Menu

dinsdag 5 mei 2026

Ik heb je nooit een rozentuin beloofd – Hannah Green

 


Rachel Aviv spreekt zich in “Vreemden voor onszelf” (zie mijn vorige blog) meerdere malen lovend uit over ‘Chestnut Lodge’, van 1901 tot 2001 een gerenommeerde particuliere psychiatrische instelling in Rockville, Maryland (VS). Het sloot voorgoed zijn deuren vanwege financiële problemen en veranderingen in de gezondheidszorg. Het instituut maakte naam met zijn intensieve psychoanalytische behandeling van ernstig psychiatrische patiënten, waaronder mensen met schizofrenie. Hier werkte de vooraanstaande psychiater Frieda Fromm-Reichmann, de therapeut van Deborah Blau, protagonist in de semi-autobiografische bestseller “I Never Promised You a Rose Garden” (1964) van de inmiddels 93-jarige Hannah Green. Na herlezing blies het ontstellend goed geschreven verhaal me nog steeds van de sokken.

 

In het hoofd van Deborah

Er zijn verhalen die ons redden en er zijn verhalen die ons afbreken, concludeert Rachel Aviv in “Vreemden voor onszelf” - zie mijn vorige blog. Schizofrenie maakt dat je gevangen zit in het ‘verkeerde verhaal’, zou je kunnen zeggen. “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” begint met een lange autorit. De bange en bezorgde ouders van de zestienjarige Deborah Blau brengen hun psychotische dochter naar het uitstekend bekendstaande Chestnut Lodge. Deborah heeft een zelfmoordpoging gedaan: “… Het knagend vermoeden dat er iets helemaal en hopeloos fout zat was daardoor eindelijk geculmineerd in een feit…”. Het is best een leuke trip, want Deborah bevindt zich geestelijk op een soort ‘neutraal gebied’, de ‘Vierde Trap’ genaamd, in het ‘koninkrijk Yr’. Dan zijn er geen emoties, verleden of toekomst. Deborah vecht namelijk een vreemde, geruisloze, vernietigende strijd uit tussen twee dimensies. De wereld zoals wij die waarnemen en de wereld die zich in haar hoofd afspeelt, met de vaak zeer veeleisende goden, demonen en instellingen van Yr. Ze voelt zich er thuis - ook wanneer de aarde zich er opent en de zon uiteenspat aan de hemel, haar sidderende lichaam er wordt verscheurd en haar tanden en beenderen er in duizend stukken breken. Er zijn gebieden vol verschrikkingen en verlatenheid, maar ook ‘gouden weilanden’.

 

Botsing tussen twee werelden

De botsing tussen beide werelden ‘verdooft’ Deborah. Bij aankomst hoort de ‘ijskoude’ hulpverlener tijdens de intake niets van ‘het geraas’ achter haar: “… In het vacuüm van de Tussenwereld waar zij stond tussen Yr en Nu, begon de Gemeenschap tot leven te komen. Weldra zouden zij haar scheldwoorden en bedreigingen naar het hoofd slingeren, en dan zou ze doof zijn voor beide werelden…”. Anterrabae, de Vallende God, met zijn vurige lokken, die golven in de wind, doemt op. “… Neem me mee, smeekte ze…”, om ‘dieper en dieper te vallen’, “… samen met hem die eeuwig dieper viel…” (zie Cees Nooteboom, die in “Rituelen” ook al refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, IxionPhaeton, Tantalus). Vervolgens belandt Deborah op een vredige, uitgestrekte vlakte waar ze rituele gezangen zingt en danst in een strelende wind die over het lange gras blaast, ‘om een paar dagen tot rust te komen’.

 

Geen aanstellerij

Nadat Deborah op school bij een proefwerk haar naam had veranderd in Januce - naar de god Janus met de beide gezichten, omdat zij immers ook naar twee werelden keek - was er een Censor naar de tussenwereld gekomen om te waken over haar woorden en daden. Zo’n fout kon ze zich geen tweede keer veroorloven. Er is sprake van het commentaar van de Gemeenschap, bestaande uit een verzameling evenbeelden van onderwijzers, familie en klasgenoten die haar voortdurend in het geheim veroordelen en vervloeken. Deborah wordt uitgenodigd door de beroemde dokter Fried, die in een huisje op het terrein van de kliniek woont. Dokter Fried gelooft dat er een gezonde kracht in haar aanwezig is, en wel om twee redenen: ten eerste de opluchting die Deborah toont wanneer dokter Fried zegt dat ze serieus ziek is. Thuis, op school en in ontelbare spreekkamers heeft ze altijd te horen gekregen dat er niets met haar aan de hand is. Ten tweede de noodkreet die ze uitzond met haar dramatische zelfmoordpoging (in feite stelde de actie weinig voor), waarmee ze liet zien dat ze de schijn niet langer kon ophouden.

 

Taboe

Begin jaren zestig rust er een enorm taboe op gekte in de overwegend patriarchale westerse samenleving. Deborah’s opa wordt woedend als hij hoort dat ze is opgenomen. Haar zusje slikt het verhaal van haar ouders dat ze in een herstellingsoord zit, waar ze gewoon naar school gaat. Haar vader heeft wroeging omdat hij heeft ingestemd met de uithuisplaatsing. Als er na een tijdje een brief komt waarin staat dat Deborah niet haar vader, maar wel haar moeder wil zien, zijn de rapen gaar. Deborah geniet van haar macht, maar vreest ook dat haar vader haar zal willen ‘bevrijden uit haar gevangenis’. Ze weet dat ze de instelling nodig heeft.

 

Schijn bedriegt

Als de moeder van Deborah tegenover dokter Fried een boekje opendoet over het gezin, komt er wat meer boven tafel. Deborah blijkt het geliefde, want ‘blonde’, kleinkind van een berooide Joodse emigrant met een klompvoet, die zich in Amerika agressief omhoog heeft gewerkt en zich vol kapsones handhaaft in de bovenklasse: alles voor de schijn. De tweede van de klas zijn was niet genoeg: ze moest de eerste zijn. En ook al ging ze dood van ellende: ‘blijven lachen als je gekwetst wordt’. “… Hij noemde vrouwen koeien en broedkippen en meesmuilde dat ze later waardeloos zou zijn omdat ze een vrouw was…”. Haar vader had maar te slikken wat de oude pater familias besliste. Zijn schaduw hing dreigend over alle takken van de familie. Deborah begon in bed te plassen: “… Hoe verbolgen was de strenge gouvernante geweest, en terecht! Maar deze ‘laksheid’ bleek niet te genezen met boze woorden, klappen en straffen…”. Deborah had namelijk een tumor in haar buik en overleefde totaal onvoorbereid twee operaties, met als gevolg ‘barbaarse pijn’. Zoals het hoort ging ze in de winter naar de allerbeste scholen en in de zomer naar de allerbeste zomerkampen. Ze sloot zich niet makkelijk aan. Pas jaren later verneemt de familie dat het eerste zomerkamp uitgesproken antisemitisch was. Op tienjarige leeftijd kwam uit een psychologische schooltest naar voren dat Deborah mentaal niet in orde was. Ze speelde niet met andere kinderen, ze at veel waardoor ze te dik werd en ze sliep nooit, volgens haar moeder. Ze werd naar een psychiater gestuurd, waar ze zo overstuur van raakte dat men ermee stopte. Toen Deborah zich helemaal liet meenemen door haar tekentalent, werden haar problemen toegeschreven aan de hooggevoeligheid van een zeldzaam begaafde geest. Toch bleef haar moeder ongerust. Ze zag hoe Deborah erbij liep, alsof ze klappen verwachtte die later zelfs leek uit te lokken. Dokter Fried registreert een “… beheerste moeder van een meisje dat doodziek was door al het bedrog…”. Even verder: “… ‘Er is maar één ding bijzonder gevaarlijk, vooral nu, omdat ze er uiterst gevoelig voor is.’ ‘En wat is dat, dokter?’ ‘Liegen, natuurlijk.’…”.

 

Grijze wereld

Tijdens haar sessies met dokter Fried uit Deborah zich voor haar leeftijd ongekend cynisch en sarcastisch. Haar scherpe, hooghartige, uitdagende opmerkingen maken de mensen om haar heen terughoudend: “… ze waren trots op haar maar ze hielden niet van haar…”. Soms reageert ze zonder meer verbitterd, agressief en wreed: “… Het was of de vervloeking met de stem van een bezetene uit Deborah’s lichaam brak…”. Onbedoeld laat ze een woord uit het geheime koninkrijk van Yr vallen: ‘Upura’. Het staat voor ‘herinnering, compleet met alle bijbehorende emoties’ inzake de buikoperatie, waarna de wereld grijs werd. Als de dokter doorvraagt, vlucht Deborah doodsbang naar Yr ‘waar het water zich boven haar hoofd sluit zonder aanduiding van de plek waar ze naar binnen is gegaan’. “… Het oppervlak was rimpelloos en zij was verdwenen…”. Later laat ze erover los dat de taal van Yr uit beeldspraak bestaat die de dokter toch niet begrijpt. “… Dit gesprek maakte haar doodsbang. De muren begonnen zacht te kloppen als een enorm hart…”. Ze vertelt over de pestkoppen uit de buurt die haar uitscholden voor vuile Jood, en over een volwassene in het zomerkamp die had gevonden dat Hitler tenminste één ding goed deed: het ‘vuilnisbakkenvolk’ opruimen. Als ze de verontwaardiging op het gezicht van de dokter ziet om wat haar is overkomen, bedankt ze haar: “… Ik wist niet dat Aardbewoners ook gevoel hebben…”.

 

De Put

Chetsnut Lodge is voor zijn patiënten een veilige omgeving, waar ze zichzelf kunnen zijn: “… Directheid en grofheid waren twee privileges van het ziekenhuis waar iedereen zich ruimschoots van bediende. Voor degenen die uitsluitend aan zichzelf hadden durven denken als excentriek en vreemd, betekende vrijheid de vrijheid om gek, niet wijs, getikt of mesjoche te zijn en in ernstige mate, krankzinnig, waanzinnig, dement of uitzinnig…”. Er zijn drie afdelingen. Op afdeling C wonen de Ernstig Gestoorden (E.G.), waar Deborah terecht komt als ze haar arm openrijt met de deksel van een gevonden conservenblikje. “… Luister, Vogel-nummer-een; luister Wild paard…”, klinkt het uit de onderste regionen van Yr, “… jij hoort niet bij hen…”. Daarmee worden de mensen in de normale wereld bedoeld. Ze ‘speelt voortdurend met de Put’ (de dood), zegt de god Anterrabea. ‘Ze bekijkt haar ondergang van alle kanten en prikt er hier en daar met haar vinger in’.

 

Ernstig gestoord

Deborah is in eerste instantie doodsbang op de griezelige afdeling Ernstig Gestoorden, waar zelfs geen schijn van comfort en normaliteit meer valt te bespeuren: “… Er zaten vrouwen op rechte harde stoelen, en ze zaten of lagen ook op de grond – kreunend en tierend of geheel verstard – en de verpleegsters waren hard en gespierd…”. Deborah ervaart een en ander als angstwekkend en tegelijkertijd geruststellend: “… hier bestonden geen leugenachtige goede manieren, en hier hoefde men niet langer te leven volgens de onbegrijpelijke wetten van de Aarde. Als de blindheid kwam, of als de pijnlijke krampen van de niet bestaande tumor zich deden gelden, of als ze in de Put belandde, zou niemand zeggen, ‘Wat zullen de mensen daar wel van denken!’, ‘Gedraag je als een dame’ of ‘Maak alsjeblieft geen scene!’…”.

 

Beschermengelen worden kwelgeesten

Uiteindelijk begint Deborah over Yr te vertellen, wat veel verklaart: “…Hoe vreemd dat haar nu ook voorkwam, eens waren de goden van Yr kameraden geweest – geheime, prinselijke deelgenoten van haar eenzaamheid…”. Een stem had haar op zachte, warme toon verteld dat ze bij hen een vogel kon worden, “… vrij op de wind…”, of een wild paard “… dat zich niet schaamt, maar fier zijn manen schudt…”. Ze begonnen steeds meer voor haar te betekenen: “… De goden van Yr waren lachende goden, een soort beschermgeesten waar zij zich graag bij terugtrok. Maar er was iets misgegaan en Yr veranderde van een bron van schoonheid en veiligheid in een oord van angst en smart. Geleidelijk werd Deborah gedwongen om te smeken en te verzoenen, en ze viel omlaag van haar vorstelijke plaats in het schitterende vertroostende Yr en werd in donkere oorden geketend. Op de dagen van de verheven kalender was ze een koningin onder de goden, maar op de dagen van de lage kalender werd ze vernederd en gekweld. Tegenwoordig moest ze ook nog de duizelingwekkende verandering van de wereld verdragen, en de haat van de wereld die tot uiting kwam in de schimpende gezangen van de Gemeenschap. Ze was de onderworpen slaaf van de Censor, die tot taak had erop toe te zien dat het geheime zaad van Yr niet op de Aarde zou worden gestrooid, waar het zou ontkiemen, opbloeien en openbarsten in krankzinnigheid, zichtbaar voor de hele wereld die er vol afgrijzen voor zou terugdeinzen. De Censor had de rol van tiran aangenomen over beide werelden. Toen hij eenmaal haar beschermer was had de Censor zich tegen haar gekeerd…”. Precies zoals in de echte wereld, volgens Deborah. Het meest verbluffende vind ik nog dat de evangelische wereld in allerlei brochures en traktaten waarschuwt voor de occulte wereld waarin het net zo toegaat: goede geesten worden kwade geesten. Dokter Fried wijst erop dat de wereld van Yr veel overeenkomst vertoont met Deborah’s eigen visie op de wereld. De geest past zich aan: “… al die verborgen werelden, die talen, regels en zoenoffers waren redmiddelen voor haar om niet ten onder te gaan in een wereld van oproer en verschrikkingen…”.

 

Lakenpak

Deborah’s ‘verraad’ maakt dat ze, eenmaal terug op de afdeling, langzaam haar bewustzijn verliest. Gebeurt er hetzelfde als met de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra? Aan de hand van een spreeuwenwolk schrijft Niewierra: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Deborah heeft het eveneens over een ‘wolk’, waaruit wormen en slangen druppelen. Ze ziet zichzelf als “… een roerloze berg met een vulkaan in zijn binnenste…”. De beleidspsychiater maakt Deborah nog snel duidelijk dat ze haar in een ‘lakenpak’ gaan wikkelen. Het weer bij bewustzijn komen omschrijft ze als het opstijgen van “… een enorme walvis uit de diepste diepte – een volstrekt ander element met andere wetten en andere klimaten…”. Ze ligt strak in een soort, door haar verhitte lichaamstemperatuur verwarmde, ‘cocon’ van natte lakens. In haar nek een ijsklomp, onder haar voeten een warme kruik. Ingebakerd. Het werkt nog ook.

 

Wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen

Gaandeweg voelt ze zich op de E.G.-afdeling meer thuis dan waar ook. Ze is een van de gekken. Ze hoort nu bij een groep met een eigen geheimtaal, die zich te pletter verveelt: elke reuring betekent een verzetje. Veel patiënten bezitten de bijzondere gaven om in een oogopslag iemands zwakheden te zien, maar ze kunnen er niets mee. Verpleger Hobbs is steeds de pineut. Wanneer er een enorme ruzie rond hem uitbreekt, vraagt de psychiater aan Deborah waarom ze het steeds op Hobbs gemunt hebben. Deborah weet het wel, maar zegt het niet: Hobbs is bang voor zijn eigen krankzinnigheid – hij wil dat de mensen nog gekker en vreemder zijn dan hijzelf. Het herinnert aan de uitspraak: wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen. 

 

Vechten tegen de duisternis

Dokter Fried spaart haar patiënt niet. Wanneer Deborah zegt dat ze gevaarlijk is omdat ze gif uitwasemt: “… Als je je wilt verstoppen kun je vergeten, of toneelspelen, of de zaak vertekenen. Dat zijn allemaal goede manieren om te vluchten voor de waarheid die soms heel hard kan zijn…”. En gek worden, natuurlijk. “… Een ander van alles de schuld geven, dat is ook een camouflage. Dan hoef je niet onder ogen te zien wat ze je werkelijk hebben aangedaan, en wat je jezelf hebt aangedaan en nog steeds aandoet…”. Als ze bibbert van de kou in de hete augustusmaand: “… Ik vrees dat de regen en de mist binnen in jou zijn…”. Steeds herhaalt de dokter dat de goden en demonen van Yr haar eigen scheppingen zijn: “… Zeg aan alle bewoners van Yr dat ze je niet moeten hinderen bij dit onderzoek van ons…”. Als Deborah aangeeft dat ze zwarte strepen voor haar ogen ziet, ‘tralies’ die staan voor een gevoel van verlatenheid en gemis aan liefde, blijken ze een vage herinnering te zijn aan de spijlen van haar kinderbedje, in een tijd waarin ze verzorgd werd door een kille verpleegster omdat haar moeder in het ziekenhuis lag. Waarom heeft een zo vroege gebeurtenis zo’n impact? “… De herinnering verandert wellicht niet van vorm, maar de jarenlange herbeleving verleent een enorm gewicht aan de ervaring…”. Omdat Deborah de kant van de wereld kiest (wat natuurlijk een erg positief gegeven is), noemen de goden haar een ‘verraadster’ en sluiten de weg naar Yr voor haar neus: “… Welnu, daar is de wereld. Ga je gang!...”. Volkomen in paniek verliest ze prompt haar denkvermogen. Wanneer ze misselijk ontwaakt: “… Als je de wereld weer eens bewondert, reken dan op onze duisternis…”. Geen wonder dat ze bang is voor zaken als vriendschap, waarheid, liefde en vergeving, die allemaal deel uitmaken van de realiteit.

 

Robot

Tegenover haar ouders legt dokter Fried uit dat ze samen proberen te ontdekken wat Deborah werkelijk wil met haar leven: “… Ze heeft (van zichzelf) een robot gemaakt die alle uiterlijke formaliteiten van de realiteit vervulde, en daarachter trok de echte mens zich steeds verder terug…” (zie ook “Het drama van het begaafde kind” van Alice Miller). Haar verontrustende symptomen zijn afweermiddelen en beschermingen: “… U kunt het geloven of niet, maar haar ziekte is de enige grond die ze onder de voeten heeft. Zij en ik hakken samen de grond weg waar zij op staat…”. Even verder: “… Er wordt thans van haar gevraagd al die jaren van realiteit, althans in haar ogen, uit te wissen en in goed vertrouwen een nieuwe versie van de wereld te accepteren. Deborah’s ziekte is thans een wanhopige strijd om gezondheid geworden…”.

 

Leven in de brouwerij

De afdeling staat op zijn kop als er een oud maar bijzonder gewelddadig dametje met grijs haar arriveert: juffrouw Coral. Binnen no time smijt ze een broeder als een projectiel door de gang. Ze is zo sterk dat ze, wanneer ze ‘elektrisch geladen is’, met een bed om zich heen kan slaan, terwijl er een ‘stroom van prachtige, bloemrijke, zeer gevarieerde lasterlijke taal’ uit haar losbarst. Ze schijnt ook nog vier of vijf talen te spreken en iets wiskundigs te zijn. Geduldig wacht Deborah voor haar deur tot ze eindelijk tevoorschijn komt om te vragen of ze haar les wil geven. ‘Als ik een besluit neem, zal ik dat laten weten’, zegt juffrouw Coral, en ze slaat de kamerdeur weer achter zich dicht, waarna een hele serie ‘vloeken en kreten, dreunen en slagen’ begint. Als het stil wordt, roept ze eindelijk uitgeput door de dichte deur: “… Meisje – meisje – ben je daar nog?...”. Als Deborah met ‘ja’ antwoordt, zegt ze: ‘Morgen’.

 

Leren

“… Deborah en juffrouw Coral ontmoetten elkaar in de korte ogenblikken dat ze niet in de afzondering van hun eigen werelden leefden. Deborah was aan een dor en onvruchtbaar tijdperk begonnen. Altijd rook ze de stank van haar eigen verbrande wezen – verschroeid vlees, haar, kleren en de onaangename lucht van brandend rubber en leer van haar schoenen. Ze kon geen kleuren meer onderscheiden en de zwarte strepen voor haar ogen beperkten haar gezichtsvermogen tot een smalle verticale grijze strook. Niettemin studeerde ze…”. Ze snapt zelf ook niet dat ze allerlei dingen kan leren terwijl ze het gevoel heeft als een ‘levende dode’ in ‘absolute duisternis’ te verkeren. Feiten, stellingen of talen hebben niets te maken met zelfkennis. Je kunt blijkbaar net zoveel leren als je wilt en toch psychotisch zijn. 

 

Oermens

Allemaal zijn ze overstuur als er iemand terugkomt uit de buitenwereld: “… na een poosje staan ze op van de grond, schudden zich als gevloerde boksers en wankelen de wereld in, telkens en telkens weer…”. Als de dokter een lange vakantie opneemt, krijgt Deborah een zware terugval waarin ze zichzelf met de overal voor het grijpen liggende sigarettenpeuken begint te branden: “… De Moderne Mens sprong slordig om met de brandende staafjes die hij rookte en inademde en naast hem stond de oermens begerig te wachten op zijn vuur…”. In het begin is Deborah morbide en zwijgzaam, of morbide en scherpzinnig, maar er komt een dag waarop ze zich niet kan beheersen en de verschrikkelijke machten die ze in zich voelt, losbarsten: “… Heer! Ze was in de badkamer en kraamde alle mogelijke onzin uit. Ze heeft de muren volgekrast met krankzinnige tekens en ze kwam vechtend als een wilde kat naar buiten…”. Daarna volgen echter wel gevoelens van schaamte en een ‘nieuwe moraliteit’ – wat dokter Fried als ‘gunstige’ tekenen opvat. Op haar versteende gezicht zijn, ondanks de angstrazernijen, weer emoties te lezen.  

 

De weg omhoog

Misschien is het pijnlijkste wel “… dat je jarenlang gek kunt zijn zonder dat je dat aan iemand kunt vertellen, en zonder dat ze je geloven…”. Uiteindelijk krijgt de wereld opnieuw vorm en kleur voor Deborah: “… Ongeduldig en vol verlangen begon ze de ladder te bestijgen die haar naar de hoogste ziekenhuisstatus moest voeren, en ze kon de treden haast onder haar voeten horen kraken…”. Even verder: “… Toen ze eenmaal overtuigd was van het feit dat ze leefde, begon ze van de nieuwe wereld te houden…”. Met de dokter graaft ze oude geheimen op om ze een plek te geven: “… als je de wereld in haar totaliteit verwerpt moet je daar vele redenen voor hebben…”. Ze komt erachter dat de verborgen rol die ze in het zomerkamp speelde, en wel als gevangengenomen vijandige Japanse soldaat, een reactie was op de haat van anderen. Een poging om de werkelijkheid te begrijpen en te verklaren en een zekere waarheid op te bouwen waarmee te leven viel. In het martelaarschap dat ze op zich nam, herkent ze iets van Christus, ‘de trots en vrees van iedere Jood’, maar ook van haar opa. Ze is ervan overtuigd dat ze als kleuter van zins was haar babyzusje te vermoorden. Ze wilde haar uit het raam gooien. Haar ouders kwamen net op tijd de kamer binnen en spraken er later nooit meer over. Samen met de dokter komt ze tot de conclusie dat ze veel te klein was om de baby uit de hoge wieg te tillen - waar ze op haar tenen bij moest staan om erin te kunnen kijken - laat staan over het raamkozijn. De dokter voert haar terug naar de zonneschijn in haar gelukkige kinderjaren, wat een bewijs is dat ze niet genetisch gedoemd is of onder een vloek is geboren. Stapje voor stapje vordert ze, van de hel naar het vagevuur weliswaar. Ze heeft een genezende droom van een mannenhand die in zijn vuist drie steentjes steenkool samenperst. Als de vuist zich opent liggen er drie fonkelende diamanten in: “… Een diepe stem riep haar, ‘Deborah!’, en daarna nogmaals zacht, ‘Deborah, zo zul jij zijn.’…”.

 

Onvoorwaardelijk

In de kliniek zijn de zondagen het ergst; dan is ‘het rookgordijn van de schijn’ nooit dicht genoeg. Zie wat Nietzsche schrijft over het dionysische en het apollinische. Zie Gerard Reve, die het in “Moeder en Zoon” heeft over de “… zelfmoorduren van de Zondagmiddag, van globaal half drie tot vijf uur…”. De eerste keer dat Deborah een paar dagen naar huis gaat, ervaart ze als een beklimming van de Mount Everest. Ze begint echter in te zien dat haar ouders haar wel de gelegenheid geven haar strijd te strijden, ook al is er geen enkele vooruitgang te bespeuren en kost hen dat het aanzien van anderen. Ze maakt wandelingen naar de stad in de buurt, waar ze zich aansluit bij twee kerkkoren, ondanks het feit dat de leden echt niet zitten te wachten op ‘een gek uit de inrichting’. Ze voelt zich een “… pasgeboren wereldburger…” die haar “… geboorterecht opeist…”. Ze meldt zich bij een opleidingsinstituut voor ‘uitvallers’, waar ze alsnog haar middelbareschooldiploma haalt. Het vergt wel een dagelijkse hypnotiserende busreis van twee uur heen en twee uur terug – ze volbrengt het allemaal. Een maatschappelijk werker helpt haar met het zoeken van een kamer. Ze identificeert haar ‘vallende god’ Anterrabae als de satan van Milton uit “Het verloren Paradijs”, een platenboek van haar grootvader dat ze op negenjarige leeftijd duizenden keren heeft bekeken: alles komt altijd ergens vandaan. Uiteindelijk neemt Deborah ’onvoorwaardelijk’ afscheid van haar waanwereld - het woord waarmee het boek eindigt.

 

Uitgave: Rainbow – 2015, vertaling Elisabeth Swildens, 334 blz., ISBN 9789041711540

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

dinsdag 28 april 2026

Vreemden voor onszelf – Rachel Aviv

 

Subtitel: Psychische stoornissen en de verhalen die ons vormen

 

“Vreemden voor onszelf”, het debuut van Rachel Aviv (1982, journalist en redacteur bij The New Yorker), bestaat uit zes indrukwekkende verhalen over personen met een mentale stoornis die sterk tot nadenken stemmen. Wat Aviv onder andere laat zien, is hoe mensen gevangen kunnen raken in psychiatrische labels, en zich er vervolgens naar gaan gedragen. Sommige hulpverleners beschouwen geestelijk lijden vooral als een chemische disbalans die met medicatie te verhelpen is. Anderen zweren bij praten, vanwege de individuele problematiek. Aviv introduceert een derde invalshoek: de sociale omstandigheden waartoe iedereen zich moet zien te verhouden. Daar komt nog bij dat wij met onze westerse blik gedrag dat in andere gemeenschappen heel normaal is, al snel als ‘gek’ bestempelen.

 

De jongste patiënt ooit

Het eerste verhaal gaat over de schrijfster zelf. Als kind wordt ze opgenomen in een kliniek: de jongste anorexiapatiënte ooit. Hééft ze wel anorexia? Ze kent het woord niet eens, en een uitdrukking als ‘de slanke lijn’ zegt haar niets. Zou een en ander te maken kunnen hebben met de vechtscheiding van haar ouders? Thuis doet ze vaak alsof ze haar vriendinnetje Elizabeth is. Het rijkeluismeisje woont in zo’n groot huis dat je erin verdwaalt. Ze wil Elizabeth zíjn. “… Ik was net zes geworden, en de grenzen tussen mensen voelden poreus aan…”, schrijft ze. Tijdens muziekles zit ze tussen twee jongens: een hele lange, bij wie voortdurend groenig snot uit zijn neus komt, en een mollig ventje, dat zo zwaar ademt dat ze zo nu en dan kijkt of hij niet in slaap is gevallen. Ze probeert steeds midden op haar stoel te zitten, omdat ze bang is dat ze besmettelijk zijn. Ze wil niet lang en ook niet dik worden.

 

Macht

Rachel merkt dat ze aandacht van de juf krijgt als ze niet eet. Het geeft haar een ongekend gevoel van macht: “… Ik voelde me zoals op de Grote Verzoendag, Jom Kippoer, die we de week ervoor hadden gevierd. Het was de eerste keer dat ik me realiseerde dat het mogelijk was om nee te zeggen tegen eten. Het besluit had de religieuze kracht van die feestdag en droeg een aura van martelaarschap…”. Terwijl ze over het grind in een tuin loopt, bedenkt ze dat elke stap door God is voorbestemd. Tegelijk fantaseert ze dat ze via het bidden onzichtbare communicatiekanalen met God heeft. Misschien zal ze haar eigen Mozes-moment, dat van de brandende struik, beleven. Alsof ze God ook wil manipuleren. Wat tilt je hoger boven het niveau van gewone mensen dan een direct lijntje met God?! Historicus Rudolph Bell beschrijft de ‘heilige anorexia’, waarbij jonge religieuze vrouwen in de Middeleeuwen zichzelf uithongerden om één te worden met Christus: “… anorexia kan aanvoelen als een spirituele oefening, een verwrongen manier om een verhevener identiteit te vinden…”. De Franse filosoof René Girard stelt dat anorexia is geworteld in “… het verlangen als een heilige te worden gezien, niet om een heilige te zijn…”. Hij schrijft: “… Er schuilt grote ironie in het feit dat het moderne proces om religie uit te roeien talloze karikaturen ervan voortbrengt…”.

 

Aanpassing

Haar psycholoog, wiens vragen ze zo kort mogelijk beantwoordt: “… Rachel gedroeg zich zo omdat ze zich heel bewust leek te zijn van het vermogen om het interview te domineren…”. Haar vader vertelt dat ze hem al op jonge leeftijd toebeet dat hij niet de baas over haar was. Haar moeder herinnert haar als een ‘uitbundig en mal’ ukkie. Haar stiefmoeder noemt haar juist het meest trieste kind dat ze ooit heeft gekend. Volgens haar zat Rachel vaak geluidloos aan de keukentafel te huilen. Past ze haar gedrag aan naargelang de omstandigheden?

 

Bankhanger

In het ziekenhuis komt Rachel in aanraking met twee anorexia-patiëntjes van twaalf, die ze geweldig vindt en prompt gaat imiteren.  “… Ik wist eerst niet dat lichaamsbeweging iets te maken had met lichaamsgewicht, maar nu ging ik jumping jacks doen met Carrie en Hava. Ik stond mezelf niet meer toe om gewoon te zitten omdat ik geen ‘bankhanger’ wilde zijn, een term die zij me leerden…”. Even verder: “… Op mijn kamer leerde ik mezelf lezen terwijl ik stond…”. Rachel: “… De oudere meisjes leken me te beschouwen als een soort mascotte, iemand met anorexia in opleiding. Mijn ideeën over eten en het lichaam waren nog magischer dan die van hen…”. Carrie en Hava leven in een wereld van cijfers: meters, centimeters, kilogrammen, onsen, calorieën, tijden; maar Rachel heeft nog niet genoeg rekenkennis om daar wijs uit te kunnen worden.

 

De betovering verbroken

Als Rachel haar ouders gaat missen en hoort dat ze hen mag zien als ze weer eet, slaat ze binnen de kortste keren iedere maaltijd weer probleemloos naar binnen. Zodra papa en mama op bezoek komen, is de betovering gebroken. Haar ouders zijn verbijsterd als ze merken hoe ze in de ban is geraakt van een paar doorgewinterde anorexiapatiënten. Op school wil ze in eerste instantie niet aan een tafeltje zitten. De juf laat haar een beetje haar gang gaan: ze mag blijven staan zolang ze wil. Ze wordt niet gepest. Na een maand draait ze bij en gedraagt ze zich zoals alle andere kinderen.

 

Mimesis

Aviv schrijft over haar onderzoek naar het zogeheten ‘terugtrekkingssyndroom’, dat gek genoeg alleen in Zweden lijkt voor te komen: honderden kinderen uit de voormalige Sovjet-Unie, Joegoslavië en inmiddels ook Oekraïne, las ik, kruipen in bed om er niet meer uit te komen. Alsof ze in coma glijden. “… Toen ik enkele gezinnen interviewde, ontdekte ik dat veel kinderen iemand hadden gekend die ook aan de aandoening leed…”. Het doet me denken aan het begrip ‘mimesis’ van René Girard, die stelt dat ons gedrag nooit authentiek is: we apen elkaar na. Aviv: “… Deskundigen zeggen tegen deze kinderen dat ze zich gedragen op een herkenbare manier waarvoor een etiket bestaat. De kinderen passen zich vervolgens aan, bewust en onbewust, aan hun classificatie…”. Rachel Aviv heeft het gevoel dat ze op het nippertje is ‘ontsnapt’ aan anorexia; vóórdat ze erin vast kwam te zitten. Ze zet vraagtekens bij het fenomeen van ‘ziekte-inzicht’: “… Eigenlijk beoordeel je met dit inzicht de mate waarin een patiënt het eens is met de interpretatie van de arts…”. Op een gegeven moment kun je niet meer anders, ook al zou je het willen. 

 

Verhalen die ons redden en verhalen die ons gevangen houden

De filosoof Ian Hacking gebruikt de gok van Pascal als uitleg: “… om de mogelijkheid van een eeuwige hel te vermijden moeten we ons gedragen alsof God echt bestaat, ook al hebben we geen bewijs voor zijn bestaan. Uiteindelijk, schrijft Hacking, kunnen we het gesimuleerde geloof tot iets eigens maken, en dan zal ons geloof oprecht worden…”. Orthodox gereformeerden hebben het dan over ‘de toe-eigening van het heil’. Volgens Hacking is er bij sommige aandoeningen een soortgelijk proces gaande: “… We vinden een manier om ons leed uit te drukken door imitatie, totdat we uiteindelijk ‘een nieuwe psychische toestand hebben ‘geleerd’ of – beter gezegd – ‘verworven’. Cultuur, geloof, ras en etniciteit kunnen psychische stoornissen soms vanuit heel andere invalshoeken belichten en wegen openen naar bijzondere interpretaties. Er zijn verhalen die ons redden en er zijn verhalen die ons gevangen houden. Psychiatrische modellen zijn niet allesbepalend. Aviv pleit voor het luisteren naar de verhalen waarin mensen zélf betekenis vinden. Psychische aandoeningen hebben een veelzijdig karakter. Verklaringen sluiten elkaar niet uit – soms kunnen ze allemaal tegelijk waar zijn.

 

I Never Promised You a Rose Garden

Het tweede verhaal gaat over Ray Osheroff, een nierspecialist die de spil wordt in de vraag wat beter werkt: het psychoanalytische of het neurobiologische model. Hij komt in het sjieke Chestnut Lodge terecht, waar iedere patiënt psychoanalytisch wordt behandeld (een soort spiritualiteit op zich), ongeacht hoe ver iemand van de werkelijkheid afstaat – zolang ze maar betalen. In 1982 klaagt Ray de instelling aan omdat ze hem niet beter konden maken. Het wordt een ware krachtmeting. In de jaren vijftig vinden er voor het eerst experimenten plaats met een middel tegen tuberculose waarvan gebruikers high worden. In een sanatorium op Long Island dansen de patiënten door de gangen. “… Een vrouw vertelde later aan haar psychiater dat ze maar één keer geluk had ervaren in haar leven, en dat was toen ze een religieuze bekering onderging tijdens haar herstel van tuberculose. Haar psychiater vertelde aan The New York Times: ‘Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om haar te laten weten dat haar extatische ervaring misschien niet van de Heer was, maar een biochemische ervaring was op de medicatie.’…”. Als Ray, die somber is vanwege de verkeerde keuzes die hij steeds weer in zijn leven maakt, leest over deze resultaten, probeert hij het ook een paar weken met pillen, maar zonder resultaat. Wanneer zijn omgeving zijn gedrag niet meer aankan, is een opname de enige optie. Hij kiest voor Chetsnut Lodge, omdat de bestseller “I Never Promised You a Rose Garden” (1964) van Hannah Green zich daar afspeelt. Hij takelt er alleen maar verder af.

 

Afrekenen met psychoanalyse

Zijn moeder zorgt ervoor dat Ray het in een andere kliniek gaat proberen, waar hij wederom antidepressiva krijgt. Er komt nieuw mens aan de oppervlakte. Binnen drie maanden wordt hij gezond verklaard, maar is hij wel zijn medische praktijk, zijn goede naam en de voogdij over zijn kinderen kwijt. Hij begint een boek te schrijven over zijn ziekte. Een vriend vertelt dat hij zich vaak vergeleek met Ahab uit “Moby Dick”: “… ‘De Lodge was zijn witte walvis,’ zei hij. ‘Hij zocht naar het ding dat hem te grazen had genomen.’…”. Bij geen enkele rechtszaak wegens psychiatrische nalatigheid zijn zoveel prominente getuige-deskundigen aan het woord als bij die van Ray. Volgens de Lodge schrijft Ray doorlopend zijn problemen aan anderen toe. Is hij een narcist? Op 23 december 1983 concludeert de arbitragecommissie dat Chestnut Lodge de zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. De Lodge biedt een schikking aan van 350.000 dollar, die Ray accepteert nadat een vriendin zegt dat het veel te simplistisch is om de ene school van psychiatrie tegen de andere op te zetten. De meeste vooraanstaande psychiaters van het land zien de zaak echter nog steeds als de definitieve afrekening met de psychoanalyse.

 

De waanzinindustrie

De Lodge wordt gedwongen medicijnen voor te schrijven, ook al blijkt uit een evaluatie dat ongeveer een derde van de behandelde patiënten verbetering of herstel heeft laten zien: evenveel als in elke willekeurige behandelomgeving. “… Wat de mensen die een productief leven konden gaan leiden onderscheidde van de mensen die ziek bleven, leek niets te maken te hebben met wat er in de Lodge gebeurde…”. De verzekeringsindustrie weigert echter de langdurige zorg in de Lodge te dekken. De geestelijke gezondheidszorg wordt niet langer gezien als een project van samenwerking tussen therapeut en patiënt, maar verwordt tot een bedrijfscultuur waarin sprake is van ‘aanbieders’ en ‘consumenten’. “… Waanzin is een geïndustrialiseerd product geworden dat efficiënt en rationeel binnen een bepaald tijdsbestek moet worden verwerkt…”.

 

Vadermoordenaars

De zonen van Ray vergeven hun vader niet: “… Ze geloofden dat hij zich had vastgeklampt aan de verkeerde verklaringen voor het uit de rails lopen van zijn leven…”. Volgens hen heeft hij zeker een sociale, vriendelijke, briljante kant, maar weigert hij stelselmatig zijn problemen onder ogen te zien. Zijn leven wordt getekend door wraak. Hij hopt van de ene baan naar de andere en kan alleen maar over zijn ‘rotboek’ praten. Als hij opa wordt, komt hij met zijn boek aanzetten als cadeau voor zijn kleindochter, waarin de dood van zijn eigen autoritaire vader uiteindelijk de oerscène is geworden. Na dertig jaar medicatie voelt hij zich nog steeds ontworteld en alleen. Zelfs aan het eind van zijn leven vertelt hij zijn zonen doorlopend het verhaal van Chestnut Lodge, alsof ze er nog nooit over hebben gehoord. Hij sterft op het kantoor van een louche verzekeringsbedrijf waarvoor hij tests afneemt bij patiënten die een auto-ongeluk hebben gehad. Volgens de meesten vanwege een hartaanval. Volgens zijn zoons vanwege een moord. Ze denken dat zijn collega’s hem uit de weg hebben geruimd omdat hij op het punt stond hen te verlinken. Een psychoanalyticus zou misschien zeggen dat ze zélf de moordenaars zijn, schrijft Aviv. “… In ‘Dostojevski en de vadermoord’ schrijft Freud dat wanneer een zoon ontdekt dat zijn vader is vermoord, ‘het er niet toe doet wie de daad werkelijk ten uitvoer heeft gebracht; voor de psychologie komt het er slechts op aan wie de daad gevoelsmatig heeft gewild en, toen ze eenmaal was geschied, heeft toegejuicht’…”.

 

Betekenisloos leven

Het derde verhaal is een casestudy over Bapu, een vrouw uit de hoogste sociale kaste van India. Ze heeft als kind polio gehad, waardoor ze mank loopt. Omdat ze daardoor een minder begeerlijke bruid is, koopt haar vader een statig koloniaal huis voor haar, in de hoop huwelijkskandidaten aan te trekken. Hij negeert de waarschuwing van een priester, die zegt dat het huis niet geschikt is voor een familie. Al gauw toont een zekere Rajamani belangstelling voor haar. Zodra ze getrouwd zijn, komt er allerlei familie van hem inwonen en wordt Bapu hun slaafje. Ze krijgt een dochter, Bhargavi, en een zoon, Karthik. Volgens Bapu geven haar echtgenoot en zijn familie alleen maar om geld. Rajamani bouwt een huisje op het terrein waar hij met zijn gezin gaat wonen en verhuurt de grote woning.  Bapu maakt er een gewoonte van met haar kinderen naar een ashram te gaan om lezingen over de Bhagavad Gita bij te wonen, gegeven door de sannyasin Nambudiri. Thuis begint ze veel tijd door te brengen in een kleine gebedsruimte, een soort inbouwkast. Ze walgt van geld. “… Ze wilde niet doorgaan met het leiden van ‘een betekenisloos leven’…”.    

 

Godsextase

Bapu raakt gecharmeerd van de zestiende-eeuwse dichter Mirabai, die schreef in de traditie van de bhakti-poëzie, en al duizend jaar populair is. Volgens de legende verliet Mirabai haar man omdat ze geloofde dat Krishna haar ware echtgenoot was, en begon ze door het land te zwerven. Ze gaf blijk van een soort roes die bekendstaat als ‘godsextase’. Bapu componeert liedjes voor haar kinderen over de betoverende koeherder Krishna. Ze schrijft moeiteloos in het middeleeuws Tamil. Het is een mysterie: “… Het stroomde gewoon uit haar zonder dat ze enige opleiding had gehad…”. Haar familie stuurt twee boeken met haar gedichten naar een specialist, die concludeert dat de verzen aan alle normen voldoen. Hij noemt het ‘goddelijk’ werk. Haar bundels worden in 1970 uitgegeven en verspreid in tempels in de buurt. Ze zou een heilige gave hebben. Veel vrouwen zien haar als een gids, een religieuze leraar.

 

Mystica of schizofreen?

Bapu wil vanaf dat moment het pad van de gewijde dichter Mirabai volgen, maar een priester raadt haar aan haar familie niet in de steek te laten. In een rusteloze toestand gaat ze er meermalen vandoor om heilige plaatsen te bezoeken. Haar man, die vindt dat ze geestelijk gestoord is, laat haar opsporen door de politie. “… Ze leek zich op een ander niveau te bevinden, een ander niveau van bestaan…”. Rajamani gaat met haar naar een kliniek waar westerse onderzoeksmethoden worden gehanteerd. De diagnose luidt: schizofrenie. De vroegste fase wordt gekenmerkt door ‘apofanie’ – een openbaring dat een nieuw domein van bestaan is onthuld. “… Patiënten hebben het gevoel dat de wereld pulseert van kosmische betekenis; ze zijn dicht bij de oplossing van het leven…”. In deze toestand kun je de ervaring hebben van een “… kristalhelder zicht, van een diep doordringen in de essentie van de dingen…”. Bapu heeft het idee dat Krishna bijna lijfelijk aanwezig is; ze kan de sandelhoutpasta op zijn huid ruiken. Bhargavi ziet haar moeder als een mystica.

 

Primitief

Indiase mensen die worden blootgesteld aan de westerse beschaving blijken een grotere kans te lopen op psychische aandoeningen. Zowel autochtone als allochtone artsen waarschuwen rond 1900 dat een te gretige acceptatie van die beschaving de geest van jonge mensen kan schaden. Een Bengaals tijdschrift beweert dat de Europese invloed in India de belangrijkste oorzaak is van krankzinnigheid. Schizofrenie zou in ‘primitieve’ samenlevingen zelfs nauwelijks voorkomen. Freuds psychoanalyse blijkt grotendeels onverenigbaar met een cultuur waarin mystiek vaak essentieel is voor het zelfbegrip. Bapu zit niet verlegen om inzicht in haar psyche; ze wil haar persoonlijke grenzen juist overstijgen en het ‘oceanische gevoel’ ervaren. Freud beschrijft mystiek bagatelliserend als een ‘infantiele regressie’ – een visie waar men in India weinig mee kan. Een Europeaan is niet goed in staat te begrijpen hoe mystiek doordringt tot in de diepste lagen van het alledaagse bestaan. De directeur van het All India Institute of Mental Health in Bangolore waarschuwt zijn collega’s dan ook voor het overnemen van westerse theorieën alsof het universele waarheden zijn. Hij verwerpt de westerse kijk op geestelijke gezondheid, die volgens hem in India slechts ‘ondoelmatige karikaturen’ oplevert. In India draait genezing eerder om het verheffen van de identiteit tot een hoger ideaal – onthecht, spontaan, vrij van het ego – dan om het terugbrengen van de persoon tot een zogenaamd ‘normale’ basisvorm. Ondertussen neemt het Westen wel het plantje ‘Rauwolfia serpentina’ over uit India, dat inheemse genezers al honderden jaren gebruiken, onder meer tegen slangenbeten: het heeft namelijk een kalmerend effect.

 

Devotie

Als Bapu uit het ziekenhuis wordt ontslagen, weigert ze direct de voorgeschreven chloorpromazine in te nemen. Voor Bapu is het woord ‘devotie’ de dekking van haar verhaal, in plaats van het woord ‘schizofrenie’. “… Devotie voert je naar de diepste put, naar het feit dat ik hier vandaag zit, maar morgen misschien niet meer wakker word. Dat is angstaanjagend, en komt dicht in de buurt van waanzin. Maar devotie kan je ook helpen een diepe verbondenheid te voelen met dit feit: ik heb niet om dit leven gevraagd; wat ik heb is een bonus…”. Zie de kabbalisten in “Satan in Goray”, die zo zwaar zondigen dat er van daaruit alleen nog maar een weg naar omhoog mogelijk is. Of de orthodox-gereformeerden, die het licht pas zien na het doorleven van de ‘donkere nacht van de ziel’. Bapu’s schoonfamilie is het erover eens dat ze knettergek is. Ze woont nog een poosje geïsoleerd op de bovenverdieping van het grote huurhuis. Af en toe verdwijnt ze.

 

Inzicht

Bhargavi en Karthik hebben het gevoel dat het grote huis wemelt van de verschijningen. Er wordt een groot katachtig wezen gezien. Er schieten lichtvonken door de ruimtes. Vrouwen in rode sari’s bewegen schielijk door de achterste kamers. Priesters menen dat het huis wordt geteisterd door de geest van een brahmaanse geleerde die waarschijnlijk stierf door zelfdoding en de geest van Bapu overneemt: zie haar onmogelijke dichtkunst. Bapu vindt het allemaal onzin: alles komt diep uit haarzelf. Ze ziet haar waanzin als bewijs van inzicht. Haar innerlijke wereld voelt wezenlijker dan de werkelijkheid van haar omgeving. Schreef de negentiende-eeuwse mysticus Ramakrishna niet dat een volmaakte kenner van God en een volmaakte idioot dezelfde uiterlijke kenmerken hebben? Bapu bestudeert de mystici. Hun verhalen gaan over het zoeken naar God, maar ze vinden nooit. Dat beseft ze heel goed. Haar benen doen pijn omdat ze steeds achter Krishna aanrent, zegt ze. Als ze weer wordt opgenomen, krijgt ze elektroshocks toegediend. Na haar ontslag uit het ziekenhuis verdwijnt ze wederom. Na vijf jaar wordt ze pas weer in haveloze staat teruggevonden.

 

Goeroe

Haar man vindt haar onuitstaanbaar. Soms denkt hij dat haar waanzin alleen maar een façade is, zodat ze kan doen wat ze wil en haar eigen leven kan leiden. Bhargavi wordt een rabiate atheïst: “… Het regende goden in mijn huis – ze zaten in alle hoeken en gaten – en ik haatte ze…”.  De zware ijzeren lampen aan weerszijden van het gebouw raken tot drie keer toe volledig verwrongen. De Duitse herder wordt dood aangetroffen in een plas bloed. Ze gaat Europese filosofie studeren: Habermas, Sartre, Camus. Kathik werkt als industrieel fotograaf en trouwt met een vrouw die een zwak heeft voor Bapu. Van haar accepteert Bapu wel medicatie. Ze voelt zich gesteund door de aanwezigheid van haar schoondochter, die haar verzorging op zich neemt. Bapu begint zich aan een mindere god dan Krishna te wijden wanneer ze merkt dat hij haar van haar familie verwijdert. Onder buren verspreidt zich het gerucht dat ze genezende krachten bezit. Ze neemt de rol van heilige aan in de gemeenschap. Na haar rustige overlijden volgt een stoet mensen die haar als goeroe beschouwen de draagbaar naar de crematieplaats.

 

Zielendokters

Na de dood van haar moeder wordt Bhargavi een overtuigde vrouwenrechtenactivist. Volgens haar begrijpt de feministische beweging in India het leed van vrouwen beter dan veel psychiaters. Terwijl psychiatrische patiënten in ziekenhuizen in isolatie worden geplaatst en verwaarloosd, toont onderzoek aan dat mensen met een psychotische stoornis aanzienlijk kunnen verbeteren na een verblijf in een hindoeïstische genezingstempel. Bewoners brengen er hun dagen door met bidden en het verrichten van lichte huishoudelijke klusjes onder het wakend oog van ‘zielendokters’. Genezingsrituelen creëren een gevoel van catharsis, doelgerichtheid en spirituele verbondenheid, schrijft Bhargavi. Ze is zich maar al te bewust van de risico’s van het opleggen van westerse manieren om ziekte te beschrijven en te verklaren aan mensen met een andere achtergrond en geschiedenis. Ze zet een non-profitorganisatie op voor geestelijke gezondheid: Bapu Trust. Het uitgangspunt is holistische zorg. Bhargavi blijft het erg pijnlijk vinden dat er zoveel verwijzingen naar honger in het dagboek van haar moeder staan. “… ‘Voor mij is dat diep persoonlijk lijden,’ zei ze. Maar ze voegde eraan toe: ‘In haar momenten van extase of wat dan ook was ze bij God. En dat verhaal is ook waar.’…”.

 

Familiedrama’s

Voor het vierde verhaal neemt Aviv contact op met Naomi Gaines, een zwarte vrouw en alleenstaande moeder van vier kinderen, die in psychotische toestand haar tweeling van een brug in een rivier gooide en er zelf achteraan sprong. Een van de veertien maanden oude jongetjes overleed; de ander en zijzelf werden gered door een omstander. Aviv werd geraakt door het griezelige feit dat een vrouw in hetzelfde sociale wooncomplex als waar Naomi woonde, op dezelfde leeftijd (24 jaar), een vergelijkbare onvoorstelbare daad pleegde: ze bracht haar zes kinderen om.

 

Paranoïde

Op de bewuste dag, een feestdag, is Naomi volkomen paranoïde. Ze ziet alleen maar onvriendelijke witte mensen en vreest dat de uitroeiing van ‘onwenselijken’, zoals zij, al is begonnen. Ze durft niet terug te gaan naar haar auto, omdat ze denkt dat ze in het geniep, zonder ooggetuigen, gedood zal worden. Ze heeft het gevoel dat de wereld vergaat, dat iedereen van wie ze houdt al vermoord is en dat ze is ‘doorgebroken naar een andere dimensie’.  

 

Rouw

Naomi groeide zelf ook zonder vader op, in een van de grootste sociale woningbouwcomplexen ter wereld, in Chicago: ‘een reservaat voor onaanraakbaren’. Ze leefde er, naar eigen zeggen, als een ‘rat’ tussen het beton, zonder ooit een spoortje groen te zien. Een hellegat waar levensgevaarlijke bendes de dienst uitmaakten. Een ‘godvergeten bijstandsgevangenis’, waar negenennegentig procent van de bewoners zwart en werkloos was. Ze kwam alleen buiten om naar school te gaan: ze woonde op de veertiende verdieping en de lift was meestal kapot. De verlichting deed het ook zelden. Een andere bewoner zegt: “… Lang geleden heb ik besloten dat je geschift, met chemicaliën volgepompt, christelijk of een of andere excentriekeling moest zijn om hier te overleven…”. Naomi werd gepest omdat ze de donkerste huid had van alle zwarte kinderen in haar klas. Haar moeder papte aan met de verkeerde mannen en raakte aan de drank en cocaïne. Een zusje en broertje werden door de kinderbescherming weggehaald. Uiteindelijk besloot haar moeder naar Minnesota te verhuizen, waar dakloze vrouwen en kinderen beter werden opgevangen. Ze werkte hard en wist een eigen flatje te bemachtigen. Na een mislukte relatie volgt Naomi haar moeder. Ze heeft een baan als onderwijsassistent, volgt colleges om hogerop te komen, schrijft hiphopnummers voor een muziekgroep en voedt ook nog een zoontje op. Ze duikt in de literatuur van zwarte vrouwen en de geschiedenis van discriminatie, waardoor een intens rouwproces op gang komt. Zie de schrijver James Baldwin over ‘raciale melancholie’: “… Het lijkt of zich in het hele lichaam een grote, grote, grote wond bevindt, terwijl niemand die durft te opereren: hem te sluiten, te onderzoeken, te hechten…”.

 

Aanpassingsstoornis

Drie jaar na haar verhuizing snijdt Naomi haar polsen door, wat in het ziekenhuis wordt gelabeld als een ‘aanpassingsstoornis’. De geestelijke gezondheidszorg is niet afgestemd op het type aandoeningen dat voortkomt uit marginalisatie of onderdrukking die al generaties duurt. Een van de hardnekkige mythen in de VS is dat zwarte mensen niet krankzinnig kunnen worden. “… Waar geen beschaving is, bestaat geen nervositeit…”, volgens de neuroloog George Miller Beard in 1881. Anderen beweerden dat zwarten maanziek werden onder de druk van vrijheid; als slaaf zouden ze veel gelukkiger zijn geweest. Zwarte patiënten hadden doorgaans geen toegang tot de geestelijke gezondheidszorg, omdat de moderne psychiatrie mede tot ontwikkeling is gekomen dankzij de weelderige honoraria die de rijken konden betalen.

 

Lege bedden

Na haar ziekenhuisopname krijgt Naomi een relatie met een muzikant, Khalid, die lid is van de revisionistische beweging Five Percent Nation, een afsplitsing van de Nation of Islam, en opgericht door een leerling van Malcolm X. Als hij vertrekt, is ze zwanger van de tweeling. Na hun geboorte belandt ze in het ziekenhuis vanwege een postnatale psychose en wordt weer naar huis gestuurd met medicatie die ze niet inneemt. Ze gelooft niet in de ‘probleemetiketten’ waarmee ze wordt bestempeld: ‘niemand graaft dieper en zoekt uit wat voor individu iemand is’. Na twee weken waarin ze constant huilt en doodsbang is dat ze gearresteerd zal worden, brengt haar moeder haar weer naar het ziekenhuis. Daar rent ze naakt rond op de afdeling psychiatrie, alsof ze wil laten zien dat ze ‘niets heeft’. Weer wordt ze met pillen naar huis gestuurd. Het zorgmanagement eist lege bedden. Wanneer een agent haar midden in de nacht met haar vier kinderen op straat aantreft, draait ze voor de zoveelste keer het ziekenhuis in. Ze accepteerden niet dat ze geestesziek was, aldus Naomi. Bij welvarende witte patiënten kun je het morele schuldgevoel wegnemen door een biologische verklaring aan te dragen. De gedachte dat een ziekte niemands schuld is, werkt bevrijdend. Maar bij zwarte en arme patiënten wordt diezelfde biologische verklaring gebruikt om de schuld weg te halen bij de maatschappelijke krachten die hen in het nauw hebben gedreven.

 

Toerekeningsvatbaar

Naomi wordt aangeklaagd voor doodslag. De kennis van de hersenen heeft zich ontwikkeld, maar de definitie van toerekeningsvatbaarheid niet. Daarom worden veel mensen met een psychische stoornis berecht als criminelen. Naomi’s psychose heeft raakvlakken met de realiteit, maar haar artsen lijken niet te geloven dat waanbeelden op een bepaalde manier logisch kunnen zijn. Haar misdaad zou berusten op haar religieuze en filosofische denkbeelden. Er moet veel meer worden nagedacht over hoe huidskleur en economische status iemands ervaringen bepalen, aldus Aviv. Net als hier helpen de geestelijke gezondheidscentra in de VS, die slecht worden gefinancierd, voornamelijk de ‘makkelijkste’ patiënten: mensen met weinig sociale en financiële problemen en voorspelbare levensomstandigheden. Mensen met schizofrenie vallen al gauw buiten de boot en belanden achter de tralies.

 

De Radio

Naomi vertelt hoe ze in de isolatiecel haar ogen maar hoefde te sluiten om zich haar lievelingsmuziek voor te stellen, of ze hoorde de nummers zo duidelijk alsof er een radio aanstond (zie ook de memoires van schrijfster Jevgenia Ginzburg over eenzame opsluiting, waar Michel Krielaars het over heeft in “Rivier van bloed”). Als Naomi zich bewust wordt van de geweldige akoestiek, begint ze hardop te zingen. De vrouwen in de naburige cellen geven haar de bijnaam ‘de Radio’ en komen met verzoeknummers: “… De muziek gaf me het gevoel dat ik nog een leven had…”. In de gevangenis ziet Naomi de film “Beloved”, die is gebaseerd op de gelijknamige roman van Toni Morrison. Net als Naomi doodt de hoofdpersoon haar dochtertje om haar te beschermen tegen de wrede wereld. De dochter keert als geest terug in het huis van haar moeder. Naomi zit dag en nacht in de gevangenisbibliotheek om twee of drie boeken per week te lezen. Ze leert hoe ze gevormd is door de geschiedenis van slavernij. De pijn verdampt niet gewoon; die geef je door. Ze begint zichzelf te zien als pion in een groter spel. Ze wordt al gauw aangesteld als bibliotheeksecretaris.

 

Wedergeboorte

Na tien jaar krijgt Naomi in haar cel bezoek van haar ‘redder’, een man die zijn actie in de rivier ervaren heeft als een ‘hernieuwde doop’, alias ‘wedergeboorte’. Hij was in die tijd ook erg depressief; zijn daad betekende zijn herstel. Tegen de tijd dat haar straf erop zit, krijgt Naomi te horen dat ze te ziek is om de vrijheid aan te kunnen. Dertien jaar daarvoor voldeed ze juist niet aan de eisen van ontoerekeningsvatbaarheid. Binnen een jaar doorloopt ze een programma in het Minnesota Security Hospital, waar ze meedoet in de ziekenhuisband en verschillende integratiecursussen volgt, waarna ze vrij is.

 

Zelfvervreemding

“… Terwijl zwarte vrouwen bij depressiviteit doorgaans te weinig geneesmiddelen krijgen voorgeschreven, krijgen witte vrouwen, vooral ambitieuze, er vaak veel te veel, zodat ze ‘het allemaal kunnen hebben’: een gezin én een succesvolle carrière…”. Het vijfde verhaal gaat over Laura Delano, die het niet voor elkaar krijgt het brave meisje te spelen in een geprivilegieerd gezin, waardoor haar overprikkelde reacties ertoe leiden dat haar een bipolaire stoornis wordt aangemeten: “… Tussen 1995 en 2003 steeg het aantal kinderen en pubers bij wie deze diagnose werd gesteld met bijna vierduizend procent…”. Laura past zich zo naadloos aan haar omgeving aan, dat ze zelf niet meer weet wie ze is. Ze heeft het gevoel dat ze geen ‘kern’ heeft. De druk van hoge verwachtingen rond sociaal conformisme is in onze tijd extreem. Daar komt het keurslijf van sociale media nog eens bovenop (zie “Generatie angsstoornis” van Jonathan Haidt). In de loop van de jaren creëren artsen een soort ‘receptenwaterval’ voor Laura: het ene middel dempt de bijwerkingen van het andere. Na een zelfmoordpoging verandert haar diagnose in borderline: ‘de nieuwe vrouwenziekte van de laatmoderne samenleving’. Wanneer Laura zich verdiept in de geschiedenis van de psychiatrie, komt ze erachter dat er nooit specifieke biologische of genetische markers zijn gevonden voor welke diagnose dan ook. Het idee dat depressiviteit wordt veroorzaakt door een chemische disbalans is niet meer dan een theorie. Waarom antidepressiva werken is onduidelijk. Ze gaat zich bezighouden met een afkickforum op internet. De website doet een beetje denken aan de antispsychiatrie van vroeger, waarin het ging over de vraag: ‘Ben ik nou gek, of is de samenleving dat?’. Maar het is onmogelijk je ‘ik’ los te zien van de samenleving waardoor het gevormd is. Zie René Girard. Aviv ontdekte de blog van Laura toen ze zelf van haar Lexapro af wilde. Ze omschrijft het middel als ‘maak de ambitieuze vrouwen nog ambitieuzer’-pillen. Ze maken alle problematische ‘beste, brave meisjes’ tot de meest sociaal functionerende figuren die je je maar kunt voorstellen. “… Wat kan een psychiater zeggen, zo vraagt Elliot, tegen ‘een vervreemde Sisyphus terwijl hij de rots de berg op duwt? Dat hij de rots enthousiaster, creatiever of met diepgaander inzicht omhoog zou duwen als hij Prozac ging slikken?...”.

 

We hebben een verhaal nodig

In het laatste hoofdstuk gaat Aviv op zoek naar Hava, het meisje waar ze zo tegen op had gekeken tijdens haar ziekenhuisperiode als kind. Hava blijkt net overleden. Rachel leest haar dagboeken: “… Ze had nog steeds contact met vriendinnen van eerdere ziekenhuisopnamen, en schrok van de ontdekking dat ‘iedereen met wie het goed ging haar nieuw gevonden leven aan God toeschreef’. Ze konden verder met hun leven, zo leek het, omdat ze hun leven hadden heringericht rondom een nieuw verhaal…”. Zie “De crisis van het narratieve” van de filosoof Buying-Chul Han.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2023, vertaling Jan Willem Reitsma & Albert Witteveen,288 blz., ISBN  978 904 504 894 9, € 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier