Menu

vrijdag 30 juli 2021

Het Noorse misverstand van Willem Frederik Hermans – Siep Kooi

 


Subtitel: Een tegenverhaal

 

 “… Wil men literatuur levend houden, dan kan het geen kwaad van tijd tot tijd nieuwe verhalen over de oude heen te schuiven en bijna verstomde stemmen opnieuw te laten klinken…”, aldus Siep Kooi (Leeuwarden, 1941) in zijn ‘verantwoording’ achter in “Het Noorse misverstand van Willem Frederik Hermans”. In navolging van de Algerijnse journalist Kamel Daoud, wiens debuut “Moussa of de dood van een Arabier” een reactie is op Albert Camus’ roman “De vreemdeling” (beide boeken besprak ik eerder), schreef Kooi een reactie op “Nooit meer slapen” van Hermans (zie mijn vorige blog). Verrassend genoeg draait het boek van Kooi om Inge Marie, de vijftienjarige buspassagier die Alfred op het eind van “Nooit meer slapen” ontmoet. Ze komt maar op een paar bladzijden tot leven. Ze voegt in feite niets toe aan het verhaal. Ze had er net zo goed niet in kunnen zitten. Echter; de boeken van Hermans zijn altijd geënt op zijn leven. Hij was een meester in het spelen met waarheid en verdichting. Het is moeilijk om na te gaan wat fictie en werkelijkheid is. In ieder geval bleek na zorgvuldig onderzoek dat Inge Marie echt bestond. Kooi heeft haar zelfs opgespoord. Qua romantiek is “Het Noorse misverstand” misschien ietwat over de top. Het zindert evenwel van boekenliefde. Kooi neemt je mee op een ongekend spannende reis door een magische boekenwereld. Iedere titel die hij noemt zou ik stante pede willen lezen!

 

Het zal je moeder maar zijn

Het verhaal. Noorwegen. Federika en haar man Serge besluiten naar Rotterdam te vliegen als daar in 2016 de film “Beyond Sleep” naar het boek van Willem Frederik Hermans, “Nooit meer slapen”, in première gaat.  Dat is natuurlijk niet zomaar. Federika is er namelijk achter gekomen dat haar moeder een rol speelt in de roman. Zij was het vijftienjarige meisje dat Hermans’ alter ego, Alfred, ontmoette bij de bushalte. Sterker, Hermans bleek in 1992 zelfs een advertentie in een regionale Noorse krant, het Finnmark Dagblad, te hebben gezet, met de oproep of Inge(r) Marie wilde reageren. Na eenendertig jaar zocht hij contact met haar. Daaruit is een korte briefwisseling ontstaan. Federika’s moeder hoorde toen pas dat ze een personage in een beroemd Nederlands boek was. De film maakt natuurlijk geweldig veel indruk op Federika: “… ‘Je zit helemaal te beven,’ zei Serge, en hij pakte haar hand, ‘was het zo heftig?’ ‘Ik beef van ontroering, denk ik,’ fluisterde ze. ‘Ik ben misschien alleen maar zo ondersteboven vanwege de schoonheid van dat meisje in de bus, dat mijn moeder speelde. Niet normaal meer.’ …”. Voor het desbetreffende filmfragment: zie hier.

 

Geheimen

Als ze na afloop van de film in het drukke restaurant wat gaan drinken, herkent Federika een Nederlands stel dat ze in het hotel heeft ontmoet waar ze werkt als receptioniste: Jaap en Anna. Wat een toeval! Ze spreekt het echtpaar aan, schuift met haar man aan hun tafeltje, en al gauw zit Jaap honderd uit te vertellen over Hermans, van wie hij als leraar Nederlands ontzettend veel weet. Thuis blijkt hij zelfs een DVD van onderzoeksjournalist Max Pam te hebben, waar de enige echte Inge Marie nota bene kort aan het woord komt. Federika weet niet wat ze hoort! Waarom verzweeg haar moeder dat interview? Wat heeft ze te verbergen? Een en ander kun je natuurlijk op je klompen aanvoelen. Federika (alleen al haar naam!) over Hermans: “… ‘her man’ in het Engels, ‘haar man’ een aardige vondst, vond ze van zichzelf. De man van wie? Van haar moeder?…”. Even verder, verbluft: “… ‘Wat is er vandaag allemaal niet met mij gebeurd? Ik kan het niet bevatten,’ kon ze nog net opbrengen. ‘Ik ging naar Holland om de film te zien. Ik zag de nieuwe film,…’…”, waarop Jaap grappig genoeg gaat staan, en Martinus Nijhoff begint te declameren. “… Ik ging naar Bommel om de brug te zien…”. Zelfde metrum. Beroepsafwijking. Sorry! Gastvrij nodigen Jaap en Anna het buitenlandse stel uit om de volgende dag de DVD bij hen thuis in Rotterdam-Kralingen te komen bekijken.

 

De vrijgevochten Petronella van der Moer

Op allerlei manieren wordt er aan “Nooit meer slapen” gerefereerd. Professor Nummedal heeft het in Hermans boek over geologen die van goudzoekers afstammen. Serge’s vader en opa waren goudzoekers. Jaap heeft het over een museumpje in Finland waar een vitrine gewijd is aan een fascinerende Nederlandse vrouw die een tijdje onder de goudzoekers leefde: Petronella van der Moer.  “… Ze was zeer vrijgevochten en wist iedereen voor zich te winnen, al kon ze mensen bedonderen waar ze bij stonden. Haar fantasie was enorm en ze wist vaak allerlei slinkse wegen te bewandelen om rekeningen, zoals die van hotels, niet te betalen. De eenzame goudzoekers waren gek op haar. Ze kon ze maken en breken. Ze kookte en waste voor ze, herstelde hun kleren, herinner ik mij. Niemand wist dat ze als oplichtster en verdacht van spionage door de politie werd gezocht. Toen ze op een dag inkopen voor de goudzoekers in de stad ging doen, werd ze opgepakt. Ze had geen paspoort; dat was indertijd afgenomen toen ze enige tijd gevangen had gezeten. Wat een verhaal! Uiteindelijk werd ze de grens overgezet, al hadden die goudzoekers botje bij botje gelegd om haar boetes te betalen. Het mocht niet baten. Daarna ontbreekt vrijwel elk spoor…”. De goudzoekers konden haar niet vergeten: “… In Inari werd op de begraafplaats een gedenksteen gezet en in Saarisselstä werd een hotel naar haar genoemd…”. Verder kreeg het etiket van het beroemde biermerk Legenda een tekst over haar mee, en zijn er twee bolvormige heuvels naar haar genoemd, de ‘Petronella Kukkylat’ oftewel ‘Petronellaheuvels’, als eerbetoon aan haar weelderige borsten. In “Nooit meer slapen” doet de berg Vuorje Alfred en zijn kompanen ook aan een vrouwenborst denken. Een van hen heeft het over “… Anna Bella Grey! Een beeldschone vrouw met twee hoofden en drie tieten…”. Door alle overrompelende gebeurtenissen is Federika trouwens bang dat ze ‘nooit meer zal kunnen slapen’.

 

Muggenziften

Met z’n viertjes slaan ze de tweede dag echt aan het muggenziften; wat voor enorm veel achtergrondinformatie bij “Nooit meer slapen” zorgt. Het filmpje. Max Pam vraagt aan Inge Marie of ze Hermans daadwerkelijk heeft gekust. Inge Marie houdt de boot af, zegt dat ze het niet meer weet maar dat het best zou kunnen. Zo iemand was ze wel: “… waarom heeft zij het ‘verdrongen’ – in freudiaanse zin. Is er iets gebeurd, iets onherstelbaars, iets wat ze het liefst zo snel mogelijk heeft willen vergeten?...”. Jaap vertelt dat ene Karin Annema een boekje heeft geschreven met de titel “De Noorse liefde van W.F. Hermans” dat de bekende literatuurcriticus Arjan Peters in De Volkskrant van 2 september 2005 volkomen afbrandde: “… Misschien kan ik het eens voor je op de kop tikken. Zelf ben ik er niet nieuwsgierig naar, zeker niet na het lezen van het vernietigende sarcasme van Peters, die ik als recensent hoog heb zitten: ‘Van gene zijde kunnen we de grote schrijver met recht boos horen blaffen.’ Dat is toch dodelijk!...”. Met de wetenschap van nu zou je bijna denken dat Karin Annema misschien heeft geweigerd op de mogelijke avances van Peters in te gaan. Ik heb Arjan Peters helemáál niet hoog zitten! Het voorgaande maakt duidelijk dat Siep Kooi’s verhaal ook niet echt origineel is, maar hij is daar in elk geval eerlijk over. De tweedelige Hermans-biografie van Willem Otterspeer komt voorbij: “De mislukkingskunstenaar” uit 2013 en “De zanger van de wrok” uit 2015. Een fragment gaat over Hermans’ liefde voor katten. Otterspeer: “… Katten zijn (…) een uitstekend middel om iets van Hermans te begrijpen…”. Het doet me aan de boeken van Kathy Hoopmann denken: “Alle honden hebben ADHD” en “Alle katten hebben Asperger” (zie de intro van mijn vorige blog!). Via allerlei speurwerk bewijst Jaap dat Hermans en Inge Marie een weggemoffelde nacht met elkaar moeten hebben zoetgebracht.

 

Verdwijnen

Een groot thema in het boek is het item ‘verdwijnen’. Dit naar aanleiding van Inge Marie die naar Alfred zwaait in de wegrijdende bus en Alfreds/Hermans' commentaar: “… Het kan ook zijn dat ze mij, op het raampje waaraan zij stond, als het ware uitgetekend zag als op een schoolbord en dat ze mijn beeld, bij wijze van spreken, heeft uitgeveegd. Dat zou verreweg het beste voor haar zijn…”. Serge blijkt behept met een kindertrauma: van zijn vader is nooit meer iets vernomen nadat hij verdween in een kano. De derde dag die ze met z’n vieren doorbrengen, bezoeken ze het Rijksmuseum. Federika is vooral ondersteboven van ‘Het Joodse bruidje’ van Rembrandt: “… Jaap fluisterde dat dit schilderij voor Vincent van Gogh het mooiste was dat ooit was geschilderd. Hij had het ‘een oneindig sympathiek schilderij’ genoemd. Hij had graag tien jaar van zijn leven willen geven als hij er veertien dagen ongestoord naar had mogen kijken, als het gemoeten had zelfs veertien dagen op water en brood, had hij gezegd. Jaap meende zich te herinneren dat Van Gogh in zijn bewondering ook gezegd had: ‘Om zo te kunnen schilderen moet je meer dan eens gestorven zijn.’…”. Zie ook weer de connectie met een vrouwenborst. Sommigen denken dat het schilderij Isaac en Rebecca voorstelt. Anderen dat het om Jefta en zijn dochter gaat (hij legt een hand op haar hart). Om een belofte aan God in te lossen moet Jefta het meisje offeren. Ze vraagt twee maanden uitstel om met haar vriendinnen te rouwen in de bergen. Elk jaar trekken de meisjes van Israël zich daarom vier dagen terug, als eerbetoon aan de dochter van Jefta. Jaap denkt dat je het verhaal in overdrachtelijke zin moet zien, dat ze altijd maagd bleef. Federika denkt dat Jefta’s dochter in de bergen gebleven is. Dat de dochters van Israël haar elk jaar vier dagen gaan zoeken omdat ze verdwenen is. Jaap vertelt over het prachtige treurspel van Joost van den Vondel over Jefta’s dochter, waarin hij het bruidsgewaad ‘zonnenrood’ noemt. Als Serge en Anna even weg zijn hebben Jaap en Frederica voor het schilderij nog een merkwaardig intiem momentje. Evenals Alfred in “Nooit meer slapen” voor Inge Marie, koopt Jaap ter afscheid een reep chocola voor Federika. Frappant genoeg mist het Noorse echtpaar hun vlucht naar huis, waardoor ze een extra dag hebben in Nederland. Al met al wordt het dus ook een uitstapje van 'vier' dagen.

 

Het ‘tegenverhaal’ van Federika

Tijdens die dag ontmoeten de echtparen elkaar weer. Als Jaap op de proppen komt met een babyfoto van Hermans die sprekend op de babyfoto van Serge en Frederika’s zoon lijkt, valt Federika flauw. Haar jongste, die net zo eenzelvig en in de weer is met fotografie als Hermans. Er is geen ontkomen meer aan: Hermans moet bijna wel zijn opa zijn. Een en ander wordt gelinkt aan “De donkere kamer van Damokles”, of eerder aan de film “Als twee druppels water”. Wat is er in vredesnaam allemaal gebeurd? Uiteindelijk neemt Federika zich voor haar moeder niet lastig te vallen met de ontdekking die ze in Nederland heeft gedaan. De laatste is gelukkig getrouwd met de man van wie Federika altijd heeft gemeend dat hij haar vader is: “… Voor Inger Marie was het verleden een gesloten boek en ze had redenen erover te zwijgen. Federika had besloten dat te respecteren, ook al was dat moeilijk. Zelfs nu ze waarschijnlijk een halfbroer had, veranderde daar niets aan…”. Toch moet Federika haar verleden op de een of andere manier verwerken. Ze is er totaal door uit balans. Zo komt ze op het idee zelf een ‘tegenverhaal’ te schrijven over wat er tussen haar moeder en Hermans is gebeurd. Titel: “De veerboot”. Dit verhaal is opgenomen in “Het Noorse misverstand”, zodat je alles wat ik hierboven heb geschreven kunt opvatten als een lange proloog. Het is een ongewoon spannend en keigoede tekst, vind ik persoonlijk. Ik ga daar natuurlijk verder niets over zeggen: dat moet je zelf maar lezen.   

 

Parallellisme

“Het Noorse misverstand” heeft trouwens ook een epiloog. Diverse romans passeren de revue die een ‘parallellisme’ met Alfred/Hermans en Inge Marie hebben. Zoals het korte verhaal “Het veer” van Simon Vestdijk uit de bundel “De dood betrapt”, waar de 'baarlijke duivel' een groep mensen, die op de vlucht zijn voor de pest, een rivier over roeit. Zie ook de mythische veerman Charon die zijn passagiers de Styx over zet. Een zwangere vrouw die in slaap is gevallen kijkt de demonische veerman plotseling verwilderd aan en valt daarna terug in haar somnambulische toestand: “… Wat had de jonge vrouw gehoord, gezien, wat had zij in mij herkend? Eén ogenblik voelde ik vaag, dat zij meer hoorde bij mij dan bij die landelijke reisgenoot. Maar hoe? Zou haar kind op mij lijken?...”. Ook “Het glinsterend pantser” haalt Siep Kooi aan. Over “… het ongrijpbare en bij tijden irritante meisje Adri Duprez…”. Vestdijk: “… Zij keek mij aan zoals niet veel meisjes mannen moeten aankijken, wil het goed blijven gaan op de wereld. Het was een volkomen loszinnige blik, flitsend, bewust van zijn eigen betovering, en toch naïef van opzet. Ze daagde mij uit, ze streelde mij, sloeg mij, het was alweer voorbij. Het was niets geweest. Een slecht aanwensel…”. “De Minnaar” van Marguerite Duras speelt een rol: “… Het vijftienjarige meisje, in wie we de schrijfster mogen herkennen – haar boek wordt altijd een nauwelijks verhuld zelfportret genoemd – steekt met een veerboot de Mekong over. Ze wordt vanuit een chique limousine door een rijke, elegant geklede man, een Chinees, gadegeslagen, met wie ze nog tijdens de overtocht kennis maakt. Ze gaan een zeer intieme, seksuele relatie met elkaar aan, die anderhalf jaar heeft geduurd…”. Verder gaat het nog over “Voor wie de klok luidt”, een oorlogsroman  van Hemingway. Aangaande ene Roberto: “… Hij bracht drie nachten met haar in zijn slaapzak door, een kaalgeschoren meisje, dat enkele dagen daarvoor haar beide ouders vermoord had zien worden, die daarna op een verschrikkelijke manier herhaaldelijk verkracht werd, maar als door een wonder bij de bestorming van een trein bij een verzetsgroep in de bergen terechtkwam. Dezelfde groep die Jordan moest helpen bij het vernietigen van de brug. Een ongelofelijk liefdevol beschreven relatie tussen twee mensen, die maar even heeft geduurd…”. Tenslotte komt de Napolitaanse romancyclus van Elena Ferrante voorbij, waar ik het eerste deel van heb gelezen. Het begint met de mededeling dat de vriendin van de vertelster zoek is. Tevergeefs heeft haar zoon Rino haar overal gezocht. Als je het hebt over ‘verdwijnen’! Ik was indertijd niet zo kapot van het verhaal. Als ik het na wat Siep Kooi er over oppert had gelezen, denk ik dat ik er verslaafd aan was geraakt!

 

MeToo

Kooi heeft sterk geprobeerd zich aan wat Hermans bij een klassieke roman voor ogen staat te houden: “… Ik versta daaronder de roman waarin het thema volledig is verwerkt in een verhaal, waarin een idee wordt uitgedrukt door middel van handelingen, waarin de optredende personages desnoods eerder personificaties zijn dan psychologische portretten. Een roman waarin alles wat gebeurt en alles wat  beschreven wordt, doelgericht is; waarin bij wijze van spreken geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft en waarin dit alleen geen gevolg mag hebben, wanneer het de bedoeling van de auteur geweest is, te betogen dat het in zijn wereld geen gevolg heeft als er mussen van daken vallen. Maar alleen dan…”. “Het Noorse misverstand” heeft derhalve een open einde: Federika is ‘verdwenen’ en niemand weet hoe of wat. Er wordt nog wat gefilosofeerd over de tekst in Mattheus 10 vers 29 waarin het gaat over dat er niet één musje van het dak valt zonder de wil van de Hemelse Vader. Ik weet dan weer dat in de oorspronkelijke (Griekse) tekst ‘de wil’ van de Hemelse Vader niet voorkomt. Er staat enkel: zonder de Hemelse Vader. Dat maakt alle oeverloze discussies over of God dingen wel of niet ‘wil’ triviaal. Siep Kooi geeft aan dat hij zijn roman ook heeft bedoeld als een soort tegenwicht in de MeToo-discussie. De meisjes die hij opvoert zou je net zo goed kunnen zien als ultieme verleidsters. Feit blijft wel dat Inge Marie vijftien was, Alfred tien jaar ouder en Hermans zelf maar liefst vierentwintig jaar ouder. Het gaat over seks tussen een kind en een volwassene: dat is pedofilie! In Nederland ligt de verantwoordelijkheid gelukkig ten allen tijde bij de volwassene. Die hoort wijzer te zijn, al gedraagt een kind zich nog zo uitdagend. Daarnaast kan ik mij bijna niet voorstellen dat een puber van vijftien wat ziet in een oude vent van achter in de dertig. Dat is voor een tiener een oude opa! Voor mij is “Het Noorse misverstand” derhalve een nauwelijks geloofwaardig, nogal rommelig, maar absoluut intrigerend verhaal. De roman is ook nog eens verluchtigd met prachtig fotomateriaal.

 

Uitgave: Prominent – 2021, 272 blz., ISBN 978 949 239 536 8, 21,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 27 juli 2021

Nooit meer slapen – Willem Frederik Hermans

 


Onlangs noemde iemand “Karakter” van Bordewijk en “Nooit meer slapen” (1966) van Hermans de mooiste boeken uit de Nederlandse literatuur. Vandaar dat ik de laatste roman nog eens heb herlezen. Het is een prachtig verhaal over de studiereis van de jonge geoloog Alfred Issendorf naar het moerassige noorden van Noorwegen. Toch kreeg ik niet goed vat op Alfred. Bij Hermans is het zuivere denken altijd in conflict met de chaos van de zintuiglijke wereld. De onkenbaarheid en ongrijpbaarheid van de werkelijkheid is één van de belangrijkste thema’s in zijn werk. Hermans had zijn leven lang problemen op het sociale vlak – voelde zich nooit op zijn gemak tussen anderen. Hij liet een spoor van ruzies en rellen na. Was Hermans belast met het syndroom van Asperger? Je zou het bijna denken. Autisten hebben een stoornis in de verwerking van informatie. Mensen met Asperger kicken vaak op computers - Hermans had een obsessie voor apparaten. Wilbert Smulders in "De literaire magneet", een boek met essays over Hermans: “… het verlangen dus om zelf een machine te zijn – is de uiting van een dieperliggend verlangen: het verlangen naar onmiddellijk contact met de wereld…”. Karel Berkhout in een artikel in het NRC van 6 april 2020 over autisme en literatuur: “… Daar komt bij dat mensen met Asperger bijna van nature literaire personages zijn. Hun taalvermogen is zo groot, dat ze bijna allemaal als verbaal hoogbegaafd gelden…”. Ronald Giphart in een longread voor “NPO-kennis.nl” over Hermans colleges als fysisch geograaf aan de Rijksuniversiteit Groningen: “… Hoe welbespraakt en boeiend Hermans op literair gebied is, hoe droog en saai blijken zijn lessen. Onder zijn studenten is Hermans allesbehalve populair, sommige zijn zelfs bang voor hem…”. Willem Frederik Hermans (1921 – 1995) wordt beschouwd als een van de allergrootste naoorlogse schrijvers van Nederland. Hij behoort met Gerard Reve en Harry Mulisch tot ‘de Grote Drie’. Je zou het vanwege corona en de overal plaatsvindende watersnoodrampen bijna vergeten, maar 2021 is ook het Hermansjaar: precies honderd jaar geleden werd W.F. Hermans op 1 september in Amsterdam geboren. 

 

De steen der wijzen

Hermans noemde zichzelf een ‘misantroop’. In “Nooit meer slapen” gaat er dan ook werkelijk niets goed. Het begint al als student Alfred Issendorf zich in Oslo aanmeldt bij professor Nummedal (niemendal?) omdat is afgesproken dat hij met diens leerlingen Arne Jordal en Qvigstad een trektocht door Finmark zal maken. Professor Nummedal weet van niks. Als Alfred hem een brief van zijn Nederlandse hoogleraar  Sibbelee aanreikt, herinnert de bijna blinde prof zich weer een debat waarin Sibbelee het onderspit moest delven: “… Sibbelee af door een valluik. Ik voel hoe het bankroet van mijn leermeester mij besmet…”. En vervolgens ook niet echt opbeurend: “… Ik ben vierentachtig jaar, zegt Nummedal. Ik heb heel wat wetenschappelijk werk voor niets zien doen. Magazijnen vol verzamelingen, waar niemand meer naar omkijkt, tot ze op een dag uit plaatsgebrek worden weggesmeten. Theorieën heb ik zien gaan en komen als de wilde ganzen en de zwaluwen…”. Ook over de beloofde luchtfoto’s blijft de professor vaag: wélke luchtfoto’s!?  Alfred heeft ze absoluut nodig voor zijn doel: meteorieten zoeken. “… Ik wil geen stenen die een ander al in een doosje gedaan heeft. Nog sterker: ik wil geen stenen vinden die al eerder op aarde zijn geweest. Ik zou het liefst een meteoriet vinden, een brok uit de kosmos en ik zou willen dat het uit materiaal bestond, dat op aarde nooit was aangetroffen. De steen der wijzen, of minstens een mineraal dat naar mij zou worden genoemd: Issendorfiet…”.

 

Verfallene Wissenschaft

Nummedal blijft maar door wauwelen over geologen die afstammen van goudzoekers en dat in zo’n dichtbevolkt landje als Nederland de geologen wel op elkaars tenen moeten staan “… en menigmaal in de verleiding komen een afgetrapte teen voor de hoektand van een holenbeer te verslijten!...”. Op iedere Hollandse vierkante meter staat er vast een geoloog met een microscoop: “… Het zal er in uw land nog op uitdraaien dat ze alle zandkorrels die er liggen een voor een gaan tellen. Dat noem ik geen geologie meer. Dat noem ik krentenwegen, boekhouden. Verfallene Wissenschaft, noem ik dat, verfallene Wissenschaft!...”. Alfred: “… Och professor, ze hebben ook steenkolen, zout, olie en aardgas gevonden…”. Nummedal, toch wel akelig actueel: “… Maar de grote problemen, mijn beste meneer. De grote problemen! Waar komt onze planeet vandaan? Wat is haar toekomst? Gaan we een nieuwe ijstijd tegemoet, of zullen er eenmaal dadels groeien aan de Zuidpool? De grote problemen die een wetenschap groot maken, die de ware functie van de wetenschap ‘daarstellen’!...”. En even verder: “… Wat is wetenschap? Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!...”. Een volk dat zich eeuw in eeuw uit specialiseert in het wonen op een stuk land dat eigenlijk de vissen toebehoort moet er wel een onmenselijke filosofie op na houden. “… Een wereldbeschouwing die er alleen maar op gericht is het voelen van nattigheid te voorkomen!...”, aldus de kletskous. Hoe cruciaal een en ander is hebben we immers de afgelopen tijd weer kunnen zien.

 

Arme kindse grootvader

Professor Nummedal neemt Alfred mee op een hilarische trip door Oslo: “… Met twee brilleglazen op zijn voorhoofd en twee voor zijn ogen, lijkt het of hij met vier koplampen is gewapend. Hij boort zijn witte blindenwandelstok recht in de stroom auto’s die voorbijkomt…”. In een fastfoodrestaurant vraagt hij schreeuwerig om de aandacht van een rij ‘pasgewassen’ blonde serveersters: “… Frøken!...”. Natuurlijk laat Alfred van alles vallen: “… Openhartig gedecolleteerd dweilt frøken de vloer waar ik gemorst heb…”.  Het is alsof hij op pad is met zijn “… arme kindse grootvader…”. Om een wereldberoemd uitzicht over een fjord te zien volgt er een slopende beklimming van een heuvel en een steile skitrap. Álles voor de luchtfoto’s. Aan het eind van de helletocht vertelt Nummedal dat de foto’s in Trondheim zijn, waar Alfred toch langs moet als hij naar het Noorden gaat. Ook daar zijn ze niet. Het lijkt wel zo’n droom waarin je geen stap vooruit komt. In een watervliegtuig maakt hij de tocht naar Alta waar één van zijn medestudenten zowaar komt opdagen: “… de afspraak blijkt te kloppen. Ik besef plotseling dat ik in een voortdurende vrees leef te moeten bestaan in een maatschappij waar iedereen iedereen voor de gek houdt. Maar zelfs zonder opzet, dan nog had Arne een half uur voor mijn aankomst een ongeluk kunnen overkomen. Overreden door een auto. Of een hartinfarct…”. Vanaf dan wordt Alfred begeleid door wolken prikkels uit de buitenwereld, namelijk muggen, die hem niet meer met rust laten.

 

Into the Wild

Een bus rijdt hen steeds verder de wildernis in. Heuvels, meren, stroomversnellingen, ravijnen trekken voorbij. Arne vertelt dat het moeilijk is om de traditionele Lappen te bewegen hun kinderen naar school te sturen. Alfred vraagt zich af of ze gediscrimineerd worden. “… Een Lap hoeft alleen maar zijn pakje uit te trekken en hij is een Noor als een ander…”. Waarom ze dat dan niet doen? “… Omdat ze vinden dat ze anders zijn. Ik denk dat het hoofdzakelijk een kwestie is van moedertaal. Daardoor denken ze niet als wij…”. Ze zouden zich van hun familie vervreemden. De gedateerde leefwijze van de Lappen lijkt Alfred nogal oncomfortabel.“… ‘De meeste mensen baseren hun zelfrespect op een of ander gebrek aan comfort’…”, zegt Arne wijsgerig (zelf behelpt hij zich trouwens ook met een versleten uitrusting zolang hij geen resultaten boekt). Het doet me denken aan de moslima’s met hun hoofddoekjes en boerka’s en de  refo-vrouwen die de lange broek en tv uit den boze achten. Zelfs de anti-vaxxers… De meeste Lappen werken inmiddels in visfabrieken. “… Lappen die nog rendieren houden, zijn merendeels heel rijk. Hebben kudden van duizenden stuks vee. Een boel kinderen en veel rendieren, is wat ze verlangen. Ik geloof soms dat de koppigheid waarmee mensen aan tradities vasthouden, voldoende is om iedere hoop op te geven dat de mensheid door rationele maatregelen gelukkiger zal worden…”. Mij lijkt een leven met rendieren in de natuur anders heel wat aangenamer dan in die dooie visindustrie.  

 

Afzien

Na een paar overnachtingen komen er twee expeditieleden bij, Qvigstad en Mikkelsen. Alfred heeft het gevoel alleen maar in de weg te lopen. Hij wil een handje helpen om de tent op te zetten dan wel af te breken, maar iedereen is hem te vlug af. Zelfs de lichtste rugzak bezorgt hem ontvelde schouders. Hij kan de anderen amper bijbenen. Springend van steen naar steen steken ze snelstromende riviertjes over - hij valt er in, schaaft zijn knieën, verbijt zijn pijn. Hijgend door ademnood kan hij zijn uitgedroogde mond niet dicht houden. De kwelling van voortdurende dorst. Daardoor beukende hoofdpijn. De kou. Oorsuizingen. Nachtenlang slaapt hij niet omdat het amper donker wordt. Vleesetende en bloeddrinkende insecten komen op zijn zoute zweet af. Arne snurkt ook nog eens als een os. Niemand die de moeite neemt zichzelf te wassen of te scheren. Tijdens een val loopt Alfred een hoofdwond op en scheurt de huid van zijn been van enkel tot knie. Lekkende tenten in de striemende regen. Doorweekte schoenen, sokken, en donzen slaapzakken die daardoor aanvoelen als knoedels stopverf. Tot overmaat van ramp blijkt, als ze al een eind gevorderd zijn, Mikkelsen de luchtfoto’s te hebben waar Alfred op heeft zitten azen (er is trouwens geen zweem van een meteoorkrater op te ontwaren). Hij kan hem wel zijn hersens inslaan. Hij voelt zich bedonderd door zijn professoren. Heeft het idee dat zijn medereizigers hem achter zijn rug uitlachen. En waarom zijn Qvigstad en Mikkelsen er op een ochtend als hij wakker wordt vandoor? Veroorzaakte hij teveel tijdverlies? Wat een afzien.

 

Een glorieuze presentie die niet op haar plaats is in de wereld   

Ondertussen wordt er melig gediscussieerd over geloof en bijgeloof. Alfred vindt de gedachte dat er méér is volkomen absurd. In een hachelijke situatie heeft hij dan ook zo ongeveer het tegenovergestelde van een goddelijke ervaring: “… Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tip van de sluier omhoog die over het hele leven ligt: dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waarvolgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp…”. Wij zijn ons brein. Zijn zusje, Eva, is volgens hem een dom wicht dat wél gelooft. Hij heeft zijn kompas van haar gekregen: “… Die is altijd erg bang dat ik zal verdwalen…”. Het kompas gaat in de loop van het verhaal natúúrlijk stuk. Het lijkt wel een ‘gelijkenis’; christenen noemen de Bijbel vaak hun ‘kompas’. Net zoals je Alfreds queeste naar een meteoriet bijna kunt opvatten als een metafoor voor een (innerlijke) zoektocht naar zijn unieke ziel (brok uit de kosmos, materiaal dat nooit eerder op aarde is aangetroffen, steen der wijzen). À la Marilynne Robinson in haar roman “Jack”: “… We hebben allemaal een ziel, nietwaar? (…) Dat hebben we. We weten het, maar vooral omdat het een gewoonte is dat te geloven, niet omdat het voortdurend werkelijk zichtbaar voor ons is. Maar eens in het leven, misschien, kijk je naar een vreemde en zie je een ziel, een glorieuze presentie die niet op haar plaats is in de wereld. En als je van God houdt, is iedere keuze voor je gemaakt. Je kunt je er niet van afkeren. Je hebt het mysterie gezien – je hebt gezien waar het leven om gaat. Waar het toe dient. En een ziel heeft geen aardse kwaliteiten, geen geschiedenis in de dingen van de wereld, geen schuld of kwetsuur of mislukking. Niet meer dan een vlam zou hebben. Er is niets wat erover gezegd kan worden behalve dat het een heilige menselijke ziel is. En het is een wonder wanneer je het herkent…”. Volgens orthodoxe theologen als Augustinus en Calvijn dragen wij dan ook de ziel als 'het beeld van God' in ons.

 

Allemaal bedriegers

Alfreds hunkering naar echtheid en oorspronkelijkheid vertaalt zich ook in haat richting zijn moeder die literatuurrecensent voor een aantal toonaangevende kranten is. Ze beduvelt de boel. Ze leest niet één boek. Ze verzamelt gewoon alle artikelen die ze over de desbetreffende schrijver in buitenlandse bladen kan vinden, om er vervolgens een eigen essay over te schrijven. En ook nog eens altijd in zo ongeveer dezelfde bewoordingen. Wát een voorbeeld: “… Van groot tot klein, allemaal eindigen we als bedrieger. Om meer te verdienen maken de bakkers het brood niet zo lekker als mogelijk zou zijn, de autofabrikanten leggen het erop aan dat je auto binnen vijf jaar versleten is, garagehouders schrijven rekeningen voor reparaties die ze nooit hebben verricht, horlogemakers blazen in een klok en laten je vijftig kronen voor schoonmaken betalen. Iedereen komt als inbreker aan de kost…”. Alfred wordt geacht zich te ontwikkelen tot een copy van zijn verongelukte vader. Het doel waar te maken dat de jong overledene nooit heeft kunnen verwezenlijken: professor worden. Moedertjelief belet haar zoon zo wel héél erg zichzelf te zijn.  

 

Tevergeefs

Als Alfred en Arne ruzie krijgen over de route van hun tocht gaan ze met een kwaaie kop uit elkaar. Tegen de tijd dat Alfred in de gaten krijgt dat hij zich heeft vergist, maken wolken op grote hoogte, mist en ijzel zijn oriëntatie ontzettend moeilijk. Na dagenlang zoeken vindt hij Arne’s lijk. Er is precies gebeurd wat hij zich in het begin van het boek voorstelde, qua ongeluk dat Arne vlak voor hun ontmoeting zou hebben kunnen overkomen. Uitglijden over gladde stenen. Achter zijn opengereten achterhoofd een gele pudding: “… dit is geen slapen. Dit is nooit meer slapen…”. Als een soort Jezus heeft Arne het noodlot ondergaan waarvan Alfred het hele boek door heeft gevreesd dat het voor hém bestemd was: evenals zijn vader te pletter vallen. Tegen het einde van het boek heeft hij op zijn terugreis nog een merkwaardige ontmoeting met een vijftienjarig meisje in een bus, Inge-Marie. En met een soort diva. Als in een kolderieke film of strip verschijnt haar dronken echtgenoot net voordat ze op haar hotelkamer in bed zullen belanden. In het vliegtuig naar Schiphol  leest hij in een krant dat er een geheimzinnige klap is waargenomen in het gebied waar hij heeft rondgestruind: “… Men acht de mogelijkheid niet uitgesloten dat er een meteoriet is ingeslagen. Een groep geologen is onderweg naar de plaats in kwestie…”. Eenmaal thuis heeft zijn moeder nog een mooi kadootje voor hem: een paar manchetknopen ingelegd met meteorietsteen. Gemaakt van een brok meteoriet die zijn  vader ooit voor hem kocht voor zijn zevende verjaardag, die hij niet meer mee heeft mogen maken. Alfred is en blijft de hopeloze loser, die eeuwig en altijd achter de feiten aansukkelt. Hij mag dan medelijden hebben met mensen die in spirituele sprookjes geloven;  ík heb medelijden met hém! Wát een rotleven. Desondanks is de 'tevergeefsheid' van het bestaan weergaloos mooi beschreven. En dat ook nog eens in geraffineerd eenvoudige taal. "Nooit meer slapen" werd in 2016 verfilmd door Boudewijn Koole.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2009, 320 blz., ISBN 978 902 345 583 7, alleen tweedehands verkrijgbaar

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

woensdag 14 juli 2021

Klara en de Zon – Kazuo Ishiguro

 


Het luchtige, dystopische Toy Story-verhaal "Klara en de Zon" van de Japans-Engelse schrijver Kazuo Ishigaro (1954), winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur 2017, draait om dezelfde vraag die ik in mijn vorige blog opwierp: marcheren wij straks als halve robots rücksichtslos de technische artificiële digitale toekomst in? Wat betekent dat voor onze ervaringswereld? Wordt ze anders? Kleiner? Zal een deel van onze werkelijkheid uit beeld verdwijnen? Zullen we onze kern, die ons tot de unieke mens maakt die wij zijn, verliezen of vergeten (zie wat professor Rik Torfs hierover zegt in “Alle verstand te boven”)? Ishiguro schreef eerder een toekomstroman, “Laat me nooit alleen” (2005), over de vriendschap tussen drie klonen op een kostschool, die leven met het doel hun organen te doneren. Ook “Vergeten reus” (2015) speelt zich af in een fantasywereld met trollen en draken, waar een dichte mist hangt die het geheugen van de mensen vertroebelt. 

 

Kuntsmatige vriendjes

Klara is een meisjesrobot. Een KV: Kunstmatige Vriend. Ze staat met een stel anderen in een winkel te wachten tot iemand haar koopt. Ze loopt op zonne-energie. Daarom wordt ze graag tentoongesteld in de etalage, waar ze de meeste zon vangt. Ze heeft een bijzonder zelflerend vermogen: alles wat ze op straat ziet, slurpt ze op en verbindt ze met de al aanwezige data in haar, zodat ze steeds slimmer wordt. Als er een veel te dunne, bleke en moeilijk lopende tiener voor het raam verschijnt, is het liefde op het eerste gezicht. Josie. Ze komt nog een keer kijken. De derde keer gaat ze de winkel binnen en weet ze haar ‘volwassene’, c.q. haar moeder, over te halen KV-Klara te kopen. Niet zonder dat haar moeder Klara aan een paar zonderlinge tests onderwerpt. Of ze bijvoorbeeld Josies loopje na kan doen? Klara lijkt een beetje het midden te houden tussen een persoonlijk slaafje, haar eigenschappen worden in haar bijzijn heftig bediscussieerd, en een huisdier, KV’s worden vooral aangeschaft om eenzaamheid te doorbreken. KV’s zijn voor Japanners waarschijnlijk niet zo vreemd als voor ons. Ik zag ooit een keer een heftig filmpje bij het programma “Trippers” van BNN/Vara voorbij komen, waarin het ging over lolicon-materiaal (manga gebaseerd op pedofilie). Volwassen mannen gaven aan helemaal idolaat te zijn van hun aangeschafte meisjespop. 

                                                     

Geüpgrade tieners

In het nieuwe huis moet Klara een hoop dingen verwerken. Ze is graag in de keuken, waar de zon vanwege de grote ramen goed naar binnen kan kijken, maar wordt geboycot door 'Melanie huishoudster'. Ze vindt het fijn om samen met Josie het laatste eind van de reis van de zon te volgen, als deze in het veld zakt om te gaan slapen. Onderwijl wachten ze op de thuiskomst van Josies moeder. De laatste blijkt een alleenstaande advocate te zijn. Om haar even te zien tijdens het ontbijt komt de vaak zieke Josie als het enigszins gaat ‘s morgens vroeg haar bed uit. Josie krijgt overdag les van een ‘rechthoekdocent’. Daar weten we inmiddels alles van. Ze tekent veel en graag. Ze blijk een vriendje te hebben. Rick. Haar buurjongen. In eerste instantie reageert hij een beetje jaloers als hij kennis maakt met Klara: zijn buurmeisje zou nooit een KV nemen. Dat trekt bij als er een stel andere kinderen met hun moeders elkaar ontmoeten in Josies huis voor een ‘interactiebijeenkomst’. Per slot van rekening moet je sociaal vaardig zijn als je straks uit huis gaat om te studeren. Rick wordt eveneens uitgenodigd. Maar hij hoort er niet bij, want hij is  niet genetisch gemanipuleerd. Oftewel: ‘opgetild’. Geüpgrated, en dus klaargestoomd voor de toekomst. Als een paar rotkinderen Klara beginnen te pesten en met haar willen gaan gooien, weet Rick de aandacht van haar af te leiden door een ettertje voor paal te zetten. Rick vertelt aan Klara dat hij met Josie een verbond heeft gesloten om voor altijd bij elkaar te blijven. Maar zo gauw Josie onder vreemden is, lijkt ze te veranderen. Net als Klara wil Rick haar helpen zichzelf te blijven.

 

Echt en onecht

Een ongemakkelijk moment breekt aan als ze een tochtje naar een waterval willen maken. Om maar mee te kunnen, faket Josie dat ze zich goed voelt. Haar moeder is zo nijdig dat ze alleen met Klara vertrekt. Hoe meer Klara observeert, des te meer gevoelens komen er voor haar beschikbaar. Alsof ze een soort autistisch leervermogen bezit. Als ze langs een weiland met een stier lopen, schrikt Klara zich te pletter: “… Ik had nog nooit zoiets gezien, dat in één keer, zoveel signalen van woede en vernietigingsdrang uitzond. Zijn gezicht, zijn hoorns, zijn kille ogen die naar me keken, allemaal bezorgden ze me een angstgevoel, maar ik voelde nog iets meer, iets vreemders en diepers. Op dat moment had ik het gevoel dat het een enorme vergissing was dat het schepsel zelfs maar in het patroon van de Zon mocht staan, dat deze stier ergens diep in de grond hoorde te zijn ver in de modder en duisternis, en dat zijn aanwezigheid op het gras alleen maar afschuwelijke gevolgen kon hebben…”. De moeder van Josie zegt dat ze het goed doet. Josie zou een stuk vrolijker en attenter zijn geworden sinds ze er is. Weer komt Josies  moeder met de eigenaardige vraag of Klara haar dochter wil imiteren. Ze vertelt over het zusje van Josie die is overleden. Later wordt duidelijk dat de genetische manipulatie bij haar fout is gegaan. Josie is er ook ziek van.

 

De goddelijke zon

Als Josie zo beroerd is dat ze hele dagen in bed moet blijven, komt Rick langs en beginnen ze aan een nieuw spelletje. Josie maakt illustraties en Rick vult vervolgens de lege ballonnen die ze er in tekent op met teksten. Allengs veranderen de strips in een zwijgende strijd. Rick vindt de bezoekjes van Josie bij een portretkunstenaar steeds enger worden. Het is volgens hem niet normaal dat hij allemaal gedetailleerde foto’s van haar maakt. Josie ziet het probleem niet. Hij zou dat doen om te voorkomen dat ze te vermoeid raakt van het poseren. Josie, op haar beurt, beschuldigt Rick er van dat hij teveel aan zijn moeder hangt. Ze is psychisch niet in orde en wil hem volgens Josie klein houden, zodat hij altijd bij haar blijft wonen en voor haar kan zorgen. Dat brengt hun plan in gevaar. Waarom doet hij geen toelatingsexamen voor een technische faculteit? Ook ‘onopgetilden’ met talent worden er soms aangenomen. Rick reageert als door een wesp gestoken. Josie zou zich anders ook maar mooi ziek laten maken door haar moeder en nooit eens leuke dingen willen doen. Zwemmen in een meer of zo. Woedend vertrekt hij. Dagenlang horen of zien ze niets meer van hem. Uiteindelijk stuurt Josie Klara met een tekening naar zijn huis om het goed te maken. Josie ontmoet Ricks moeder, die haar ook al in vertrouwen neemt, en vraagt of ze Rick wil pushen richting een studie. Zo erg is ze dus niet. Rick ziet het zélf niet zitten. Ondertussen heeft Klara zo haar eigen plannetjes waarmee ze Josie hoopt te helpen. Ze beschouwt de zon als een soort god. Ze neemt aan dat de zon zich in de schuur van een farmer te ruste legt, omdat ze daar verdwijnt. Zoals gelovigen in een kerk, zorgt ze dat ze een onderonsje heeft met de zon in de schuur. De zon heeft duidelijk een hekel aan luchtvervuiling. Ze zweert haar dat ze een vervuilende machine, waarmee in de stad het wegdek wordt bewerkt, onklaar zal maken als de zon Josie geneest. Ondertussen vertelt de moeder van Josie dat ze een trip naar de stad gaan maken omdat Josie moet poseren. Klara mag daar bij zijn. Ze moet goed opletten of er geen rare dingen gebeuren. En dan komt ook nog eens huishoudster Melanie naar Klara toe met het verhaal dat de portretschilder voor geen meter deugt. Ze moet Josie beschermen. Zo niet dan zal ze Klara slopen en in de kliko dumpen.

 

Vervangbaarheid

Eenmaal in de stad nemen ze hun intrek in een ‘Vriendinappartement’, waar de ex van Josies moeder ook naar toe komt. Josie blijkt ontzettend gek met haar vader. Hij woont in een leefgemeenschap. Met anderen die uit de beroepsmatige ratrace zijn gestapt (een ‘witte’ groep die zich als het moet met wapens verdedigt – iemand beschuldigt hem later dan  ook van ‘fascisme’). Hij heeft eindelijk het gevoel dat hij leeft, vertelt hij. Met z’n allen gaan ze naar de kunstenaar in wiens huis het inderdaad een raar gedoe is. Er liggen fototoestellen. Er hangen grafieken aan de muur. Maar er zijn geen half afgemaakte schilderijen. En er is geen verflucht te ruiken. Josie zelf mag haar portret niet zien, want als ze “… zich te zeer bewust wordt van zichzelf…” zal ze misschien “… op een onnatuurlijke manier…” gaan poseren. Klara moet in een kamertje allerlei vragen beantwoorden. Want van een KV kan de kunstenaar veel leren. De vader en moeder gaan in het beveiligde atelier van de kunstenaar een kijkje nemen. Beiden komen hevig geagiteerd terug. Klara krijgt het voor elkaar daar ook stiekem binnen te geraken, en ziet een KV hangen die een bijna perfecte imitatie van Josie is. De kunstenaar is haar aan het namaken. Duidelijk wordt dat dat bij de ouders intens verwarrende gevoelens en hevige ethische vragen oproept. Al gauw wordt duidelijk dat KV-Josie nog ‘leeg’ is. Mocht de echte Josie overlijden dan zal KV-Josie opgevuld worden met de data van Klara, die daarom zo goed mogelijk Josie moet worden. De moeder van Josie kan het verlies van een dochter namelijk niet nóg een keer aan. Maar is Josie wel vervangbaar?

 

Zijn wij ons brein?

En zo komt de oude en spannende vraag naar de ziel aan de orde. De kunstenaar tegen Josies moeder: “… Het probleem is, Chrissie, jij bent net als ik. Wij zijn allebei sentimenteel. Daar kunnen we niets aan doen. Onze generatie draagt de oude gevoelens nog met zich mee. Een deel van ons weigert die los te laten. Het deel dat wil geloven dat er iets onbereikbaars in elk van ons zit. Iets unieks dat zich niet laat overdragen. Maar zoiets is er niet, dat weten we inmiddels. Jíj weet dat. Voor mensen van onze leeftijd is het moeilijk om het los te laten. We  móéten loslaten, Chrissie. Er is daar niets. Niets in Josie wat niet door de Klara’s van deze wereld kan worden voortgezet. De tweede Josie zal geen kopie zijn. Ze zal precies hetzelfde zijn en je zult het volste recht hebben om net zoveel van haar te houden als nu van Josie. Het is geen vertrouwen dat je nodig hebt. Alleen rationaliteit. Ik heb het ook moeten doen, het viel niet mee maar nu werkt het prima voor me. En voor jou zal het dat ook doen…”. Zie ook Franca Treur die in “Hoor nu mijn stem” een atheïstische student laat zeggen:  “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”.

 

De onpersoonlijke mens

Even verder ontspint er ook een mooi gesprek tussen de vader van Josie en Klara over de vraag of de mens een authentieke kern heeft, “… Iets wat ieder van ons bijzonder en individueel maakt…”. Hoe moet je dat zien en kan Klara de ziel van Josie leren kennen? De vader stelt haar kern voor als “… kamers in kamers in kamers…”. Tot in het oneindige. Klara denkt eerder dat de ziel toch beperkt moet zijn en er dus een complexe mogelijkheid is om al die kamers door te lopen. De vader komt tot de moeilijke conclusie dat hij zo’n hekel aan de kunstenaar heeft omdat hij ergens gelooft dat deze wel degelijk gelijk heeft, dat het geloof in de ziel bijgeloof is. Het voelt alsof de moderne wetenschappers “… me ontnemen wat me het liefst is in dit leven. Ben ik duidelijk?...”. Voor hem draait de wereld om wiskunde: “… Ik heb… een soort kilte in me…”. Het rare is dat Klara, de KV zonder hart, juist gaat geloven dat er méér is. Ze vraagt om het vertrouwen van de vader van Josie. Ze wil een wegwerkmachine kapot maken en vraagt of hij haar daarmee kan helpen. “… Meneer is een deskundig ingenieur…”. Ze weet zeker dat het Josie beter zal maken. Hij ziet dat de robot het echt meent: “… ‘Hoop,’ zei hij. ‘Die gunt je verdomme nooit rust.’…”. Toch stemt hij toe. Het gaat nog veel verder. De machine zal onklaar gemaakt kunnen worden door een vloeistof in de generator te spuiten die zich in een kleine holte in de nek van Klara bevindt, aldus de ingenieur. Daarmee wordt Klara bijna een soort Christus die immers ook zijn bloed gaf aan het kruis ter verlossing van de mensheid. Later zal Klara nog eens naar de schuur gaan, om in naam van de eeuwige liefde tussen Josie en Rick, de zon te smeken haar beter te maken. Toch is Ishiguro nergens zwaar op de hand en zit het boek vol humor. Een vrouw over haar partner: “… Hoe meer succes hij had in het leven, des te minder knap hij gek genoeg werd…”. De vader van Josie heeft het niet over zijn ‘dear’, maar ‘dier’.

 

Mindfuck

Het sprookjesachtige verhaal heeft een fluwelen afloop. Een en ander doet denken aan de bizarre Nederlandse 2Doc-film “Deepfake Therapy”, waarin een tot leven gewekte foto van een overledene op een laptop, via de stem van een acteur tot nabestaanden spreekt. Een soort hiernamaals-rollenspel komt op gang. Rouwtherapeuten kijken of ze op die manier cliënten kunnen helpen. Columniste Reina Wiskerke in het ND van 6 maart 2021: “… De vader verklaarde later op Radio 1 dat het gesprek met zijn overleden dochter echt helend was. ‘Er gebeurde iets heel wonderlijks,’ vulde de maker van de film aan. ‘Als het troost geeft en steun geeft, dan is dat toch alleen maar mooi?!’ Dus als het werkt, mogen we elkaar beduvelen? Zelfs in de reguliere gezondheidszorg?...”. De wereld lijkt steeds gekker te worden. Maar aan de andere kant werken we natuurlijk ook al jaar en dag met placebo’s

 

Uitgave: Atlas Contact - 2021, vertaling Peter Bergsma, 352 blz., ISBN 978 902 547 002 9, 22,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier