Arnold Huijgen maakte mij in “Inferno. De ontdekking van de hel” (zie mijn vorige blog) nieuwsgierig naar “Nirwana” van Tommy Wieringa, dat hij uitgebreid besprak. Het toeval wilde dat Tommy Wieringa op zondag 16 augustus jl. ook nog eens aanschoof bij ‘Zomergasten’, een uitzending die zijn roman zeer verheldert, omdat nogal wat uit “Nirwana” te herleiden is tot persoonlijke omstandigheden. Het boek, voor het eerst uitgegeven in 2023, gaat over een stinkend rijke familie die haar kapitaal te danken heeft aan een opa die hartstikke fout was in de oorlog, maar daarover zwijgt, want ja: ‘geld dat stom is, maakt recht wat krom is’. Het verhaal schijnt één-op-één gebaseerd te zijn op het leven van Pieter Schelte Heerema en de geschiedenis van zijn offshorebedrijf Heerema Marine Contractors. De hoofdpersoon, een kunstzinnige kleinzoon en het zwarte schaap van de familie, stelt de boel aan de kaak. Eerder besprak ik van Tommy Wieringa (Goor, 1967) “Dit zijn de namen” en “De heilige Rita”.
Heer Vuur
Allereerst: “Nirwana” is een ‘leuk’ verhaal en Wieringa een ouderwetse verteller, maar ik miste originaliteit. Alle elementen die voorbijkomen, zijn eerder (en beter) beschreven in romans als “Mijn naam is Asjer Lev” van Chaim Potok, “Amen” van Marcel Möring, “Zwarte schuur” van Oek de Jong, “Otmars zonen” van Peter Buwalda, “Alkibiades” van Ilja Leonard Pfeijffer en “De stamhouder” van Alexander Münninghoff – om maar wat te noemen. Ik meende op een gegeven moment zelfs de “Tuinfluiter-trilogie” van Jos van Manen-Pieters voorbij te zien komen: “… Hij dacht aan een trilogie, te beginnen met het lyrisch-onschuldige ‘Als de tjiftjaf zingt’, gevolgd door het bijtende ‘Als de tjiftjaf uitvliegt’ en besloten met het noodlottige ‘Als de tjiftjaf zwijgt’…”. In de tweede plaats gebruikt Wieringa het verhaal vooral om zijn eigentijdse meningen te ventileren. Met andere woorden: hij zwemt in morele superioriteit. Dat mag, echter maakt dat van literatuur geen kunst maar propaganda, zoals Adorno zei. Je kunt net zo goed de krant lezen. Wat de roman, zeker na het lezen van “Inferno”, wél fascinerend maakt, is het thema ‘vuur’. Hoe actueel wil je het hebben in onze apocalyptische ‘hittetijd’, waarin wij overgeleverd zijn aan ‘heer Vuur’: “... Licht wordt alles wat ik aanraak, koolstof alles wat ik nalaat. Amen...”.
Hittegolf
Ik wil vooral de rol van ‘vuur’ in “Nirwana” nagaan. Het verhaal begint tijdens de tiendaagse hittegolf van 1990 (toen ook al…), het jaar waarin Hugo Adema 14 is geworden en hij zijn onderwaterrecord probeert te overtreffen in het zwembad op het landgoed van zijn grootouders in Wassenaar. Zijn tweelingbroer Willem en hij maken zo’n ruzie dat zijn ouders hem, ten einde raad, voor een tijdje naar opa en oma Adema hebben gestuurd om weer een beetje rust in de tent te krijgen. Hij is de gezeglijkste van de twee, dus hij moet eraan geloven. Hij baalt als een stekker. Ze vergeten hem ook nog eens terug te halen…
Liefdesvuur
Hij zal het zijn moeder nooit vergeven. Het was háár idee. Tóen is zijn onvaste, ietwat losgezongen bestaan begonnen. In het voorjaar van 2016 wordt Hugo, inmiddels een succesvolle kunstenaar — hij komt zelfs bij Matthijs op de buis — wederom aan zijn lot overgelaten, ditmaal door zijn muze Loïs, een aan de weg timmerende kunstfotografe. Na twaalf jaar. Hij gaat bijna dood van eenzaamheid in zijn Amsterdamse grachtenpand (hij heeft ook nog een huis op Ibiza). Met zenmeditatie probeert hij het liefdesvuur te doven.
De wereldbrand voeden
In november van datzelfde jaar wordt zijn legendarische grootvader honderd. Hij koopt een even oude sigaar voor hem. Het lijkt hem wel toepasselijk: “… Zijn hele leven had de oude Adema in zekere zin het vuur gediend, eerst in de oorlog en later in de offshore, waar hij de fossiele industrie met krachtige innovaties vooruit had geholpen om de wereldbrand te blijven voeden. Het onttrekken van olie- en gasdeposito’s was de ‘spécialité de la maison’; de familie had er een hoge notering in de Quote 500 mee verdiend…”. Rond zijn twintigste ontdekte Hugo dat het ronde cirkeltje dat hij tijdens het zwemmen onder de linkeroksel van zijn grootvader had gezien, een ‘Blutgruppentätowierung’van de SS was. Na twee infarcten stamelt de oude man alleen nog maar, te pas en te onpas, wat onverstaanbare Duitse woorden. “… Willem Adema de Oudere had zich als jongeman in dienst gesteld van een destructieve, vitalistische ideologie; Hugo was opgegroeid in een wereld die was ontstaan op de ruïnes daarvan…”.
De mens schept zijn eigen hel
De volgende dag hoort Hugo dat Trump president is geworden, wat hem een volkomen logisch gevolg lijkt van de infantilisering van de wereld. “… Volwassenen waren grijze kinderen geworden, uitgebloeide pubers…”. Grote mensen zuigen op de Amsterdamse terrassen verzaligd aan sorbets met lichtroze en groene schuimpjes erop. Ze eten kindereten en kopen kinderdingen. Zie de badeendjeswinkel. “… De crisis van de westerse wereld, zo kwam het hem opnieuw voor, was een crisis van de onvolwassenheid, we weigerden nog langer op te groeien…”. Zelfs zijn vader heeft zich laten faceliften. Forever young. Trumps emotieregulering, zijn furor is dat van een kleuter, aldus Hugo. Een nieuwe “King Lear” is opgestaan, een ‘gekke koning’: “… Hij diende niets anders dan zichzelf – ‘Deze God, dit ene woord: Ik’. De wereld stond weinig goeds te wachten en toch was dit de richting die mensen zelf gekozen hadden…”. Zie mijn vorige blog: de mens schept zijn eigen hel.
Voor iemand door het vuur gaan
Grappig genoeg schrijft Tommy Wieringa zichzelf in het verhaal. Op straat wordt Hugo aangesproken door een man die zich voorstelt als Wieringa en zegt onderzoek te doen naar zijn grootvader. Hij loodst Hugo mee naar het NIOD om hem de documentatie over zijn opa te laten zien. Hij vertelt dat er dagboeken moeten zijn geweest, acht stuks, die zijn verdwenen. De schrijver vergelijkt zijn grootvader met de begaafde Alkibiades (zie Ilja Leonard Pfeijffer), die vier keer overliep van vriend naar vijand. De oude Adema koos ook de kant van de bezetter om zich daarna bij het verzet aan te sluiten. De commandant van de ondergrondse knokploeg ging, eigenaardig genoeg, voor hem door het vuur. Welke gekke spelletjes werden er na de oorlog gespeeld? Was de verzetsgroep een dekmantel voor foute figuren? “… Kijk, trouw is een deugd die we belonen met lintjes en medailles. Voor ontrouw is geen waardering. Neem Judas, de slechtste mens die ooit heeft geleefd volgens de traditie, maar zijn kus was er natuurlijk een van diepe vriendschap, die het wiel in beweging zette dat van Christus de Verlosser maakte. Verraad en ontrouw hebben soms geldige, complexe redenen, wil ik maar zeggen, terwijl voor trouw geen andere redenen bestaan dan die van het hart…”.
Het vuur van de kunst
Net als in “Dius” (Stefan Hertmans) komen in het verhaal allerlei namen van kunstenaars voorbij die, als je ze googelt, samen een college kunstgeschiedenis op zich vormen. De futuristische kunstenaar en protofascist Filippo Marinetti, voor wie schoonheid ‘snelheid’ was. In een bloeddorstige roes wilde hij de klassieken simpelweg vernietigen, bibliotheken in brand steken en musea onder water zetten. Karlheinz Stockhausen, die de wereld schokte door 9/11 ‘Das grösste Kunstwerk, das es je gegeben hat…’ te noemen. De performancekunst van de Servische kunstenares Marina Abramović. Katsushika Hokusai, die zijn beroemde gezichten op de Fuji en ‘De grote golf van Kanagawa’ pas na zijn zeventigste maakte. Het werk van architect Daniel Libeskind, zoon van Holocaustoverlevenden. John Everett Millais, die het model Elizabeth Siddal in een met olielampen verwarmd bad liet poseren als Ophelia, waardoor ze een zware longontsteking opliep. De iconische foto van Peter Beard met zijn benen in de bek van een enorme dode krokodil, terwijl hij onderwijl onaangedaan in zijn dagboek schrijft. De Britse popartkunstenaar David Hockney. De hel van Jeroen Bosch. De nazistische kunstenaar Wolfgang Willrich. De artificiële vreemdheid van Salvador Dalí. De pianiste Hélène Grimaud en haar roedel wolven. De Nederlandse kunsthistoricus Rudi Fuchs. De omstreden Duitse beeldhouwer Arno Breker. Relifreak Marc Mulders. De sprookjesachtige wereld van John Bauer. Michelangelo Buonarroti. Francisco Goya. Donald Judd. Georg Baselitz. Tracey Emin. Damien Hirst. Neo Rauch.
Schroeiplekken
De pleegmoeder van de schrijver blijkt de gouvernante van Hugo te zijn geweest: Beth Wiel, met haar vuurrode haar, die zich had vrijgevochten uit een gereformeerd nest, wat haar verstoting had opgeleverd. Vandaar dat Wieringa zoveel van de Bijbel weet. Ze had de jongens in overalls gestoken en met een gereedschapskist naar buiten gebonjourd. Ze legde een groente- en bloementuin aan. Ze maakte grote pannen chili con carne en stamppotten met twee rookworsten. Ze breide dikke truien en ’s avonds zat ze aan een keukentafel vol schroeiplekken te roken en te lezen. Zij had de wereld van de literatuur voor hen geopend, met stapels boeken. Zo iemand heb je nodig. Die had ik ook. Beth zag Hugo’s tekentalent en kocht alles wat hij aan materiaal nodig had om dat uit te leven. De onorthodoxe Beth en Hugo’s kokette moeder konden niet door één deur, dus uiteindelijk was ze vertrokken.
Withete woede
“… Willems woedeaanvallen waren onvoorspelbaar en hevig, in hem bevond zich een granieten kern, ondoordringbaar voor de buitenwereld en misschien ook wel voor hemzelf. Had de woede eenmaal bezit van hem genomen, dan gaf hij niet langer om de gevolgen en sloeg er, in opdracht van het commandocentrum, in het kerngesteente op los. Waarom? Omdat, zoals gezegd wordt, iemand die zijn dubbelganger tegenkomt zichzelf vernietigd voelt?...”. Een eigenaardige zaak. Ik ben zelf de helft van een tweeling. Mijn familie zit vol tweelingen. Ik ben nog nooit een tweeling tegengekomen die elkaar de hersens insloeg. Integendeel. De meeste tweelingen hebben juist een bijzonder intieme band met elkaar. “… ‘Wat moeten we nou met jou?’ had Beth tegen Willem gezegd…”. Ze vergeleek hen met Jakob en Esau, die al in de moederschoot op elkaar botsten. “… Esau kwam als eerste ter wereld, Jakob volgde met het hieltje van zijn broer tussen zijn vingers, alsof hij hem probeerde terug te trekken om zelf als eerste geboren te worden…”. De ongeboren jongen van sommige haaiensoorten schijnen elkaar in de baarmoeder op te vreten: “… Ze hadden al vlijmscherpe tanden, in het aardedonker vond een prenatale slachting plaats…”. Wieringa relateert een en ander aan de verwoesting van de Twin Towers en de boeddhabeelden in de Bamiyanvallei: “… Dubbelzinnigheid is altijd een zonde in het enkelvoudige denken van de orthodoxie, en zuivering haar enige antwoord…”. Even verder: “…Tweelingen, die verdachte speling van de natuur. Ze bedrijven ontucht in de moederschoot. Ze brengen ongeluk. In de donkere mangrovebossen van de Calabar-kust liggen zwartgeblakerde kleipotten verscholen, met daarin de stoffelijke overschotten van tweelingkinderen. Een antropoloog die onderzoek deed bij de Navajo’s ontdekte dat van de tweelingen die gezond het ziekenhuis verlieten, er vaak binnen een jaar een van beiden stierf door opzettelijke verwaarlozing. Hugo’s tante Celia, de potige oudere zuster van zijn moeder, vond het eng om Willem en hem in identieke pakjes te zien. ‘Die kunnen toch zo in een griezelfilm, die twee?’ had ze tegen Beth gezegd, die het niet verdroeg dat iemand iets lelijks over ‘haar jongens’ zei en daarop met volle bewapening tegen haar uitgevaren was…”. Beth leert Hugo terug te slaan: “… hij raakte vertrouwd met de schitterende, withete vlam die in hem opschoot, in het verterende licht waarvan alleen nog maar dat ene bestond: de vernietiging van zijn evenbeeld…”. Even verder: “… Beth las hun “De brief voor de koning” van Tonke Dragt voor op haar bed vol geborduurde kussens, en daarna in twee dagen “De gebroeders Leeuwenhart”. ‘Goh, wat is dat prachtig,’ zei ze een paar keer, en stelde hun de broers Jonatan en Karel Leeuwenhart ten voorbeeld. ‘Dat is nou broederliefde,’ zei ze…”. Voor Hugo was ze de liefste van de hele wereld, naast Leopold, een afgerichte hellehond die hun villa bewaakte.
Vlammende betogen
Opa was weliswaar fout geweest, maar dat was om tegen de communisten te vechten, werd er in de familie gezegd. Een jeugdzonde. Hugo begint steeds vaker in zijn eentje naar het NIOD te gaan om studies over het Derde Rijk en het Vreemdelingenlegioen van de Waffen-SS te lezen, waarbij zijn grootvader had gediend. Hij vindt een vlammend antisemitisch betoog van zijn grootvader (in eerste instantie werkte hij voor de SS-afdeling Propaganda), dat hij onverfroren koppelt aan de retoriek van Thierry Baudet. Hij begint een dossier aan te leggen om het te gebruiken in zijn kunst, al heeft hij nog geen idee hoe of wat. Daarmee lijkt een onzichtbare wedloop te zijn ontstaan met de auteur Wieringa, die het verleden van Willem Adema wil beschrijven in een boek waaraan hij nog niet is begonnen.
Zonder vuur geen leven
Zonder vuur is de mensheid hulpeloos als op de eerste dag, weet Hugo. De mens is geworden wie hij is door vuur; het vuur en hij zijn onafscheidelijk. Zie de homonide die des daags over de vlakte zwerft en ’s avonds zingt en danst rond het vuur. “… Het vuur verlengt de dag, binnen de kring van licht wordt de mens een denker en een verhalenverteller. De onmetelijke duisternis rondom hem brengt goden en mythen tevoorschijn, daar worden verbeelding en filosofie geboren. Overal waar de mens voet aan wal zette, brandde hij als eerste het terrein schoon. Toen de Maori’s arriveerden in Nieuw-Zeeland begonnen ze meteen de bossen plat te branden om ruimte te maken voor jacht en landbouw. Zuilen van rook stegen naar de hemel op, zevenduizend kilometer verderop vonden geofysici honderden jaren later hoge roetconcentraties uit die tijd in het zuidpoolijs terug. De mens, toegerust met vuur, verjoeg zijn vijanden eerst met brandende stokken en verzengde ze later in een crematieoven of in een nucleaire steekvlam van honderd miljoen graden. Met de hitte van het inwendige van de zon. ‘Nu ben ik de Dood geworden, de Vernietiger van Werelden’…”.
Waar rook is, is vuur
Wieringa brengt Hugo op het idee naar Beth te googelen. Hij vindt haar op Facebook. Ze slijt haar dagen als een geharde kluizenaar in een afgelegen vakantiehuisje aan de rand van het Mantingerzand in Drenthe, bij Westerbork (zie “Amen” van Marcel Möring). Als hij haar opzoekt, blijkt ze tot zijn ontzetting een totaal vervuild, doodziek kattenvrouwtje. “… Ze leidde een klein leven, een paar vierkante meter, maar een wereld aan boeken…”. De hele Russische bibliotheek. Privé-domein. John Irving. Leon Uris. Primo Levi. Twee rijen dik staan ze in gestapelde sinaasappelkratten tegen de muren. Prachtig wordt beschreven hoe Hugo en Wieringa, die hij inlicht over de situatie, haar naar het einde brengen. Voor het eerst hoort Hugo dat Beth was opgestapt als gouvernante toen de Zwarte Weduwe, Florrie Rost van Tonningen, als huisvriendin bij de Adema’s op het toneel was verschenen (inmiddels heeft Thierry Baudet haar plaats ingenomen). Ze vertelt hem ook dat hij een verstandelijk beperkte tante heeft die is opgeborgen in een antroposofische instelling in Den Haag. Geertruida. Hoe verzin je het: zijn nazi-opa die ‘unwertes Leben’ had voortgebracht. Later zal Hugo zijn tante opzoeken en met haar gaan fietsen. In de waan dat Hugo haar vader is (die haar toch maar zo lang hij kon heeft bezocht), hecht ze zich onmiddellijk aan hem. Hij lijkt een jongen met een gouden hart, waar je toch weer aan gaat twijfelen als zijn ex haar spullen komt ophalen en hij mijmert over ‘de gewelddadige toe-eigening van vrouwen’. “… Ze had een paleis verruild voor een bloempot en was gelukkig. Hij zag hem voor zich, Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden…”. Loïs, die hem verwijt dat hij ‘altijd, altijd denkt dat het over hem gaat’. Hij, die ook wel weet dat ‘zijn individualisme niet van egocentrisme is te onderscheiden’. Gaandeweg de roman ontstaat het beeld dat Hugo Loïs vooral linkt aan dampende seks. In feite kijkt hij nogal neer op haar videokunst en fotografie, ook al vertelt ze over een aanstaande eigen tentoonstelling: wat moet je daar nu helemaal voor kunnen?!
Vuur in handen hebben
Na Beth’ dood ruimen Hugo en Wieringa samen haar huisje op. Wanneer Hugo wat eerder arriveert dan zijn kompaan, vindt hij achter een stapel boeken de vergeten dagboeken van zijn grootvader. Er zit een briefje bij waarin Beth vertelt dat ze de cahiers heeft gevonden tussen haar opgeslagen boedel. Wie dat brisante bezit tussen haar spullen heeft gestoken en waarom, zullen we nooit te weten komen. Heeft Beth ze gestolen? Ze schrijft dat ze erop vertrouwt dat Hugo en Tom in gezamenlijk overleg tot een goed besluit zullen komen over wat ermee te doen. Gezamenlijk? Hugo zal wel gek zijn.
Vuur, hitte, as
Hugo leest alle dagboeken van zijn grootvader (die een verhaal in het verhaal vormen) door, typt ze over en maakt er een audiobestand van. Tommy Wiering schetst de Tweede Wereldoorlog als een ‘verbrandingsoorlog’: brandstof bepaalde er elke beweging van. Niets wordt er gemaakt zonder vuur. “… Vuur, hitte, as, dat was de zuiverste essentie van het kapitalistische model, en begeerte was zijn zuurstof…”. Alles brandt door het vuur van begeerte, aldus Shakyamuni Boeddha. Begeerte is het begin van alle lijden. Uitdoving van begeerte het einde. Nirwana. Tweelingbroer Willem, die het offshorebedrijf van de Adema’s inmiddels runt en het grootste schip van de wereld aan het bouwen is, haat de mietjes van de milieubeweging, haat de groene politiek, maatschappelijke krachten die het vuur trachten te temperen. Ze zijn schadelijk, moeten gestopt worden, en dat geldt voor emancipatiebewegingen in het algemeen.
Hittetijd
Naar aanleiding van de geboorte van de baby van een vriend: “… Gedurende haar leven zou de gemiddelde temperatuur op aarde onafgebroken stijgen. De mensheid betrad een tijdperk van extreem lijden. De planeet zou een haar vijandige plaats zijn, een nieuwe dageraad van massale migratie en extinctie was aangebroken. Misdaad, militaire conflicten en de strijd van allen tegen allen waren de verwachte karakteristieken van de hittetijd van Nora Jane. Strijd om water, strijd om koelte. Steeds grotere aantallen mensen die zich in steeds kleinere gebieden verzamelden waar nog leven mogelijk was, savannedieren rond een verdrogende poel. Vergeefs speurden ze de hemel af naar verkoelende stratocumuluswolken. Iedere generatie ervoer haar eigen tijd in meer of mindere mate als een eindtijd, maar deze tijd was nu al voor tientallen soorten per dag de eindtijd der eindtijden. Het ga je goed, Nora Jane, op dit brandende narrenschip…”.
Vuur: een geschiedenis
De ‘Toorts van Moreni’, die in 1929 ontstond toen een Roemeense olieput ontplofte, wordt vergeleken met de godverschijning tijdens de Bijbelse woestijnreis van het volk Israël, in de vorm van een wolk- en vuurkolom. Het gaat over Prometheus, die de mensheid de gave van het vuur gaf, en Blaise Pascal, die God als vuur ervoer in het ‘Genadejaar 1654’. De stoommachine van Watt, die hij aanvankelijk een vuurmachine noemde, reduceerde de mens in werkplaatsen en fabrieken tot een radertje in een gemechaniseerd arbeidsproces. Het vuur had de mens ‘verdinglicht’. “… Over een zich almaar verdichtend web van wegen verspreiden stoomlocomotieven en stoomschepen mensen, goederen, ideeën en ziektes over de aarde; in de schilderkunst is de schok over de nieuwe tijd zo groot dat het decennia duurt voordat er eindelijk fabrieksschoorstenen op het doek worden afgebeeld – al die tijd klampten kunstenaars zich geschrokken vast aan voorstellingen van het pre-industriële landschap…”. De volgende sprong in de kinetische revolutie, de verbrandingsmotor, brengt ook de hemel binnen bereik. “… Ook al is het vuur nu overal, paradoxaal genoeg verdwijnt het daarmee steeds verder uit de openbare ruimte, zoals ook de fabrieksschoorstenen alweer grotendeels uit het landschap verdwenen zijn. Het vuur raakt opgesloten in veilige ruimtes waar het niet langer gehoord en gezien wordt. Alleen de hoge pluimen uit energiecentrales en het sporadische blauwe vonkje uit de wandcontactdoos herinneren nog aan het vuur dat aan alle dingen ten grondslag ligt…”.
Furor Teutonicus
Via de dagboeken van de oude Adema wordt uitgebreid ingegaan op operatie Barbarossa, codenaam voor de grootschalige Duitse invasie in de Sovjet-Unie. Zwart op wit staan de gruwelijke feiten die Adema onmiskenbaar tot oorlogsmisdadiger bestempelen. Een soort Blauwbaard op de steppe. En Hugo is de kleinzoon van… Een soldaat heeft aan het front een gemiddelde overlevingstijd van zes weken (voor nu cirkelen er zelfs extreme berichten rond van een half uur), maar Adema komt er vooralsnog met amper een schrammetje vanaf: Hugo's grootvader wordt enkel in zijn bil geschoten. Uiteindelijk raakt hij echter zo gewond bij een granaatinslag dat hij wordt teruggehaald naar Nederland. Al gauw vragen ze hem als ingenieur om de bouw- en ontginningsprojecten te leiden in de Rijkscommissariaten Ostland en Oekraïne. Omdat hij met iedereen overhoop ligt, wordt hij ontslagen. Hij ziet de ondergang van het Herrenvolk aankomen en meldt zich van de weeromstuit bij een Haagse verzetsgroep. Terwijl hij bunkers voor de vijand bouwt, speelt hij bouwtekeningen en locaties door aan de Geheime Dienst Nederland. Commandant Versteeg is de enige bron die getuigt van Adema’s verzetsdaden. Het gerucht gaat dat Versteeg homo is. Zou zijn grootvader ook…? Hugo herinnert zich ineens de donkere slaapkamer waarin hij steeds het gevoel had dat ‘iets’ naar hem keek, wat hij later identificeerde als het silhouet van zijn grootvader. Na een korte gevangenisperiode vertrekt de oude Adema naar Venezuela om er olieplatforms uit de grond te stampen, waarmee hij fabelachtig rijk wordt. Niemand mag hem. Als hij hoort dat Shell proefboringen naar gas en olie wil verrichten op de Noordzee, keert hij terug naar Wassenaar en wordt aannemer in de offshore.
On fire
Hugo neemt zijn intrek in het oude koetshuis op het landgoed van zijn grootouders om hen, na alles wat hij over ze te weten is gekomen, te schilderen (zie de overeenkomst met “Dius” van Stefan Hertmans): “… ik wil graag dicht bij mijn onderwerp zijn, nu het nog kan. Soort voodoo…”. Volgens hem zwaait de magnetometer van het kapitaal dan wel altijd naar – uiterst – rechts (hoe kan het dan dat de Wilders-stemmers in de mainstreammedia steevast worden afgedaan als ‘laagopgeleid’?); hij profiteert er anders maar lustig van mee. Als een feodale landheer knoopt hij een seksuele relatie aan met een verpleegster van zijn grootouders. “… Staand voor zijn doek vloekte hij (evenwel) in zichzelf over het ongeluk geboren te zijn in een nest extreemrechtse eikels…”. Hij observeert zijn demente grootvader wanneer hij hem stiekem naar de gesproken opnames van zijn dagboeken laat luisteren. ‘Scheisse’ is diens hartgrondige commentaar. Hij schildert zijn grootvader als een nazimummie, gebaseerd op de Sokushinbutsu, zenmonniken die zich levend uitdrogen als een krent. Hij schildert zijn grootmoeder met een grote, groene leguaan op schoot en daarna zo oud als een schildpad, met een grijs kind als een bejaarde pop in haar armen: zijn tante. Een traditionele Madonna met een monsterlijk Jezusje: pas bij Rembrandt werd het Christuskind normaal. ‘You’re on fire, darling’ – juicht zijn agenet. Wát een comeback. Ook de beeldende kunst is een opwindingsmachine geworden, draaiend om rankings en veilingrecords.
Wie vuur eet schijt vonken
Terwijl hij zijn eigen waanzinige tentoonstelling bij elkaar schildert, ontvangt hij een uitnodiging van zijn ex voor haar expositie in het fotomuseum van Amsterdam. Argeloos gaat hij er naartoe en wordt ‘kermend als een hond’ geconfronteerd met overgeschilderde foto’s van zichzelf, in de meest compromitterende houdingen die je je maar kunt bedenken, waarmee ze hem als een seksueel roofdier uitlevert aan het publiek. Toxische mannelijkheid - ‘Grab ‘em by the pussy’. “… Foto na foto doodde ze hem, haar antimuze. Komkommer. Augurk. Haha, arme klootzak…”. Zes kleine foto’s samengebracht waarop een hoofdloze naakte mansfiguur te zien is. Hijzelf. Op elk ervan zijn geslachtsdeel overgeschilderd met bizarre structuren die er uit zien als weerhaken, vlijmscherpe dolken, speldenkussens. “… ‘Aedagus’ heette het werk, wat volgens het opschrift ‘insectenpenis’ betekende…”. Daar sta je dan met je anarchistische vrijheidsliefde. Later die avond belt haar manager aan. ‘Rustig cowboy’. “… Jij hebt alles, vergeet dat niet: succes, the life of plenty. Voor jou is dat vanzelfsprekend maar voor haar is het dat nooit geweest. Een geleend leven, zo ziet ze dat nu. Mensen nemen vroeg of laat altijd wraak op afhankelijkheidsrelaties. Het brengt de balans in evenwicht. Hoe pijnlijk ook…”.
Uitdoving
Nog één keer vlamt Hugo met zijn nachtmerrieachtige tentoonstelling rond de nazi-heilige in het museum Van Beuningen, waarna hij natuurlijk door zijn familie wordt uitgekotst. Daarna dooft hij uit, wat ook weer een verhaal apart is.
Uitgave: De Bezige Bij -2026, 488 blz., ISBN 978 940 313 945 6, € 17,50
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten