Menu

zaterdag 28 januari 2023

Het jaar van Vivaldi - Henk Vreekamp


 Subtitel: Hemel en aarde in onze seizoenen

 

Henk Vreekamp (1943 – 2016) schreef ook een boek over de seizoenen (zie mijn vorige blog), gebaseerd op de “Vier jaargetijden” van Antonio Lucio Vivaldi. Het kwam postuum uit. Vreekamp was predikant in Epe, werd gegrepen door een auto toen hij om de hoek van zijn kerk liep, en ‘was niet meer’. Op zijn begrafenis werd het boek gratis uitgedeeld. Ik vond hem écht ‘een strijder van het licht’ (naar aanleiding van de tekst boven de ingang van het kerkje waar Ali Smith over schrijft in “Zomer”). Zijn leven lang heeft hij zich ingezet voor het gesprek met zowel Joden als heidenen. De banden aangehaald. Want zonder hen blijven wij, als christen, nergens. We stammen van hen af. Ze zijn delen van onszelf. Oer. Vreekamp schreef een trilogie over de Veluwe, die ik eerder besprak, waarin een Jood, een christen en een heiden diep met elkaar in gesprek raken, terwijl ze door de bossen struinen en over de heide zwalken: “Zwijgen bij volle maan”, “De tovenaar en de dominee” en “Als Freya zich laat zien”. Voor mijn gevoel was hij zélf een soort ‘tovenaar’. Ik moest aan hem denken, omdat hij dezelfde fascinerende, associatieve, omcirkelende schrijfstijl hanteert die Ali Smith kenmerkt. Hun verbazingwekkende taal zit eigenlijk een beetje tussen poëzie en proza in. Dat krijg je er van als je tegenstellingen gaat verbinden. Dan wordt er iets ‘nieuws’ geboren. Zó onbeschrijfelijk mooi.

 

Midwinter

Vreekamp: “… Sterke behoefte voel ik om te graven. Dwars door de bovenlaag van de christelijke kalender heen, op zoek naar oerlagen. Vandaag stuit ik op zo’n oerlaag: midwinter…”. Het is 21 december: de meest donkere dag van het jaar. De tijd van het ‘solstitium’ breekt aan : “… Op dat moment staat de zon loodrecht boven de Steenbokskeerkring. De zonnewende van midwinter is daar. De zon staat stil op zijn dieptepunt. Alsof hij aarzelt, op eigen kracht niet verder kan. Hij moet geholpen worden, het zonnerad moet op gang geduwd. Vier dagen lang. Dan zal het hemellicht over het beslissende keerpunt heen zijn. De onoverwinnelijke zon. Glorierijk op weg naar de lente…”. Even verder: “… Wat ik wil bereiken met mijn graverijen? De kalender met christelijke feestdagen doorgraven op de oude natuurkalender, zoals die in ons geheugen en onderbewustzijn ligt opgeslagen. Tegelijkertijd de Joodse wortels van die christelijke kalender aanboren. En dan kijken of deze drie bronnen elkaar voeden. Zo ja, hoe dan? Het oer van de tijd wil ik proeven…” (zie ook “De wijsheid van de heks” van Susan Smit). Hij schrijft over de filmdocumentaire 'Oerijssel' die hij maakte met Geertjan Lassche, over het volksgeloof en de streekcultuur in Overijssel, bestaande uit twee delen: ‘Zunnewende’ en ‘Winterwende’. Het zit vol verlangen en heimwee naar de mystiek van het verleden. “… ‘Oerijssel’ is een verkenning van het oergeloof. De film neemt de kijker mee naar de tijden van heidendom, bijgeloof, rituelen en een onderstroom van onbehagen: ‘je weet maar nooit.’…”. Spokerijen, paasvuren en wonderbomen passeren. “… ‘Dat heidense geloof, dat oergeloof, is dus niet weg?...”, vraagt Margje Fikse, de hoofdpersoon die op zoek is naar haar roots, aan de dominee. “… ‘De zendeling kan niet bij nul beginnen,’ is zijn antwoord…”. Aansluiten bij de heersende traditie is de enige optie.

 

Taboe

Vreekamp vertelt hoe een paar vrouwelijke collega’s  de heidense feesten, Imbolc, Beltane, Lammas en Samhain, in een Kerkboerderij vierden, wat indertijd voor nogal wat kortsluiting zorgde binnen de PKN: “… Onze kerk zet deuren open voor Keltisch heidendom…”. Even verder: “… Dit gaat over christelijk geloof vermengd met heidendom…”. En dat is waar. Maar de jaarcyclus van de seizoenen gaat  anders wel gelijk op met de cyclus van kerkelijke feesten: Bid- en Dankdag, Oud- en Nieuw, Kerst, Pasen. Alleen wordt een feest in de kerk anders (liturgisch) gevierd dan op een profane marktdag. Vermenging is in de regel taboe. De dominee doet er dan ook wijs aan zich te verdiepen in de lokale en regionale tradities. Een carnavalsvierder dient precies te weten wat wel en niet mag wanneer de wereld tijdelijk op zijn kop staat. En de kerk is er voor de onmisbare  beschermende riten en rituelen: “… daartoe is de priester, de dominee, de voorganger, de geestelijke geroepen en aangesteld, zoals de sjamaan vanouds. Om de onmisbare heilige formules uit te spreken, zonder fouten. Want daarop komt het aan: zonder vergissingen…”. Vreekamp: “… De boer en de boerin weten bij de grensregionen van het leven de kerk te vinden, bij geboorte, huwelijk en dood. Daar zullen we niet min over doen, over dit zogenoemde ‘vier-wielen-christendom’. De kerk wordt gezocht als bescherming op de kruispunten van het aardse bestaan, van het leven van alledag. Daartoe wordt het paard ingespannen voor de vier-wielige boerenwagen. Om ter kerke te gaan…”.

 

De grondfout: individualisme

“… Magische bezweringswoorden spreken en magische handelingen verrichten, tot aan exorcisme, duiveluitbanning, toe, behoort vanouds tot het takenpakket van de priester. Officieel deed het protestantisme het magisch universum als ‘bijgeloof’ in de ban. De dominee preekte tegen toverij als zijnde afgoderij. Verboden dus. En daarmee basta…”. Het christendom werd van hogerhand en met harde hand opgelegd. Het leven is echter veelal sterker dan de leer. Dietrich Bonhoeffer schreef over de grondfout van het protestantisme: individualisering. “… Het verdriet over de verloren gemeenschap ging na Luther spoedig verloren. Wat overbleef was een strijd om leerstellingen…”. Was je het niet met elkaar eens dan stichtte je gewoon een nieuwe kerk. Zonder blikken of blozen. En zo raakte men steeds verder verwijderd van de voor iedereen zichtbare bron in het centrum van dorp of stad. De verbinding tussen het leven in de kerk en op de boerderij versplinterde. Daarbij is het ook nog eens de vraag of een theoretisch geloof op een hoger niveau staat dan een geloof dat door de zintuigen wordt gevoed. Het Bijbelse geloof heeft lang niet alle gaten en hoeken kunnen vullen die de godinnen bij hun verdwijning achterlieten. Telkens staan we voor een dreigende en gapende kloof tussen theologie en dagelijks leven.

 

Licht

De Germaan vereerde de zon als oerbeeld en zinnebeeld van zijn eigen kracht. Zijn leven was een strijd tegen pikzwarte duisternis en bittere kou. Het licht overwint echter altijd. En dat brengt 'ontiechelijke' vreugde met zich mee. Maar ook onmiskenbaar antisemitisme: weg met de vreemde Jodengod en de vreemde Jodenbijbel. Het ‘davert door je heen’. Hoe zit het dan met Jezus die óók  licht is? “… Kan het door de christelijke beugel, deze combinatie van Jezus en midwinter? Ik besef helder dat de kerk in het westen deze samenvoeging kent sinds de vierde eeuw: midwinternacht en Christuslicht…”. Hoe vaak hebben zelfs zijn eigen leerlingen Jezus niet herkend, denk ik dan. Zie een lezing waarin Willem Ouweneel onlangs stelde dat er volgens de Bijbel dan wel een 'bedekking' op het Jodendom mag liggen, maar óók op ons (Jesaja 25 : 7). Ik had daar nog nóóit van gehoord. Wat weten we nu helemaal?! Het maybe christelijke, maybe heidense licht, straalt ook vanuit míjn kern. Tot in de toppen van mijn vingers en tenen. Je 'innerlijke zomer', zou Ali Smith zeggen.

 

Vivaldi

Vreekamp vertelt het verhaal van Vivaldi, de geestelijke  uit Venetië die liever componeerde, en met een zangeres en haar zus door Europa trok om zijn opera’s ten gehore te brengen: “… Een priester in het gezelschap van twee vrouwen, dat vraagt om geruchten. En om kerkelijke maatregelen…”. Na zijn dood werd hij snel vergeten. Het duurde enkele eeuwen voor hij herontdekt werd. Nog steeds worden in archieven onbekende werken van hem gevonden. Er verschenen diverse romans gebaseerd op zijn avontuurlijke leven: “Het geheim van Antonio Vivaldi” van André Romijn, “Vivaldi’s muze” van Barbara Quick. “… Waarom is Vivaldi’s bewerking van de jaargetijden het meest bekende muziekstuk ter wereld geworden? Waarom was de opname van Nigel Kennedy in 1989 de meest verkochte cd ooit? Waarom werd Janine Jansen na haar opname uit 2004 ‘koningin van de download’ genoemd? Wat resoneert er zo diep bij het luisteren?...”. Vivaldi was vernieuwend: “… Hij laat de violen ‘capriolen’ uithalen die tot dan toe onbekend waren. Vivaldi schuwt bepaald niet het gedurfde effect, de gewaagde uitvinding naast de vertrouwde harmonie...”. Je hoort het gefluit en getjilp van de lentevogels. De westenwind, de Zefier, waait. Herders dansen met nimfen. Plotseling klinkt er onweer: “… Donder kondigt de lente aan. Men gelooft vanouds dat met de donder van de hemel een bijzondere, vruchtbare kracht aan de aarde wordt geschonken…”.

 

Een nieuwe lente, een nieuw geluid

Het woord ‘lente’ komt van ‘lang’: het ‘lengen’ van de dagen: “… Een oud verhaal gaat over de gewoonte dat in de lente op de akker een bruidsbed wordt neergezet. De eenwording van het mensenpaar zou de groei van de op het veld staande vruchten bevorderen. Later wordt dit gebruik tot ‘nettere’ vormen teruggebracht. Dan dansen boer en boerin op de akker…”. Een oude naam voor het lentefeest herinnert aan de godin ‘Ostara’, herkenbaar in het Engelse ‘Easter’ en het Duitse ‘Oster’. “… De Engelse geschiedschrijver Beda (ca. 672-735) noemt de maand april ‘Esturmonath’, naar de godin ‘Eoastra’ voor wie in deze maand feesten werden gevierd. Karel de Grote duidt april aan als ‘Ostermânoth’. Mogelijk is ‘Ostara’ de Germaanse versie van de godin van de dageraad ‘Aurora’…”. Het doet me aan de ‘Rozevingerige dageraad’ van Willem de Kooning denken. En aan de naam van de stad Tel Aviv, ‘heuvel van de lente’, die afgeleid is van de Joodse lentemaand ‘Aviv’. “… Of het nu heidens ‘Ostara’, Joods ‘Pesach’ of christelijk ‘Pasen’ is, feest van nieuw leven moet vanzelf een lentefeest zijn…”. Sommigen leiden het woord zelfs naar het vrouwelijke hormoon ‘oestrogeen’: vruchtbaarheid.

 

Quatertemperdagen

Vreekamp gaat diep in op de zogeheten ‘Quatertemperdagen’ binnen de kerk. Dagen van bezinning, vasten en bidden, die te maken hebben met de vier seizoenen. Omdat de wederkomst van de Heer op zich liet wachten, begon de kerk het jaar nader in te vullen: “… Het werd een christelijke kalender die zowel Joodse elementen in zich had als ook heidense kenmerken droeg…”.  Even verder: “… Vieringen ontstaan die samen het ene ‘Christusgeheim’ present stellen…”. De kerk wees de uitbundig gevierde heidense seizoenfeesten, die geassocieerd werden met valse goden en demonen, uiteraard af. In plaats daarvan probeerde men ze te kerstenen, want natuurlijk wilden de vromen wél bidden tot God om zijn zegen over zaaien en oogsten. “… Een oude legende vertelt dat tijdens iedere Quartertempertijd arme zielen voor enkele ogenblikken wordt toegestaan het vagevuur te verlaten, om zichtbaar te verschijnen aan familie en vrienden…”. De seizoenen komen vaak terug in de grafkunst, bijvoorbeeld in kransen rond de voorstelling van de Goede Herder. De oogstfeesten vieren in zekere zin de natuur, maar zijn ‘gehistoriseerd’, verbonden met een gebeurtenis in de (heils)geschiedenis. “… Het christelijk geloof is duidelijk een voorjaarsgeloof, een godsdienst van de ochtendschemering. Het paasmysterie IS eenvoudig het christelijk mysterie. In de vroege kerk kon men enthousiast uithalen over de Lente-Christus…”. Verrijzenis. “… Jezus is onze nieuwe lente, zo klinkt als blijde grondtoon…”.

 

Laat niemand u iets voorschrijven

Paulus denkt dat de apocalyps op handen is. Waarom dan nog ‘gedenkdagen’ vieren? In Romeinen 14:5,6 is hij nog vrij mild: “… De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen. Wie een feestdag viert, doet dat om de Heer te eren; wie alles eet, doet dat om de Heer te eren, en hij dankt God voor zijn voedsel. Wie iets niet wil eten, laat het staan om de Heer te eren, en ook hij dankt God…”. In Galaten 4:8 is hij een stuk radicaler: “… Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. Hoe is het dan toch mogelijk dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend zijn, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt? U houdt u werkelijk aan vaste feestdagen, maanden, seizoenen en jaren? Ik vrees dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest…”. Paulus veegt de ‘stoicheia’ en de Joodse feestdagen op één hoop. Voor Paulus is een terugkeer vanuit de Messiaanse vrijheid naar de Joodse gebruiken de facto hetzelfde als een terugkeer naar het heidendom. “… Dit radicale antinomianisme heeft er in de gnosis toe geleid dat men alle wetten zag als inzettingen van demonen en uiteindelijk tot demonisering van JHWH, aldus professor Zuurmond…” (volgens de gnostiek was de God van het Oude Testament, de demiurg, een ander dan de God van het Nieuwe Testament). Paulus in Kolossenzen 2:16: “… Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwe maan en sabbat…”. De gelovigen leven in een bevrijde cultuur en Paulus trekt bevrijde conclusies.

 

Ei-koer-ei

Vreekamp vertelt dat bij hem vroeger thuis geen kerstboom binnen kwam, want dat was ‘heidens’, maar er waren wel paaseieren en er was een paasvuur. Het ei symboliseerde het graf van Jezus. Jezus als het paaskuiken, die van binnenuit de schaal stuk pikt (zie ook Susan Smit die stelt dat 'verandering' van binnenuit moet komen). Vreekamp citeert een raadselachtig kinderliedje: “… Palm-Palm-Pasen / Ei-koer-ei / Over een zondag krijgen wij een ei / Eén ei is geen ei / twee ei is een half ei / Drie ei is een paas-ei…”. Ei-koer-ei is een verbastering van Eleison-Kurië-Eleison: Heer ontferm U. Drie ei verwijst naar de goddelijke drie-eenheid. “… Dat lijkt een beetje op magie. En dat is het ook. Eieren zijn verstopt, in woorden, in struiken, in de grond. Je moet zoeken. Het paasei lokt een wedstrijd uit. Wie de meeste eieren vindt, mag zich kampioen ‘op z’n paasbest’ noemen…”. De winterse voorraad afval wordt verbrand in het paasvuur: “… Vuur loutert en reinigt. Verwarmt en verlicht ook. Het paasvuur brandt de lente tegemoet…”. Het dorp Espelo in Saksenland won in 2012 met maar liefst 46 meter de wedstrijd van het grootste paasvuur. De moraal van dit verhaal: de winter is voorbij. Halleluja!

 

Walpurgisnacht

Beltane is het feest rond de meimaand. De ‘Walpurgisnacht’ van 30 april op 1 mei wordt vanouds gezien als die van het heilige huwelijk van oppergod Wodan en godin Frigg: “… Heksen vliegen in deze nacht op hun bezems naar een verzamelplaats op een berg om daar hun heksensabbat te houden…”. De nacht is genoemd naar Sint Walpurgis, een Angelsaksische non uit de achtste eeuw, die samen met haar broer Winnibald een dubbelklooster leidde bij Heidenheim: “… Zij verrichtte wonderen, ook nog na haar dood. Volgens overleveringen zou op 1 mei haar gebeente naar de plaats Eichstätt zijn overgebracht…”. Waarschijnlijk is Walpurgis de christelijke versie van een Germaanse graangodin. Vanaf de elfde eeuw wordt ze afgebeeld met drie graanhalmen in haar hand. In de oogsttijd zou ze door een boer zijn verstopt in de laatste garf om zo aan haar vervolgers te ontkomen. Veel christenen bidden in de Walpurgisnacht tegen de aanval van de duivel, die het in deze nacht bijzonder voorzien schijnt te hebben op onnozele zielen. Ook Maria gold als beschermvrouwe van het graan. In Frankrijk staat ze bekend als ‘Onze lieve vrouwe van de drie graanhalmen’. De heidense meivieringen werden vervangen door Mariaverering. Zie de ‘meibomen’ die gekerstend werden als kruissymbool. Bij de meiboom hoort het meibruidspaar. In de meinacht verdwenen alle loslopende meisjes en jongens in het bos: “… Zonder nageslacht kan de boerderij niet in stand worden gehouden…”. Als een meisje zwanger bleek, werd er getrouwd, inclusief schuldbelijdenis vanwege de te vroeg genoten vrucht: een stilzwijgende afspraak tussen kerk en volksgeloof. Een vanzelfsprekende code met een dubbele moraal. Het was ook de avond waarop de koeien en schapen naar de wei gingen. Wie was er het vroegste bij? De laatste was de ‘luilak’: zie de ‘luilak-zaterdag’. De ‘dauw’ op de eerste meidag was bijzonder geneeskrachtig. De meidauw maakte vrouwen mooi. Vandaar het ‘dauwtrappen’. Ook ‘bronnen’ kregen veel aandacht. En de ‘lapjesbomen’. Je geeft de boom je ziekte in de vorm van een lapje en je krijgt er gezondheid voor terug. Grote magische krachten had de meidoorn.

 

Feesten met alle zintuigen

Bij de jaarfeestrituelen zijn alle zintuigen betrokken: aangestoken kaarsen (zien), een trommel (horen), branden van wierook (ruiken), bakken van koekjes en schenken van wijn (proeven) en het nemen van een ritueel bad (tasten). “… Van hetgeen zich onttrekt aan onze zintuigen kunnen we niets weten…”. Volgens de Kabbala kan muziek tot een profetische status leiden. Terwijl een muzikant op de lier speelde werd Elisa gegrepen door de hand van de Eeuwige (2 Koningen 3:15). De profeet Samuel zegt tegen koning Saul: “… Als u tenslotte terugkomt in Gibea-Elohim, zult u in de buurt van de stad, bij de Filistijnse wachtpost, een stoet profeten tegenkomen die in vervoering van de offerhoogte afdaalt, voorafgegaan door muzikanten met harpen, tamboerijnen, fluiten en lieren. Dan zult u worden gegrepen door de geest van de Eeuwige en ook in vervoering raken, en u zult een ander mens worden…” (1 Samuël 10:5v.).

 

Midsummer madness

De zomer van Vivaldi is er één van verzengende hitte. De Borea, de harde noordenwind steekt op. Er volgt een angstaanjagende onweersbui, die Vreekamp herinnert aan ‘Klaagliederen’. Een hemelse strafexpeditie. “… In de magische ‘Sint-Jansnacht’, van 23 op 24 juni, is het onmogelijke mogelijk. Bij het opgaan maakt de zon drie sprongen. Verzonken klokken beginnen te luiden. Verdronken dorpen en kloosters komen weer boven water. Verborgen schatten komen aan het licht. Het contact met ‘de andere wereld’ is deze nacht gemakkelijker te leggen dan op andere dagen. Witte wieven, overleden familieleden en spookverschijningen laten zich zien aan argeloze voorbijgangers en vragen om hulp…”. Het is de nacht van de ‘Midsummer Night’s Dream’, waarin alles uit de hand loopt: ‘Midsummer madness’, midzomergekte. Natuurlijk waarschuwt de kerk voor de gevaren van heksen en demonen, en kerstent het in het feest van Sint Jan. Naar Johannes de Doper, want hij was een licht voor de wereld. Priesters steken de Sint-Jansvuren aan en besprenkelen ze met wijwater. De kruiden die er om hun magische kracht vanouds in zijn gegooid worden bestempeld als Sint-Janskruid. Plaatselijk verschillen de gebruiken. In Rhenen is midzomer de dag van Sint Cunera (aan wie Vreekamp zijn boek heeft opgedragen): “… Zij is een heilige over wie niets met zekerheid bekend is. Naar alle waarschijnlijkheid gaat zij terug op moeder aarde die vruchtbaarheid schenkt. Haar naam is Germaans en houdt verband met ‘geslacht’ of ‘kunne’…”.  Vreekamp brengt de nacht van Sint Jan in verband met het Joodse wekenfeest of ‘Sjavoeot’ en het christelijke pinksteren.

 

De eerste garve

Hoogzomer: Ruth. Naomi doet haar schoondochter een gewaagd voorstel: “… Ruth, baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken.’ Gedurfde woorden. Ruth neemt een bad, verzacht haar lichaam met olie en trekt haar mooiste kleren aan. Gekleed als een bruid gaat ze. Wat gebeurt hier? Is het om Boaz te verleiden? Natuurlijk. Waartoe anders? Om de voeten van Boaz te onthullen, te openbaren. Zo staat geschreven. Nu kan het woord voor ‘voeten’ ook gebruikt worden voor het mannelijk geslacht. En nageslacht, daar gaat het om. Ruth, de vleesgeworden vraag om bescherming, om veiligheid, om rust. De getekende sfeer is voluit erotisch. Marc Chagall heeft Ruth en Boaz dan ook naakt geschilderd. Wat hem betreft, was deze nacht op de dorsvloer vol van vruchtbare belofte…”. In augustus, de oogstmaand, wordt het feest van Lugh gevierd, de lichtgod, die geslaagd is gekerstend in Sint Patrick. In het Angelsaksische rijk werd voor het eerst graan gezegend in de kerk: de ‘broodmis’. De christelijke versie van een heidense eredienst. De mis, de kermis en de jaarmarkt (‘Messe’ in het Duits) vloeiden probleemloos  in elkaar over. Voor het maaien van de eerste halmen werden zeis en zicht met bloemen versierd. Van de eerste halmen werd een gordel gemaakt om de maaier te beschermen. Of een met water overgoten oogstkrans met ingebonden magische kruiden die aan de wand in de kerk werd gehangen. In Duitsland ging de bindster schrijlings op de eerste garve zitten om de vruchtbaarheid te bevorderen. Soms werd deze garve op het erf gegooid om daar het hele jaar te blijven liggen.

 

De laatste schoof

Ook de laatste schoof werd met veel respect behandeld. Men schrok soms zo terug voor het maaien van de laatste halm dat ze het gezamenlijk deden, zodat niemand er achteraf aansprakelijk voor kon worden gesteld. De vegetatiegod of de levenskracht (numen) trok zich namelijk terug in de laatste schoof. Ook werden de graankorrels van de laatste schoof wel in het kerstbrood verwerkt, waaraan dan wonderbaarlijke krachten werden toegeschreven. Jacobus werd de schutspatroon voor het koren. Hij wordt altijd afgebeeld met een breedgerande hoed, omdat hij in de voetsporen van Wodan trad. Men liet een bosje halmen op de akker staan voor zijn paard. Kinderen werden bang gemaakt voor de graandemon of boeman. In de vroege middeleeuwen nam Maria de plaats in van de vegetatiegodin. Ze wordt vaak afgebeeld met korenaren in de hand en gehuld in een kleed van aren. Het laatste graan wordt ‘de oude vrouw’, ‘arenmoeder’ of ‘korenmoeder’ genoemd. Waarschijnlijk hadden ‘Freyja’ en ‘Holda’ een rol bij de oogst. Drie halmen liet men op de akker staan ‘voor vrouw Holle’. De mechanisatie gaf de nekslag aan het jaarlijkse oogstfeest dat duizenden jaren in Europa had bestaan.

 

Raadsels

De oogst is binnen. Herfst. Vivaldi laat bezopen boeren dansen tot ze er bij neervallen. Het Germaanse herfstfeest, ‘harbista’, veranderde in het christelijke Sint-Lambertusfeest op 17 september. Op 29 september ontstond het ‘Kirchweihfest’ ter ere van de aartsengel Michaël, de grote drakendoder. “… Geestelijkheid en magistraat, schutterij en gilden verenigden zich met het volk om plechtige ‘ommegangen’ te maken, onder bescherming van de kerk, met klokgelui en kruisteken…”. Het was de tijd voor jaarmarkten en kermissen. Het Jodendom viert ‘Rosj Hosanna’, het Joodse Nieuwjaar. Herdenkt de uittocht uit het angstland Egypte. En ‘Soekot’, het Loofhuttenfeest. Destijds werden er zeventig stieroffers gebracht in de tempel, die correspondeerden met de zeventig volken, ter verzoening van de hele wereld: “… Israël leeft uit de 613 geboden en verboden en de volkeren zullen leven volgens de zeven Noachitische voorschriften. Israël, als voorganger temidden van de volken, gaat de weg van de hele Thora. Aan de bewoners van deze aarde wordt het minimum van een leven in eerbied gevraagd…”. Prediker wordt gelezen: “…IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid…”. “… Lucht en leegte, alles is leegte…”. Altijd weer dezelfde tredmolen. Maar in de ervaring van de zinloosheid schemert een vermoeden van God: “… Geniet van het leven met de vrouw die je bemint…” (9:9). Vreekamp: “… Het is de vrouw die het mysterie van God draagt, zij draagt het in zich: ‘Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt’ (11:5)…”. We moeten dwars door het nihilisme en de wanhoop: “… Als we de raadsels niet aandurven, dan gaat onze hoop vroeg of laat wankelen…”.

 

Halloween

November. De wilde jacht. Samhain / Allerheiligen. De deur naar de andere wereld staat op een kier. Gemaskerde dansers tijdens de dodenfeesten werden door de kerk neergezet als demonen. In plaats daarvan kwam de heiligenverering. De Saksen kregen pas interesse voor het christendom toen de verering van relikwieën op gang kwam. “… Er wordt gedanst rond het Sint-Maartensvuur en in de Sint-Maartensstoet lopen kinderen mee met lampions…”. In 1006 stelde paus Johannes XIX ‘Allerzielen’ in. Op het platteland van Ierland, Wales en Noord-Schotland wordt ‘All Hallow’s Eve’ gevierd, bij ons afgekort tot ‘Halloween’. We ‘griezelen’ ons de stuipen op het lijf. Het mysterie van de dood houdt ons allemaal in zijn greep. “… Komen wij de aanstaande donkere winternacht levend door? De slachtmaand staat voor de deur. Halen we de lente?...”. De protestanten vieren de gedenkdag van de Reformatie: 31 oktober. Hervormingsdag. Maarten Luther die zijn 95 stellingen op de deur van de kerk in Wittenberg spijkerde.

 

Klappertanden en blauwbekken

“… December is de wintermaand. De naam ‘winter’ is mogelijk een samenvoeging van ‘water’ en ‘wit’, verwijzing naar de witte wereld. Onze winter van water en overstromingen, van sneeuw en ijs…”. Vivaldi laat de violen klappertanden, blauwbekken, en stampen met de voeten. Noord-Europa viert wel twaalf dagen ‘Joel’. In 218 noemde keizer Marcus Aurelius Antonius zich naar de onoverwinnelijke zon: ‘Sol Invictus’. Keizer Constantijn kerstende de zonnecultus in het christendom. Jezus: het eeuwige licht, de zon der gerechtigheid. Hij leek anders wel heel veel op de ‘Deus Sol Invictus’, een van oorsprong Iraanse godheid, die in de Romeinse tempels werd aangeroepen:  “… De vraag kan terecht gesteld worden of Mithras als ‘Beschermer van het Rijk’ niet alle goden verdrongen zou hebben als Constantijn niet definitief de zijde van het christendom had gekozen…”. De gedenkdag van de heilige Lucia, ‘licht’, werd verbonden met de kortste dag, 13 december. Op 21 december werd het ‘Thomasluiden’ ingevoerd. Bedoeld om de levenskracht te wekken. Het ‘Midwinter-hoornblazen’ had dezelfde functie. Het stro van de laatste oogst, waarin de levenskracht van de vegetatie zich had teruggetrokken, werd van onder de tafel verplaatst naar het kribje voor het kerstkind in de kersstal. Of elfenkind? Rond kerst gebeurden er vanouds wonderlijke dingen. Water verandert in wijn. Dieren kunnen praten. “… Op 26 december werd de wereld opnieuw op de kop gezet. Jongeren haalden in de nacht alles overhoop, dat heet ‘steffeln’. Zij gingen van huis tot huis voor snoep en geld. In Engeland heet Tweede Kerstdag nog steeds ‘Boxing Day’, pakjesdag…”. Op derde kerstdag werd er een ‘minnedronk’ genoten, de witte wijn van Johannes – eigenlijk een heidense afscheidsdronk. Op 28 december was het de dag van de ‘Onnozele kinderen’. Om de kindermoord van Herodus te herdenken. Kinderen maakten voor een dag de dienst uit en deden alles wat verboden was.

 

Toeëigening van het heil

De Reformatie wees het kerkelijk jaar af, omdat ze door alle bomen het bos niet meer zag. Zoveel feestdagen: werd er eigenlijk nog wel gewerkt? En al dat heidendom. Terug naar de zondag! Professor A.A. van Ruler plaatst het kerkelijk jaar echter in de sfeer van de ‘toeëigening van het heil’. Dat gaat namelijk niet vanzelf, maar met mondjesmaat. Om zich niet te verslikken. Vreekamp verbindt het licht van Christus liever met de vuurkolom in de woestijn dan met de zon. Dan kunnen we ‘volgen’. Zijn we vanzelf ‘onderweg’. Zodat het feest niet als een nachtkaars uitgaat. Want erna wordt het ook nog paasmorgen. En pinksterdag. Het verhaal gaat door. Vreekamp associeert de winter met de rol van Esther en het Poerimfeest. Als je het hebt over je ‘op glad ijs begeven’! De IJslandse Edda vertelt over ‘de grote winter’, Fimbulvetr, die drie jaar duurde. De vrouw ‘Lif’ en de man ‘Lifprasar’ overleefden. Hun maaltijd is de morgendauw. Frebruari / sprokkelmaand. Imbolc: ’in de buik’. De ooien zijn zwanger. De godin keert terug uit de onderwereld. Brigid, de godin van het vuur, werd Sint Brighid. De tijd van Maria Lichtmis brak aan. Feest van de zuivering. De grote schoonmaak. Vroeger werd het vee tussen twee vuren doorgedreven om de vruchtbaarheid te bevorderen: “… Vandaar dat je je soms voelt staan tussen twee vuren. Dat maakt je tenslotte alleen maar vruchtbaar, in alle opzichten…”. Er wordt geploegd en gezaaid: het heilige huwelijk van hemel en aarde. Vreekamp plaatst een en ander in de visie van het post-modernisme, neo-paganisme, wicca en new age. Wat er volgens hem ontbreekt is ‘openbaring’. Ook verschillende schilderijen met als thema de vier jaargetijden passeren de revue: die van Nicolas Poussin, Walter Crane en Alphons Mucha.

 

Wilt en bijster land

Hij vertelt over Louis Fraanje, de vertolker van de geschiedenis van het ‘wilt en bijster land’, waar ik zélf vandaan kom. Hij heeft het over ‘Dorpskerk en Hotel Floor’, “… sinds mensenheugenis een vertrouwd tweespan in Lunteren…”. Ik herinner mij wazig de uitgelaten trouwfeesten die zich daar afspeelden in mijn kindertijd. Hij vertelt over schaapherder Christien Mouw. “… Onder de open hemel voelt ze zich thuis. Geen plafond, geen muren, geen vloerbedekking. In een huis beleef je niets. Je gaat weg, komt thuis en de stoel staat er nog net zo. Wat moet ik met een bankstel?...”. De magische oerklank van het burlen van de herten. Wat dat met je doet valt niet te  verwoorden. Dan vervliegt de schoonheid. Alleen wat je voelt is echt. “… De natuur openbaart het zilver, de ‘Thora’ het goud van God…”, aldus Vreekamp, om vervolgens een bevlogen hoofdstuk over de Thora te schrijven, die door de Joden wordt bemind als een bruid. “… De Thora kan de seizoenen wel aan, de verleiding van de jaargetijden. De Thora is verleidelijker…”. Zie het ‘Hooglied’. De Thora is een persoon. De ‘bruid’ zit de Thora ‘dicht op de hielen’: “… Een heilig spel, ja dat is het…”. De Thora is ook een spiegel. Maar het beeld klopt niet. De Thora brengt alles evenwel aan het licht.“… Voor de Eeuwige blijft niets en niemand verborgen. Dat inzicht betekent al bevrijding. Ontdekkend licht, het zal ons goed doen…”. De dans van hemel en aarde verbindt Vreekamp dan ook, zoals alle wijzen, met het één worden van innerlijk en uiterlijk.

 

De achtste dag

Volgens Vreekamp is de ‘sabbat’ de grote dwarsligger in de jaarlijkse ronde van de seizoenen: “… Wekelijks wordt een weg aangelegd dwars door de cirkel van de jaargetijden…”. Richting de eerste dag van de week: zondag. Genesis. De vraag is waar het licht van de eerste dag vandaan komt. Niet van de zon. Die wordt niet eerder zichtbaar dan op de vierde dag. Vreekamp: “… Het spreken van God IS licht…”. Het Hebreeuwse ‘moëd’, seizoen, kunnen we vertalen met ‘afspraak’. De hemel heeft een afspraak met de aarde. Het Hebreeuwse ‘sjana’, jaar, kunnen we vertalen met ‘herhaling’. Het christendom kent ook de term ‘achtste dag’, als beeld van het toekomstige leven. Het is de dag waarop Jezus werd opgewekt waardoor er een ‘nieuwe schepping’ begon: “… Zo is de achtste dag de herhaling van de eerste, maar dan op verhoogd niveau…”. Als je doortelt is de zondag de achtste dag, die eindigt als eerste dag: “… De christen is de eeuwige beginneling. Iets te voltooien ligt niet binnen haar of zijn bereik. Daarmee typeert Rozenzweig de christen als drager van een eeuwige jeugd…”. De zondag is niet hetzelfde als de sabbat, die het ‘einde’ van de week viert. Er bestaat ook een ‘vijfde seizoen’, dat buiten de tijd valt. “… De psychiatrische instelling de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder heeft een kunstenaarsverblijf dat ‘Het vijfde seizoen’ heet. De naam is ontleend aan een tekst van Kurt Tucholsky (1890-1935)…”. Het gaat het spel van de vier te boven: “… Zoiets als het vijfde evangelie, het zesde zintuig, de achtste dag, de dertiende maand. Boventallig. Over de grens van het gewone heen, om juist dat gewone te bezielen…”.

 

Veurschiensel

“… Het loopt naar middernacht. Een magisch moment vanouds. De tijd tussen twaalf en één ’s nachts wordt een spookuur genoemd. Getuige het volksgezegde: ‘Van twaalf tot één zijn de spoken op de been.’…”.  Friedrich Schiller (1759-1805) is het in zijn gedicht ‘An die Freude’ volledig eens met Ali Smith in mijn vorige blog: “… Alles wiederholt sich nur im Leben / Ewig jung ist nur die Phantasie; / Was sich nie und nirgends hat begeben, / Das allein veraltet nie!...”. Henk Vreekamp eindigt zijn boek met een overweldigend visioen aangaande het paradijs. Of ziet hij de hemel? “… De Havezathe. De schilderijen aan de wanden nagenoeg gehuld in duister. De laatste regendruppels tegen het vensterglas. Het vuur in de haard bijna gedoofd. De stoel naast me weer onbezet. Ik staar in de laatste gloed. Muziek van Vivaldi klinkt net hoorbaar nog door het vertrek. Ik zoek een slaaphouding. Terwijl buiten de windstromen in kracht en kou elkaar naar de kroon steken, het Adagio molto toekomstmuziek in de oren fluistert, kijk ik op de nauwelijks nog zichtbare wijzers van de klok. Het is vijf voor twaalf…”. Een eindje daarvoor schreef hij over de voorspellende ‘profeten’ in Elspeet, die “… Het ‘veurschiensel’ ervaren, weten dat over korte tijd de begrafeniskoets zal passeren…”. Was hij zélf zo’n profeet?! Ik jank de ‘eugen uut mien kop’.

 

Uitgave: KokBoekencentrum – 2016, 224 blz., ISBN 978 904 352 587 9, 15, -

Rechtstreeks bestellen bij bol.com: klik hier

maandag 23 januari 2023

Zomer – Ali Smith


De Schotse auteur Ali Smith (1962)  vind ik een typisch voorbeeld van wat Susan Smit in mijn vorige blog een ‘heggenvrouw’ of ‘heggenrijder’ noemt: iemand die zich tussen twee werelden beweegt. In een prachtig interview in De Groene Amsterdammer (11.01.2023) zegt Smith dat je ‘altijd op de drempel moet staan’, anders ‘val je stil’. Achter de zichtbare wereld ligt de onzichtbare wereld: de wereld van kunst, literatuur, de ‘mythe’ misschien wel. Het boek kan een ‘deuropening’ zijn. De Bijbel heeft het over dat 'wat voor ogen is' versus 'wat er leeft in het hart'. Volgens mij is de boodschap van Smith dat in schrale tijden je ‘fantasie’ je kan redden (zie ook Viktor Frankl: “De zin van het bestaan”). Smith schreef een seizoencyclus bij elkaar waarvan ik eerder “Autumn” (2016), “Winter” (2017) en “Spring” (2019) besprak – “Summer” (2020) heb ik als het meest hermetische deel ervaren. Het gaat om dicht op de actualiteit staande, diepmenselijke verhalen over de cyclische tijd (de seizoenen) in combinatie met de lineaire tijd (de gebeurtenissen). “… Alles in de natuur zoekt de beste omstandigheden op, groeit naar het licht, beweegt in cirkels – en als mens doe je er goed aan hetzelfde te doen…”, schrijft Susan Smit. Dood en wedergeboorte. De laatste heeft het over ‘cirkelen naar je kern’. De geest ontwikkelt zich spiraalsgewijs: de geest komt vaak langs dezelfde plekken, maar toch met steeds een iets ander perspectief. De boeken van Ali Smith idem dito. Aan de ene kant, zegt de Bijbel, is er ‘niets nieuws onder de zon’: dag en nacht, zomer en winter zullen altijd bestaan. Aan de andere kant gaat ieder mens zijn eigen unieke pad.


Je innerlijke zomer

“Zomer” is prima nú te lezen, omdat het zich voor het overgrote deel in februari afspeelt. De proloog gaat over het opmerkelijke feit dat iedereen sinds een paar maanden ‘en?’ is gaan zeggen. Zoals in ‘nou en?’. De wereld is duidelijk onverschillig aan het worden. Zoals de zestienjarige Sacha in de aansluitende vertelling, die het tot hevige verontwaardiging van haar moeder geen bal kan schelen of een citaat, dat ze voor haar werkstuk van internet heeft geplukt, daadwerkelijk van Hannah Arendt is of niet. Sterker, ze weet niet eens wie Hannah Arendt is!  “… Piekeren over dit soort dingen was wat de generatie van haar moeder deed als verdringingsmechanisme voor piekeren over de echte dingen die in de wereld gebeurden…”. Sacha werkt op het van te voren slim uitgedokterde ‘correcte aanvaardbare niveau’. Het is tien uur s’ avonds en haar broertje, Robert, is nog steeds niet thuis. “… Wat ben jij voor een moeder? Eentje die haar best doet voor allebei haar kinderen tegen onhaalbare verwachtingen in…”. Een spontane omhelzing verwijst voor het eerst naar de zomer: “… Sacha’s borst vulde zich met het soort warmte waar ze ooit, toen ze heel klein was, haar moeder naar had gevraagd omdat het zo fijn voelde, en haar moeder had gezegd ‘dat is je innerlijke zomer’…”. Geborgenheid. Veiligheid.

 

Gods mazzel

De volgende ochtend kunnen ze elkaar niet horen praten omdat de tv met het ontbijtnieuws keihard aanstaat en de afstandsbediening nergens te vinden is. Het nieuwste geintje van Sacha’s etterige broertje: “… Het lijkt alsof er sinds hij dertien is een duister vizier voor zijn ogen is gezakt en hij alles en iedereen bekijkt door een metalen sleuf…”. Hij wordt regelmatig de klas uit gestuurd omdat hij dingen zegt als “… wat is er eigenlijk mis mee als je zegt dat een zwarte een watermeloenglimlach heeft?...”, om zich vervolgens op het recht van vrijheid van meningsuiting te beroepen. Op de tv een domineese die het welvaartsevangelie (zie mijn blog over “Verlangen naar een nieuw christendom” van Samuel Lee”) de huiskamer in blèrt: “… Ik hoor zijn heilige stem, de heilige stem van de grote, almachtige God die tegen me spreekt, hij zegt het nu op dit moment, genade, mercy, mercy…”. Achter de domineese vliegt de teller met honderden dollars per seconde omhoog. “… God beloont hen die God geven wat God toekomt. God vergoedt hen die zich waardig tonen. God mazzelt hen die weldoeners zijn voor Gods goede kerk…”. Sacha’s moeder denkt dat de predikant iemand is uit haar acteerverleden. Dat weten we dan ook weer. En ze gelooft dat broertjelief bij de buren zit, die Sacha’s gescheiden vader en zijn nieuwe vriendin, die trouwens om een of andere onnavolgbare reden gestopt is met praten, blijken te zijn. Over de Brexit: papa stemde ‘blijven’ en mama ‘vertrekken’: hoe gek het is dat daarop papa vertrok.

 

Maskers

Sacha maakt zich wel degelijk druk, maar over andere zaken dan haar moeder. De klimaatverandering bijvoorbeeld. Haar moeder behoort tot de mafketels die denken dat de opwarming van de aarde een hoax is. Sacha wil nooit van haar leven kinderen: “… Waarom zou je een kind in een ramp ter wereld brengen?...”. Ze slaat het aanbod van haar moeder om haar met de auto naar school te brengen af, omdat ze alles mijdt dat benzine slurpt. Hoe dapper is dat. “… Hoe langer Sacha leeft hoe gestoorder de soort waartoe ze behoort haar voorkomt…”. Haar laatste kleingeld geeft ze aan een dakloze: had híj maar een doneerknop. Haar hoogbegaafde broertje is ontzettend gepest. Zijn nieuwe houding als ‘lone wolf’ vormt zijn overlevingstactiek. Ooit maakte hij een film met zijn mobieltje over mensen met oortjes die in hun eigen bubbel bewegen. Een gegeven dat het hele boek door opduikt. Disconnected qua omgeving. De rollen die we spelen. Maar ook al doe je je voor als een ander, dan doe je dat nog steeds zelf, “… omdat jij degene bent die ze verzint…”. De maskers op de gezichten van de leugenaars van de planeet. Mondmaskers. De ‘virulente’ dingen die gebeuren. De uitstekende snavel van een meeuw die doet denken aan  “… de maskers die mensen eeuwen geleden droegen in Venetië tijdens de pest…”. Als haar broertje haar een noodkreet stuurt met het verzoek alsjeblieft naar het strand (ze wonen in Brighton) te komen, spijbelt ze van school om hem te gaan zoeken. Als ze hem vindt, vraagt hij heel zielig of ze voor heel eventjes zijn hand wil vasthouden. Vervolgens wrijft hij haar hand onder zijn jas droog en drukt er iets glads en kouds in. Als ze haar hand tevoorschijn haalt blijkt hij er met drie-secondenlijm een glazen zandloper in vastgeplakt te hebben. Voor ‘de toekomst’. Omdat ze het er altijd over heeft dat er ‘geen tijd’ meer is om te wachten met het redden van de wereld. Ze kan het ding niet verwijderen zonder zich te snijden. Terwijl Robert er als een speer vandoor gaat, wordt de schreeuwende Sacha opgevangen door een jong stel dat toevallig langs loopt.

 

Prepuberaal buikspreken

Robert vindt de tijd waarin hij leeft geweldig. Hij kickt op  ‘prepuberaal buikspreken’. “… De mensen die nu in Engeland aan de macht zijn, zijn genieën in manipulatie…”. Hij heeft groot ontzag voor de onbehouwen manier waarop ze wegkomen met hun patriottistische praatjes en vertolking van harteloosheid: “… De een is zijn held omdat hij tegen elke trend ingaat en de universele waarheden herschrijft om ze nog meer waar te maken. De andere is zijn held vanwege het tegenovergestelde – vanwege het briljant toepassen van leugens. Het is indrukwekkend. En vanwege het zien, volgen, cultiveren, gebruiken en enorm profiteren van de huidige trends, wat de beste manier is om trends te overleven…”. Hij heeft stiekem een ongewoon boeiend stuk uit het boek dat de vriendin van zijn vader aan het schrijven is, gelezen (hij heeft een sleutel van het huis van zijn vader en sluipt er vaak ongezien rond): “… de waarheid maakt plaats voor de authentieke leugen, met andere woorden wat door de kiezer emotioneel wordt ondersteund, of emotionele waarheid, het punt waarop de feitelijke waarheid er niet meer toe doet, wat vervolgens leidt tot totale ineenstorting van integriteit en tot tribalisme…”. Het meest aparte aan de hele coronaperiode vind ik ook nog steeds het ermee gepaard gaande fake news en de  ontstellend makkelijk aanvaarde complottheorieën. Robert steelt een boek over Einstein, zijn held, uit een boekhandel, en gaat naar huis waar hij op zijn tenen naar zijn kamer glipt om al gapend een computerspel vol martelscènes te spelen en snel wat oervervelende porno te kijken.

 

Metamorfose

Dan hoort hij onbekende stemmen. Hij gaat op de overloop zitten om te horen wat er wordt gezegd en raakt daarbij per ongeluk een krakende traptrede, wat zijn moeder alarmeert. In de woonkamer zit het stel dat zijn gewonde zusje naar de eerste hulp en daarop thuis heeft gebracht: Art en Charlotte. En die kennen we. Uit “Winter”. Charlotte overdondert hem totaal. Zo’n schoonheid heeft hij nog nooit gezien. Voor het eerst van zijn leven staat hij in vuur en vlam: “… De naam CHARLOTTE licht op als een woord in neonletters. De bezoekster die Charlotte heet verlicht deze kamer. Robert zelf heeft het gevoel dat hij ook van neon is, weerlicht zigzagt door hem heen, hij glanst, kijk naar zijn armen, zijn handen, hij is ook een bron van licht vanwege haar. Nee, hij is licht, echt licht, het licht zelve. Niet alleen dat – hij is het soort licht waar je vederlicht van wordt…”. Plotseling snapt hij het flagrante verschil tussen porno en liefde. Een vrouw waar je zoveel eerbied voor voelt, behandel je niet als een stuk vee. Zoals Susan Smit het in mijn vorige blog ook al stelde, kun je ‘verandering’ niet tegenhouden. Het gebeurt gewoon: “… Het komt voort uit noodzaak. Je moet erin meegaan en iets maken van wat het van jou maakt…”. Bekering. Metamorfose. Gedaanteverwisseling. “… Het is altijd het antwoord op het onbeantwoordbare. Ook als het betekent in een tor veranderen, zoals in de versie van Kafka…”. En als je het hebt over je eigen bubbel: in het boek gaat het vaak over de Italiaanse Lorenza Mazzetti die in de vroege jaren vijftig een Britse film maakte: ‘Together’.  “… Over twee mannen die bevriend zijn en allebei doofstom. De een is mager en lang, de ander is klein en gedrongen, ze zouden niet méér van elkaar kunnen verschillen, maar ze zouden ook niet sterker verbonden kunnen zijn…”. Ze dwalen en leven en werken in een kapotgebombardeerd landschap in Londen in de buurt van de dokken. Ze worden achtervolgd door een horde straatkinderen die hen bespotten, maar ze merken er niets van, omdat al hun aandacht gericht is op elkaars bewegende handen en mond en gezicht.

 

Roadtrip

Art en Charlotte zijn op weg naar Suffolk, voor ‘familiedingen’. Robert heeft net gelezen dat Einstein daar is geweest. Zijn moeder herinnert zich de ‘onsterfelijke zomer’ die ze er heeft beleefd. Waarom ze niet met hen meegaan, vraagt Art. On roadtrip. Zoiets onverwachts kunnen ze niet doen, meent moeders. “… Tijd die je besteedt aan het delen van levensmomenten met volstrekte of betrekkelijke vreemden kan soms heel goed uitpakken. Het kan in sommige gevallen zelfs je leven veranderen…”, aldus Art. Ondertussen vertelt Robert zijn zusje dat hij de afstandsbediening van de tv op de post heeft gedaan. Naar het eiland Deception, “… de plek op de grootste afstand van de bewoonde wereld…”, een eiland in Antarctica, “… zeg maar een eiland met een gat in het midden als de top van een vulkaan…”. Een eiland met een ‘kern’. Er is niets. Alleen vogels, meeuwen, stormvogels, pinguïns, robben en hun jongen. En ingestorte walvisstations. Het strand ligt overdekt met baleinen. “… Je hebt een stuk plastic ergens naartoe gestuurd waar het zal blijven liggen en nooit zal wegrotten en voor eeuwig een stuk afval zal zijn omdat het daar geen nut heeft? Zegt ze. En er moet een vliegtuig de wereld overvliegen om het te bezorgen alleen vanwege een stomme bevlieging van jou?...”. Hij haalt zijn schouders op (echt waar). Aan wie of hij het gestuurd heeft? “… De heer B.A. Lein, zegt hij…”. Ik rolde bijna van de bank van het lachen. Het herinnert me aan mijn man die in zijn jonge jaren wel eens een cent of een stuiver stortte op de bankrekening van zijn broer, onder het mom van de meest krankzinnige omschrijvingen. ‘Levering dope aan zware Joop’ passeerde moeiteloos. Maar een citaat over dat de desbetreffende bank zelf het meest stomme instituut ter wereld was, werd uiteindelijk niet meer gekopieerd. “… Jongens waren we, maar aardige jongens…” (sarcastisch).

 

Gierzwaluwen

Om tijdens de lockdown haar verstand niet te verliezen, schrijft Sacha in mei een brief naar een Vietnamese asielzoeker die gevangen zit in een detentiecentrum. Hero. Art en Charlotte hebben haar over zijn lot ingelicht. Ze vertelt hem een prachtig verhaal over gierzwaluwen, die in vijf dagen bijna 5000 kilometer afleggen,  gemiddelde reizen van 19.000 tot 21.000 kilometer maken, en de zomer aankondigen. “… Ze foerageren tijdens het vliegen, ze eten vliegen en insecten en hebben zich aangepast om de stekende van de niet-stekende te onderscheiden - ze kunnen bijvoorbeeld hommels onderscheiden van andere bijen. Wist je dat hommels tot het geslacht ‘Bombus’ horen? Alsof het vliegende bommetjes zijn? – en ze drinken regen tijdens de vlucht of dalen af om over het oppervlak van een rivier te scheren zonder te landen, en ze slapen zelfs tijdens de vlucht – hun hersens kunnen zich aan één kant uitschakelen zodat ze wat rust krijgen terwijl de andere kant wakker blijft…”. Gierzwaluwen blijven voor eeuwig en altijd bij dezelfde partner, ook al zien ze elkaar maar één keer per jaar. Ze broeden omstebeurt op de eieren. Hun jongen kunnen een behoorlijke tijd in een comateuze toestand overleven als ze geen kans zien genoeg voedsel op te scharrelen. En als de jongen eenmaal het nest uit vliegen, zullen ze minstens een jaar en meestal een paar jaar niet meer op de grond komen. Aan het eind van het boek zal Hero schrijven dat de gierzwaluwen hem hebben doen denken aan de legendarische feniks, die altijd weer uit zijn as herrijst.

 

Wegblaasmos

In het tweede deel van het boek flitst het verhaal naar de inmiddels 104-jarige Daniel Gluck, die in Suffolk zit weg te suffen, waar Art en Charlotte met hun volgeladen wagen naar op weg zijn. Om een steen, de helft van een kunstwerk van Barbara Hepworth, die de overleden moeder van Art ooit van hem heeft gejat, terug te gaan brengen. De andere helft bestaat uit een steen met een gat, wat me doet denken aan Susan Smit die dergelijke stenen verzamelt, omdat ze voor haar de ziel symboliseren. Daniel kennen we uit “Herfst”. In zijn dromen en gedachten verkeert hij meestal in een detentiekamp op het Isle of Man, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef als ongewenste vreemdeling. Wat is het verschil met Hero? De joodse Daniel herinnert zich een kunstenaar die tekeningen maakte voor zijn pasgeboren kind: “… Op veel ervan loopt een klein meisje door de hel met een ballon die aan een touwtje danst. De hele weg door de hel blijft de ballon in de lucht boven haar en het meisje loopt rond, nieuwsgierig, onbevangen, onberoerd, en even krachtig als – steeds krachtiger, naarmate de tekeningen zich vermenigvuldigen, dan – alle helse dingen die om haar heen gebeuren. Er zijn ingestorte huizen, schavotten en galgen, mensen die in stukken in bomen hangen, hommage aan Goya, zegt meneer Uhlman wijzend, en het kind loopt door het geplunderde landschap langs opgestapelde bergen schedels. Ze komt langs een opgehangen vrouw. De gruwel raakt haar niet. Ze maakt een dansje met een vrolijk skelet. De dag dat hij Daniel laat toekijken hoe hij tekent, voegt meneer Uhlman vogels toe aan een afbeelding met een vogelverschrikker. Er snijdt een pad door de afbeelding. Het meisje met de ballon heeft erover gelopen, heeft een paar andere kinderen ontmoet, en ze lachen allemaal onder de vogelverschrikker, een opgezwollen dode soldaat, omdat er een vogeltje op zijn hoed zit te zingen…”. Alsof ze hun ‘innerlijke zomer’ hebben behouden. Het doet me een beetje denken aan Banksy. Daniel maakte ook Kurt Schwitters mee: “… Hij is de kunstenaar die s’ avonds blaft als een hond en zijn geblaf overal in de straten van het kamp wordt gehoord…”. Van gestolde pap boetseerde hij beelden die gingen ‘leven’ omdat ze door de schimmel groen uitsproten. Even later schrijft een ooit ‘groen’ schoolmeisje “… dat de smerigheid die elke dag om ons heen gebeurt een groeisel zonder wortels is. Goedheid lijkt op knolraap! De smerigheid wil maar één ding, meer van zichzelf. Het wil zelf zelf zelf zelf niets dan steeds opnieuw zelf…”. Als ‘wegblaasmos’: “… Alleen al de daad van dit denken schopt het los en blaast het weg. Grote gedachten. Je kent me. Ik zal ze je niet besparen…”.

 

Lachen man…

Een heel hoofdstuk gaat over Daniels zusje Hannah, een verzetsstrijdster. Ze zorgt ervoor dat mensen een nieuw persoonsbewijs krijgen. Om geluk te hebben is verandering nodig: “… Er gebeurt iets echts, iets even metamorfoserends als rups en vlinder…”. Toen ze jong was lag ze veel op bed vanwege migraine. De spetterende show aan de binnenkant van haar oogleden was de pijn zeker waard. Ze luisterde naar het ‘zomergeluid’ van haar familie, aan de ene kant van haar kamer. En het ‘zomergeluid’ van de stad, aan de andere kant. Ze werd verliefd op een andere verzetsstrijder die haar vertelde “… dat lachen de beste manier was om zwanger te worden, dus wat ze ook deed, ze kon beter maar niet lachen…”.  Ze kreeg toch een kind. Ze vertelt over het gevaarlijke leven van haar zelf, haar vader, haar broer. “… Haar moeder was godzijdank veilig dood in de hemel…”. Ze bracht mensen over de grens naar Zwitserland, wier uithoudingsvermogen ze moest testen, want de wetten veranderden steeds: “… Nu moet je tien kilometer binnen de Zwitserse grens zijn voordat je van de Zwitsers mag blijven…”. Over de goden die zich gek lachen om al die mensen die als mieren door elkaar krioelen: “… ze zijn soms wreed, de goden. Ze houden van lachen, ze lachen soms zo hard om ons dat ze hun buik moeten vasthouden zodat hun buik niet barst van het lachen en al hun goddelijkheid uit hen lekt. Zorg dat je nooit een god laat barsten…”.  Daniel en Hannah schreven brieven naar elkaar die ze verbrandden (‘herfstzusje aan zomerbroer’). Ze geloofden net als Susan Smit dat hun positieve energie de ander zou bereiken. Dat het de wereld op zijn eigen manier zou veranderen. Zoals de ooit verstrengelde deeltjes in de kwantumfysica.  

 

You Are My Sunshine

En passant wordt het ongelooflijke verhaal van Lorenza Mazzetti vertelt die met hangen en wurgen haar Londense jaren overleeft en filmt, schildert, exposeert, schrijft en publiceert tot ze op tweeënnegentigjarige leeftijd overlijdt in Rome. Haar familie is omgekomen tijdens een ‘zomermoord’. Haar werk, dat doet denken aan Henri Matisse en Charlotte Salomon, gaat altijd over “… de scheuring die optreedt wanneer onschuld en kennis elkaar treffen, en over hoe je die onschuld kunt bewaren, zelfs in de kern van een verpletterde volwassen psyche…” (zie de tekeningen van meneer Uhlman hierboven). Citaat: “… Creativiteit is cultureel, niet omdat ze een afgeleide ervan is, maar omdat ze ernaar streeft cultuur te genezen. Kunst die is verzadigd van het onbewuste fungeert als een compenserende droom in het individuele: ze probeert diepgewortelde problemen aan de kaak te stellen en weer in evenwicht te brengen…”. Over geallieerde soldaten die in de Tweede Wereldoorlog met een stel in shock verkerende Italiaanse kinderen bij een paar graven Engelse liedjes gaan zingen: “… Het eerste liedje dat ze hun leren? ‘You Are My Sunshine’…”.

 

De andere wereld

In Suffolk eist de moeder van Sacha een paar uurtjes op voor haarzelf. Om te wandelen. In haar eentje. Een route die haar dertig jaar terugvoert in de tijd, toen ze hier tijdens een tournee met een feministisch toneelgezelschap Dickens en Shakespeare speelde. “David Copperfield” waarin ze de woorden in de openingszin  ‘Hero of my own life’ vertolkte als ‘Heroine of my own life’ en “Wintersprookje”, waarin ze als standbeeld van de koningin levend werd. Over het stuk: “… Het is alsof het zegt: wees niet bang, er is een andere wereld mogelijk. Als je opgesloten zit in de wereld op zijn slechts, is dat belangrijk…”. Toen ze ruzie kreeg met haar collega’s ging ze naar buiten om een eindje te lopen. Misschien kan ze de kerk terug vinden die ze zag. Ze herinnert zich de ‘groenheid’ van die zomer: “… Het lichte goud, donkere goud van de velden die zich uitstrekken vanaf zee, en het groen van alles, groen, donkergroen, de bomen verderop aan de weg werpen lange Engelse schaduwen, zoals je je een zomer voorstelt…”. Even verder: “… Zomer is als over zo’n pad lopen, op weg naar licht en donker tegelijk. Want zomer is niet alleen een vrolijk verhaal. Want er is geen vrolijk verhaal zonder het donker…”. Wij leven bij de gratie van tegenstellingen. De mystiek: “… En de zomer gaat echt en zeker helemaal over een verbeeld einde. We gaan er instinctief op af alsof het iets moet betekenen. Altijd zoeken we ernaar, kijken we ernaar uit, zijn we er het hele jaar naar op weg…”. Ja, “… Alsof het daar altijd allemaal om ging, jouw tijd op aarde…”. Maar het ‘zomersprookje’ houdt je voor de gek: “… Het kortste en onbetrouwbaarste van de seizoenen, het seizoen dat niet ter verantwoording geroepen zal worden – want de zomer laat zich helemaal niet oproepen, behalve in stukjes, fragmenten, momenten, herinnerde flitsen van zogenaamd of verzonnen volmaakte zomers, zomers die nooit hebben bestaan…”.

 

Archetypisch

Ze heeft het over de ‘archetypische’ weg die ze die zomer  liep. “… Zelfs nu ik er midden in zit kan ik het midden niet bereiken…”. Het pad voerde langs een kerk waarin  het prachtige ‘Bryer Lauter’ van Nick Drake klonk. Op een steen boven de openstaande deur een gebeitelde Bijbeltekst: “… De nacht is voorbij gegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts…”. Een oud rijmpje komt in haar op: “… In de tijden van toen, denkt ze. Waren ridders nog koen…”. In de kerk was een ontzettend vriendelijke man een oude kerkbank aan het restaureren. Hij dronk met haar een bekertje koffie op de begraafplaats. Ze praatte met hem over dat het zo’n ‘heerlijke’ zomer was en dat, wat we ook doen, “… niet dicht bij die heerlijkheid kunnen komen…”. Ik denk: niemand kan God zien en leven. De man vertelde dat ‘zomer’ ook een woord was voor de latei, de bouwkundig belangrijkste balk in het kerkje. “… Houdt een vloer en een plafond overeind, allebei…”. Ik denk aan de sluitsteen waarop ik ooit werd gewezen in de kerk van Deurne (zie mijn blog over “Als Freya zich laat zien” van Henk Vreekamp). “… Een zomer kan veel gewicht dragen, zegt hij. Daarom noemen ze paarden die veel gewicht dragen zomers…”. Ik denk: ‘He’s got the whole World, in His hand’.

 

Heks

Ze herinnert zich dat de man vertelde dat zijn vader zweerde dat je met midzomernacht je jasje binnenstebuiten moest dragen uit respect voor de feeën. Anders bezorgden ze je het hele jaar ellende. Ze hielp hem de kerkbank beitsen. Ze gelooft dat ze nooit meer zo gelukkig is geweest als toen, tijdens haar ontmoeting met haar persoonlijke ‘tovenaar’. Misschien hebben we allemaal zo’n ‘tovenaar’ nodig. Hij gaf haar genoeg energie voor de rest van haar leven. Ze vindt het kerkje inderdaad terug. En de steen waarop ze een wonderschoon gedichtje las over “… De boom in mij die nooit sterven zal. Of ik nu as ben of stof. Die boom verbindt ons met het heelal. Met de hemel en de hof. De boom in mij die nooit sterven zal. Zo zoet is geen verliefde zucht. Als haar bedeesde muziek in het al. Van bladeren en van lucht…”. Ze maakt er een foto van met haar telefoontje, waarop bij nader inzien trouwens alleen wat felgekleurd korstmos is te ontwaren. Als bonus nog een verrassend citaat over een oude tante van Art: “… Charlotte vindt dat Iris er een beetje uitziet zoals een haag eruit zou zien als een tekenaar voor een animatiefilm een personage bedacht dat bedoeld was als haag. Haar haar is wild. Ze kijkt ertussendoor met de heldere ogen van een vogel…”. Dát is nog eens een heks!

 

Uitgave: Prometheus – 2020, vertaling Karina van Santen & Martine Vosmaer, 368 blz., ISBN 978 904 464 499 9, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol.com: klik hier