zaterdag 19 september 2026

De meester en zijn afgezant - Ianin McGilchrist

 


Subtitel: De twee hersenhelften en de ontwikkeling van de westerse wereld

 

De vraag stellen, is hem beantwoorden. Een tijdje geleden beschreef ik in een blog naar aanleiding van “Inferno” van Arnold Huijgen, hoe in een loods vol tweedehands boeken, de sufheid van de afdeling theologie mij overmande. Hoe kan het dat wat zou moeten tintelen van inspiratie nog het best te omschrijven valt met het modewoord ‘boring’? Wáár is het kippenvel van het ‘mysterium tremendum et fascinans’ gebleven? De Schotse auteur, psychiater, filosoof en voormalig literatuurwetenschapper Ianin McGilchrist (1953) legt het als geen ander uit. Ineens kwam ik hem overal tegen: in kranten en podcasts, op videokanalen en Substack.

 

De tovenaarsleerling

McGilchrist baseert zijn verklaring op uitgebreid hersenonderzoek naar de verschillen tussen de rechter- en linkerhersenhelft. Beide hemisferen werken nauw samen, maar ervaren de wereld op een totaal verschillende manier. De ‘talige’ linkerhersenhelft  (de afgezant) focust op details en controle, denkt dogmatisch, instrumenteel en abstract, neigt naar eigenbelang en dominantie, ziet geen context en slaat alles plat. De ‘stille’ rechterhersenhelft (de meester) daarentegen beschouwt het geheel, denkt holistisch, richt zich op alles wat ‘nieuw’ en ‘anders’ is en legt de nadruk op flexibiliteit. Deze helft toont gevoel voor harmonie en schoonheid, is wijs en empathisch en heeft respect en ontzag voor wat ons overstijgt. McGilchrist stelt, à la Nietzsche, dat de linkerhersenhelft, ondanks zijn beperkte begrip van de werkelijkheid, weliswaar een geweldige dienaar is, maar een slechte meester (in “Nirwana” van Tommy Wieringa oppert Beth steeds dat ‘vuur’ een goede dienaar is, maar een slechte meester). De kracht van de linkerhersenhelft krijgt anno 2026 steeds meer de overhand – met alle rampzalige gevolgen van dien. Volgens McGilchrist is de afgezant niet langer in dienst van de meester: hij heeft zelf de macht gegrepen. Zie ook de ballade “Der Zauberlehrling” (De tovenaarsleerling) van Goethe, waarop Walt Disney de tekenfilm ‘Fantasia’ baseerde, met Mickey Mouse als de tovenaarsleerling. McGilchrist beschrijft zijn visie zo uitgebreid in zijn dikke pil van 700 bladzijden dat hij nogal eens in herhaling valt. Het voordeel daarvan is dat je het boek, als je het eenmaal uit hebt, niet nog eens hoeft te lezen: zijn theorie zit voor altijd in je hoofd gestampt en je ontwaart die in de praktijk overal om je heen. Je kunt het nooit meer níét zien.

 

'Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust'

Het eerste deel legt de biologie van de twee hersenhelften uit. De linkerhelft heeft iets ‘autistisch’. In een prachtig interview in Trouw (22-01-2026) zegt McGilchrist: “… Voor mensen die een beroerte hebben gehad in de rechterhelft kan het moeilijk zijn om ironie en metaforen te begrijpen. Alles wordt letterlijk. Als ik een lezing geef en zeg: ‘Wat is het hier warm’, dan is dat voor de linkerhelft een feitelijke mededeling. De rechterhelft begrijpt dat ik eigenlijk vraag of er een raampje open kan. Patiënten met schade in de linkerhelft daarentegen bezien de werkelijkheid in beginsel niet anders dan mensen zonder schade. Wel kunnen ze bijvoorbeeld ineens grote moeite hebben met het gebruiken van bepaalde gereedschappen – het ‘grijpen’ en manipuleren waar de linkerhelft goed in is…”. Bij mensen met een beschadigde rechterhersenhelft verdwijnt de linkerhelft van de wereld uit het bewustzijn. Ze eten bijvoorbeeld alleen de rechterhelft van hun bord leeg. Wanneer iemand hun bord een halve slag draait, eten ze pas de rest op. McGilchrist beschrijft hoe een patiënt aan zijn verpleegkundige vraagt of ze ‘die vervelende arm links in bed’ wil weghalen. Die arm is immers niet van hem.

 

These + antithese = synthese

De linkerhelft zweert bij theorie en bureaucratie. Ze creëert een onbezielde, mechanische, bekrompen, rationele ‘hokjeswereld’ en classificeert. Ze blijkt (ongezond) optimistisch en een ‘trickster’: ze fabuleert binnen no time de meest onzinnige verklaringen bij elkaar voor dingen die ze niet snapt. Ze manipuleert, streeft naar macht en is blind voor het transcendente. Ze wordt kwaad en agressief als het niet gaat zoals ze wil en zal altijd anderen de schuld geven. De ‘manie’ hoort bij de linkerhersenhelft, de ‘depressie’ bij de rechterhersenhelft. De schreeuwerige linkerhersenhelft staat voor de verdeelde of-of-wereld. De rustige, ontvankelijke, tolerante rechterhersenhelft staat voor de en-en-mentaliteit – voor heelheid. Ze is in staat tot verwondering. Wat de rechterhersenhelft begrijpt, is onbegrijpelijk voor de egoïstische, rechtlijnige, eenzijdige linkerhersenhelft. Wanneer de mentale gerichtheid van de linkerhersenhelft echter op een goede manier wordt geïntegreerd in die van de rechterhersenhelft, vindt er een verheffing van het bewustzijn plaats: these + antithese = synthese. Tegenstellingen creëren iets nieuws. Oorlog is de vader van alle dingen (Heraclitus).

 

Prometheus

In het tweede deel neemt McGilchrist de lezer mee op een fascinerende reis door de geschiedenis van de westerse cultuur, waarbij hij de spanning tussen de twee hersenhelftwerelden illustreert aan de hand van het denken en de overtuigingen van filosofen en kunstenaars, van de oudheid tot de moderne tijd. Vanaf de vierde eeuw v.Chr. veranderde de abstracte, stereotiepe en uitdrukkingsloze blik van de Egyptische portretten in de veel meer geïndividualiseerde, gevarieerde, emotioneel expressieve en empathische portretkunst van de Grieken. Rond deze periode maakte de rechterhersenhelft dan ook een snelle ontwikkeling door. In de Griekse tragedie zien we voor het eerst in de westerse geschiedenis de kracht van empathie. In het domein van de mythe vind je geen gewone, maar een hogere waarheid. Een soort heilige dramatiek. In Athene ontstond de Prometheuscultus. Hij stal het vuur uit de hemel om het aan de mensen te schenken. In de terminologie van McGilchrist: “… de afgezant eigent zichzelf de macht van de Meester toe…”. Bij de Romeinen werd de linkerhersenhelft weer dominant. Zie de abstracte portretten, de verstarde gelaatstrekken en de marionetachtige, gefixeerde figuren, weergegeven volgens een formuleachtig, stereotiep patroon. In de middeleeuwen dook de rechterhersenhelft onder: zie bijvoorbeeld de onzinnige scholastieke discussies over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen dansen. Tijdens de renaissance kwam ze weer boven. Het lijkt een golfbeweging.

 

Het vlees is woord geworden

Reformatie en Verlichting gleden wederom af naar de linkerhersenhelft, die zweert bij ‘macht’. Het was een periode van heiligschennis en aantasting van het sacrale. Al het mysterieuze en wonderbaarlijke moest de deur uit. De nadruk kwam op 'het Woord' te liggen. De Reformatie perste de theologie in een keurslijf van formalistisch, letterlijk denken. Met een parafrase op ‘Het Woord is vlees geworden’: ‘het vlees werd woord’. Maar woorden doden de dingen; ze maken het ongewone alledaags. Het religieuze gevoel is enkel te vangen in metaforen. Opvallend is dat de calvinisten (analoog aan de linkerhersenhelft) geen enkele boodschap aan het traditionele verleden hadden: niets mocht er zelfs maar aan herinneren. De afbeelding van het lichaam van Christus en zijn fysieke lijdensweg wekte weerzin op. Zie de Beeldenstorm. Erasmus beschreef het fanatisme van die tijd als volgt: “… Na het horen van de preek zag ik hen terugkeren alsof ze bezeten waren door een kwade geest. Op ieder gelaat was merkwaardige toorn en wreedheid af te lezen…”. Soms werden de heiligenbeelden naar het dorpsplein gesleept en door de stadsbeul onthoofd. Dergelijke zaken lijken op een voorafschaduwing van de koningsmoord tijdens de Franse Revolutie. Onthoofding staat symbool voor castratie. De Franse en Amerikaanse Revolutie waren een erfenis van de Verlichting. In naam van de linkerhersenhelftversie van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ werd alles afgebroken wat niet strookte met dit concept. De chaos eindigde in een bloedbad. Fragmentatie is een basiskenmerk van de linkerhersenhelft. Vernieling, verminking en versnippering bleven krachtige elementen in de revolutionaire ideologie, tot aan de dood van Robespierre in 1794 en zelfs nog daarna. De linkerhersenhelft verloochent de fysieke wereld ten faveure van een papieren dan wel virtuele werkelijkheid. Zie Descartes, die niet geloofde dat dieren pijn konden voelen. Bij gebrek aan rechterhersenhelftwaarden wordt een samenleving afhankelijk van rigide bureaucratische regels die het volk controleren, beteugelen, inperken, ontzenuwen, onderdrukken, uitblussen en verdoven.

 

Het Andere

McGilchrist duidt de opleving van de Romantiek als heimwee van protestanten naar het katholicisme. De ontzieling en vervreemding eisten hun tol. Het werk van de romantische schilders vertoont diepte, zowel in ruimte als in tijd. Ze vieren licht en kleur. Sommigen spreken over de ‘muziek’ van een schilderij. De romantici verlangden naar verbinding met iets wat groter was dan henzelf. Het ging hun om een gevoelsmatige relatie met het Andere. De voorliefde voor wat slechts gedeeltelijk waar te nemen was, speelt op: halfduister, maneschijn, muziek in de verte. Indirect wordt inzicht bereikt; langs verborgen paden. De uil van Minerva, godin van de wijsheid, vliegt in het schemerlicht.

 

Wetenschap als religie

De eerste reformatie behelsde die van het woord. De tweede reformatie behelsde die van het materialisme, dat draait om de ontkenning van het (kwetsbare) goddelijke en de verheerlijking van de materie. De wetenschap werd de nieuwe religie. De aanval van de linkerhersenhelft openbaart zich in de industriële revolutie. Alles gaat draaien om maakbaarheid, meetbaarheid, procedures en exploitatie. Virginia Woolf schrijft dat rond december 1910 het karakter van de mens veranderde. Het modernisme zorgde voor sociale desintegratie. Haar fragmentatie komt tot uiting in de abstracte kunst (zie ook: “Het Modernisme. De schok der vernieuwing” van Peter Gay). De ontheemde geest leeft een abstract en virtueel bestaan. Alle magie verdwijnt. Fascisme en stalinisme doemen op als facetten van het modernisme. Bizarre, schokkende, pijnlijke ideeën zijn pogingen om de verdoofde, geïsoleerde en ontmenselijkte status van het (post)modernisme te doorbreken. Schokbehandelingen om tenminste nog wát te voelen. De resonantie ontbreekt. Niets spreekt de moderne mens nog aan. Er is geen wereld meer die ‘anders’ is dan hijzelf. Dat maakt het bestaan bijzonder vervelend (zie “De avonden” van Gerard Reve). De geestelijke leegte mondt uit in sensatiezucht. Men gaat op zoek naar (goedkope) prikkels. Typisch moderne geestesziekten ontwikkelen zich: meervoudige persoonlijkheidsstoornissen, schizofrenie, anorexia, borderline en autisme. Ze definiëren de eenzame, gefragmenteerde, onverschillige, angstige, lusteloze, passieve mens.

 

Een permanente staat van onvervuld verlangen

Welnu, de rechterhersenhelft gelooft wel maar weet niet. De linkerhersenhelft weet wel maar gelooft niet. Wat gebeurt er als de meester wordt verraden? Opgeschroefde techniek floreert in de onpersoonlijke, machinale, bureaucratische, onttoverde, manipulerende linkerhersenhelftwereld. Uitbuiting komt in de plaats van samenwerking. Paranoia en wantrouwen zal de overheersende houding worden binnen de samenleving, waar de overheid volledige controle over wil (zie een film als "Das Leben der Anderen"). Individuen worden inwisselbare onderdelen van het systeem. De dood wordt taboe. Seks zal overal en altijd aanwezig zijn. Woede en agressie, starheid en onverdraagzaamheid zullen toenemen, terwijl het gezonde verstand verdwijnt omdat ze berust op de samenwerking van de twee hersenhelften. De helicopterview wordt verruild voor wensdenken. Klinkt dat allemaal niet verontrustend herkenbaar? Misschien zal de welvaart toenemen, maar materieel welzijn heeft weinig tot niets te maken met geluk. Britten bleken in de jaren vijftig gelukkiger dan nu, ondanks het feit dat ze drie keer zo rijk zijn geworden. “… De hedonistische tredmolen zorgt ervoor dat moderne consumenten zich overal in een ‘permanente staat van onvervuld verlangen’ bevinden…”. Het leven blijkt “… een voortgang van behoefte naar behoefte, niet van plezier naar plezier…”. Bij vrouwen is de grootste daling in gelukgevoelens te zien, en de grootste toename van depressie, suïcidale gedachten en zelfdoding, aldus McGilchrist. Wat maakt wél gelukkig? Op de eerste plaats de breedte en diepte van onze sociale relaties. “… ‘Sociale verbondenheid’ zorgt voor minder kans op verkoudheden, hartaanvallen, hersenbloedingen, kanker, depressie en vroegtijdig overlijden door allerlei oorzaken…”.

 

Het lichaam als machine

Het lijkt misschien dat we ons lichaam heden ten dage overwaarderen, maar dat doen we wel op de verkeerde manier, aldus McGilchrist. Het lichaam is een ‘ding’ geworden, een object, een machine voor plezier, een beetje zoals een sportauto met een geluidsinstallatie. Zie de bezetenheid met lichaamsoefeningen. Zie het narcisme waarmee wij ons lichaam boetseren tot hoe het in onze ogen moet zijn. Zie de pornowereld. Lichaam en ziel vormen geen eenheid meer. Het is frappant dat schizofrene personen zichzelf ook stelselmatig als machines ervaren: “…als robots, computers of camera’s. Soms beweren ze dat delen van hun lichaam vervangen zijn door metalen of elektronische voorwerpen…”. Het lichaam is ‘slechts’ materie, een ‘wandelende automaat’.

 

Daverende leegte

De vercommercialisering van de kunst gaat onverminderd door. De schoonheid wordt weggepoetst uit het verhaal van de kunst, “… als een publieke figuur die tijdens een wreed regime uit de gratie valt…”. Kunst wordt alleen nog vanuit machtsretoriek gelauwerd als ‘sterk’ of ‘uitdagend’, de enige retoriek die is toegestaan in onze verhouding met de wereld en met elkaar. Het is onfatsoenlijk geworden om te praten over ‘schoonheid’ of ‘bezieling’. De Reformisten vernietigden alle godsdienstige verering in metaforen, rituelen en andere kunstwerken. Ze ruilden deze in voor ideeën, theorieën en stellingnames. De kunst is evenzo te werk gegaan. Soms zijn de uitlegkaartjes naast een kunstwerk nog groter dan het kunstwerk zelf. Het leverde een kunst op van daverende leegte die we mogen opvullen met onze eigen interpretaties.

 

Rechtlijnig

De linkerhersenhelft loopt, als een slaapwandelaar, altijd maar rechttoe rechtaan richting ‘de afgrond’, aldus McGilchrist. De linkerhersenhelft staat bekend om haar ‘lineaire werking’. “… Daar waar de linkerhersenhelft (echter) de boventoon voert, komen rechte lijnen veel voor. Dat was reeds zo in het Romeinse Rijk (met steden en wegen, aangelegd als rasters), tijdens het classicisme (in tegenstelling tot de barok, die veel hield van rondingen), tijdens de industriële revolutie (met de victoriaanse klemtoon op ornamenten en gotiek als een uiteindelijk nutteloze, nostalgische dekmantel voor de functionele wreedheid en onveranderlijkheid van rechtlijnige, machinaal voortgebrachte zaken), en het is te zien in de rastervormige omgeving van onze moderne steden, waar deze dekmantel werd weggelaten…”. Zie ook een uitdrukking als: ‘rechtlijnig in de leer’. Arnold Huijgen laat het gestaag en rücksichtslos doorgaan op dezelfde weg in “Inferno” eveneens eindigen in ‘de hel’. “… Hoe het ook zij, de linkerhersenhelft houdt van rechte lijnen, niet van curven of cirkels…”. In de wereld van de natuur zijn er echter geen rechte lijnen. Een context is circulair en concentrisch, niet lineair.

 

Het leven is rond

Tegenover de rechtlijnigheid staat de cirkel, met zijn ‘heil’ dan wel ‘heelheid’. McGilchrist komt met een groot aantal voorbeelden die mij diep raken, omdat ik de ‘ziel’ altijd heb beschouwd als iets wat ik alleen kan omschrijven als een ‘gouden bal’, een ongrijpbare ‘inwendige zon’ waarin het ‘licht van God’ schijnt (natuurlijk zijn er geen woorden voor zoiets spiritueels). De cirkel roept een typische ‘omheen lopende’ beweging op; een beweging die we maken als we iets in zijn geheel en grondig willen bekijken. De toneelstukken van Shakespeare eindigen vaak met een ‘rondedans’. Hij heeft het over ons ‘kleine leven’ dat wordt ‘afgerond’ met een slaap. Dante beschouwt deze beweging als ‘het resultaat van de zwaartekracht van de liefde’. Zie de sterren die rondcirkelen en steeds weer terugkeren. Donne vergelijkt zijn liefde voor zijn minnares met de beweging van een passer rond zijn middelpunt – vooral als hij niet bij haar is –, net zoals God een ‘Cirkel van Schepselen’ rond zichzelf trekt. Rondheid en bolvormige beelden zijn een zaak van de rechterhersenhelft. Ze komen en gaan in de Romantiek. Shelley heeft het over de ‘bol’ van verdriet. Blake meent dat het idee van ‘energie’ (vitale levenskracht) bolvormig is. Wordsworth dicht over ‘de ronde aarde en de levende lucht’ die ‘rondrolt in de dagdagelijkse voortgang van de aarde’. Van Gogh ging zelfs zover om te zeggen dat ‘het leven waarschijnlijk rond is’. Jaspers: ‘jedes Dasein scheint in sich rund’ - elk ‘Dasein’ lijkt op zichzelf rond. Zie de uitspraak: ‘in mijn einde zit mijn begin, en in mijn begin mijn einde’. De dood is een poort naar het leven. Dit komt ook naar voren in het ‘rondeau’ van Guillaume de Machaut. Misschien is de meest ontroerende beschrijving van ‘rondheid’ wel te vinden in “De christus van Elqui”, een roman van Hernán Rivera Letelier. Over de protagonist die is verdwaald: “… Als een foetus opgerold in het zand – zijn handen tussen zijn benen en zijn benen zo hoog opgetrokken dat zijn knieën zijn voorhoofd raakten –, vormde hij bijna een cirkel. Daardoor besefte hij plotseling dat het leven, de liefde en de dood rond waren. Terwijl hij in huilen uitbarstte en een stukje boven het zand leek te zweven, herhaalde hij hardop dat de gedachten rond waren, dat de wind, de pijn, de eenzaamheid, de vergetelheid rond waren, dat zelfs de dorst die hem nu kwelde rond was. Toen de nacht over de woestijn begon te vallen en de christus van Elqui op het punt stond het bewustzijn te verliezen, herhaalde hij nog altijd snikkend dat het niets rond was, dat het vierkant rond was, dat de stilte rond was, dat het luiden van klokken rond was. Dat de herinnering aan zijn moeder… het rondst was van allemaal…”.

 

Een bol worden

Het idee dat God een bol is met een middelpunt dat overal is en een omtrek die nergens is — een idee dat zijn beroemdste uitdrukking te danken heeft aan Pascal in de zeventiende eeuw — kent een lange geschiedenis: “… Het is minstens even oud als het Corpus Hermeticum, een verzameling vroegchristelijke teksten uit het Hellenistische Egypte van de derde eeuw. Na een tussenperiode van duizend jaar werd het weer opgepakt door Alain de Lille, een dertiende-eeuwse bisschop. En men treft het overal aan in de hermetische traditie van de Renaissance, met name bij Nicolaas van Cusa in de vijftiende eeuw en bij Giordano Bruno in de zestiende eeuw…”. Even verder: “… Voor de oude Grieken was de bol de perfecte vorm die eeuwigheid en goddelijkheid uitdrukte. Het universum van Aristoteles bestond uit vijfenvijftig in elkaar genestelde bollen. Meer dan een millennium later werd de bol tijdens de vroege Renaissance opnieuw belangrijk door de publicatie van de ‘Tractatus de Sphaera’, of ‘Sphaera Mundi’, rond 1230. Dit werk bestond uit een compilatie van oude teksten van Johannes de Sacrobosco (later ‘John van Holywood’ genoemd), die nog tot het einde van de zeventiende eeuw werden gebruikt. Bollen begonnen in de schilderkunst voor het eerst een prominente rol te spelen in de Renaissance, zowel om symbolische redenen als vanwege de toenmalige fascinatie voor het weergeven van een gebogen en glanzend oppervlak. Het idee dat de hemelbollen door hun bewegingen een onhoorbare muziek voortbrachten, is waarschijnlijk afkomstig van Pythagoras. Het was gebaseerd op zijn begrip van de wiskundige verhoudingen die ten grondslag liggen aan de harmonische intervallen. In de Renaissance werd dit idee verder uitgewerkt in de ‘Harmonices Mundi’ van Kepler, gepubliceerd in 1619…”. Tijdens de Verlichting verdween de belangstelling voor de bol weer. De romantische dichters begrepen het belang van de bol echter intuïtief, evenals fenomenologen als Jaspers, Kierkegaard en Heidegger. Arthur Koestler heeft het over ‘de nostalgie der dingen om te worden als een bol’. Heel. Volmaakt. Het sluit aan bij de mythe van de eeuwige terugkeer. Zie Prediker 1:9. “… Lang voordat men er enig idee van had dat de aarde rond is en het luchtruim gebogen, zien we zelfs in het christelijke Westen merkwaardig genoeg toch voorstellingen van de kosmos. Meestal zijn deze te vinden in het ronde plafond van een koorgalerij, in de koepel van een kerk of in het gebogen timpaan boven de grote westelijke deuren. Slechts zelden op een vlakke muur…”.

 

Is er hoop?

Is er nog hoop, nu wij overduidelijk in een linkerhersenhelftwereld leven? Ja, zegt McGilchrist. Misschien gaat deze periode ook weer voorbij, zoals dat tot nu toe altijd het geval is geweest. Bovendien is de linkerhersenhelftwereld niet authentiek. Misschien komen we ooit weer achter ons ‘schild van ironisch kennend weten en cynisme’ vandaan. Misschien krijgen we genoeg van ons schizofrene bestaan. Misschien zullen we in staat zijn onszelf te overstijgen en weer voor het ‘echte’ gaan. Zowel Hölderlin als Kleist beweren dat wat wij verlangen slechts te vinden is in een andere wereld, de wereld van de goden. McGilchrist pleit er dan ook voor ons geestelijk leven weer serieus te nemen.

 

De letter doodt, de Geest maakt levend

Tenslotte: ik heb antwoord gekregen op mijn vraag. Veel theologen hebben religie naar de linkerhersenhelft getrokken en er een onbezielde ‘wetenschap’ van gemaakt. Hierdoor wordt het voor mensen steeds moeilijker om betekenis en transcendentie te ervaren. Voor religie en spiritualiteit – ‘het sacrale’, noemt McGilchrist het – is in de wereld van de linkerhersenhelft geen plaats. Echter: ‘de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (2 Korintiërs 3:6). Bovendien ‘waait de Geest waarheen Hij wil’ (Johannes 3:8). McGilchrist: “… Op het vlak van religie zijn er dogmatische aanhangers van geloof en dogmatische aanhangers van ‘geen-geloof’. Zij lijken mij dichter bij elkaar te staan dan degenen die proberen de deur open te houden voor iets wat onze gebruikelijke manieren van denken zou kunnen overstijgen, maar wat we minutieus en moeizaam zelf moeten ontdekken…”.

 

Over de wreedheid jegens onszelf

De tweeduizend jaar oude westerse traditie van het christendom, of je er nu in gelooft of niet, biedt evenwel een uitzonderlijk rijke mythos om de wereld te begrijpen en ons ermee te verhouden, aldus McGilchrist. Een mythos die zorgt voor een goddelijke Ander. Een Schepper die meelijdt, betrokken is, en het Faustiaanse verval van de schepping betreurt. Nietzsche noemt de ‘dood van God’ dan ook een ‘wreedheid jegens onszelf’: “… Moest men uiteindelijk niet alles opofferen wat troostend, heilig, en helend is, evenals alle hoop en elk geloof dat verscholen zit in harmonie, in toekomstige gelukzaligheid en in gerechtigheid? Moest men God zelve niet opofferen om daarna stenen, domheid, de zwaartekracht, het lot of niets-heid te aanbidden, uit wreedheid tegen zichzelf? God opofferen voor niets-heid – dit paradoxale mysterie van ultieme wreedheid was weggelegd voor de generatie die nu aantreedt. We weten er allemaal iets van…”. Zie ook het slot van een fel gedicht, ‘The Last Hellos’ uit de “Collected Poems” van Les Murray, de ‘Gentle Giant uit Bunyah’:

 

“… Snobs mind us off religion

Nowadays, if they can.

Fuck them. I wish you God…”

 

(“… Vandaag de dag proberen snobs // Ons religie uit het hoofd te praten. // Laat ze opdonderen. Ik wens je God toe…”)

 

Uitgave: Synthese – 2026, vertaling Nelly Busschots, 710 blz., ISBN 978 906 271 189 5, 39,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 6 september 2026

Witte ruis – Don DeLillo

 


De Britse YouTuber die onder de naam ‘Nick Reads’ een enerverend videokanaal beheert — ‘for people who think books still matter’ — en daar tot mijn grote vreugde de écht grote (post)moderne klassiekers bespreekt, bestempelt "Witte ruis" van Don DeLillo (New York, 1936), voor het eerst gepubliceerd in 1985, met stip als nummer 1. Het is een satirische, hilarische familieroman over een ogenschijnlijk maatschappelijk geslaagd Amerikaans gezin dat verzeild raakt in een wilde jacht op een pilletje tegen doodsangst. Het is ook een beetje een campusroman: de hoofdpersoon, Jack Gladney, de pater familias, doceert aan de universiteit het door hemzelf verzonnen vak Hitlerkunde. Vijftig jaar geleden worstelden Amerikanen blijkbaar ook al met de dood, informatiestress en de wegwerpmaatschappij, die de personages nauwkeurig analyseren. “… De (post)moderne Amerikaanse consumptiecultuur stroomt door deze belangrijke roman als een fatale suikerstoot…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!). In het verhaal zijn duidelijk de ideeën te ontwaren van, in mijn ogen, profetische denkers als Marshall McLuhan en Jean Baudrillard.

 

Marshall McLuhan

Volgens Marshall McLuhan (1911-1980) moet je, om de huidige wereld te begrijpen, de media begrijpen. Hij had het al over de term ‘global village’, ver voordat het internet en het World Wide Web hun intrede deden. McLuhan werd beroemd, zo niet berucht, door zijn stelling ‘The medium is the message’: niet wát je vertelt heeft de meeste invloed, maar hóe en via welk kanaal je het vertelt. Zie heden ten dage de ontelbare communicatiewetenschappers, zou ik zeggen. Ook McLuhans gelanceerde woordspeling ‘The medium is the massage’, waarmee hij doelde op de doordringende, knedende, ‘masserende’ werking van de media, zorgde voor de nodige ophef. Zie de hedendaagse kritiek op de eenzijdig beleefde ‘mainstream media’. McLuhan beweerde dat de media een verlenging van de menselijke zintuigen zijn: een halve eeuw later valt bijna niet meer te leven zonder smartphone.

 

Jean Braudillard

Ook Jean Baudrillard (1929-2007) voorzag dat door de macht van de opkomende massamedia en hun niet-aflatende behoefte om nieuws te maken, de werkelijkheid steeds verder vervormd zou worden. Inmiddels is het vertrouwen in het nieuws nog nooit zo laag geweest als nu (NOS, 16-06-2026). Braudillard schreef dat de communicatiemiddelen die in een samenleving worden gebruikt, de sociale relaties zullen bepalen. Lees Jonathan Haidt! De massamedia spiegelen een utopie voor die buiten de werkelijkheid staat, waarvoor Baudrillard het begrip ‘hyperrealiteit’ hanteert. Inmiddels leven we grotendeels in een virtuele werkelijkheid. Wij hebben het contact met de echte wereld verloren. Wij leven in een ‘simulatie’. Zie de hedendaagse oorlogsvoering, die ervaren wordt als een videogame. Wij baden via de media in een alomtegenwoordigheid en grenzeloze aanwezigheid van communicatie, die Don DeLillo aanduidt als ‘witte ruis’. Verder voorspelde Baudrillard dat het kapitalisme steeds meer zal gaan drijven op consumptie, waarbij de ideologische opwekking van behoeftes voorafgaat aan de productie van goederen die deze behoeftes moeten bevredigen. Zie de grote mediabedrijven die anno 2026 enorme boetes aan hun kont hebben hangen vanwege het bewust verslaafd maken van kinderen. Eind jaren zeventig zag Baudrillard al aankomen dat de ‘symboolwaarde’ van producten al het andere ondergeschikt zou maken. Zie de maatschappelijke en criminele problematiek waarbij peperdure designerkleding, luxe jassen en exclusieve sneakers een extreme statusrol spelen onder (vaak jonge) criminelen en jongerengroepen. De persoon heeft geen inhoud meer; hij is slechts uiterlijke schijn. Wikipedia: “… Baudrillards uitspraak ‘We leven na de orgie’ ontstemde velen. ‘Alles kan en alles mag, alles is bevrijd en er zijn geen taboes meer, maar in de plaats van een opwindend feest levert dit een geweldig gevoel van leegte op. We leven in de hel van hetzelfde’, dixit Baudrillard …”. Zie onze verslechterende mentale gezondheid.

 

Simulatie

De hel van hetzelfde: het verhaal start met hoe Jack Gladney voor de eenentwintigste keer in september de studenten op de campus ziet arriveren, gebracht door kwieke mama’s, ‘gewetensvol gebruind’ en in ‘dieetconditie’, en voldane papa’s, die doen denken aan ‘grootschalige verzekeringpolissen’: “… Wat ze in de loop van het verdere jaar ook nog zouden doen, die bijeenkomst van stationcars vertelt de ouders meer dan formele liturgieën of wetten dat ze een verzameling gelijkgestemden en geestelijk verwanten zijn…”. Een economische klasse die een element van oververfijning en inteelt tentoonspreidt, aldus Jack. Ten bate van zijn ‘wetenschappelijk gewicht’ heeft hij zijn achternaam voorzien van de intitalen J.A.K., een variatie op J.F.K., en draagt hij een zwarte toga en een donkere bril: “… Ik ben het valse personage dat achter de naam aan loopt…”. Hij probeert het feit te verbergen dat hij als Hitler-expert geen Duits spreekt: “… Ik leef kortom aan het randje van een landschap van immense schande…”. In het geheim neemt hij Duitse les. Als hij op het eind van het boek gewond in een ziekenhuis belandt waar hij verzorgd wordt door nonnen vraagt hij naar hun geloof, dat ze niet blijken te hebben. Zelfs zíj doen maar alsof: “… Denkt u dat we achterlijk zijn?...”. Ze lopen rond in habijten omdat de ongelovigen wanhopig iemand nodig hebben die gelooft. “… Wij zijn jullie krankzinnigen. Wij doen afstand van ons leven om jullie ongeloof mogelijk te maken. Jullie weten zeker dat je gelijk hebt maar wilt niet dat iedereen zo denkt als jullie. Er bestaat geen waarheid zonder dwazen. Wij zijn jullie dwazen, jullie gekke vrouwen, die in alle vroegte opstaan om te bidden, kaarsen aan te steken, standbeelden vragen om een goede gezondheid, een lang leven…”. De hel, dat is als er niemand meer gelooft. Als zij niet doen alsof ze geloven, zal de wereld in elkaar storten. Kortom, ze voorzien simpel in een behoefte (zie ook: “San Manuel Bueno, Mártir” van Miguel de Unamuno).

 

Hitte

Jacks vakgroep volkscultuur bestaat “… vrijwel uitsluitend uit Newyorkse import, gehaaid, gewiekst, filmgek, bezeten van nutteloze informatie…”. Ze houden zich bezig met “… een aristotelisme van kauwgumwikkels en waspoederreclame…”. De grote uitzondering is Murray, een Elvis-specialist, die voor een kleine universiteit heeft gekozen omdat hij genoeg heeft van de hitte. Jawel (zie mijn vorige blog). “… Hitte. Dat is wat grote steden voor me betekenen. Je stapt uit de trein en loopt het station uit en je krijgt de volle laag. De hitte van lucht, verkeer en mensen. De hitte van eten en seks. De hitte van hoge gebouwen. De hitte die uit de metro en de tunnels komt drijven. Het is er altijd tien graden heter in de grote stad. Hitte stijgt op van de trottoirs en daalt uit de vergiftigde hemel. De bussen ademen hitte. Hitte straalt af van drommen winkelpubliek en kantoorpersoneel. Heel de infrastructuur is gebaseerd op hitte, verbruikt vertwijfeld hitte, verwekt hitte. De uiteindelijke verhittingsdood van het heelal waar geleerden graag over praten is al een flink eind op streek, en in elke grote of middelgrote stad kun je voelen hoe hij zich overal om je heen voltrekt. Hitte en vocht…”. Samen rijden ze naar ‘de meest gefotografeerde schuur van Amerika’, waar een zee van mensen foto’s staat te nemen van een doodgewone schuur. Als je het hebt over ‘leven in de hyperrealiteit’.

 

Samengesteld gezin

Jack is de vader van een druk samengesteld gezin. Zelf heeft hij vier kinderen uit evenzoveel vorige huwelijken. Zijn vrouw Babette, ‘Baba’ — een rots van stabiliteit, dénkt hij, in tegenstelling tot het egocentrische stelletje zenuwpezen van vroeger, die gek genoeg allemaal banden hadden met spionagekringen — heeft drie kinderen. Zij is dan ook pas voor de derde keer getrouwd. Vier van die kinderen wonen bij hen in huis: Wilder, een peuter die gefascineerd is door alles wat beweegt (hij zit uren voor de draaiende trommel van de wasmachine); de stronteigenwijze Steffie van 11; de iets oudere Denise ("... een volkscommissie in het klein die ons tot hoger bewustzijn leuterde..."); en wijsneus Heinrich van 14, een soort moderne incel: “… Babette is bang dat hij zal eindigen in een gebarricadeerde kamer, waaruit hij honderden salvo’s automatisch vuur rondsproeit over een verlaten winkelgalerij voordat de oproerteams op hem afkomen met hun dikgelopte wapens, hun megafoons en kogelvrije vesten…”. Heinrichs haar begint al uit te vallen en hij speelt schaak op de computer met een moordenaar in de gevangenis. “… Kinderen, stelt DeLillo, snappen meer van de moderne cultuur dan volwassenen; ze zijn er beter aan aangepast maar ook meer gedesillusioneerd over…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!).

 

Swingende tekst

Jack piekert aan één stuk door over wie er het eerst dood zal gaan: hij of Babette. Hij is doodsbang voor het einde. Is er meer tussen hemel en aarde? “… Hitler noemde zichzelf de eenzame zwerver uit het niets. Hij zoog op hoesttabletjes, sprak tegen mensen in eindeloze monologen waarin hij vrij associeerde, alsof de taal uit een onmetelijk reservoir buiten de wereld kwam en hij niet meer was dan een middel tot openbaring…” (zie “Het ultieme geheim” van Dan Brown). Fenomenaal is een fragment waarin Jack en Murray elkaar tijdens een college afwisselen in een analoge speech over Hitler en Elvis. Alsof het gaat om een ter plekke bedachte improvisatie tussen twee jazzmusici. Zelfs in vertaling ‘swingt’ de tekst: als je zoiets leest, ervaar je wat grote literatuur vermag. Tijdens het betoog cirkelen de heren ook nog eens om elkaar heen, alsof ze dansen. De collegezaal loopt “… wellicht aangetrokken door een prikkelende magnetische golf, een werveling in de atmosfeer…” steeds voller.

 

Golven en straling

Vrijdags zit het volledige gezin met het bord op schoot voor de tv, waar ze zwijgend kijken naar het nieuws over overstromingen, aardbevingen, modderverschuivingen, huizen die in zee glijden, hele dorpen die vergruizelen en in een massa oprukkende lava in brand vliegen: “… Elke ramp deed ons verlangen naar meer, naar iets nog groter, grootser, overweldigender…”. Murray zegt dat je je daar niet schuldig over hoeft te voelen. Onze ogen, oren, hersenen en zenuwstelsel zijn oververmoeid: “… we lijden aan hersenvervaging. We hebben af en toe een ramp nodig om het onafgebroken informatiebombardement te doorbreken…”. Even verder: “… Volgens Murray zijn we broze figuren omringd door een wereld van vijandige feiten. Feiten bedreigen ons geluk en onze veiligheid…”. Zie het groeiende aantal mensen dat niet meer naar het journaal kijkt. Het gezin gaat vaak naar een immense supermarkt van tien verdiepingen, waar ze ‘geestelijk worden opgeladen’. Een centrum van ‘welbehagen’. Een letterlijk ‘koopparadijs’: “… Alles was goed en zou goed blijven, zou uiteindelijk nog beter worden zolang de supermarkt het maar niet af liet weten…”. Even verder: “… Hier gaan we niet dood, hier doen we boodschappen…”. Twee vermiste oudjes worden er pas na vier dagen teruggevonden. Wanneer Jack met de meisjes en Wilder weer eens in het winkelcentrum rond struint omdat de lagere school wordt ontruimd (“… Kinderen kregen hoofdpijn en geïrriteerde ogen, een metaalsmaak in hun mond. Een onderwijzeres rolde over de grond en sprak vreemde talen. Niemand wist wat er mis was. Onderzoekers zeiden dat het kon liggen aan het ventilatiesysteem, de verf of vernis, de schuimisolatie, de elektrische isolatie, het kantine-eten, de straling van microcomputers, de asbestbrandbeveiliging, de tape op verzendtrommels, de dampen uit het gechloreerde zwembad, of misschien iets nog diepers, verfijnders, nauwer verweven met de grondtoestand der dingen…”), hoort hij voor het eerst van Steffie dat Denise erachter is gekomen dat hun moeder ‘iets’ slikt.

 

Het zwevende gifgebeuren

De ontruiming van de school is de voorbode van een veel grotere ramp: uit een ontspoorde tankwagen ontsnapt een gifwolk vol Nyodeen D, waardoor het stadje van de Gladney’s ontruimd moet worden. Het gezin wordt in hun auto naar een verlaten padvinderskamp gedirigeerd. Griezelig genoeg vond een jaar na de uitgave van “Witte ruis” de kernramp van Tsjernobyl plaats: alsof DeLillo het zag aankomen. Nyodeen D veroorzaakt ook nog eens 'een gevoel van déjà vu' gepaard met hartkloppingen. Volgens Murray gaat het om voorkennis, die we normaal verdringen. Als de dood in het vizier komt, bevrijdt dat het onderdrukte materiaal. Tijdens de rit ziet Jack uit zijn ooghoek dat Babette iets in haar mond stopt en doorslikt. Een snoepje, beweert ze. Jack en Babette proberen te voorkomen dat de meisjes iets horen over de symptomen van het gif, omdat ze die prompt gaan vertonen. Zie het resignatiesyndroom onder asielzoekerskinderen. Sommige denkers vrezen ook dat het hoge aantal transgenders onder jonge autistische meisjes op sociale besmetting zou kunnen wijzen. De roman "Danswoede" van Vincent Merjenberg gaat daar eveneens over. Over het gif: “… Het oorspronkelijke spul doodt kakkerlakken, de bijprodukten doden alles wat overblijft…”. Omdat Jack moet tanken, staat hij er tweeënhalve minuut middenin, waardoor een vrijwilliger hem na het combineren van dit gegeven met alle onlinedata die er over hem bekend is, weet te vertellen dat de computer uitwijst dat hij niet direct vandaag of morgen, maar in de toekomst waarschijnlijk dood zal gaan aan de opgelopen rotzooi. “… De Grieken wisten dat de belangrijkste gebeurtenissen in het heelal niet te zien zijn met het menselijk oog. Het gaat om golven, om stralen, om deeltjes…”.

 

Nutteloze kennis

Bij een ramp zijn we nergens, aldus Heinrich, we kunnen niets. Onze kennis verandert en groeit elke seconde van de dag. Ze gaat van computer naar computer. Maar wat heb je aan kennis die alleen maar in de lucht zweeft? Na het nodige beraad laten specialisten vanuit legerhelikopters micro-organismen los in de wolk, die het gif letterlijk “… verorberen, opeten, afbreken, verteren…”. Een man loopt met een klein tv’tje rond en windt zich op omdat er amper nieuws is over wat hun overkomt. Zijn toespraak loopt feilloos in de maat met Nietzsches parabel over de dwaas: “… Willen ze beweren dat het onbeduidend was, dat het niets voorstelde? Zijn ze zo meedogenloos? Hebben ze hun buik zo vol van giflekkages en verontreiniging en afvalproblemen? Denken ze soms dat dit maar televisie is? ‘Er is al te veel televisie – waarom nog meer laten zien?’ Weten ze niet dat het echt is? Horen de straten niet te krioelen van de cameramensen en de geluidsmensen en de verslaggevers?...”. Enzovoort, enzoverder. Na negen dagen mogen ze eindelijk naar huis. Vanaf die tijd gaat iedereen kijken naar de door gifresten in de atmosfeer veroorzaakte spectaculair mooie zonsondergangen.

 

De dood voorblijven

et geloof in wedergeboorte, een tweede leven, is vrijwel universeel. Dat moet iets betekenen…”. De dood laat Jack niet meer los sinds hij weet dat hij besmet is: “… Het grootste verdriet is de dood. Het enige om het hoofd te bieden is de dood. Dat is alles waar ik aan denk. Er is maar één thema aan de orde. Ik wil leven…”. Volgens de psychologie is alle angst per saldo doodsangst. Het verschil tussen dieren en mensen is dat de mens weet dat hij sterfelijk is. Met Murray voert Jack diepgaande gesprekken over het ten dode opgeschreven zijn. Al ons handelen komt voort uit de behoefte de dood voor te blijven, volgens antropoloog Ernest Becker. Murray vraagt derhalve waar Jack zijn hele leven mee bezig is geweest: “… Mezelf betoveren, denk ik…”. Murray stelt dat je je over de dood heen kunt zetten door je op het leven erna te richten: “… reïncarnatie, zielsverhuizing, de meerdimensionale ruimte, de wederopstanding van de doden, enzovoorts. Er zijn een paar grandioze stelsels voortgekomen uit die overtuigingen…”. Of Murray ergens in gelooft? “… Miljoenen mensen geloven al duizenden jaren. Sluit je bij hen aan. Het geloof in een wedergeboorte, een tweede leven, is vrijwel universeel. Dat moet iets betekenen…”.

 

 

Fake nieuws

De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen, aldus Arnold Huijgen in  “Inferno”. Daar gaat het ook over tijdens het eten, wanneer het gezin probeert uit te vissen welke informatie wel en niet fake is. Het zijn de kleine, alledaagse, onopgemerkte hoeveelheden gif die ons op den duur ondermijnen, aldus een langzamerhand aan ernstig geheugenverlies lijdende Babette. Heinrich: “… Het werkelijke vraagstuk is het soort straling dat ons elke dag omringt. Je radio, je tv, je magnetronoven, je energieleidingen vlak voor de deur, je radarcontrole op de snelweg. Jarenlang hebben ze ons voorgehouden dat die lage doses niet gevaarlijk waren…”. Vergeet de radioactieve neerslag. Wat denk je van de elektrische en magnetische velden? “… Wie in deze kamer zou me geloven als ik zei dat het zelfmoordcijfer een ongeëvenaard record bereikt onder mensen die vlak bij hoogspanningsleidingen wonen? Hoe komen die mensen zo treurig en depressief? Alleen maar door het zien van lelijke draden en elektriciteitsmasten? Of gebeurt er iets met hun hersencellen doordat ze blootstaan aan constante straling?...”. Heinrich: “… ‘Vergeet maar die hoofdpijn en vermoeidheid,’ zei hij al kauwend. ‘Wat dacht je van zenuwstoornissen, vreemd en gewelddadig gedrag in het gezin?’…”. Volgens Jack zijn angstaanjagende gegevens “… tegenwoordig een industrie op zichzelf. Verschillende bedrijven concurreren om te zien hoe erg ze ons bang kunnen maken’. ‘Ik heb een nieuwtje voor je,’ zei hij (Heinrich). ‘De hersens van een witte rat geven calciumionen af als ze worden blootgesteld aan hoogfrequente golven. Weet iemand hier aan tafel wat dat wil zeggen?’…”.

 

Onbekend psychofarmacon

“… De avond daarop ontdekte ik de Dylar. Een geelbruin flesje van lichtgewichtplastic. Het zat met plakband tegen de onderkant van de radiatorkap in de badkamer. Ik vond het toen de radiator begon te tikken, en ik de kap eraf haalde om me serieus en systematisch te verdiepen in de afsluitkraan…”. Jack sluit een bondje met dochter Denise om erachter te komen wat Dylar voor een medicijn is. Ze gaan de apotheken langs en bellen dokters op, maar niemand kent het. Jack laat een pil analyseren door een scheikundige aan de universiteit. Het enige wat zij kan zeggen, is dat het een onbekend psychofarmacon gaat: “… De bedoeling is waarschijnlijk een wisselwerking met een afgelegen deel van de menselijke hersenschors…”. De scheikundige: “… Je brein heeft een biljoen neuronen en elk neuron heeft tienduizend dendrieten. Het interne communicatiesysteem is ontzagwekkend. Het is als een melkwegstelsel dat je in je hand kunt houden, alleen gecompliceerder, geheimzinniger…”. Ze is daarom ‘trots’ dat ze een Amerikaanse is. Want: “… Het kinderbrein ontwikkelt zich in antwoord op prikkels. Wat prikkels betreft zijn we nog altijd nummer één in de wereld…”.

 

Witte ruis

Uiteindelijk zet Jack Babette voor het blok, vertelt haar dat hij het flesje Dylar heeft gevonden en eist een verklaring. Babette barst in huilen uit, legt uit dat ze zich als proefpersoon heeft gemeld bij een instituut dat  een medicijn probeert te fabriceren tegen doodsangst, en bekent Jack, die totaal in shock is, schaamtevol dat een en ander gepaard is gegaan met een ‘misstap’. Zonder dat ze het van elkaar wisten, blijken beide echtelieden geobsedeerd door de dood. “… ‘Stel, de dood is alleen maar geluid?’ ‘Een elektrische ruis.’ ‘Die je hoort tot in de eeuwigheid. Overal geluid. Wat afschuwelijk.’ ‘Uniform, wit.’ …”. Babette:“… Ze hebben het hersendeel geïsoleerd waar de doodsangst zetelt. Dylar stuurt verlichting naar die sector …”. Elke emotie of gewaarwording heeft haar eigen neurotransmitters. Het gaat om chemicaliën die de hersenen aansporen hun eigen remstoffen te maken. Alles in het leven heeft te maken met moleculen die rondrazen in je hersenen, legt Babette uit. Heinrichs hersentheorieën zijn allemaal waar. “… We zijn de som van onze chemische impulsen …”. Jack vindt dat een ondraaglijk idee. “… Wat gebeurt er met goed en kwaad in dat systeem? Hartstocht, afgunst en haat? Wordt dat allemaal een wirwar van neuronen? Wou je me vertellen dat er nu een einde is gekomen aan een hele traditie van menselijke tekortkomingen, dat lafheid, sadisme, mishandeling nietszeggende termen zijn? Wordt ons gevraagd dat alles nostalgisch te bekijken? Hoe zit het met moordzuchtige razernij? …” (zie: "Het gewelddadige brein" van Adrian Raine). En als Dylar verlichting brengt, waarom zit ze dan de laatste dagen zo triest voor zich uit te kijken? “… Simpel. Het middel werkt niet …”.

 

Bezeten

Vanaf dan raakt Jack bezeten van het middel, gaat tot het uiterste om het te pakken te krijgen, maar Babette weigert hem te vertellen hoe hij eraan kan komen.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 1986, vertaling Rien Verhoef, 373 blz., ISBN 978 902 340 9533

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar