De tweede roman van Vincent Merjenberg (1938) heb ik vooral gelezen vanwege een fascinerend thema: de Sint Vitusdans, een mysterieuze middeleeuwse dansziekte die mensen liet dansen tot ze erbij neervielen. Tot op heden heeft eigenlijk niemand een goede verklaring voor het ‘mirakel’. Het gegeven vormt in het boek de aanleiding voor een onderzoek naar wat je, denk ik, het beste kunt aanduiden met het woord ‘paradigmaverandering’.
Bezeten
Op 24 juni 1374 was er in het Duitse Aken een van de eerste grote, plotseling uitbraken van deze toxische dansplaag, lees ik in het Dansmagazine van 21.08.17. Merjenberg opent met een schitterende schets van de gebeurtenissen: “… Een vrouw begint te dansen, ze weet zelf niet waarom. Ze danst haar huis uit, de straten van de oude stad in, en kan niet stoppen. Door haar voeten te volgen verliest ze haar verstand niet. Algauw sluiten anderen zich bij haar aan. Mannen, vrouwen, kinderen. Ze bewegen ritmisch en sierlijk, maar doen dat huilend of schreeuwend van angst. Honderd, duizend radeloze dansers. De vrouw begon, maar ze is niet de eerste die instort. Een man breekt een been en valt op straat. Hij probeert nog even door te gaan, maar liggend in het zand vallen zijn bewegingen al snel stil. Anderen raken uitgeput en zijgen ineen, maar na een tijdje staan ze gewoon weer op en gaan door. Op de derde dag valt de eerste dode, een man wiens hart het begaf. Omstanders weten niet wat ze moeten doen. Als ze de slachtoffers bedwingen ontstaan er gevechten, zodra ze hen loslaten dansen ze gewoon weer verder. En wanneer ze treuren om hun bezeten geliefden worden die woedend. Sommige omstanders dansen met de slachtoffers. Ze doen dat uit eigen wil, zijn zelf niet gegrepen door wat duidelijk besmettelijk is. Een jongen probeert met de vrouw te dansen, hij wil haar helpen uitbannen wat haar voortdrijft. Hij doet alsof hij ook bezeten is, tot het moment dat hij dat ook daadwerkelijk is. De vrouw en de jongen hebben geen oog meer voor elkaar en dansen alleen verder, ieder voor zich. Ze raken elkaar kwijt in de groeiende mensenmassa…”. Het doet een beetje denken aan sprookjes als “De rode schoentjes” van Hans Christian Andersen en “De rattenvanger van Hamelen” van de gebroeders Grimm.
Echt
De protagonist van het verhaal is de vereenzaamde auteur Elias, een man van rond de vijftig. Na het schrijven van de roman “Danswoede” en het overlijden van zijn moeder zwerft hij enkele jaren als dakloze rond. Uiteindelijk plukt zijn uitgever hem van straat en brengt hem onder in een rommelig appartement dat maar geen 'thuis' wil worden. Het verhaal gaat dus over een boek in een boek. Inmiddels schrijft Elias niet meer voor lezers, maar voor zichzelf. Hij laat zijn gekte 'dansen op papier', zodat hij kan lezen hoe hij 'écht' in elkaar steekt. Het valt mij trouwens op hoe massaal mensen tegenwoordig op zoek zijn naar zichzelf: naar een vorm van 'authenticiteit' die volgens de filosoof René Girard helemaal niet bestaat. Maar dit terzijde. Elias ontvangt een brief van Ea, de vrouw van zijn voormalige mentor, professor doctor Amon Encke, met de mededeling dat haar man op sterven ligt en hem graag nog één keer zou willen ontmoeten.
Dubbele persoonlijkheid
Elias moet destijds compleet zijn doorgedraaid. Hij vertelt dat hij het gevoel had uit twee personen te bestaan en niet meer kon stoppen met lopen. Hij liep als het ware achter zichzelf aan en praatte met duiven. Soms meende hij professor Encke aan de overkant van de straat te zien staan, met een opschrijfboekje in zijn hand. Feit is dat de prof hem heeft laten stikken en is verhuisd naar zijn geboorteplaats Lebensrode, in de bossen tussen Duitsland en Polen. Elias stapt in zijn auto en heeft een rit van achthonderd kilometer voor de boeg, waarin hij zijn verhaal doet.
We dansen ons nog steeds dood
Elias werd lang geleden betoverd door Enckes werk “De dansmanieën van de late Middeleeuwen in West-Europa”, dat hem heeft geholpen zijn roman te schrijven: “… zich dood dansende mensenmenigtes, ‘het ervaren’ als het enige betekenisvolle (zie Jung), geestverruimend ‘moederkoren’, pogroms, ziekte en bijgeloof, het Kwaad, massahysterie, de grenzeloze verbeeldingskracht – hoe had hij dit alles naast zich neer kunnen leggen nadat het eenmaal op zijn pad was gekomen? Het dwong hem, zo ervoer hij dat sterk, een poging te doen historische fictie te schrijven, die hem iets vertelde over zijn eigen tijd en vooral ook over hemzelf. Over dat wat zich in hem schuilhield…”. Hij vindt namelijk dat wij ons in zekere zin nog steeds massaal dood dansen, doordat we gewoon maar dóór leven zonder enig besef te hebben van de betekenis van het hele gebeuren. Wat bezielde de dansende menigtes? “… Niemand begreep de dansziekte, en niemand zou dat ooit doen…”. De dingen die verwarren, intrigeren. Zo gaat dat met geheimen. Mensen worden geraakt door zaken waar ze geen vat op krijgen: de drama’s, het geweld, het niets. Professor Encke schreef over het onbeschrijflijke. Het domste wat een schrijver kan doen, is volgens Encke het raadsel oplossen. Hij diende het juist te vergroten. ‘Waarom?’ was de onbelangrijkste vraag. En omdat mensen die vraag juist als de belangrijkste beschouwen, blijven ze blind, vond hij. “… Er zal altijd iets onverklaarbaars in de danswoede blijven schuilen…”. Iets wat kortsluiting veroorzaakt in bepaalde geesten. “… Het boek ging over dansen, ja, maar ook over bezetenheid, besmetting, over het lichaam als collectief geheugen…”. Elias denkt na over de macht van het lichaam over de geest, terwijl hij ritmisch met zijn wijsvinger op het stuur tikt (!) en denkt aan zijn moeder en grootvader, die beiden ten prooi waren gevallen aan wanen. Zijn vader heeft hij nooit gekend.
Verhalen die zich laten verdrijven door nieuwe verhalen
Enkele paragrafen uit het boek van professor Encke worden in hun geheel afgedrukt. Het meest opvallende is dat de dansziekte vaak begon met een soort epileptische aanval. Merkwaardig is ook dat de slachtoffers panisch waren voor de kleur rood en voor puntschoenen. Hun voeten sopten echter vaak in hun schoenen van het bloed (net als de voeten van Elias tijdens zijn omzwervingen). Bovendien werden ze woedend van huilende toeschouwers. Wanneer ze even uit hun trance ontwaakten, werden ze gegrepen door angst en smeekten ze hun omstanders om hulp. Veel dansers getuigden dat ze zich in straten vol kniehoog klotsend bloed waanden. De slachtoffers werden opgesloten als ‘gewone’ krankzinnigen, maar dat maakte hun gedrag alleen maar erger. Vervolgens werden ze naar afgesloten pleinen gedirigeerd, waar ze geacht werden hun danswoede uit te leven, alsof ze hun koorts konden uitzweten. Ze raakten de ziekte echter niet kwijt. De besmettelijke danswoede verspreidde zich van geest tot geest. Pas toen de dansers op karren werden afgevoerd naar een vochtige grot waarin een kapel was ingericht ter ere van de beschermheilige Sint-Vitus, een martelaar uit de derde eeuw, kwamen ze tot rust. De besprenkeling met wijwater en de geprevelde bezweringen en gebeden hadden een heilzaam effect: “Dat genezing plaatsvond via een ritueel en niet via een medische ingreep, is veelzeggend…”. Angst was de kern van de aandoening, aldus Encke: angst die stoelde op verbeeldingskracht. Een angst die bezworen werd door een sterker geloof in een andere waan. Verhalen laten zich alleen verdrijven door nieuwe verhalen: het leven als een gevecht met de eigen overtuigingen.
Moedereend
Onder het rijden mijmert Elias steeds verder weg. Hij herinnert zich hoe hij als kind met zijn moeder de eendjes voerde en ziet opnieuw hoe een eend voor haar leven vecht terwijl een stel woerden haar belaagt. Zonder te begrijpen dat hij getuige is van een verkrachtingsscène, vraagt hij zijn moeder waarom de andere eenden die ene pijn doen. Zijn moeder zegt alleen dat het een ‘moedereend’ is. Wanneer hij vraagt of zij óók een moedereend is, barst zijn moeder in lachen uit.
Angst en nieuwsgierigheid gaan samen
Steeds blikt Elias terug. Als reactie op een brief aan professor Encke, waarin Elias hem laat weten hoe gefascineerd hij is door diens filosofische werk, wordt hij uitgenodigd om bij de professor en diens vrouw langs te komen. Zij is een gerenommeerde psychiater. Elias herkent vooral de angst die met danswoede gepaard gaat. Hij vertelt de professor dat zijn moeder hem heeft opgezadeld met de angst dat hij net als zijn grootvader zal worden, al heeft hij nooit begrepen wat ze daarmee precies bedoelt. Volgens professor Encke is het tegenovergestelde van angst ‘nieuwsgierigheid’: nieuwe kennis houdt zich bij uitstek schuil in donkere spelonken. Je ontkomt er niet aan je handen vuil te maken en je moet weerstand overwinnen. Misschien kan Elias erachter komen welke rol zijn grootvader in het leven van zijn moeder heeft gespeeld? Angst en nieuwsgierigheid zijn volgens Elias helemaal niet tegengesteld, maar gaan juist altijd samen.
Vrije dans
Er bestaan twee vormen van dansen, aldus professor Encke: de bestaande dansen en de vrije dans, die draait om loslaten: “… Je verstand verliezen. De meesten van ons kunnen dit alleen onder invloed. Tegelijkertijd kan overgave aan deze manier van dansen juist geestverruimend zijn…”. Lieten de middeleeuwse dansers hun beknotte levens wat al te letterlijk los? De menselijke tragiek schuilt in zijn haast obsessieve hang naar schoonheid. Schoonheid is orde. Maar orde gaat niet samen met geluk: “… pas als de kaders wegvallen, is er ruimte voor euforie…”. De prof lijkt zijn fascinatie voor massahysterie als kind te hebben opgevat. Hij herinnert zich het gegil van een menigte mensen op het dorpsplein, die niet konden weten dat zijn vader — hun predikant — op dat moment dood op de voorste bank van de nog gesloten kerk zat. Hij haalt een collectieve zelfmoord aan van een groep Parijse studenten in 1983: zes jongens en vijf meisjes sprongen uit een raam. Het wordt nooit duidelijk wat deze groep heeft bezield. Zijn collega’s vinden dat professor Encke zich bezighoudt met pseudowetenschap. Toch wordt hij een graag geziene gast in praatprogramma’s op radio en televisie, waar hij spreekt over een waaier aan fenomenen: bijgeloof, samenzweringstheorieën, populisme, burn-out onder twintigers en sociale-mediaverslaving. Het aantal hedendaagse culturele verschijnselen met een soortgelijk patroon als de dansziekte blijkt enorm. Maar zijn populariteit bij het grote publiek loopt synchroon met zijn academische val. Zijn onderzoek naar massahysterie is niet meetbaar of verifieerbaar, en alles wat vreemd is, wordt door de moderne mens — bewust dan wel onbewust — vernietigd. Bestaat niet. Hij doet onderzoek naar het koro-syndroom onder cadetten van een militair opleidingscentrum in Singapore, die denken dat hun geslachtsdeel krimpt en zich terugtrekt in het lichaam, met de dood als gevolg. Ook houdt hij zich bezig met mythen en sprookjes in conservatieve gemeenschappen in Zuidoost-Azië, die lijken te fungeren als stichtelijke waarschuwingen tegen zondig gedrag. Iedereen zegt wel dat hij of zij niet onderhevig is aan bijgeloof, maar toch wordt ernaar geleefd. Ik moest denken aan Franca Treur, die op zondag droge boterhammen at omdat ‘iets’ haar ervan weerhield boodschappen te doen, ondanks het feit dat ze allang afscheid had genomen van de strenge kerk uit haar jeugd. Zie de quote: ‘Je kunt een kind wel uit de oorlog halen, maar hoe haal je de oorlog uit het kind?’
Familieanekdotes
Elias’ moeder doet nogal lacherig over haar vader: een angstaanjagende, onberekenbare, krankzinnige en soms ronduit kwaadaardige man. Volgens haar had hij een overgevoelige natuur en werd hij verkeerd begrepen door het bekrompen milieu waarin hij zich staande moest houden. Opa wordt met geweld uit huis gehaald en in een gesticht weggestopt, waar hij binnen een jaar overlijdt. Elias is ervan overtuigd dat zelfmoord de oorzaak is. Hij is doodsbang dat de familiegekte ook in zijn DNA zit. De moeder van zijn opa was namelijk al ‘vreemd’. Zij kon niet praten, omdat ze na haar geboorte werd opgevoed in een klooster waar de nonnen een zwijgbelofte hadden afgelegd. Misschien zijn professor Encke’s theorieën ook van toepassing op het geval van Elias. Hij gelooft in de angstaanjagende familieanekdotes die zijn moeder hem voorschotelt en probeert ze door het schrijven van een roman te bezweren. Zijn grootvader staat vooral voor ‘leegte’: “... Elias wist niet veel meer dan dat er tussen zijn moeder en hem iets was voorgevallen wat haar voorgoed had beschadigd ...”. Het is mensen eigen om die ‘leegtes’ in te vullen met eigen verzinsels. Dat geldt natuurlijk ook voor de lezer. Ik dacht vanaf het begin dat Elias het product van incest moest zijn, omdat zijn moeder hem voortdurend heeft ingepeperd dat hij op zijn opa lijkt. Bovendien laat Elias zijn opa in het ziekenhuisbed als laatste afscheidswoorden tegen zijn dochter fluisteren: “... Je mag nooit vertellen wat er is gebeurd ...”. Deze aanname wordt echter nergens in het boek bevestigd.
High
Flarden van herinneringen rijgen zich aaneen. Over onbekenden in huis die zijn moeder verdriet doen. Slaan. Gillen. Zijn slapende moeder die niet meer voor hem zorgt, in een knalrode, opengevallen ochtendjas op de bank. Hij slaapwandelt, heeft nachtmerries. Zijn moeder komt hem troosten, maar stinkt naar alcohol. Hij heeft haar nodig en tegelijk weet hij dat er iets heel erg mis is. Maar wat? Naarmate de roman vordert, worden de familieverhalen steeds heftiger. Elias vertelt dat hij af en toe als negenjarige al door zijn moeder een nacht alleen werd gelaten. Hij experimenteert met de slaappillen die zijn moeder voor haar rugpijn gebruikt. Ze heeft hem verteld dat ze, als je je tegen de slaap verzet, andersom gaan werken. Hij merkt dat hij er hartstikke high van wordt. Net zoals zijn opa, die in een batterijfabriek in Indonesië terechtkwam waar hij zwaar giftige oranje pulp in batterijen moest scheppen — troep waarvan hij in een roes raakte toen het via huidverwondingen in zijn lichaam terechtkwam. Door het batterijzuur op te likken werd de bedwelming nog sterker. Tegen de tijd dat hij het spul droogde om het vervolgens als korrels door zijn shag te rollen en op te roken, was hij compleet verslaafd. Toen iedereen bang werd voor de ontaarde junk met zijn lege ogen, werd hij met man en macht op straat gezet.
Verstikkende dans
De symbiotische relatie met zijn moeder gaat Elias in zijn puberteit steeds meer ervaren als ‘ingezwachtelde voeten’. Om zich aan haar houdgreep te ontworstelen, confronteert hij haar met de verschillen tussen hen. Hij ontloopt haar, sluit zich op in zijn kamer en uiteindelijk leven ze als vreemden naast elkaar in hetzelfde huis: “… steeds meer zag hij in dat ze hem al die tijd had gevoed met haar eigen dwanggedachten, de voorspellingen over zijn aanstaande waanzin…”. Wanneer hij gaat studeren, vertrekt hij voorgoed. Als zijn moeder ontdekt dat hij schrijft, stuurt ze hem brieven vol interpretaties. Volgens haar zijn de verhalen die uit zijn pen vloeien zijn manier om controle te krijgen over de storm in zijn hoofd. Met “Danswoede” schrijft Elias haar uit zijn leven. Nadat ze het manuscript heeft gelezen, nog voordat het boek in de winkel ligt, verbreekt ze het contact. Kort daarna overlijdt ze: ze wordt met kapotte polsen in de tuin gevonden. Nu zwiert ze als personage mee in een eindeloze dans in zijn hoofd. Meer dan ooit. Eigenlijk is ze er altijd. Elias is ervan overtuigd dat hij haar moordenaar is.
Proefdier
Elias lijkt zich tijdens de autorit steeds meer in zichzelf te verliezen. Tegen de tijd dat hij in Lebensrode aankomt, weet je als lezer niet meer wat werkelijkheid is en wat waan. Professor Encke ligt opgebaard in de koele kelder van zijn huis. Elias meent echter dat hij nog leeft. Hij mag van Ea blijven overnachten en beweert wekenlang in Lebensrode te verblijven, wat niet overeenkomt met het feit dat professor Encke al die tijd ook in de kelder ligt. Hij maakt wandelingen in het bos, waar hij paddenstoelen vindt die ondergronds met elkaar verbonden zijn als ‘periscopen op zee’: “… Wat vertelden de paddenstoelen het moederschip? Of waren zij juist boodschappers die de bovenwereld iets duidelijk wilden maken over het verborgene?...”. Zie Jung en zijn opvatting over het ondergrondse wortelstelsel als beeld voor ons onbewuste. Elias vereenzelvigt zich volledig met professor Encke en trekt zelfs diens kleren aan. Uiteindelijk speelt Ea open kaart door hem te vertellen dat haar man Elias als experiment heeft gebruikt om zijn theorieën over bijgeloof en massapsychologie te testen. De hulp bij het schrijven van zijn roman was vooral een therapeutisch middel, met als doel om door het herinterpreteren van het trauma van zijn moeder de cyclus van angst en waanzin te doorbreken: “… Maar de roman veroorzaakte niet de beoogde catharsis, hij verergerde het trauma…”. Dansen tegen je zin tot je eraan doodgaat verschilt niet veel van wat Elias allemaal heeft ondergaan. Ea: “… Als je leven een schilderij is, wie is dan de schilder?...”.
Vogelvrij bewustzijn
In de notities van professor Encke, die Elias mag lezen, schrijft deze dat hij heeft verzuimd Elias een vervangend narratief te bieden waaraan het bewustzijn zich kon vastklampen, waardoor het zich aan iedere willekeurige fabulatie kon hechten. Zie de gelijkenis van Jezus over de onreine geest die is uitgeworpen, maar die, wanneer hij zijn voormalige huis opgeruimd en schoongeveegd aantreft, zeven andere geesten meeneemt om er opnieuw zijn intrek te nemen (Mattheüs 12:43-45). “… Het bewustzijn van E. was vogelvrij en werd gegrepen door een zelfdestructieve overtuiging: dat hij verantwoordelijk was voor de dood van zijn moeder…”. Even verder: “… E.’s lot raakt aan een bredere culturele ontwikkeling. We leven in een tijd van epidemische verhalen: van identiteiten gebaseerd op trauma, van populisme dat mensen bevrijding belooft via simplistische mythes. Narratieven vervangen feiten, of vormen ze om. Zoals E. zijn erfelijke dreiging wilde herschrijven, herschrijven anderen hun sociale positie, hun lijden en hun woede via (online) mythes, complotten en heldenrollen. De waanzin is collectief geworden; de dans is opnieuw begonnen…”. Émile Cammaerts: “… The first effect of not believing in God is to believe in anything…”. Toch zit Elias’ verhaal nog veel complexer in elkaar dan de professor denkt. Maar dat moet je zelf maar lezen.
Kunnen verhalen genezen of maken ze ziek?
Merjenbergs raadselachtige en — vind ik zelf — nogal vergezochte roman roept allerlei vragen op. “… Kunnen verhalen genezen? Of maken ze ziek? En wanneer weet je nog het verschil?...”. Is er (g)een objectieve waarheid? Zijn wij werkelijk de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen? Hoe verhoudt zich dat bijvoorbeeld tot transgender-zijn? En vervolgens tot conversietherapie? Ik noem maar wat. Het is een feit dat sociale media ons leven kunnen verknallen. En dat meisjes door het eindeloos gezamenlijk herkauwen van hun problemen elkaar soms een depressie in praten. Misschien zijn de getrokken conclusies slechts ‘een beetje’ waar? Zie bijvoorbeeld Byung-Chul Han, die in “De crisis van het narratieve” betoogt dat wij een verhaal nodig hebben, en René Girard, die in “De zondebok” stelt dat mensen elkaar voortdurend napraten en navolgen. Zie ook Paulus, die in Galaten 5:1 spreekt over ‘de vrijheid in Christus’: het geloof in God maakt volgens hem dat de mens niet langer onderworpen is aan allerlei andere machten, dingen of mensen.
Uitgave: Atlas Contact – 2026, 288 blz., ISBN 978 902 547 29 79, € 23,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier


