vrijdag 28 november 2025

Ragnarök – A.S.Byatt

 

Subtitel: De ondergang van de goden

 

“Ragnarök” van de Britse schrijfster A.S. Byatt (1936-2023) heeft mij wel weer even genezen van mijn flirt met het heidendom (zie mijn vorige blog). Wát een orgie van weerzinwekkend geweld en bloedvergieten. Ik kon mij ineens voorstellen dat toen de ‘mare’ van het evangelie de noordse wereld bereikte, dat een geweldige verademing voor veel mensen moet hebben betekend (alhoewel Byatt meer heeft met het heidendom, maar dat is vanuit je luie stoel geen kunst natuurlijk). Zo werkt het nog steeds trouwens, zie de film “Go Africa” van Youth with a Mission. Daarom worden veel jonge mensen in onze chaotische tijden weer moslim of christen, denk ik. De Deense schrijver Villy Sørensen, die eveneens een hervertelling van de Ragnarökmythe schreef (“The Downfall of the Gods”), betoogt ook dat de oorlog tussen de goden en de reuzen een symbool is van “… de strijd van de geest tegen de lagere driften van de mens – het eeuwige gevecht van de cultuur tegen de barbarij’…”. Byatt: “… de noordse goden zijn in een ander opzicht merkwaardig menselijk. Ze zijn menselijk omdat ze beperkt en dom zijn. Ze zijn hebzuchtig en houden van vechten en van spelletjes. Ze zijn wreed en genieten van de jacht en ruwe grappen. Ze weten dat Ragnarök zal komen, maar zijn niet in staat een manier te bedenken om het einde af te wenden of het verhaal een andere draai te geven. Ze weten hoe ze als helden moeten sterven, maar niet hoe ze de wereld kunnen verbeteren. ‘Homo homini lupus est’, schreef Hobbes, de mens is de mens een wolf, waarmee hij de innerlijke wolf bedoelde…”. Miskotte vergelijkt de Edda met de Thora, Byatt vergelijkt de Edda met Bunyans “Christenreize”. In een nawoord koppelt de schrijfster Ragnarök aan de klimaatverandering. Eerder besprak ik van Byatt “Klein zwart verhalenboek”.

 

Het tengere kind

Byatt laat de Ragnarökmythe beleven door een “… tenger, ziekelijk, schriel kind, als een watersalamander, met fijn haar als rooklicht in het zonlicht…”, dat in veel opzichten overeenkomt mat haarzelf. Ze is drie als WO II uitbreekt en met haar ouders verhuist vanuit een ‘zwavelige staalstad’ naar het platteland, waar geen gevaar is voor vijandelijke bommenwerpers. Als ze vijf is loopt ze drie kilometer door de weilanden, voor haar het paradijs, naar school. Haar intellectuele moeder, een vrouw die helemaal opbloeit omdat ze vanwege de oorlog achter het fornuis vandaan mag komen om les te geven, heeft haar heel vroeg lezen geleerd. Haar vader, ‘een god met roodgloeiend haar en helderblauwe ogen’, is afwezig, want oorlogsvlieger. “… Het tengere kind wist, zonder te weten dat ze het wist, dat de volwassenen angstig rekening hielden met een ophanden zijnde vernietiging…”.

 

Bunyan

Als het kind wat ouder wordt ontdekt ze “Asgard en de goden”: “… Het was een fors boekwerk in een groene band, met op de kaft een intrigerende, stormachtige afbeelding van ruiters van Odins Wilde Jacht die door een bewolkte lucht tussen hoekige bliksemschichten razen, vanuit de ingang van een onderaardse grot bezorgd gadegeslagen door een dwerg met een muts op…”. Ze verwart de ‘Germanen’ met de ‘Germans’, de Duitsers. “… Ze droomde dat er Duitsers onder haar bed zaten, die eerst haar ouders in een groene kuil in een donker bos hadden gegooid en nu bezig waren de poten van haar bed door te zagen om haar te kunnen pakken en vernietigen…”. Ze leest ook “De Christenreize” van John Bunyan: “… Ze voelde in haar botten de verlammende last die de man torste toen hij wegzakte in de poel Moedeloosheid, ze volgde zijn reizen door de wildernis en het dal der Schaduwen des Doods, zijn ontmoetingen met de reus Wanhoop en de duivel Apollyon…”. Ze gaat naar de Bijbelles voor kinderen van de plaatselijke kerk, maar de lieve, wattige, zachte, zoete plaatjes en versjes over Jezus spreken haar net zomin aan als mij (zie mijn vorige blog). Ze probeert zich ‘zondig’ te voelen, maar “… haar geest wendde zich af, naar waar hij levend was…”.

 

Yggdrasil

Het tengere kind leest over de boom Yggdrasil, de Wereld-es die midden in een stenen bol door de leegte suist. De boom eet (licht) en wordt gegeten, voedt zichzelf en anderen. Byatt doet “Het verborgen leven van bomen” van Peter Wohlleben nog eens dunnetjes over. De boom is gigantisch. Tussen zijn bladeren huizen andere verhalen. In de kroon staat een adelaar, Hraesvelgr, ‘vleeszwelger’, die zingt over verleden, heden en toekomst. Als zijn vleugels klapwieken, waaien de winden, huilen de stormen. Op de enorme takken grazen vier edelherten, Daínn, Dvalinn, Dúneyrr en Duraprór, en een geit, Heidrún. Haar uier gevuld met mede. Een beweeglijke zwarte eekhoorn, Ratatöskr,‘boor-tand’, schiet van de top naar de wortel en terug om boosaardige berichten over te brengen van de vogel in de kruin naar de waakzame draak die, verstrengeld met een broedsel kronkelende slangen, om de wortels gekruld ligt waar hij aan knaagt: Nidhøggr. “… Aan de voet was een zwarte, onmetelijke bron, met donkere wateren die, als men ervan dronk, wijsheid of althans inzicht schonken. Bij de rand ervan zaten de schikgodinnen, de Nornen, die misschien wel uit Jotunheim waren gekomen. Urd zag het verleden, Werdandi zag het heden en Sluld tuurde in de toekomst. De bron heette ook Urd. Deze zusters waren spinsters, die de draden van het lot verstrengelden. Ze waren de verzorgsters en de behoedsters van de Boom. Ze hielden de boom nat met het zwarte bronwater. Als voedsel gaven ze hem zuiver wit leem, ‘aurr’. Zo verzwakte of kromp hij van tijd tot tijd. En zo werd hij altijd vernieuwd…”.

 

Rándrasill

In zee woont de tegenhanger van de wereldes, een monsterlijke reuzenkelp, Rándrasill, de zeeboom, die met een enorme snelheid groeit. De boom wordt begraasd door ronddwalende slakken, sponsen, zeeanemonen, krabben, garnalen, zeesterren, langoesten, zeekomkommers, vlokkreeftjes, zeepokken, manteldieren en borstelwormen. Allemaal eten ze van het hout en voeden de plant met hun uitwerpselen en afval. Zeeduivels, draakvissen, schildpadden, zalmen, haaien, inktvissen, walvissen, dolfijnen, zeeotters, scholen haringen en tonijn zoeven door het zeewoud (zie: “Vrij spel” van Richard Powers). Aan de voet van de zeeboom lopen spleten en schachten waar stoom en klodders gesmolten steen uit het hete middelpunt van de aarde naar boven kolken. Hier huizen de gastvrije, welwillende zeereus Aegir en zijn gevaarlijke, onvoorspelbare vrouw Rán (twee kanten van de zee) met haar beruchte net waarmee ze schone zeelieden vangt  om naar haar onderwaterpaleis te slepen. Ze hebben negen dochters (golven).

 

Ginnugagap

In de stenen kerk luistert het meisje naar het verhaal over de schepping: “… Het tengere kind kende genoeg sprookjes om te weten dat in een verhaal een verbod alleen maar dient om overtreden te worden. De eerste mensen waren gedoemd om van de appel te eten. Het lot was geworpen…”. Het tengere kind kan met niemand in het verhaal meevoelen, behalve met de slang misschien, “… die er niet om gevraagd had als verleider gebruikt te worden. De slang wilde gewoon door de takken kronkelen…”. Ook Byatt vertelt over het begin in de Edda (zie Miskotte), toen er alleen maar lege ruimte was, ‘Ginnungagap’, een schitterend woord dat het tengere kind steeds in zichzelf herhaalt. “… In het noorden lag Nilfheim, nevelwereld, waar het koud en nat was, en waar twaalf wilde, ijzige waterstromen bulderden. In het zuiden lag Muspelheim, waar het heet was, en waar vuur zengde en rookte…”. In  de stomende chaos die ontstaat als door de hitte uit Muspelhein de aanrollende ijsbergen uit Nilfheim smelten, duikt de reus Ymir of Augelmir, ‘kokende klei’ of ‘zandbruller’, op. Hij is de vader van de Hrimthursen, de rijpreuzen, die uit zijn omvang, zijn oksels en zijn naar elkaar toebuigende tenen ontstaan. Ymir voedt zich met de melk van een enorme koe die met haar hete tong nog een reus uit het ijs likt: Buri. De laatste brengt Bor voort die ergens een reuzin vindt die Bestla heet. Ze krijgen drie zonen: Odin, Willi en Wij. De eerste goden. “… Die drie gingen Ymir te lijf, maakten hem af en scheurden zijn lichaam in stukken…”. De nieuwe goden hakken en lachen. “… Ze hadden geen gezicht, het waren geen personen, die drie goden, ze bewogen zich als rennende zwarte schaduwen, als rattenmannen, stekend en speurend…”. Het bloed spuit  in het rond. Het is niet te stelpen. Alles komt om in bloed. “… Er stond een verhaal in het Asgard-boek waar het tengere kind niet van hield, over een reus, Bergelmir, die een boot bouwde en de overstroming overleefde, en de voorvader werd van de andere reuzen. Ze hield niet van het verhaal omdat de Duitse schrijver zei dat het misschien wel een echo was van het verhaal van Noach en de zondvloed. Ze wilde niet dat dit verhaal erbij hoorde…”.

 

De Regel van Drie

Byatt vertelt hoe de goden van de dode reus de wereld maken (zie mijn vorige blog). Midgard, de Tuin van Middenaarde. Omringd door de zee van bloed, met in het hart het huis van de goden die zichzelf Asen noemen: Asgard. En buiten de aarde Utgard, waarin allerlei gruwelijks rondsluipt en verscholen zit. De geschapen wereld bevindt zich in de schedel van het lijk en de wolven in het brein zitten de gepersonaliseerde zon (Sol) en maan (Mani) op de hielen. Met open bek. Happend. Rennend door de leegte. In Asgard maken de goden gouden gereedschap en wapens, gouden potten en bekers, gouden figuren om mee te dammen en te schaken, want goud is er in overvloed. Ze maken ook de dwergen en trollen, de zwartalven en de lichtalven. Drie goden maken bijna terloops, voor hun plezier of vermaak, het mensenpaar Ask en Embla, uit twee levenloze stukken hout die ze aan de zeekust vinden. De bosman en bosvrouw. “… Odin gaf ze gedachten, Hönir gaf ze geest en de heethoofdige Loki gaf ze bloed en kleur…”. Eerder in het verhaal heet Loki nog Lodur: met Loki weet je het maar nooit. “… Er waren er altijd drie, dat hoorde zo in verhalen, zowel in mythes als sprookjes. Dat was de Regel van Drie. In het christelijke verhaal zijn de drie de boze grootvader, de gefolterde goede man en de klapwiekende vogel…”. Het tengere kind struint met haar tas vol boeken waaraan een gasmasker hangt door de velden, zoals Christen met zijn (zonden-)last. Ze gelooft niet in de goden van Asgard, maar ook niet in de God van de Bijbel: “… Bunyan zou een gruwelijke straf voor haar bedacht hebben, een glibberige glijvlucht naar een ketel kokend vet, een geklauwde duivel die haar weg zou dragen over de boomkruinen van de bossen…”.

 

De Wilde Jacht

Odin, de oppergod, woont in Walhalla, de hal van de gesneuvelden, de ‘Einherjar’, die op het moment van hun dood door de rondzwervende schildmaagden, de Walkuren, van het slagveld meegenomen worden: “… Ze hadden geleefd voor de strijd. De strijd was hun eeuwige roeping…”. Ze doen zich in Valhöll te goed aan het geroosterde vlees van het everzwijn Sährimner, dat, nadat zijn botten afgekloven zijn en zijn bloed opgeslobberd is, weer tot leven wordt gewekt, snuivend en wel, zodat het opnieuw geslacht en opgegeten kan worden, de ene lange dag na de andere. Odin is een duistere, gevaarlijke god. “… Hij was een gehavende god, een eenogige god die met het andere oog had betaald voor de magische kennis die hij uit de bron van Urd had gedronken, waarin het afgehouwen hoofd van de Jotun, Mimir, geschiedenissen, verhalen, toverformules en runenspreuken vertelde. Odin was een god die zich schuilhield, vermomd als een oude man in een grijze mantel, met een hoed over zijn lege oogkas getrokken…”. Hij vernietigt je als je het verkeerde antwoord geeft op zijn raadselachtige vragen. In zijn hand heeft hij een met runen versierde speer: Gungnir. Als hij door koning Geirod gevangen wordt genomen, zit hij acht dagen en nachten zonder eten en drinken geboeid en somber tussen twee schroeiende vuren. Dan begint hij een lied over Asgard te zingen en maakt zich bekend. De koning valt prompt in zijn eigen zwaard. Odin is een gemartelde god (evenals Jezus). Dat heeft hem sterk, wijs en gevaarlijk gemaakt. Hij is een onvoorspelbare god die mannen als offer aanvaardt in de vorm van ‘bloed-adelaars’, aan boomstammen gebonden, met hun longen tussen hun ribben naar buiten getrokken. Hij is de god van de Wilde Jacht. Hij galoppeert op zijn achtbenige paard Sleipnir met zijn Wilde Heir van jagers en spookachtige mannen langs de hemel. Het tengere kind vermengt het donderend geraas van Odin en zijn metgezellen met het geluid van propellers in de lucht en inslaande bommen en granaten: “… Overdag de kleurige velden. ’s Nachts verdoemenis dreunend in de lucht…”.

 

Loki

Als enige onder de goden kan de onbetrouwbare, ongrijpbare Loki, Odins pleegbroer, verschillende gedaanten aannemen: hij is het een nog het ander. Als enige heeft hij humor. Hij is de eeuwige buitenstaander. Hij is een ‘lastige vlieg’. Een bedrieger. Hij woont nergens en overal. Zijn behoeften zijn buitensporig. Hij kan van geslacht veranderen. Christelijke schrijvers vereenzelvigen hem met Lucifer, de lichtdrager, de gevallen Morgenster, de tegenstander. Hij is mooi, maar zijn schoonheid is moeilijk vast te leggen: hij schittert, flakkert, versmelt met zijn omgeving. De goden hebben hem nodig omdat hij slim is en problemen oplost. Maar meestal wordt alles alleen maar erger. Hij helpt van de wal in de sloot. In sprookjes en folklore is hij steevast de belangrijkste speler. In het Ertswoud, een duivels oord bewoond door wezens die half beest, half mens zijn, half god, half demon, bevrucht Loki de reuzin Sigyn, met haar woeste gezicht, haar wolvenpels, haar klauwen en scherpe tanden, de brengster van angst. Ze baart drie kinderen: een wolvenwelp, een soepele slang en een half zwart, half blauw meisje met ogen als teerputten die geen enkel licht weerkaatsen: “… Het waren prachtige kleuren, als het laatste blauw van de lucht dat overvloeit naar het donker van de komende nacht. Het waren afschuwelijke kleuren, de kleur van blauwe plekken op mishandeld of stervend vlees…”. Loki is dol op ze: “… Hij gaf ze te eten en sloeg ze gade terwijl ze groeiden. Wie wist waartoe ze in staat zouden blijken? Ze groeiden en groeiden…”.

 

Het uur van de wolf

Odin 'weet' dat de drie monsters gevaarlijk kunnen worden en laat ze ophalen. De kleine slang, Jörmangandr, werpt hij de ruimte in. Ze plonst in zee en verdwijnt uit zicht. Meisje Hel werpt hij richting Nilfheim. Ze suist als een speer naar Helheim, het dodenrijk, waar ze heerst over de ontelbare schimmen die als onstoffelijke vleermuizen, zwakjes fluitend, rond haar heen tollen. De welp Fenrir wordt meegenomen door de god Tyr, een jager en vechter, gekleed in een wolvenvacht waarvan de wolvenkop over zijn hoofd hangt. Wolven zijn sterk aanwezig in de wouden van de geest: “… de onvermoeibare, op zachte voetkussentjes voortlopende beesten zijn onzichtbaar, maar altijd aanwezig in de gedachten. De ruige vacht, de tanden, het bloed…”. Mensen hebben respect voor wolven, “… voor de hechtheid en de warmte van de roedel, voor het slimme jagen, de roep en het grommen, die berichten vanuit de keel…”. Fenrir  doodt voor zijn genoegen, wat Tyr aan jeugdige speelsheid toeschrijft. “… Tyr bracht hem varkensvlees en dode ganzen om hem te paaien en zijn vertrouwen te winnen, Fenrir vrat, huilde en doodde…”. Hij groeit uit tot een kolossaal beest. De goden besluiten op een gegeven moment het gevaarlijke dier te ketenen. Tot twee keer toe weten ze hem in ijzeren boeien te slaan door te doen alsof het om een spelletje gaat, maar Fenrir verbrijzelt zijn kluisters alsof het niks is. Daarop gaan ze naar de dwergen die een onbreekbaar lint maken van “… de voetstappen van een kat, de baard van een vrouw, de wortels van een berg, de pezen van een beer, de adem van een vis en het speeksel van een vogel…”. Als ze ermee bij Fenrir aan komen zetten, vertrouwt de wolf de zaak niet. Hij zegt dat hij alleen mee wil spelen als iemand zijn hand in zijn bek steekt. Tyr, de jager, durft dat wel aan. De wolf weet zich niet van het koord te bevrijden, bijt Tyrs’ hand af en wordt vastgebonden aan een grote steen. De goden lachen zich gek. Zetten een zwaard tussen zijn geopende kaken zodat hij ze niet dicht kan klappen. Terwijl het dier kronkelt van de pijn ontspringt er een rivier uit zijn bek. “… Die rivier heet Hoop. Hoop waarop?...”. Odin ‘weet’ dat de wolf in het einde van de tijden losgemaakt zal worden om zich bij zijn verwanten aan te sluiten: “… de tijd van de wolf zal komen…”. Zie Openbaring 20. Armageddon. “… Angstig las het tengere kind in oorlogstijd de profetie dat er nog een andere machtige wolf zou komen, Noongarm, die zich zou laven aan het levensbloed van iedereen die stierf, die hemellichamen zou verzwelgen en de hemel en de hele lucht met bloed zou bespatten. Daardoor zouden de warmte en het licht van de zon worden tegengehouden en verstoord, en er zouden hevige stormen opsteken die overal zouden woeden en wouden, menselijke nederzettingen, velden en vlakten zouden verwoesten. Kusten zouden worden gegeseld totdat ze afbrokkelden en de stabiele orde der dingen zou schudden op zijn grondbesten…” (zie ook: Frank Schätzing - “De Zwerm”).

 

Jörmangandr

Als Thor op een zeker moment in een bootje met een rijpneus zit te vissen, gebruiken ze als aas een gehoornde stierenkop, waar de al maar doorgroeiende zeeslang Jörmangandr in bijt. Een hevig gevecht volgt. Thor gooit zijn hamer naar haar kop als ze uit zee oprijst. De pijn van een bliksemschicht die haar treft, maakt haar woedend. De rijpreus snijdt met een groot jachtmes de vislijn door, waarop Thor hem overboord slaat en naar het strand waadt. De zeeslang weet de haak op te hoesten en blijft maar vreten en groeien. Ze wordt zo lang als de diameter van de aarde. Als ze op een dag een aarzelende, logge, spasmodisch bewegende gestalte opmerkt die ze aanziet voor een walvis hapt ze toe. De pijn is ondraaglijk en trekt de hele wereld rond: ze heeft in haar eigen staart gebeten.

 

Het begin van het einde

Het beroemdste  verhaal gaat over de godin Frigg die alles en iedereen laat zweren haar prachtige, blonde, sympathieke godenzoon Baldur geen kwaad te doen. Ze heeft het nodige gezag. Er wordt zwijgend toegestemd. “… Het tengere kind wist dat de belofte geen stand kon houden. Ergens moest iets over het hoofd gezien zijn, moest iets vergeten zijn. Verhalen zijn onherroepelijk. In elk verhaal moet er in dit stadium iets verkeerd gaan, spaak lopen, hoe de afloop ook zal zijn…”. Op een zeker moment spelen de goden het leukste spel ever. Ze bekogelen Balder met alles wat ze kunnen vinden, stokken, staven, stenen, vuistbijlen, messen, dolken, speren, zelfs de donderhamer van Thor, en kijken opgetogen toe hoe die dingen sierlijk zwenkend als onschadelijke boemerangs terugkeren naar de werpers. Dan komt er een archetypische oude vrouw naar het paleis van Frigg. Natuurlijk is het Loki, de gedaanteverwisselaar, die golven van betovering uitstraalt. Ze praten over het gejoel en geschreeuw buiten. Frigg vertelt hoe alles en iedereen heeft beloofd haar zoon te ontzien. “… ‘Alles?’ vroeg de oude vrouw. “Ach, ik zag nog een jonge scheut aan een boom ten westen van Walhalla. Een maretak heet zo’n ding. Ik was er al voorbij toen ik hem zag en hij leefde nauwelijks, hij was krachteloos, te jong om een belofte te doen…”. Even verder: “… En toch, dacht het tengere kind, moet ze zich op zekere hoogte wel zorgen hebben gemaakt, want waarom zou ze anders dat onbetekenende plantje onthouden hebben?...”. Loki weet genoeg. Ineens is de oude vrouw weg. Frigg kan haar ogen bijna niet open houden van vermoeidheid, misschien is het oudje er wel nooit geweest. Loki gaat op zoek naar de maretak, trekt het spul voorzichtig los van de boom, draait het plakkerige groen in de vorm van een spies die hij streng toespreekt en stapt snel en geruisloos de drom goden in. Een eindje bij de anderen vandaan staat Hödur, de blinde, donkere tweelingbroer van Baldur. ‘Waarom doe je niet mee?’, vraagt Loki. ‘Ik heb geen wapen’, antwoordt Hödur. Nou, Loki heeft toevallig een glanzende, vorstelijke speer: hij zal Hödur wel een handje helpen. En dus werpt Hödur de maretakspeer naar Baldur, die dwars door zijn borst gaat, waarna hij ineen stort. Een hele tijd staan de goden verdoofd te kijken. Dan stijgt er een geweeklaag op zoals de aarde nog nooit heeft gehoord. Goden horen niet te sterven. Baldurs lichaam wordt naar de kust gedragen en in een reusachtig drakenschip gelegd. Men laadt de boot vol met bergen kostbaarheden, voedsel, wijn in verzegelde vaten, zijn geliefde paard en stapels takkenbossen om de dode te verbranden. Als Baldurs vrouw Nanna over de dood van haar man verneemt, zijgt ook zij ter aarde en sterft. Ze wordt naast haar man in het drakenschip gelegd. Het schip is zo zwaar geladen dat de goden het niet voor elkaar krijgen het gevaarte naar zee te rollen. Men gaat een vrouw halen die zo sterk is dat ze bergen uit de grond kan rukken om ergens anders neer te zetten. Voor haar is het een peulenschilletje. Thor heft zijn hamer in de lucht en laat donder en bliksem neerdalen om de boot  in brand te steken. Terwijl de vlammen laaien en loeien vaart het spookschip met zijn verschrikkelijke vracht weg over het water. Het is het begin van het einde.

 

De vijand

Frigg is ontroostbaar en vraagt wie er naar Hel wil gaan om haar dode zoon Balder terug te halen. De bode Hermodur biedt zich aan. Odin geeft hem zijn achtbenige paard Sleipnir mee. In het dodenrijk krijgt Hermodur te horen dat Baldur naar de wereld van de levenden terug mag keren als alles en iedereen tranen om hem vergiet. Liefde heeft hem niet kunnen redden, misschien kan verdriet dat. “… Toen stuurden de Asen boodschappers uit, jonge goden en wijze vogels, ruiters en lopers, met één boodschap voor het hele web van Midgard, levend en levenloos, warmbloedig, koudbloedig, sap en steen: dat ze moesten huilen om Baldur te bevrijden…”. Alles begint te druipen, wordt vochtig en nat. Tot een ijverige boodschapper iets of iemand aantreft in een donker, droog, rotsachtig, bedompt hol middenin een zwarte woestijn, die zich Thöck noemt, en weigert om voor Baldur te wenen: “… Levend noch dood had ik lol aan die vent / Houde Hel wat zij heeft!...”. Prompt is de lente van de wereld voorbij. In het hart van alles heerst een soort lusteloosheid. De goden besluiten dat Thöck Loki in vermomming moet zijn. Ze verwijten Loki wat hij heeft gedaan. En ook allerlei dingen waarin hij niet de hand heeft gehad: “… Baldurs boze dromen, het grillige weer, te veel nattigheid, te veel hitte, donkere dagen, te veel wind. Hij was een vijand en ze besloten dat hij dé vijand was. Ze zouden wraak nemen. Daar waren ze goed in, in wraak nemen…”.

 

Ragnarök

Een groep goden trekt met hun vliegende paarden en hun door bokken en zelfs katten getrokken wagens naar het huis van Loki om hem gevangen te nemen. Loki verandert zich in een zalm, maar ze weten hem met een nagemaakt exemplaar van nota bene zijn eigen visnet, te vangen. Het woord voor goden is ook het woord voor boeien. Loki wordt vastgenageld aan een rots waarboven een kooi met een gif spuwende reuzenslang is gezet, zodat het goedje constant op hem neer druppelt, ware het niet dat zijn vrouw het gif opvangt in een enorme schaal. Af en toe moet ze de schaal legen en kronkelt de gevangene in zijn boeien, wat door de mensen gevoeld wordt als een aardbeving. Dan breekt de Fimbulwinter aan, de winter die drie jaar duurt. De mensen worden rovers. Uiteindelijk is er niets meer en eten ze elkáár op.  “… Windtijd, wolftijd! Eer de wereld vergaat…”. Het goud in Asgard wordt dof. Yggdrasil verliest zijn bladeren. Zijn takken breken af. De eekhoorn klappertandt van angst. De herten laten hun kop hangen. Onder het ijs begint de aarde te zieden. Vulkanen spuwen lava. Spuiten gloeiende sintels en stenen in het rond. Alles zit onder het roet. De kluisters vallen van Loki, de bedrieger, af. De magische ketting van Fenrir verschrompelt. Sutr, de zwarte, meester van Muspelheim, roept de vuurreuzen op en zwaait met zijn withete zwaard. Brullend gaan ze op het slagveld dat Vigrid heet af. Ten oorlog! Heimdall de heraut blaast op zijn grote hoorn, Giallarhorn. De goden en Einherjar staan op en bewapenen zich. De bron van Urd begint te koken. Een spookschip in de kleur van doodsbeenderen, lijkachtig grauw, gemaakt van de doorgroeiende nagels van de doden, kiest zee: Naglfar. Het stormt voorwaarts in een wolk gloeiende stoom. De aardkorst ziedt en spuwt. De zee danst als een waanzinnige. Geisers spuiten op. De staart van Jörmungander zwiept door het water waardoor tsunami’s de kusten overspoelen. Het gif uit haar bek zet de toppen van de golven in brand. Garm, de hellehond verbreekt zijn ketting en springt zijn wolvenfamilie tegemoet, om de zon en de maan aan te vallen en op te slokken. De sterren storten neer op de brandende, kokende aarde. Fenrir grijpt Odin, verbrijzelt hem, en vreet hem op. Thor vermorzelt de kop van de slang, maar haar gif wordt zijn dood. Iedereen hakt op elkaar in. Tot ze allemaal dood zijn. Echt állemaal. De woonstede van de goden stort in de vuurzee. Het duurt lang, maar uiteindelijk dooft het vuur, en is er niets meer. Alles gaat op zwart.

 

Het numineuze

Mythen koersen op rampspoed en misschien wederopstanding af. Byatt: “… Mythen zijn vaak onbevredigend (in tegenstelling tot sprookjes), zelfs tergend. Ze brengen de lezer in verwarring en laten hem niet los. In ons hoofd geven ze vorm aan de wereld, en dat doen ze niet om een prettig beeld te creëren, maar om ons met het onbevattelijke te confronteren…”. Het is toch op z’n minst verwonderlijk dat inmiddels bijna alle wetenschappers ervan overtuigd zijn dat we onze eigen soort en onze wereld steeds verder naar de ondergang voeren…

 

Uitgave: Orlando – 2023 (eerste druk 2011), vertaling Gerda Baadman en Marian Lameris, 192 blz., ISBN 978 908 329 384 4, € 22,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten