Menu

dinsdag 25 augustus 2026

Inferno – Arnold Huijgen

 


Subtitel: De ontdekking van de hel

 

De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat, aldus de starets in “De broers Karamazov” van Dostojevski (zie mijn vorige blog). Theoloog Arnold Huijgen, wiens boek over “Maria” ik eerder besprak, schreef een cultuurgeschiedenis over het meest beladen onderwerp uit het christendom: de hel.

 

Mysterie

Eeuwig vuur. Marteling. Demonen: wie aan de hel denkt, krijgt direct allerlei beelden op het netvlies. Eeuwenlang was de hel voor gelovigen een afschrikwekkend visioen van het hiernamaals. Tegenwoordig is dit visioen bij de meeste mensen naar de achtergrond verdwenen. Dat moet anders, zegt Arnold Huijgen: we hebben de hel nodig. Daar zou een dieptepsycholoog als Jung het helemaal mee eens zijn, denk ik. Zie zijn “Herinneringen Dromen Gedachten”, waarin hij stelt dat als wij het ‘huiveringwekkende’ van God opzijzetten, het christendom zal verwateren – en dat is dan ook gebeurd. Godsdienstfilosoof Rudolf Otto muntte in dit verband de uitdrukking ‘mysterium tremendum et fascinans’. Het zoete, lieve en aardige verveelt snel. Zie hoe Gerard Reve in “Moeder en zoon” met verbijstering de katholieke afbeeldingen bekijkt van de kitscherige “… Mariaas zonder tieten, in nachtpon en met kersrood pruilmondje…”. Hij komt tot de conclusie dat het niet anders kan of zoveel bijna godslasterlijke onbenulligheid moet een dekmantel zijn voor iets anders, iets diepers. Een tijd geleden was ik in een gigantische loods vol tweedehandsboeken. Bij de afdeling christelijke theologie vóélde je gewoon de versuffing intreden. Hoe komt dat toch, dacht ik. Welnu, wij leven in tegenstellingen, aldus Jung. Wij kunnen niet buiten die tweeheid. Wij gedijen onder spanning. Het mysterie geeft ons energie. De hel is een sinister raadsel. Huijgen vertelt waar ons beeld van de hel vandaan komt, wat Jezus er werkelijk over zegt en waarom we de hel opnieuw moeten leren omarmen. Is de hel een werkelijkheid, een metafoor of allebei? En wat betekent het dat Christus volgens de geloofsbelijdenis ‘is nedergedaald ter helle’?

 

De hel: prominent aanwezig buiten de kerk

Het gekke is dat anno 2026 de hel prominenter buiten dan binnen de kerk te vinden is. Zie de hitte en de bosbranden van deze zomer. Terwijl geestelijken verlegen zijn met de hel, gaat het in het nieuws onbekommerd over de ‘klimaathel’, de ‘hel’ van oorlogen, aardbevingen en de bio-industrie. De uitbuiting van arbeidsmigranten maakt het leven tot een ‘hel’ en de drugsmaffia verandert landen in ‘de hel op aarde’. “… De hel is de metafoor bij uitstek voor het summum van uitzichtloze ellende. Dat geldt niet alleen voor de buitenwereld, maar ook voor het mentale leven …”. Zie de zanger Stromae en zijn nummer ‘L’enfer’, over zijn eenzaamheid en zelfmoordgedachten. Zie de zangeres Billie Eilish en haar nummer ‘All the Good Girls Go to Hell’: “… De videoclip toont hoe een engel vleugels aangemeten krijgt om vervolgens van de hemel naar de aarde te vliegen. Zij komt in een berg olie terecht, waardoor haar vleugels niet meer functioneren. Als ze zich uit de smurrie weet los te maken, sleept ze de vleugels vol teer achter zich aan. Intussen breekt op de achtergrond een verzengende brand uit. Billie Eilish heeft gezegd dat het nummer verwijst naar klimaatverandering en naar haar frustratie over de mensheid die de planeet verwoest. De Californische heuvels branden vanwege de slechtheid van de mensheid. Proberen het goede te doen heeft geen enkele zin meer; daarom is het geen probleem om je aan geen enkele regel meer te houden. De videoclip eindigt met een grote brand, een inferno.‘There’s nothing left to save now’: er is niets meer over om te redden …”. Zie daarentegen de komische serie ‘The Good Place’, waarin wordt verkend wat hemel en hel eigenlijk zijn. De hoofdpersonen denken dat ze na hun overlijden in de hemel zijn, maar dat wordt hun wijsgemaakt door de demon Michael. De plaats is zo ingericht dat ze elkaars leven tot een hel maken.

