Mijn dochter tipte mij over het beklemmende, vervreemdende en juist daardoor ook weer fascinerende “Ik die nooit een man heb gekend” (1995), een dystopische ideeënroman van de Belgische schrijfster Jacqueline Harpman (1929–2012). Na dertig jaar beleeft het boek een tweede leven als monsterhit op TikTok. Voelde de moeder van Erwtje zich in “Moedermelk” onder de Russische laars als ‘opgesloten in een kooi’ (zie mijn vorige blog), de eveneens naamloze vertelster in Harpmans verhaal zit daadwerkelijk gevangen in een ondergrondse, getraliede ruimte, samen met negenendertig andere vrouwen. Het deed me denken aan de verborgen tunnels in Gaza, waarin Israëlische gijzelaars werden vastgehouden (vandaag is het 7 oktober). En aan Elon Musk, met zijn mislukte experimenten, die ervan droomt de Maan te koloniseren. Harpmans Joodse vader vluchtte tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn gezin naar Casablanca – misschien klinkt er daarom een echo van concentratiekampen in het verhaal door. Harpman was psychoanalyticus en nam in bijna dertig romans de ‘condition humaine’ onder de loep. De grote vraag is: wat maakt een mens nog tot mens als je alles wegstript wat iemands identiteit bepaalt en het leven zin geeft? Waarom slaat dit boek zo aan bij Gen Z? Is het misschien omdat de toekomst alleen nog maar uit een opeenstapeling van apocalyptische crises lijkt te bestaan? Harpman heeft de eenzijdige ‘linkerhersenhelftwereld’ beschreven waarvoor McGilchrist in “De meester en zijn afgezant” waarschuwt, omdat deze wereld in het Westen de overhand dreigt te krijgen. Een onbezielde wereld, zonder verbinding, verleden, spiritualiteit, kunst, verwondering, vreugde, warmte of liefde. Een wereld waarin individualiteit en authenticiteit, als ze geen wortels hebben, gelijkstaan aan eenzaamheid. Want wie zit er op jou en jouw verhaal te wachten? Lucht en leegte; alles is leegte.
Bewijzen dat je een mens bent
Het verhaal is geschreven door een vrouw die zich, krom van de pijn, afvraagt of ze wel een mens is. Om dat te bewijzen, begon ze haar verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Ze heeft er een maand over gedaan en is nog nooit zo gelukkig geweest. Ze heeft kanker. Ze zal niet lang meer leven. Ze woont moederziel alleen in een welvoorzien onderkomen. Hoe is het zover gekomen?
Dieren geregeerd door menselijke robots
Ze beschrijft hoe ze opgroeit in een ‘kelder’: een kooi met veertig andere vrouwen die haar ‘de kleine’ noemen, omdat ze de jongste is. De kooi wordt bewaakt door drie mannen die in alle talen zwijgen en constant om de kooi heen marcheren. Doen de vrouwen iets wat hun niet aanstaat, dan knallen ze met hun zwepen op de grond. Gelukkig nooit op hun lijf. Ze krijgen genoeg te eten om in leven te blijven en doen hun behoefte in twee toiletpotten die midden in de kooi staan. Ze mogen elkaar niet aanraken. Kleine heeft nooit iets anders gekend. Ze lijken nog het meest op dieren die geregeerd worden door menselijke robots. Iets waarvoor sommige criticasters van de huidige AI-race intussen waarschuwen. Wanneer wij onze techniek niet in de hand houden, zouden we zomaar gereduceerd kunnen worden tot de geslachtsdelen van een machinewereld. Harpmans profetische stem zet je aan het denken over een uit de klauwen gelopen wereld.
Dwarse puber
Kleine groeit op tot een dwarse puber die zich (in gedachten) afzet tegen haar omgeving. Ze merkt dat ze in haar verbeelding een geheel eigen, geheime wereld bij elkaar kan dromen, waar de rest van de vrouwen niets mee te maken heeft. Ze manipuleert hen daar een beetje mee. Zij hebben net zo goed hun (liefdes)geheimen waarover ze haar niets willen vertellen. Kleine maakt er een gewoonte van zich op de jongste en mooiste bewaker te fixeren, maar hij vertrekt geen spier. Geen van de vrouwen weet hoe ze in de kooi terecht zijn gekomen. Iedereen tast in het duister over wat er precies is gebeurd, omdat ze gedrogeerd zijn. De vrouwen leren Kleine tellen, waardoor ze op het sublieme idee komt om via het ritme van haar hartslag als een soort ‘klok’ te gaan functioneren binnen de groep. Een taak waardoor ze zich belangrijk voelt. Na jaren gebeurt er eindelijk iets. Er begint een schrille sirene te loeien, waar de bewakers zich kapot van schrikken en er als hazen vandoor gaan. Een van hen was net bezig het hek van de kooi te openen om eten naar binnen te schuiven en laat de sleutel in het slot zitten. Kleine hoeft haar hand maar door de tralies te steken om de sleutelbos te grijpen, en ze is buiten de kooi. De kelderdeur staat ook nog eens open.
Buiten
Kleine loopt door ruimtes waar ze ineens een trap naar boven ziet, die ze als in een roes op rent. Voor ze het weet, staat ze voor het eerst ‘buiten’, bij een soort ‘wachthuisje’, in de wind en de motregen, op een enorme, kale, lege vlakte. Van de bewakers is geen spoor te bekennen. Alsof ze ‘opgenomen’ zijn (zie 1 Thess. 4:16-17, waar trouwens ook sprake is van het ‘geluid van een bazuin’). Eerst klitten de vrouwen angstig bij elkaar, maar dan vatten ze moed. Ze zijn het erover eens dat ze nog liever doodgaan dan zich ooit weer naar de kooi terug te laten sturen. Hier zie ik de concentratiekampervaring duidelijk naar boven komen: “… Ze werden opstandig, je kon merken dat ze zich niet opnieuw wilden laten pakken, zoals waarschijnlijk vroeger het geval was geweest. Ze wilden niet weer alles over zich heen laten komen, als bange schepsels die je maar naar welk abattoir dan ook kunt sturen, omdat ze domweg geen idee hebben wat een abattoir is. Ze rechtten hun rug, namen het onbekende gebied dat voor ons lag in ogenschouw en plantten hun voeten stevig op de grond…”.
Het absurde
Wanneer de vrouwen honger krijgen, wordt Kleine, die nergens bang voor is, naar beneden gestuurd om te kijken of er iets te eten is. Ze vindt koelcellen vol vlees, aardappelen en allerlei blikken groenten, laden vol bestek en gereedschap en zelfs doosjes lucifers, zodat ze ‘boven’ vuur kunnen maken met bijeengesprokkelde takken. Ze kunnen in feite nog jaren vooruit. Er zijn ook kasten met uniformen en laarzen van de bewakers. Kleine benadrukt steeds dat de omstandigheden haar minder overdonderen dan de rest, omdat zij niets anders dan het ‘absurde’ heeft gekend, terwijl de anderen in een wereld hebben geleefd waarin de dingen altijd verklaarbaar waren. Edoch: zijn ze werkelijk ‘vrij’, of zijn ze alleen maar van gevangenis veranderd?
Overleven in een verlaten wereld
De vrouwen slepen zoveel mogelijk voedsel aan om het, ingepakt in dekens, met zich mee te dragen en beginnen aan een tocht die hen in eerste instantie bij een riviertje brengt. Voor Kleine is het daaropvolgende waterbad een enorme sensatie. Het duister van de eerste nacht is een bijzonder eng gebeuren. Vanaf dat moment wordt het boek eigenlijk een soort Robinson Crusoe-verhaal: overleven in een verlaten wereld. De vrouwen trekken verder en blijken te kunnen zingen. “… ’s Avonds begonnen de vragen weer te spoken: waar waren we? Wat gingen we doen? Waren we wel op Aarde? …”. Vragen waarop ook de lezer geen antwoord krijgt.
Christelijke gebeden
Na zevenentwintig dagen ontdekken ze in de steenwoestijn een ander wachthuisje met een trap naar beneden. Ook daar een kooi; met dode vrouwen. Hier geen bewaker die zijn sleutelbos in het slot heeft laten zitten. Een van haar medereizigers zakt op haar knieën en begint een gebed te prevelen, dat de andere vrouwen meebidden. Voor het eerst hoort Kleine over grootmoeders die hun kleinkinderen lang geleden christelijke gebeden leerden. Ten overstaan van de verschrikking lijken de rituelen van vroeger hun betekenis terug te krijgen. De vrouwen vinden andere wachthuisjes; ook gevuld met lijken van mannen. Ze lopen van massagraf naar massagraf om hun voorraden aan te vullen. Op de grond bij elke deur van een wachthuisje tekenen ze met stenen een groot kruis. Als een soort handtekening plaatsen ze er later ook nog een cirkel boven: het vrouwelijke seksesymbool, gebaseerd op de handspiegel van Venus. Ze zetten er een vraagteken achter om het signaal af te geven dat ze geen idee hebben over het hoe en wat van alles. Na twee jaar over de vlakte te hebben gezworven, sterft de oudste vrouw, zacht wiegend op de brancard waarop ze wordt meegevoerd. Ze begraven haar tijdens en waardige ceremonie. Misschien is dat het wel wat ons tot mensen maakt.
Uit diepten van ellende
Uiteindelijk settelen ze zich aan een rivier. Ze bouwen een kamp met woonhuizen, van waaruit ze expedities ondernemen naar de kelders waar het licht eeuwig brandt (waar komt de elektriciteit vandaan?) als ze nieuwe proviand nodig hebben. Ze maken stenen van rivierklei en zagen planken uit de schaarse bomen. Er zijn geen dieren, behalve wat insecten. Er zijn ook geen seizoenen. Jaren van eentonigheid gaan voorbij. Kleine houdt niet van aanraking, hoewel ze om zich heen wel enkele lesbische stellen ziet ontstaan (bij gebrek aan mannen). Ze menstrueert niet (past het lichaam zich aan de omstandigheden aan?): “… ik ben de onvruchtbare telg van een mensenras waar ik niets van weet, zelfs niet of het uitgestorven is…”. Ze leert een beetje lezen en schrijven, bouwt graag dingen, maar geeft niets om damspelletjes. De vrouwen worden ouder: hun haar begint uit te vallen, ze krijgen rimpels en worden ziek, vaak met veel pijn en bloedingen. Krijgen ze kanker als gevolg van een nucleaire ramp die heeft plaatsgevonden? Ze ontdekken dat overleven niets anders is dan het moment van sterven uitstellen. Kleine leert met een messteek het hart van een zieke stil te leggen wanneer het lijden te erg wordt: een vorm van euthanasie. Lange tijd zitten ze bij de graven, waar “… de vrouwen op gezette tijden de angstaanjagende woorden: ‘Uit de diepten roep ik U, Heer mijn God’ …” uitspreken.
Luxe bunker
Als Kleine als enige overblijft, gaat ze weer op pad. Twee jaar lang loopt ze in de richting van de zon, van kelder naar kelder. Uiteindelijk worden de rivieren wat dieper en de bossen wat dichter, met hier en daar lange stroken die wegen moeten zijn. Dan stuit ze op een autobus, gevuld met gemummificeerde lijken in uniform, gewapend en met gasmaskers om hun schedels: “… Ze zaten er heel gewoon bij, alsof de dood in een flits gekomen was en ze, zonder te beseffen dat hun hart voor het laatst sloeg, voorgoed waren versteend, een roerloosheid die jaren achtereen nergens door was gestoord…”. In hun bagage vindt ze, gek genoeg, een boek over tuinieren. Nadat ze de bewakers heeft begraven, trekt ze weer verder. Op een dag komt ze een stapel stenen tegen waarvan ze het gevoel heeft dat ze er niet op natuurlijke wijze terecht zijn gekomen. Ze haalt de stenen weg en stuit op een metalen luik. Als ze het open wrikt, ziet ze een smalle wenteltrap naar beneden. Via een opslagplaats komt ze bij een deur die toegang geeft tot een sjiek kantoor, met verend tapijt en prachtige fauteuils, een groot bed en een keuken. Aan de muur hangen een plank met boeken en er prachtige schilderijen. Het doet een beetje denken aan de luxe ondergrondse bunkers die de ultrarijken en techmiljardairs heden ten dage laten bouwen om zichzelf te beschermen tegen een mogelijke klimaatramp, WO III en de risico’s van AI. Ze vertelt over boeken van astronauten en apparaten waarvan ze de functie niet kent. Het waardevolst zijn voor haar de potloden en het papier die ze vindt. De kelder wordt haar thuishaven. “… Ik heb van de wereld waarin ik leef niets begrepen…”, schrijft ze. “… Ik heb haar in alle richtingen doorkruist, maar haar grenzen nooit gevonden…”. Toch neemt ze het op zich om haar ervaringen op papier te zetten, in de hoop dat ooit iemand ze zal vinden. Het is een verhaal geworden dat nazindert.
Uitgave: Orlando – 2024, vertaling Peggy van der Leeuw, 190 blz., ISBN 978 908 337 700 1, € 23,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

