dinsdag 25 augustus 2015

Zes maanden in de Siberische wouden – Sylvain Tesson


Iemand die zo niet zijn ziel, dan toch tenminste zichzelf zocht, is de Franse filosoof en reisschrijver Sylvain Tesson (26 april 1972). Voor zijn veertigste wilde hij een tijdje als kluizenaar in een bos wonen. Het werd niet zomaar een bos. Hij trok zich zes maanden terug in een Siberische blokhut aan de oever van het Bajkalmeer: “… Het eerste dorp op honderdtwintig kilometer afstand, geen buren, geen toegangswegen, sporadisch bezoek. ’s Winters - 30ᴼC, s’ zomers beren in de buurt. Kortom, het paradijs. Ik had boeken (een stuk of zestig: om de leegte in te vullen mocht zijn innerlijk leven weinig voorstellen), sigaren en wodka meegenomen. De rest – ruimte, stilte en eenzaamheid – was daar al…”. En even verder: “… Diep in de taiga ben ik een ander mens geworden…”. Met dank aan degene die mij wees op dit prachtige boek.

De landingsplaats van mijn leven

Zijn dagboek “Zes maanden in de Siberische wouden” noemt Tesson ‘een commandoactie tegen het absurde’. De start: “… Die neiging om rechtsomkeert te maken wanneer je bijna krijgt wat je hebben wil. Sommige mensen doen dat: op cruciale momenten haken ze plotseling af. Ik ben bang dat ik ook zo ben…”. Niet zo gek. Hij begint aan iets dat totaal niet strookt met zijn aard, lijkt mij. Tesson haalde het nieuws door onder andere de Eiffeltoren en de Notre Dame te beklimmen. In 2014 lag hij tien dagen in coma na een val van de gevel van een huis van zijn vriend, las ik op internet. Een beklimming ter ere van de voltooiing van een boek. Zo’n iemand als representant van slowlife?!
De eerste dag rijdt hij vijf uur met een chauffeur die niets zegt - “… Ik bewonder zwijgzame mensen, ik vul hun gedachten in…” - in een vrachtwagen over de verijsde steppe en dan tuffen ze gewoon het ijs op: “… Onder de wielen is het een kilometer diep. Als we in een spleet rijden, zal de auto in de duisternis verdwijnen. Onze lichamen zullen geruisloos vallen. Drenkelingen die als sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Het meer is de ideale grafkelder voor wie bang is te verrotten. James Dean wilde na zijn dood een ‘mooi kadaver’ achterlaten. Er zijn hier kreeftjes, de Epischura baikalensis, die de lichamen binnen vierentwintig uur schoonmaken en alleen witte botten op de bodem van het meer achterlaten…”. Min 32 graden. Een reis van drie dagen: “… Over een meer rijden is een soort heiligschennis. Alleen goden en spinnen wandelen over het water. Ik heb drie keer in mijn leven het gevoel gehad dat ik een taboe doorbrak. De eerste keer toen ik de bodem aanschouwde van het door de mensen drooggelegde Aralmeer. De tweede keer toen ik het dagboek van een vrouw las. En nu de derde keer terwijl ik over het water van het Bajkalmeer rijd. Telkens het gevoel alsof ik een sluier wegtrek. Met mijn oog door het sleutelgat tuur. Dat zeg ik tegen Misjna. Hij geeft geen antwoord…”.
Over de mensen waar hij op stuit als hij midden in de rimboe overnacht in een wetenschappelijk station: “… Sasja en Joera, Sibirische vissers die twee dostojevskiaanse types belichamen. Sasja is sanguinisch, blozend, vitaal. Zijn Mongoolse ogen hebben een norse blik. Joera is een duistere figuur, een soort Raspoetin die alleen maar slijkvis eet. Hij heeft de vale huid van de bewoners van Mordor uit de boeken van Tolkien. De eerste is een man van sterke staaltjes, de ander van samenzweringen. Joera is al vijftien jaar niet meer in de stad geweest…”.
Tesson strijkt neer in het onderkomen van een boswachter die met zijn zieke vrouw terug moet naar de stad voor een behandeling. Het eerste wat hij doet is onder de verbijsterde ogen van de man het linoleum, het wasdoek, de polyester dekzeilen, het plastic behang en de kartonnen betimmering uit het interieur verwijderen: “… Zeventig jaar historisch materialisme hebben ieder gevoel voor esthetiek bij de Russen vernietigd. Waar komt die slechte smaak vandaan? Waarom ligt er linoleum in plaats van gewoon niets? Hoe heeft kitsch de wereld kunnen veroveren? De algehele voorliefde voor lelijkheid was het voornaamste verschijnsel van de globalisering. Om dat te beseffen hoef je alleen maar door een Chinese stad te lopen, te kijken naar de nieuwe huisstijl van de Franse posterijen of naar de outfit van toeristen. Slechte smaak is de gemene deler van de mensheid…”. De boswachter ziet gewoon niet dat het kale, amberkleurige hout veel mooier is. Vervolgens is Tesson nog eens tien uur bezig om alle rotzooi in de omgeving van de hut op te ruimen: “… Veel Russen leven op plaatsen die het midden houden tussen een bouwput en een autosloop…”. Als ze hem alleen achter laten: “… Ik heb de landingsplaats van mijn leven bereikt. Eindelijk zal ik weten of ik een innerlijk leven heb…”.

Plantaardige trekjes
De tijd verandert. De schoonheid van de natuur overweldigt. De vreemdste gedachten spoken door zijn kop: “… Zoals elke ochtend ga ik, terwijl de kachel warm wordt, naar het watergat dat ik op dertig meter van de oever in het ijs heb uitgehakt. s’ Nachts komt er een nieuwe ijslaag op, die ik kapot moet prikken om water te kunnen putten. Ik blijf even staan om naar de taiga te kijken. Dan duikt er uit het gat een witte hand op (dit water heeft zoveel drenkelingen verzwolgen) die mijn enkel wil grijpen. De illusie is zo sterk dat ik een stap naar achteren doe en mijn ijspriem laat vallen. Mijn hart bonst. Stilstaand water is niet pluis…”.
Als hij bij zijn buurman, 15 kilometer verderop, de jachtopziener Valodja op bezoek wil gaan, is hij twintig minuten bezig om zich aan te kleden: Canadian Goose-jas die op -40ᴼC is berekend, neopreen gezichtsmasker, skibril, poolexpeditiewanten. Er mag geen centimeter van de huid aan de buitenlucht worden bloot gesteld: “… Ik sla mijn stijgijzers in de ijsvloer. Als ik die niet aan zou hebben, zou ik door de wind het meer op worden geblazen…”. De rukwinden die van de bergen komen denderen bereiken snelheden van honderdtwintig kilometer per uur, vertelt Valodja later. Boeiende gesprekken met bekvechtende vissers die hij bij zijn buurman aantreft en er niet tegen kunnen op elkaars lip te zitten: “… waarin naar voren komt dat de Joden de wereld beheersen (maar in Frankrijk zijn dat de Arabieren), dat Stalin een echte leider was, dat de Russen onoverwinnelijk zijn (die dwerg van een Hitler heeft zijn tanden erop stuk gebeten), dat het communisme een uitstekend systeem was, dat de aardbeving in Haïti door de schokgolf van een Amerikaanse bom is veroorzaakt, dat Nostradamus gelijk had, dat de yankees zelf achter 11 september zitten, dat de historici die over de goelag hebben geschreven anti-Russisch zijn, en alle Franse homo’s. Ik denk dat ik de frequentie van mijn bezoekjes ga terug brengen…” wisselen af met introverte bespiegelingen over het kluizenaarsleven – waar ik eerlijk gezegd nou niet direct van achterover sla. “… De consumptiemaatschappij biedt ons de keus of we ons eraan willen conformeren. In de welvaartssamenleving staat het iedereen vrij om als een papzak te leven of te doen als de monniken en je in soberheid tussen ritselende boeken op te houden…”.
Hij leest nogal wat, en levert daar vervolgens commentaar op. Hout hakken, vuur maken, thee zetten, alles gaat langzaam en wordt terug gebracht tot zijn essentie: “… Het sneeuwt nog steeds. Ik blijf zitten waar ik zit. Voorheen ging ik steeds op pad, als een pijl uit de boog. Nu ben ik een paal in de grond. Ik krijg trouwens plantaardige trekjes. Mijn wezen begint te wortelen. Mijn gebaren worden trager, ik drink veel thee, ik word overgevoelig voor lichtschakeringen, ik eet geen vlees meer. Mijn hut is een kas…”. Over de solitaire mens: “… De blokhut vervult de moederrol. Het gevaar bestaat dat hij zich zo prettig voelt in zijn hol dat hij er in een soort winterslaap gaat vegeteren. Veel Siberiërs hebben die neiging en dan komen ze hun blokhut niet meer uit. Ze keren terug tot de embryonale staat en vervangen het vruchtwater door wodka…”.

Schoonheid omzetten in woorden
Met Russen die aan komen lopen slaat hij liters alcohol achterover, waardoor je af en toe de indruk krijgt dat hij permanent bezopen is. Ook een manier om het uit te houden. Terwijl ze vissen praten ze over de subtiele verschillen tussen het Russische nihilisme, de boeddhistische aanvaarding en de stoïcijnse zielsrust. Hij kampeert boven de boomgrens op een berg bij temperaturen tussen de min twintig en min vijfentwintig graden. “… Ik loop door de taart van een poolgod…”. Rond zijn tent sporen van hazen, vossen, marters, een veelvraat en een lynx.
De eerste lentedag, -2ᴼC: “… Bedwelmd door de warmte fladderen de meesjes in het rond…”. De natuur ontwaakt, het water begint te smelten, dieren komen bij uit hun winterslaap. Verhalen over wolven. Een boswachter die klaagt dat hij in zijn theepot moet pissen, omdat er een beer rond zijn hut sluipt. “… Bij een weerstation op een eiland in de Laptevzee zijn de viltlaarzen van een meteoroloog teruggevonden, waaruit men heeft afgeleid dat ijsberen wol niet verteren…”. Het alomtegenwoordig ongedierte:
“… De lucht zit vol insecten. Bij het eerste ochtendgloren stijgt er een gegons op dat pas s’ nachts weer verstomt. Mestkevers beklimmen de balken van mijn hut, boktorren bevolken mijn boekenplanken. Dazen met griezelige ogen werken mijn honden (Tesson heeft twee puppies van iemand gekregen) op de zenuwen. Als die insecten vijf of tien kilo zouden wegen, zouden de mensen een toontje lager zingen…”. Hij vertelt wat het meisje dat hem op het eind van het boek via een satelliettelefoon de bons geeft - ook dat nog - ooit zei: “… ‘Ik hou van muggen. Ze steken, maar we hebben ze nodig. Dankzij hen heeft de mens gebieden die door muggen geteisterd worden, ongemoeid gelaten, waardoor andere dieren er ongestoord konden leven.’…”. Tesson: “… Ik heb de mooiste momenten van mijn leven beleefd, totdat ik een bepaald bericht kreeg, en daarna de verdrietigste. Ik heb de aarde doordrenkt met mijn tranen. Ik heb me afgevraagd of je de Russische nationaliteit niet op grond van bloedbanden, maar vanwege de hoeveelheid vergoten tranen zou kunnen krijgen. Ik heb mijn wangen drooggewreven aan het mos…”.
Bij Tesson moet je het niet zozeer van de psychologische diepgang hebben. Maar hij heeft wel een ongekend vermogen om schoonheid om te zetten in woorden. Niet voor niets won dit boek in 2011 de Prix Médicis.

Uitgave: Singel Uitgeverijen – 2014 (eerste uitgave 2012), vertaling Eef Gratema, 256 blz., ISBN 978 902 958 913 0, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 19 augustus 2015

Essays over de ziel – Robert Lemm


Verder over de ziel. Een lezer wees mij op “Essays over de ziel” van Robert Lemm - waarvoor dank! Een boek waar ik het in mijn vorige blog al even over had, in verband met het voorwoord daarin van Willem Jan Otten. Robert Lemm (Rotterdam, 7 mei 1945) is hispanist en historicus. In 1979 kreeg hij de Martinus Nijhoff-prijs voor zijn vertalingen van Latijns-Amerikaanse literatuur, waaronder Octavio Paz (Het labyrinth der eenzaamheid), Pablo Neruda (Ik beken ik heb geleefd), José Donoso (Obscene nachtvogel) en in het bijzonder voor de vertaling van "Concierto Barroco" van Alejo Carpentier. Later vertaalde hij werk van Jorge Luis Borges, fray Luis de León, San Juan de la Cruz, Miguel de Unamuno, Juan Donoso Cortés, Joseph de Maistre, Léon Bloy, Leopoldo Marechal, Giovanni Papini en René Girard. Zelf schreef hij onder andere "De Jezuieten. Hun opkomst en ondergang", "De Spaanse Inquisitie: tussen geschiedenis en mythe", "Miguel de Unamuno. De ziel van Spanje, kerngedachten en uitspraken", "De athentieke reactionair. Handorakel van Nicolas Gomez Davila", "Bloedjas. Portretten van Latijns Amerikaanse heerszucht", "De literator als filosoof. Een innerlijke biografie van Jorge Luis Borges", "Een Rembrandt voor vijfentwintig mensenlevens", "De teloorgang van het geweten. Kanttekeningen bij de geest van de tijd", "Eldorado", "De vrouwe van alle volkeren", "De kruisgang van het christendom", "Een grote paus. Het pontificaat van Johannes Paulus II in historisch perspectief", "Maria. Haar geheime evangelie" en dan heb ik het nog maar niet over alle titels waar hij met andere schrijvers aan heeft gewerkt. De lijst is eindeloos.

Sporen van God

Wat heeft een aartsconservatieve en traditioneel rooms-katholieke intellectueel te zeggen over de ziel? En over het bewijs voor het bestaan van God?
Er is een diepere of hogere werkelijkheid die niet met de zintuigen kan worden waargenomen, stelt Lemm. Gelovigen maken zich niet druk om onvoldoende bewijs - er is zoveel in de Natuur en de Kosmos dat niet kan worden waargenomen - maar filosofen wel, en al heel lang: “… Ze bedoelen wetenschappelijk bewijs, wat proefondervindelijk kan worden vastgesteld en door iedereen met gezond verstand kan worden beaamd…”. God laat zich echter niet zomaar vinden. Maar wie Hem zoekt zal steeds meer sporen ontdekken die naar Hem verwijzen: “… Abstracte, logische redeneringen brengen ons niet bij het bestaan van God. Maar enkel ervaring evenmin. Rede is nodig, anders krijg je lichtgelovigheid, bijgeloof…”.

De Homo Oeconomicus
De filosofie van Lemm: “… Met de ‘dood van God’ begint de opmars van het nihilisme en de aanbidding van het Gouden Kalf, de Homo Oeconomicus. De bankwereld, een product van de Revolutie van 1789, evolueerde tot roversbende. Beurzen creëerden met hun speculeren en aandelen, hun spelen en schuiven met kapitalen de mystiek van het materialisme. Wat ooit was bedoeld voor het lichamelijke onderhoud van mensen, ontaardt in zakelijke transacties, en zo wordt eigendom diefstal. Het productieproces en de distributie zijn niet meer op elkaar afgestemd en dienen alleen nog maar om de rijken rijker te maken. Geld wordt het leidende, allesbepalende principe voor staat en samenleving. De ‘economische mentaliteit’ krijgt overal ingang, en daaraan onderwerpen zich de wetenschap, de kunst en de filosofie. En zo verziekt het sociale lichaam, de mens verloor zijn uiteindelijke bestemming uit het oog en raakte verwikkeld in het aardse, het louter tijdelijke. Individualisme is het gevolg, de ene mens werd voor de andere mens een vijand, een kwelling…”. De hel is de ander, aldus Sartre. Dat Lemm een punt heeft bewijst alleen al het nieuwe boek van een zo ongeveer tegenovergestelde denker, groen links politicus Jesse Klaver: "De mythe van het economisme" (wonderlijk hoe uitersten elkaar altijd weer raken). Of "Dit kan niet waar zijn" van Joris Luyendijk. En de discussies over het zogeheten ‘basisinkomen’.
Na de Tweede Wereldoorlog was er wel even een opflakkering van groupies die het ‘anders’ wilden. Een tegencultuur die uitliep in de generatie van 1968. Maar ze bestond voornamelijk uit verveelde welvaartskinderen die demonstreerden voor vrede en emancipatie en zich verloor in roes, lust, en doodsdrift: “… Op de voorgrond kwamen de cultus van het ik, de autonomie van het individu, de zelftranscendentie, de materialistische spiritualiteit, het hier en nu, een afwisseling van opgefokte levensvreugde en depressiviteit. Men wilde de wereld veranderen zonder de wereld te kennen, en zonder zichzelf te kennen. Men verklaart alles tot relatief en subjectief. De filosoof en kunstenaar geloven niet alleen niet meer in de waarheid, maar ook niet meer in het objectief bestaan van de werkelijkheid. De wetenschappers raken gefixeerd op details, als bladeren die geen weet meer hebben van de takken, laat staan van boom en wortels…”.
Zie in zo’n wereld de ziel maar eens boven water te houden.

Dualisme
Ik heb geen katholieke achtergrond, dus voor mij zijn Lemm’s gedachten niet bepaald gesneden koek. Ik kan hem dan ook niet overal even goed volgen, maar ik vind zijn ‘robuuste’ - om het zo maar eens te zeggen - christendom wel mooi.
In het eerste hoofdstuk toont Lemm aan dat de kerk in de loop der tijd anders is gaan denken over de ziel. Dat heeft te maken met het begrip dualisme: zijn ziel en lichaam twee verschillende substanties, of vallen ze samen? Volgens Lemm houden vrijzinnigen en modernisten vol dat het Nieuwe Testament alleen de verrijzenis van het lichaam kent, maar niet de gedachte van het overleven van een geestelijke, onsterfelijke ziel. Nooit geweten, ook Joseph Ratzinger, kardinaal en later paus, ontraadt het beschouwen van een ‘afgescheiden ziel’ conform de moderne wetenschap, in casu de antropologie. Maar wat gebeurt er dan met de ziel na de dood?
Lemm vertelt dat een Latijnse tekst ‘Anima mea’ in de Heilige Mis veranderd is van ‘ziel’ in ‘ik’. Waar vroeger de vertaling luidde ‘raak mij aan en mijn ziel zal gezond worden’ is dat nu in alle volkstalen ‘ik zal gezond worden’. Volgens Lemm zijn de protestanten de katholieken daarin voorgegaan: “… In hun nieuwste herziene Statenvertaling is de keren dat het woord ziel voorkomt meer dan gehalveerd ten opzichte van de voorafgaande vertaling, en vervangen door ‘wezen’ of ‘zelf’…”. Wat daar achter steekt is dat het Hebreeuwse woord ‘nefesj’ (of ook ‘nesjamá') niet overeenkomt met het Griekse ‘psyche’ of het Latijnse ‘anima’, aldus de theologen: “… De joodse mens denkt lichamelijk. De ‘verrijzenis van het lichaam’ is joods, de ‘onsterfelijkheid van de ziel’ is Grieks…” (zie bijvoorbeeld Plato). Lemm oordeelt daar trouwens verder helemaal niet over, maar hij vraagt zich wel af hoe dat dan zit met de ziel na de dood. Is ze toch sterfelijk? En wat te denken over uitspraken als van Jezus in Mattheüs 10:28: “Vrees niet wie het lichaam kan doden, maar niet de ziel”? Of van Paulus in zijn 2e Brief aan de Korinthiërs dat hij tot hoog in de hemel werd opgetrokken, zonder te weten of dat gebeurde in of buiten zijn lichaam? Of waar hij in diezelfde brief zegt dat hij verkiest “de woning van zijn lichaam te verlaten”?
Lemm oppert dat het idee van ‘de laatste oordeelsdag’, wanneer Jezus terug komt op de wolken en ‘de verrijzenis van het lichaam’ plaatsvindt, misschien wel helemaal niet op een bepaald tijdstip in de toekomst gedacht moet worden, maar dat ieder mens de oordeelsdag veeleer persoonlijk bij de dood overkomt. Misschien denken we veel te fysiek. Voor ieder die sterft, eindigt de wereld. Dat zou ook aansluiten bij de apostelen die er van overtuigd waren dat ze het einde van de wereld zelf nog mee zouden maken. En dan is het vraagstuk waar de ziel in ‘de tussentijd’ verblijft ook meteen opgelost.

Het hiernamaals
In het tweede hoofdstuk gaat Lemm verder met denken over het hiernamaals. Een item dat de kerk volgens hem verwaarloosd heeft omdat ze niet meer 'de dingen zoekt die boven zijn' (Kol. 3:1,2) maar zich steeds meer op het hier en nu richt (internationale solidariteit, de waardigheid van de mens, pacifisme, oecumene, de wereldraad van kerken, de Verenigde Naties, Samen op Weg, enzovoort). Hierdoor zijn veel mensen hun heil gaan zoeken in het schemergebied van occultisme en esoterie: “… daar waar het gezonde verstand door de knieën zakt voor allerlei mysterieuze invloeden die ons zouden beheersen en in het doorgronden waarvan ons lot of geluk besloten zou liggen…”. De dood is nu eenmaal onvermijdelijk. Het bewijsbare raakt het wezenlijke niet en blijft het antwoord schuldig op de levensvragen, het waarom van de wereld, het lijden, de zin van het bestaan: “… De markt heeft gretig op de behoeften van al die zoekers en nieuwsgierigen ingespeeld. Als een soort stille kracht sluipen ontelbare boeken over gene zijde door de huiskamers van wie een halve eeuw geleden nog keurig naar de kerk ging…”.
Uitgebreid behandelt Lemm vervolgens het hemelbeeld van christelijke denkers als (Pseudo) Dionysis, de Areopagiet, één van de toehoorders van Paulus op de Atheense Areopagus, die door de Grieken werd uitgelachen toen hij over de opstanding van de doden begon. En de beroemde dichter Dante in "De goddelijke komedie". Evenals de protestantse wetenschapper, mysticus, filosoof en theoloog Emanuel Swedenborg (Zweden, 1688-1772). Uit onze tijd komen onder andere het werk van de bekende psychiater Elisabeth Kübler-Ross, de visioenen van Sadhoe Soendar Singh - een tot het protestantisme bekeerde hindoe - en de ervaringen met BDE’s van Paul van Lommel aan bod ("Eindeloos bewustzijn" – Ten Have 2007). De BDE-wetenschappers gaan niet uit van de christelijke leer, maar zijn daar ook niet mee in tegenspraak, aldus Lemm.

Dwars op het gangbare
De rest van de hoofdstukken zijn aan aardsere zaken gewijd, maar altijd heeft Lemm een kijk die dwars staat op de gangbare. Hij zet de Spaanse Inquisitie in zijn context en bepleit de navolging van Don Quichotte. Een schitterend hoofdstuk gaat over "De naam van de roos", het magnum opus van de Italiaanse schrijver Umberto Eco. Lemm beweert dat het een anti-Borges boek is en dat de moordenaar, de oude, blinde, dogmatische monnik Jorge de Burgos staat voor de Argentijnse dichter en schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986). Als recensent word ik buitengewoon vrolijk van zinnen als: “… Hij (Borges) ziet een orde, die de kunstenaars van nu niet zien omdat die gevangen zijn in de illusie dat de wereld verbeterbaar is en in hun wanhoop en teleurstelling niets anders weten uit te beelden dan schilderijen die niets betekenen of die niets anders weten te schrijven dan boeken waar kop nog staart aan zit, zo ze zich niet laten gaan in de sentimentele details van het leven en de cultivering van hun eigen ik, denkend daarmee iets wezenlijks bij te dragen tot een zogenaamde moderne kunst, die in feite niets anders is dan het zoveelste masker van de oude chaos…” (het zal je maar gezegd worden). Of van details als het citaat van degene die de geheimzinnige moorden in het klooster uitzoekt, William van Baskerville, die maar één keer uit zijn evenwichtige rol klapt, als hij zegt: “…Ik haat je, Jorge, en liefst zou ik je uitkleden en voor schut zetten. Ik zou kippeveren in je reet willen steken en je gezicht beschilderen als dat van een nar of een clown, zodat het hele klooster om je kon lachen en niemand meer bang voor je zou zijn…” (Burgos heeft het tweede deel van de ‘Poetica’ van Aristoteles in de bibliotheek verstopt omdat het een pleidooi is voor de komedie, een genre dat bedoeld is om de mensen aan het lachen te maken – niets is erger dan lachen). Lemm in een voetnoot: “… Het is bekend dat dictator Juan Perón Borges heeft vernederd door hem van directeur van de Nationale Bibliotheek van Argentinië te degraderen tot marktinspecteur van kippen en konijnen, vanwege diens kritiek op zijn persoon en op de Duitse nazi’s. Ik weet niet of Eco daar bewust een zinspeling op maakt met zijn ‘kippeveren’, maar het is wel een opmerkelijk verhaal…”. Verder heeft Lemm het over de Spaanse burgeroorlog, over vrijheid, over macht, over de tijdgeest, over de bekende psychiater H.C. Rümke en de onbekende dichter Henri Bruning. En óveral kijkt hij anders dan de mainstream naar. Dat schud je denken nog eens op!

Uitgave: De Blauwe Tijger – 2014, 182 blz., ISBN 978 908 211 337 2, € 16,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 14 augustus 2015

De slaap en de dood – A.J. Kazinski



Hoe komt het toch dat Scandinavische thrillers de beste in zijn soort zijn? Sjöwall & Wahlöö, Henning Mankell, Stieg Larsson. Sommigen geven het koude klimaat en het lege landschap, de sombere dagen en de donkere nachten de schuld. Je zit veel binnen en dan ga je vanzelf verhalen verzinnen. Anderen leggen een link met de gewelddadige Edda die de Noren in het bloed zit. Iemand zei dat je voor dit genre boeken een stabiele samenleving nodig hebt. In Argentinië en Afrika snappen ze geen hout van deze literaire fascinatie. En dan heb je nog de maatschappijkritiek en de psychologie die vaak in dit slag romans zijn verwerkt: daar houdt de Europese lezer van.

Daar gaan we weer…

Toegegeven, ik heb nooit zo’n hoge pet op gehad van thrillers. Mijn vooroordelen: wreed, grof, bloederig, onsmakelijk, nivootje nul, expliciete voorspelbare seks en ongeloofwaardige buitenproportionele actie. Not my cup of tea. En eerlijk gezegd, toen ik de eerste bladzijden van het eerste hoofdstuk van “De slaap en de dood” las, dacht ik: daar gaan we weer. Een vrouw die gemarteld wordt door een duivel compleet met een zwarte dokterstas vol injectiespuiten, weet te ontsnappen, en rent in haar blootje de straat op. Maar dan verandert het perspectief en begint het echte verhaal. Je weet niet wat je leest! Een gewaarwording die een beetje vergelijkbaar is met het optreden van Susan Boyle in The Britains Got Talent-show (zaterdag 11 april 2009). Iedereen denkt: dat wordt niks. Tot ze haar mond open doet…

De zegen en vloek van buitengewone begaafdheid
Ik ga niet teveel van het boek weggeven, natuurlijk. Ik ga wel het een en ander vertellen over wat er allemaal aan ongewoons bij dit verhaal komt kijken. Het draait om Niels Bentzon, een gijzelingsonderhandelaar bij de politie van middelbare leeftijd. Het bijzondere is gelijk al dat hij geen norse, grommende, sacherijnige, aan de alcohol en coke verslaafde smeris is - zoals gewoonlijk - maar een hoogsensitieve man, die juist daarom zo op zijn plaats is in zijn beroep: wanhopige zielepoten die zichzelf of anderen van het leven willen beroven wegpraten van de afgrond.
Veel prikkels opvangen is erg vermoeiend: “… Hij oefende om níét te voelen in wat voor humeur ze was, om níét voortdurend op te merken hoe mensen om hem heen zich voelden. Hij wilde de kleine tekens níét lezen: de lichaamstaal, de mate van welwillendheid, blikken die te lang of te kort werden vastgehouden…”. Zijn harde collega’s accepteren hem minzaam: “… Bentzon, jij zegt heel veel. Daarom ben je ook zo goed in wat je doet. Toch? Wij zeggen toch helemaal niets. Wij zijn niet zo goed met al die woorden. Wij zijn gevoelloze rotsblokken waar iedereen zich aan bezeert…”.
Zijn vrouw is precies het tegenovergestelde type – wat je wel vaker ziet in relaties. Een hoogbegaafde, wat autistisch aandoende astrofysicus, die zich zo in zichzelf terug kan trekken dat Niels het gevoel heeft geen contact meer met haar te kunnen maken:
“… Hannahs ouders hadden zich voor haar geschaamd toen ze klein was. Ze hadden geprobeerd om haar te laten zijn zoals de andere kinderen. ‘Doe toch niet zo slim’, had haar vader gezegd. Pas toen ze op zeer jonge leeftijd op het Niels Bohr Instituut was komen werken, had ze zich thuis gevoeld in de wereld. Thuis tussen de andere gekken, die ook niet merkten dat er voedselresten tussen hun tanden zaten, dat ze hun bloes binnenstebuiten aanhadden, of twee verschillende schoenen droegen. Dat was gewoon iets wat andere mensen niet konden begrijpen. Dat de normale wereld helemaal kon verdwijnen. Dat het enige wat nog bestond, de vergelijking was, de oplossing, de getallen die in zo’n hoog tempo door haar hoofd tolden dat ze niet in de gaten had dat ze haar fietshelm nog ophad, al was ze drie uur geleden binnengekomen…”. Ze worstelt met haar eigen demonen. Een schizofrene zoon van vijftien uit een eerder huwelijk die zelfmoord heeft gepleegd omdat hij de wereld niet aan kon. Ook ‘gezegend en vervloekt’ met buitengewone begaafdheid. En ze is zwanger. Van een tweeling. Ze zegt niets tegen Niels. Ze wordt het hele boek door verscheurd door het dilemma wel of niet abortus te plegen. Abortus voelt als moord; maar de gedachte is ondraaglijk weer zieke genen te zullen doorgeven.

Bizar
Verder met het verhaal. De naakte vrouw klimt een spoorbrug op, dreigt te springen onder het toeziend oog van steeds meer voorbijkomende mensen, en Bentzon wordt er bij geroepen. Voor de eerste keer in zijn leven kan hij een zelfmoord niet voorkomen. Voordat ze springt ziet hij dat haar ogen zich focussen op iemand in het publiek waar ze vreselijk bang voor is. De autopsie brengt bizarre feiten naar boven: de vrouw blijkt dood te zijn geweest, en weer tot leven gewekt. Verdronken in zout water. Schroeiplekken van een defibrillator. Drugs in haar lichaam. Haar naam: Dicte van Hauen. Wereldberoemd soliste bij het Koninklijk Ballet, en al anderhalve etmaal door niemand gezien. Ziedaar de zaak die Niels Bentzon in ruim vijfhonderd bladzijden tot een oplossing gaat brengen.

Het mysterie van de ziel
In het Nederlands Dagblad stond afgelopen zaterdag een leuk stukje van schrijver en arts Ivan Wollfers over de positieve effecten van lezen: beter slapen, meer empathie, minder stress, meer zelfvertrouwen, enzovoorts. Maar het maakt wel uit wát je leest, van pulp groeit je empathisch vermogen niet. Wollfers: “… Slechte boeken zijn verhalen die geen vragen oproepen, geen stiltes laten vallen, maar alles voorkauwen. Dat is net pornografie: het verrast niet, maar voldoet aan de verwachtingspatronen. En uit iets dat niet verrast, ontstaat geen vernieuwing…”. Daar kun je A.J. Kazinski, pseudoniem voor de twee jonge Deense auteurs Anders Rønnow Klarlund (1971) en Jacob Weinreich (1972), niet van betichten. Eigenlijk is het hele boek een onderzoek naar het mysterie van de ziel. Ze durven wel, want ruim een jaar geleden schreef Willem Jan Otten nog - in een voorwoord bij "Essays over de ziel" van Robert Lemm - dat als je je onsterfelijk belachelijk wil maken, je moet komen aanzetten met het bestaan van de ziel: “… Onze tijd is, althans in ons hoekje van de grote wereld, die van ‘Wij zijn ons brein’…”. Otten: “… Hoe de weldenkende, kwaliteitskranten lezende Hollander precies te werk gaat moet nog grondig onderzocht worden, maar het lukt hem en haar om de gedachte aan de onherroepelijke dood en het afgrijzen over de al even onherroepelijke stort van zelfs de dierbaarste doden in de bodemloze koker van het onverschillige en sadistische universum, te bezweren door dikke boeken te lezen waarin bewezen wordt dat er op het bestaan inderdaad niets volgt; dat alles wat wij beseffen en denken en ervaren een mechanisch bijproduct is van aan en uit flakkerende neuro-transmitters; en dat iedere gedachte aan een bewustzijn, of een geest, of een ziel hopeloos achterhaald is. Wat een wonderlijke toestand nu toch weer. Het ziet er uit als wrijven over een wrat: de jeuk bestrijden met pijn. De gedachte dat het bewustzijn, of de geest, (het woord ziel valt al lang niet meer genoemd in dit discours) een door en door gedetermineerd bijproduct is, kan kennelijk de verbijstering over de lukrake zinloosheid van het bestaan overstemmen. Robert Lemm is gebleken niet zo makkelijk genezen te kunnen worden van de bestaansverbijstering. Hij gelooft er geen barst van dat als we de ziel nu maar onbestaanbaar verklaren, met groot vertoon van MRI-scans, dat hij dan getroost zal inslapen, vertrouwend op de euthanatische ‘Brave New World’ die nu zal aanbreken. Hij weet dat er zoiets bestaat als de nachtmerrie van de rede: juist in het slaapje van de rationalistische rechtvaardigen zal het gaan spoken…”. En dat bewijst A.J. Kazinski dan maar weer eens, zonder ook maar met één woord te refereren aan het christendom - uitgezonderd de Bijbelteksten, waarmee elk van de drie delen waaruit de roman bestaat, aanvangt - dat voornamelijk draait om zorg voor de ziel en altijd al heeft beweerd dat er leven is na de dood.

Bijna Dood Ervaring
Als we geen ziel hebben, waarom maken we ons dan zo druk om zelfmoord en euthanasie en abortus? En wat te denken van bijna-dood-ervaringen? Zijn BDE’s niets anders dan de laatste stuiptrekkingen van de hersenen? In “De slaap en de dood”:
“… Meer reanimaties betekende meer verhalen over het leven na de dood, over licht, tunnels, over een mysterieus, fantastisch net dat de aarde omhult, over ontmoetingen met mensen die al lang dood waren. Daarom hadden enkele Britse en Amerikaanse artsen tijdens een congres dat onder regie van de VN werd gehouden het idee opgevat. Voor het eerst in de rijk gevarieerde geschiedenis van de wetenschap was het toegestaan om te praten over het leven na de dood. ‘Er is iets wat wij niet kunnen verklaren.’ Het was alsof je een zucht van verlichting door de artsen van over de hele wereld kon horen gaan. Eindelijk mochten ze de ervaringen die ze niet begrepen onder woorden brengen. De verhalen waarmee mensen terugkeerden nadat ze waren gereanimeerd. Uiteindelijk waren de artsen het erover eens geworden dat de dood moest worden onderzocht. Dat het bewustzijn met nieuwe ogen moest worden bekeken, als een fenomeen dat aspecten bevatte waar wij niets over weten. ‘Bewustzijn’. Zo noemde men het. Niet ‘ziel’. ‘Awareness’. Er was een samenwerkingsverband opgezet tussen eerstehulpafdelingen in verschillende landen…”. Volgens een deskundige zijn er ook best veel mensen die de hel ervaren in plaats van de hemel: “… Duisternis en verschrikking, vreemde dieren met hoorns, de ondergang van de wereld…”.

We zijn nog veel meer dan DNA
Dicte van Hauen blijkt geobsedeerd door de dood. Op haar kamer vindt Niels boeken met titels als: “Near-Death and Out-of-Body Experiences”. “The Afterlife”. “Spiritual Doorway in the Brain”. “Buddhist Near-Death Experiences”. Onder haar bed ligt “Faidon” van Plato. Een filosoof vertelt Niels dat het handelt over Socrates die er in uiteen zet dat er vier bewijzen zijn voor de onsterfelijkheid van de ziel. Eén: de kringloopgedachte. In de natuur is alles ingericht in een kringloop, slapen - waken, zomer-winter, enzovoorts. Zonder tegenstellingen is het leven onmogelijk. Twee: de anamnese of weder-herinnering. Wij hebben aangeboren begrippen: goed, gelijk, mooi. Waar komen die vandaan? Drie: de leeftijdloosheid van de ziel. Alle oude mensen zeggen dat ze zich van binnen jong voelen. Vier (en die snap ik niet helemaal): je kunt niet een ‘beetje’ onsterfelijk zijn, net zo min als je een ‘beetje’ zwanger kunt zijn. De ziel valt na de dood dus niet uiteen.
Dicte heeft zelfs een rol in een ballet over de dood: “Giselle”. Een balletmeester:
“… ‘Giselle’ gaat over alles wat gevaarlijk is. Over alles wat verdrongen wordt. Dat wat we niet willen weten, niet kunnen begrijpen. Over seksualiteit. De seksualiteit van de vrouw. De verborgen krachten in de vrouwelijke natuur. Krachten die zo sterk zijn dat ze angstaanjagend en niet te controleren zijn, maar tegelijkertijd ook aantrekkingskracht bezitten en vol verleiding zijn…”.
Een wetenschapper in het boek: “… ‘Het universum, de ziel, de oorsprong’, zei hij en hij ging verder terwijl hij opstond: ‘We zijn nog veel meer dan DNA. En misschien is dat nou juist wat we “de ziel” noemen? Hoe weten trekvogels wat hun reisdoel is? Is dat een aangeboren vaardigheid? Daarover bestaat brede eensgezindheid. Dat weet men door de jonge koekoek die nog nooit zijn biologische ouders heeft gezien. En toch vindt hij de weg naar Ivoorkust, net als alle andere jonge koekoeken op de wereld. We hebben zendertjes op trekvogels bevestigd. Hoe langer we ze bestuderen, hoe meer we ons verwonderen. Hoe weten ze het? Als het aangeboren is, hoe moet je het dan noemen? Ziel?’…”.
Een ander heeft het over het baanbrekende onderzoek van dr.Ian Stevenson - “Where Reincarnatie and Biologie Intersect” - op het gebied van reïncarnatie onder 225 kinderen die tot in detail vertellen over dingen die ze in eerdere levens hebben meegemaakt.
Hannah die met een verpleegkundige discussieert over een abortus naar aanleiding van de Deense wet die bepaalt dat het leven na twaalf weken begint, oftewel vierentachtig dagen, oftewel 2.016 uur, oftewel 120.960 minuten: “… ‘Maar een minuut minder, dat is dus 120.959 minuten, is niet genoeg om te zeggen dat het leven is begonnen.’ ‘Als je het letterlijk opvat.’ ‘120.960 minuten is dus het reële nulpunt. Daarvandaan begint alles. Je kunt zeggen: het leven begint na 120.960 minuten. Dan wordt de … ziel geboren. Moeten we dat woord gebruiken?’…”. Natuurlijk komt dan de vraag hoe het zit vanaf het moment van de bevruchting tot de 120.960ste minuut. Wat zijn we dan? Een half mens? “… ‘We bevinden ons gedurende 120.960 minuten in een toestand, een wereld waar niemand over praat, maar waarvan iedereen weet dat hij bestaat. Een toestand die geen leven, maar ook geen dood is’…”. De verpleegster: “… ‘Ik begrijp best dat het moeilijk is. Dat is het voor iedereen. In veel ziekenhuizen worden de embryo’s van abortussen verzameld en begraven op een kerkhof. Dat laat heel duidelijk zien dat een embryo natuurlijk niet zomaar een ding is, maar … iets anders.’…”. Het gesprek wordt er niet makkelijker op als de verpleegkundige ook nog vertelt dat onderzoeken erop wijzen dat een embryo pas na vierentwintig weken pijn kan voelen, maar dat andere onderzoeken het daar weer niet mee eens zijn. En dan zijn er nog wetenschappers die hebben gemeten dat heel kleine embryo’s dromen: “… Maar waar droomden ze over? Dromen komen voort uit het onderbewustzijn, heeft Freud gezegd. Datgene wat uit het bewustzijn van een individu wordt verdrongen. Betekende dat dat zelfs embryo’s van een paar weken oud een bewustzijn hebben? Een ziel? Droomden ze van eerdere levens? …”. Wie bepaalt wat menswaardig leven is? “… Wie voelt zich altijd gelukkig terwijl hij leeft? Veel grote filosofen haatten het leven. Kant, Schopenhauer. Voor hen was het leven een hel, de dood een bevrijding. Hadden zij nooit moeten leven? …”. En wat te denken over het idee dat ongeboren levens misschien wel hun ouders kiezen, in plaats van andersom.

Balans
Voor wie het allemaal een beetje te theoretisch in de oren klinkt: in het boek zijn actie en beschouwing perfect in balans. Je zit in het hoofd van de moordenaar. Je zit in het hoofd van een meisje dat in een psychiatrische inrichting verblijft omdat ze weigert te praten. Levend dood zou je kunnen zeggen. Er zijn spectaculaire achtervolgingen langs kunstwerken waar ik nog nooit van had gehoord: “De Nacht met zijn Kinderen” van Thorvaldsen (die “Slaap” en “Dood” heten, vandaar de titel) en “Avond. De oude vrouw en de dood” van L.A. Ring. Er is zelfs een episode over wurgseks, maar ook dat blijft binnen de perken. Ivan Wollfers kan tevreden zijn.

Uitgave: De Geus – 2015, vertaling Femke Blekkingh-Muller, 542 blz., ISBN 978 904 452 829 9, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 7 augustus 2015

Vreemd en bizar. Lastige bijbelverhalen – Piet Schelling


In mijn vorige blog ging het over Ayaan Hirsi Ali die vertelt dat de Koran zo heilig is voor moslims, dat iedere discussie wordt opgevat als gebrek aan eerbied en voldoende is om te leiden tot gewelddadige protesten, relletjes en - vaak - doden. Geregeld horen we dat radicale moslims op grond van teksten uit de Koran tot afschuwelijke uitspraken en daden komen. Hoe zit dat met joden en christenen? In hun heilige schriften komen net zo goed de meest macabere verhalen voor.

Haaks

“Zet tien joden bij elkaar, en je hebt elf meningen”, luidt een bekend spreekwoord. Volgens de joodse traditie zijn er wel zeventig manieren om de Bijbel uit te leggen (want er zijn zeventig volken die allemaal op hun eigen manier de Bijbel interpreteren. Al die deelwaarheden zijn nodig om de hele waarheid van God te verstaan). Een van de bekendste teksten uit het Nieuwe Testament is misschien wel: “Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede” (1 Thess. 5:21). Joden en christenen hebben in ieder geval altijd gediscussieerd en geïnterpreteerd. Tot in het oneindige kun je wel zeggen. Onderling vlogen en vliegen ze elkaar natuurlijk regelmatig in de haren, maar tegenwoordig meestal niet meer met dodelijke gevolgen. Meestal: ik schrijf deze blog na een verdrietige week waarin zes mensen zijn neergestoken tijdens de Gay Pride in Jeruzalem en joodse fundamentalisten een brandbom in een Palestijns huis hebben gegooid, waarbij een babytje is omgekomen.
Ik ben met een groep mensen de Bijbel aan het lezen, wat steeds fascinerend en soms onrustbarend is. Inmiddels zijn we op de helft. Sommigen verzuchtten op bepaalde momenten dat het wel leek of ze een verslag over ISIS zaten te lezen. In het begin van de Bijbel gaat het namelijk over oorlog en nog eens oorlog. Piet Schelling (emerituspredikant en publicist) over moeilijke teksten: “… Stel dat je hoort dat God een vrouw in een blok zout verandert, omdat zij omkijkt naar de stad waar ze jaren heeft gewoond. Of dat iemand wordt geprezen, omdat hij kinderen te pletter gooit. Of dat wordt verteld dat een vader gehoor geeft aan een goddelijke stem die hem opdraagt zijn zoon te offeren. Of dat iemand vertelt dat een man een kind verwekt bij zijn schoondochter. Stel dat je leest dat een landloos volk een vreemd land binnenvalt en daar met geweld de grond opeist. Of dat een koning pasgeboren jongetjes de dood injaagt, omdat hij bang is dat later een van hen hem van de troon zal stoten. Of dat een leraar zijn leerlingen en ouders hun kinderen stokslagen geven om hen in het gareel te houden. Of dat beren ruim veertig kinderen verslinden, omdat ze de spot drijven met een profeet. Stel dat het verhaal de ronde doet dat je alleen vergeving kunt krijgen voor je misstappen als iemand in jouw plaats wordt gedood. Of dat wordt verteld dat Jezus een hulpzoekende vrouw uitmaakt voor hond. Of dat een groep feestviert bij het zien van een menigte die verdrinkt in de zee…”. Het staat allemaal in de Bijbel, en christenen worstelen daarmee. Natuurlijk voel ik mij aangesproken als Maarten ‘t Hart het in zijn moederroman “Magdalena” heeft over ‘die voorhuidenverzamelaar, koning David’. Het is tot nog toe het meest bizarre verhaal dat ik in de Bijbel ben tegengekomen. Koning Saul vraagt als bruidschat voor zijn dochter Michal, die verliefd is op David, de voorhuiden van honderd dode Filistijnen. David trekt er met zijn troepen op uit en komt maar liefst met twééhonderd stuks terug (1 Sam. 18). Een verhaal dat tijdens de godsdienstles op school maar is overgeslagen, want ik had er tot nu toe nooit van gehoord. Schelling: “… Veel teksten staan haaks op onze wetgeving en cultuur…”.

Uitleg waar we misschien wat mee kunnen
Schelling is al een halve eeuw met de Bijbel bezig. Hoe gaat hij om met dit soort buitenissige verhalen? Hij negeert ze niet, zwijgt ze ook niet dood, maar zoekt naar een uitleg waar we misschien wat mee kunnen. Daarbij hanteert hij een aantal vuistregels:
1) “… Maak onderscheid tussen normen (bijvoorbeeld: elkaar groeten, niet stelen, u zeggen) en de achterliggende waarden (bijvoorbeeld: respect, aandacht, vertrouwen, liefde)…”.
Een samenleving kan niet functioneren zonder normen en waarden. “… Normen zijn echter tijd- en cultuurgebonden. Telkens moeten ze aangepast en geactualiseerd worden. (…) Waarden zijn minder aan tijd en cultuur gebonden…”. Zo kan het dus voorkomen dat je een Bijbelse norm verwerpt, terwijl je de achterliggende waarde wél overneemt. Uit het voorhuidenverhaal blijkt dat koning Saul van David af wilde en heimelijk hoopte dat de Filistijnen hem zouden doden. Maar God was aan zijn zijde, en bezorgde David een klinkklare overwinning. Later mocht David echter niet de tempel bouwen: hij had teveel bloed aan zijn handen. Kijk, dat is tenminste iets…
2) “… Besef dat iets waar kan zijn zonder dat het echt gebeurd is…”.
Er zijn altijd discussies geweest tussen mensen die alles wat in de Bijbel staat letterlijk opvatten, en mensen die daar moeite mee hebben, en speuren naar de diepere zin van een verhaal. Schrijvers willen een boodschap overbrengen. Dat kan door middel van fictie of non-fictie.
3) “… Treed de Bijbel als gesprekspartner tegemoet: jij en hij hebben elkaar wat te vertellen…”.
De eenheid van de Bijbel ligt niet in het op dezelfde manier uitleggen van de Bijbel, maar in God die de bron is van alle spreken. Daarom is er ook nooit een definitief einde aan de manier waarop de Bijbel iets tot mensen te zeggen heeft. “… De aandachtige lezer gaat in gesprek met de tekst. Hij stelt vragen aan de tekst: wie spreekt, wie zwijgt, wie komt, wie gaat, wie handelt? Of directer door aan de personages in de tekst te vragen: waarom zeg je dit, waarom laat je dat? (…) Nog boeiender wordt het als de tekst jou vragen gaat stellen…”.
4) “… Hoor met oren die horen dat de Bijbel niet samenvalt met Gods Woord...”.
Schelling: ”… Wel hoort de luisteraar er de Stem van God in. Dit boek is vooral een mensenboek waarvan God gebruikmaakt. Het is geen dictaat door de hemel aangereikt. De schrijvers kijken naar de aarde en naar de hemel en brengen in hun teksten die twee bij elkaar. Elke schrijver doet dat vanuit eigen ervaringen met de wereld en God. Om te bemoedigen, hoop te geven, te corrigeren, te waarschuwen, de weg te wijzen. Dat maakt de Bijbel kleurrijk…”. Dat is precies het verschil met de Koran.
5) “… Lees met ogen die zien dat de Bijbel mensenwerk is waarin God zich laat zien…”.
Wat in de Bijbel staat werd eerst doorverteld en later opgeschreven, en vaak weer herschreven in de loop van bijna 1000 jaar (zo tussen 800 voor Chr. – 200 AD). “… De Bijbel is niet heilig (of juist wel heilig, maar dan in de zin van ‘apart gezet’, en niet in de zin van ‘onfeilbaar’). Er staan dingen in die niet kloppen. Historisch, natuurkundig en biologisch gezien, staan er onjuistheden in. Daar kunnen de schrijvers niets aan doen; wij beschikken over kennis die voor hen niet beschikbaar was. Er zijn ook fouten gemaakt bij het overschrijven van oude teksten en we treffen tegenstrijdigheden aan, de ene tekst die de andere tegenspreekt…”. Dat is allemaal niet erg: “… Waar het om gaat, is dat wij in de gedichten, verhalen en regels een Stem horen die uitstijgt boven onze eigen stemmen. De Stem van God die, in al die woorden door mensen uitgesproken en opgeschreven, tot ons wil spreken…”.

Verhalen

In de voorgaande blogs (zie Henk Vijver, Tahmina Akevi en Ayaan Hirsi Ali) ging het vaak over hoe evident verhalen zijn in de omgang met elkaar. In dit boek komt dat ook weer aan de orde: “… Een belangrijk instrument waarmee God mensen wil ontmoeten en de weg wil wijzen, is het vertellen van verhalen door mensen. Jezus ontvouwt zijn leven en werk verhalenderwijs. Hij leeft in en door verhalen. Hij is zelf een verhaal, Gods verhaal…”.
Schelling behandelt uitvoerig twaalf moeilijke Bijbelverhalen. Ik ga ze, vanwege de lengte van deze blog, niet allemaal aanhalen. Ik geef twee indrukwekkende voorbeelden.
Naar aanleiding van het verhaal over Abraham die van God de opdracht krijgt zijn zoon Isaak te offeren, vraagt Schelling zich af van wélke God dit bevel komt. Degene die hem roept (Genesis 22:1) heeft een andere naam dan degene die later roept de jongen niets te doen (Genesis 22:11): “… Gaat het om een hemels wezen dat Abraham verzoekt, zoals bij Job? Weliswaar met toestemming van God, maar toch. Herinnert deze godheid aan de godsdienst en cultuur van de omgeving waar Abraham vandaan komt? Worstelt Abraham met de eisende en huiveringwekkende godheid van zijn cultuur?...”. En even verder: “… Kinder- en mensenoffers zijn overal en altijd voorgekomen. Ook vandaag. Kinderen en volwassenen die tot slachtoffer worden gemaakt door hen die machtiger zijn dan zij. Het gebeurt in huizen, op straten, in het centrum en in uithoeken van stad en land. Uit angst, machteloosheid, boosheid, machtswellust. Soms in naam van een godheid. Dit verhaal zegt ons onomwonden: nooit zul je kinderen en mensen de dood in jagen om een hoger doel te bereiken! Op die berg, bij het altaar, klinkt het protest daartegen. De mens heeft slechts één roeping: het leven te beschermen en te bewaren. Er zijn grenzen aan het gehoorzamen van God. Dat zegt de verteller van Genesis 22. Trouw aan God, sterke geloofsijver, grote inzet voor de Heer, overgave aan de Stem – het is allemaal waardevol. Maar het zal niet ten koste mogen gaan van mensenlevens. Niemand mag met zijn godsdienst een mens lichamelijk en geestelijk beschadigen. Het verhaal leert dat genade voor recht en liefde voor angst gaat. Zo niet, dan sterft de wereld…”.
In de RTL 5 -serie “Levenslang met dwang”, waarvan de herhalingen momenteel op tv te zien zijn, komt een vrouw voor die doodsbang is voor het getal 666: hexakosioihexekontahexafobie genaamd. De bron van deze angst vinden we in de Bijbel, in het boek Openbaring, waar het ‘het getal van het beest’ genoemd wordt. De vrouw heeft het over ‘het getal van de duivel’. Schelling voert aan dat de schrijver, Johannes, geheimtaal spreekt, en dat het getal 666 verwijst naar de Romeinse keizer, die de christenen vervolgt en uitroeit: “…Openbaring is verzetsliteratuur…”. In de oude talen, zoals Hebreeuws en Grieks, hebben letters ook een getalswaarde. De cijferwaarde van het woord ‘nero-caesar’ is 666. De wrede keizer Nero was al wel dood toen Johannes zijn brief opstelde, maar zijn geest waarde nog rond. Het gerucht ging dat Nero als een reïncarnatie weer tot leven was gekomen in de wrede tiran Domitianus. “… De beschrijving van de afschuwelijke beestpraktijken maakt ons kritisch waakzaam voor hedendaagse ‘beesten’. Systemen, fanatici, organisaties, politieke overtuigingen, leiders die aan de knoppen van de wereldmachine draaien …”.
Amen.

Uitgave: Boekencentrum – 2015, 112 blz., ISBN 978 902 397 006 4, € 11,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 5 augustus 2015

Ketters – Ayaan Hirsi Ali


Subtitel: Pleidooi voor een hervorming van de islam

Zowel Henk Vijver, de schrijver van “De kolonel krijgt eindelijk post. Verhalen over geweld en verzoening in Colombia”, als burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam, geloven dat vrouwen het geweld kunnen keren in samenlevingen die ontregeld worden door agressie, wreedheid en terreur. “De zachte krachten zullen zeker winnen”, zei de laatste in het avondvullende televisieprogramma Zomergasten van vorige week zondag. Dat help ik hem hopen. Ayaan Hirsi Ali reken ik zeker tot die ‘zachte krachten’. Luavut Zahid, een Pakistaanse schrijfster en verdedigster van vrouwenrechter over Hirsi Ali: “… Klinkt ze bij tijden te extreem? Zeker. Maar denk even na en stel jezelf de vraag: hoeveel moslims heeft zij vermoord? Hoeveel moslims moeten zich vanwege haar schuilhouden? …”.

Indrukwekkend

Ayaan Hirsi Ali (1969) werd geboren in Somalië en belandde via Saudi-Arabië, Ethiopië, Kenia en Duitsland in Nederland. Na een spectaculaire carrière in de Nederlandse politiek vertrok ze naar de Verenigde Staten. Haar autobiografie, "Mijn vrijheid", werd wereldwijd een bestseller. Hirsi Ali is verbonden aan de Kennedy School van Harvard University. Bij Hirsi Ali geen ‘Duizend-en-één-nacht’sfeer, zoals Tahmina Akefi die voorschotelt in “De jongen van de oude stad” (zie mijn vorige blog). Hirsi Ali is een onverschrokken islam-criticus. Echter, als iemand vanwege haar achtergrond het waard is om naar te luisteren en recht van spreken heeft, is zij dat wel – vind ik. Wederom Luavut Zahid: “… Hirsi Ali kan en mag geen islamofobe worden genoemd enkel vanwege het feit dat ze luid en duidelijk blijft zeggen wat ze allemaal heeft meegemaakt, en wat er nog steeds om haar heen gebeurt, allemaal in naam van God…” (Pakistan Today, 14 april 2014). Ik ben het niet in alles met Hirsi Ali eens. Waarom zou je bijvoorbeeld Mohammed-cartoons willen maken, als je weet dat je daar moslims mee beledigt. Ik ben christen, ik vind het ook niet fijn als Christus wordt bespot. Ik redeneer vanuit het simpele principe ‘wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Daarom zal Hirsi Ali mij hoogstwaarschijnlijk beoordelen als een ‘idiote moralist’. Het zij zo. Dat neemt niet weg dat ik zeer onder de indruk ben van veel van haar opinies, en de waardigheid waarmee ze die naar buiten brengt.

Optimistisch
“Ketters” is een optimistisch boek. Hirsi Ali begint met te vertellen hoe haar tocht dóór en uiteindelijke afscheid ván de islam is verlopen. Als kind bezocht ze de madrassa en leerde grote delen van de Koran uit haar hoofd. Haar vader werd opgepakt vanwege politieke subversiviteiten, waarna haar behoudende moeder met de kinderen naar Mekka verhuisde, zodat ze op haar achtste de ‘oemra’ (de kleine variant van de hadj, de bedevaart waarmee een pelgrim van alle zonden wordt gereinigd), al had gedaan:
“… Hier werd ik voor het eerst geconfronteerd met de strikte toepassing van de sharia. Op de pleinen werden elke vrijdag na het rituele gebed mannen onthoofd of afgeranseld, vrouwen gestenigd en werden bij dieven de handen afgehakt in een zee van bloed…”. Ze vond dat volkomen normaal. Wel merkte ze dat haar vader, die zich weer bij hen had gevoegd, anders tegen het geloof aankeek dan haar moeder, die te pas en te onpas terugviel op het hellevuur en de eeuwige straf (iets dat ik trouwens in mijn christelijke omgeving ook vaak ben tegen gekomen). Na de nodige omzwervingen streek het gezin neer in Nairobi. Onder invloed van de subtiele indoctrinatiemethodes van een volledig in hidjab gestoken godsdienstlerares en een rondtrekkende charismatische prediker, die het binnen de kortste keren tot zelfverklaarde imam schopte, werd Hirsi Ali een fanatiek lid van de Moslimbroederschap. Pas nadat ze werd uitgehuwelijkt aan een man in Canada, er tijdens de reis naar hem tussenuit kneep en naar Nederland vluchtte, met succes asiel aanvroeg, ging studeren, werken en VVD-kamerlid werd, verloor ze langzaam maar zeker haar geloof. Ontroerend beschrijft ze hoe het voor haar onmogelijk werd om om te gaan met de enorme dissonantie tussen de islam die ze beweerde aan te hangen en de manier waarop ze feitelijk leefde. De druppel was 9/11: “… Na heel wat gewetensnood loste ik mijn innerlijk conflict ten slotte op door de stelling dat God de auteur van de Koran is te verwerpen, door Mohammed te verwerpen als morele leidraad en het standpunt in te nemen dat er geen leven na de dood is en dat God door de mens is geschapen en niet andersom…”. Hirsi Ali zag maar twee mogelijkheden: óf je onderwerpen aan de islam, óf een afvallige worden. Inmiddels is ze gaan nadenken over een tussenweg. Een optie waarbij het geloof op de een of andere manier verzoend kan worden met de eisen van de moderniteit. “Ketters” is niets meer of minder dan een oproep tot een islamitische reformatie.

Moderne Luther
Volgens Hirsi Ali is de islam verdeeld in Mekka- en Medina-gelovigen. Mekka-gelovigen vormen de meerderheid. Zij concentreren zich op de vroege periode in het leven van Mohammed, waarin hij nederig aan mensen vroeg of ze hem wilden volgen. Hun intentie is niet anders dan in vrede hun godsdienstige plichten naleven, zoals vrome christenen en joden dat ook doen. Medina-gelovigen identificeren zich echter met de late periode van Mohammeds’s leven, waarin hij met geweld de islam opdrong aan anderen. Volgens een onderzoek vat maar 3 procent van de moslims in de wereld de islam in deze militante variant op, maar, zegt Hirsi Ali: “… op 1,6 miljard gelovigen, oftewel 23 procent van de wereldbevolking, lijken die 48 miljoen meer dan genoeg…” en “… op grond van onderzoeksgegevens over de houding tegenover de sharia in moslimlanden zou ik het aandeel beduidend hoger inschatten; ik geloof bovendien dat het stijgt naarmate moslims en bekeerlingen tot de islam zich door Medina aangetrokken voelen…”. Het punt is dat Mekka-gelovigen voortdurend op gespannen voet leven met de moderniteit, en zich veelal terugtrekken in zelfgecreëerde enclaves waarbij ze externe invloeden proberen buiten te sluiten. Dit wordt wel ‘cocooning’ genoemd, een proces dat uiteraard herkenbaar is voor christenen uit de reformatorische wereld, zoals ik. Het probleem is dat Mekka-gelovigen niet in staat zijn zich intellectueel te weren tegen Medina-gelovigen. En dat is het gat waar Hirsi Ali in wil springen. Als een moderne Luther heeft ze vijf stellingen op een virtuele deur gespijkerd, die ze vervolgens één voor één behandelt.

Stamhoofd
Ten eerste: “… Laat Mohammed en de Koran openstaan voor interpretatie en kritiek…”. Voor Moslims zijn Mohammed en de Koran zo heilig, dat iedere discussie wordt opgevat als gebrek aan eerbied en voldoende is om te leiden tot gewelddadige protesten, relletjes en - vaak - doden. Eigenlijk mag de Koran niet eens vertaald worden (Arabisch is voor veel moslims de goddelijke taal). Blindelingse gehoorzaamheid aan de letterlijke teksten van de Koran zet aan tot geweld, wat met de Bijbel natuurlijk net zo goed het geval is:
“… zoals de religieuze politie van de Taliban op haar propagandaposters schrijft: ‘Gooi de rede voor de honden; hij stinkt naar corruptie’…”. En, volgens Hirsi Ali, begrijp je veel meer van Mohammed als je hem in de eerste plaats ziet als een stamhoofd in plaats van een profeet en strijder: “… In deze hoedanigheid slaagde Mohammed erin om een nieuwe, op religie gebaseerde gemeenschap te vormen uit de losjes georganiseerde elementen van de tribale Arabische samenleving. Kortom: hij was evenzeer een stichter van een ‘superstam’ als een religieuze figuur…”. Het werkt als volg: iedere familie maakt deel uit van een afstamming, veel afstammingen vormen een clan, veel clans vormen een stam, stammen hebben samen één enkele mythologische of half goddelijke stichter, in het geval van de islam de mythische zwerver Ismael. Dat verklaart ook de onderlinge vetes en het onaantastbare gezag van de leider, de eer en trouw die hem verschuldigd is, de mannelijke voogdij over vrouwen, de taboes, de wreedheid in oorlog en de doodstraf voor het uit de islam treden. Het belang van de groep, de familie, de bloedlijn staat boven dat van het individu. Als de sociale orde door een lid in diskrediet wordt gebracht is dat verraad en genereert het een gevoel van ondraaglijke schaamte. Scepticisme en kritisch denken zijn bedreigend: “… Vanuit het perspectief van een islamhervormer is een van de voornaamste problemen bij de islam dat de tribale militaire en patriarchale waarden die aan zijn oorsprong liggen worden gekoesterd als spirituele waarden die moeten worden gevolgd tot in alle eeuwigheid…”.

De snelste route naar het paradijs
Ten tweede: “… Geef voorrang aan het huidige leven, niet aan dat daarna…”. Moslims wordt geleerd zich vanaf het begin van hun leven te richten op de dood; wat een fatalistische kijk op het hier en nu bevordert. Hirsi Ali: “… Waarom zou je afval oprapen, waarom zou je je kinderen tot de orde roepen als je voor geen van die daden wordt beloond? Het is niet het gedrag waardoor je je onderscheidt als goed moslim: het heeft niets te maken met bidden of bekeren. Dit is mede een verklaring waarom moslims zo notoir ondervertegenwoordigd zijn in vernieuwende wetenschap en technologie…”. Er is een Hadith die luidt dat elke vernieuwing naar de hel voert. Het leven is vergankelijk, het gaat om het leven hierna. Het hiernamaals bergt het eeuwige geluk. Martelaarschap verhoogt de status in het toekomende (mannen-)paradijs, een lustoord met maagden die ‘niet slapen, niet zwanger worden, niet menstrueren, niet spugen, niet hun neus snuiten, en nooit ziek zijn’. Toe maar. De Medina-islam is een doodscultus: “… De islam leert dat niets zo eervol is dan een ongelovige van het leven te beroven – en nóg beter is het als die moorddadige handeling ook jezelf het leven kost…”.
Ten derde: “… Leg de sharia aan banden en maak deze ondergeschikt aan seculier recht…”. Over de sharia: “… In de strikte toepassing van de islamitische wet staat op afvalligheid de doodstraf en wordt overspel gestraft met honderd zweepslagen…”. Onthoofding (Koran hfdst. 47), kruisiging (Koran hfdst. 5:33), amputatie (Koran hfdst.5:38), steniging ( Hadith Sunan Abu Dawud, boek 38 nr. 4413), en zweepslagen (Koran hfdst. 24:2) zijn geen in onbruik geraakte straffen. Degenen die het zwaarst lijden onder deze barbaarse methoden zijn vrouwen, homoseksuelen en afvallige moslims, blijkt uit de tientallen voorbeelden waar Hirsi Ali mee komt. Ze wijst de afgezaagde platitudes van cultuurrelativisten als dat we niet moeten oordelen over andermans religieuze gebruiken zonder meer van de hand: “… De oude Azteken en andere volken brachten mensenoffers en reten nog kloppende harten uit de slachtoffers die geofferd zouden worden. We leren onze kinderen dat dit vijfhonderd jaar geleden gebeurde, maar we vergoelijken het niet, en dat zouden we ook niet doen als deze praktijk plotseling zou herleven in het huidige Mexico…”.
Ten vierde: “… Maak een einde aan de praktijk van ‘het goede bevelen en het kwade verbieden'…”. Deze regel houdt in dat de islamitische wet iedere gelovige verplicht in te grijpen wanneer een andere gelovige zondig gedrag vertoont en moet overhalen of zelfs dwingen daarmee te stoppen. Daar komen zaken als eergerelateerd geweld vandaan.
En als laatste: “… Laat de oproep tot jihad varen…”. Hirsi Ali: “… Jihadisten zijn niet simpelweg ontevreden jongeren uit achtergestelde gezinnen die de verkeerde websites bezoeken. Het zijn mannen en vrouwen met een heilige missie…”. Miljoenen christenen verkeren onder dezelfde slechte politieke en economische omstandigheden als veel islamisten, terwijl niet één van hen zich opblaast om martelaar te worden. Hoe kan dat? Politiek en religie moeten uit elkaar worden gehaald. Ze doet een boekje open over de christenvervolging in islamitische landen, waarbij ze concludeert dat de islamofobie niets voorstelt vergeleken bij de evidente christofobie – iets waar de westerse media amper over berichten.

Tegenverhaal
Evenals Henk Vijver (zie mijn blog van 17.07.2015) pleit Hirsi Ali voor het tegenverhaal: “… Toen we in het Westen druk bezig waren met mensen onder politiebewaking stellen, met controleren en zelfs met militaire acties, hebben we niet de moeite genomen om met een effectief tegenverhaal te komen, omdat vanaf het begin ontkend werd dat islamitisch extremisme enig verband hield met de islam. We blijven ons concentreren op het geweld en niet op de ideeën die eraan ten grondslag liggen… “ en “… We kunnen een ideologie niet slechts bestrijden met luchtaanvallen en drones of zelfs grondtroepen. We moeten haar bestrijden met ideeën, betere ideeën, positieve ideeën. We moeten haar bestrijden met alternatieve visies…”. Ze stelt lastige vragen: “… Is het concept van de heilige oorlog verenigbaar met ons ideaal van religieuze tolerantie? Is het godslastering – die met de dood kan worden bestraft – om de toepasbaarheid van bepaalde zevende-eeuwse doctrines op onze tijd in twijfel te trekken? En waarom heb ik, toen ik deze zaken aan de orde stelde, zo weinig steun en zo veel hoon over me heen gekregen van juist mensen in het Westen die zichzelf feministisch en progressief noemen? …”. Ze eindigt het boek met een waslijst van islamitische dissidenten en hervormers die ze op deze manier een platform geeft.
Zelden heb ik zo’n intellectueel bevredigend boek gelezen. Eindelijk heb ik het idee dat ik een beetje begrijp wat er zich allemaal binnen de islam afspeelt. Daarnaast houdt Ayaan Hirsi Ali mij een geweldige spiegel voor, omdat ik veel wezenlijke kenmerken van de radicale islam in mildere vorm ben tegengekomen in mijn eigen behoudende gereformeerde achtergrond. Ik kom ook fanatieke christenen tegen die niets anders doen dan corrigeren en terechtwijzen en met wie geen discussie mogelijk is. Ik ken ook fundamentalistische kerkgangers die liever willen dat je je mond houdt en gewoon mee blijft hobbelen in de gemeenschap als je niet meer gelooft (wat mij de hypocrisie ten top lijkt), in plaats van dat je daar open en bloot voor uitkomt. Ik hoor ook verhalen van christenen die de hel wordt aangezegd door voorgangers als ze hun doopbewijs komen opvragen; soms om zich alleen maar bij een minder extreme geloofsgemeenschap aan te sluiten. Niets nieuws onder de zon, dus.
Ik val niet zo gauw om van iemand. Maar wél van Ayaan Hirsi Ali. Zij komt daar met de gratie van een koningin van Seba uit de woestijn gesjouwd (“… Mijn moeder was geboren onder een boom en opgegroeid in de woestijn. In haar jeugd had ze een zwervend bestaan geleid, waarbij ze zelfs in Aden, in Jemen, aan de overkant van de Rode Zee was geweest…”) – omgeven door een aura van vrijheid en onafhankelijkheid en vriendelijkheid en eruditie. Ze blaast mij volkomen omver…

Uitgave: Atlas Contact – 2015, vertaling Gina ten Huisse, Jeske Nelissen, Anne Parmi, 288 blz., ISBN 978 904 502 994 8, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier