Menu

dinsdag 29 maart 2016

De onvergetelijke reis van August King – John Ehle


Volgens hoogleraar mythologie Joseph Campbell (schrijver van onder andere "De held met de duizend gezichten") gaan bijna - zo niet - álle verhalen op de een of andere manier over een uiterlijke dan wel innerlijke ‘reis’ waardoor de held verandert. Een ‘wedergeboorte’ zo je wil. Zie Mozes, zie Odysseus, zie Parzifal, zie John Bunyan en zie Andries Jordaan uit mijn vorige blog. De held geeft gehoor aan een diep verlangen dat ieder mens in zich heeft: te weten wie hij is. Of misschien wel: wie hij kán zijn. Hij laat zich niet tegen houden door zijn omgeving. Hij trotseert de eenzaamheid, groeit, komt tot inzicht en wordt wijs door de beproevingen waar hij zich onderweg aan onderwerpt. Op zoek naar identiteit vindt hij meer en meer zichzelf. Met deze bagage kan hij later weer een leermeester worden voor anderen. Als hij ‘thuis’ komt ontdekt hij soms dat hij niet meer past in zijn omgeving: hij heeft teveel gezien, teveel meegemaakt. Een bijna sprookjesachtig voorbeeld is de opnieuw uitgegeven klassieker van John Ehle (Ashville, North Caroline, 1925): “De onvergetelijke reis van August King”. Een tijdje geleden besprak ik “De onvergetelijke reis van Harold Fry”, maar eerlijk is eerlijk, déze reis was eerder: 1971. Het boek werd in 1995 verfilmd door John Duigan.

Tweestrijd

Het begin: “… Op deze donderdag was August King onderweg toen zijn leven begon te veranderen, toen het uit de schulp begon te kruipen waarin het jarenlang genoeg had aan de eigen hartenklop…”. August King, een naïeve, dromerige, jonge veertiger, trekt met zijn krakkemikkige kar - “… Het losse wiel piepte en de kar zelf, waarvan de moeren losjes waren aangedraaid zodat hij langer meeging over de ruige wegen van dit land, klepperde er vriendelijk op los met een heel eigen geluid…” - inclusief levende have (een merrie, een varken, een koe, drie ganzen) en wintervoorraad, terug van de stad naar zijn zelfgebouwde boerenbedoening diep in het woeste Appalachengebergte. Een reis die hij net als vele anderen ieder jaar in oktober onderneemt. Zijn vrouw, waar hij eigenlijk niet echt van hield - daar was ze te anders voor - en zijn dochtertje zijn overleden. Als hij wat water drinkt uit een beek ziet hij een zwart, om hulp vragend slavenmeisje. Dat is problematisch, want tegen de wet: “… ‘Ik wou maar dat je het begreep,’ zei hij en hij wendde zich van haar af, liet haar achter, scheurde zich los van haar en, dieper, van iets in hemzelf. Hij ging ervan uit dat dat wel beter zou worden…”. Let wel, August King leeft in een tijd waarin zelfs de dominee zich openlijk afvraagt of 'kaffers' wel een ziel hebben. August overnacht in een herberg, hoort dat degene die het gevluchte meisje terugbrengt tweehonderd dollar dan wel een Virginia-rijpaard vangt, en verkeert in hevige tweestrijd terwijl buiten de jagers met hun jachthonden hun messen slijpen. Hij loopt in de gaten als hij drie maïsbroden koopt. Toch gaat hij terug naar de plek waar hij het meisje zag en legt er een van de broden neer. Als hij ’s avonds in het donker zijn kamp opslaat, op zijn hoede voor dieven en wilde dieren, komt het slavenmeisje tevoorschijn. Ze blijkt de hele dag door de bosjes te hebben geslopen om hem te volgen. Hij geeft haar te eten en vergaapt zich aan haar schoonheid. Ze vertellen elkaar hun dromen en nachtmerries, ze bijt hem in zijn schouder als hij te dicht bij haar komt, en uiteindelijk verbergt August King haar in zijn kar.

Grootsheid
Als ze de volgende dag verder trekken beginnen de moeilijkheden. Het ‘nikkermeisje’ blijkt de gemoederen danig bezig te houden. Een achterdochtige boer ontdekt de sporen van vrouwenvoeten in het zand rondom de overnachtingsplek van August King. August redt zich eruit door een leugentje om bestwil. Weer op pad houdt hij op het onbeleefde af nieuwsgierige passanten, brutale kinderen en blaffende honden op een afstand. “… Hij wist dat hij in gevaar was, maar leed daar niet onder. Hij kon niet geloven dat hij, August C. King – wat je naam ook is, wie je ook bent – vrij en zonder dat iemand hem verdacht over deze weg liep en zonder angst het meisje vervoerde naar wie in de wijde omtrek gezocht werd. August, zulke grootsheid ben ik nauwelijks van je gewend, vertelde hij zichzelf. Hij voelde zich een ander mens, een vreemdeling, alsof hij een rol in een toneelstuk speelde; zichzelf was hij absoluut niet…”. Als het rustig is onderweg praten ze gezellig: “… ‘Je hebt nog nooit zo lekker gegeten als bij mij,’ zei hij tegen haar. ‘En dan hap je in mijn arm, alsof je een kannibaal bent.’ ‘Je zat plotseling aan me,’ verdedigde ze zichzelf. ‘Ik ben enorm geschrokken.’ ‘Je zou je arm voor me moeten uitsteken zodat ik een hap kan nemen.’ ‘Ik heb wel meer mannen van me af geslagen, geloof me maar.’…”.

Uitgekozen
De bescherming van het meisje gaat August King alles kosten. De plantagebaas hoort over de verdenkingen van een boer die een jonge Jerseykoe aan zijn kar heeft gebonden. Hij treft August King net als het meisje in de bosjes zit te plassen, en inspecteert zijn kar. August beseft dat hij teveel in het oog loopt met zijn koe en steekt het dier dood in de bossen. Als hij met kar en al een rivier oversteekt breekt het touw van het krijsende varken dat meegesleurd wordt door de stroom. Hij wil de kar met het meisje niet alleen laten en gaat er niet achteraan – ook dat roept vragen op bij de toekijkende omstanders. Hij komt langs een executieplek waar een andere gevluchte neger om zeep wordt gebracht, doet er alles aan om het meisje af te leiden van het lawaai, en komt vast te zitten in een uitzinnige meute die vaststaat vanwege een kapotte wagen. Er ontstaat een orgie van geweld waar hij ternauwernood aan ontkomt: “… Nu en dan wilde hij het uitschreeuwen tegen de gruwelen die hem omringden, en tegen de dwaasheid van zijn vertrouwen op genade als hij nadacht over het leed dat mensen veroorzaakten, het bloed dat ze lieten vloeien…”. Als hij weer op gang is werpt hij af en toe een blik op het meisje: “… Ik ben verkozen om voor haar te zorgen, hield hij zichzelf voor, geloof het of niet. Ik ben uitgekozen. Ik weet niet of God het heeft gedaan of een andere mysterieuze macht, en ik weet niet of het voor Gods plezier is of omdat Hij ontstemd over me is. Zou Hij mijn geklungel grappig vinden? …”. Het wordt donker, maar het is niet ver meer naar huis. De ganzen blijven maar gakken. Om zich niet te verraden bindt hij de dieren met een touw aan een boom. De volgende dag zal hij ze wel op gaan halen. Als hij in het dal aankomt waar hij woont stuit hij op een stel kerels rond een vuurtje. Dan laat hij ook paard en wagen achter om lopend met het meisje verder te gaan. Thuis gekomen geeft hij alle spullen van zijn vrouw aan het meisje en stuurt haar voor dag en dauw met zijn laatste voedsel het pad op naar het noorden waar ze geen slaven houden.

Wie een leven redt
De simpele boer August King maakt het verschil. Wie een leven redt, redt de hele wereld, luidt een Joods gezegde. En misschien vooral ook die in jezelf. Weer alleen lijkt het of het meisje August King ergens van heeft genezen. Hij kan weer adem halen, voelt zich bevrijd. Voor het eerst geeft hij toe dat zijn vrouw zich van het leven heeft beroofd, mede door toedoen van hem, hij had haar anders moeten behandelen. Voor het eerst is hij trots op zichzelf: “… August, je hebt goed werk verricht…”. Hij spreekt zich uit tegen de autoriteiten die verhaal komen halen. Als ze menen dat ze hem moeten straffen dan doen ze maar. Alles wat hij had is hij kwijt. De gemeenschap kiest voor de verklaring dat hij gek is geworden van verdriet.

Uitgave: Mozaïek – 2015, vertaling Chris Canter, 248 blz., ISBN 978 902 399 490 9, € 18,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen