Menu

zaterdag 18 april 2026

Het koninkrijk kome – Bernice Rubens

 

Ik kreeg van iemand “Het koninkrijk kome”, een roman over de pseudo-Messias Sabbatai Svi (1626–1676), geschreven door de eerste vrouw die in 1970 de Booker Prize won: de Litouws-Joodse auteur Bernice Rubens (1928-2004). Ik was zwaar nieuwsgierig naar Sabbatai, omdat een andere valse Messias, Jacob Frank (1726–1791), over wie Olga Tokarczuk haar onnavolgbare “De Jacobsboeken” schreef, beweerde dat hij een incarnatie van Sabbatai was. Onlangs beluisterde ik op YouTube een lezing van Willem Ouweneel (emeritus theoloog, filosoof en bioloog), waarin het fenomeen van de valse Messias gekoppeld wordt aan de ‘antichrist’. De ‘antichrist’ zou niet zozeer een figuur zijn die ‘tegen’ Christus is, maar eerder iemand die zich ‘in de plaats van’ Christus stelt: een ‘pseudo Christi’. Het gaat om zonderlinge figuren die geregeld opduiken, vooral in roerige tijden, zoals de onze. Zie bijvoorbeeld Donald Trump, die zich op sociale media als Jezus afbeeldde (wat na de nodige protesten overigens als de wiedeweerga weer werd verwijderd). Opmerkelijk is dat Ouweneel af en toe heeft gezinspeeld op het idee dat Trump wel eens dé antichrist zou kunnen zijn. De evangelische kringen waarin Ouweneel zich beweegt, nemen de Bijbel een stuk letterlijker dan het mainstreamprotestantisme waarin ik zelf wortel heb geschoten. Toch vind ik het interessant om hem te volgen – ik steek er veel van op. ‘Ik ben een schoolmeester’, zegt hij altijd. Zo vertelde hij dat er binnen het Jodendom een lijst bestaat met minstens zestig pseudo-Messiassen.

 

Dönmeh

De proloog van “Het koninkrijk kome” gaat over een schrijver die als toerist een moskee in Istanbul binnenloopt om mee te doen aan het gebed. Hij merkt dat hij in de gaten wordt gehouden door een man, die hem buiten op straat aanspreekt. Als de schrijver vertelt dat hij Joods is, nodigt de man hem uit in zijn woning. Daar blijkt, achter gesloten gordijnen, nota bene de sabbatsmaaltijd te worden genuttigd. De man vertelt dat hij tot de Dönmeh behoort, een groep die de voormalige Messias Sabbatai Zvi aanhangt.”… Voor de wereld zijn wij moslims, maar in het geheim belijden we het Joodse geloof…”. Hij geeft de schrijver een pak papier met fragmenten uit het dagboek van een van de discipelen van Sabbatai Zvi mee, die van generatie op generatie in de familie zijn doorgegeven, met het verzoek of hij de geschiedenis van Sabbatai wil optekenen. Welnu, de schrijver houdt van alles wat clandestien is (en ik ook).

 

Messiaanse koorts

Het verhaal. In 1626, op de negende Av van de Joodse kalender - een dag van rouw om de vernietiging van de Tweede Tempel, maar ook de dag waarop volgens de Joodse traditie ooit de Messias zal worden geboren - komt in de Turkse kustplaats Smyrna (het huidige Izmir) Sabbatai Zvi ter wereld: de oudste zoon van een arme poelier. Een oogverblindende bliksemschicht flitst door de synagoge, zonder donder, wat de poelier opvat als een teken. De angst slaat hem om het hart. Als hij thuiskomt, blijkt hij vader te zijn geworden. De baby ruikt als een engel, vindt zijn moeder - een praatje dat van mond tot mond gaat door de hele wijk. Iedereen komt naar het huis van de poelier om de jongen te bekijken. Allemaal lijden ze aan messiaanse koorts, “… en niet één koorts is zo besmettelijk. In die tijd verspreidde zij zich dan ook over heel Europa…”. De hoop op een Messias is een laatste redmiddel in tijden van tirannie en onderdrukking. De poelier voelt dat zijn huis iets overweldigends wordt opgedrongen en weet nog niet zo zeker van of hem dat bevalt.

 

Zwavelgeur

Op de dag van de besnijdenis wordt de rabbijn gevolgd door een enorme processie. Sabbatai geeft tijdens het ritueel geen kik, terwijl David, de half jaar oude zoon van een bevriend stel, begint te kronkelen en snikken alsof hij de pijn van Sabbatai heeft overgenomen. David zal later een van zijn trouwste vrienden worden. Buiten, tussen de wachtende menigte, houdt Rafaël, de plaatselijke gek, zich op. Hij begint ineens te brullen over valse profeten die in schaapskleren komen, maar van binnen verscheurende wolven zijn. De rabbijn pikt de woorden met afgrijzen op. Als hij haastig vertrekt pakt een vrouw hem bij zijn mouw: “… Ruikt hij niet als een engel, rabbijn?’ vroeg ze. ‘Ruikt hij niet naar mirre?’ zei een andere vrouw. ‘Of naar wierook?’ vroeg een derde. ‘Hoe zijt gij uit de hemel verstoten, O Lucifer, zoon van de morgen,’ fluisterde rabbijn Eskapa, zij het zachtjes zodat niemand behalve zijn verscheurde ziel het kon horen. Hij vroeg zich af of hij iets moest zeggen. Of zijn gedachten onder woorden gebracht konden worden. Maar hij moest ze uitspreken. Dat was hij aan God verplicht. ‘Hij ruikt naar zwavel,’ fluisterde hij…”.

 

Hoogbegaafd

Het gaat goed met de familie Tsvi. Nadat de Joden in 1492 uit Spanje werden verdreven, ving het Ottomaanse rijk ze met open armen op. Omdat de sultan op oorlogspad is, veranderen de karavaanroutes en wordt Smyrna een belangrijke handelsplaats. De vader van Sabbatai spreekt zijn talen en weet op te klimmen als tolk en makelaar. Ze verhuizen naar een grotere woning, waar Sabbatai tot zijn grote blijdschap een eigen kamer krijgt. Hij groeit op als een bijzonder ongenaakbaar kind dat zich alleen door zijn moeder laat aanhalen. Ongerust merkt zijn vader dat Sabbatai zichzelf uithongert en slaat met een stok om in extase te raken. Zijn zoon telt zichzelf de oneindigheid in en heeft nare visioenen en nachtmerries. Tot zijn grote opluchting worden er nog twee jongens geboren. Traditioneel heeft een Messias geen broers of zusters. Toch blijft er iets bovennatuurlijke om Sabbatai heen hangen. Hij is een geniale leerling. Hij leest de profeten zoals andere kinderen van zijn leeftijd avonturenverhalen. Hij bestudeert de Thora en de commentaren. In zijn klas is hij een soort held. Zijn wijsheid dwingt respect af. Gestimuleerd door hun ouders, koesteren zijn medeleerlingen een bewondering voor hem die grenst aan idolatrie. Zijn vader denkt dat hij gek is, zijn moeder dat hij heilig is.

 

Monster of Messias?

Vlak voor zijn dertiende verjaardag, als hij bar mitswa zal vieren, komt hij huppelend de trap af terwijl hij een paar keer stralend roept dat alles ‘klote’ is. Iedereen verstijft van schrik. Als zijn vader hem beetpakt, voelt het lichaam van zijn zoon aan als een gloeiendhete muur en druipt het zweet van zijn voorhoofd. Sabbatai lijkt ziek. Wanneer zijn vader hem in bed stopt, moet hij zich afwenden omdat hij misselijk wordt van de zwaveldamp. De dokter die erbij wordt gehaald, staat voor een raadsel. Sabbatai mankeert niets. Misschien is het de opwinding, suggereert hij. Tijdens zijn bar mitswa eet de samengestroomde menigte uit zijn hand. Hij krijgt ze aan het huilen. Degenen die in hem geloven, zien in zijn manische blik een zegening. Slechts een enkeling, waaronder zijn vader en de rabbijn, zien in zijn bezeten blik machtshonger. Buiten laat Rafaël, de gek, zijn waarschuwing over valse profeten over het plein schallen. Tijdens het feest thuis gaat Sabbatai met David om als een doodgewone jongen. Ze jatten kersen van taarten, trekken meisjes aan hun vlechten en duiken tussen de tafels door terwijl ze tikkertje spelen. Tot zijn vader ziet wat niemand ziet. Als Sabbatai David te pakken krijgt, voert hij zijn vriendje mee achter het buffet, waar hij hem zoent met de hartstocht van een volwassene. Zijn vader weet geen raad met een dergelijke perversiteit, die in zijn ogen eerder bij een monster past dan bij een Messias, maar hij houdt zijn mond.

 

Antisemitisme

In zijn puberteit bestudeert Sabbatai in het geheim de kabbala. De rabbijnen staan zo perplex van zijn kennis dat ze hem op zijn achttiende de titel ‘Chacham’ oftewel ‘ de wijze’ toekennen. Een status die hem het recht geeft volgelingen te hebben. Als hij met zijn vader meegaat op zakenreis naar Constantinopel, komt hij op een markt terecht waar vluchtelingen uit Polen en Oekraïne als slaaf te koop zijn. Hij hoort gruwelijke verhalen over de pogroms door kozakkenleider Chmelnitski, waarbij eenentwintigduizend Joden zijn omgebracht omdat ze zich niet wilden bekeren tot het orthodoxe christendom. Ze werden levend gevild. Hun vlees werd aan de honden gevoerd. Ze sneden hun buik open om er levende katten in te stoppen. Isaac Bashevis Singer vertelt precies dezelfde gruwelen in zijn roman “Satan in Goray”, dat zich ook in de tijd van Sabbatai Zvi afspeelt. Doodziek en overstuur van wat hij heeft gehoord gaat Sabbatai naar bed en droomt over een rode vaars: “… stond in de Zohar niet dat de Messias een rode vaars was, die de onreine mensen loutert maar daardoor zelf onrein wordt?...”. Op de markt ziet hij een jongen die hij ervaart als zijn spiegelbeeld. Hij haalt zijn vader over de tiener te kopen. Het gaat om Saul Vlonski, de schrijver van de dagboekfragmenten. In werkelijkheid lijkt hij totaal niet op Sabbatai. 'Natuurlijk niet', aldus Sabbatai, het gaat om zijn ‘geestelijke tweelingbroer’. Om zielsverwantschap dus. Vanaf dan lijkt Sabbatai’s geest gesplitst. Alsof hij behept is met een meervoudige persoonlijkheid. Zijn lichaam laat hij bij Saul achter, zodat Saul ervoor kan zorgen en de eventuele koorts behandelen. Dan kan hij zelf zijn weg gaan als spiritueel leider. Zo legt hij het uit tenminste. Hij gaat de straat weer op, alleen, om in een moskee Allah te aanbidden, want hij ‘wil alles leren kennen’. Ondertussen lijkt Saul zo getraumatiseerd als wat. Hij heeft als enige in zijn familie een slachting overleeft, maar wel door zijn kleine zusje aan haar lot over te laten.

 

Manisch-depressief

Saul beschrijft in zijn dagboek het manisch-depressieve gedrag van Sabbatai: “… Gisteren werd hij bevangen door een toestand van zwaarmoedigheid die hij niet begreep, waarna hij zich ineens, zonder aanwijsbare reden, uitzinnig blij voelde. Hij begon te zingen. Ik begreep niets van zijn woorden…”. Hij vertelt hoe Sabbatai soms in een roes raakt als hij met de kabbala bezig is: “… Hij had zelfs een lexicon bedacht om zijn extase in uit te drukken…”. Hij beweert dat Sabbatai God heeft gezien en dat hij beloofd heeft geheim te houden dat zijn vriend, van wie hij ongeoorloofd veel houdt, een toeval kreeg met schuim op zijn mond. De kracht waarmee hij heen en weer deint tijdens het bidden verraadt de mate van zijn trance: “… in de Zohar staat dat de ziel van de jood met de Thora verbonden is zoals een kaars verbonden is met de vlam. Vandaar het deinen…”.

 

De tijd was rijp

Rubens: “… Het is onwaarschijnlijk dat Sabbatai Zvi zich als mogelijke Messias zou hebben kunnen onderscheiden als het tijdperk van de communicatie niet in volle bloei was geweest. Want hij droeg geen bijzondere boodschap uit. Hij had geen nieuwe preek. Andere pretendenten waren hem voorgegaan met dezelfde kwaliteiten, dezelfde overgave, dezelfde bevlieging, maar bij gebrek aan overdrachtsmiddelen werden hun vuur en roem niet verspreid. Maar tijdens Sabbatai’s leven werden brieven door heel Europa bezorgd en mondeling reisden verhalen en geruchten gemakkelijk met de karavanen mee. De Poolse bloedbaden, waarvan men inmiddels in heel Europa op de hoogte was, hadden de hoop op een Messias aangewakkerd en de tijd was rijp voor een Verlosser…”.

 

De rol van Verlosser

Hij heeft een kleine, fanatieke groep van acht volgelingen. Ze houden zich bezig met langdurig vasten, boetedoening en kastijding van het lichaam. In een ware orgie van zelfontkenning zou de geest een gevoeligheid kunnen opbouwen waarmee alles wat transcendentaal en bovennatuurlijk is omvat kan worden, zelfs tot in een toestand waarin de ziel in staat is in contact te treden met God. Soms geselt de groep zich, tot afschuw van voorbijgangers, op het strand met hysop. Rubens schrijft dat er na afloop echter geen spoor van verwonding op de huid van de boetelingen te zien is. Wat daar nu weer van te denken? Sabbatai’s zekerheid over zijn rol is onderhevig aan schommelingen, afhankelijk van de hevigheid van zijn koorts. Vaak wordt hij bevangen door twijfel en ontzetting. Toch stimuleert hij zijn discipelen in hem te geloven als hun leider. Hij geneest zijn doodzieke oma door middel van gebed, maar kruipt daarna paniekerig in een hoekje vanwege zijn wondergave. Saul ruikt zijn angst. Sabbatai heeft het gevoel dat zowel God als de duivel in hem huizen: goed en kwaad, de asceet en de hitsige wellusteling, en boven alles de gezonde en de vervaarlijk ongezonde geest. Die avond scandeert een menigte buiten zijn naam. Hij vreest zijn aanhangers niet tevreden te stellen. De afschuwelijke last die zij op zijn schouders leggen vervult hem met weerzin. De druk van buitenaf is immens. Overal is hij bekend. Hij raakt zo opgefokt door de wil om te geloven in de duizenden die hem het redderschap opdringen, dat hij geen weerstand kan bieden tegen de verleiding daarin mee te gaan, ook al voelt hij zich een oplichter als hij alleen is.

 

Gay

In het algemeen trouwen Messiassen niet. Daarom zoekt zijn vader, die twijfelt aan de mannelijkheid van zijn zoon, twee keer een vrouw voor Sabbatai. Hij gruwt ervan hen aan te raken. Hij is zo gay als wat. Hij maakt zich ervan af door te verkondigen dat de Ru’ach Ha Kodesj, de Heilige Geest, zijn bruiden niet accepteert. Ondertussen doet hij het stiekem met Saul in de duinen – papa heeft het goed gezien.

 

Heiligschennis

Op een avond hoort Sabattai op de wind en in de duisternis een stem die zegt dat hij de redder van Israël is. Volgens Saul huist de duivel in Sabbatai die zich voordoet als God. Hij roept, met een gezicht dat asgrauw is als een dodenmasker, tot ontsteltenis van iedereen de naam van God door de synagoge. Voor Joden is dat je reinste heiligschennis. Achteraf voelt Sabattai zich ‘besmeurd’, ‘onrein’. Drie dagen sluit hij zich op in zijn kamer, vastend en biddend. Ontroostbaar. Wederom overgeleverd aan knagende twijfel over zijn roeping.  De rabbijnen houden hem als bloedhonden in de gaten. Het aantal discipelen neemt toe tot twintig, waarmee Sabbatai naar de sloppenwijken in Smyrna trekt. “… Hongerige mensen verliezen alle gevoel voor redelijkheid. God dringt gemakkelijk door tot lege magen…”. Zijn energie brandt als een heilzaam virus door hun verzwakte geest. Hij steekt hen aan. Zweept hen op. Als er rellen uitbreken, spreken de rabbijnen een banvloek over hem uit, wat het startsein is voor de grootste messiaanse beweging in de Joodse geschiedenis.

 

Verlossing door zonde

In zijn eerste stadium van ballingschap vestigt Sabbatai Zvi zich in Saloniki, waar de grootste Joodse gemeenschap van Ottomaanse rijk woont en dat het centrum is voor kabbalistische studie. Hij houdt zich gedeisd, tot hij hoort dat zijn oma direct na zijn vertrek is overleden. Alsof ze haar talisman kwijt is geraakt. Met overweldigend charisma preekt hij tot de armen. Tegen Saul vertelt hij dat Mozes tegen hem gezegd heeft dat hij af moet dalen tot de goot, dat hij overspel moet plegen en ontucht moet bedrijven. Want de trap naar de hemel is geworteld in de Gehenna. Alleen via de afgrond kan men opstijgen naar de hemel. Het doet een beetje denken aan de ultra-orthodoxie, waarin je alleen via de ‘nacht van de ziel’ - de zwartste depressie - het licht van God zou kunnen ervaren. Wanneer hij begint te preken over de verlossing door zonde (een kabbalistisch hoogstandje) en stelt dat alles is toegestaan wat tot dan toe verboden was, vrezen de rabbijnen chaos. Hij krijgt opnieuw de opdracht zijn biezen te pakken. Hij draagt zijn volgers op naar Constantinopel te vertrekken, waar hij zich later bij hen zal voegen. Zijn vader stuurt hem een brief met de boodschap dat zijn moeder ernstig ziek is. Verkleed als vrouw reist hij naar Smyrna. Hij komt te laat: zijn moeder is al overleden.

 

Vis

In Constantinopel papt Sabbatai aan met een hoer: Sara. De plaatselijke vooruitstrevende rabbijnen zien veel van hem door de vingers. Maar als hij op een gegeven moment over de markt loopt met een kruiwagen waarin een grote vis ligt die hij af en toe aait, terwijl hij verkondigt dat tweehonderd jaar geleden is voorspeld dat, aan de hand van een bepaalde stand van het sterrenbeeld Vissen, de Messias zich moet openbaren - wat precies nu het geval zou zijn - en zichzelf presenteert als die grote Vis, wordt het zelfs hen te gortig. Hij wordt gesommeerd zich te melden bij het rabbijnse hof, waar hij veroordeeld wordt tot geseling. Het sterkt hem alleen maar in zijn rol als martelaar: de Messias moet rondtrekken en lijden door ballingschap en tuchtiging. Zijn banvloek wordt echter opgeheven, zodat hij kan terugkeren naar Smyrna om bij zijn vader en broers tot rust te komen en te genezen van zijn waan. 

 

Propaganda

Iedere Messias heeft iemand nodig die voor de propaganda zorgt, aldus Ouweneel in zijn lezing. Zie Johannes de Doper en Jezus, zie Haman en koning Ahasveros, zie Goebbels en Hitler. Dat was met Sabbatai niet anders. Hij ontmoet de kalligraaf Abraham Yakini, die hem een zogenaamd oud document met de kop ‘De grote wijsheid van Salomo’ toont, waarin de komst van ene Sabbatai Zvi wordt aangekondigd. Sabbattai, die snakt naar bevestiging, gelooft elk woord. Het is precies het duwtje in zijn rug dat hij nodig heeft.

 

Epidemie

Iedereen hunkert naar een Messias, weet Sabbatai. Rubens vertelt dat er in Europa een soort Messias-epidemie is uitgebroken: “… Ze verschenen onder christenen in Duitsland, Frankrijk en Polen. Zelfs Engeland bracht een pretendent voort, een quaker die Jacob Naylor heette. Iedereen deed mee. In het Ottomaanse rijk was zelfs heel dicht bij huis competitie. In het stadje Ossa noemde een man zich Jezus Eli Messias en hij gaf drie bewijzen van zijn Messiaanse eigenschappen. Maar Sabbatai had zijn perkamentrol…”. In Smyrna zijn ze Sabbatai echter vergeten en wil niemand naar hem luisteren. Zijn bezeten vroomheid schept alleen maar schandaal. Daarom vat hij het plan op naar Jeruzalem te gaan. Met Saul als enige metgezel verblijft hij een paar maanden op Rhodos en een half jaar in Caïro. Vandaar vertrekken ze naar Gaza, waar ze feestelijk worden opgewacht door de helderziende profeet Nathan Asjkenazi, die slechts het ambt van heraut ambieert, en zijn volgelingen. Sabbatai wil er zo snel mogelijk vandoor. Hoe meer hij de roep van de massa om een Messias ontkent, hoe standvastiger hun geloof wordt, lijkt het wel: “… hij schrok ervoor terug zich te openbaren. Soms geloofde hij er gewoon niet in. Zijn rol was het resultaat van de inbeelding van anderen, een wijdverbreide wensdroom….”.

 

De bruid van Hosea

Saul is zenuwachtig als ze Jeruzalem naderen. Hij verwacht dat Sabbatai volledig zal instorten bij het zien van de heilige grond. Dat gebeurt niet. Ze bidden bij de klaagmuur: “… Na enige tijd liet Sabbatai zijn voorhoofd rusten tegen de koele stenen en dankte God voor het gevoel van volledigheid…”. Hij brengt een stabiel jaar door in Jeruzalem. Pas als de armlastige Joodse gemeenschap hem naar zijn invloedrijke contacten in Caïro stuurt om geld los te peuteren, verlaat de overweldigende vrede van God hem. Hij gaat weg zonder afscheid te nemen van Saul. In Caïro loopt hij de prostituee Sara weer tegen het lijf. Ze heeft visioenen en hoort stemmen. Ze zou voorbestemd zijn de bruid van de Messias te worden. Sabbatai voelt zich een Hosea en ziet Sara als zijn door God uitverkoren gade. “… Ze is een wezen van volmaakte schoonheid, en in hart en nieren verdorven…”, zal hij later naar zijn vader schrijven. Dan staat zijn afgewezen minnaar Saul voor de deur, die hem wijst op zijn koorts, het teken dat het misgaat met hem. Het is geen koorts, volgens Sabbatai. Het is het vuur van God dat in hem woedt. Het is het brandmerk van de Messias. Saul verdwijnt, diep gekwetst, met de woorden: “… Ik zal je volgen tot aan je stinkende graf…”.

 

De Sabbatai-beweging

Sabbatai trouwt, maar zal zijn vrouw met geen vinger aanraken. Sara begrijpt zijn aard beter dan hijzelf. Dat hij de Messias is, vindt Sabbatai op spaarzame momenten uiterst logisch en geloofwaardig; af en toe volslagen belachelijk. De momenten van twijfel en besluiteloosheid brengen hem naar de rand van de waanzin. Het Messiaans verlangen hangt als een molensteen om zijn nek. ‘Ik ben gek’, fluistert hij soms. In het jaar 1665 stuurt Nathan uit Gaza circulaires rond waarin hij zijn visioenen beschrijft. God zou aan hem het verschijnen van de Messias hebben aangekondigd – en wel in de persoon van Sabbatai Zvi. Dat wordt het echte begin van de Sabbatai-beweging. Nathan zorgt voor een witte hengst waarop Sabbatai, als een god in een witte mantel, met naast zich zijn koningin, aan het hoofd van een stoet mensen Jeruzalem opnieuw betreedt. Hij sticht chaos. Hij zoekt vol liefdesverdriet naar Saul, die zich niet laat vinden. Hij schaft de ceremoniële Joodse wetten af, wat de rabbijnen een beroerte bezorgd. Ze halen opgelucht adem als de herrieschopper verkondigt dat hij naar Aleppo wil reizen, en vandaar terug naar zijn geboorteplaats Smyrna.

 

Hedonisme in plaats van boetedoening

Ondanks de hysterische aanbidding zakt Sabattai tijdens zijn tocht steeds dieper in een depressie. Hij kan alleen maar aannemen dat God aanstoot neemt aan zijn entourage en de platvloerse kermis van zijn messiaanse parade. In plotselinge flitsen van agressief inzicht doorziet hij het zooitje bedriegers om hem heen. Hij zit gevangen in een publiciteitsmachine van klatergoud. Hij wil langs de kust reizen in de hoop Saul te vinden, die hij intens mist. Deze keer staat Smyrna op zijn kop bij zijn komst. De ramshoorn klinkt. Het gezin van Zvi wordt belegerd. De opgewonden menigte is doodeng. Sabattai lijkt te baden in licht; sommigen vallen flauw, anderen raken in extase. In de synagoge ‘verziekt’ Sabbatai volgens zijn vader de natuurlijke orde door boetedoening af te schaffen en hedonisme te prediken. Zijn hoofd is duidelijk omgeven door een aureool. De verlossing is niet meer aanstaande, maar gekomen. Iedereen moet zich klaarmaken om op te trekken naar het beloofde land. Echter, de sultan van het Ottomaanse Rijk heerst nog over Palestina.

 

Laatste kruistocht

Sabbatai is totaal onbetrouwbaar. Als zijn Messiaanse uitspraken worden afgewezen, is hij kwaad; als ze worden erkend, is hij bang. Het zaad van zijn waanzin ontkiemt naar alle kanten, woekert welig, ongebreideld en onbeheerst. In Frankrijk, Polen, Litouwen, Rusland, Duitsland en het beklemmende Spanje beginnen Joden hun spullen in te pakken en in de Europese havens samen te drommen. Een dwaze maar moedige (eigenschappen die vaak in een en dezelfde persoon huizen) man maakt Sabbattai uit voor een charlatan die iedereen de vernieling in helpt, en ontkomt ternauwernood aan steniging. Dat wekt een besmettelijke energie op die grenst aan hysterische bezetenheid. Godsdienstwaanzin grijpt om zich heen. Iedereen staat te trappelen om op te breken voor de laatste kruistocht. De profeet Nathan keert het tij door in de synagoge te verkondigen dat Sabbatai eerst met een klein aantal discipelen naar Constantinopel wil vertrekken om de sultan een kans te geven zich te bekeren. Als de sultan weigert, zal Sabbatai hem onttronen. De menigte laat zich vermurwen terug te keren naar haar dagelijks werk en geduld te beoefenen. Als dieren die een aardbeving voelen aankomen, vluchten de rabbijnen en families die niet geloven in Sabbatai de grens over, overtuigd van het feit dat er in deze zaak alleen maar verliezers zijn. Sabbatai voelt dat het te laat is, dat hij verloren is, dat de sultan alle Joden in Turkije zal straffen en vernietigen. Zijn vader smeekt hem niet te gaan. Hij zal zijn aanhangers naar de ondergang leiden. “… ‘Het leidt mij,’ zei Sabbatai…”. Even verder: “… ‘Ik ben de Messias,’ schreeuwde hij. ‘Ik, Sabbatai Zvi, geboren op Tisja b’Av. Als mijn volk te gronde wordt gericht is het de wil van God. Ik ben alleen het werktuig van die vernietiging.’…”. Zijn broer, die hem eten voert als een klein kind, zou hem het liefst met zijn vork vermoorden.

 

Judas

Al die tijd heeft Saul Sabbatai, als zijn schaduw, gestalked. Wanneer Sabbatai koers zet naar Constantinopel, verraadt Saul, als een ware Judas, waar hij zich bevindt aan de soldaten van de grootvizier, die na de opgevangen geruchten naar hem uitkijken. Een daad uit pure liefde, volgens Saul. Hij wilde hem gekroond zien, al was het maar met een doornenkroon. Sabbatai laat zich bijna opgelucht arresteren. Hij wordt met alle egards behandeld, want de stadsbestuurders zitten niet te wachten op oproer. Of hij wel eens aan zichzelf twijfelt, vraagt de grootvizier. “… ‘Natuurlijk twijfel ik,’ Sabbatai verhief zijn stem. ‘Alle heiligen twijfelen. Dat kan niet anders. Hun vroomheid zou anders hoogmoedig zijn.’…”. De vizier beschouwt Sabattai als ongevaarlijk, een naïeve dwaas. Om het enthousiasme rond hem in te dammen, zegt hij evenwel dat hij terecht moet staan voor gezagsondermijning. Dat moet het vuur van het plebs toch wat indammen. In zijn luxe onderkomen mag Sabbatai zelfs bezoek ontvangen, maar hij stuurt zijn gasten weg. Als een zwarte kakkerlak zit hij in een hoek te huilen om Saul.

 

De zesendertig rechtvaardigen

De rechtszaak laat nogal op zich wachten. Sabbatai wordt overgebracht naar een kerker in Gallipoli, dat van de ene op de andere dag een welvarend centrum wordt vanwege alle pelgrims die dicht bij hun Messias willen zijn. De weg naar het fort verandert in een ware Via Dolerosa, bezaaid met stalletjes vol koopwaar, waarmee beroepssjacheraars gouden tijden beleven. Met duizenden scharrelen de mensen over de kasseien. Ondertussen houdt Sabbatai zitting in een met tapijten behangen en luxueus ingerichte zaal. Zelfs zijn bewakers raken in zijn ban. Als een van hen vraagt of hij wel eens twijfelt, legt hij uit dat het judaïsme zesendertig Rechtvaardige Mannen kent die, zonder het zelf te weten, de toorts van het geloof uitdragen: “… God heeft hen met dat doel op aarde gezet. Misschien zet hij op dezelfde manier in elke generatie een gek op aarde die de rol van Messias moet vervullen. Want God heeft net zo chronisch behoefte aan een Messias als een Messias behoefte heeft aan God…”. Of hij terugkomt als hij doodgaat? “… Na iedere Messias staat de volgende op. Dat kan niet anders, want het geloof van de mensheid moet in stand worden gehouden…”.

 

Allah vergeeft

Eindelijk wordt Sabbatai naar de sultan in Adrianopol gebracht. Zijn volgelingen hebben de straat naar het paleis bestrooid met bloemblaadjes. Hij betreedt het gebouw in een staat van manische waanzin. De nacht voor het proces ontaardt in een wilde orgie. Zelfs de sultan voelt tijdens de rechtszaak Sabbatai’s messiaans magnetisme en huivert. Tijdens de laatste zittingsdag is Sabattai veranderd in een trillend hoopje mens die alles aanvaardt, als ze hem maar met rust laten. Hij kan kiezen tussen een folterende doodstraf of het aannemen van de tulband. “… Wat hem betrof was hij bereid de eerste de beste tulband te grijpen, driemaal ‘Allah’ te roepen en naar de grootste moskee te snellen om daar voor altijd te blijven bidden…”. Natuurlijk kiest hij voor de tulband: bekering is de wil van God. Zijn discipelen volgen hem. “… Op het marktplein wordt gedanst. Ik ben bang voor wat ze vieren. Ik ben zo bang dat ik niet verder vraag. Ze zingen ook, en hun lied dringt tot me door. ‘De verrader heeft de tulband aangenomen, / Allah vergeeft, Allah vergeeft…’…”.  Sommige volgelingen zijn zo teleurgesteld dat ze zelfmoord plegen. 

 

De gek van Dulcigno

Omdat er verhalen de ronde blijven doen dat Sabbatai, ondanks het aannemen van de tulband, in het geheim de Koran terzijde schuift, wordt hij uiteindelijk verbannen naar Dulcigno, dat tegenwoordig Ulcinj heet, de zuidelijkste badplaats van Montenegro. Daar legt Sabbatai zijn broer uit dat hij diep in zijn hart altijd Joods is gebleven. “… Voor mij was geloofsverzaking een bevel van God. Hij heeft bevolen de wereld van de islam binnen te gaan om deze te bekeren tot het judaïsme. De tulband is vermomming. Tijdelijk, triviaal…”. Volgens hem houdt de tulband de kwade geesten op afstand, omdat hij het kwaad vertegenwoordigt. Hij zwaait er minachtend mee in het rond. Ze kennen hem allemaal: de gek van Dulcigno.  

 

Uitgave: Arena Amsterdam – 1992, vertaling Joop van Helmond, 368 blz., ISBN 978 906 974 032 4

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

zondag 12 april 2026

Dius – Stefan Hertmans

 


Met de leeskring hebben we “Dius” van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans (1951) besproken. Het boek was voor mij een aangename verrassing, omdat het onder andere draait om de Nietzscheaanse tegenstelling tussen het ‘dionysische’ en het ‘apollinische’, een thema dat ik de laatste tijd in diverse blogs heb verkend: zie “Romantiek. Een Duitse affaire” van Rüdiger Safranski, “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt en “Oorlogsroes” van Ernst Jünger. Het dionysische staat voor het duistere, het emotionele, het chaotische, het grenzeloze, het irrationele - kortom het romantische. Het apollinische staat voor licht, ratio, orde, logica, harmonie - kortom het klassieke. Wat ik ook origineel vond: het verhaal gaat om een meester-leerlingrelatie waarin dit keer de rollen zijn omgedraaid. De leerling neemt het initiatief en is zijn meester de baas. Normaal is het in verhalen natuurlijk andersom, waarbij de meester het vertrouwen meestal blijkt te beschamen: zie “Op weg naar de Hartz” van Wessel te Gussinklo, “De magiër” van John Fowles en wederom “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt.

 

Egidius, waer bestu bleven?

“Dius” heeft iets van een cultuurfilosofisch college — dus helemaal mijn ding. Ik heb de roman echt met de laptop op mijn knieën gelezen, zodat ik de namen van alle renaissanceschilders en -componisten die de revue passeren kon opzoeken. De protagonisten passen namelijk niet in hun tijd — tweede helft van de vorige eeuw, schat ik. Ze lijken op hedendaagse ‘afhakers’. Als protest tegen de moderniteit trekken ze zich terug in hun eigen wereld, vol oude kunst en muziek. De naam Dius verwijst naar het middeleeuwse “Egidiuslied” (maar linkt ook aan ‘dionysisch’): een klaagzang over een overleden vriend. Dius werd geboren uit een overspelige relatie met een uitbater van een Siciliaanse ijssalon in Heist-aan-Zee. Zijn officiële ouders hadden zelf een schoenwinkel annex schoenmakerij. Hij groeide op met de geur van kruipolie en warme lijm, tussen zoemende machines. Als kind werd hij door zijn liefdeloze moeder schrijnend achtergesteld ten opzichte van zijn broer en zus. Zijn vader nam het zwijgend voor hem op. Op zijn zeventiende was hij een ‘einzelgänger’ die de wijde wereld introk.

 

Vriendschap

Als student staat hij ineens op de stoep van een kunstdocent, Anton, nadat hij tijdens diens lezing is weggelopen omdat hij - vanwege een rare opmerking - werd uitgelachen door zijn medestudenten. Hij heeft een verrassing voor Anton. Hij beschikt over een schildersatelier in een verwaarloosd gildehuis bij een oud kasteeltje, diep in de polder: ‘Ganzevliet’, dat Anton gratis mag gebruiken. Zijn docent oogt namelijk wat overwerkt. Daar kan hij, zonder door wie en wat dan ook gestoord te worden, zijn gang gaan. Dius wil zich niet opdringen, maar hij zou heel graag vrienden met hem worden. Anton is letterlijk met stomheid geslagen. De misplaatstheid van de omgekeerde situatie is absurd, zeker in het hiërarchische België van destijds. Dius is een beetje apart, weet Anton. Hij herinnert zich een door hem ingeleverde tekst waarin hij zichzelf vergeleek met een veulen in een wei vol hem aanstarende stieren: “… zo vervreemd, eenzaam en misplaatst voelde hij zich blijkbaar tussen de andere studenten…”. Voor hij het weet, stemt Anton toe.

  

Poëtisch leven

Op een woensdagmiddag komt Dius hem ophalen met een gammele bestelbus vol rotzooi. Tijdens de rit stopt hij plotseling omdat hij een eindje wil lopen. Anton heeft geen keus. Het blijkt dat Dius hem nodig heeft om een enorme boomstronk naar de auto te slepen. De knol is alleen niet te tillen. Hij wil er plakken uit snijden om als fineer te gebruiken. Hij zal er een schrijftafel voor Anton van maken, belooft hij vergoelijkend. Terwijl Anton steeds chagrijniger wordt, pauzeert Dius nog een keer om bij een kippenkraam een paar gebraden haantjes te kopen. Uiteindelijk komen ze aan bij het gebouw dat als een geheime schatkamer volstaat met de meest fantastische troep. De artistieke inboedel doet Anton onmiddellijk opveren. De grillige voorwerpen prikkelen zijn gemoed: “… Hierbij stak mijn eigen werkruimte thuis, met haar schrale rekken alfabetisch geordende boeken en het altijd netjes opgeruimde bureau, af als een academische vorm van verbeeldingsarmoede…” (zie het apollinische). Onder uit de luidsprekers schallende renaissancemuziek wordt de kip opgepeuzeld. Prozaïscher kun je het niet bedenken.

 

Schemering

In het uur tussen hond en wolf laat Dius hem de uitgestrekte polder voor het gildehuis zien en struinen ze door de overwoekerde kasteeltuin: “… Het rook naar vuur en bladgrond. Ik rilde. In de oude pergola, enkele tientallen meters achter de hoge meidoornhagen, stonden geboetseerde koppen, lelijk en onaf, als totems uit een andere tijd. Het schemerlicht gaf ze iets onheilspellends. Ik vroeg maar niets…”. De onwezenlijke sfeer doet onontkoombaar denken aan “De magiër” van John Fowles.

 

Intriges

Een paar weken later rijdt Anton zelf naar Ganzevliet. Hij heeft het gevoel dat hij naar ‘verboden terrein’ gaat. Dius’ camionette staat voor de inrijpoort, maar in de grote zaal is niemand. Als hij om het gildehuis heen loopt, ziet hij dat de ladder naar de open hooizolder opgetrokken is en hoort hij het gesnik van een vrouw met wie Dius aan het vrijen is. Hij weet niet hoe gauw hij zich uit de voeten moet maken. Wanneer Anton hem vertelt dat hij langs is geweest, antwoordt Dius zonder blikken of blozen dat hij er die dag niet was. Ondertussen bedriegt Anton zelf ook zijn partner, Nouka, met een collega.    

 

Beauty is terror

Wanneer Dius hem nog een keer komt ophalen, rijdt hij hem naar een kerkje om hem een aangrijpende replica van het wereldberoemde beeld van de heilige Cecilia in Rome te laten zien, waar hij een paper over wil schrijven. Haar frêle handen met de gestrekte vingers lijken op ‘neergeschoten vogels’: de ene hand op redding wijzend, de andere op ondergang. In de tere hals zit een diepe snede, waar Dius helemaal door van de leg raakt: “… Dius stond me met iets wilds in zijn blik aan te kijken. Hij was bloedrood aangelopen, trilde over zijn hele lichaam, probeerde iets te zeggen, kreeg het te kwaad, gebaarde naar het beeld, en zei ten slotte: Dit is het…”. Het sublieme. Woorden schieten te kort. “… Ik zag hem zwaar hijgen. Ik zag zijn verwarde, zwarte haardos licht heen en weer bewegen en dacht dat hij huilde…”. Zie het citaat van Donna Tartt in “De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. Anton: “… Ik voelde afgunst jegens zijn argeloze emotie, wist dat dit het was wat ik gaandeweg verloren was – een emotionele openheid…”. De droogkloot. 

 

Battleground

Anton zoekt steeds vaker de inspirerende en bevrijdende omgeving van Ganzevliet op om te werken en te studeren. Hij voelt zich fijn bij Dius. Zwijgend brengen ze uren met elkaar door. Ze krijgen de slappe lacht als ze de ene idiotie na de andere met elkaar wisselen. Dat is ook heel romantisch: overdreven sentiment eindigend in luchtgevend lachen. Zie Safranki over de ironie. In dit fragment treedt eveneens iets ‘wreeds’ op. Dius zegt dat Anton moet ophouden omdat hij niet meer kan – Anton gaat tóch door. Overal loert het barbaarse om de hoek, als je goed oplet. Anton geeft zijn ongeïnteresseerde studenten les over Joseph Beuys, Joseph Kosuth, Marcel Broodthaers en Barbara Kruger. Een willekeurig rijtje namen lijkt het, maar Kruger heeft wel een werk gemaakt met de titel ‘Your body is a battleground’. Als Anton Dius vraagt naar Pia, een ongenaakbare medestudente waar hij nogal van onder de indruk lijkt te zijn, pakt Dius de karabijn die altijd bij de voordeur staat, jawel, en loopt weg. Die avond eten ze gebraden duif. 

 

Spijt en heimwee

Wanneer Anton Nouka een keer meeneemt naar Ganzevliet, zegt ze dat het haar moeilijk lijkt om in het verlaten landschap te leven onder zo'n ‘verpletterende lucht’. Er komen dan ook veel zelfmoorden voor in de streek, weet Anton. “… Het begon te sneeuwen, eerst enkele afzonderlijk dwalende vlokjes, alsof de bui voorzichtig haar verkenners vooruit had gestuurd, daarna allengs heviger, met dikke pluimvormige vlokken, die op de rode jas van Nouka bleven haken voor ze verdwenen…”. Even verder: “… toen we weer in de auto zaten en ik de radio aanzette, klonk vreemde, trage blaasmuziek…”. 'Symphonies of Wind Instruments' van Igor Stravinsky. De ruiten dampen dicht. Zijn leven lang zal Anton, als het sneeuwt, denken aan dat muziekstuk en weg smelten van spijt en heimwee naar die tijd. 

 

Kitsch

Het ‘dionysische’ komt op zijn sterkst aan bod als Anton zijn college over de Wiener Aktionisten beschrijft: een avantgardistische groep die, beïnvloed door de ideeën van Markies de Sade, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud, in de jaren zestig furore maakte met wat ‘orgie-mysterietheater’ werd genoemd. Het zou allemaal gaan om de opvoering van oeroude bacchantische rituelen: gedoe met poep en pies, bloederige ingewanden van dieren, zelfverminking en zo. Performances van slagersgasten. Toen ik er op internet meer over las, vond ik het fascinerend dat ze tegen hetzelfde aanliepen als de studentengroep in “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt: het bleef een spel, onbevredigende kitsch, het was niet écht. Religie werkt niet als je er niet in gelooft. Je kunt je hele leven kerkbanken verslijten: het zal je niets helpen als God geen werkelijkheid voor je is. Voor authentieke stront aan de muur moet je, shockerend genoeg, in een krankzinnigengesticht zijn. 

 

Mystieke wonde

De Wiener Aktionisten brengen Anton bij de Christuswonde in de oude schilderkunst en de mystieke wonde in Wagners opera Parsifal, waarin de Graalkoning Amfortas gewond is geraakt door de heilige speer van Longius. De spirituele betekenis van het verhaal is dat de geestelijke wond pas kan genezen wanneer iemand het lijden, dat de beschadiging heeft veroorzaakt écht begrijpt. Een ‘reine dwaas’, of een biechtvader misschien? Zie de gelijknamige speelfilm van Hans-Jürgen Syberberg. Van ‘wonden’ gesproken: zie mijn vorige blog. Anton: “… Ik vertelde over oude mensenoffers, over de antieke Griekse bok die Dionysos heette, het meisje Ifigeneia dat op het ogenblik van haar offerdood door Artemis werd vervangen door een hinde…”. Zie het offer van Abraham: Isaak die werd vervangen door een ram (Genesis 22). Anton gaat nog verder: sensualiteit begint waar de perfectie van het lichaam wordt doorbroken. Zie het ‘lit-teken’ van het Middelnederlandse ‘lyc-teken’ – lyc is het oude woord voor lichaam. Zie de studenten met hun heldhaftige sporen in het gezicht van opgelopen houwen tijdens het schermen in “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Zie ook de Japanse kunst van met goud herstelde gebroken Japanse vazen: kintsugi. Ondertussen zit Dius met stralende ogen en een duivelse glimlach naar Anton te luisteren. Later ziet Anton hem ineengestrengeld met Pia op straat lopen: een sater en een nimf.  

 

Op zolder

Wanneer Dius er een keer niet is, klimt Anton stiekem de hooizolder op, waar hij tientallen doeken vol wolkenformaties van Dius ontdekt. “… Een paar, de laatste, zijn dan toch anders – de verf druipt in dikke drippings tot op de donkere einder en lijkt een laatste oordeel aan te kondigen…”. Twee doeken zijn in het midden gescheurd. Er lijkt een soort ossenbloedachtige substantie omheen gesmeerd, waarvan Anton pas achteraf beseft dat het om Dius’ eigen bloed moet gaan. Alsof hij op de zolder zijn demonen gevangenhoudt. 

 

Hout

Dius laat een machine installeren die dunne houtvellen kan snijden voor fineer. Hij is door het dolle heen: “… kijkt me aan met een blik die niet van deze wereld is, een vreemde mengeling tussen gekte en droom…”. Hij streelt het trillende ijzer van het apparaat, “… als was het een dier dat hij nog moet temmen…”. Op een keer vertelt hij dat zijn ware leermeester een leraar metaalbewerking is geweest toen hij vijftien was. Een ukkie dat altijd en eeuwig met een peuk in zijn mond in een vettige overall rondliep, maar werkte op een tiende millimeter nauwkeurig. Een virtuoos die niet kon tekenen, maar wél wist hoe je met materie moest omgaan. Bomen leven in een andere tijdsdimensie, beweert Dius. Als je ze snel kon zien groeien, zou je merken dat ze elkaar bijna naar de keel vliegen voor een beetje licht. Het zijn rare snuiters die hun takken in het gezicht van hun buurman duwen. Zie de ogen en knopen in het hout: littekens van hun gevechten. Boswachter Peter Wohlleben trekt in zijn boek “Het verborgen leven van bomen” precies de tegengestelde conclusie. Volgens hem zijn bomen juist hele zorgzame wezens die overlopen van naastenliefde.

 

Meningen

Dius keert zich bijna woedend af van de hedendaagse moderne kunst: “… Conceptuele kunst, bromde hij, wat een gelul…”. Wat is de zin om je voor of tegen iets uit te spreken? Daarmee zeg je alleen maar iets over je eigen smaak, over je eigen vooroordelen. Alle kunstenaars houden zich door de eeuwen heen met hetzelfde probleem bezig: de techniek van de ziel. Hoe maak je van geest materie? Hoe kun je het landschap begrijpen waarin je je begeeft?

 

Van God los

Anton heeft het over het chaotische geweld van ‘Verlust der Mitte’ van Asger Jorn. “… Daar, net niet in het midden van het schilderij dat het verlies van het midden wilde uitbeelden, in die wirwar van primitief ogende kleuren had de duivel mij aangekeken…”. Er zit een grof geschilderde tronie in het doek die zijn persoonlijke duivel is geworden, een monsterlijk gelaat zoals op sommige oud-Griekse maskers, dat opduikt in zijn nachtmerries. Hij brengt het in verband met zijn gemis aan een ‘zwaartepunt’. Waar hij het licht van het begrijpen zocht, was de onweerstaanbare, opwindende verleiding van iets onbegrijpelijks gekomen, van een overspelige betovering: “… daar was ik vast komen te zitten…”. Zie de link met wat Dirk de Wachter schrijft over het ‘zijnsgat’ van Heidegger dat we niet kunnen dichten, hoezeer we het ook opvullen met consumentistisch of zinnelijk genot. De Wachter gebruikt een verrassende metafoor voor ons ‘zijn’: een donut. De kern en de ruimte eromheen, waarin sommigen het goddelijke licht ervaren, kunnen blijkbaar net zo goed beheerst worden door demonische duisternis.

 

De grote boze wolf

De gevreesde kunstpaus Jan Chapot, die de examens op de kunstacademie af komt nemen, is gebaseerd op de inmiddels overleden curator Jan Hoet. Had Hertmans nog een appeltje met hem te schillen? Hij ruïneert carrières in de dop en breekt het meeste werk van de studenten tot de grond toe af. Ook dat van Dius, die het deels ontblote rechterbeen van de wereldberoemde ridder van Vittore Carpaccio heeft nageschilderd, een zestal keer. De levensechte huid (incarnaat), in zijn etherische schoonheid, is een waslaag van wonden en littekens. Op ieder paneel wordt de wond griezelig genoeg groter. De arrogante Dius laat zich zwijgend beledigen, steekt zijn middelvinger op naar de ontploffende Chapot, maakt een minzame buiging en loopt de zaal uit, terwijl hij de deur met een knal achter zich dichtslaat. Een deel van het schilderij van Carpaccio staat op de omslag van het boek: een in de lucht vechtende valk en reiger. Een roofvogel en een vogel die vanouds symbool staat voor wijsheid en eenzaamheid. Suggereert het tafereel de tweestrijd tussen geweld en wijsheid?

 

't Hijgend hert

Hertmans beschrijft op een ongelooflijke manier hoe Anton met zijn auto op een groot mannetjeshert botst, dat hem dwars door de versplinterde voorruit heen met zijn gewei tegen de rugleuning van de chauffeursstoel spietst. Hij kan zijn hoofd geen millimeter bewegen. Het dier gaat dood, hij zelf blijft in leven. Een en ander is bijna symbolisch voor het sterven van het dionysische – zie het hertengewei op de omslag van “De verborgen geschiedenis”. Het hert staat in veel culturen voor transformatie, zuiverheid en het spirituele pad. Dit doet me ook denken aan Karen Armstrong, die in “Compassie” schrijft dat alle godsdiensten oproepen om de vier dierlijke driften of instincten – vechten, vluchten, vreten, voortplanten – te overstijgen, zodat je je kunt richten op de goddelijke liefde. Moeten kerkelijke dienaren daarom afzien van seks? Mensen bewegen zich tussen engel- en duivel-zijn. Na meer dan een etmaal wordt Anton gevonden door Dius en Pia.

 

Mimesis

Als Anton terugkomt uit het ziekenhuis, is Nouka, met wie hij op vakantie zou gaan, vertrokken. Ze heeft het helemaal gehad met hem. De hele zomer studeert hij voor zijn proefschrift op de vraag of er zoiets als originaliteit bestaat in de kunst: “… Ik waadde door een zee van theologische concepten en kunsttheorieën…”. Het antwoord is vooralsnog: “… Alles is nabootsing, vooral onze drang om origineel uit de hoek te komen…”. Zie René Girard. Op een dag komt hij thuis en ziet dat zijn ex langs is geweest om hun bezittingen rigoureus in tweeën te verdelen. Zelfs alle textiel heeft ze doormidden geknipt, zodat niets meer bruikbaar is. Hoe verzin je het! Ook zijn minnares lijkt niets meer van hem te willen weten, totdat hij brieven van haar in een vuilnisbak op Ganzevliet vindt, waaruit blijkt dat Dius haar opzettelijk bij hem heeft weggehouden. Het komt tot een woedende confrontatie met fysiek geweld, waarbij Dius zijn arm uit de kom trekt, en hij alweer in het ziekenhuis belandt. De ruzie wordt bijgelegd met als uitleg dat Dius vindt dat Anton eerst maar eens moet leren alleen te zijn voor hij weer onder de vleugels van een vrouw kruipt. Dius oreert omslachtig dat de oermens ooit zelfstandig was, daarna als een schaap achter een leider aan ging lopen en inmiddels tot een insekt is verworden dat in zwermen bestaat. Ter verzoening plant hij een Chinese ginkgoboom. Ondertussen gedraagt Dius zich  verre van celibatair. Waar bemoeit die snotneus zich mee, zou je denken, maar Anton pikt alles van hem.

 

Voodoopop

In het verloop van het verhaal vind ik de spanning er een beetje uit trekken. Het kasteeltje, dan wel landhuis, wordt gekocht door een oom van Pia, met wie Dius uiteindelijk trouwt. In ruil voor de huur van het gildehuis wordt hij conciërge op het landgoed en ontwerpt de plafondschilderingen en meubels voor het kasteeltje. Een paar broers van Pia misbruiken hem zo ongeveer als hun persoonlijke slaaf, wat de nodige druk op hun relatie zet, maar alles keert zich ten goede. Tussendoor blijkt Dius een fantastisch bureau voor Anton te hebben gemaakt, met onder het fineer een brief die hij niet kan lezen. Wat er in staat komt de lezer (helaas) niet te weten. Aan alles komt een eind: Dius verhuist met zijn vrouw naar Bergamo, waar ze een baan aangeboden krijgt. Anton leeft in zijn eentje verder. Na twintig jaar gaat hij nog eens naar het landgoed kijken. Het gildehuis is vervangen door een schreeuwlelijke opslagplaats. Het kasteeltje blijkt al tien jaar leeg te staan. Anton krijgt het voor elkaar om het van de gemeente te kopen. Hij restaureert de boel en sluit zich er met zijn boeken en polyfone muziek op als een kluizenaar. Hij wordt zo moe van steeds dezelfde studenten dat hij met vervroegd pensioen gaat. Na al die jaren heeft hij af en toe weer contact met zijn vroegere minnares, die inmiddels weduwe is. Tot er op zekere dag een man met een grote hoed op voor zijn deur staat. Aan zijn hand een meisje van een jaar of tien. Dius. De vriend die hij net zo hard heeft gehaat als liefgehad: “… Misschien was Dius de voodoopop waarmee ik mijn eigen angsten op afstand had willen houden…”. De linkerhelft van zijn gezicht is zwaar verminkt: gescalpeerd door een blokkerend vliegwiel van een van zijn machines. De naam van zijn dochtertje: Zieltje, eigenlijk Cieltje, van Cecilia, een meisje met het syndroom van Down.  

 

Op weg naar het einde

Als ze weer vertrokken zijn vraagt Anton zich af of je je geliefden moet kunnen verraden om jezelf te zijn. Je levert hoe dan ook wat van jezelf in, toch? Voor het eerst in tijden gaat hij weer naar de bioscoop om te merken hoe gruwel als vermaakt wordt geconsumeerd. Kunst die de wereld kan redden? Ga toch weg. Op een dag besluit hij op zoek te gaan naar het domein in Bergamo waar Dius zich heeft verstopt. Hij woont er samen met zijn dochter, als op een tweede Ganzevliet. Anton blijft er weken hangen: “… Ik lijk op die eeuwige passant uit De Toverberg…”. De weken worden maanden, waarin Dius steeds moeilijker gedrag gaat vertonen. Als hij vanwege een fietsongeluk in het ziekenhuis verzeilt, blijkt er sprake van een uitzaaiende tumor, waarop Anton contact opneemt met Pia. Samen nemen ze afscheid van de dingen, tot het zo slecht met Dius gaat dat hij opgenomen moet worden in een palliatief centrum: “… hij had iets van een vogel, een grote, stervende condor…”. Zie de omslag.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 320 blz., ISBN 978 940 313 383 6, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier