Menu

woensdag 25 september 2019

Joodse mystiek. Een inleiding – Sjef Laenen


Omdat ik inmiddels aardig wat boeken heb besproken waarin de Joodse mystiek op een of andere manier aan de orde komt (“Een dubbelsnoer van licht”, “De slinger van Foucault”, “Donker woud”, “Alle rivieren stromen naar de zee”, “De procedure”, “De ruimte van Sokolov”) raakte ik vanzelf geïnteresseerd in het item op zich. Het valt voor een leek als mij nog niet mee aan relevante informatie te komen, want het onderwerp is gekaapt door werkelijk iedereen die ook maar in de verste verte iets met spiritualiteit heeft (tot aan David Bowie en Madonna toe). Henk Vreekamp, die bij leven veel deed voor de interreligieuze dialoog tussen kerk en synagoge, wees op de buitengewoon fascinerende en vooral ook leesbare studie van Sjef Laenen. De laatste geeft vaak lezingen, cursussen en gastcolleges over de geschiedenis van de Joodse mystiek aan de Universiteit Leiden.

Wissenschaft des Judentums

Het wetenschappelijke onderzoek naar het Jodendom en de Joodse mystiek is nog niet zo oud. Het komt pas onder invloed van de achttiende-eeuwse Verlichting op, waarin de emancipatie van onderdrukte en achtergebleven groepen een belangrijk ideaal wordt. Na eeuwenlange vervolgingen en vooroordelen zien veel Joden dan eindelijk een kans om geaccepteerd te worden en voluit mee te draaien in de West-Europese christelijke cultuur. Maar dan moeten ze wel kunnen aantonen dat ze minder mesjogge zijn dan de goegemeente denkt. Mede door de in de Romantiek gekweekte belangstelling voor het verleden komt in de negentiende eeuw de ‘Wissenschaft des Judentums’ op gang, waarin vooral de rationele aspecten van het Jodendom voorrang krijgen (zie de filosofie van Maimonides). De joodse Verlichting, de ‘Haskala’, ontstaat. Het geloof in een Messias die het voorouderlijk thuisland Palestina aan de Joden zal teruggeven maakt plaats voor de aanvaarding van de Europese natie als het enige echte thuis. Aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw verandert het politieke klimaat. Een nieuwe golf antisemitisme jaagt door Europa en slaat de hoop op een vreedzaam samenleven met anderen de bodem in. Het zionisme ontstaat. Een nieuw messianisme en nationalisme komt op. Men krijgt belangstelling voor de mystieke kant van het Jodendom. Gershom Scholem (1897-1982) is de eerste die op een grondige wetenschappelijke manier onderzoek doet naar de Joodse mystiek.

Geschiedenis
Om het Jodendom te begrijpen is enig besef van de geschiedenis onontbeerlijk. In de Hebreeuwse Bijbel, het ‘Oude Testament’, wordt verteld over de stamvader, Abraham, die een verbond met God sluit: het historische begin van het latere Joodse volk. De tweede aartsvader is zijn zoon Isaac, en de derde aartsvader zijn kleinzoon Jacob. Tijdens een nachtelijke worsteling met ‘een man’ krijgt deze Jacob een nieuwe naam: Israël. Zijn twaalf zonen zijn de stamvaders van het volk Israël. Het gaat over Jacobs lieveling Jozef, die onderkoning wordt in Egypte, waar de familie een goed heenkomen zoekt als er een hongersnood heerst. Hoe ze gedwongen worden tot slavenarbeid, en hoe Mozes hen bevrijdt uit Egypte, de ‘Exodus’, en zijn volk dwars door de woestijn naar het ‘Beloofde Land’ leidt. Op de berg Sinaï ontvangt Mozes van God de Wet, de eerste vijf boeken van de Bijbel: de ‘Tora’. Ook wel ‘Pentateuch’ genoemd. Na de verovering van het Beloofde Land, Kanaän, wijst God de eerste koning aan: Saul. Opgevolgd door David. Diens zoon Salomo bouwt de schitterende Eerste Tempel in Jeruzalem. Na de dood van koning Salomo scheurt het rijk in twee stukken: het zuidelijke gedeelte, Juda, met als hoofdstad Jeruzalem bestaat uit de stammen Juda en Benjamin. Het noordelijke gedeelte, Israël, met als hoofdstad Samaria bestaat uit de resterende tien stammen. In 722 v. Chr. wordt het tienstammenrijk gedeporteerd door de Assyriërs. Sindsdien weet niemand meer waar ze gebleven zijn. In 586 v. Chr. wordt ook het tweestammenrijk veroverd. Door de Babylonische koning Nebukadnezar II. Hij verwoest de prachtige tempel, steekt de laatste Davidische koning de ogen uit, brengt zijn zonen om en voert de belangrijkste Judeërs af in ballingschap. Echter, als de Perzische koning Cyrus het Babylonische rijk verovert, mogen de Judese ballingen terug naar huis. Het is ondertussen 538 v.Chr. De Tweede Tempel wordt gebouwd (dezelfde die in 70 n. Chr. door de Romeinen werd verwoest). De profeet Ezra stelt de Tora weer centraal. Vanaf nu worden de afstammelingen van de ballingen ‘Joden’ genoemd. Ze blijven onder Perzische heerschappij staan, daarna onder dat van Alexander de Grote en de Romeinen. Een grote bron van zorg en spanning in het Jodendom zal vooral de invloed van het hellenisme worden.

De Joodse geschriften

Waarschijnlijk zijn er al heel vroeg schriftgeleerden of ‘soferim’ die de voorschriften voor het naleven van de Wet opstellen. Na de verwoesting van de Tweede Tempel komen de ‘rabbijnen’ naar voren die er voor zorgen dat het Jodendom kan voortbestaan zonder moederland en tempel. Nu de offercultus is verdwenen komt de studie van de Tora centraal te staan. Naast de schriftelijke Tora wordt er ook een mondelinge Tora doorgegeven. De wettelijke regeling voor het dagelijkse leven heet de ‘Halacha’. De rest van alle Joodse verhalen duidt men aan met de term ‘Haggada’ of ‘Aggada’. Omdat de mondeling overgeleverde tradities uitgroeien tot een enorm omvangrijk geheel wordt er na 220 n. Chr. een systematisch overzicht samengesteld: de ‘Mishna’. Daarnaast ontstaat ook nog de ‘Tofesta’ oftewel ‘toevoeging’ bestaand uit ‘baraitot’, tradities die niet in de gezaghebbende Mishna zijn opgenomen. De ‘Gemara’ bestaat weer uit commentaar op de Mishna. Mishna en Gemara samen vormen de ‘Talmoed’. Er zijn er twee: de Palestijnse of Jeruzalemse Talmoed, plus de Babylonische Talmoed die het meeste gezag heeft. Ook de ‘Midrash’ is een literatuurvorm die een onderdeel van de mondelinge Tora vormt. Laenen vertelt dat de Joodse mystiek geen eenwording met God kent, zoals dat in de christelijke mystiek het geval is (zie bijvoorbeeld de Spaanse mystica Theresia van Avila, 1515-1582): “… In alle beschreven joodse mystieke ervaringen is er altijd sprake van een onderscheid tussen God en schepsel; er blijft altijd een afstand tussen de mysticus die God tracht te naderen en God zelf, en nergens worden beiden identiek…”. In die zin kun je, paradoxaal genoeg, dus niet eens spreken van mystiek. Daar word ik wel even stil van, eerlijk gezegd. De Joden kennen natuurlijk niet Jezus als de rechtstreekse weg naar God. Dan moet je het zelf doen, lijkt de conclusie. Niet iedereen zal daar toe in staat zijn geweest. Ik bedoel: je moet er geestelijk best wat voor in je mars hebben. Er zijn dan ook nogal wat verslagen over mensen die het spoor bijster raakten, ziek of gek werden (zie ook de jeugdvrienden van Elie Wiesel in “Alle rivieren stromen naar de zee”). De mysticus wil de kloof tussen God en hemzelf overbruggen. Het gaat om het herstellen van het contact met de eeuwige goddelijke werkelijkheid, die voorbij onze eindige menselijke wereld ligt. Elke stroming deed en doet dat op zijn eigen wijze.

De antieke Joodse mystiek

De allereerste verschijnselen van Joodse mystiek komen op aan het einde van de tweede eeuw na Christus en uiten zich als de zogeheten ‘troonwagen-’ oftewel de ‘Merkava-mystiek’. Dit naar aanleiding van Ezechiël 1, waarin een visioen wordt beschreven van God op een troon die op vier wielen lijkt te staan. Deze mystiek, die functioneerde in besloten rabbijnse kringen, was absoluut niet bestemd voor het gewone volk. De verslagen van de mystici over hun reis door de zeven hemelen met de beschrijvingen van de troon van glorie zijn verzameld in de ‘Hechalot-literatuur’ (hechal=paleis), en zijn afkomstig uit een lange periode van zeker duizend jaar. Er is echter amper sprake van authentiek materiaal. Het grootste deel van de manuscripten bestaat uit herbewerkingen die in de loop der tijd ook nog eens zijn aangedikt met allerlei nieuwe elementen en eigenzinnige interpretaties. Daarnaast schrijven de auteurs onder allerlei pseudoniemen, zoals Henoch, Abraham, Ezechiël of belangrijke grondleggers van de Mishna als rabbi Jochanan ben Zakkai, rabbi Akiva en rabbi Ismaël. Volgens Laenen gaat het in de Merkava-mystiek niet zozeer om mystiek als wel om magie. Er staan gedetailleerde instructies in voor allerlei praktische doeleinden, zoals genezing van mensen, onderwerping van vijanden of liefdesdrankjes. Het gaat over handlezen en de duiding van de bijzondere lijnen van het voorhoofd. En over bovennatuurlijke krachten, toekomstvoorspellingen en beïnvloeding van de loop der gebeurtenissen: “… De laagste, eerste hemel is vol magie. Hoe hoger men komt, des te minder speelt magie een rol…”. Er wordt geschreven over het Bijbelboek Hooglied met de bruidegom als een zelfportret van God. De mystieke reis vereist een intense voorbereiding. De geleerde verdiept zich in de ervaringen van voorgangers. Er wordt dagenlang gevast: “… Dan zette hij zich in zithouding neer met het hoofd tussen de knieën. In deze lichaamshouding citeerde hij fluisterend gebeden en extatische hymnen, waarmee een soort zelfhypnose werd opgeroepen…”. Twee begeleiders, die naast hem zitten, pennen alles op wat uit zijn mond komt. De opstijgende dan wel afdalende tocht is gevaarlijk. Poortwachters, engelachtige wezens, zijn er op uit de reiziger tegen te houden of kwaad te doen (een associatie met Bunyan's "Christenreis" dringt zich vanzelf aan mij op). Naarmate hij vordert nemen de moeilijkheden toe. Taalmagie speelt een belangrijke rol. Kennis over de krachten van de letters en het gesproken woord kunnen de reiziger maken of breken. Hij moet de namen van de engelen kennen: dat geeft hem macht over hen. De allerhoogste engel zou ene Metatron zijn, de ‘Prins van het Gelaat’, die vaak geassocieerd wordt met de Bijbelse Henoch. Ook is er sprake van de 'Prins van de Tora' die (gedwongen) naar de aarde afdaalt om de mysticus zijn gewenste kennis te verschaffen. In tegenstelling tot de middeleeuwse mystiek speelt de mens in de Merkava-mystiek als individu geen rol. Het gaat zuiver om God. De vraag is in hoeverre de Merkava-mystiek is beïnvloed door de laathellenistische wereld, de gnostische stromingen van destijds en de apocalyptici die wij kennen uit de Dode-Zeerollen.

De klassieke Kabbala
Aan het eind van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw komt er tijdens de dynamische periode van de hoofse en feodale cultuur, de troubadours en de ketterse catharen in de Provence, een nieuwe Joodse mystieke stroming op: de Kabbala. Letterlijk betekent het woord ‘traditie’. De kabbalisten gaan er van uit dat aan de ons omringende werkelijkheid een andere, goddelijke wereld ten grondslag ligt, die gesymboliseerd wordt door de tien sefirot, lichten, geopenbaarde dan wel naar de wereld gerichte aspecten van God, die schematisch worden voorgesteld door met elkaar verbonden concentrische cirkels – zie hier. De eerste sefira wordt Keter (kroon) genoemd, de allerhoogste manifestatie, waarin de verborgen godheid zijn wil tot openbaring uit. De tweede, Chochma (wijsheid), bevat de spirituele blauwdruk, de goddelijke ideeën dan wel ‘archetypen’ van de hele zichtbare werkelijkheid (Laenen wijdt een intrigerend fragment aan de vergelijking van elementen uit de psychologie van Jung met de Kabbala). Is Chochma de mannelijke kracht dan is Bina (inzicht) zijn tegenhanger, de derde, vrouwelijke kracht waarin de schepping in al zijn onderdelen wordt onderscheiden. Soms worden Chochma en Bina ook verbeeld door de symbolen ‘abba’ (vader) en ‘imma’ (moeder). Uit hun vereniging worden de volgende zeven sefirot ‘geboren’. De vierde Chesed (liefde dan wel genade) en de vijfde Din (streng oordeel) zijn ook twee tegengestelde krachten. De onbegrensde goddelijke liefde wordt door zijn onverbiddelijke rechtvaardigheid in toom gehouden (zie de schier onoverbrugbare tegenstellingen tussen goed versus kwaad, liefde versus haat, loon versus straf, het heilige versus het profane). In de zesde sefira, Tif’eret (schoonheid), worden deze tegengestelde krachten verzoend en in harmonie gebracht. De zevende sefira Netsach (overwinning), de achtste sefira Hod (majesteit) en de negende sefira Yesod (fundament), vormen ook een drie-eenheid. Zij werken de schepping verder uit: zie de exacte banen die de planeten volgen, de seizoenen die elkaar opvolgen, de afwisseling van dag en nacht, de dieren en planten, het functioneren van het menselijk lichaam. De tiende sefira, Malchoet (koninkrijk), waarin het goddelijk leven uitmondt, heeft geen eigenschappen van haarzelf: zij vormt de grens tussen God en wereld. Zij wordt geassocieerd met de vrouwelijke zijde van de godheid, ‘Schechina’, en is voor de mysticus het aanknopingspunt, de eerste stap op de weg naar het terugvinden van God. Deze tien sefirot vloeien of stromen voort uit het hoogste beginsel, het En Sof, wat letterlijk ‘er is geen einde’ of ‘zonder einde’ betekent: de aanduiding voor God, die voor ons mensen onkenbaar is.

Heelheid
Wat ik zelf heel mooi vind is dat de sefirot vaak worden ingedeeld in drie triades: het intellect, het psychische en het natuurlijke – wat overeen lijkt te komen met het christelijke mensbeeld geest/ziel/lichaam. De energie van de sefirotwereld beïnvloedt niet alleen de stoffelijke wereld; ons concreet menselijk handelen, onze gedachten, fantasie, intenties en innerlijke overpeinzingen beïnvloeden ook de sefirotwereld. Vanwege de val van Adam loopt er een scheur tussen de zichtbare en onzichtbare wereld, waardoor het neerstromen van de goddelijke energie wordt verstoord. Volgens de “Zohar”, het hoofdwerk van de Kabbala, splitste de oorspronkelijk androgyne mens, Adam, zich daardoor ook in een vrouwelijk en mannelijk deel. De kabbalisten houden zich bezig met het herstellen van de ‘heelheid’ van al wat is. Vandaar dat het juiste handelen in het Jodendom ook zo belangrijk is. De kabbalistische wereld bestaat uit mythen die onmogelijk logisch te beredeneren zijn. De hele wereld met alles wat daarin is staat symbool voor de goddelijke wereld. Ook de kleuren. Ook de cijfers. Ook de letters waaruit de Tora is opgebouwd, dus ook de Tora zelf. Het is logisch dat de esotorische kabbalisten en de Joodse filosofen, met hun nuchtere en realistische benadering van de Joodse religie, elkaar regelmatig in de haren vlogen. Laenen gaat diep op de (vermeende) controverse tussen beide professies in; want lang niet altijd is dit als een kwestie beleefd van of/of maar gelukkig ook van en/en. De Castiliaanse kabbalist Mozes van Burgos zei dan ook dat de kabbalisten beginnen waar de filosofen ophouden. Of, zoals verwoord in een citaat van ene 'Shakbar', dat ik ‘toevallig’ tegenkwam toen ik zomaar een boek opensloeg: “… In het begin nam ik mijn meester als leermeester / In het midden nam ik de Schrift als leermeester / Aan het eind nam ik mijn geest als leermeester…”.

De ontwikkeling van de Kabbala

Vervolgens behandelt Laenen de geschiedenis van de Kabbala waarbij hij allerlei mystici en boeken bij name noemt. Ik zal de belangrijksten aanstippen. Het oudste kabbalistische boek dat wij kennen is de “Sefer ha-Bahir” (het Boek Bahir), dat zoiets betekent als ‘stralend licht’ - zie Job 37:21, waarschijnlijk uit de twaalfde eeuw. Daarin worden de sefirot voorgesteld als een door God geplante boom, met zijn wortels in de hemel en zijn takken richting de aarde. De boomwortels vertegenwoordigen de ene Naam die alle letters bevat waaruit de hele schepping - als klank – tot aanschijn komt. Opmerkelijk is dat in de Bahir voor het eerst het thema reïncarnatie (gilgal) op een positieve manier wordt gepresenteerd. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Volgens latere kabbalisten vormen de eerste kabbalisten strikt besloten kringen waarvan de mystici (Abraham ben Isaac van Narbonne, Rabad, Jacob de Nazireeër, Isaac de Blinde) in dromen en visoenen nieuwe openbaringen hebben ontvangen van de profeet Elia. Azriël van Gerona is de eerste die een werk wijdt aan de mystiek van het gebed, waarin hij alle zegeningen van het zogenaamde Achttiengebed vereenzelvigt met de achttien ruggenwervels van de mens. De mysticus stijgt hierlangs omhoog naar zijn oorsprong, de hersenen: een symbolische weergave van de sefirotwereld. Andere belangrijke kabbalisten uit de school van Gerona zijn Ezra ben Salomo, Jacob ben Sheshet en Nachmanides oftewel Ramban. Een groep mystici die zich niet baseert op de sefirotleer wordt de Iyyum-kring genoemd, naar hun hoofdwerk “Sefer ha-Iyyun” (het Boek van Contemplatie). Zij werken onder andere met de kleuren die uit het licht ontstaan. Een andere kring die de sfirotmystiek niet is toegedaan zijn de Ashkenazische chassidim oftewel de Duitse vromen uit de twaalfde en dertiende eeuw. Hun voornaamste werk is de “Sefer Chasidim” (het Boek der Vromen). De vromen willen zich geheel en al aan God wijden: “… Men onderwierp zich aan diverse vormen van zelfkastijding zoals bijvoorbeeld lang vasten, zich ’s winters onderdompelen in ijswater, ’s zomers zijn lichaam aan bijen blootstellen of naakt op een mierenhoop gaan liggen…”. Zij concentreren zich op de numerieke verbanden in de taal van de Tora en de gebeden en houden zich bezig met ‘gematria’, een methode die gebruik maakt van de getalswaarde van de Hebreeuwse letters (aan het eind van het boek besteedt Laenen hier een heel hoofdstuk aan). Elke verandering of aanvulling van heilige teksten zijn volgens hen dan ook volledig ontoelaatbaar. De chassidim beheersen diverse technieken om paranormale en extatische bewustzijnstoestanden op te roepen. Eleazer van Woms is de eerste uit deze kringen die aanwijzingen geeft hoe je met behulp van lettermagie een golem creëert. Een opmerkelijk boek is de “Sefer ha-Temuna” (het Boek van de Vorm) dat een leer van kosmische cycli (‘shemittot’, enkelvoud ‘shemitta’) bevat, zoals ook bekend uit Indiase en Arabische bronnen. Wij leven momenteel in de 7000-jarige cyclus van Din, die wordt gedomineerd door het principe van inperking, strenge wet en rechtvaardigheid, waarin het goddelijke licht zich niet volledig kan openbaren. Vandaar alle kwaad en onreinheid. Het volgende tijdperk wordt echter weer in utopische termen omschreven, wat mij doet denken aan het ‘duizendjarige vrederijk’ van de christenen. Verder gaat het nog over de exponent van de ‘extatische’, ook wel profetische, Kabbala onder Abraham Abulafia, die zich eindeloos bezig houdt met het combineren en permuteren van de Hebreeuwse letters (zie “De slinger van Faucault” waarin een computer Abulafia heet).

Vrouwonvriendelijk
De Kabbala trekt vaak een vergelijking tussen de sefirot Din met de Boom van Kennis van goed en kwaad en de sefirot Chesed met de Boom des Levens. Oorspronkelijk waren de wortels van deze paradijsbomen met elkaar verbonden, maar toen ze van elkaar los raakten kon het boze zijn gang gaan. De les die hier uit getrokken wordt: “… het kwaad kan slechts ontstaan wanneer twee verbonden zaken uit elkaar gehaald worden of indien iets wordt afgescheiden en geïsoleerd van zijn eigenlijke plaats binnen de goddelijke rangorde…”. De dualistische Isaac ben Jacob ha-Chen schiep zelfs een compleet kwade ‘linkse’ sefirotmanifestatie. De heilige rechteremanatie heeft bijvoorbeeld Eva als vrouwelijke kracht. Haar tegenhanger vormt de vrouwelijke demonische kracht Lilith. En wat het manlijke betreft: Adam heeft de satanische Samaël als tegengestelde. De strijd tussen goed en kwaad zal pas op het einde der tijden door de Messias beslist worden. De leer van de Kabbala culmineert in de "Zohar". Een literair monument van 23 boeken in vijf verschillende delen, bestaand uit zo’n 2400 meeslepende en geëxalteerde bladzijden vol mystieke commentaren, van vooral rabbi Simeon ben Yochai (die niet veel onderdoet voor Mozes zelf) uit de tweede eeuw na Christus en eind dertiende eeuw opgeschreven door Mozes van León (al zijn de meningen daar ook weer over verdeeld natuurlijk). Volgens de Zohar bestaat de menselijke ziel uit de nefesh, de ruach en de neshama. De neshama is de goddelijke vonk. De nefesh bevat de krachten die het lichaam in stand houden. De ruach heeft tot taak voor een goede wisselwerking tussen deze twee delen te zorgen en het goddelijke licht door te geven. De neshama kan zich los maken van de ziel als de mens kwaad begaat of fouten maakt. Een onreine neshema van de Andere Kant kan zijn plaats innemen. Eerlijk is eerlijk: de Zohar is hier en daar buitengewoon vrouwonvriendelijk. Bepaalde fragmenten stellen dat vrouwen verbonden zijn met de Andere Kant, het gebied van onreinheid en kwaad. Vooral tijdens de menstruatie zouden vrouwen geneigd zijn tot magie en tovenarij en ze zijn bovendien behept met een drang tot moord en doodslag (wat ik nogal kras vind, zeg nu zelf: wie hebben er de hele geschiedenis door meer gemoord en gedaan…). Ook christelijke kabbalisten als Pico della Mirandola en Johannes Reuchlin hebben zich intensief met de Zohar bezig gehouden.

De Luriaanse Kabbala

Na de rampzalige uitdrijving van de Sefardische Joden uit Spanje en Portugal (1492) leeft het Joodse messianistisch en apocalyptische gedachtegoed enorm op. In het Galilese stadje Safed in Palestina begint men zich met een hele nieuwe en tegenwoordig meest bekende vorm van Kabbala bezig te houden: de Luriaanse. Voorgangers van de charismatische rabbi Isaac Luria of Ashkenazi, ook wel ha-Ari, ‘de leeuw’ genaamd, zijn onder andere Josef Cara die zich laat inspireren door een soort geleidegeest, een ‘maggid’, en Mozes Cordovero, die een thematisch handboek schrijft waarin hij de chaotische kabbala in een ordelijk systeem onderbrengt. De belangrijkste ideeën van Luria behelzen die van de ‘tsimtsum’, de ‘terugtrekking’ van God - die je je het beste kunt voorstellen als een inademing – (wat ook wel gezien wordt als Gods ‘ballingschap’), waardoor er ruimte ontstaat voor de schepping. Vervolgens de ‘shevirat hakelim’ oftewel ‘het breken van de vaten’ - zie de sefirot - , een kosmische ramp waardoor de scherven van de gebroken vaten, de zogeheten schillen of kelippot, een gebied van kwade krachten zijn gaan vormen waarin goddelijke vonken verborgen zijn. En de ‘tiqqun’, het kosmische herstel, waarin deze vonken bevrijd moeten worden om terug te keren naar God. Ieder mens kan in dit proces zijn steentje bijdragen door het goede te doen: de geboden naleven, Torastudie, mystiek gebed. Volgens sommigen zelfs in meerdere levens. Het gaat om een positief proces van zelfverwerkelijking. Het uiteindelijke doel van de schepping is dan ook een kosmische zuivering, het ongedaan maken van Din - de negatieve kracht in God zelf - en een volkomen eliminering van het kwaad. Een mooie gedachte vind ik de Luriaanse visie op de balans tussen vrouwelijke en mannelijke krachten, als het evenwicht tussen vorm en inhoud: “… Het demonische of kwade element in de schepping ontstaat daar waar de vormkant, het vrouwelijke, een eigen leven gaat leiden zonder contact of harmonie met de kern, met het mannelijke principe: het is de vorm zonder inhoud…”. Of misschien: het evenwicht tussen verstand en gevoel. Zou je niet kunnen zeggen dat in iedere vorm van fundamentalisme deze balans is zoekgeraakt? Luria kon aura’s lezen en zou zelfs met bomen, vogels en engelen hebben kunnen praten. In zijn tijd is ook sprake van het in trance raken door middel van ‘wenen’. Rabbi Jozef ibn Tabal stelde de Tora voor als een gewaad van lettercombinaties, wat prachtig is uitgebeeld in de tekeningen die Mark Podwal maakte voor “De Golem” van Elie Wiesel. Uit de kringen rond de Luriaanse kabbala komt ook de merkwaardige figuur van Shabbetai Zevi uit de tweede helft van de zeventiende voort, die van zichzelf denkt dat hij de langverwachte Messias is. Hordes mensen krijgt hij op zijn hand. De ontreddering is groot als hij zich tenslotte tot de islam bekeerde. Fanatieke aanhangers blijven in hem geloven. De ware Messias zou zich diep in de wereld van de kelippot moeten begeven om de goddelijke vonken te bevrijden. Uit het sabbatianisme komen twee sektes op: die van de Dönme (die zich zogenaamd tot de islam bekeren) en die van het frankisme (die zich zogenaamd tot het christendom bekeren), waarin het leiden van dubbellevens hier en daar volkomen uit de hand loopt en eindigt in doodenge rituele orgiastische uitspattingen.

Iedereen een verlosser

De meest recente en daardoor ook bij het grote publiek meest bekende manifestatie van de Joodse mystiek vormt het chassidisme (niet te verwarren met de twaalfde-eeuwse Ashkenazische chasidim). Chasid betekent ‘vrome’. Ze zijn vooral bekend door het werk van Martin Buber, Isaac Bashevis Singer en Chaim Potok. De wortels van deze beweging, die oorspronkelijk zeker niet als orthodox werd gezien, liggen in Oost-Europa. Laenen haalt het boek dat Daniël Meijers over de chassidim schreef, "De revolutie der vromen" (1989) aan, dat ik nog een keertje wil bespreken, dus ik geef daar niet teveel over weg. In ieder geval komt de beweging op uit de allerarmste, van onderwijs verstoken, dus ongeletterde onderlaag van de Joodse bevolking. De stichter is Israël ben Eliëzer (ca. 1700 – 1760), een meeslepende en charismatische persoonlijkheid die bekend staat als de Ba’al Shem, ‘Heer van de Naam’, vaker nog als Ba’al Shem Tov oftewel de Besht. Zijn opvolger is Dov Bear, ‘de Grote Maggid van Meseritz’. Vanaf dan vormen zijn volgelingen zelfstandige ‘tsaddiks’ (lett. rechtvaardigen) of ‘rebbes’, die het spirituele middelpunt vormen van onafhankelijke groepjes. Anders dan in de Luriaanse Kabbala wordt het kwaad volgends de chassdim veroorzaakt door de geleidelijke verhulling van de goddelijke lichten (wat een daad van erbarmen is, hoe zou de mens het licht van de onuitsprekelijke kunnen verdragen?). Het gaat erom het kwaad om te buigen naar het goede. Je moet je er mee confronteren. Ik bedacht hoe ‘Joods’ de psychoanalyse eigenlijk is. De Luriaanse idee van tiqqun wordt gezien in het veel beperkter verband van de mens in zijn persoonlijke en dagelijkse omgeving. Het gaat om het verlossen van iemands eigen vonk. De ‘devequt’ (goddelijke extase) is een vorm van vreugde over Gods aanwezigheid in alles wat bestaat en leeft (panentheïsme, niet te verwarren met pantheïsme, waarbij alles wat is als goddelijk wordt beschouwd). Het ‘God aankleven’, de directe emotionele religieuze ervaring, wordt een hogere status toegekend dan de studie van Tora en Traditie (behalve in het chabad-chassidisme van rabbi Schneur Zalman van Liadi, waar ze naast elkaar bestaan). De orthodoxe tegenstanders van de chassidim worden de ‘mitnagdim’ genoemd. Een van hun belangrijkste leiders is rabbi Elia ben Salomo Zalmon (1727-1797) oftwel de Gaon van Wilna. Uiteindelijk ontstaan er uitgebreide chassidische dynastieën die hier en daar culmineren in bijna koninklijke hofhoudingen. De reactie op de Joodse Verlichting was er een van terugtrekking en afzondering. Tijdens de Holocaust is het chassidisme in Oost-Europa nagenoeg uitgeroeid.

Kritische noot
In christelijke kringen vestigde zich het misverstand dat de Kabbala vooral te maken heeft met magie, hekserij en getallenwichelarij. Christelijke kabbalisten als Cornelis Agrippa van Nettesheim (1487-1535) ontwikkelden zelfstandig systemen van christelijke esoterische speculaties, die een eigen leven gingen leiden en met de oorspronkelijke Joodse Kabbala weinig meer van doen hadden. Vrijmetselaars, alchemisten en allerlei andere charlatans en fantasten borduurden daarop voort en produceerden een amalgaam aan onsamenhangende, warrige, occulte literatuur, waar Laenen in het laatste hoofdstuk van zijn boek de broodnodige kritische aandacht aan besteedt. Hij noemt onder andere Éliphas Lévi en Dr. Papus, occultisten die zonder enige concrete aanwijzing de Tarot in verband brengen met Joodse mystiek. Hij heeft het over Aleister Crowley en zijn geheime genootschap van “The Order of the Golden Dawn”. Hij legt het bizarre werk van publicisten als A.E. Waite, Dione Fortune, André Peters en Charles Poncé onder de loep. Hij stelt met nadruk dat het Boek van de Schepping, “Sefer Yetsira”, géén kabbalistisch boek is, zoals ene Knut Stenring beweert, omdat de Kabbala van veel latere datum is. De lectuur van Erich Bischoff is eveneens verouderd en klopt van geen kanten. Ook in de hippe Kaballa-centra van tegenwoordig word je volgens hem een soort magere en oppervlakkige pseudo-Kabbala voorgeschoteld, waarbij alles gericht is op hedonisme, op genieten, op jezelf liefhebben in plaats van God. De oorspronkelijke Kabbala draait om vragen als de zin van het lijden, het mysterie van de schepping, het verrichten van de geboden en inzicht in de Tora. De tegenstelling kan haast niet groter. Aan de andere kant is er voor degene die zich serieus wil verdiepen in de Joodse mystiek steeds meer betrouwbare en serieuze literatuur beschikbaar van auteurs als Fine, Fontaine, Van der Heide, Van der Horst, Kuyt, Van Loopik, Meijers, Poorthuis en Van Uchelen.

Uitgave: Kok-Kampen, tweede druk 2008, 300 blz., ISBN 978 904 351 077 6, € 12,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten