers toe. In een andere gevangenis waar het kabaal alleen maar toeneemt als ze verschijnt: “… ‘Toen ik vier maanden alleen in een cel was,’ brul ik. Ineens doodse stilte…”. Een gebedskring van filmsterren in Hollywood nodigt haar uit. In Toronto preekt ze op een koude avond voor een groep automobilisten, op een parkeerplaats waar een ‘drive-in-kerk’ is georganiseerd. In Jeruzalem, waar ze terecht komt als één van de ‘righteous gentiles’ (een door de Wereldraad van Joden samengestelde lijst met namen van mensen die in de Tweede Wereldoorlog Joden hebben geholpen), verwelkomt een Rabbi haar met de woorden: “… 'Nu gaat Corrie ten Boom u vertellen over haar grootste vriend, de Jood Jezus.' Wat een merkwaardige introductie!...”. In Australië maakt ze kennis met een aboriginal-moeder die acht mannen heeft gehad, zodat ze niet meer precies weet hoeveel kinderen ze heeft. In ieder geval zijn er achttien (!) in huis. Ze vertelt hoe de chauffeur van een vierpersoons-autootje in Oeganda allerlei lifters oppikt, met het doel het evangelie door te geven. Uiteindelijk zitten ze er met negen man in, waarvan eentje ook nog een groot autowiel bij zich heeft: “… het optimisme van mijn Afrikaanse broeders kende geen grenzen…”. En over een groep uitgelaten jongens van twaalf tot vijftien jaar in Christchurch, Nieuw-Zeeland, waar ze geacht wordt voor te spreken - wel de laatsten waar ze als vrijgezelle tante wat mee heeft – heel eerlijk: “… Toen ik binnenkwam, zag ik een kamer vol jongens. Jongens op de tafel, jongens op de kast, jongens op de grond, overal jongens! Het was net een nare droom en ik was wanhopig…”. Het is allemaal goed gekomen. Bij aankomst in Portland waar Corrie een paasdienst houdt in het openluchttheater: “… Wij hadden de gelegenheid onze omgeving een beetje in ons op te nemen en ik zag mijn naam staan op een groot aanplakbiljet tussen twee evenementen in: Circus / Corrie ten Boom spreekt op Paasmorgen om 6.00 uur / Vlooienmarkt…”. Corrie: “… In Vietnam heb ik de jungleman Tsau ontmoet. Hij kwam naar mij toe nadat ik vijf keer voor zijn Chil-stam gesproken had. Hij zei: ‘Dubbel oude grootmoeder.’ Het zal je gezegd worden als je pas vijfenzeventig jaar bent, maar oud zijn is de grootste eer voor de Chil-stam…”.

Don’t argue with me, argue with the Bible
Overal waar ze gevraagd wordt preekt ze. Ze heeft niets met kerken: “… Ik zeg niet ‘aanvaard een kerk’ maar ik zeg: ‘aanvaard een persoon, Jezus, die u liefheeft’…”. En even verder: “… wordt een biggetje, dat geboren wordt in een paleis, een prins? Zo wordt iemand door het lidmaatschap van een kerk niet een kind van God…”. Op een universiteit zegt een docent: “… Wat u vertelde aan de studenten was wel interessant, maar ik geloof niet dat u gelijk hebt. Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb meer gezien dan u. Ik ben in een vereniging, die me over de hele wereld gebracht heeft en ik heb gesproken met vooraanstaande mensen in India, in Arabië, in Japan en in zoveel meer landen. Met Mohammedanen, Brahmanen, Shintoïsten en vele anderen heb ik gesproken over de weg door tijd en eeuwigheid. Er waren beste mensen bij en zij kwamen tot God zonder Jezus Christus. U zei pertinent tot de studenten, dat wij Hem nodig hebben, maar dat is niet zo…”. Dat is ook nog wel een puntje in onze tijd. “… ‘Don’t argue with me, argue with the Bible,’ antwoord ik haar…”. Voor Corrie is het duidelijk: “… Jezus zei: ‘Niemand komt tot de Vader dan door mij’…”. En wat, tenslotte, volgens haar ‘genade’ is: “… Voor een distel een mirteboom. (Jes. 55:13)…”.

Uitgave: Novapres – 2005 (herdruk), 304 blz., ISBN 978 906 318 058 4
Alleen tweedehands verkrijgbaar

vrijdag 25 oktober 2019

De keuze – Edith Eva Eger


Subtitel: Leven in vrijheid

Nadat ik een tijdje geleden las dat één op de twintig Europeanen nooit van de Holocaust had gehoord nam ik mij vast voor af en toe een boek met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog te bespreken. Om herhaling te voorkomen mogen sommige zaken nooit, maar dan ook nooit, vergeten worden. Daarnaast krijgen afschuwelijke gebeurtenissen alleen betekenis als mensen er wat van leren. Dr. Eger is een Hongaars-Joodse psycholoog van in de negentig (!) die Auschwitz heeft overleefd. Evenals haar grote inspirator, Viktor Frankl, wiens boek “De zin van het bestaan” ik eerder besprak - zie hier - gebruikt ze die ervaring nog steeds om haar cliënten te helpen. Haar autobiografie.

Het leven tot leven brengen

Het viel mij op dat Edith Eger in haar voorwoord dezelfde vragen stelt als de Joodse psychotherapeut Esther Perel in “Erotische intelligentie”: “… Waarom hebben we er zo’n moeite mee om ons levendig te voelen? Weerhouden we onszelf ervan om het leven volledig te voelen? Waarom is het zo moeilijk om het leven tot leven te brengen?...”. Volgens haar is er geen hiërarchie in lijden: “… Ik wil niet dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Mijn lijden is minder belangrijk.’ Ik wil dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Als zij het kan, kan ik het ook!’…”. Ze vertelt over twee huilende moeders van in de veertig die na elkaar op haar spreekuur kwamen. De eerste had een dochter met hemofilie die stervende was. De andere was overstuur omdat haar zojuist afgeleverde nieuwe Cadillac niet de juiste kleur geel had. De situaties lijken in geen verhouding te staan. Maar, zegt Eger (en daar heb ik wel even over nagedacht): “… Vaak staat het kleine verdriet in ons leven symbool voor het grotere verdriet. De schijnbaar onbetekenende zorgen vertegenwoordigen een grotere pijn…”. Eger ziet het als haar taak anderen bewust te maken van het feit dat ze altijd een keus hebben wat betreft de manier van reageren. Ze wil slachtoffers helpen te ontsnappen aan hun verleden. Mensen begeleiden van trauma naar overwinning, van duisternis naar licht, van gevangenschap naar vrijheid. Dat is nogal wat…

Alle verrukking komt van binnenuit
“… Het geheugen is heilig. Maar het is ook behekst. Het is de plek waar mijn woede en schuldgevoel als hongerige gieren boven dezelfde oude botten cirkelen. Het is de plek waar ik op zoek ga naar het antwoord op de vraag die niet te beantwoorden valt: waarom heb ik het overleefd?...”. Later verandert die vraag in: “… Wat moet ik doen met het leven dat ik heb gekregen?...”. Edith is de jongste van drie zussen. Haar vrolijke vader had liever arts willen worden dan kleermaker. Ze herinnert zich hoe ze als negenjarige haar moeder voorleest uit “Gejaagd door de wind”, die met gesloten ogen op een keukenstoel zit te luisteren. Het heerlijke gevoel met z’n tweetjes in een aparte wereld te zijn: “… Ik wil bij haar op schoot kruipen. Ik wil mijn hoofd tegen haar borst vlijen. Ik wil dat ze met haar lippen mijn haar aanraakt. ‘Tara…’ zegt ze. ‘Amerika, nou, dat land zou ik graag nog weleens willen zien.’ Ik wil dat ze mijn naam zou zeggen met dezelfde zachtheid die ze bewaart voor een land waar ze nooit is geweest. Alle geuren in de keuken van mijn moeder zijn voor mij verbonden aan het drama van honger en feestmalen. Altijd, zelfs tijdens feestmalen, voel ik dat verlangen. Ik weet niet of het haar verlangen is of het mijne, of dat het iets is wat we met elkaar gemeen hebben…”. Het doet me denken aan een citaat van een andere psychotherapeut, Ike Freud, eveneens dochter van een Hongaars-Joodse vader: “… Menselijke relatieproblemen in een notendop; of het nu gaat om vriendinnetjes, familiebetrekkingen, man-vrouwrelaties of homoseksuele verbindingen, het draait altijd om hetzelfde; het verlangen naar ‘eeuwig geluk’…”. Ik denk dat dat waar is. Ergo, ik ben gelovig, ik denk dat dat bewijst dat wij aangelegd zijn op niets minder dan een relatie met God. Edtihs’ zus Klara is een wonderkind, speelt al vanaf haar derde viool. Haar andere zus, Magda, speelt piano. Edith heeft een ander talent: ballet. Als haar dansleraar haar boven zijn hoofd tilt: “… Het is moeilijk om mijn benen volledig gestrekt te houden zonder de vloer te hebben om tegenaan te duwen, maar voor even voel ik me als een geschenk. Ik voel me puur licht. ‘Editke,’ zegt mijn leraar, ‘alle verrukking in het leven komt van binnenuit.’…”. En even verder: “… in mijn lichaam voel ik de onontdekte bron van geluk…”. Als God bestaat, is Hij dáár te vinden, denk ik.

Je gedachten zijn van jou
En dan komt de oorlog. Edith, die het zover heeft weten te schoppen dat ze als turnster in een olympisch trainingsteam mag meedoen, wordt vanwege haar achtergrond weggestuurd: “… Ik denk aan alle kinderen die naar me hebben gespuugd en me een vieze Jood hebben genoemd, en aan mijn Joodse vrienden die niet meer naar school gaan, om te voorkomen dat ze lastig worden gevallen, en die nu les krijgen via de radio…”. Al haar dromen worden verscheurd als krantenpapier. De familie wordt opgepakt. Alleen Klara, die inmiddels op het conservatorium in Boedapest zit, lukt het middels de hulp van een professor uit handen van de Duitsers te blijven. Misschien wel het meest ontroerende aan dit verhaal: haar moeder die een doosje in haar jaszak laat glijden, waarin Klara’s helmpje zit, het amnionvlies dat haar hoofdje bedekte toen ze werd geboren: “… Vroedvrouwen bewaarden deze helmpjes vroeger en verkochten ze aan zeelieden ter bescherming tegen verdrinking…”. Wilde ze met deze amulet Klara beschermen? Of heel haar gezin? Eén van de laatste dingen die haar moeder tegen Edith zegt is dat ze moet onthouden dat niemand de gedachten die je in je eigen hoofd hebt van je af kan pakken. Ik dacht er aan hoe waar dat is en hoe vaak brute overheersers dat toch hebben geprobeerd: alleen al degenen die vanwege hun (on)geloof vervolgd worden - zie ook mijn vorige blog. Edith ziet haar eerste vriendje voor het laatst als hij in een vrachtwagen wordt afgevoerd: “… ‘Ik ben hier!’ roep ik als de motoren starten. De latten zitten te dicht opeen om hem te zien of aan te raken. ‘Ik zal je ogen nooit vergeten,’ zegt hij. ‘Ik zal je handen nooit vergeten.’…”. De hoop hem na de oorlog terug te zien zal haar op de been houden. Ze ontmoette hem op een leeskring (jawel). Het laatste boek dat ze samen bespraken was “De droomduiding” van Freud. Opgepropt in een veewagon bereikt het onvolledige gezin Auschwitz. Edith’s zwaaiende vader wordt in de rij van mannen afgeserveerd. Edith zal hem nooit meer zien. Een bijna vriendelijke man met ijskoude ogen vraagt vrouwen boven de veertig en meisjes beneden de veertien een aparte rij te vormen. Edith weet nog niet dat dit dokter Jozef Mengele is, de beruchte engel des doods. Ook haar moeder marcheert af om nooit meer terug te keren. Een van de kapo’s wijst wreed op de rook die uit een schoorsteen komt als Edith vraagt waar haar moeder is gebleven: “… Magda staart naar de schoorsteen van het gebouw waar mijn moeder naar binnen is gegaan. ‘De ziel sterft nooit,’ zegt ze…”.

Dans, dans, dans

Zolang als haar zus bij haar is belooft Edith zichzelf hoe dan ook overeind te blijven: “… Ik zal overleven door mezelf aan haar te hechten alsof ik haar schaduw ben…”. Wanneer Magda naakt en kaalgeschoren als een schurftige hond voor haar staat en vraagt of Edith eerlijk wil zeggen hoe ze eruit ziet, dringt voor het eerst tot haar door dat we altijd een keuze hebben – het fundament onder haar latere therapie: “… aandacht besteden aan wat we zijn verloren, of aandacht besteden aan wat we nog hebben…”. Ze zegt tegen haar zus dat ze eindelijk kan zien hoe mooi haar ogen zijn, nu al dat haar er niet meer voor hangt. De geraffineerde moordenaar, dokter Mengele, is een liefhebber van kunst en beveelt Edith te dansen: “… Hij bestudeert me. Ik weet niet waar ik mijn ogen moet laten. Ik staar recht vooruit naar de open deur. Het orkest heeft zich buiten verzameld. Ze zijn stil, wachten op bevelen. Ik voel me als Eurydice in de onderwereld, wachtend op Orpheus om een akkoord op zijn lier aan te slaan dat het hart van Hades kan ontdooien waardoor ik bevrijd word. Of ik ben Salomé, die moest dansen voor haar stiefvader Herodes, sluier na sluier optillend om haar lichaam te onthullen. Geeft de dans haar macht, of neemt de dans haar de macht juist af?...”. Edith danst alsof haar leven er van afhangt, wat in dit geval ook letterlijk zo is. Als dank gooit hij haar een brood toe. Ze beseft dat dokter Mengele zieliger is dan zij: “… Ik ben vrij in mijn gedachten, iets wat hij nooit zal zijn. Hij zal moeten leven met wat hij heeft gedaan. Hij zit meer gevangen dan ik. Als ik mijn dans afsluit met een laatste, gracieuze spagaat, bid ik, maar ik bid niet voor mezelf. Ik bid voor hem. Ik bid dat hij, voor zijn eigen bestwil nooit de behoefte zal krijgen om mij te doden…”. Hierin is hetzelfde gedachtegoed herkenbaar als van Anne Frank en Etty Hillesum.

De hel
Als de Russen van de ene en de Amerikanen van de andere kant Polen naderen, wordt Auschwitz beetje bij beetje geëvacueerd en de gevangenen op transport gesteld naar Duitsland, waar een eindeloze, barre voettocht van het ene naar het andere kamp begint. Tijdens de dodenmars van Mauthausen naar Gunskirchen overleven slechts honderd van de tweeduizend gevangenen. Ik hoef er niet veel woorden aan vuil te maken. De hel kan niet erger zijn. Edith: “… zien dat een stervende persoon het vlees van een dode eet, doet de gal in mij naar boven komen, dan gaat bij mij het licht uit. Ik kan het niet. Toch moet ik eten. Ik moet eten, want anders ga ik dood. Uit de aangestampte modder groeit gras. Ik staar naar de sprietjes…”. Eén verhaal maakt dat ik me bijna schaam voor de menselijke soort. Een zwangere vrouw. Hoe ze in een concentratiekamp terecht is gekomen zonder meteen te zijn gedood, begrijpt Edith ook niet. “… Toen ze moest baren, bonden de SS’ers haar benen bij elkaar. Ik heb nooit zo’n doodstrijd gezien als die van haar…”. Na alles wat ik heb gelezen kan ik nog steeds geschokt zijn. Ergo: ik ben zelden zo geschokt geweest. En dat is goed. Als dit je niet meer raakt, wat raakt je dan nog wél? Ik dacht aan een collega, jaren geleden, die mij vertelde dat ze een hele middag bibberend in bed was gekropen, nadat ze via de radio gehoord had over de wandaden jegens vrouwen in Sebrenica. Dat was het moment waarop mijn orthodoxe abortusstandpunt zich wijzigde. Er zijn redenen te bedenken waarom een abortus de minst slechte oplossing is. Hoe wonderlijk is het dat het begane kwaad, waarvan de verantwoordelijke daders waarschijnlijk dachten dat er toch geen haan naar zou kraaien, werd gezien en onthouden en opgeschreven door Edith Eger, die duizenden lezers bereikt. Mij bereikt. Het protestantisme kent geen gebed voor de doden. Dat is jammer. Maar ik hoop dat desondanks iedereen die dit leest, protestants of niet, met terugwerkende kracht een gebedje naar de hemel zendt voor deze moeder. Als de Amerikanen komen is Edith er zo slecht aan toe dat ze ternauwernood de aandacht van een soldaat weet te trekken. Hij moet haar uit een berg doden halen: “… Misschien zijn het slechts twee ademhalingen die mij van hen scheiden…”. Ze vertelt dat het lijkt of alles zich onder water afspeelt. Het eerste wat ze proeft zijn een paar M&M’s, die hij op haar tong legt.

Vrijheid
De bevrijding is totaal anders dan ze zich had voorgesteld: “… Ik word door een provisorische kar gereden. De wielen kraken. Ik kan amper bij bewustzijn blijven. Er is geen vreugde of opluchting in deze vrijheid. Het is een langzame tocht uit het bos. Het is een verdoofd gezicht. Het is amper in leven zijn en weer in slaap vallen. Het is het gevaar van je volstoppen met ‘voeding’. Het gevaar van de verkeerde soort voeding. Vrijheid is zweren, luizen, vlektyfes, uitgeholde buiken en lusteloze ogen…”. Iedere hobbel doet pijn. Edith heeft haar rug gebroken, wat ze op dat moment nog niet weet. Ze sjokken mee in een optocht van spoken. Mensen schrikken zich te pletter als ze hen zien. Magda en veel anderen geloven niet meer. Edith: “… ‘Ik kan niet geloven in een God die dit allemaal laat gebeuren,’ zeggen ze. Ik begrijp wat ze bedoelen. Toch heb ik het nooit moeilijk gevonden om te zien dat het niet God is die ons in de gaskamers, in greppels, op de rand van een klif, op de honderdzesentachtig traptreden doodt. God heeft niet de leiding over de concentratiekampen. Dat hebben de mensen…”. Het lukt Edith en Magda de weg naar huis te vinden, waar Klara net de deur uitkomt, op weg naar een radioconcert. Op hun tocht zijn ze evenveel antisemitisme tegen gekomen als voor de oorlog. In een tbc-ziekenhuis ontmoet Edith haar toekomstige echtgenoot, de schatrijke, stotterende Béla, terwijl hij met een ander meisje zit te zoenen. Ook een wees. Hij heeft de oorlog als partizaan in de bossen doorgebracht. Als ze trouwen raakt Edith gelijk zwanger. Ze krijgen een meisje. Echter; de nazi’s van gisteren zijn de communisten van vandaag. Edith en Béla besluiten alles klaar te maken om illegaal naar Palestina te emigreren. Kopen een goederenwagon die het familiefortuin van Béla naar Italië zal vervoeren en van daaruit per schip naar Haifa.

Transformatie

Dan wordt Béla gearresteerd. Vanwege zijn geld is hij een belangrijk kopstuk. Met de moed der wanhoop weet Edith hem uit zijn cel te halen door een bewaker om te kopen. Met een diamanten ring. Ze vluchten naar het station, waar Edith kaartjes voor Wenen koopt. Vlak voor de trein vertrekt wordt de naam van Béla omgeroepen. Of hij zich bij de informatiebalie wil melden. Hij verstopt zich in de wc terwijl de trein langzaam optrekt. In Wenen stikt het van de vluchtelingen. Daar hoort Edith dat er nog steeds een oorlogssituatie heerst in Israël, hoewel er geen oorlog meer is. Ze heeft het gehad met oorlog. Op het laatste moment stelt ze Béla voor de keuze: of met mij naar Amerika, of zonder mij naar Israël. Op het allerlaatste moment, als de deuren van de trein die hen richting het Beloofde Land zal brengen dichtklappen, kiest hij voor zijn vrouw en dochter. Ze stranden in Baltimore waar een keihard immigrantenbestaan begint. Ze krijgen te maken met discriminatie, vooroordelen, geldgebrek en zeg maar gerust en opnieuw slavenarbeid, vergelijkbaar met het lot van de gastarbeiders in de jaren zeventig bij ons - zie “Ik (Ali)” van Günther Wallraff. Toch lukt het Béla zijn accountanspapieren te halen. Een tweede kindje wordt geboren. Pas als een neef hen weet over te halen naar het grensstadje El Paso te komen gaat het financieel en sociaal beter. Maar emotioneel wordt Edith steeds ingehaald door haar traumatische verleden, dat ze als een taboe op afstand probeert te houden. Een derde baby wordt geboren. Ze gaat psychologie studeren. Komt via zijn boek in contact met Viktor Frankl, met wie ze een jarenlange briefwisseling begint. Ze raakt gefascineerd door de visie van Carl Jung (evenals ik). Je zou kunnen zeggen dat de film “The Red Shoes” haar de eerste beelden levert die een innerlijk transformatieproces triggert (tot mijn verrassing ben ik ‘de rode schoentjes’ meermalen tegengekomen: zie het prentenboek “De rode schoentjes” van Marian van Lieshoud en “De ontembare vrouw” van Clarissa Pinkola Estés). Onder invloed van Viktor Frankl begint ze zich af te vragen wat ze wil van het leven. Bijna direct denkt ze dat nee zeggen tegen Béla de enige manier is om ja te zeggen tegen zichzelf. Dus gaan ze een tijdje uit elkaar. Op tweeënveertig jarige leeftijd studeert ze cum laude af.

Zonder ‘ik’ geen ‘wij’

De scheiding repareert niet wat ze denkt dat kapot is. Ze begint te erkennen dat ze wat zich in haar bevindt onder ogen moet zien: “… Als ik echt mijn kwaliteit van leven wil verbeteren, is het niet Béla of onze relatie die moet veranderen. Ík moet veranderen…”. Twee jaar na de scheiding komt Béla terug en trouwen ze opnieuw. Prachtig omschrijft ze hoe ze het gevoel heeft in die periode volwassen te zijn geworden. Hoe ze heeft ontdekt dat er geen sprake kan zijn van ‘wij’ als er geen ‘ik’ is: “… Nu ik mezelf een beetje heb leren kennen, kan ik zien dat de leegte die ik voelde in ons huwelijk niet een teken was dat er iets mis was in onze relatie. Het was de leegte die ik in me droeg, zelfs nu, de leegte die geen enkele man of prestatie ooit zal vullen. Niets zal ooit het verlies van mijn ouders en mijn jeugd goed kunnen maken. En niemand is verantwoordelijk voor mijn vrijheid. Dat ben ik namelijk zelf…”. Voor wie het interesseert, de leraren en mentoren die ze bij name noemt: Martin Seligman, Albert Ellis, Carl Rogers, en Richard Farson. Over haar eigen trauma: “… Het was een bron waaruit ik kon putten, een diepe bron van begrip voor en intuïtie over mijn patiënten, hun pijn en het pad naar genezing…”. Ze vertelt over haar cliënten: “… Als een kind worstelt met anorexia, is het kind in principe de patiënt, maar de echte patiënt is het gezin…”. En: “… Je plakt kinderen een etiket op en ze gedragen zich ernaar…”. Ze heeft het over negatieve aandacht, over emotionele incest. Als er een legercommandant voor haar staat met een pistool, die dreigt zijn vrouw te vermoorden, omdat ze vreemd gaat: “… ‘Hou je van je kinderen?’ vroeg ik. Woede, hoe verterend ook, was nooit de belangrijkste emotie. Hij was slechts de buitenkant ervan, het dunne, blootgestelde toplaagje van een veel dieper gevoel. Het gevoel dat wordt verborgen onder het masker van woede is meestal angst. Je kunt geen liefde en angst voelen op hetzelfde moment…”. En, “… je kunt niet genezen wat je niet kunt voelen…”. Over slachtofferschap: “… De meesten van ons zouden een dictator willen hebben – zij het een welwillende – op wie we de verantwoordelijkheid kunnen afschuiven, zodat we kunnen zeggen: ‘Jij liet me dat doen. Het is niet mijn schuld.’ Maar we kunnen niet ons hele leven lang in iemands schaduw blijven hangen omdat we ons daar veilig voelen en vervolgens klagen dat we de zon nooit zien…”. Steeds weer heeft Edith het over het accepteren van je hele ik. Alles waar je trots op bent én alles waar je je voor schaamt: “… Het tegengif voor kapot zijn is je hele ik. Misschien moet je als je wilt genezen niet het litteken willen uitwissen of het litteken willen repareren. Genezen betekent dat je de wond moet verzorgen…”.

Onbegrijpelijke liefde

Als nooit tevoren wordt Edith op de proef gesteld wanneer een veertienjarige jongen door een rechter naar haar wordt doorverwezen voor autodiefstal. Hij arriveert in een bruin overhemd en bruine laarzen: “… Hij zei: ‘Het is tijd dat Amerika weer wit wordt, Ik ga alle Joden, negers, alle Mexicanen en alle spleetogen vermoorden.’…”. Het liefst had ze hem bij zijn lurven gevat. Dan vertelt ze het verhaal van de Nederlandse Corrie ten Boom, waar ze aan moet denken, “… een Rechtvaardige onder de Volkeren. Zij en haar gezin verzetten zich tegen Hitler door honderden Joden te laten onderduiken in hun huis, en uiteindelijk werd ze zelf in concentratiekamp Ravensbrück geplaatst. Haar zus kwam daar om het leven, ze stierf in Corries armen. Corrie werd vrijgelaten doordat er sprake was van een administratieve fout, één dag voordat alle gevangenen in Ravensbrück werden geëxecuteerd. En een paar jaar na de oorlog ontmoette ze een van de wreedste bewakers van het kamp waarin ze had gezeten, een van de mannen die verantwoordelijk was voor de dood van haar zus. Ze had hem kunnen bespugen, hem dood kunnen wensen, zijn naam hebben kunnen vervloeken. Maar ze bad voor de kracht om hem te vergeven, en ze nam zijn handen in die van haar. Ze zei dat ze op het moment dat zij als voormalige gevangene de handen van een voormalige bewaker vastpakte de puurste en diepgaandste liefde ervoer. Ik heb geprobeerd om deze acceptatie te vinden, dat medeleven in mijn eigen hart, om mijn ogen te vullen met vriendelijkheid…”. Was die racistische jongen naar haar toegestuurd om te leren wat onvoorwaardelijke liefde was? Ze vertelt dat de meeste leden van blanke nationalistische groeperingen in de Verenigde Staten een van hun ouders hebben verloren voordat ze tien jaar waren: “… Dit zijn verloren kinderen die op zoek zijn naar een identiteit, die een manier zoeken waarop ze zich krachtig kunnen voelen, die hunkeren naar het gevoel ertoe te doen…” (zie ook de indrukwekkende aflevering 'Amerika' die Tim Hofman en Eva Cleven voor het programma 'Trippers' van de BNNVARA maakten; ik zag het programma toevallig van de week). Volgens Edith hebben we altijd een keus. Jij bent degene die kan kiezen. Tussen verbittering of loutering. Tussen haat of liefde.

Uitgave: Lev – 2018, vertaling Elisabeth van Borselen, 328 blz., ISBN 978 940 051 055 5, € 12,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 20 oktober 2019

De testamenten – Margaret Atwood


Met “De testamenten” won de 79-jarige Margaret Atwood, de ‘grande dame’ van de Canadese literatuur, samen met schrijfster Bernardine Evaristo, de prestigieuze Engelse Booker Prize 2019. Haar roman is een vervolg op “Het verhaal van de Dienstmaagd”, een dystopie uit 1985, die ik eerder besprak (zie hier). Het is Atwoods’ antwoord op de vraag van veel lezers hoe er een einde is gekomen aan de religieuze heilstaat Gilead. Het is intrigerend hoe anders Atwood in de loop der jaren is gaan schrijven: sneller, harder, visueler en humoristischer. Haar personages zijn slimmer, individualistischer, maar tegelijk ook oppervlakkiger. Atwood is absoluut met de tijd mee gegaan. “De testamenten” is trouwens goed zelfstandig te lezen.

Alleen een sukkel zou zoiets geloven, dus geloofde ik het

“De testamenten” wordt bevolkt door drie hoofdpersonen. Ten eerste de eigenzinnige, ouder wordende Tante Lydia die, vijftien jaar na “Het verhaal van de Dienstmaagd”, als de hoogstgeplaatste vrouw in het theocratische Gilead beschouwd kan worden. Ze heeft zelfs een standbeeld gekregen waar dankbare onderdanen offers brengen: eieren, sinaasappels, croissants. Vanaf de eerste bladzijde is ze bezig met iets wat absoluut verboden is. Ze zit stiekem te schrijven in een van de weinig overgebleven bibliotheken, die alleen toegankelijk zijn voor daartoe bevoegden (vrouwen die lezen zijn gevaarlijk). Kennis is macht, volgens haar. Vooral schandalige kennis. Dat weet iedere inlichtingendienst. Ze verzamelt al jaren belastende documenten. Ze is in de weer met minuscule fotocameraatjes en afluisterapparatuur. Ten tweede Agnes, de pleegdochter van een hooggeplaatste Bevelvoerder. Ze hebben maar liefst drie Martha’s, vrouwen die het huishouden op poten houden. Ze leidt tot haar negende jaar een buitengewoon bevoorrecht leventje, met een moeder die zielsveel om haar geeft, met haar speelt en liedjes voor haar zingt: “… U hebt me gevraagd om te vertellen hoe het was om op te groeien in Gilead. Dat zou helpen, zegt u, en ik wil graag behulpzaam zijn. U verwacht misschien alleen maar gruwelen, maar in werkelijkheid werden veel kinderen in Gilead liefgehad en gekoesterd, net als overal, en waren veel volwassenen er net als overal vriendelijk maar onvolmaakt…” (wat me doet denken aan "De meeste mensen deugen" van Rutger Bregman). Atwood spreekt de lezer herhaaldelijk rechtstreeks aan. Met haar vader heeft Agnes niet zoveel, wat niet verwonderlijk is, want op school worden de meiden geïnstrueerd mannen vooral als ‘geile bokken’ te zien, wat eigenlijk een beetje zielige griezels van ze maakt, overgeleverd als ze zijn aan hun onbeheersbare lusten. Ten derde: de zestienjarige Daisy, die aan de andere kant van de grens, in het vrije Canada, wordt grootgebracht door een stel dat een kringloopwinkel draaiende houdt. “… Melanie zei dat al mijn kinderfoto’s bij een brand verloren waren gegaan. Alleen een sukkel zou zoiets geloven, dus ik geloofde het…”.

De alfakip
Volgens Tante Lydia wordt ze nog steeds getolereerd omdat ze de vrouwen leidt met een ijzeren vuist. Als de eunuch van een harem. Bovendien weet ze teveel vuiligheid over de leiders. En ze is discreet. Alle heren aan de top hebben het gevoel dat hun geheimen bij haar veilig zijn. Haar mannelijke evenknie is Bevelvoerder Judd, het hoofd van de Speurders. Ze vertelt hoe het zover heeft kunnen komen. In een ander leven was ze rechter. Amerika kampt met apocalyptische rampen. Op een dag wordt er een coup gepleegd. Zij en andere vrouwelijke hoogopgeleiden worden gevangen genomen en naar een stadion gebracht. Het doet een beetje denken aan de razzia in “Haar naam was Sarah” van Tatiana de Rosnay. Voor haar ogen worden groepen vrouwen geëxecuteerd. De nacht brengen ze door in de gangen en kleedkamers. Na een tijd nemen ze haar mee voor een ondervraging door Bevelvoerder Judd. Ze reageert te brutaal. Ze wordt een tijdlang opgesloten in een donkere cel. In elkaar geslagen. Met tasers bewerkt. Ze weet een ding zeker: “… Dit zal ik je betaald zetten. Het kan me niet schelen hoelang het duurt of hoeveel stront ik in de tussentijd op mijn bord krijg, maar ik zet het je betaald…”. Daarna mag ze drie dagen op adem komen in een soort hotelkamer met een warme douche en lekker eten. Als ze weer bij Bevelvoerder Judd wordt ontboden werkt ze mee: “… Wat heeft het voor zin om jezelf uit morele overwegingen voor een stoomwals te werpen en platgewalst te worden als een sok zonder voet? Je kunt beter opgaan in de menigte, de godlovende, schijnheilige, haatzaaiende menigte. Je kunt beter stenen gooien dan het mikpunt van stenen zijn. Althans beter voor je overlevingskansen…”. Ze doorstaat de vuurproef: als ze een wapen in handen krijgt schiet ze veroordeelden dood. Ze moet het ‘vrouwelijke domein’ opzetten, want de heren Bevelvoerders hebben wel wat anders te doen. Lydia is een keiharde tante. Ze weet hoe macht werkt: “… Als dit een kippenhok is, dacht ik, dan wil ik de alfakip zijn. En om dat te worden moet ik bovenaan staan in de pikorde…”. Verdeel en heers: “… Hou je kalm, nam ik mezelf voor. Geef niet te veel bloot, dat kan tegen je worden gebruikt. Luister goed. Onthoud alle aanwijzingen. Toon geen angst…”.

Klep houden
De moeder van Agnes wordt ziek en overlijdt, waarna haar machtige vader met een vrouw hertrouwt die ze niet mag. Agnes haat haar uitbottende lijf: “… Het volwassen vrouwenlichaam leek wel één grote boobytrap. Als er ergens een gat zat, zou er vroeg of laat iets naar binnen worden geschoven en zou er iets anders uitkomen…”. Tot overmaat van ramp hoort ze ook nog via het welig tierende geruchtencircuit (wat denk je: al die vrouwen!) dat haar overleden moeder niet haar echte moeder is. Een Martha over deze destabiliserende waarheid: “… ‘Die vriendin van je praat teveel,’ antwoordde ze. ‘Ze zou haar klep eens moeten houden.’…”. Haar echte moeder wilde met haar de grens over vluchten, waarbij ze gepakt werd. Volgens de Martha kon ze onmogelijk dood zijn. Een vrouw die kinderen kan krijgen is veel te kostbaar. Waarschijnlijk is ze na een hersenspoeling Dienstmaagd geworden, oftewel seksslavin; iemand die voor onvruchtbare Echtgenotes plaatsvervangend kinderen moet baren. Ze hebben de status van onaanraakbaren. Agnes die leerde dat alle Dienstmaagden sletten dan wel borderliners zijn, begrijpt eindelijk waarom. Ze raakt gefascineerd door de Dienstmaagd die bij hen in huis komt wonen. Haar niet-ouders willen zo snel mogelijk van haar af als er een jongetje wordt geboren. Ze wordt uitgehuwelijkt. Aan de vreselijke Bevelvoerder Judd, die toe is aan zijn zoveelste kindbruidje. Tante Lydia trekt zich Agnes’ lot aan en weet haar uit zijn klauwen te redden. Ze neemt haar als aspirant-leerling onder haar hoede. De Tantes hebben immers ook niet het eeuwige leven. Meisjes die een ‘roeping’ voelen kunnen hen in hun gewijde taak opvolgen.

Infiltrant

De ouders van Daisy worden opgeblazen door een autobom, waarna een kennis, Ada, een halve kerel, zich over haar ontfermt door haar onder te laten duiken. Ada vertelt haar plompverloren dat het omgekomen echtpaar ook al niet haar echte ouders zijn. Dat ze een overlevende uit het tirannieke Gilead is, waar ze juist een protestmars tegen heeft gelopen. Erger, dat ze Baby Nicole is, het boegbeeld en de icoon van alle ontvoerde baby’s die Gilead terug eist. Er bestaat een terroristische organisatie, Mayday, die via een ‘Ondergrondse Vrouwenweg’ - naar de 'Ondergrondse Spoorweg' van de voormalige slaven - asielzoekers uit Gilead helpt: “… Zoals Mark Twain al zei: history does not repeat itself, but it rhymes…”. Daisy doet zich voor als dakloze, en laat zich als Mayday-infiltrant door zendelingen juist Gilead ín smokkelen, om te helpen de staat van binnenuit te ondermijnen. Zo komen de levens van Tante Lydia, Agnes en Daisy bij elkaar.

Macht corrumpeert
“De testamenten” gaat over macht (en het is heel wat beter te pruimen dan “De vorst” van Machiavelli). Hoe macht werkt. Uitvergrote subtiliteiten maken dat des te duidelijker. Tante Lydia die alle zonden van Gilead verzamelt als een verslaggevende engel: “… Mijn grootste vrees: dat al mijn inspanningen vergeefs blijken te zijn en dat Gilead nog duizend jaar zal blijven bestaan. Het grootste deel van de tijd voelt dat hier zo, ver weg van de oorlog, in het stille oog van de storm. Zo vredig, de straten, zo rustig, zo ordelijk; maar onder het bedrieglijk kalme oppervlak trilt iets, als in de buurt van een hoogspanningmast. We zijn allemaal zo gespannen als een veer; we trillen, we bibberen, we zijn op onze qui-vive. Schrikbewind, zeiden we vroeger, maar het is eerder een Verlammingsbewind. Vandaar de onnatuurlijke rust…”. Wie wil weten hoe een machtswisseling in het echt plaatsvindt, zou "Het huis van de moskee" (2005) van Kader Abdolah moeten lezen, een verhaal over hoe ayatolla Khomeini de macht grijpt in Iran. Wat me het meeste is bijgebleven is dat van de ene dag op de andere niemand een ander meer vertrouwt. Zodat je niet meer durft te zeggen wat je denkt. Iets waarvan de kiemen in het normale leven gevaarlijk dicht aan de oppervlakte liggen. De macht van woorden. In Gilead leren de ‘gewone’ vrouwen en meisjes niet lezen en schrijven. ‘Pen is nijd’ is een gevleugeld spreekwoord. De timide Dienstmaagden worden opgetrommeld om in een orgie van geweld in ongenade gevallen mannen aan stukken te scheuren. Alle opgekropte haat vindt op die manier een uitweg.

Een in zichzelf verdeeld huis

Er wordt explosieve informatie naar deze en gene gedropt: “… De waarheid kan mensen die haar eigenlijk niet mogen weten een hoop gedonder geven…”. Hoe je vanzelf een medeplichtige wordt: “… Toen ik pas begon met het lezen van die dossiers, werd ik er onpasselijk van. Probeerde iemand me schrik aan te jagen? Werd mijn geest op deze manier gehard? Was dit een voorbereiding op de taken die ik later als Tante zou moeten uitvoeren? Ik ontdekte langzamerhand hoe de Tantes te werk gingen. Ze registreerden en noteerden. Ze wachtten. Ze gebruikten de vergaarde informatie om doelen te bereiken die alleen zij kenden. Hun machtige wapens waren in feite onfrisse geheimen, zoals de Martha’s altijd al hadden gezegd. Geheimen, leugens, list en bedrog – maar niet alleen geheimen, leugens, list en bedrog van anderen maar ook die van henzelf…”. Waar die informatie over gaat: “… Dienstmaagden die tot onwettige handelingen waren aangezet en daarna de schuld in de schoenen was geschoven; Zonen van Jakob die tegen elkaar hadden samengespannen; steekpenningen en gunsten die op de hoogste niveaus waren uitgedeeld; Echtgenotes die andere Echtgenotes erin hadden geluisd; Martha’s die mensen hadden afgeluisterd en de informatie hadden doorverkocht; mysterieuze voedselvergiftigingen die hadden plaatsgevonden; baby’s die van de ene Echtgenote aan de andere Echtgenote waren doorgegeven op basis van schandelijke, ongefundeerde geruchten. Echtgenotes die waren opgehangen op beschuldigingen van niet-bestaand overspel omdat de Bevelvoerder zijn zinnen had gezet op een andere, jongere Echtgenote. Publieke terechtzittingen – bedoeld om verraders te straffen en het leiderschap te zuiveren – draaiden volledig op vervalste verklaringen die door martelpraktijken waren verkregen. Meineed was niet de uitzondering, maar de gewoonte. Onder de uiterlijke schijn van deugd en zuiverheid was Gilead aan het rotten…”. Wanneer het Agnes en Daisy lukt deze informatie naar Canada te loodsen brengt dat de poppen aan het dansen...

Uitgave: Prometheus – 2019, 448 blz., ISBN 978 904 464 188 2, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 13 oktober 2019

Het boek van het licht – Chaim Potok


“… Wij zijn niet ons brein. Wij zijn onze boekenkast…” (Trouw). Dat geldt zeker voor mij. Als ik met mijn man naar Antwerpen ga, parkeren we onze auto meestal op Linkeroever (waar ruimte zat is), om vervolgens door de nostalgische voetgangerstunnel onder de Schelde door te lopen, die midden in de stad uitkomt, op een oergezellig plein waar altijd gebasketbald wordt. Aan dat plein zitten trouwens de lekkerste shoarmatenten van de wereld. In ieder geval, als ik daar ben moet ik altijd aan “The Chosen” van Chaim Potok (V.S., 1929 – 2002, rabbijn) denken, waarin een ultraorthodoxe Joodse jongen met een bal de bril van het gezicht van een liberale Joodse jongen slaat. Dit ongelukje brengt hen met elkaar in contact, wat allerlei verwikkelingen in gang zet (de houten roltrappen in de tunnel doen mij trouwens altijd aan “Hans en Riekje” denken, die op stap gaan in de Amsterdamse Bijenkorf, lang, lang geleden, in een leesboekje op de lagere school). Door Chaim Potok ben ik van de Joodse wereld gaan houden. De strijd die zijn personages leveren om uit de zuigende Joodse ultraorthodoxie te geraken was vergelijkbaar met die van mijzelf, om eertijds van de refotraditie los te komen. In de roman “Het boek van het licht” stelt Potok de Joodse mystiek op een sublieme manier aan de orde (zie ook mijn blog over het werk van Sjef Laenen).

Starry, starry night

Evenals Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik” overkomt Gershon Loran, de hoofdpersoon in “Het boek van het licht”, op jeugdige leeftijd een soort eenheidservaring, als hij op het dak van een verloederde flat in Brooklyn - New York, een hond jongen ziet krijgen: “… Pal voor zijn ogen werd leven geschapen. Hij strekte zijn hand uit om een van de nieuwgeboren jongen aan te raken, maar de teef hief haar kop op en ontblootte haar tanden. Boven zijn hoofd leek de hemel vol sterren op hem neer te dalen. Hij voelde zich helemaal opgenomen in het leven van hemel en aarde, in het mysterie van de schepping, in de pijn en de onuitputtelijke glorie van dit ene moment. Hij wilde de teef tegen zich aan drukken, haar strelen, iets strelen. In plaats daarvan stak hij zijn hand omhoog en aaide langs de hemel en voelde, voelde werkelijk, schrijnend en exquis, de koele, droge, fluwelen aanraking van het besterde uitspansel tegen zijn vingers. Hij huilde een beetje en huiverde in de kille avondlucht…”. Het doet me denken aan de sterrenhemels van Van Gogh. Gershon, een wees, wordt opgevoed door zijn orthodoxe oom en tante, die een beetje vreemd zijn geworden van het verdriet om hun enige zoon die sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. Gershon is een onopvallende, stille, eenzame, maar buitengewoon intelligente jongen. Hij weet niet wat hij wil, tot hij op het niet-orthodox seminarie in Manhattan geconfronteerd wordt met een legendarische Joodse professor van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Jacob Keter, die Kabbala doceert. Hij wordt er door gegrepen. Voor het eerst van zijn leven raakt iets hem tot in het diepst van zijn ziel.

Het irrationele maakt ons compleet
Professor Keter ligt constant in de clinch met de rationele Talmoedist professor Nathan Malkuson, waartussen Gershon zich in eerste instantie vermalen voelt. Professor Keter verdedigt zijn discipline met verve: “… Staat u mij toe, een stelling te verkondigen, heren. Ja? Het komt zelden voor dat ik tijdens de les of bij het schrijven een polemiek aanga. Maar nu wordt het tijd om een stelling te verkondigen. Er was nooit een tijd waarin niemand dacht dat het noodzakelijk of mogelijk was, de kabbala tot wetenschappelijke discipline te verheffen. De Talmoedisten keurden het af. De Kabbalisten keurden het af. Tot op de dag van vandaag keuren ze het af. Ja. De eerstgenoemden beschouwen de kabbala als onzin, de laatsten als iets onaantastbaars en heiligs. Voor mij is de kabbala geen onzin en niet iets onaantastbaars, maar, jazeker, het hart van het Judaïsme, de ziel, de kern. De talmoed vertelt ons hoe de joden handelen; de kabbala vertelt ons hoe het Judaïsme voelt, hoe het de wereld ziet. Wij zijn tegenwoordig westerse, secularistische wezens, rationeel, logisch, ja, en dus raken we verward door de kabbala, die zo irrationeel, zo onlogisch is. Maar de traditie was niet verward; bijna tweeduizend jaar lang was die niet verward. Grote Talmoedisten waren ook grote Kabbalisten. Ja. Als de kabbala, zoals sommigen van mijn collega’s op het instituut beweren, nooit serieus genomen is, kan iemand me dan uitleggen, waarom de joden in Europa in de loop der eeuwen tientallen en nog eens tientallen commentaren op kabbalistische boeken hebben geschreven? Leg me dat eens uit, als het echt om onzin gaat…”. Hetzelfde geldt voor de ‘bevindelijke’ oudvaders. Gershon droomt zelfs van de polemiek tussen professor Keter en professor Malkuson: “… De lange man zei: Ik ben een bedreiging voor u, mijn vriend, is het niet? U zou graag willen dat onze wereld gelijkmatig en rationeel was, is het niet? U bent niet geïnteresseerd in de rabbijnen, de groten die vervuld waren van poëzie en tegenstrijdigheden. Heel diep in ons huist ook het irrationele. Het is de energie die ons voortstuwt, onze creatieve demon. Gelooft u dat we de wereld alleen kennen op basis van wat we waarnemen of logisch kunnen afleiden? Nee, waarde vriend. Hebt u, toen u jong was, nooit iemand ontmoet die bij het spreken over zijn ervaringen meer gebruik maakte van de verbeelding dan van logica, die sprak over dingen die niet overeenstemmen met enige werkelijkheid die we kennen? Het irrationele maakt ons compleet…”.

Korea
In “De ruimte van Sokolov” laat Leon de Winter de moderne natuurkunde zo ongeveer samenvallen met de kabbala in de geest van een alcoholicus. Dat doet Chaim Potok nog net niet, maar hij brengt beide terreinen wel dicht bij elkaar. Gershons kamergenoot, Arthur Leiden, blijkt de zoon van een wereldberoemde kernfysicus, die meegeholpen heeft om de atoombom te maken. Arthur is in alles het tegenovergestelde van Gershon. Knap, goedgebekt, populair. Toch lijdt hij onder zijn afkomst. Kan niet in het reine komen met de prestaties van zijn vader. De beroemde familie van Arthur stelt een beurs ter beschikking die de onzekere Gershon uitgerekend wint. Dat betekent dat hij zijn dienstplicht als rabbi tijdens de Koreaanse Oorlog een jaar uit kan stellen. Gershon wordt een beroemdheid onder de studenten omdat professor Malkuson hem laat slagen voor een examen door hem in de lift een paar vragen te stellen. Professor Keter examineert hem tijdens een wandeling. Om te snappen waar de ondervraging over gaat zou je Laenen moeten lezen. Ondertussen werkt zijn vriendin, Karen, keihard aan een filosofiescriptie waarmee ze hoopt te promoveren. Bij zijn afstuderen zijn voormalig president Harry Truman aanwezig en Albert Einstein himself. Ondanks het uitstel breekt toch de dag aan dat Gershon als militair in Korea belandt. Met een amulet om zijn hals die een oude man waarvan hij Aramees heeft geleerd, uit de synagoge van zijn oom en tante, aan hem heeft gegeven. Ondanks dat de oude man zegt spijt te hebben dat hij Gershon ooit wat heeft geleerd als hij hoort van diens liberale opleiding. Chaim Potok werkte zelf van 1955 tot 1957 als geestelijk verzorger bij het Amerikaanse leger in Korea.

Zinloos lijden

Tijdens zijn militaire dienst gebeurt er niet zo heel veel. Gershon heeft het vooral ontzettend koud. Vanwege de wind uit de Siberische toendra’s die messen van ijs door het kampement blaast. Hij richt een kapel in. Hij krijgt te maken met soldaten die dood gaan omdat ze antivries hebben gedronken. Met korporaals die in nabijgelegen dorpen met hoeren worden betrapt. Ultraorthodoxe landgenoten halen het bloed onder zijn nagels vandaan door te zeiken over zijn assistent die een goj is en de kruisen op de sjoel: “… De zelfgenoegzame superioriteit van hen die zeker waren van de zaligheid…”. Je zou er zin van krijgen te zondigen, maar hij wordt geacht het moreel van zijn bataljon hoog te houden. Piloten van gevechtsvliegtuigen storten neer en worden opgelapt in hospitalen waar Gershon dwars door wildstromende rivieren en over modderige wegen, vanwege de moesson, heenrijdt. Daarna de meedogenloze hitte. Mensen worden opgeblazen door landmijnen. Militairen met geslachtsziekten. Mannen die doodziek worden nadat ze in vervuild water hebben gezwommen. Gevallen van zonnesteek. Hij vliegt naar Japan. De overrompelende schoonheid van Tokyo. Mysterieuze geisha’s brengen zijn hoofd op hol. Hij wordt zonder enige uitleg overgeplaatst. Waarschijnlijk heeft hij een meerdere tegen de haren in gestreken. Hij ziet hoe een plaatselijke politieagent een jongen van een jaar of vijftien in elkaar slaat terwijl iedereen zijn hoofd omdraait. Scrofuleuze bedelkinderen. Stuit op een massagraf met amper volwassen skeletten. Hij haat het land. Hij bouwt een soekka tijdens het Loofhuttenfeest waarin hij de Talmoed bestudeert met onzichtbare gasten, oesjpizien, de professoren Malkuson en Keter, die hem aldoor in visioenen vergezellen: “… Ga door met studeren, meneer Loran. In een oord waar geen mensen zijn, moet u een persoon zijn…”. Hij krijgt te maken met antisemitisme. Soldaten zijn bang dat er een atoomoorlog zal uitbreken, waarvoor ze Israël verantwoordelijk stellen. Gershons vragen over zijn volk aan de Onzichtbare: “… Waarom laat U hen zo lijden, deze mensen, dit land? Joden lijden omdat velen in hen de verkenningstroepen van de wereld zien en in dergelijke troepen vallen de meeste slachtoffers. Maar alleen lijden omdat je knel zit tussen de wereldrijken! Wat een zinloos lijden! Legt U me dat uit. Alstublieft. Er kwam geen antwoord…”. De mannen zijn gek op hem. En toch lijkt alles een beetje langs hem heem te gaan.

Dubbelzinnigheid
Tot Arthur Leiden plotseling voor Gershons neus staat. Hij heeft er vrijwillig voor gekozen geestelijk verzorger te worden bij de infanterie, ook al vinden zijn ouders dat maar niets. Arthurs vader, die Gershon ontmoet tijdens een verlof: “… we klungelen met licht en atoombommen, met de energie van het universum. Vind je het gek dat de wereld niet weet wat ze aanmoet met de joden? Niemand is vertrouwder met de kern van de krankzinnigheid in het universum dan de jood en niemand is krampachtiger, wanordelijker bij het zoeken naar een antwoord. Wij hebben altijd wanhopig haast. We bieden apocalypsen in een boodschappenwagentje aan, messiassen in kaftans vol tabaksvlekken. Hoe kwam ik hierop? O, ja. Kosjere gerechten vormen nauwelijks een oplossing voor de problemen van de menselijke soort. Maar Arthur wil het zo. En dus…”. En Arthur, die ooit een briljante student natuurkunde was: “… Mijn vader dacht dat ik degene zou zijn die de deeltjestheorie en de golftheorie van het licht zou verenigen. Dan zou ik een tweede Albert Einstein zijn geworden. God, hij bracht alles bij elkaar – materie, energie, ruimte, tijd. Nu moet iemand de quantumtheorie en de relativiteitstheorie bij elkaar brengen. Oom Albert zei eens tegen me dat hij dacht dat ik dat zou doen. Ik maakte altijd vreemde gedachtensprongen. Maar ik dacht dat we op den duur alles zouden vernietigen met al die kennis. Tijdens mijn tweede jaar op Harvard begon ik het te haten. Ik kon alleen nog maar lijken zien die over de aardbol verspreid lagen. En vogels met uitgebrande ogen…”. Hij nam privélessen bij een plaatselijke rabbijn: “… Ik wilde geen invloed uitoefenen op de natuurkunde, ik wilde invloed uitoefenen op mensen. Wat heb je aan natuurkunde als die in handen is van een soort die ten dele nog in het reptielenstadium verkeert?...”. Het jongetje dat alles goed wil maken. Arthur vindt Gershons mystieke neigingen vreemd: “… Magie. Numerologie. Emanaties. Opklimmingen. Mijn verstand is niet geschikt voor de kabbala. Ik zat vol verbazing naar je te kijken. De manier waarop je die rare boeken verslond…”. Gershon: “… Ze zeggen in die boeken dingen die niemand elders durft te zeggen. Ik voel me prettig bij die aanvaardbare ketterij…”. En even verder: “… Het meeste in die boeken kun je niet zo eenduidig uitleggen als een passage uit de talmoed. Ik kan beter met dubbelzinnigheid leven, geloof ik, dan met zekerheid. Twijfel is het enige dat ons rest, Arthur. Twijfel en vertwijfeld strijden…”.

Niemand heeft de wijsheid in pacht
Arthur wil met alle geweld naar Japan, naar Hiroshima. Gershon begeleidt hem. Japan betovert hen. Maar in Hiroshima voelt Arthur zich 'een melaatse'. Als ze weer op de legerbasis terug zijn verongelukt Arthur met een vliegtuig waar hij helemaal niet in hoort te zitten. Toevallig heeft hij de plaats van een ander ingenomen. Het is een van die verhalen die je zo vaak hoort na rampen of aanslagen, waardoor je gaat denken dat toeval niet bestaat – dat alles, of in ieder geval sommige dingen, zijn voorbeschikt. Na zijn diensttijd zoekt de eeuwig twijfelende Arthur professor Malkuson op, die bijzonder eerlijk is naar hem toe: “… Ik zal het je vertellen, Loran. Het is niet van belang dat er misschien wel niets is. We hebben dat altijd als een mogelijkheid erkend. Wel is het van belang dat we, als er niets is, bereid zijn om iets te maken van het enige dat ons rest – onszelf. Ik weet niet wat ik je nog meer kan zeggen, Loran. Niemand heeft de wijsheid in pacht. Niemand…”. Toch lijkt Gershon door dit antwoord juist te weten welke weg hij moet inslaan. Zijn vriendin en hij besluiten hun huwelijk uit te stellen. Zij om een carrière te starten als filosoof in Chicago, en hij om leerling te worden van professor Keter in Jeruzalem.

Uitgave: Brandaan – 2012, vertaling Jeanette Bos, 470 blz., ISBN 978 946 005 017 6, € 6,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 9 oktober 2019

15 beroemde verhalen – Anton Tsjechow


Anton Pavlovitsj Tsjechov (Rusland, 1860-1904, arts) wordt in de literatuurgeschiedenis beschouwd als de 'Meester van het Korte Verhaal'. Hij begon te schrijven om zijn familie uit de armoe te helpen. Later zou hij ook de auteur worden van beroemde toneelstukken die nog steeds worden opgevoerd: “De Meeuw”, “Oom Wanja”, “Drie zusters”, “De Kersentuin”. Voor Tsjechov geen opvoedkundige zedenschetsen: “… Alles in deze wereld is betrekkelijk. Er zijn mensen die zelfs verdorven zouden kunnen worden door kinderboeken… Geen literatuur kan in haar cynisme het werkelijke leven overtreffen: met één glaasje voer je iemand niet dronken die al een heel vat op heeft… De menselijke natuur is onvolmaakt, en daarom zou het vreemd zijn alleen rechtschapenen aan te treffen op aarde. Te menen dat het de plicht van de literatuur is parels op te graven uit een hoop minderwaardige individuen, is de literatuur zelf verloochenen… De literaire kunst heet daarom kunst, omdat zij het leven uitbeeldt zoals het werkelijk is. Haar bestemming is de weergave van de volstrekte en eerlijke waarheid…”.

Ik wilde leven!

Op mijn strooptocht naar tweedehands boeken vond ik een prachtige bundel met verhalen van Tsjechov. Ik heb ze natuurlijk veel te snel achter elkaar gelezen. Eigenlijk zou je er elke keer als je ‘s morgens wakker wordt eentje moeten lezen, zodat je er de hele dag op kunt kauwen. De personages van Tsjechov menen altijd dat het gras ergens anders groener is. In zijn verhalen komen veel lezers voor, waarbij meestal een draadje los zit, wat mij wel aan het denken zette :). Ik ga ze stuk voor stuk even langs. Het boek begint met “De dame met het hondje”, waarschijnlijk Tsjechovs bekendste verhaal, al is het maar vanwege de film die er naar werd gemaakt: ‘Oci Ciornie’ dan wel ‘Black Eyes’ van Nikita Mikhalkov uit 1987. Het gaat over de schuinmarcheerder Dmitri Goerov, een doorgewinterde bankier die het in een kuuroord aanlegt met een twintig jaar jongere dame met een keeshondje, Anna Sergejevna. Over zijn wettige vrouw: “… Zij las heel wat af …”. Zie je wel? Daar heb je het al! “… Hij vond haar eigenlijk maar beperkt, bekrompen en onelegant, al hield hij dat wel voor zich; hij was bang voor haar en zat niet graag thuis…”. Ze hebben nog niet met elkaar gevreeën of Anna heeft spijt als haren op haar hoofd: “… Ik ben een slecht, diep gezonken vrouwspersoon, ik veracht mezelf en denk er zelfs niet over om me te rechtvaardigen. Ik heb niet mijn man bedrogen, maar mezelf…”. Als de zoveelste Madame Bovary vertelt ze wanhopig hoe haar echtgenoot haar tot op het bot verveelt: “… Toen ik met hem trouwde was ik twintig jaar; al gauw ondervond ik een soort kwellende nieuwsgierigheid, ik wilde iets beters; er moet toch een ander leven bestaan, hield ik mezelf voor. Ik wilde leven!...”. Zie ook mijn blog over “Erotische intelligentie” van Esther Perel. En verder: “… Mij verzadigen aan het leven… De nieuwsgierigheid verzengde me… dat begrijpt u niet, maar ik zweer bij alles wat me heilig is, dat ik mezelf al niet meer in de hand had, er kwam iets over me, niets kon me weerhouden, ik zei tegen mijn man dat ik ziek was en nam de trein hierheen… En ik heb hier de hele tijd rondgelopen als in een roes, als een waanzinnige… en zo werd ik tot een vulgair, misselijk stuk vrouw, waar iedereen op neer kan zien…”.

Dubbel
Als Dmitri weer thuis is denkt hij dat zijn herinnering aan Anna zoals gewoonlijk zal vervagen tot een vage nevel. Niets is minder het geval. Ze wordt tot een obsessie. Hij kan haar niet loslaten, reist naar de stad waar ze woont, en ontmoet haar tijdens een première in het plaatselijke theater, waar alle belangrijke figuren op af komen – zoals hij wel verwachtte. De emoties zijn verpletterend. Ze blijven elkaar in het geniep ontmoeten: “… En nu pas, nu zijn haar begon te grijzen, had hij leren liefhebben zoals het moet, echt liefhebben – voor het eerst van zijn leven…”. Een uitzichtloze toekomst opent zich: “… Terwijl hij praatte dacht hij er over na dat hij nu op weg was naar een rendez-vous en dat geen sterveling daarvan afwist en er waarschijnlijk ook nooit van af zou komen te weten. Hij leidde een dubbel leven; een voor iedereen zichtbaar en kenbaar leven, controleerbaar voor ieder die het aanging, een leven vol conventionele waarheid en conventioneel bedrog en volkomen lijkend op het leven van zijn kennissen en vrienden, en een ander leven dat tot dusverre in het verborgene was voortgekabbeld en onontbeerlijk was, iets waarin hij eerlijk was en zonder zelfbedrog en dat de kern van zijn leven uitmaakte, onzichtbaar voor anderen, terwijl alles wat maar geveinsd aan hem was, zijn buitenkant, waarin hij zich verborgen hield om de waarheid te verhullen, de leugenachtigheid van zijn werk bij de bank, zijn discussies in de sociëteit, zijn ‘minderwaardige ras’ (waarbij hij gewoonlijk op vrouwen doelde), de jubileumfeestjes die hij met zijn vrouw afliep – dat alles was openbaar. En anderen beoordeelde hij naar de maatstaven die hij voor zichzelf aanlegde; hij geloofde niet wat hij zag en nam altijd aan dat bij iedereen het echte en werkelijk belangwekkende leven zich afspeelde onder de dekmantel van geheimhouding, als onder de dekmantel van de nacht. Ieders privé-bestaan moet het hebben van die geheimhouding en dat is wellicht voor een deel de reden waarom de cultuurmens er met zoveel kippedrift werk van maakt dat men zijn persoonlijk geheim, zijn privacy eerbiedigt…”. O ja?

Over de liefde
In “Over de liefde” wordt er gefilosofeerd over het ‘grote mysterie van de liefde’. Waarom worden we juist verliefd op ‘die ene’? Waarom wordt de mooie Pelageja uitgerekend verliefd op een pafferige, driftige kok die haar in zijn dronken buien slaat, zodat ze zich op de zolder moet verstoppen en niet met hem trouwt, wat hij wél wil, omdat hij uitermate vroom is, wat dan weer aanleiding geeft tot nóg heviger conflicten? “… De verklaring die voor één enkel geval bevredigend lijkt, is dat al niet meer voor een tiental anderen en volgens mij kun je dan ook niet beter doen dan ieder geval apart bij de kop nemen, zonder te generaliseren. Je moet, zoals de heren artsen dat noemen, ieder afzonderlijk ‘individualiseren’…”. “Ionitsj” is een verhaal over een vrijgezelle dokter die hevig verliefd wordt op een achttienjarig meisje. Ze neemt hem in het ootje en peinst er niet over met hem te trouwen. Ze wil naar het conservatorium. Kunstenares worden. Als ze na vier jaar afwezigheid terug komt naar huis, is zíj verliefd maar wil híj niet meer. In “Angst” gaat het over een man die zijn vriend, iemand die alles heeft wat hij zich wenst maar verteerd wordt door levensangst, bedondert met diens echtgenote. Een vrouw die zich ook al, à la Esther Perel en Madame Bovary, dood verveelt. “… Mij blijft het volslagen hetzelfde…”, antwoordt ze op een opmerking dat het mooi weer is. “… ‘Waarom blijft u dat volslagen hetzelfde?’ vroeg ik. ‘Omdat ik me verveel. U verveelt zich alleen maar wanneer uw vriend er niet is, maar ik verveel me altijd. Trouwens… dat is voor u niet interessant.’…”.

Gekte
In “De zwarte monnik” speelt een legende over een monnik, gekleed in een zwarte pij, die duizend jaar geleden ergens door een woestijn liep, de hoofdrol. Een eind van de plek waar hij liep zagen een paar vissers hem ook: als luchtspiegeling: “… Van die luchtspiegeling ontstond een tweede luchtspiegeling, vervolgens van de tweede een derde, zó, dat het beeld van de zwarte monnik tot in het oneindige werd voortgeplant van de ene atmosferische laag naar de andere. Hij werd nu eens in Afrika, dan in Spanje, dan weer in India en dan weer in het hoge noorden gesignaleerd… Tenslotte trad hij buiten de grenzen van onze dampkring en nu dwaalt hij rond in het heelal, waarbij hij steeds niet in een dergelijke omstandigheid geraakt, dat zijn beeld zou worden uitgewist…”. Na precies duizend jaar zal de luchtspiegeling weer in de dampkring op aarde terecht komen en zich aan de mensen vertonen. En ja hoor, hij wordt gezien door een overspannen wetenschapper op een stil plekje in de natuur. Een wervelwind neemt de gestalte aan van een monnik die met hem praat en vertelt dat hij een uitverkoren genie is. De wetenschapper snapt heel goed dat de monnik een hersenschim is, ontstaan uit zijn overprikkelde fantasie. Toch maakt alle onverdiende aandacht van deze hallucinatie hem brooddronken van geluk. Als hij trouwt en zijn vrouw hem probeert te genezen van zijn gekte raakt hij depressief. Sommige kunstenaars zijn inderdaad bang geweest dat wanneer hun psychoses zouden worden behandeld, ook hun bron van creativiteit zou opdrogen. Het langste verhaal in deze bundel, “Zaal 6”, is eerder een novelle. Zaal 6 is een bijgebouw van een vreselijk hospitaal waar vijf geesteszieken verzorgd worden: “… Men klaagde dat het er van de kakkerlakken, de wandluizen en de muizen niet uit te houden was. In de chirurgische afdeling heerste voortdurend wondroos. In het hele huis waren slechts twee lancetmesjes en geen enkele thermometer; de badkuipen dienden als opslagplaats voor de aardappelen. De opzichter, de huishoudster en de medische assistent buiten de patiënten uit en van de oude dokter vertelde men, dat hij een geheime handel dreef met de voor zieken bestemde spiritus en dat hij er een harem op nahield van vrouwelijke patiënten en verpleegsters…”. Degene die voor psychiater door moet gaan, dokter Andrej Jefimytsj Ragin, laat het ziekenhuis al gauw aan zijn assistent over. Waarom zou je mensen verhinderen dood te gaan als dat het normale en legale einde van iedereen is? Waarom zou je het lijden willen verzachten als de mens, naar men zegt, door lijden tot volmaaktheid wordt gevoerd? Hij zit liever thuis te lezen (‘een ziekelijke gewoonte’!) – de helft van zijn royale inkomen geeft hij uit aan boeken. Met een van de gekken filosofeert hij over het leven. Volgens hem kun je het ware heil alleen maar in jezelf vinden. Hij gaat voor de Stoïcijnen. Kijk naar Diogenes die volmaakt gelukkig was in zijn ton. De gek is het totaal niet met hem eens. In Griekenland is het altijd lekker warm, dus Diogenes kon op z’n gemak in die ton liggen en lekker sinaasappels en olijven eten. Het lijden kun je alleen maar in theorie verachten: “… Degenen, die door hun ambt of werk met het leed van anderen in aanraking komen, zoals rechters, politieambtenaren, doktoren, raken gaandeweg door de macht der gewoonte in zo hoge mate afgestompt, dat zij ondanks de beste wil niet anders dan formeel kunnen staan tegenover de mensen, met wie zij te maken hebben; in dat opzicht onderscheiden zij zich in niets van de boer, die achter op zijn erf schapen en kalveren slacht en het bloed, dat daarbij vloeit, niet ziet…”. En inderdaad, als dokter Andrej na allerlei ontwikkelingen zélf als patiënt op zaal 6 terecht komt, piept hij wel anders…

Het nut van verhalen
“Wolodja” gaat over een zeventienjarige, hevig door zijn gevoelens heen en weer geslingerde puber, met wie het verkeerd afloopt. “Thuis” is een prachtig verhaal over een weduwnaar die probeert zijn zeven-jarige zoontje bij te brengen dat roken op zijn leeftijd een verkeerde gewoonte is. Ondertussen herinnert hij zich het gymnasium waar leerlingen die betrapt werden met een sigaret zonder genade van school werden gestuurd. Als hij over hun verdere levensgang nadenkt komt hij tot de conclusie dat door de straf meestal veel groter onheil werd gesticht dan door het vergrijp zelf. Zijn zoontje luistert geen ogenblik. Pas als hij hem bij het naar bed gaan een zelfverzonnen sprookje vertelt waarin een voorbeeldige koningszoon sterft aan de tering vanwege zijn gerook, en uiteindelijk het hele koninkrijk in verval raakt, huivert het jongetje en neemt zich vast voor nooit meer te roken. Zijn vader denkt aan “… de leden van de jury, die altijd ‘een redevoering’ nodig hebben; hij dacht aan het publiek, dat zijn kennis van de geschiedenis alleen uit oude sagen en uit historische romans haalt; hij dacht eraan, hoe hij zelf de zin van het leven niet uit preken en wetten, maar uit fabels, romans en gedichten put…”. En ik denk aan Ellen van Wolde die in “Verhalen over het begin” schrijft dat een verhaal zoveel meer zegt dan enkel een kernboodschap. Stel je voor dat het verhaal over ‘de Toren van Babel’ was afgedaan met ‘de mensen moeten zich over de aarde verspreiden’. Zou Bruegel ooit een schilderij gemaakt hebben bij zo’n boodschap? Zou je ooit overwegen je leven te veranderen op grond van een affiche op het station met de tekst: ‘God redt’? Het Exodus-verhaal maakt toch echt meer indruk. “In het ravijn” ligt het dorp Oeklejewo. “… Wanneer een vreemdeling vroeg, wat dat voor een dorp was, kreeg hij ten antwoord: ‘Dat is het dorp, waar de koster eens bij een begrafenis alle kaviaar heeft opgegeten.’…”. Tsjechov: “… Of het leven hier nu zo armzalig was, of dat de mensen niets anders dan dit weinig belangrijke voorval van tien jaar terug hadden weten op te merken, in ieder geval wist men over het dorp Oeklejewo verder niets te vertellen…”. Maar ondertussen!

Humor

De laatste zes verhalen zijn heel kort en buitengewoon hilarisch. “Een hulpeloos schepsel” gaat over een vrouw die het personeel van een bank gek maakt met haar eeuwige geouwehoer. “Bridge” gaat over een stel ambtenaren die de nacht doorhalen met kaart spelen. Op elke kaart is een portret van een bekende geplakt. “De redenaar” gaat over een vent die zo ontzettend goed kan kletsen dat hij er bij wordt gehaald om de grafrede te houden als er een dronkenlap van een ambtenaar is overleden. Helaas vergist hij zich in de persoon en houdt een toespraak over iemand die er in levende lijve bij staat. “Het kunstwerk” gaat over een prachtige bronzen lamp die een arts van een dankbare patiënt krijgt. Een peperduur stuk waarvan de voet bestaat uit twee blote dames in zo’n schandalige houding dat de arts de lamp niet tentoon durft te stellen. Dus geeft hij de lamp kado aan een bevriende advocaat, en die weer aan iemand anders, en zo door, tot diezelfde lamp weer bij diezelfde arts terecht komt. “De verstandige portier” gaat over een oude portier die in de keuken het ondergeschikte personeel uitkaffert omdat ze zich gedragen als domme varkens die alleen maar bij de kachel zitten te vreten en te zuipen. Hij wil ze aan het lezen hebben. Zelf gaat hij met een boek op zijn wachtpost zitten. Het is echter zo saai dat hij in slaap valt en gesnapt wordt door de opzichter. “De nare jongen” tenslotte, gaat over een rotventje die zijn zus en haar vriendje stalkt en afperst nadat hij gezien heeft dat ze elkaar kussen. Als het stel eindelijk ouderlijke toestemming krijgt om met elkaar te trouwen vliegt de verloofde naar buiten op zoek naar zwager Kolja: “… En toen hij hem eindelijk te pakken had, snikte hij bijna van gelukzaligheid en greep de nare jongen bij zijn oor. En meteen kwam ook Anna Semjonowna aangehold, die ook op zoek was geweest, en greep het andere oor. Dat had u moeten zien, die verrukking op de gelaten van de verloofde verliefden, toen Kolja begon te huilen en om genade te smeken: ‘Ach, lieve duifjes, ik zal het nooit meer doen! O, o, genade, vergiffenis!’ En enige tijd later bekenden zij elkaar, dat zij in al die tijd van hun eerste liefde, nooit zulk een roes van zaligheid hadden gehad, als in die minuut, die minuten, waarin zij het nare jongetje aan zijn oren trokken…”.

Uitgave: L.J. Veen – 1974, vertaling Marko Fondse / D.P. Peet / M. Budimir / Theo J. van der Wal / H.J. Been, 287 blz., ISBN 90 204 0518 7, € 12,90
Rechtstreeks bestellen (alleen tweedehands): klik hier

zondag 6 oktober 2019

Het verhaal van de Dienstmaagd – Margaret Atwood


In 1985 werd “The Handmaid’s Tale” van Margaret Atwood (1939, Canada) voor het eerst uitgegeven. Dat het boek opnieuw in de belangstelling staat komt niet alleen door de succesvolle televisieserie die er over gemaakt is, maar ook omdat ze er, inmiddels vierendertig jaar later en op 79-jarige leeftijd (!), een vervolg op heeft geschreven: "De testamenten". Daarnaast viert de dystopie hoogtij: het brengt de actualiteit dichtbij. Zie bijvoorbeeld mijn recensies over “De muur” van John Lanchester en “Frankusstein” van Jeanette Winterson. In november komt er trouwens een nieuwe dramaserie over “The War of the Worlds” op de buis, naar de roman van de dystopische schrijver bij uitstek: H.G. Wells (1866-1946). Aan de ene kant hebben we het nog nooit zo goed gehad. Aan de andere kant worden we met z’n allen toch best een beetje zenuwachtig van alle klimaatveranderingstoestanden die het journaal dag in dag uit over ons heen spuugt (tel daar ook nog het bizarre nieuws van vorige week over waargenomen UFO’s bij op). Niemand lijkt te weten óf en wát er gaat gebeuren: het kan alle kanten op. Eerder besprak ik van Margaret Atwood "Boven water" (1972).

Oudtestamentische slavinnen

Het verhaal begint met een korte proloog in bijna staccato zinnen. Het gaat over meisjes die in het verleden bij elkaar in een gymzaal sliepen, bewaakt door ‘tantes’ met veeprikkers. Buiten stonden bewapende bewakers, achter het hek. Met hun rug naar hen toe. Vervolgens focussen we op het hier en nu. De ik-vertelster heeft inmiddels een Spartaans ingerichte kamer in een mooi woonhuis tot haar beschikking. Ze is het eigendom geworden van een Bevelhebber en zijn Echtgenote. Ze loopt rond in een rode soepjurk met een witte kap op haar hoofd waardoor ze zo weinig mogelijk van haar omgeving ziet (Atwood lijkt bijna behept met profetische gaven, in haar tijd waren fundamentalistische groeperingen als Isis en kledingstukken als boerka’s nog niet het ‘nieuwe normaal’ – in feite keek ze uit op de Berlijnse muur toen ze dit verhaal schreef). Het huishouden wordt gerund door twee ‘Martha’s’ (zie het verhaal over Martha en Maria in de Bijbel). Een kookvrouw en een poetsvrouw. In onschuldige groene gewaden. Vrouwen van laag allooi waarvan weinig tot niets te vrezen valt. Amerika, dat inmiddels Gilead heet, is veranderd in een soort Oudtestamentische samenleving waarin een sekte het voor het zeggen heeft. Omdat de Echtgenote (die trouwens alles aan elkaar rookt – dat mag dan weer wel) onvruchtbaar is moet de ik-vertelster een kind voor haar baren. Dit naar aanleiding van een eigen interpretatie van Genesis 30:1-3, waarin aartsmoeder Rachel, die maar niet zwanger raakt, voorstelt om de slavin Bilha te gebruiken om ‘op haar knieën’ kinderen te produceren voor aartsvader Jacob. De ik-vertelster kent de Echtgenote van evangelisatieprogramma’s die vroeger op tv waren: de hysterische Serena Joy. Ze vond dat het gezin heilig was en dat vrouwen thuis moesten blijven, al hield ze zich daar zelf niet aan: “… Eigenlijk was ze een beetje eng. Ze meende wat ze zei…”.

Een gedresseerd varken dat op zijn achterpoten loopt
De ik-figuur mag als verzetje boodschappen doen voor het huishouden. Maar altijd samen met een andere Dienstmaagd, zodat ze elkaar in de gaten kunnen houden. De standaardbegroeting gaat als volgt: “… Gezegend zij de vrucht…”. En het antwoord: “… Moge de Here openen…”. De gebruikelijke afscheidsgroet: “… Onder Zijn Oog…”. Weer eens wat anders dan: Heil Hitler. “… Ze loopt zedig, met gebogen hoofd, de roodgehandschoende handen gevouwen, met korte stapjes, als een gedresseerd varken dat op zijn achterpoten loopt…”. Er heerst oorlog. Op elke hoek van de straat staan ‘Wachters des Geloofs’ bij blokkades en versperringen om de bevolking te controleren. Ze moeten hun pasjes laten zien die nagetrokken worden op een ‘Compuchek’. Er is geen man die naar de Dienstmaagden fluit of hen op de een of andere manier lastig valt. In Gilead worden vrouwen beschermd. Dat was vroeger wel even anders. Toen konden de vrouwen niet in het donker over straat: “… Er zijn verschillende soorten vrijheid, zei Tante Lydia. Vrijheid om en vrijheid van. Toen alles nog een bende was, had iedereen de vrijheid om. Nu krijgen jullie vrijheid van. Denk er niet te gering over…”. Kortom, de mannenbroeders van de SGP zijn er niets bij. Nick, een Wachter die de slee van de Bevelhebber staat te poetsen probeert een praatje met de ik-figuur te maken: “… Hij mag eigenlijk niet praten. Sommigen zullen het toch proberen, zei Tante Lydia. Alle vlees is zwak. Alle vlees is gras, corrigeerde ik haar in gedachten. Ze kunnen het niet helpen, zei ze, God heeft ze zo gemaakt, maar Hij heeft jullie niet zo gemaakt. Hij heeft jullie anders gemaakt. Het is aan jullie om de grenzen te bepalen. Later zullen jullie er dankbaar voor zijn…”. Er zijn ook goede dingen. Er zijn geen boodschappentasjes van plastic meer bijvoorbeeld. Voor Japanse toeristen zijn de Dienstmaagden bezienswaardigheden: “… wij zijn geheim, verboden, we winden ze op…”. Of we gelukkig zijn? “… ‘Ja, we zijn heel gelukkig,’ mompel ik. Wat kan ik anders zeggen?...”. Ook in dit boek is er sprake van een Muur (zie ‘De muur’ van John Lanchester), waar lijken aan hangen van terechtgestelden. Onder andere voormalige abortusartsen, priesters, homo’s.

Schandalig en onbetamelijk
De ik-figuur dagdroomt over vroeger. Moira, haar vriendin op de universiteit: lesbisch, nukkig, vlot, atletisch, brutaal, vindingrijk, die aankondigde een lingerieparty te houden. Daar had de ik-persoon nog nooit van gehoord: “… Je weet wel, net als Tupperware, maar dan met ondergoed. Van dat hoerige spul. Kanten kruisjes, jarretelles met drukknopen. Bh’s die je tieten omhoog duwen. Ze vindt mijn aansteker, steekt de sigaret aan die ze uit mijn tasje heeft gehaald. Wil je er ook een? Gooit me het pakje toe, verschrikkelijk royaal, als je bedenkt dat ze van mij zijn…”. Hebben we niet allemaal zulke vriendinnen gehad? Moira: “… Echt, het wordt een groot succes. We doen het in onze broek van het lachen…”. Even later vertelt de schrijfster dat jongens met een ladder probeerden hun studentenkamer te bereiken, op jacht naar ondergoed. Moira en zij trakteerden ze op papieren zakken vol water die ze leeggoten boven hun hoofden. Ik dacht aan Lisette Thooft die ooit schreef dat waar mannen porno met dodelijke ernst benaderen, vrouwen gieren van het lachen tijdens bijvoorbeeld een Chippendales-avondje. Natuurlijk zagen ze de omwenteling wel aankomen, maar ze negeerden de dingen en leefden gewoon door: “… Wij waren de mensen die niet in de krant stonden. Wij leefden in de witte marges van de pagina’s. Het gaf ons meer vrijheid. Wij leefden in het wit tussen de berichten…”. Ook de samenleving waarin de ik-figuur moet overleven is bezeten van seks, maar dan in de tegenovergestelde trant als De Telegraaf zeg maar. Het lichamelijke is ‘schandalig’ en ‘onbetamelijk’. Verkrachtingen worden veroorzaakt door de vrouw zelf. God gebruikt zulk soort afschuwelijke zaken om je een lesje te leren. Spiegels zijn vervangen door glimmend metaal. In het ‘Rode Centrum’, waar de slavinnen een heropvoeding krijgen, worden masochistische pornofilmpjes vertoond om te laten zien hoe het vroeger ging. Evenals de concentratiekampgevangenen in WO II blijkt de ik-figuur getatoeëerd te zijn met een nummer. Op haar enkel. Langzaamaan komen we er achter dat ze getrouwd is geweest, na een verhouding met een gehuwde man met wie ze een dochtertje heeft, die ze ontzettend mist. Ze werden opgepakt toen ze probeerden illegaal de grens over te steken.

Obsessie

Pas na zo’n honderd bladzijden vertelt de ik-figuur dat ze wordt aangesproken met 'Vanfred', wat niet haar echte naam is (van Fred). Het is de bedoeling dat ze zwanger wordt van de Bevelhebber, waarvoor een walgelijke edoch Bijbels gefundeerde ceremonie plaatsvindt waarbij ze vastgehouden wordt door haar bazin terwijl haar baas bezig gaat. En dat alles voorafgegaan door Bijbellezing en gebed en allemaal ook nog eens met zoveel mogelijk kleren aan. In feite is het voor alle drie een mensonwaardig gebeuren. Wat doe je jezelf en elkaar aan – denk ik dan. Vanfred heeft wel enige keuze gehad. Het was of draagmoeder worden of dwangarbeid verrichten in de koloniën als Onvrouw. Dan kon je beter direct dood gaan. Als er een geboorte plaatsvindt worden alle andere slavinnen opgehaald om aan de zijlijn toeschouwer te zijn. Eindelijk wordt ook uitgelegd waarom vruchtbaarheid zo’n obsessie is in deze theocratie. Als vrouwen al zwanger worden is het nog maar de vraag of het kind levensvatbaar en gezond is. De aarde is namelijk totaal vergiftigd: “… De kans is één op vier, dat hebben we in het Centrum geleerd. De lucht raakte op een gegeven moment te vol met chemische stoffen en straling, in het water wemelde het van de giftige moleculen, het duurt jaren voordat alles weer schoon is, en ondertussen dringen ze je lichaam binnen en nestelen zich in je vetcellen. Wie weet raakt zelfs je vlees verontreinigd, vervuild als een strand vol olieresten, een gewisse dood voor strandvogels en ongeboren kinderen. Als een gier jou opeet, gaat hij misschien wel dood. En misschien ben je lichtgevend in het donker, als een ouderwets horloge. Een doodskloppertje. Dat is een soort kever, die rottend vlees begraaft…”. Het doet me denken aan Juliette Legler, hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht, die van de week met het verontrustende nieuws kwam dat minuscule plasticdeeltjes lijken door te kunnen dringen tot cellen van de menselijke placenta. Even verder: “… Vrouwen gebruikten medicijnen, pillen, mannen bespoten bomen, koeien aten gras, en al die opgepepte pis stroomde in de rivieren. Om nog maar te zwijgen van de ontploffende kerncentrales langs de San Andreas-breuk in Californië, tijdens de aardbevingen, niemands schuld, en de gemuteerde syfilesbacterie waartegen geen kruid gewassen was…”.

Zielig

Met horten en stoten vertelt Vanfred over de staatsgreep die plaatsgevonden heeft. Hoe de vrouwen van de ene dag op de andere op straat kwamen te staan. Hoe hun rekeningen werden geblokkeerd. Ondertussen lijkt iedereen er een dubbelleven op na te houden. De Bevelhebber wil dat Vanfred stiekem naar zijn kamer komt. Om scrabble te spelen en hem te kussen ‘alsof ze het meent’. Hoe zielig is dat!? Hij hunkert naar intimiteit. Zegt dat hij dacht dat alles beter zou worden: “… Beter? Zeg ik met zachte stem. Hoe kan hij denken dat dit beter is. Beter betekent nooit beter voor iedereen. Het betekent altijd slechter voor sommigen…”. Als Nick geen pet op heeft, of eentje die scheef staat, is de kust veilig. De Bevelhebber vindt de tijd waarin mensen ‘verliefd’ werden op elkaar historisch gezien een ontsporing. Een gril. Als je het niet meer prettig vond, veranderde je van man, vertelt Vanfred: “… We waren ervan overtuigd dat elke verandering een verbetering was. We waren revisionisten; we herzagen onszelf…”. De Bevelhebber neemt haar zelfs mee naar een streng verboden nachtclub: “… Misschien heeft hij die toestand van bedwelming bereikt die naar men zegt door macht wordt opgewekt, een toestand waarin je denkt dat je onmisbaar bent en daarom alles kunt doen, echt alles waar je zin in hebt, alles, wat dan ook…”. Nou, daar weten wij alles van, na alle MeToo-affaires. Ondertussen wil de Echtgenote dat Vanfred stiekem met Nick naar bed gaat, want haar man bakt er duidelijk niks van. En de Dienstmaagd die haar afhaalt om boodschappen te doen brengt haar op de hoogte van het ondergrondse verzet.

De kracht van vergeving
Atwood schrijft prachtig. Als Vanfred in de zomer, terwijl de avond valt, voor het geopende raam zit: “… De geur van de tuin stijgt op als warmte van een lichaam, er moeten nachtbloemen tussen staan, zo sterk geurt het. Ik kan die geur bijna zien, een rode uitstraling die omhoog golft als de trillingen boven een asfaltweg rond het middaguur…”. Ze houdt van de natuur: “… Er is hier geen paardebloem te zien, de gazons zijn gefatsoeneerd. Ik zou graag een paardebloem willen zien, eentje maar, haveloos en schandelijk toevallig en moeilijk te verdelgen en eeuwig geel, als de zon. Goedgemutst en plebejisch, stralend voor arm en rijk…”. Het ‘smadelijk’ mislukken van de liefde: “… piemels als worteltjes van drie weken, een wanhopig betasten van vlees, koud en ongevoelig als ongekookte vis…”. Over heimwee naar vroeger: “… het verleden is voor mij een obsessie geworden. Als een thee drinkende Witrus in Parijs, moederziel alleen in de twintigste eeuw, dwaal ik af naar het verleden en probeer de verre, verloren paden terug te vinden; ik word te sentimenteel, ik laat mezelf gaan. Ik huil niet, ik ween. Ik zit in deze stoel te druipen als een spons…”. En over het thema van dit boek zelf: “… Misschien gaat dit verhaal helemaal niet over macht. Misschien gaat het niet over de vraag wie wie kan bezitten, wie wie wat kan aandoen zonder zich te hoeven verantwoorden, zelfs tot de dood erop volgt. Misschien gaat het niet over de vraag wie mag zitten en wie moet knielen of staan of liggen, benen wijd. Misschien gaat het over de vraag wie wie wat kan aandoen en daarvoor vergiffenis krijgt. En vertel me nu niet dat dat op hetzelfde neerkomt…”. Want “… onthoud goed dat vergeving ook een kracht is. Erom smeken is een kracht, haar aan iemand onthouden of schenken is ook een kracht, misschien wel de grootste…”.

Uitgave: Prometheus – 2019 (26ste druk), vertaling Gerrit de Blaauw, 352 blz., ISBN 978 904 464 400 5, € 15,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier