Menu

woensdag 11 maart 2026

Romantiek – Rüdiger Safranski

 


Subtitel: Een Duitse affaire

 

Bij alles wat er heden ten dage in de wereld gebeurt, valt de literatuur bijna in het niet. Toch ga ik maar gewoon door met mijn boekenblog. Al is het maar voor ‘de schoonheid en de troost’. Cees Nooteboom wordt wel eens getypeerd als een ‘neo-romanticus’. De ‘begeesterde’ Arno Tieck in “Allerzielen”- zie mijn vorige blog - staat voor zijn vriend, de Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski (1945), die een prachtig boek schreef over de Duitse Romantiek: “… De Romantiek is een tijdvak, het romantische een geesteshouding die niet aan een tijdvak is gebonden…”. De Romantiek staat voor de zoektocht naar alles wat tegen de onttoverde wereld valt in te brengen. Voor ‘gevoel’ tegenover ‘ratio’. De romantici zijn ‘volgelingen van Dionysus’. De romantische geest “… houdt van de vergezichten van de toekomst en van het verleden, van de verrassingen binnen het alledaagse, van de extremen, van het onbewuste, van de droom, van de waanzin, van de labyrinten van de reflectie. De romantische geest is geen constante, hij is veranderlijk en tegenstrijdig, hunkerend en cynisch, verzot op het onbegrijpelijke en volks, ironisch en dweepziek, zelfingenomen en sociaal…”. De oude Goethe noemde het romantische een ziekte: “… Maar ook hij wilde er geen afstand van doen…”. Eerder besprak ik van Rüdiger Safranski: “Goethe. Kunstwerk van het leven”.

 

Herder kiest het ruime sop

Safranski laat de Romantiek beginnen bij de jonge predikant Johann Gottfried Herder (1744-1803) die het in Riga aan de stok krijgt met de orthodoxen, in vervelende literaire vetes verwikkeld raakt en zo genoeg krijgt van zijn benauwde leventje dat hij in 1769 halsoverkop zijn biezen pakt en de boot naar Frankrijk neemt: “… De ontmoeting met een onbekende wereld wordt een ontmoeting met zichzelf…”. Boordevol ideeën komt hij terug. Hij is de ontdekker van het radicale ‘individualisme’ of ‘personalisme’. Wat hij in zichzelf aantreft is allemaal zeker geen ‘rozengeur en maneschijn’: “… Treffend ook dat (…) de diepste diepte in onze ziel door nacht is toegedekt!...”. Alles wat leeft ondergaat niet alleen de euforie van het groeien en scheppen, maar ook het angstaanjagende en bedreigende. Wij zijn overgeleverd aan de zuigkracht van het worden en van het vergaan. Het gaat erom dat de enkeling zijn hoogstpersoonlijke ‘levenskiem’ ontwikkelt. Dat je ‘wordt wie je bent’. Daar heb je een gemeenschap voor nodig. Wat voor de enkeling geldt, geldt ook voor de gemeenschap. De gemeenschap is een verband voor wederzijdse hulp tussen unieke individuen waaruit zich een originele volksgeest ontwikkelt. Om deze volksgeesten op het spoor te komen legt Herder zich toe op het verzamelen van volksliederen en andere culturele uitingen:  “… Vele volken, vele stemmen. De diversiteit laat de rijkdom van het menselijke pas tot bloei komen…”. Hij is wars van iedere vorm van heerschappij: “… Zo mag geen volk in Europa zich voor andere afsluiten en in zijn dwaasheid zeggen: bij mij alléén, bij mij huist álle wijsheid…”. Herder: “… geen volk is door God als enige uitverkoren volk op aarde; de waarheid moet door állen worden gezocht, de tuin van het gemenebest moet door állen worden aangelegd…”. Herder is een voorloper van de moderne antropologie, die de mens ziet als een wezen met gebreken, dat cultuur schept om die gebreken te compenseren. Zo ontrolt zich, varend op ons innerlijk kompas, de dynamische geschiedenis. De verwerkelijking van onze humaniteit is een soort ‘experimentum mundi’, een ‘werelds experiment’. In gang gezet door God (zie Gen. 1:26,27)?

 

Sturm und Drang

De vroege Romantiek uit zich in de door de Franse Revolutie ontketende ‘Sturm und Drang’. Bijna elke schrijver zag de revolutie als een historisch ‘morgenrood’, het aanbreken van een nieuw tijdperk in de mensheidsgeschiedenis. De neiging met een schone lei te willen beginnen maakt korte metten met tradities, gehechtheden, gewoontes, kortom de hele context waarin men verwikkeld is. De elite weet het gepeupel te mobiliseren. Demagogen en doctrinaire figuren gebruiken de ‘gewone man’, die het geheel niet overziet, als speelbal. Agitators liegen en bedriegen. In de algehele roes gaat de rede kopje-onder: zie de massale terechtstellingen, de pogroms, de plunderingen in de bezette gebieden. Zie de septembermoorden van 1792, waarbij bijna tweeduizend mensen door het plebs van Parijs over de kling worden gejaagd. Revolutionaire legers overspoelen Europa. ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ wordt verkocht als een politieke leus, maar religieus beleefd. Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) verafschuwt de ‘vulkaanuitbarsting’ van het ‘massatijdperk’.  “… Het geleidelijke trok hem aan, het plotselinge en gewelddadige stootte hem af, in de natuur evengoed als in de maatschappij. Hij kon goed overweg met de overgangen, niet met de breuken. Hij was een vriend van de evolutie, niet van de revolutie…”. Tegenover de opgewonden tijdgeest stelt hij de kunst en de literatuur: “… De esthetische  vreugden houden ons staande, terwijl bijna iedereen het tegen het politieke leed moet afleggen…”. Even verder: “… We hebben meer dan ooit die gematigdheid en rust van de geest nodig die we alleen aan de muzen te danken hebben…”. Dat is nog steeds zo, denk ik.

 

Gevaarlijke dieren die moeten leren spelen

De Duitse toneelschrijver, filosoof en dichter Friedrich Schiller (1759-1805) denkt dat ‘het spel van de kunst’ de mens pas echt vrij kan maken. Eerst innerlijk en dan pas uiterlijk. De staat heeft de ‘barbaren’ voor hun eigen bestwil aan de ketting gelegd: om ‘anarchie’ te voorkomen. Eenmaal losgeslagen ijlen ze met onbeheersbare woede hun instinctmatige bevrediging tegemoet. Mensen zijn ‘gevaarlijke dieren’ die moeten leren ‘spelen’ met hun driften. Bijvoorbeeld door geritualiseerde wedstrijden: voetbal is oorlog. Schiller betreurt de moderne arbeidsverdeling die de mens ‘fragmenteert’, ‘versplintert’ en ‘verminkt’. “… Er was kennelijk geen ander middel om de talenten van de soort te ontwikkelen dan ze te verdelen over de individuen en ze zelfs tegen elkaar op te zetten…”. De kunst kan je evenwel helpen van je ‘tunnelvisie’ af te komen. Ze spoort je aan al je krachten aan te boren: “… verstand, gevoel, herinnering en verwachting…”. Weer ‘heel’ te worden.

 

Geheime genootschappen en complottheorieën

Schiller noemt zijn tijd de ‘inktvlekkerige eeuw’. Er komt namelijk een enorme leeshonger en schrijfwoede op gang. Zoals psychologen zich anno nu zorgen maken over het gebruik van sociale media, zo waarschuwen pedagogen en cultuurcritici rond 1800 voor de gevolgen van veellezerij. Er zijn geen stedelijke centra waar je uit je dak kunt gaan, schrijft Safranski. Alles is versnipperd, benauwd en klein. Daarom zoekt men imaginair gezelschap ín het boek of reëel gezelschap dóór het boek: zie de ‘salons’. Het licht van de Verlichting is zijn glans verloren. De tirannie van de ratio heeft zijn tijd gehad. Overal steekt een hang naar mysterie de kop op: “… in aristocratische kringen speelde men met de rede en probeerde onderwijl tafels te laten dansen…”. Het raadselachtige wordt hip: “… De wonderdokters, die men eerder in werkinrichtingen had opgesloten, duiken weer op. In de steden drommen mensen weer samen om naar profeten te luisteren die de ondergang van de wereld en de terugkeer van de Messias prediken. In Saksen en Thüringen was de duivelbanner Gassner actief en in Leipzig was de herbergier Schrepfer voor korte tijd een beroemdheid als dodenbezweerder…”. Het pragmatische denken is niet in staat de diepte van het leven en zijn schaduwzijden te vatten. De romantici stemmen zich af op het ontzagwekkende. Scheppen weer genoegen in het duistere, dat van verre komt. Een mentaliteitsverandering die de rationalistische geest verdringt. Oplichters van het slag Cagliostro komen bovendrijven. Geheime bondgenootschappen en complottheorieën hoeden de publieke opinie in hun greep. Zie de 'Bundesroman' waarin een onschuldig personage verstrikt raakt in mysterieuze praktijken: “… hij wordt achtervolgd; mensen die alles over hem schijnen te weten kruisen zijn pad; geleidelijk merkt hij dat hij in een web van een onzichtbare organisatie verstrikt zit. Vaak dient daarbij een mooie vrouw als lokmiddel…”. De Epstein-files zijn er niets bij: “… Misschien dringt de protagonist tot het geheime genootschap door, misschien zelfs in zijn diepste krochten, waar hij zwarte spelonken met flakkerende lichten en witte gezichten te zien krijgt. Soms wordt hij ingewijd in de mysteriën van een verborgen kennis of een verhuld oogmerk en leert hij de leiders kennen, maar nooit de hoogste. Bij degenen die zich bekendmaken gaat het tot zijn ontsteltenis vaak om mensen die hij allang kent, maar tot dusver in een ander licht heeft gezien. In deze verhalen heb je soms het goede en het kwade genootschap, en als dan verteld wordt hoe deze twee met elkaar overhoop liggen, wordt het geheel volslagen ondoorzichtig, het wemelt van de dubbelagenten en er zijn haast geen kamers meer zonder dubbele bodems en geen kasten zonder geheime deuren. Je kunt ook niet meer over straat lopen zonder dat je door een agent met een smal gezicht en dunne lippen wordt aangesproken…”. Jezuïeten, vrijmetselaars, illuminaten en rozenkruisers manipuleren de werkelijkheid.

 

Het onbegrijpelijke

De letterkundige Friedrich Schlegel (1772-1829) maakt duidelijk dat wij elkaar en onszelf niet kunnen begrijpen. En dat is maar goed ook. Hoe saai zou de wereld worden als we haar helemaal konden doorgronden: “… Het onbegrijpelijke is dus de levende kracht, waaraan alleen maar afbreuk zou worden gedaan als het verstand haar helemaal zou kunnen blootleggen…”. God is het ‘absoluut onbegrijpelijke’. Hij pleit voor ‘ironie’ als ‘ontzag voor het onbegrijpelijke’. Ironie ‘met een glimlach’ vermijdt zowel de ‘dogmatische arrogantie’ als de ‘starre deemoed’. Ironie is een ‘sociale kunst’. Ze maakt het gesprek mogelijk, omdat ze het dode punt van het zeker weten uit de weg gaat. Ironie verlangt een ‘spelersnatuur’.

 

Me, myself and I

De filosoof en redenaar Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) lanceert de romantische obsessie rond het ‘ik’. Zie de ‘ik-komeet’ Bonaparte. Zie ook Rousseau in zijn “Bekentenissen”: “… Enkel en alleen ikzelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet…”. En Goethe in “Werther”: “… Ik keer terug naar mezelf en ontdek een wereld…”.  Of Novalis: “… De mysterieuze weg leidt naar binnen…”. De laatste voegt er wel aan toe: “… Wie hier blijft staan, is pas halverwege. De tweede stap moet een doelgerichte blik naar buiten, een actief, beheerst observeren van de buitenwereld zijn…”. Safranski: “… In Jena wordt rondverteld hoe Fichte de studenten in zijn college opriep naar de muur tegenover hen te kijken. ‘Mijne heren, denkt u deze muur,’ zei Fichte, ‘en denkt u vervolgens uzelf als het daarvan onderscheidene…”. Dat is nog niet zo makkelijk. “… De meeste mensen zouden nog eerder geloven dat ze een stuk lava op de maan zijn dan een Ik…”, aldus Fichte. Het ‘ik’ wordt volgens hem pas merkbaar in tegenstelling tot een niet-ik. Er zijn ook nog eens twee-ikken: het op de buitenwereld gerichte (empirische) ik en op het innerlijk gerichte (transcendentale) ik. “… Alleen omdat het ‘absolute’ ons is onthouden, zodat we er altijd naar kunnen zoeken, ‘ontstaat de oneindig vrije activiteit in ons’…”. Het is makkelijker “… jezelf te ervaren als iets waartegen wordt geduwd en waaraan wordt getrokken, zonder verantwoordelijkheid, als een ding temidden van de dingen, als pure reactie en niet als actie…”, wat volgens Fichte het ‘eigenlijke kwaad’ is, dan je vrijheid ter hand te nemen. August Wilhelm en Caroline Schlegel zetten hun huis in Jena open voor een gezelschap hemelbestormende zelfbewuste individualisten die de bestaande omstandigheden aan het dansen probeerden te brengen: Ludwig Tieck, Novalis, Clemens Brentano, Sophie Mereau, Hölderlin, Dorothea Veit, Friedrich Schlegel, Jean PaulJohann Wilhelm Ritter. Natuurlijk lopen ze zich tegen de beperkende werkelijkheid te pletter, wat weer voor een hoop ‘weltschmerz’ zorgt.  Het plezier een ‘ik’ te zijn wekt weerstand op. Het zou egoïsme en meedogenloosheid rechtvaardigen. Schiller waarschuwt dat tomeloze fantasie “… ook tot een oneindige val in een bodemloze schepper diepte…” kan leiden, om te eindigen met “… totale vernietiging…”. Jean Paul: “… Ach, als ieder ik zijn eigen vader en is, waarom kan het dan niet ook zijn eigen worgengel zijn?...”. Sommigen raken al te diep verstrikt in hun eigen wildernis (zie “De maagd Marino” van Yves Petry). Sommigen vergen teveel van zichzelf. Clemens Brentano hangt zichzelf uiteindelijk de strot uit: “… Wie me naar mezelf verwijst, doodt me…”. Zij die met hun ik hogerop willen, zullen al snel uitzien naar houvast. Sommigen werpen zich in de schoot van de katholieke Kerk. Vaste banen en vaste relaties komen in het vizier. Traditie is wat teveel gevraagd, maar men verzamelt wel ballades en sprookjes: “.… ‘Het heeft gerijpt in de voorjaarsnacht…’. Goddank hoef je niet alles zelf te verzinnen, je mag je laten dragen en meezwemmen op de stroom die van verre komt…”.

 

De literatuurfabriek

Safranski: “… Van de ‘geforceerde talenten’ waar Goethe enigszins neerbuigend over sprak, was Ludwig Tieck misschien wel de meest ‘geforceerde’…”. Ludwig Tieck (1773-1853) schrijft er in een ongelooflijk tempo op los. Zijn leraren op school betrekken hem bij een ‘literatuurfabriek’ waar aan de lopende band griezel-, rover- en ridderromans naar de smaak van de massa worden geschreven. Samen met zijn jong overleden vrome vriend Wilhelm Heinrich Wackenrode (1773-1798) maakt hij tijdens zijn studie voettochten naar steden als Bamberg, Pommersfelden, Bayreuth en Neurenburg, waardoor beide heren diep onder de indruk raken van de middeleeuwen.  Ze voelen zich teruggeplaatst in de tijd van Dürer. Zo ontstaat de droom van een Oud-Duitse romantiek. Ze bezoeken de mijnen in het Frankische land: “… Het kwam me voor alsof ik in een of ander geheim genootschap, een mysterieus bondgenootschap werd opgenomen of voor een veemgericht werd gedaagd. Ik herinnerde me dat ik in mijn kinderjaren in mijn dromen soms zulke lange, nauwe, donkere gangen had gezien…”.  Twee motieven van Tieck: het verraad van de ‘eenzaamheid van het bos’, dat gezien wordt als de ‘zondeval’, en geheimen die beter ‘in de nacht’ verloren kunnen gaan.

 

Waar geen gode zijn, heersen spoken

Novalis (1772-1801) is een mythische figuur, een Klingsohr, een tovenaar en magiër dan wel een ‘nieuwe Christus’ in de romantische poëzie. In het geheim verlooft hij zich met de dertienjarige Sophie von Kühn. Twee jaar later sterft ze. Alles sleept hem mee naar een imaginair ‘aan gene zijde’. Als Orpheus wil hij ‘voet aan de grond krijgen in het onvergankelijke’. Als het besluit zijn geliefde te volgen in de dood verbleekt, neemt hij zijn studie in de mijnbouw weer op. De ‘roeping tot de onzichtbare wereld’ wordt een ‘roeping tot de onderaardse, nachtelijke wereld’. Zijn fascinatie drukt hij uit in “Hymnen an die Nacht”. Hij gelooft onwankelbaar in de ‘hemel van de nacht en zijn licht, de geliefde’. Als je met een liefhebbende blik in het duister kijkt, tref je er altijd wel iets aan, volgens hem. De nacht is het absolute innerlijk, waartegenover alles wat het daglicht ziet uiterlijk is. De nacht is onze oorsprong. De nacht is ‘de machtige schoot van de openbaringen’. Novalis baant zich een eigen weg naar deze oerwereld. In zijn redevoering “Die Christenheit oder Europa” schrijft hij dat het erop aankomt het ‘gevoel voor het heilige’ dan wel ‘het gevoel voor het onsterfelijke’ “… in jezelf te koesteren en ervoor te zorgen dat het in de huidige wereld niet uitdooft…”. Waar geen goden zijn, heersen spoken. Bijvoorbeeld van het eigenbelang, het nationalisme, het politieke machtsdenken, die de plaats innemen van het verkommerde gevoel voor het goddelijke. “… Men heeft het weten losgescheurd van het geloof en stort zich nu met geloofsijver op de wetenschap als surrogaatreligie…”. Alsof het heelal een reusachtige molen is zonder bouwmeester of molenaar. Een ‘perpetuum mobile’. Alsof de natuur zichzelf in stand houdt.  Een proces dat “… tot gevolg heeft dat de huidige mens ‘rusteloos in de weer’ is ‘de natuur, de aardbodem, de menselijke ziel en de wetenschappen te zuiveren van alle poëzie – om elk spoor van het heilige uit te wissen, om de herinnering aan alle bewonderenswaardige gebeurtenissen en mensen door hun sarcasme te vergallen en de wereld te beroven van haar bonte tooi…”. Zie hoe ‘geloof en liefde’ worden vervangen door ‘kennis en bezit’. De geest van de moderne tijd is er een van ‘metafysische dakloosheid’. Religie is ‘overwonnen chaos’. “… Niets is voor ware religiositeit onmisbaarder dan een middelaar die een verbinding legt tussen ons en de godheid. De mens kan nu eenmaal niet direct met de godheid in relatie staan…”. Dat hoeft voor Novalis echter niet per se Christus te zijn. Zie zijn romantische symbool de ‘blauwe bloem’.

 

Het individu in zijn hoogste potentie

Safranski: “… Als de religie bij de romantici aan de orde van de dag was, ging dat eigenlijk niet om de christelijke religie. Het betrof een fantasiereligie of religie van de fantasie…”. De Bijbel betekent weinig voor Novalis. “… De ‘hogere invloeden’, schrijft hij, hadden zich bij hem via de ‘fantasie’ doen gelden…”. Even verder: “… De christelijke religie, schrijft Friedrich Schlegel in zijn “Ideen”, is oud en krachteloos geworden, en de kunst is ertoe geroepen de religieuze kern te bewaren…”. Kunst en religie zijn één pot nat. Het goddelijke is niet iets van buitenaf of bovenwerelds, maar van zelfvergoddelijking (zie het contrast met wat Eric-Emmanuel Schmitt een kind in “Het evangelie volgens Pilatus” laat zeggen: ‘Mama, diep in mezelf vind ik NIET mezelf’). De mens brengt god voort door iets goddelijks in zichzelf waar te nemen, in zijn midden te vinden, en dat op alle mogelijke manieren mee te delen en uit te dragen. Schlegel wil van de ‘zonde’ af en het alleen nog maar over ‘liefde’, dan wel ‘enthousiasme’ hebben. De ‘god in ons’ is niets anders dan ‘het individu zelf in zijn hoogste potentie’. Schlegel kondigt dan ook aan een ‘nieuwe godsdienst’ te willen stichten, maar bekeert zich op latere leeftijd toch tot het katholicisme.

 

Schöne Seele

In zijn “Reden über die Religion”, een stichtingsakte van een nieuwe, romantische vroomheid, wil de protestantse predikant Friedrich Schleiermacher (1768-1834) ‘het oneindige dichterbij brengen’. Zijn mystieke gevoelsreligie draait om vijf aspecten: 1) De eenheid met het universum dan wel God. Een ervaring die Freud later zal duiden als het ‘oceanisch gevoel’. Het gaat om een ‘geruisloos verdwijnen’ in het ‘onmetelijke’ dat passief wordt ontvangen en niet handelend opgezocht (zie Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik”). 2) Het is anti-institutioneel: geen kerk, geen priesterschap. Omdat je er niet over uitgepraat raakt, gaat het wel om vriendschapsstichtende gemeenschapsvorm.  3) Een overweldigend liefdevolle eenheidservaring sluit de zonde uit. Met het dualisme is ook het kwaad verdwenen. Er is geen plaats voor het christelijke apparaat van kruis, dood en opstanding, laatste oordeel en verdoemenis, dat ons een heilige schrik moet aanjagen. 4) De christelijke dogmatiek ontbreekt. Men wordt voortgedreven door de goddelijke geest die in het binnenste oprijst en praat en handelt vanuit heilige ingevingen. 5) De nadruk ligt op ‘gevoel’ en ‘aanschouwing’. Op de schoonheid van de religieuze ervaring die de mens begeleidt als ‘heilige muziek’. Op een innerlijke harmonie en ‘vrede die alle verstand te boven gaat’ waardoor elke vorm van fanatisme en vijandschap wordt geblokkeerd: “… Als we het oneindige ervaren, oefent dat een verheffende, alles op een hoger plan tillende, grensverleggende invloed op ons uit…”. Schleiermacher wordt wel in verband gebracht met de reformatorische ‘bevindelijkheid’.

 

Gekte

Rond 1800 ontstaat een nieuw soort mytheonderzoek. De romantici beginnen naar de verdwenen verre sporen van vroegere ervaring met het ontzagwekkende en oneindige te zoeken in de ‘Oriënt’. Men gaat op reis naar het toverachtige Morgenland waar de wieg van de mensheid heeft gestaan.  Men belandt aan de oevers van de Ganges en de Indus, wanneer de stille stroom die in sagen en heilige gezangen door de tijden heen vloeit tot de bron toe wordt gevolgd.  Maya. Nirwana. Een periode vol heimwee naar het verleden breekt aan. De ‘geheimen van de wereld’ zouden verborgen liggen in de ‘diepte’ van de voortijd. De romantici komen de dionysische onderstroom van de Griekse cultuur op het spoor: het orgiasme en de roes, waarachter een geheime heilige zin moet schuilen. Hoe gruwelijk is het lot van Oedipus. Hoe vreselijk de pijn van Prometheus. Wat een razernij bij Medea, die haar eigen kinderen vermoordt. Het is alsof de Grieken van de afstand tot het animale leven een afgrond hebben gemaakt, waar ze telkens weer in moeten vallen (zie Cees Nooteboom in “Rituelen” over de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus). Volgens Friedrich Schlegel was het een geniale cultuur, maar nog onverlost, nog ver van het heil verwijderd. De dionysis-cultus inaugureert het demonische. Bij Friedrich Hölderlin (1770-1843) komen de goden letterlijk uit de antieke beelden tevoorschijn. Voor hem zijn ze niet alleen een historische herinnering maar werkelijkheid. Het verwoest zijn geest, hij bezwijkt, wordt er ziek van: “… De meubelmaker Zimmer, die hem jarenlang in de toren in Tübingen vol toewijding verzorgde, heeft het op zijn Zwabische manier gezegd: ‘Door dat gedweep met het pure heidendom is-ie stapelgek geworden. En met al dat denken is-ie op één punt blijven staan, en daar draait hij nog steeds omheen...’ …”.

 

Vaderlandsliefde

In eerste instantie wordt de Franse Revolutie geestdriftig bejubeld. Allengs komt de visie op van een christelijk verenigd Europa onder de geestelijke macht van de universele katholieke kerk. Zie de mythe van het Romeinse Rijk en de voortzetting daarvan, het Heilige Roomse Rijk, dat het in Daniël geprofeteerde vierde wereldrijk zou zijn. Volgens de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen kan dit rijk de antichrist en daarmee de ondergang van de wereld nog tegengehouden (zie ook “De nieuwe Romeinen” van Gerhard F. Mehrtens). De Franse overheersing leidt tot een sterk opkomend Duits nationalisme, gevoed door de romantici. Heidelberg wordt tussen 1806 en 1808 het hoofdkwartier van deze nieuwe, op sprookjes, sagen, volkspoëzie, verhalen, getuigenissen, spreuken, profetieën, melodieën, het Germaanse oervolk en andere Teutoonse tradities gerichte romantische interesse (zie het werk van de gebroeders Grimm). Na zijn mislukte veldtocht in Rusland keren de Duitse romantici zich tegen Napoleon, het ‘genie’, de ‘wereldziel’ die ze eerst zo hebben bewonderd. Nu zou er een kwaadaardige, demonische geest door hem heen werken, een mengeling van Prometheus en Mefisto: “… De geschiedenis of God, om het even, moeten hem met een duistere opdracht hebben opgezadeld…”. Adam Müller noemt hem de ‘noodzakelijke verwoester’ die het ‘evangelie van de dood’ brengt. Volgens E.T.A. Hoffmann is hij een ‘monumentale magnetiseur’ die oprijst uit de nachtwereld. Ook Heinrich von Kleist haat hem, zwelgend in imaginaire wreedheid en moordfantasieën, met argumenten die geleidelijk overgaan in extatische waanzin. Ten oorlog! “… Kalk de pleinen, plaatsen, paden / met hun knoken glanzend wit; / Geef wat raaf en vos versmaadden / aan de vissen maar als maden; / demp de Rijn maar met hun lijken…”. Rusteloos wordt Kleist achtervolgd door panische angst voor de leegte, de ‘horror vacui’. Meermalen probeert hij vrienden, geliefden of zomaar kennissen over te halen zich samen met hem van het leven te beroven. “… Uiteindelijk heeft hij ook een vrouw gevonden die bereid was zich door hem te laten doodschieten, zodat hij daarna de hand aan zichzelf kon slaan…”. In de Slag bij Leipzig (ook wel de Volkerenslag genoemd) in 1813 werd Napoleon trouwens definitief verslagen op Duits grondgebied.

 

Het grote geeuwen

Wat de romantici verbindt is onbehagen in de gereglementeerde en geüniformeerde normaliteit. De romantici zoeken nieuwe bronnen tegen de ‘onttovering van de wereld’. Voelen zich gevangen in de ‘stalen kooi’ van de Verlichting. De moderniteit heeft alle magie ‘ijskoud ontraadseld’. Zie de ‘filisters’ die zichzelf niet toestaan zich ergens over te verbazen of iets te bewonderen. “… Het onoverzichtelijke, ook duistere trekt aan als het maar afwijkingen en uitspattingen toelaat, verrassingen in petto heeft en een ‘prikkelende ervaring’ (Eichendorff) mogelijk maakt…”. Bij de romantici begint de carrière van verveling en zinloosheid. “… Als God de verhevene is, is de ervaren leegte zijn schaduw…”, volgens Pascal. Het negatief van het verhevene. Het niets. Zo ontstaat de hectiek van het moderne bestaan. De koortsachtige bedrijvigheid. Veelal zit er niets anders op dan je ziel te verkopen aan het consumentisme. Je een slag in de rondte werken om te spenderen. Verveling is een elitaire ziekte. Zie de hoge heren die zich doodvervelen en daarom maar op jacht gaan of een oorlog beginnen. De verveling bezorgt het ‘grote verschrikkelijke ik’ een katerstemming. Als je niets meer met jezelf weet te beginnen, begint het ‘niets’ iets met jou. Dat maakt hen tot onze tijdgenoten. “… En zo wordt volstrekt duidelijk waar de romantici eigenlijk tegen vechten als ze het mysterie verdedigen: dat is het gevaar van het moderne nihilisme…”. Als metafysische entertainers verzetten ze zich tegen het ‘grote geeuwen’. Ze hebben niet zozeer een god nodig die helpt en bescherming biedt, dan wel een god die de wereld weer in raadsels hult.

 

Carnaval

“… Het paradijs ligt om de hoek. Maar ook de hel, de afgronden van de ziel…”. Zie de griezelromans. Als de ik-euforie te hoog stijgt volgt vanzelf de omslag. De mens blijkt uit meerdere personen te bestaan. Zie het thema van de schizofrenie in “Het duivelselixer” van E.T.A Hoffmann, die uit nieuwsgierigheid het slagveld van Dresden zou hebben betreden met een wijnglas in de hand: “… Merardus raakt zijn dubbelganger niet meer kwijt. Die zal op zijn schouders zitten en hem opjagen door de donkere bossen…”. Zie de ironische transformatielust van het carnaval waar het lachen verlost van de ernst en de dwang: “… Het carnaval speelt een spel van omkeringen met boven en onder, goed en kwaad, mooi en lelijk, man en vrouw. De neus kan niet lang genoeg zijn, de dwaasheid loopt op handen, met het gezichtsmasker op het achterhoofd…”.

 

Kunst als luxe

Rond de jaren twintig van de negentiende eeuw is het grote tijdperk van de Romantiek voorbij. De gemoedelijke Biedermeiertijd breekt aan. Er komen denkers op die het romantische ‘aan gene zijde’ van de hemel omlaaghalen naar het aardse leven. Friedrich Strauss ((1808-1874) lanceert zijn historische tekstkritiek in “Das Leben Jesu”, waarin iets als een ‘openbaringsgebeuren’ geen enkele rol meer speelt.  Volgens Ludwig Feuerbach (1804-1872) scheppen de mensen God in plaats van andersom. Karl Marx (1818-1883) neemt het op voor het proletariaat. De dichter Heinrich Heine (1797-1856): “… Het duizendjarig rijk van de romantiek loopt op zijn eind, en ikzelf was zijn laatste en afgedankte fabelkoning…”.  Hij steunt de communistische en socialistische ideeën, maar weet ook dat de revolutie alleen verheven is als je erover leest: “… In werkelijkheid, schrijft hij, is ze smerig, de drek komt naar boven. De smakeloosheid meet zich een goed geweten aan…”. De oude kwestie van de theodicee wordt overgeheveld naar de kunst: “… ooit vroeg men: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld het bestaan van God te rechtvaardigen? Nu wordt de vraag aan de kunst gericht en luidt ze: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld de luxe van de kunst te rechtvaardigen?...”.

 

De ondergang van de goden

Richard Wagner krijgt het voor elkaar dat religie kunst wordt. “… Het gaat er Wagner vooralsnog om een mythe te schrijven waarin de goden sterven als de vrije mens ten tonele verschijnt. Dat is de hoogste religie in de zin van de vergoddelijkte mens…”. De ‘Ring des Nibelungen’ is het grote verhaal over de ondergang van de goden. Wagner wil een ‘mythische beleving’ opwekken, en dat lukt hem ook. Zie Baudelare die ‘Tannhäuser’ beleeft als een opiumroes. “… Met Wagner begint in grootste stijl de cultus van de persoonsverheerlijking. De godenschemering had plaats gemaakt voor de vergoddelijkte kunstenaar…”.

 

Nietzsche en het dionysische

Rond het midden van de negentiende eeuw wordt de deur opengezet voor een bijzonder boude vorm van materialisme: “… Er bestaat kennelijk geen behoefte meer aan de ‘nous’ van Anaxagoras en de ideeën van Plato, en uiteraard ook niet meer aan de God van de christenen noch aan de substantie van Spinoza, het ‘cogito’ van Descartes of het ‘ik’ van Fichte en de ‘geest’ van Hegel. De geest die in de mens leeft is niets anders dan een functie van de hersenen, beweert men…”. Nietzsche (1844-1900) haat al het gezapige, de bekrompenheid, het conventionele. Voor hem behelst Wagners kunst een terugkeer naar de wilde, dronken, dionysische roes. Het ‘toppunt van vervoering’. Muziek opent de deur naar een ander bestaan. Het ‘zijn’, ‘het eigenlijke kloppende hart van de werkelijkheid’, blijkt dionysisch, wanneer het vertrouwde zijn oude vertrouwdheid verliest en onheilspellend wordt. Oók in al zijn ontzaglijke wreedheid. Het Heraclitische ‘wereldkind’ (de tijd) bouwt en verwoest zijn werelden (zie Spreuken 8:30,31). “… De dionysische opheffing van het individuele bewustzijn is een lust, want daarmee verdwijnen de ‘scheidsmuren en grenzen van het bestaan’…”. Eenmaal ontnuchterd is ‘walging’ je deel. Het doet me onmiddellijk denken aan de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra, wiens gedrag wordt uitgelegd aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm…”. Wagner blijkt een tovenaar die uiteindelijk zichzelf betovert, door ‘naar het kruis toe te kruipen’. Daar kan Nietzsche niet tegen. Hij ‘lacht’ om al dat ‘metafysische getroost’. Wijst alle schijn, zelfbedrog, dwaling en misleiding rücksichtslos af. De Übermensch is zichzelf een god. “… Maar zelfs in de ‘waanzinbriefjes’ die hij na zijn geestelijke ineenstorting de wereld in stuurt, speelt het ‘ironisch verzet’ zijn laatste, dwaze spelletje. Aan Jakob Burckhardt, zijn vaderlijke vriend in Bazel, schrijft hij op 6 januari 1889: ‘Uiteindelijk was ik veel liever professor in Bazel gebleven dan God…”.

 

Neoromantiek

De romantiek bloeit nog eenmaal op bij de dichters Hugo van Hofmannsthal (1874-1929), Rainer Maria Rilke (1875-1926) en Stefan George (1868-1933). De neoromantiek komt tot ‘leven’ in de jeugdbewegingen, de plattelandscommunes met zijn anarchisten en alternatievelingen en kunststromingen als het symbolisme, het expressionisme en de Jugendstil, die stuk voor stuk door Nietzsche zijn geīnspireerd. Rond 1900 komt een soort New Age-achtige mystiek op die zich onstuimig en opstandig tegen de officiële cultuur van het Wilhelminische Duitsland keert. Toch is de droom een wereldmacht te kunnen worden die naar de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voert, ook romantisch te noemen. Zie hoe de industriemacht Duitsland enthousiast een enorme oorlogsvloot opbouwt: zelfs de kinderen trekt men zondags matrozenpakjes aan. “… Anderhalf miljoen oorlogsgedichten moeten er in augustus uit Duitse pennen zijn gevloeid…”.  

 

Danswoede

Je zou denken dat na de gruwelen van de oorlog elke rest van romantiek wel is verdwenen. Dat is niet zo. Er zijn ook frontsoldaten die in de horror en vernietiging een duistere bekoring zien. Ernst Jünger (1895-1998) beschrijft zijn euforie op het randje van de dood: “… Toen begreep ik, als door een bliksemschicht verlicht, mijn leven tot in mijn diepste wezen…”. De oorlog is niet alleen verwoestend. Het kan ook een dramatische omkeer teweegbrengen. De soldaat die Jünger tot cultfiguur verheft is een strijdlustige versie van het dionysische. “… Romantiek betekent verlangen naar gevaar, naar sterke gevoelens, naar leven op het scherpst van de snede; zij is met dat al uitdrukking van een ‘avontuurlijk hart’…”. Wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan, walgt voor altijd van het ‘leven van de kruideniers’. In de Weimarrepubliek stikt het van de op hol geslagen profeten en charismatische figuren, van ideologieën en surrogaatreligies. Alleen de ‘dadaīsten’ volgen een ‘metafysische vermageringskuur’, maar ook dat komt in feite neer op ‘romantische ironie’. In de zomer van 1920 lokt één van de ‘inflatieheiligen’, Friedrich Muck-Lamverty, een Christusfiguur op sandalen, een ware danswoede uit. Een enorme ‘zwerm’ - à la Anja Niewierra -  ‘Wandervögel’ van soms wel vijfduizend jongeren sluiten zich bij hem aan. Er kan dus ook sprake zijn van een ‘mooi’ soort waanzin. Zie “Die Morgenlandfahrt” van Hermann Hesse. Ondertussen zorgt de ‘nieuwe zakelijkheid’ in dynamisch Berlijn voor veel actie van een andere orde: “… Een oord van ‘totale mobilisering’, verklaart Ernst Jünger, de ‘omzetting van leven in energie, zoals die zich in economie, techniek en verkeer, in het gegons van de raderen of op het slagveld als vuur en beweging openbaart…”.  De ‘ogenbliksmystiek’ van Kierkegaard raakt in de mode: het moment dat God inbreekt in het leven (zie ook “Ogenblik & Eeuwigheid” van Joke Hermsen). The point of no returne. Dat mag je niet voorbij laten gaan.  Zie hoe Josef K. zich in de roman “Der Schloss” van Franz Kafka verslaapt en daardoor een afspraak bij de autoriteiten van het slot mist. Misschien had het hem kunnen redden.

 

Een romantische nachtmerrie

Is Hitler een persoon uit een ‘romantische nachtmerrie’? De ideeën van Hitler zijn niet bepaald romantisch. “… Ze komen uit de gevulgariseerde, moreel verwaarloosde en tot ideologie verworden natuurwetenschappen: biologisme, racisme en antisemitisme. Hitler zelf beroemde zich op zijn ‘wetenschappelijke’ wereldbeschouwing…”. Zijn gedachten zijn allesbehalve warrig: “… Het angstaanjagende eraan is juist de onverbiddelijke logica waarmee in ‘Mein Kampf’ uit een paar racistische en sociaaldarwinistische premissen moorddadige conclusies worden getrokken…”. Hitler: “… de mensen vergeten dat ze hun hogere bestaan niet te danken hebben aan de ideeën van een paar dwaze ideologen, maar aan de kennis en onverbiddelijke toepassing van ijzeren natuurwetten…”. Met andere woorden: “… De wetten die gelden zijn die van het zelfbehoud en de selectie van de sterkere in een moordende strijd om het bestaan…”. Daarbij komt dat de Joden met hun mozaīsche verbod ‘gij zult niet doden!’ de ariërs een slecht geweten bezorgen. “… Hitler wil een ethiek uit de weg ruimen door de vermeende ‘uitvinders’ van die ethiek uit te roeien…”. Hermann Rauschning: “… We maken een eind aan de dwaalweg van de mensheid. De stenen tafelen van de berg Sinaī hebben hun geldigheid verloren. Het geweten is een joodse uitvinding…”. Hitler krijgt het voor elkaar een waansysteem om te zetten in werkelijkheid. Heidegger wijst op de nood van de tijd: werkloosheid, economische crisis, herstelbetalingen, burgeroorlog, gevaar van een communistische omwenteling en de zwakten van de Weimarrepubliek, die geen antwoord heeft op al die moeilijkheden. Niemand lijkt de crisis te kunnen bezweren. De tijd is rijp voor iemand die de gordiaanse knoop van de al te gecompliceerd geworden werkelijkheid doorhakt. En dan is Hitler daar, als het personage van de grote magnetiseur bij E.T.A. Hoffmann. De ineenstorting van de nationaalsocialistische heerschappij wordt door velen dan ook beleefd als het ontwaken uit een bedwelming, als het einde van een boze droom, alsof de ban is gebroken.  

 

De verbeelding aan de macht

Safranski behandelt “Doktor Faustus” van Thomas Mann. De protagonist, Leverkühn, staat symbool voor Duitsland. Beiden sluiten een pact met de duivel. Beiden worden op het eind door de duivel ingehaald. Toch blijft Leverkühn verre van de sfeer van het dionysche en faalt Mann daarom in de duiding van de ‘rauwe gebeurtenissen’, aldus Safranski. Het kwaad is bij hem het verdwaalde goede. Uiteindelijk zorgen de 68’ers nog een keer voor een flauwe romantische oprisping: het wemelt weer van de profetische nietsnutten op blote voeten, rondzwervende hasjrebellen op reis naar het Morgenland. Een vulgair soort navolgers van Rousseau volgens Safranski, die ‘comfortabel lijden aan de overvloed hier en de wereldwijde ellende elders’. In de watten gelegde studenten die een grote mond opzetten over de traditionele autoriteiten, conservatieve waarden, het naziverleden, hun zwijgende ouders en de uitbuiting van de arbeiders, maar nog nooit een fabriek van binnen hebben gezien. Terwijl ze er ondertussen wel de vruchten van plukken. Veel heeft het allemaal niet om het lijf: de existentialistische hippies van toen zijn de kapitalistische boomers van nu. Door de uitvinding van de pil was de seksuele bevrijding toch wel gekomen. “… Anderzijds mogen we de romantiek niet kwijtraken, want politiek gezond verstand en realiteitszin is te weinig voor het leven. Romantiek is de meerwaarde, het overschot aan mooie wereldvreemdheid, de overvloed aan betekenis. Romantiek maakt nieuwsgierig naar het volstrekt andere…”. Politiek en romantiek bewonen ieder hun eigen sfeer. Pas als ze zich mengen, wordt het gevaarlijk.

 

Uitgave: Olympus - 2022, vertaling Mark Wildschut, 416 blz, ISBN 978 904 670 784 5, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten