Binnenkort gaan wij met onze leeskring “Moedermelk”, de (in mijn ogen) onwaarschijnlijk mooie roman waarmee de Letse schrijfster Nora Ikstena (1969–2026) internationaal doorbrak, bespreken. Het boek gaat over een vrouw die, ondanks de voortdurende dreiging van arrestatie en vervolging, probeert haar roeping als arts te vervullen in het door de Sovjet-Unie bezette Letland. En over haar dochter, voor wie ze geen moedergevoelens koestert, maar die onvoorwaardelijk van haar houdt, zoals kinderen plegen te doen. Het is oma die de scherven zo veel mogelijk probeert te lijmen. Een portret van drie generaties vrouwen onder de Russische laars.
Erwtje
Evenals in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) worden de korte, slechts met een * aangeduide hoofdstukken afwisselend verteld vanuit een verschillend perspectief, dit keer van een moeder en een dochter. Ze hebben in het verhaal geen naam: omdat het individu er onder de communistische knoet niet toe doet? Wel noemen oma en stiefvader – oma is voor de tweede keer getrouwd, nadat haar eerste man is opgepakt door de Sovjets, maar dat is een verhaal apart – hun kleindochter oneindig liefdevol ‘erwtje’. Een tweede overeenkomst met “Kafka op het strand” is dat ook in dit verhaal een personage voorkomt dat niet weet of zij een man of een vrouw is (ook dat is een verhaal apart).
Geboorteomstandigheden
Als Erwtje wordt geboren (oktober 1969), verdwijnt haar moeder vijf dagen lang, omdat ze haar kind geen moedermelk wil geven. Haar wanhopige oma voedt haar twee dagen met kamillethee, waarna ze aan poedermelk weet te komen. Toen haar moeder werd geboren (oktober 1944) knikkerde het RodeLeger de nazi’s uit Letland en nam hun plaats in. Opa probeerde zijn sparren te redden die Russische soldaten kwamen omzagen, waarbij hij bloedend in een vrachtwagen werd afgevoerd en oma met haar baby in een koffer met gaatjes, trillend in een kast de toestand overleefde. Hun huis op het platteland werd totaal verwoest, waarna er voor oma niets anders overbleef dan terug te keren naar hun door bommen gehavende appartement in Riga.
Eigen wereld
Erwtje en haar moeder wonen bij oma en stiefvader. “… De geur van moedermelk moest in mijn kindertijd wijken voor de geur van medicijnen en ontsmettingsmiddelen, die altijd als een wolk om mijn moeder heen hing…”, vertelt Erwtje. Mama’s handtas zit vol pillen, ampullen en enge metalen instrumenten, want ze is gynaecoloog. Haar moeder sluit zich volkomen af voor de buitenwereld. ’s Avonds zit ze rokend en koffiedrinkend aan haar bureau, omgeven door een berg medische papieren, boeken en encyclopedieën. Erwtje herinnert zich mama’s bovenbeen, vol rode plekken door het oefenen met injectiespuiten. Haar blauwe lippen na een overdosis experimentele medicijnen. De kraamkliniek waar ze eindeloos wacht tot de dienst van haar moeder erop zit. Erwtje is bang voor haar moeder (gesymboliseerd door haar melkallergie): “… Soms leek er een bijna satanische kracht in haar te huizen die gericht was tegen alles en iedereen, vooral tegen degenen die haar het naast stonden. Dan haatte ze haar moeder, en nog meer haatte ze haar vader en het simpele feit dat ze geboren was. Ze sloot zich dan huilend op in de wc, en haar gehuil galmde door de lange gang…”. Tot de buren op de muur kloppen. Gespannen wachten oma, stiefvader en Erwtje af hoe haar moeder eraan toe zal zijn als ze ’s avonds thuiskomt. De gevechten met haar engelen en demonen verwikkelen hen in een haast mythische strijd. Ze zijn van haar afhankelijk: zij brengt het geld binnen. Heel af en toe is er een lichtpuntje. Dan trekt haar moeder Erwtje op schoot en tekent voor haar baby’s in de buik van hun mama’s en hoe ze geboren worden. Niemand kan Erwtje iets over haar vader vertellen. Volgens oma moet haar moeder hem op een dorpsfeest hebben ontmoet, waar ze haar heen stuurden omdat ze altijd maar thuis zat om op haar kamer verboden boeken te lezen: Boris Pasternak, Jean-Paul Sartre. Kort daarna was ze zwanger.
Zelfdestructie
Oma trouwt met stiefvader wanneer ze hoort dat opa in Siberië aan zijn einde is gekomen. Maar opa komt terug en staat op een gegeven moment voor de neus van zijn dochter. Een dronkaard die onder onmenselijke omstandigheden in een vochtige, met kranten bezaaide kamer leeft. Oma neemt hem niet terug. Ze beschermt haar nieuwe leven, waarmee ze ook haar dochter probeert veilig te houden. Dochterlief bezoekt hem stiekem. Door zijn fysieke lijden besluit ze dokter te worden. Zijn genetische aanleg voor zelfdestructie zit ook in haar, weet ze. Hij sterft omdat hij zich niet weet aan te passen aan het totalitaire regime: “… Weggegooid op de vuilnisbelt van dit tijdperk…”. Dochterlief haat haar moeder en stiefvader, die een dubbelrol spelen: thuis hebben ze het over de ‘Russische honden’, maar in de maatschappij doen ze gehoorzaam mee met alle communistische onzin. Toch is ze genoodzaakt op school ook braaf haar hypocriete rol te spelen om te overleven. Ze krijgt de mogelijkheid om zich in Leningrad te specialiseren en liegt net zo goed alles aan elkaar wanneer ze daarvoor een korte politieke ondervraging moet ondergaan. Misschien zou je kunnen zeggen dat de materialistische linkse staat een ‘linkerhersenhelft-maatschappij’ is (zie McGilchrist), vol eenzijdige ‘linkerhersenhelft-mensen’: “… We vormden een bijzonder gezelschap – deze arts-onderzoeksters, een stelletje slonzige blauwkousen die alleen geïnteresseerd waren in glaasjes met preparaten, het mysterie van de cellen onder de microscoop, ingewikkelde theorieën, koffie, sigaretten, cafeïne-injecties en drank, die het huwelijk en de opvoeding de rug toekeerden en zich aan de wetenschap gaven…”. Toch drinken de uitgeputte aankomende artsen na het werk met kweekmonsters verdunde ethanol terwijl ze over de poëzie van de kritische dichter Brodsky praten.
Opium voor het volk
Hoewel religie volgens Karl Marx ‘opium van het volk’ is, komt God overal om de hoek kijken. Meermalen willen mensen weten of de dokter in God gelooft. ‘Ik ben Hem nog niet tegengekomen’, antwoordt ze steevast. Naar aanleiding van het mysterie van de bevruchting: “…is de wetenschap niet gewoon het zielige najagen van Gods wil?...”. Ze geeft, voor haar gevoel, God het nakijken als ze samen met haar collega’s een vriendin van haar hospita, Serafima, via kunstmatige inseminatie zwanger weet te maken. Manlief slaat haar als hij dronken is. Zijn sperma is niets waard, maar opgevangen in een condoom weten de artsen er een wonder mee te verrichten.
Lietuvēns
Zoals de maatschappij uit balans is, zo is Erwtjes moeder uit balans. Ze schminkt haar dochter voor een schoolbal niet voor niets als ‘tweestrijder’: “… Toen ze me de spiegel gaf, keek een kindergezicht, verdeeld in goed en kwaad, me aan. De ene kant was angstaanjagend, met een zwarte streep van neus tot kin en een nog zwartere, dikke wenkbrauw; de andere kant was licht, alsof er een laagje goudpoeder op lag, helder, met de mondhoek vrolijk omhoog…”. Serafima adoreert de moeder van Erwtje: “… Vaak, als niemand keek, probeerde ze me stiekem te strelen of sloeg ze een kruis over me…”. Het benauwt haar zo dat ze vertelt wat voor slechte moeder ze zélf is. Dat ze haar dochter geen melk wilde geven omdat ze haar niet ook met haar ‘lietuvēns’, demonen, wilde voeden (waarin ze, ondanks haar rationele inslag, toch geloofde). Serafima bezweert haar dat alleen een heilige haar zwanger kan maken, en even raakt het ‘zachte licht’ van een gelukkige moeder, dat ‘zin geeft aan het zinloze bestaan’, haar aan en ‘veranderen de lietuvēns in een rozenstruik’. Als ze die late avond uit het instituut komt, blijkt Serafima door haar man in elkaar te zijn geslagen. Ze pakt een vleeshamer, drinkt een wodka met hem in zijn appartement, stelt voor buiten een sigaretje te roken en slaat hem voor zijn harses.
Luilekkerland
Kerst vieren is verboden. Erwtjes moeder herinnert zich evenwel een oud kerstlied dat haar ouders met fluisterende stemmen zongen, bij een in een dennentak brandende kaars, achter met dikke dekens afgeschermde ramen. “… Er is een roos ontsprongen, // Uit ene wortelstam; // Die, lijk ons d’ouden zongen, // Uit Jesse ’t leven nam…” (Jesse is de vader van koning David, de stamvader van Jezus’ familie). Voor haar is Jesse Jezus zelf: “… Geboren in een kribbe, gekruisigd, gestorven en verrezen op de derde dag. Het was een wonderbaarlijk verhaal…”. Ze heeft het allemaal uit een oud boek dat ze ooit van een vuilnisbelt pikte. “… Maar de geneeskunde overschaduwde Jesse. Alles leek verklaard en begrepen te kunnen worden, er was geen geloof en er waren geen wonderen. En Jesse was überhaupt verboden, in plaats daarvan moesten de mensen geloven in een echt luilekkerland – dat van het communisme, waar alles van iedereen zou zijn, waar euforisch geluk en vreugde zouden heersen…”.
Wat is nou die vrijheid…
Met haar geweldsdaad verwoest de moeder van Erwtje haar carrière. Ze wordt uit haar paradijs verdreven, dat wil zeggen: verbannen. In een café met would-be-dissidenten praat ze met een jongen die ze in gedachten Jesse noemt over ‘vrijheid’, waarvoor mensen in het Westen zijn gestorven: Jan Palach, Janis Joplin, Jimi Hendrix, Jim Morrison. “… Jesse was aangeschoten en bleef maar fluisteren over een abstracte vrijheid waarnaar we zouden moeten streven, die ons was ontnomen en die ergens daarbuiten was, waar iemand voor ons stierf en leefde…”. Jezus-figuren.
Muizige, afgestompte vrouwen
Uiteindelijk gaat ze in ballingschap, ergens in de rimboe, en neemt ze Erwtje mee, die maar moet zien hoe ze het redt. Haar moeder is lange dagen weg, dus leert ze zichzelf de kachel aan te steken, eten te koken en de was te doen. De plattelandskliniek is een hel. Aan de ene kant van de gang zitten de vrouwen die een kind willen, aan de andere kant de vrouwen die van een kind áf willen. “… Het was vaak niet de keuze van mijn patiënten om al dan niet een baby op de wereld te zetten. Minnaars die weigerden het kind te erkennen, echtgenoten die niet nog meer zorgen wilden. De muizige, door het leven afgestompte vrouwen legden zich er schouderophalend bij neer en waren bereid de onmenselijke pijn van een abortus zonder verdoving te doorstaan …”. Even verder: “… ik probeerde hun niet te vertellen wat ik met mijn eigen ogen had gezien: hoe de kleine foetus terugdeinst voor het instrument dat hem uit de baarmoeder van zijn moeder schraapt. En dat het twee vrouwen zijn die dat doen – allebei heel bewust van wat ze deden. En dat de man het vaak niet eens weet of wil weten, omdat het een vrouwending en een vrouwenwereld is …”. Vrouwen die volgens de moeder van Erwtje gevangen zitten in het ‘hamsterrad’ van hun miserabele levens.
Noem me Ismaël
Erwtje probeert haar alcoholische moeder tussen haar zelfmoordpogingen door — ze kan moeiteloos aan verdovende middelen komen — op de been te houden met sterke koffie, sigaretten en warme soep. Op de dagen dat mama tot leven komt, leest ze Erwtje voor uit “Moby Dick”, waar ze aan verslaafd is. ‘Noem me Ismaël’ (de beginzin van “Moby Dick”) wordt een soort lijfspreuk. Erwtje vindt een notitieblaadje in het opengeslagen boek waarop een Bijbeltekst is geschreven waarin de naam Ismaël voorkomt: “… En de engel van de Heer zei tegen haar: Je bent zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven…”. Vereenzelvigt haar moeder zich met Ismaël? Erwtje heeft gehoord dat haar moeder oma ooit heeft bekogeld met het zilveren bestek uit een la. Mama geeft oma de schuld van haar rotleven, omdat ze weigerde te vluchten voor het Rode Leger toen dat nog kon. In het weekend reist Erwtje met de trein naar oma en stiefvader in Riga. Haar moeder gaat nooit mee, omdat ze ‘hun toch al spaarzame momenten samen niet wil verpesten’. Ze beseft dus heel goed hoe onmogelijk ze is. Ze laat haar dochter ook met oma en stiefvader op vakantie gaan naar de Zwarte Zee. “… We stonden als betoverd op het strand. Laten we rennen, erwtje, kom, rennen, riep grootmoeder plotseling, terwijl ze haar jurk en sandalen liet vallen. Ik deed snel mijn jurk uit en we renden. Het zoute, schuimende water spoelde zacht om ons heen. Zo warm als melk, zei grootmoeder. Ik zwom naar haar toe en omhelsde haar stevig…”. Je zal maar zo’n oma hebben. “… Op het strand stond stiefvader vrolijk te zwaaien…”.
De kooi
Ikstena gebruikt de prachtige metafoor van een hamster die in een kooi op de kamer van Erwtje bij oma en stiefvader verschijnt. Zo voelt het voor de Letten. Stiefvader: “… we leven allemaal in een kooi…”. Erwtje noemt hem Bambi. Hij haat het om opgesloten te zitten en loopt rondjes alsof hij door de duivel bezeten is. Erwtje laat hem buiten zijn kooi rondlopen – iets wat het beestje op den duur precies weet. Bambi krijgt al gauw gezelschap van een vriendinnetje, met wie hij een gezinnetje sticht. Echter, als hij zijn nakomelingen ziet, grijpt hij het eerste het beste jong bij de kladden en begint het op te vreten. Alle kleintjes gaan eraan, inclusief het vriendinnetje, waarna Bambi weer net zo hard door zijn kooi racet als daarvoor. “… Ik haatte Bambi. Ik wilde dat hij dood was. Wat kwam hij tekort in de kooi? Eten, een warm nest, een vrouw en kinderen. Had hij dat allemaal kapotgemaakt om een rondje door de kamer te kunnen rennen?...”. Uiteindelijk gaat Bambi zelf ook dood. “… Een dappere hamster, zei mijn moeder…”. Even verder: “… Maar waarom heeft hij zijn kind opgegeten, vroeg ik mijn moeder. Waarschijnlijk om hem van de kooi te redden, zei ze en omhelsde me stevig…”. Ongevoelig voor de angst van haar dochter speelt haar moeder een spelletje op leven en dood door paddenstoelen te eten waarvan ze niet weet of ze giftig zijn. De volgende ochtend leeft ze nog.
De levenschenkende Moeder Gods
Ze denkt veel na over een vrouw met kanker die bij een Maria-icoon in een verlaten kerkje een traditioneel gebed voor haar uitspreekt. De woorden ‘levenschenkende Moeder Gods’, die verlost van ‘de knagende worm in de onderwereld’, blijven bij haar hangen. Na een hete dag is er de ‘verlossende nacht’: “… Uit de weilanden aan de oever kwam de geur van de levenschenkende Moeder Gods. Watermunt vermengd met spirea en kalmoes. Ik ging zitten op een grote steen die de warmte van de dag nog vasthield. Stak een sigaret op. De rivier was vredig en stil en verborg zijn turbulente stromingen diep onder het wateroppervlak. Er trok een mist op in het bleke schijnsel van de ondergaande zon…”. Even verder: “… Ik kleedde me uit en ging de rivier in. Het water was zo warm als melk. De rivier des levens nam me mee in zijn weldadige wateren. Hij sprak me vrij van het vermoorden van foetussen en het niet-eren van mijn ouders…”. Het doet me denken aan Nietzsche, die de ‘dood van God’ een ‘wreedheid jegens onszelf’ noemde: “… Moest men uiteindelijk niet alles opofferen wat troostend, heilig en helend is, evenals alle hoop en elk geloof dat verscholen zit in harmonie, in toekomstige gelukzaligheid en in gerechtigheid? Moest men God zelve niet opofferen om daarna stenen, domheid, de zwaartekracht, het lot of niets-heid te aanbidden, uit wreedheid tegen zichzelf? God opofferen voor niets-heid – dit paradoxale mysterie van ultieme wreedheid was weggelegd voor de generatie die nu aantreedt. We weten er allemaal iets van…” (zie: McGilchrist in “De meester en zijn afgezant”).
Half man, half vrouw
Op een dag verschijnt er een patiënt in de wachtkamer naast wie niemand gaat zitten. Haar gezicht is noch dat van een vrouw, noch dat van een man. Ze is klein van stuk, maar heeft grote, sterke mannenhanden. Ze vertelt dat ze is opgevoed in een weeshuis, waar ze haar de naam Jesse gaven, wat ‘geschenk’ betekent. Evenals Ōshima in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) heeft Jesse vrouwelijke geslachtsorganen, maar geen borstontwikkeling. “… Aan de buitenkant bent u deels vrouw, maar aan de binnenkant bent u deels man,’ zei ik toen ik moed had verzameld…”. Jesse krijgt een baantje als schoonmaakster in de kliniek, loopt steeds vaker na afloop van de werkdag met de moeder van Erwtje mee naar de rivier om samen een borrel te drinken en vervangt Erwtje zo’n beetje wanneer die naar Riga teruggaat voor haar vervolgopleiding. Jesse drukt ook half uit elkaar gerukte, verboden boeken uit de kerkdepot achterover. Ze duikelt een gedeelte van Orwells "1984" op, dat de moeder van Erwtje leest als een bezeten en waar ze totaal geobsedeerd door raakt. Orwell waarschuwt ook voor het ‘linkerhersenhelftbeginsel’, waarvan McGilchrist bang is dat het de overhand begint te nemen: “… ‘Geloof je in God, Winston?’ ‘Nee.’ ‘Wat is het dan, dat beginsel dat ons zal verslaan?’ ‘Ik weet het niet. De geest van de mensheid.’ …”.
Verraad
Op de nieuwe middelbare school moet Erwtje ontzettend wennen aan het strenge politieke klimaat dat er heerst. Oma en stiefvader bezweren haar het leven te nemen zoals het komt. Ook Erwtje leert in twee parallelle werelden te leven. Tot er een leraar verschijnt die in zijn vrije tijd een ‘cultuurhistorische kring’ opricht. Hij laat de twaalf leden – zie de overeenkomst met de twaalf discipelen van Jezus – kennismaken met Letse dichters, schilderkunst en historische gebouwen. Hij neemt hen mee naar een oude kerk, laat hen de verstilde kerkklok zien waarvan de klepel is uitgerukt en vraagt naar hun gedachten. Erwtje zegt dat de klok op haar moeder lijkt. Iedereen valt stil. In de voorjaarsvakantie neemt de leraar de groep mee naar de Hermitage in Leningrad. Erwtje valt flauw bij een schilderij van Koeindzji: “… dat schilderij was zo ongelooflijk mooi, alleen de duisternis en de groene maan. Ik keek er lange tijd naar en plotseling leek het alsof de duisternis ons allemaal mee naar binnen trok…”. De directrice hoort ervan. De leraar wordt stante pede weggestuurd. De leerlingen moeten op het matje komen en verraden hem allemaal. Erwtje incluis (zie Judas): “… Het was gewoon een excuus, mama, gewoon een excuus. Het bleek dat ze hem al volgden sinds onze eerste bijeenkomst…”. De ‘geest van Winston’ daalt nu ook over haar dochter, concludeert de moeder van Erwtje. Terwijl haar dochter, op van de stress, in slaap valt, staart ze de hele nacht door het raam naar de Melkweg. Totdat de ochtend gloort en er een haan begint te kraaien (zie Petrus).
Erwtjes moeder zakt steeds dieper weg in haar depressies. Wanneer ze niet meer in staat is te functioneren, regelt Jesse thuiswerk: staalborstels knopen. Als de jonge dichter, van wie Erwtje tijdens de eerste les van de cultuurhistorische kring heeft gehoord, uit een raam wordt geduwd en sterft, neemt Erwtje de leiding van een groep opstandige leerlingen die, tegen het verbod van de schooldirectie in, naar zijn begrafenis gaat: “… Er was een zee aan mensen. We gingen erin op, om ons er nooit meer uit los te maken…”. Terwijl de Baltische wereld steeds vrijer wordt, raakt de moeder van Erwtje steeds verder los van de werkelijkheid. De vrijheid komt voor haar te laat. “… We stonden met z’n vieren bij het graf – ik, grootmoeder, stiefvader en Jesse. En een eindeloze stroom vrouwen die we niet kenden, trok aan ons voorbij…”. Een rivier van dankbare vrouwen. “… Jouw moeder was mijn vader, klonk het in mijn oren…”. Jesse blijft in het huis van Erwtjes moeder wonen. Een maand na de begrafenis zien ze op televisie hoe de Berlijnse Muur valt. “… Jesse greep naar haar hoofd en zei: ‘We zullen echt vrij zijn. Waarom kon ze niet naar me luisteren?’ …”.
Uitgave: Koppernik – 2023, vertaling Brenda Lelie, 200 blz., ISBN 978 908 332 390 9, € 23,50
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