 

Plato

De hel bestond al in voorchristelijke tijden. De Griekse filosoof Plato schrijft dat zijn leermeester Socrates onderwees dat mensen die vroom en rechtvaardig hadden geleefd, na hun dood op de ‘eilanden der gelukzaligen’ terechtkwamen. De goddelozen en onrechtvaardigen werden naar de ‘Tartaros’ (onderwereld) gestuurd. De meest onverbeterlijke zondaars zijn tirannen, koningen en machthebbers. Hun straf is eindeloos. Zie Sisyfos: tot in der eeuwigheid moet hij een zwaar rotsblok een steile helling op duwen, dat steeds weer naar beneden dendert. Zie Tantalos: tot zijn kin staat hij in water dat aldoor wegvloeit als hij een slok wil nemen, terwijl boven hem een boom staat waarvan de takken steeds wegwaaien wanneer hij er fruit van wil plukken. Zie Tityos: dagelijks verslinden twee gieren zijn lever; elke nacht groeit het orgaan weer aan. De middelmatige mensen krijgen in de onderwereld evenwel de gelegenheid om zich te reinigen en boete te doen. Zie de overeenkomst met het rooms-katholieke ‘vagevuur’. “… Gewone mensen zijn volgens Plato enkel te motiveren tot gehoorzaamheid en het goede door de gedachte aan beloning of bestraffing in het hiernamaals …”. Zie ook het verhaal over de soldaat Er.

 

Rondzwervende apocalypsen

In de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis doen zogeheten ‘apocalypsen’ de ronde, waarin de helse kwellingen met wel heel lugubere verbeeldingskracht worden beschreven. De “Apocalyps van Petrus” weet te vertellen dat wie God lastert, aan zijn tong wordt opgehangen boven een onuitblusbaar vuur en ook nog met gloeiend ijzer wordt bestraft. Valse getuigen worden de lippen afgesneden; vuur verspreidt zich in hun monden en ingewanden. Vrouwen die mannen verleiden, worden aan hun haren opgehangen boven eeuwige vlammen; mannen die op hun avances zijn ingegaan, aan hun genitaliën. Vrouwen die een abortus hebben ondergaan, komen tot hun nek in de drek te staan. Degenen die de armen negeerden, gaan gekleed in vieze lompen. Maar er is wel een mogelijkheid tot bekering na de dood. Ook in de “Apocalyps van Paulus” is er sprake van gruwelijke straffen en verzachting op verzoek. Wanneer de zondaren God aanroepen om erbarmen, krijgen ze voortaan op zondag vrijaf. Volgens de koptische traditie zou ook de tijd tussen Pasen en Pinksteren vrij zijn van helse straffen. Een en ander is eerder in de geest van Plato dan van de Bijbel, die juist erg terughoudend is inzake eeuwige straffen.

 

Augustinus

De grootste kerkvader aller tijden, Augustinus, weet het zeker: de hel is een plaats van altijddurende pijniging. Wie meent dat de hel een ‘doorgangshuis’ is, ondermijnt daarmee de betrouwbaarheid en rechtvaardigheid van God. Over ‘de eeuwige heerlijkheid’ is Augustinus een stuk bescheidener: steeds benadrukt hij dat het menselijk verstand dit mysterie niet kan doorgronden. Ooit was Augustinus lid van de sekte van de manicheeërs, die de werkelijkheid opdeelde in het rijk van de duisternis en het rijk van het licht, die eeuwig met elkaar streden. De vraag is of zijn rigoureuze visie geen laat effect is van zijn persoonlijke worsteling met dit manicheïsche dualisme.

 

Dante

Van alle middeleeuwse teksten over de hel (zie bijvoorbeeld “De reis van Brandaan” of de “Belijdenis” van St. Patrick) heeft Dante’s populaire “Commedia” de beeldvorming het meest bepaald. In zijn gedicht beschrijft hij de negen kringen van de hel, elk bewaakt door een mythisch monster, waar zijn gids Vergilius hem doorheen leidt. Vanaf de poort van het paradijs volgt hij Beatrice, zijn overleden muze. “… In Dantes hel komen vuur, duisternis en duivels veel voor. Het regent er vuur, ‘in grote vlokken, als sneeuw in bergland bij geen zuchtje wind’. Er is een rivier van kokend bloed, mensen branden in het vuur, terwijl Lucifer vastgevroren zit in het ijs. De hel is het laagste, de ‘mono basso’, een donkere put. De duivels zijn geen anonieme straffunctionarissen, maar komen tot leven. In canto 22 wordt de strijd tussen de duivels onderling geschetst. Ze dragen fantasierijke namen als Barbariccia (Baardaap), Graffiacane (Spiesma), Rubicante (Roskaak), Libicocco (Slokop), Draghinazzo (Draakgebroed), Farfarello (Fladderbeen), Alichino (Vlerkmans) en Calcabrina (Flitsvoet). Samen zijn zij de ‘Malebranche’ (Kwaaie Klauwaards) in de ‘Malebolge’…”. Zie ook “Brieven uit de hel” van C.S. Lewis.

 

Helletocht

De held die halverwege zijn queeste de onderwereld betreedt, is een mythisch thema. Ilja Leonard Pfeijffer heeft het in een interview in NRC van 19-05-2023 over de term ‘mesohadie’, die hij voor de helletocht uitvond. Zie: “… Odysseus, Aeneas, Dante. Hans Castorp in 'De Toverberg' van Thomas Mann. Alfred Issendorp in 'Nooit meer slapen' van W.F. Hermans. En, kun je zeggen, het personage Ilja Pfeijffer in Grand Hotel Europa’: na een nacht met een minderjarig meisje verdwaalt hij in een donker bos. In zijn streven naar roem en eer zinkt de held naar een dieptepunt, waar zich een wending voordoet en hij de weg naar boven weer vindt …”. Pfeijffer overleefde als legendarische zuipschuit zijn eigen helletocht ook dankzij een vrouw. De hellevaart is een geestelijke reis, een spirituele tocht. In feite is zij ingebed in de levensreis van ieder mens. Zie de eerste regels van de 'Commedia': “… Op ’t midden van ons levenspad gekomen / trof ik mijzelf in ’n donker woud: ik had / de rechte weg geheel uit ’t oog verloren …”. Dante moet de confrontatie aangaan met de diepte om zo de weg omhoog te vinden: “… De weg door de hel functioneert als een boetedoening en inkeer, bedoeld om tot transformatie te komen …”. Zie Jesaja 38:10. “… Wie in de hel afdaalt, daalt daarmee ook in de krochten van zijn eigen ziel af. Spreken over de hel is een exercitie in zelfkennis …”. Zie ook “Spiritualiteit van beneden” van Anselm Grün en Meinrad Dufner. Tot de verschrikkingen van de hel behoort dat er ‘geen Heilig Aanschijn’ te zien valt. “… Door dat gebrek heerst er duisternis en chaos. Voor Dante is Christus allereerst toonbeeld van zuiverheid, ‘de doorbraak van puur goddelijk licht’ …”. Zie het evangelie van Johannes. “… Als de 'Commediagelezen wordt in het licht van de existentiële crisis van ieder mens, is Christus degene wiens levensweg gevolgd wordt naar het licht …”.

 

Poena damni en poena sensus

Huijgen: “… De protestantse traditie nam nadrukkelijk afstand van de gedachte van een vagevuur, maar behield de augustiaanse visie op de hel …”. Huijgen bespreekt de belangrijkste belijdenisgeschriften in de gereformeerde traditie: de “Nederlandse Geloofsbelijdenis”, de “Dordtse Leerregels” en de “Heidelbergse Catechismus”. Daarbij maakt hij onderscheid tussen ‘poena damni’ en ‘poena sensus’. De eerste term wijst op de uitsluiting van het aanschouwen van God, en daarmee op de hel als innerlijke toestand van de mens. De tweede term verwijst naar de daadwerkelijke kwellingen van vuur en martelingen die de verdoemden ondergaan. In de moderne theologie wordt vrijwel uitsluitend uitgegaan van de ‘poena damni’. De eeuwige straf zou draaien om het verlies van Gods aanwezigheid, om het niet-bij-God-zijn, omdat de christelijke traditie de dreiging van pijniging in het hiernamaals onmiskenbaar van Plato heeft overgenomen. God straft niet actief, maar laat de mens aan zichzelf over: het kwaad straft zichzelf. De straf uit zich in existentieel en geestelijk verlies. De leer van eeuwige pijniging stuit dan ook op twee morele bezwaren. Is de eindeloze duur van de straf wel rechtvaardig ten opzichte van de per definitie tijdelijke menselijke overtredingen? En God is toch geen sadist?

 

Het Oude Testament

Wat zegt de Bijbel? Het Oude Testament kent geen straf na de dood. In het hier en nu komt wel vaak een drievoudige straf voor: het zwaard (oorlog), de honger en de pest (ziekte). Vaak vallen de straffen milder uit dan God had aangekondigd. Adam en Eva zouden sterven als ze van de verboden vrucht aten, maar mochten toch blijven leven, zij het buiten de tuin van Eden. God beschermt de moordenaar Kaïn wanneer hij zijn straf te zwaar vindt. Wanneer Jozef door zijn broers als slaaf wordt verkocht, keert God het kwaad ten goede. Na een gesprek met Mozes besluit God, nadat het volk het gouden stierkalf heeft gemaakt, tóch met het volk Israël mee te trekken. Als de profeet Hosea verkondigt dat de maat vol is vanwege de ontrouw van het volk, kan God het evenwel niet over Zijn hart verkrijgen om Zijn uitverkorenen te vernietigen. Ook de inwoners van Nineve worden gespaard.

 

Het Nieuwe Testament

In de gelijkenis van Jezus over ‘de rijke man en de arme Lazarus’ lijkt de lezer wél een inkijkje in de hel te krijgen. Huijgen vergelijkt de parabel met het Egyptische verhaal van Setme en zijn zoonSi-Osiris. De gelijkenis is spannend voor rijke westerlingen. “… Lazarus vormt Gods appel op de rijke. De hel die de rijke na het sterven ervaart, spiegelt de hel die Lazarus zijn leven lang ervaren heeft…”. Zijn armoede brengt hem in de hemel. “… Wie die armoede enkel vergeestelijkt tot een innerlijke houding, haalt uit elkaar wat het Oude Testament bijeenhoudt. De Bijbel is een verontrustend boek voor rijken. De gelijkenis van de rijke en Lazarus leert namelijk: de beste manier om te voorkomen dat je je ogen opendoet in de hel, is je ervoor inzetten dat het leven van anderen niet tot een hel wordt…”. Matteüs heeft het over de scheiding tussen schapen en bokken (Matt. 25:31-46). De laatsten zijn bestemd voor het ‘eeuwige vuur’, maar wat daar precies mee wordt bedoeld, wordt niet uitgelegd. Uit zijn verhalen blijkt vooral dat je het leven zelf verliest wanneer je uit het blikveld van de Mensenzoon raakt. Zie de rechter die zegt: ‘Verdwijn uit mijn ogen’ (Matt .25:41), de meisjes die buiten staan terwijl de heer zegt: ‘Ik ken jullie niet’ (Matt. 25:12), en de nutteloze dienaar die eruit gegooid wordt (Matt. 25:30). Zie opnieuw de nadruk op de ‘geringsten’. Bij Paulus en in Openbaringen begint het ‘gericht’ met Jezus’ verschijning en openbaring ‘vanuit de hemel’ (2 Tes.1:8). Zijn oordeel gaat kennelijk met ‘vuur’ gepaard (1 Kor. 3:13; Jes. 66:15). Ook bij Paulus vindt een ‘omkering’ plaats: wie nu onderdrukt, zal straks onderdrukt worden, en andersom. De straf van een eeuwige ondergang duidt vooral op het definitieve karakter ervan: er is geen mogelijkheid tot herstel meer. Het heil voor de gelovigen bestaat uit het altijd bij Hem zijn (1 Tes. 4:17). Het onheil bestaat in de ruimtelijke afstand die ontstaat tussen Jezus en de ongelovigen. Wie Jezus afwijst, zal ver bij Hem vandaan terechtkomen: “… Ver weg van Jezus zijn: dat is de hel…”.

 

Hanna Arendt

Filosofe Hannah Arendt (1906-1975) stelt dat de hel bij Plato een politiek doel diende, dat via de Romeinen door de westerse kerk werd overgenomen. Het idee van een afrekening na de dood hield mensen in het gareel. In de moderniteit werden autoriteit, traditie en religie afgeschaft en de dreigende functie van de hel in het hiernamaals geseculariseerd tot fantasierijke vormen van de hel op aarde. Zie de vele vormen van terreur. Zie de concentratiekampen. De rol van de hel is in de westerse geschiedenis alleen maar verschoven.

 

Michel Foucault

Het denken over straf in het hiernamaals lijkt analoog aan het denken over straf in het hier en nu. De Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) laat in zijn boek “Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis” zien hoe vanaf de Franse Revolutie, voorbereid door de Verlichting, de focus op lijfstraffen verschuift naar het psychische. Met de doorbraak van de guillotine werd de doodstraf een schone, mechanische en bijna administratieve handeling. Zonder het uitzicht op een hiernamaals is de dood evenwel de zwaarste straf die er bestaat. De gevangenis geeft de gestrafte via heropvoeding en disciplinering een kans op rehabilitatie. De moderne mens heeft God misschien niet meer nodig om te straffen; in Zijn plaats zijn intussen wel de oordelende blikken van anderen gekomen. Wanneer je buiten de lijntjes kleurt, is de kans niet gering dat je op de nieuwe media wordt gecanceld. Onze tijd wordt gekenmerkt door standaardisatie, normalisatie en surveillance. Om te voldoen aan de hoge eisen van de buitenwereld zijn ‘deugmensen’ constant bezig met zelfverbetering. Dat leidt weer tot verlies aan individualiteit, want het ‘betere zelf’ wordt collectief gedefinieerd, bijvoorbeeld in gestandaardiseerde termen van gezondheid, maar ook als de juiste mening, schoolprestaties, BMI of Cito-score. “… Doorgaande disciplinering leidt tot gestandaardiseerde mensen, waarbij creatieve paradijsvogels niet meer mogen voorkomen…’ (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley). Wie God afschaft, brengt de hel dichterbij. Zie Hannah Arendt.

 

Oliver O’Donovan

Volgens de anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan (geb. 1945) hebben de Bijbelse straffen niet betrekking op een uitwisseling, transactie of betaling (exchange), maar op een passend antwoord op gedaan kwaad. Gods straf is geen wraak en evenmin slechts een middel om toekomstig kwaad te voorkomen; zij is een publieke daad van rechtvaardig oordeel die het gepleegde kwaad serieus neemt.

 

Onsterfelijkheid: gave van God

Er is in de kerkgeschiedenis enorm veel gespeculeerd over het leven na de dood. Het ‘annihilationisme’ is het geloof in de definitieve vernietiging – mogelijk door vuur – van de goddelozen (vandaar het woord ‘nihil’ in de aanduiding). “… De gelovigen ontvangen hun onsterfelijkheid als een gave, de ongelovigen niet …”. In de vroege christelijke geschriften, zoals de ‘Didachè’, wordt gesproken over twee wegen: één van het leven en één van de dood. Wie zich afwendt van het licht, kan alleen zichzelf beschuldigen van het duister waarin hij zich bevindt. “… Annihilationisme kwam op als een loot aan de humanistische stam. Een altijddurende straf zou inhumaan zijn en daarom niet passen bij Gods goedheid …”.

 

De sjeol

In het Oude Testament komen alle doden in het dodenrijk, de sjeol, terecht: “… Bij andere volken in de antieke wereld werd de onderwereld bevolkt door een of meer goden, dus bleef de geest van de dode op de een of andere manier met de godenwereld verbonden. Zo niet onder Israël, dat de ene God belijdt. Hij woont in de hemel …”. Aan de andere kant wijzen enkele teksten erop dat God zelfs in het dodenrijk kan ingrijpen: “ … Niemand die vlucht zal ontsnappen; niemand die ontsnapt zal ontkomen. Al kruipen ze de onderwereld in, Ik breng ze naar boven; al klimmen ze op naar de hemel, Ik haal ze naar beneden …” (Amos 9:1-4). “… Vergelijk Psalm 139:8, waarbij de vraag is of het voor de dichter goed of slecht nieuws is dat JHWH hem overal ziet …”. In het Nieuwe Testament is er sprake van het dal van Hinnom, in het Grieks aangeduid als Gehenna, bij Jeruzalem, waar het laatste oordeel zal plaatsvinden. Het wordt aangeduid als ‘Moorddal’ omdat het verbonden is met de dood vanwege de Molochcultus en de daarbij behorende kinderoffers (Jer. 7:31-32). Vroegjoodse rabbijnen lokaliseerden hier ‘de poorten van Gehenna’, ofwel de ingang tot de onderwereld. De gnostische geschriften leggen eveneens expliciet een verbinding tussen de Olijfberg en Gehenna, evenals de islam, die de hel situeert tussen de Olijfberg en de Tempelberg, Haram al-Sharif. Nieuwtestamentische teksten over de Gehenna wijzen eerder op de dood als straf dan op een straf ná de dood. Zie Mat. 10:28. Veel nieuwtestamentische teksten wijzen op de straf van vernietiging en verloren gaan in een vuur dat niet kan worden uitgeblust, maar niet op eeuwigdurende pijniging. Zie Mat. 3:12 en Mat. 13:30. De straf is de dood. De wormen die ‘blijven knagen’ (Marc. 9:44, 48) zijn de wormen die zich tegoed doen aan de lijken.

 

De grote scheiding

Uit diverse gelijkenissen blijkt dat engelen bij het eindoordeel een scheiding zullen voltrekken tussen ‘kwaadwilligen’ en ‘rechtvaardigen’. De kwaadwilligen kijken ‘jammerend en knarsetandend’ toe hoe de rechtvaardigen het koninkrijk van hun Vader mogen binnengaan, waar zij zullen stralen als de zon (Mat. 13:42). Steeds gaat het over de ‘afwijzing’ en het ‘buiten blijven staan’ van de onrechtvaardigen. Zie bijvoorbeeld de gelijkenis van de wijze en dwaze meisjes. De olie in de lamp wijst volgens Huijgen op de ‘gehoorzaamheid’, en wel aan de Bergrede - die gehoorzaamheid is niet overdraagbaar. Zie ook de gelijkenis van de koninklijke bruiloft: de man zonder ‘bruiloftskleed’ wordt uit de feestzaal gegooid. Denk ten slotte aan Petrus, die na zijn verraad ‘bitterlijk huilde’, maar later toch weer werd aangenomen.

 

Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch

Het ‘annihilationisme’ gelooft in ‘de totale vernietiging’ van zondaren in het hiernamaals: dood is dood. Maar in de filosofisch sterk onderbouwde tv-serie ‘The Good Place’ is de hemel ook niet alles, want onnoemelijk saai: “… eindeloze perfectie levert eindeloze verveling op…”. Eveneens is het op aarde niet altijd even leuk. Wat als ‘het grote niets’ al in dit leven begint? Denk aan het apocalyptische schrikbeeld van klimaatverandering of, vanwege de oorlogen, aan een wereldomvattende nucleaire ramp. Dreigende catastrofes duiden erop dat de mens God niet nodig heeft om vernietigd te worden; we kunnen dat heel goed zelf. “… Paradoxaal genoeg roept de ultieme catastrofe de neiging op er spektakel van te maken om deze op afstand te plaatsen…”. Zie de films 'Don't Look Up' (2021) en Lars von Triers ‘Melancholia’ (2011). De apocalyps is allang gaande. Filosoof Walter Benjamin: “… juist het feit dat alles zo doorgaat maakt de catastrofe. Het is geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar juist een continuering van de status quo…”. De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen. Sterker nog, de geschiedenis is een aaneenschakeling van catastrofes. Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch. “… De fossiele brandstoffen die massaal worden opgepompt en verbrand, zijn getuigen van eerdere catastrofes die de aarde troffen. De stichting van de staat Israël in 1948 kwam mede tot stand vanwege de gruwelijke moord op de Joden in de Shoah. Veel Palestijnen duiden die stichting aan als de Nakba, de ramp…”. Even verder: “… In het verleden zorgden enorme vulkaanuitbarstingen voor misoogsten en zorgde de ‘kleine ijstijd’ voor lagere productie. Bovendien leven we na de enorme ontbossing van het Amazonegebied en daarvoor van Europa. Mensen zijn bij uitstek in staat rampen te accepteren en zelfs als kansen te zien: nu Siberië heel andere temperaturen kent, wordt de grond misschien wel geschikt voor landbouw…”. Vernietiging is de standaardoptie in dit leven, aldus Huigen. Redding is door de vernietiging heen komen, aan het verderf ontheven worden. Zie het evangelie van Johannes. “… Daarin zijn oordeel en verderf geen toekomstige, maar huidige realiteiten: wie niet gelooft, is reeds veroordeeld (Joh. 3:18)…”. Wanneer God mensen aan zichzelf overlaat, storten ze zich uit zichzelf in het verderf. Verloren-zijn is onze huidige staat, geen toekomstige toestand. “… Verloren is niet wie later veroordeeld wordt, maar wie nu niet gelooft…”.

 

Tommy Wieringa

De wereld zal volgens Petrus vergaan door vuur. Uitgebreid analyseert Huijgen het thema ‘vuur’ in “Nirwana” van Tommy Wieringa, een roman over ‘hittestress’. Vuur is ‘een goede knecht, maar een slechte meester’. Het omvat zowel de kachel als Armageddon. Kunstenaars zijn vol vuur, mensen hebben vurig lief en de economische vuren mogen nooit doven. Het fascisme wordt beschreven als een onuitblusbaar vuur. Begeerte is een vuur dat niet te controleren valt. Met vuur vernietigen we alles wat we ons toe-eigenen, volgens de filosoof Giorgio Agamben. De ergste vorm daarvan is wanneer mensen zichzelf andere mensen toe-eigenen en hen zo ‘ontmenselijken’. “… Enerzijds moet het vuur blijven branden, anderzijds moet het worden getemd – en uiteindelijk dooft het uit…”, aldus Wieringa. Een personage raakt gefascineerd door de ‘Sokunshinbutsu’, de ‘levende boeddha’s’: oosterse monniken die tijdens een extreem proces van meditatie hun lichaam uitdroogden als een krent, tot de dood erop volgde. Wieringa toont de hel als een soort zelfontbranding van de mens.

 

Friedrich Nietzsche

Nietzsche zag het nihilisme als een onvermijdelijke dreiging aankomen rollen. Het gaat om een nieuwe fase in de Europese cultuur, na de afrekening met de christelijke moraal en met God, waarin de mens er alleen voorstaat in een volstrekt zinloze wereld, waarvoor geen alternatief bestaat. Het menselijke verlangen naar een andere wereld verdwijnt daarentegen niet. De enige drijvende kracht is volgens Nietzsche ‘de wil tot macht’, ook wanneer deze verpakt wordt als (christelijke) moraal. Er zal onvermijdelijk een strijd ontstaan tussen verschillende motieven, want er bestaat geen gedeeld ‘goed en kwaad’ meer. De grootste schreeuwerd wint. Wat goed en fout is, wordt een kwestie van opinie. De plaats van God is leeg, dus zal de mens die plaats innemen (zie “Het lege ik” van Jeffrey Satinover). Alles wat eerder tegen God in stelling werd gebracht, zal tegen de mens worden aangewend. De afschaffing van God leidt uiteindelijk tot de afschaffing van de mens. Nietzsches nihilisme betekent de hel op aarde. Huijgen: “… Wie het christelijke spreken over de hel gruwelijk vindt, moet onder ogen zien dat het nihilisme in alle opzichten net zo erg is…” Even verder: “… Het is veelzeggend dat hel en het toekomstig verderf in de paulinische brieven een marginale plek hebben en in het evangelie van Johannes zelfs geen enkele. Het verderf is de huidige realiteit van ellende en zonde waarin mensen zichzelf hebben vastgedraaid en waaruit Gods ingrijpen in Christus redt…”.

 

Vagevuur en universalisme

Huijgen bespreekt vervolgens diepgaand de geschiedenis van het vagevuur en het universalisme: de gedachte dat alle mensen uiteindelijk gered worden (zie bijvoorbeeld Rom. 5:18). “… De Reformatie werd geboren uit verzet tegen het vagevuur, specifiek tegen de zogenaamde aflaten, de mogelijkheid om door gebeden en financiële bijdragen de tijd in het vagevuur voor geliefden te bekorten …”. Hij concludeert dat de gedachte aan een ‘reinigingsvuur’ in een tussentijd na de dood vreemd is aan het Nieuwe Testament. “… Reiniging en zuiverheid zijn wel belangrijke thema’s in de Schriften, maar in het leven hier en nu, niet in een tussentoestand hiernamaals …”. Ook het universalisme kan zich niet overtuigend op het geheel van het Nieuwe Testament beroepen. Alle drie de visies op de hel — de traditionele leer, het annihilationisme en het universalisme — kunnen met Bijbelteksten worden onderbouwd, zowel pro als contra. Wat weten wij, kleine mensen, nu helemaal? - dacht ik. Voor een leek als ik is het vooral verbijsterend hoe theologen in de loop der eeuwen de leer van de hel tot in het minutieuze hebben uitgeplozen en afgekloven. Ik begon me werkelijk af te vragen wat we eigenlijk opschieten met zoveel vermoeiende muggenzifterij. Misschien is het commentaar van H. Berkhof nog wel het meest aansprekend: “… In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn …”

 

‘Nederdaling ter helle’ in de kunst

Alle bla-bla verstomt gelukkig in de kunst die Huijgen erbij betrekt. Prachtig is zijn uitleg over de paasicoon van de Sienese schilder Duccio di Buoninsegna, de zogenaamde ‘Maestà’, het dubbelzijdige altaarstuk dat hij tussen 1308 en 1311 schilderde voor het hoofdaltaar van de Duomo van Siena (zie de omslag van het boek). Afgebeeld is Christus’ ‘nederdaling ter helle’. Hij vergelijkt dit altaarstuk met de moderne installatie ‘Descent into Limbo’ van Anish Kapoor uit 1992: de hel als een peilloos diep gat, dat een oneindige val suggereert in de pure leegte, het absolute nulpunt, of mogelijk zelfs een poort naar een andere dimensie.

 

Michel Houellebecq

Voor Huijgen is de hel allereerst de ervaring van eenzaamheid en godverlatenheid, als de hel van het niets en de dood. Dát is de hel waarvan Christus bevrijdt: “… Zonde maakt de mens eenzaam: deze begint namelijk bij de mens die als God wil zijn en daarom Gods God-zijn niet kan verdragen. Daardoor vervreemdt de mens niet alleen God van zich, maar ook andere mensen, die immers concurrenten zijn voor de vacant geachte positie van God. De zondige mens is, zo stelt Luther, ‘incurvatus in se’: ‘in zichzelf gekromd’, egoïstisch en eenzaam…”. Nog erger is het als je zelfs voor jezelf niets meer betekent – zie de moderne literatuur na WO II. “… Het typisch moderne accent op eenzaamheid en op het niets wordt scherp verwoord door de Franse literator Michel Houellebecq…”. Zijn laatste boek, “Anéantir”, lijkt wat slap na zijn heftige oeuvre, maar misschien is het uitdoven ernstiger dan het opvlammen. De hoofdpersoon wordt opgevreten door de kanker. “… Hoe dan ook gaat het bijbels en theologisch om veel meer dan alleen een ‘hiernamaals’…”.

 

Leven en dood

Volgens de Bijbel is Jezus ‘de opstanding in persoon’. Jezus is ‘het leven zelf’. Jezus geeft het ‘eeuwige leven’. Dit leven ‘heeft’ ieder die gelooft. Opstanding betekent niet dat mensen uit de wereld worden weggeroepen, want die wereld is van God, maar dat mensen worden bevrijd ‘uit de vervreemding van God’. De dood is de ultieme vervreemding: “… Gods tegenstander, de duivel, knijpt mensen het leven af door hen in bezit te nemen, te isoleren van de gemeenschap en zich onmenselijk te laten gedragen. Jezus bevrijdt van deze bezetenheid door mensen hun waardigheid en hun sociale context terug te geven…”. Even verder: “… De hel is de vernietiging waar de macht van de dood toe leidt, het gebrek aan leven dat zich nu al aandient, bijvoorbeeld in de vorm van wat de christelijke traditie ‘acedia’ noemt: de zonde van de traagheid. Daarmee wordt een gevoel van onlust aangeduid, ennui, verlies van zin, aandacht en liefde, een compleet gebrek aan vreugde. Zoals geloof in Jezus Christus nu vreugde geeft in Hem, als voorsmaak van de volle vreugde die komt, zo smaakt acedia naar de hel: zelfs wat je voorheen vreugde gaf, wordt dof. Alles raakt uitgedoofd en uitgeblust in een alomvattende lethargie. Als geestestoestand manifesteert de hel zich nu al in de vorm van deze onlust…”. Huijgen: “… De mogelijkheid van ondergaan in het niets is huiveringwekkend. Intussen is deze gedachte niet aan het christelijk geloof voorbehouden. Ze komt ook voor in nihilistische manieren van denken die in westerse culturen voorkomen: uiteindelijk heeft het leven geen andere zin dan de zin die mensen eraan geven, maar daaronder en daarachter dreigt het grote niets…”. De hel is dan ook niet het tegendeel van de hemel, maar van het paradijs. In de middeleeuwen lag de gelukzaligheid in het zien van God. “… Wie denkt dat hij beter af is zonder God, staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het definitieve verlies van het zien van God…”.

 

C.S. Lewis

Huijgen bespreekt de scherpe en geestige allegorie “De grote scheiding” van C.S. Lewis. Zelf heeft de laatste het over ‘een theologische fantasie’. Ook bij Lewis is de hel een ‘state of mind’. Een engel biedt een schim aan om de rode hagedis, die als symbool van het kwaad op zijn schouder zit, te doden. Hij moet wel ‘ja’ zeggen. “… MacDonald legt uit dat er uiteindelijk slechts twee soorten mensen bestaan: ‘zij die tot God zeggen: “Uw wil geschiede”, én zij tot wie God uiteindelijk zegt: “Uw wil geschiede”. God geeft de mens vrijheid…”. Ieder mens krijgt wat hij of zij wil. De mens kiest zelf voor de hel. Huijgen vindt dat veel te kort door de bocht: het maakt de mens zelf tot een soort god. De mens overziet zijn leven en zijn toekomst immers niet.

 

Licht in de duisternis

Degene die je door en uit de hel redt, is Jezus Christus: “… De hel blijkt het negatieve te zijn van de realiteit die Christus presenteert. Christus is de weg, de waarheid en het leven; de hel is de dwaalweg, de leugen en de dood…”. Hij is ‘het licht in de duisternis’ – zie Joh. 8:12. “… Dat Jezus het licht voor de wereld is, sluit aan bij wat Genesis 1 zegt over Gods roepen van het licht als begin van zijn scheppingsactiviteit…”. Zie ook het verhaal over de genezing van de blinde, waarbij zowel de ogen van zijn lichaam als die van zijn hart worden geopend (Joh. 9:5). De schellen vallen hem van de ogen. Je kunt simpel de verbinding met Christus zoeken door middel van gebed. Wie het licht volgt, loopt nooit meer in duisternis (Joh. 8:12). In de Bijbel staat ‘waarheid’ tegenover ‘leugen’. “… De hel betekent overgelaten zijn aan de leugens van deze wereld…”. Aan verhalen die als zeepbellen uit elkaar spatten: de pot goud aan het eind van de regenboog. Als waarheid niet bestaat, kan wit ook zwart zijn en goed ook fout, verschillend van moment tot moment. Er is namelijk geen vast punt waaraan de werkelijkheid refereert.

 

The Waste Land

Als laatste bespreekt Huijgen het gedicht “The Waste Land” (Het barre land) van T.S. Eliot – een symbool van de hedendaagse hel. Het schildert Londen als een moderne hellestad. “… De Theems geeft Londen niet langer leven, maar is de hellerivier waarop afval drijft. Een zielloze mensenmassa stroomt als zombies over London Bridge, op weg naar hun kantoorbanen die geregeerd worden door de klok. Het is koud en mistig. Alle kleur is uit de stad gezogen, behalve een viezig bruin…”. Apathische mensen worden overladen met data, gestuurd door techniek en verliezen de lust tot leven. De eindeloze stroom aan lege informatie maakt dat de onzinradar tot vermoeiends toe geactiveerd is. Tegen deze barre achtergrond verhaalt het gedicht van een zoektocht naar vruchtbaarheid en nieuw leven, naar geestelijk water in een desolaat berglandschap van rotsen en zand. “… De hoofdpersoon gaat uiteindelijk de confrontatie met de dood zelf aan bij een verlaten kapel zonder ramen, die de vervallen staat van het christendom verbeeldt…”. Waar het eerst windstil was, begint ineens de deur van de kapel te klapperen.  “… Het christelijk geloof is geen kalmerend of juist stimulerend middel, maar een manier van hopen om het in een hopeloze wereld uit te houden…”.

 

Uitgave: Kok Boekencentrum – 2026, 384 blz., ISBN 978 904 354 341 5, € 32,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten