Menu

woensdag 11 maart 2026

Romantiek – Rüdiger Safranski

 


Subtitel: Een Duitse affaire

 

Bij alles wat er heden ten dage in de wereld gebeurt, valt de literatuur bijna in het niet. Toch ga ik maar gewoon door met mijn boekenblog. Al is het maar voor ‘de schoonheid en de troost’. Cees Nooteboom wordt wel eens getypeerd als een ‘neo-romanticus’. De ‘begeesterde’ Arno Tieck in “Allerzielen”- zie mijn vorige blog - staat voor zijn vriend, de Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski (1945), die een prachtig boek schreef over de Duitse Romantiek: “… De Romantiek is een tijdvak, het romantische een geesteshouding die niet aan een tijdvak is gebonden…”. De Romantiek staat voor de zoektocht naar alles wat tegen de onttoverde wereld valt in te brengen. Voor ‘gevoel’ tegenover ‘ratio’. De romantici zijn ‘volgelingen van Dionysus’. De romantische geest “… houdt van de vergezichten van de toekomst en van het verleden, van de verrassingen binnen het alledaagse, van de extremen, van het onbewuste, van de droom, van de waanzin, van de labyrinten van de reflectie. De romantische geest is geen constante, hij is veranderlijk en tegenstrijdig, hunkerend en cynisch, verzot op het onbegrijpelijke en volks, ironisch en dweepziek, zelfingenomen en sociaal…”. De oude Goethe noemde het romantische een ziekte: “… Maar ook hij wilde er geen afstand van doen…”. Eerder besprak ik van Rüdiger Safranski: “Goethe. Kunstwerk van het leven”.

 

Herder kiest het ruime sop

Safranski laat de Romantiek beginnen bij de jonge predikant Johann Gottfried Herder (1744-1803) die het in Riga aan de stok krijgt met de orthodoxen, in vervelende literaire vetes verwikkeld raakt en zo genoeg krijgt van zijn benauwde leventje dat hij in 1769 halsoverkop zijn biezen pakt en de boot naar Frankrijk neemt: “… De ontmoeting met een onbekende wereld wordt een ontmoeting met zichzelf…”. Boordevol ideeën komt hij terug. Hij is de ontdekker van het radicale ‘individualisme’ of ‘personalisme’. Wat hij in zichzelf aantreft is allemaal zeker geen ‘rozengeur en maneschijn’: “… Treffend ook dat (…) de diepste diepte in onze ziel door nacht is toegedekt!...”. Alles wat leeft ondergaat niet alleen de euforie van het groeien en scheppen, maar ook het angstaanjagende en bedreigende. Wij zijn overgeleverd aan de zuigkracht van het worden en van het vergaan. Het gaat erom dat de enkeling zijn hoogstpersoonlijke ‘levenskiem’ ontwikkelt. Dat je ‘wordt wie je bent’. Daar heb je een gemeenschap voor nodig. Wat voor de enkeling geldt, geldt ook voor de gemeenschap. De gemeenschap is een verband voor wederzijdse hulp tussen unieke individuen waaruit zich een originele volksgeest ontwikkelt. Om deze volksgeesten op het spoor te komen legt Herder zich toe op het verzamelen van volksliederen en andere culturele uitingen:  “… Vele volken, vele stemmen. De diversiteit laat de rijkdom van het menselijke pas tot bloei komen…”. Hij is wars van iedere vorm van heerschappij: “… Zo mag geen volk in Europa zich voor andere afsluiten en in zijn dwaasheid zeggen: bij mij alléén, bij mij huist álle wijsheid…”. Herder: “… geen volk is door God als enige uitverkoren volk op aarde; de waarheid moet door állen worden gezocht, de tuin van het gemenebest moet door állen worden aangelegd…”. Herder is een voorloper van de moderne antropologie, die de mens ziet als een wezen met gebreken, dat cultuur schept om die gebreken te compenseren. Zo ontrolt zich, varend op ons innerlijk kompas, de dynamische geschiedenis. De verwerkelijking van onze humaniteit is een soort ‘experimentum mundi’, een ‘werelds experiment’. In gang gezet door God (zie Gen. 1:26,27)?

 

Sturm und Drang

De vroege Romantiek uit zich in de door de Franse Revolutie ontketende ‘Sturm und Drang’. Bijna elke schrijver zag de revolutie als een historisch ‘morgenrood’, het aanbreken van een nieuw tijdperk in de mensheidsgeschiedenis. De neiging met een schone lei te willen beginnen maakt korte metten met tradities, gehechtheden, gewoontes, kortom de hele context waarin men verwikkeld is. De elite weet het gepeupel te mobiliseren. Demagogen en doctrinaire figuren gebruiken de ‘gewone man’, die het geheel niet overziet, als speelbal. Agitators liegen en bedriegen. In de algehele roes gaat de rede kopje-onder: zie de massale terechtstellingen, de pogroms, de plunderingen in de bezette gebieden. Zie de septembermoorden van 1792, waarbij bijna tweeduizend mensen door het plebs van Parijs over de kling worden gejaagd. Revolutionaire legers overspoelen Europa. ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ wordt verkocht als een politieke leus, maar religieus beleefd. Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) verafschuwt de ‘vulkaanuitbarsting’ van het ‘massatijdperk’.  “… Het geleidelijke trok hem aan, het plotselinge en gewelddadige stootte hem af, in de natuur evengoed als in de maatschappij. Hij kon goed overweg met de overgangen, niet met de breuken. Hij was een vriend van de evolutie, niet van de revolutie…”. Tegenover de opgewonden tijdgeest stelt hij de kunst en de literatuur: “… De esthetische  vreugden houden ons staande, terwijl bijna iedereen het tegen het politieke leed moet afleggen…”. Even verder: “… We hebben meer dan ooit die gematigdheid en rust van de geest nodig die we alleen aan de muzen te danken hebben…”. Dat is nog steeds zo, denk ik.

 

Gevaarlijke dieren die moeten leren spelen

De Duitse toneelschrijver, filosoof en dichter Friedrich Schiller (1759-1805) denkt dat ‘het spel van de kunst’ de mens pas echt vrij kan maken. Eerst innerlijk en dan pas uiterlijk. De staat heeft de ‘barbaren’ voor hun eigen bestwil aan de ketting gelegd: om ‘anarchie’ te voorkomen. Eenmaal losgeslagen ijlen ze met onbeheersbare woede hun instinctmatige bevrediging tegemoet. Mensen zijn ‘gevaarlijke dieren’ die moeten leren ‘spelen’ met hun driften. Bijvoorbeeld door geritualiseerde wedstrijden: voetbal is oorlog. Schiller betreurt de moderne arbeidsverdeling die de mens ‘fragmenteert’, ‘versplintert’ en ‘verminkt’. “… Er was kennelijk geen ander middel om de talenten van de soort te ontwikkelen dan ze te verdelen over de individuen en ze zelfs tegen elkaar op te zetten…”. De kunst kan je evenwel helpen van je ‘tunnelvisie’ af te komen. Ze spoort je aan al je krachten aan te boren: “… verstand, gevoel, herinnering en verwachting…”. Weer ‘heel’ te worden.

 

Geheime genootschappen en complottheorieën

Schiller noemt zijn tijd de ‘inktvlekkerige eeuw’. Er komt namelijk een enorme leeshonger en schrijfwoede op gang. Zoals psychologen zich anno nu zorgen maken over het gebruik van sociale media, zo waarschuwen pedagogen en cultuurcritici rond 1800 voor de gevolgen van veellezerij. Er zijn geen stedelijke centra waar je uit je dak kunt gaan, schrijft Safranski. Alles is versnipperd, benauwd en klein. Daarom zoekt men imaginair gezelschap ín het boek of reëel gezelschap dóór het boek: zie de ‘salons’. Het licht van de Verlichting is zijn glans verloren. De tirannie van de ratio heeft zijn tijd gehad. Overal steekt een hang naar mysterie de kop op: “… in aristocratische kringen speelde men met de rede en probeerde onderwijl tafels te laten dansen…”. Het raadselachtige wordt hip: “… De wonderdokters, die men eerder in werkinrichtingen had opgesloten, duiken weer op. In de steden drommen mensen weer samen om naar profeten te luisteren die de ondergang van de wereld en de terugkeer van de Messias prediken. In Saksen en Thüringen was de duivelbanner Gassner actief en in Leipzig was de herbergier Schrepfer voor korte tijd een beroemdheid als dodenbezweerder…”. Het pragmatische denken is niet in staat de diepte van het leven en zijn schaduwzijden te vatten. De romantici stemmen zich af op het ontzagwekkende. Scheppen weer genoegen in het duistere, dat van verre komt. Een mentaliteitsverandering die de rationalistische geest verdringt. Oplichters van het slag Cagliostro komen bovendrijven. Geheime bondgenootschappen en complottheorieën hoeden de publieke opinie in hun greep. Zie de 'Bundesroman' waarin een onschuldig personage verstrikt raakt in mysterieuze praktijken: “… hij wordt achtervolgd; mensen die alles over hem schijnen te weten kruisen zijn pad; geleidelijk merkt hij dat hij in een web van een onzichtbare organisatie verstrikt zit. Vaak dient daarbij een mooie vrouw als lokmiddel…”. De Epstein-files zijn er niets bij: “… Misschien dringt de protagonist tot het geheime genootschap door, misschien zelfs in zijn diepste krochten, waar hij zwarte spelonken met flakkerende lichten en witte gezichten te zien krijgt. Soms wordt hij ingewijd in de mysteriën van een verborgen kennis of een verhuld oogmerk en leert hij de leiders kennen, maar nooit de hoogste. Bij degenen die zich bekendmaken gaat het tot zijn ontsteltenis vaak om mensen die hij allang kent, maar tot dusver in een ander licht heeft gezien. In deze verhalen heb je soms het goede en het kwade genootschap, en als dan verteld wordt hoe deze twee met elkaar overhoop liggen, wordt het geheel volslagen ondoorzichtig, het wemelt van de dubbelagenten en er zijn haast geen kamers meer zonder dubbele bodems en geen kasten zonder geheime deuren. Je kunt ook niet meer over straat lopen zonder dat je door een agent met een smal gezicht en dunne lippen wordt aangesproken…”. Jezuïeten, vrijmetselaars, illuminaten en rozenkruisers manipuleren de werkelijkheid.

 

Het onbegrijpelijke

De letterkundige Friedrich Schlegel (1772-1829) maakt duidelijk dat wij elkaar en onszelf niet kunnen begrijpen. En dat is maar goed ook. Hoe saai zou de wereld worden als we haar helemaal konden doorgronden: “… Het onbegrijpelijke is dus de levende kracht, waaraan alleen maar afbreuk zou worden gedaan als het verstand haar helemaal zou kunnen blootleggen…”. God is het ‘absoluut onbegrijpelijke’. Hij pleit voor ‘ironie’ als ‘ontzag voor het onbegrijpelijke’. Ironie ‘met een glimlach’ vermijdt zowel de ‘dogmatische arrogantie’ als de ‘starre deemoed’. Ironie is een ‘sociale kunst’. Ze maakt het gesprek mogelijk, omdat ze het dode punt van het zeker weten uit de weg gaat. Ironie verlangt een ‘spelersnatuur’.

 

Me, myself and I

De filosoof en redenaar Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) lanceert de romantische obsessie rond het ‘ik’. Zie de ‘ik-komeet’ Bonaparte. Zie ook Rousseau in zijn “Bekentenissen”: “… Enkel en alleen ikzelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet…”. En Goethe in “Werther”: “… Ik keer terug naar mezelf en ontdek een wereld…”.  Of Novalis: “… De mysterieuze weg leidt naar binnen…”. De laatste voegt er wel aan toe: “… Wie hier blijft staan, is pas halverwege. De tweede stap moet een doelgerichte blik naar buiten, een actief, beheerst observeren van de buitenwereld zijn…”. Safranski: “… In Jena wordt rondverteld hoe Fichte de studenten in zijn college opriep naar de muur tegenover hen te kijken. ‘Mijne heren, denkt u deze muur,’ zei Fichte, ‘en denkt u vervolgens uzelf als het daarvan onderscheidene…”. Dat is nog niet zo makkelijk. “… De meeste mensen zouden nog eerder geloven dat ze een stuk lava op de maan zijn dan een Ik…”, aldus Fichte. Het ‘ik’ wordt volgens hem pas merkbaar in tegenstelling tot een niet-ik. Er zijn ook nog eens twee-ikken: het op de buitenwereld gerichte (empirische) ik en op het innerlijk gerichte (transcendentale) ik. “… Alleen omdat het ‘absolute’ ons is onthouden, zodat we er altijd naar kunnen zoeken, ‘ontstaat de oneindig vrije activiteit in ons’…”. Het is makkelijker “… jezelf te ervaren als iets waartegen wordt geduwd en waaraan wordt getrokken, zonder verantwoordelijkheid, als een ding temidden van de dingen, als pure reactie en niet als actie…”, wat volgens Fichte het ‘eigenlijke kwaad’ is, dan je vrijheid ter hand te nemen. August Wilhelm en Caroline Schlegel zetten hun huis in Jena open voor een gezelschap hemelbestormende zelfbewuste individualisten die de bestaande omstandigheden aan het dansen probeerden te brengen: Ludwig Tieck, Novalis, Clemens Brentano, Sophie Mereau, Hölderlin, Dorothea Veit, Friedrich Schlegel, Jean PaulJohann Wilhelm Ritter. Natuurlijk lopen ze zich tegen de beperkende werkelijkheid te pletter, wat weer voor een hoop ‘weltschmerz’ zorgt.  Het plezier een ‘ik’ te zijn wekt weerstand op. Het zou egoïsme en meedogenloosheid rechtvaardigen. Schiller waarschuwt dat tomeloze fantasie “… ook tot een oneindige val in een bodemloze schepper diepte…” kan leiden, om te eindigen met “… totale vernietiging…”. Jean Paul: “… Ach, als ieder ik zijn eigen vader en is, waarom kan het dan niet ook zijn eigen worgengel zijn?...”. Sommigen raken al te diep verstrikt in hun eigen wildernis (zie “De maagd Marino” van Yves Petry). Sommigen vergen teveel van zichzelf. Clemens Brentano hangt zichzelf uiteindelijk de strot uit: “… Wie me naar mezelf verwijst, doodt me…”. Zij die met hun ik hogerop willen, zullen al snel uitzien naar houvast. Sommigen werpen zich in de schoot van de katholieke Kerk. Vaste banen en vaste relaties komen in het vizier. Traditie is wat teveel gevraagd, maar men verzamelt wel ballades en sprookjes: “.… ‘Het heeft gerijpt in de voorjaarsnacht…’. Goddank hoef je niet alles zelf te verzinnen, je mag je laten dragen en meezwemmen op de stroom die van verre komt…”.

 

De literatuurfabriek

Safranski: “… Van de ‘geforceerde talenten’ waar Goethe enigszins neerbuigend over sprak, was Ludwig Tieck misschien wel de meest ‘geforceerde’…”. Ludwig Tieck (1773-1853) schrijft er in een ongelooflijk tempo op los. Zijn leraren op school betrekken hem bij een ‘literatuurfabriek’ waar aan de lopende band griezel-, rover- en ridderromans naar de smaak van de massa worden geschreven. Samen met zijn jong overleden vrome vriend Wilhelm Heinrich Wackenrode (1773-1798) maakt hij tijdens zijn studie voettochten naar steden als Bamberg, Pommersfelden, Bayreuth en Neurenburg, waardoor beide heren diep onder de indruk raken van de middeleeuwen.  Ze voelen zich teruggeplaatst in de tijd van Dürer. Zo ontstaat de droom van een Oud-Duitse romantiek. Ze bezoeken de mijnen in het Frankische land: “… Het kwam me voor alsof ik in een of ander geheim genootschap, een mysterieus bondgenootschap werd opgenomen of voor een veemgericht werd gedaagd. Ik herinnerde me dat ik in mijn kinderjaren in mijn dromen soms zulke lange, nauwe, donkere gangen had gezien…”.  Twee motieven van Tieck: het verraad van de ‘eenzaamheid van het bos’ dat gezien wordt als de ‘zondeval’ en geheimen die beter ‘in de nacht’ verloren kunnen gaan.

 

Mystiek van de nacht

Novalis (1772-1801) is een mythische figuur, een Klingsohr, een tovenaar en magiër dan wel een ‘nieuwe Christus’ in de romantische poëzie. In het geheim verlooft hij zich met de dertienjarige Sophie von Kühn. Twee jaar later sterft ze. Alles sleept hem mee naar een imaginair ‘aan gene zijde’. Als Orpheus wil hij ‘voet aan de grond krijgen in het onvergankelijke’. Als het besluit zijn geliefde te volgen in de dood verbleekt, neemt hij zijn studie in de mijnbouw weer op. De ‘roeping tot de onzichtbare wereld’ wordt een ‘roeping tot de onderaardse, nachtelijke wereld’. Zijn fascinatie drukt hij uit in “Hymnen an die Nacht”. Hij gelooft onwankelbaar in de ‘hemel van de nacht en zijn licht, de geliefde’. Als je met een liefhebbende blik in het duister kijkt, tref je er altijd wel iets aan, volgens hem. De nacht is het absolute innerlijk, waartegenover alles wat het daglicht ziet uiterlijk is. De nacht is onze oorsprong. De nacht is ‘de machtige schoot van de openbaringen’. Novalis baant zich een eigen weg naar deze oerwereld. In zijn redevoering “Die Christenheit oder Europa” schrijft hij dat het erop aankomt het ‘gevoel voor het heilige’ dan wel ‘het gevoel voor het onsterfelijke’ “… in jezelf te koesteren en ervoor te zorgen dat het in de huidige wereld niet uitdooft…”. Waar geen goden zijn, heersen spoken. Bijvoorbeeld van het eigenbelang, het nationalisme, het politieke machtsdenken, die de plaats innemen van het verkommerde gevoel voor het goddelijke. “… Men heeft het weten losgescheurd van het geloof en stort zich nu met geloofsijver op de wetenschap als surrogaatreligie…”. Alsof het heelal een reusachtige molen is zonder bouwmeester of molenaar. Een ‘perpetuum mobile’. Alsof de natuur zichzelf in stand houdt.  Een proces dat “… tot gevolg heeft dat de huidige mens ‘rusteloos in de weer’ is ‘de natuur, de aardbodem, de menselijke ziel en de wetenschappen te zuiveren van alle poëzie – om elk spoor van het heilige uit te wissen, om de herinnering aan alle bewonderenswaardige gebeurtenissen en mensen door hun sarcasme te vergallen en de wereld te beroven van haar bonte tooi…”. Zie hoe ‘geloof en liefde’ worden vervangen door ‘kennis en bezit’. De geest van de moderne tijd is er een van ‘metafysische dakloosheid’. Religie is ‘overwonnen chaos’. “… Niets is voor ware religiositeit onmisbaarder dan een middelaar die een verbinding legt tussen ons en de godheid. De mens kan nu eenmaal niet direct met de godheid in relatie staan…”. Dat hoeft voor Novalis echter niet per se Christus te zijn. Zie zijn romantische symbool de ‘blauw bloem’.

 

Het individu in zijn hoogste potentie

Safranski: “… Als de religie bij de romantici aan de orde van de dag was, ging dat eigenlijk niet om de christelijke religie. Het betrof een fantasiereligie of religie van de fantasie…”. De Bijbel betekent weinig voor Novalis. “… De ‘hogere invloeden’, schrijft hij, hadden zich bij hem via de ‘fantasie’ doen gelden…”. Even verder: “… De christelijke religie, schrijft Friedrisch Schlegel in zijn “Ideen”, is oud en krachteloos geworden, en de kunst is ertoe geroepen de religieuze kern te bewaren…”. Kunst en religie zijn één pot nat. Het goddelijke is niet iets van buitenaf of bovenwerelds, maar van zelfvergoddelijking (zie het contrast met wat Eric-Emmanuel Schmitt een kind in “Het evangelie volgens Pilatus” laat zeggen: ‘Mama, diep in mezelf vind ik NIET mezelf’). De mens brengt god voort door iets goddelijks in zichzelf waar te nemen, in zijn midden te vinden, en dat op alle mogelijke manieren mee te delen en uit te dragen. Schlegel wil van de ‘zonde’ af en het alleen nog maar over ‘liefde’, dan wel ‘enthousiasme’ hebben. De ‘god in ons’ is niets anders dan ‘het individu zelf in zijn hoogste potentie’. Schlegel kondigt dan ook aan een ‘nieuwe godsdienst’ te willen stichten, maar bekeert zich op latere leeftijd toch tot het katholicisme.

 

Schöne Seele

In zijn “Reden über die Religion”, een stichtingsakte van een nieuwe, romantische vroomheid, wil de protestantse predikant Friedrich Schleiermacher (1768-1834) ‘het oneindige dichterbij brengen’. Zijn mystieke gevoelsreligie draait om vijf aspecten: 1) De eenheid met het universum dan wel God. Een ervaring die Freud later zal duiden als het ‘oceanisch gevoel’. Het gaat om een ‘geruisloos verdwijnen’ in het ‘onmetelijke’ dat passief wordt ontvangen en niet handelend opgezocht (zie Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik”). 2) Het is anti-institutioneel: geen kerk, geen priesterschap. Omdat je er niet over uitgepraat raakt, gaat het wel om vriendschapsstichtende gemeenschapsvorm.  3) Een overweldigend liefdevolle eenheidservaring sluit de zonde uit. Met het dualisme is ook het kwaad verdwenen. Er is geen plaats voor het christelijke apparaat van kruis, dood en opstanding, laatste oordeel en verdoemenis, dat ons een heilige schrik moet aanjagen. 4) De christelijke dogmatiek ontbreekt. Men wordt voortgedreven door de goddelijke geest die in het binnenste oprijst en praat en handelt vanuit heilige ingevingen. 5) De nadruk ligt op ‘gevoel’ en ‘aanschouwing’. Op de schoonheid van de religieuze ervaring die de mens begeleidt als ‘heilige muziek’. Op een innerlijke harmonie en ‘vrede die alle verstand te boven gaat’ waardoor elke vorm van fanatisme en vijandschap wordt geblokkeerd: “… Als we het oneindige ervaren, oefent dat een verheffende, alles op een hoger plan tillende, grensverleggende invloed op ons uit…”. Schleiermacher wordt wel in verband gebracht met de reformatorische ‘bevindelijkheid’.

 

Gekte

Rond 1800 ontstaat een nieuw soort mytheonderzoek. De romantici beginnen naar de verdwenen verre sporen van vroegere ervaring met het ontzagwekkende en oneindige te zoeken in de ‘Oriënt’. Men gaat op reis naar het toverachtige Morgenland waar de wieg van de mensheid heeft gestaan.  Men belandt aan de oevers van de Ganges en de Indus, wanneer de stille stroom die in sagen en heilige gezangen door de tijden heen vloeit tot de bron toe wordt gevolgd.  Maya. Nirwana. Een periode vol heimwee naar het verleden breekt aan. De ‘geheimen van de wereld’ zouden verborgen liggen in de ‘diepte’ van de voortijd. De romantici komen de dionysische onderstroom van de Griekse cultuur op het spoor: het orgiasme en de roes, waarachter een geheime heilige zin moet schuilen. Hoe gruwelijk is het lot van Oedipus. Hoe vreselijk de pijn van Prometheus. Wat een razernij bij Medea, die haar eigen kinderen vermoordt. Het is alsof de Grieken van de afstand tot het animale leven een afgrond hebben gemaakt, waar ze telkens weer in moeten vallen (zie Cees Nooteboom in “Rituelen” over de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus). Volgens Friedrich Schlegel was het een geniale cultuur, maar nog onverlost, nog ver van het heil verwijderd. De dionysis-cultus inaugureert het demonische. Bij Friedrich Hölderlin (1770-1843) komen de goden letterlijk uit de antieke beelden tevoorschijn. Voor hem zijn ze niet alleen een historische herinnering maar werkelijkheid. Het verwoest zijn geest, hij bezwijkt, wordt er ziek van: “… De meubelmaker Zimmer, die hem jarenlang in de toren in Tübingen vol toewijding verzorgde, heeft het op zijn Zwabische manier gezegd: ‘Door dat gedweep met het pure heidendom is-ie stapelgek geworden. En met al dat denken is-ie op één punt blijven staan, en daar draait hij nog steeds omheen...’ …”.

 

Vaderlandsliefde

In eerste instantie wordt de Franse Revolutie geestdriftig bejubeld. Allengs komt de visie op van een christelijk verenigd Europa onder de geestelijke macht van de universele katholieke kerk. Zie de mythe van het Romeinse Rijk en de voortzetting daarvan, het Heilige Roomse Rijk, dat het in Daniël geprofeteerde vierde wereldrijk zou zijn. Volgens de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen kan dit rijk de antichrist en daarmee de ondergang van de wereld nog tegengehouden (zie ook “De nieuwe Romeinen” van Gerhard F. Mehrtens). De Franse overheersing leidt tot een sterk opkomend Duits nationalisme, gevoed door de romantici. Heidelberg wordt tussen 1806 en 1808 het hoofdkwartier van deze nieuwe, op sprookjes, sagen, volkspoëzie, verhalen, getuigenissen, spreuken, profetieën, melodieën, het Germaanse oervolk en andere Teutoonse tradities gerichte romantische interesse (zie het werk van de gebroeders Grimm). Na zijn mislukte veldtocht in Rusland keren de Duitse romantici zich tegen Napoleon, het ‘genie’, de ‘wereldziel’ die ze eerst zo hebben bewonderd. Nu zou er een kwaadaardige, demonische geest door hem heen werken, een mengeling van Prometheus en Mefisto: “… De geschiedenis of God, om het even, moeten hem met een duistere opdracht hebben opgezadeld…”. Adam Müller noemt hem de ‘noodzakelijke verwoester’ die het ‘evangelie van de dood’ brengt. Volgens E.T.A. Hoffmann is hij een ‘monumentale magnetiseur’ die oprijst uit de nachtwereld. Ook Heinrich von Kleist haat hem, zwelgend in imaginaire wreedheid en moordfantasieën, met argumenten die geleidelijk overgaan in extatische waanzin. Ten oorlog! “… Kalk de pleinen, plaatsen, paden / met hun knoken glanzend wit; / Geef wat raaf en vos versmaadden / aan de vissen maar als maden; / demp de Rijn maar met hun lijken…”. Rusteloos wordt Kleist achtervolgd door panische angst voor de leegte, de ‘horror vacui’. Meermalen probeert hij vrienden, geliefden of zomaar kennissen over te halen zich samen met hem van het leven te beroven. “… Uiteindelijk heeft hij ook een vrouw gevonden die bereid was zich door hem te laten doodschieten, zodat hij daarna de hand aan zichzelf kon slaan…”. In de Slag bij Leipzig (ook wel de Volkerenslag genoemd) in 1813 werd Napoleon trouwens definitief verslagen op Duits grondgebied.

 

Het grote geeuwen

Wat de romantici verbindt is onbehagen in de gereglementeerde en geüniformeerde normaliteit. De romantici zoeken nieuwe bronnen tegen de ‘onttovering van de wereld’. Voelen zich gevangen in de ‘stalen kooi’ van de Verlichting. De moderniteit heeft alle magie ‘ijskoud ontraadseld’. Zie de ‘filisters’ die zichzelf niet toestaan zich ergens over te verbazen of iets te bewonderen. “… Het onoverzichtelijke, ook duistere trekt aan als het maar afwijkingen en uitspattingen toelaat, verrassingen in petto heeft en een ‘prikkelende ervaring’ (Eichendorff) mogelijk maakt…”. Bij de romantici begint de carrière van verveling en zinloosheid. “… Als God de verhevene is, is de ervaren leegte zijn schaduw…”, volgens Pascal. Het negatief van het verhevene. Het niets. Zo ontstaat de hectiek van het moderne bestaan. De koortsachtige bedrijvigheid. Veelal zit er niets anders op dan je ziel te verkopen aan het consumentisme. Je een slag in de rondte werken om te spenderen. Verveling is een elitaire ziekte. Zie de hoge heren die zich doodvervelen en daarom maar op jacht gaan of een oorlog beginnen. De verveling bezorgt het ‘grote verschrikkelijke ik’ een katerstemming. Als je niets meer met jezelf weet te beginnen, begint het ‘niets’ iets met jou. Dat maakt hen tot onze tijdgenoten. “… En zo wordt volstrekt duidelijk waar de romantici eigenlijk tegen vechten als ze het mysterie verdedigen: dat is het gevaar van het moderne nihilisme…”. Als metafysische entertainers verzetten ze zich tegen het ‘grote geeuwen’. Ze hebben niet zozeer een god nodig die helpt en bescherming biedt, dan wel een god die de wereld weer in raadsels hult.

 

Carnaval

“… Het paradijs ligt om de hoek. Maar ook de hel, de afgronden van de ziel…”. Zie de griezelromans. Als de ik-euforie te hoog stijgt volgt vanzelf de omslag. De mens blijkt uit meerdere personen te bestaan. Zie het thema van de schizofrenie in “Het duivelselixer” van E.T.A Hoffmann, die uit nieuwsgierigheid het slagveld van Dresden zou hebben betreden met een wijnglas in de hand: “… Merardus raakt zijn dubbelganger niet meer kwijt. Die zal op zijn schouders zitten en hem opjagen door de donkere bossen…”. Zie de ironische transformatielust van het carnaval waar het lachen verlost van de ernst en de dwang: “… Het carnaval speelt een spel van omkeringen met boven en onder, goed en kwaad, mooi en lelijk, man en vrouw. De neus kan niet lang genoeg zijn, de dwaasheid loopt op handen, met het gezichtsmasker op het achterhoofd…”.

 

Kunst als luxe

Rond de jaren twintig van de negentiende eeuw is het grote tijdperk van de Romantiek voorbij. De gemoedelijke Biedermeiertijd breekt aan. Er komen denkers op die het romantische ‘aan gene zijde’ van de hemel omlaaghalen naar het aardse leven. Friedrich Strauss ((1808-1874) lanceert zijn historische tekstkritiek in “Das Leben Jesu”, waarin iets als een ‘openbaringsgebeuren’ geen enkele rol meer speelt.  Volgens Ludwig Feuerbach (1804-1872) scheppen de mensen God in plaats van andersom. Karl Marx (1818-1883) neemt het op voor het proletariaat. De dichter Heinrich Heine (1797-1856): “… Het duizendjarig rijk van de romantiek loopt op zijn eind, en ikzelf was zijn laatste en afgedankte fabelkoning…”.  Hij steunt de communistische en socialistische ideeën, maar weet ook dat de revolutie alleen verheven is als je erover leest: “… In werkelijkheid, schrijft hij, is ze smerig, de drek komt naar boven. De smakeloosheid meet zich een goed geweten aan…”. De oude kwestie van de theodicee wordt overgeheveld naar de kunst: “… ooit vroeg men: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld het bestaan van God te rechtvaardigen? Nu wordt de vraag aan de kunst gericht en luidt ze: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld de luxe van de kunst te rechtvaardigen?...”.

 

De ondergang van de goden

Richard Wagner krijgt het voor elkaar dat religie kunst wordt. “… Het gaat er Wagner vooralsnog om een mythe te schrijven waarin de goden sterven als de vrije mens ten tonele verschijnt. Dat is de hoogste religie in de zin van de vergoddelijkte mens…”. De ‘Ring des Nibelungen’ is het grote verhaal over de ondergang van de goden. Wagner wil een ‘mythische beleving’ opwekken, en dat lukt hem ook. Zie Baudelare die ‘Tannhäuser’ beleeft als een opiumroes. “… Met Wagner begint in grootste stijl de cultus van de persoonsverheerlijking. De godenschemering had plaats gemaakt voor de vergoddelijkte kunstenaar…”.

 

Nietzsche en het dionysische

Rond het midden van de negentiende eeuw wordt de deur opengezet voor een bijzonder boude vorm van materialisme: “… Er bestaat kennelijk geen behoefte meer aan de ‘nous’ van Anaxagoras en de ideeën van Plato, en uiteraard ook niet meer aan de God van de christenen noch aan de substantie van Spinoza, het ‘cogito’ van Descartes of het ‘ik’ van Fichte en de ‘geest’ van Hegel. De geest die in de mens leeft is niets anders dan een functie van de hersenen, beweert men…”. Nietzsche (1844-1900) haat al het gezapige, de bekrompenheid, het conventionele. Voor hem behelst Wagners kunst een terugkeer naar de wilde, dronken, dionysische roes. Het ‘toppunt van vervoering’. Muziek opent de deur naar een ander bestaan. Het ‘zijn’, ‘het eigenlijke kloppende hart van de werkelijkheid’, blijkt dionysisch, wanneer het vertrouwde zijn oude vertrouwdheid verliest en onheilspellend wordt. Oók in al zijn ontzaglijke wreedheid. Het Heraclitische ‘wereldkind’ (de tijd) bouwt en verwoest zijn werelden (zie Spreuken 8:30,31). “… De dionysische opheffing van het individuele bewustzijn is een lust, want daarmee verdwijnen de ‘scheidsmuren en grenzen van het bestaan’…”. Eenmaal ontnuchterd is ‘walging’ je deel. Het doet me onmiddellijk denken aan de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra, wiens gedrag wordt uitgelegd aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm…”. Wagner blijkt een tovenaar die uiteindelijk zichzelf betovert, door ‘naar het kruis toe te kruipen’. Daar kan Nietzsche niet tegen. Hij ‘lacht’ om al dat ‘metafysische getroost’. Wijst alle schijn, zelfbedrog, dwaling en misleiding rücksichtslos af. De Übermensch is zichzelf een god. “… Maar zelfs in de ‘waanzinbriefjes’ die hij na zijn geestelijke ineenstorting de wereld in stuurt, speelt het ‘ironisch verzet’ zijn laatste, dwaze spelletje. Aan Jakob Burckhardt, zijn vaderlijke vriend in Bazel, schrijft hij op 6 januari 1889: ‘Uiteindelijk was ik veel liever professor in Bazel gebleven dan God…”.

 

Neoromantiek

De romantiek bloeit nog eenmaal op bij de dichters Hugo van Hofmannsthal (1874-1929), Rainer Maria Rilke (1875-1926) en Stefan George (1868-1933). De neoromantiek komt tot ‘leven’ in de jeugdbewegingen, de plattelandscommunes met zijn anarchisten en alternatievelingen en kunststromingen als het symbolisme, het expressionisme en de Jugendstil, die stuk voor stuk door Nietzsche zijn geīnspireerd. Rond 1900 komt een soort New Age-achtige mystiek op die zich onstuimig en opstandig tegen de officiële cultuur van het Wilhelminische Duitsland keert. Toch is de droom een wereldmacht te kunnen worden die naar de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voert, ook romantisch te noemen. Zie hoe de industriemacht Duitsland enthousiast een enorme oorlogsvloot opbouwt: zelfs de kinderen trekt men zondags matrozenpakjes aan. “… Anderhalf miljoen oorlogsgedichten moeten er in augustus uit Duitse pennen zijn gevloeid…”.  

 

Danswoede

Je zou denken dat na de gruwelen van de oorlog elke rest van romantiek wel is verdwenen. Dat is niet zo. Er zijn ook frontsoldaten die in de horror en vernietiging een duistere bekoring zien. Ernst Jünger (1895-1998) beschrijft zijn euforie op het randje van de dood: “… Toen begreep ik, als door een bliksemschicht verlicht, mijn leven tot in mijn diepste wezen…”. De oorlog is niet alleen verwoestend. Het kan ook een dramatische omkeer teweegbrengen. De soldaat die Jünger tot cultfiguur verheft is een strijdlustige versie van het dionysische. “… Romantiek betekent verlangen naar gevaar, naar sterke gevoelens, naar leven op het scherpst van de snede; zij is met dat al uitdrukking van een ‘avontuurlijk hart’…”. Wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan, walgt voor altijd van het ‘leven van de kruideniers’. In de Weimarrepubliek stikt het van de op hol geslagen profeten en charismatische figuren, van ideologieën en surrogaatreligies. Alleen de ‘dadaīsten’ volgen een ‘metafysische vermageringskuur’, maar ook dat komt in feite neer op ‘romantische ironie’. In de zomer van 1920 lokt één van de ‘inflatieheiligen’, Friedrich Muck-Lamverty, een Christusfiguur op sandalen, een ware danswoede uit. Een enorme ‘zwerm’ - à la Anja Niewierra -  ‘Wandervögel’ van soms wel vijfduizend jongeren sluiten zich bij hem aan. Er kan dus ook sprake zijn van een ‘mooi’ soort waanzin. Zie “Die Morgenlandfahrt” van Hermann Hesse. Ondertussen zorgt de ‘nieuwe zakelijkheid’ in dynamisch Berlijn voor veel actie van een andere orde: “… Een oord van ‘totale mobilisering’, verklaart Ernst Jünger, de ‘omzetting van leven in energie, zoals die zich in economie, techniek en verkeer, in het gegons van de raderen of op het slagveld als vuur en beweging openbaart…”.  De ‘ogenbliksmystiek’ van Kierkegaard raakt in de mode: het moment dat God inbreekt in het leven (zie ook “Ogenblik & Eeuwigheid” van Joke Hermsen). The point of no returne. Dat mag je niet voorbij laten gaan.  Zie hoe Josef K. zich in de roman “Der Schloss” van Franz Kafka verslaapt en daardoor een afspraak bij de autoriteiten van het slot mist. Misschien had het hem kunnen redden.

 

Een romantische nachtmerrie

Is Hitler een persoon uit een ‘romantische nachtmerrie’? De ideeën van Hitler zijn niet bepaald romantisch. “… Ze komen uit de gevulgariseerde, moreel verwaarloosde en tot ideologie verworden natuurwetenschappen: biologisme, racisme en antisemitisme. Hitler zelf beroemde zich op zijn ‘wetenschappelijke’ wereldbeschouwing…”. Zijn gedachten zijn allesbehalve warrig: “… Het angstaanjagende eraan is juist de onverbiddelijke logica waarmee in ‘Mein Kampf’ uit een paar racistische en sociaaldarwinistische premissen moorddadige conclusies worden getrokken…”. Hitler: “… de mensen vergeten dat ze hun hogere bestaan niet te danken hebben aan de ideeën van een paar dwaze ideologen, maar aan de kennis en onverbiddelijke toepassing van ijzeren natuurwetten…”. Met andere woorden: “… De wetten die gelden zijn die van het zelfbehoud en de selectie van de sterkere in een moordende strijd om het bestaan…”. Daarbij komt dat de Joden met hun mozaīsche verbod ‘gij zult niet doden!’ de ariërs een slecht geweten bezorgen. “… Hitler wil een ethiek uit de weg ruimen door de vermeende ‘uitvinders’ van die ethiek uit te roeien…”. Hermann Rauschning: “… We maken een eind aan de dwaalweg van de mensheid. De stenen tafelen van de berg Sinaī hebben hun geldigheid verloren. Het geweten is een joodse uitvinding…”. Hitler krijgt het voor elkaar een waansysteem om te zetten in werkelijkheid. Heidegger wijst op de nood van de tijd: werkloosheid, economische crisis, herstelbetalingen, burgeroorlog, gevaar van een communistische omwenteling en de zwakten van de Weimarrepubliek, die geen antwoord heeft op al die moeilijkheden. Niemand lijkt de crisis te kunnen bezweren. De tijd is rijp voor iemand die de gordiaanse knoop van de al te gecompliceerd geworden werkelijkheid doorhakt. En dan is Hitler daar, als het personage van de grote magnetiseur bij E.T.A. Hoffmann. De ineenstorting van de nationaalsocialistische heerschappij wordt door velen dan ook beleefd als het ontwaken uit een bedwelming, als het einde van een boze droom, alsof de ban is gebroken.  

 

De verbeelding aan de macht

Safranski behandelt “Doktor Faustus” van Thomas Mann. De protagonist, Leverkühn, staat symbool voor Duitsland. Beiden sluiten een pact met de duivel. Beiden worden op het eind door de duivel ingehaald. Toch blijft Leverkühn verre van de sfeer van het dionysche en faalt Mann daarom in de duiding van de ‘rauwe gebeurtenissen’, aldus Safranski. Het kwaad is bij hem het verdwaalde goede. Uiteindelijk zorgen de 68’ers nog een keer voor een flauwe romantische oprisping: het wemelt weer van de profetische nietsnutten op blote voeten, rondzwervende hasjrebellen op reis naar het Morgenland. Een vulgair soort navolgers van Rousseau volgens Safranski, die ‘comfortabel lijden aan de overvloed hier en de wereldwijde ellende elders’. In de watten gelegde studenten die een grote mond opzetten over de traditionele autoriteiten, conservatieve waarden, het naziverleden, hun zwijgende ouders en de uitbuiting van de arbeiders, maar nog nooit een fabriek van binnen hebben gezien. Terwijl ze er ondertussen wel de vruchten van plukken. Veel heeft het allemaal niet om het lijf: de existentialistische hippies van toen zijn de kapitalistische boomers van nu. Door de uitvinding van de pil was de seksuele bevrijding toch wel gekomen. “… Anderzijds mogen we de romantiek niet kwijtraken, want politiek gezond verstand en realiteitszin is te weinig voor het leven. Romantiek is de meerwaarde, het overschot aan mooie wereldvreemdheid, de overvloed aan betekenis. Romantiek maakt nieuwsgierig naar het volstrekt andere…”. Politiek en romantiek bewonen ieder hun eigen sfeer. Pas als ze zich mengen, wordt het gevaarlijk.

 

Uitgave: Olympus - 2022, vertaling Mark Wildschut, 416 blz, ISBN 978 904 670 784 5, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 1 maart 2026

Allerzielen - Cees Nooteboom

 


“Allerzielen” (1998) wordt gezien als Nootebooms grootste roman (zie ook mijn vorige blog). Het is eerder een ‘Duits’ dan een ‘Nederlands’ boek. Daarmee bedoel ik: ‘ernstig’ en ‘zwaar’. “… Je mocht niet generaliseren. Toch hadden volkeren bepaalde karaktereigenschappen…”. Ik resoneer daar wel mee. Dat geldt echter niet voor iedereen weet ik uit ervaring, al past het boek zeker in sombere tijden als de onze, meen ik. De protagonist is een cameraman, Arthur Daane, die tracht te leven met het feit dat tien jaar geleden zijn vrouw en zoontje zijn omgekomen bij een vliegtuigongeluk. Hij wil documentaires met diepgang maken, maar niemand zit te wachten op iets wat moeilijk lijkt en langer dan twintig minuten duurt. “… ‘Ik weet dat je twee polen in je wezen hebt,’ zei de redacteur (hij zei nog net niet ‘in je ziel’), ‘reflectie en actie, maar met reflectie haal je nu eenmaal geen kijkcijfers.’…”. Arthur huist in eenzaamheid: “… Hij die te veel weet en het zo slecht kan zeggen…”. Daarom loopt hij als een soort Wandelende Jood door besneeuwd Berlijn. Zie Tommy Goerz in “Door de sneeuw”: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”. “Allerzielen” heeft geen direct plot, het meandert als een camera van hot naar her en hoest Arthurs diffuse, surrealistische en soms oogverblindende gedachten op: de krenten in de pap.

 

Verlopen dubbelganger

Berlijn voelt aan als een dorp in de toendra, aldus Arthur, die tot diep in Rusland doorloopt. Met Berlijn, Warschau en Moskou als kortstondige onderbrekingen. Er zijn maar twee steden die volgens hem echt om lopen vragen: Parijs en Berlijn. Komt dat door de ‘breuk’ die er dwars doorheen snijdt? De Seine en de voormalige Muur. Passage voelt als ‘een grens overschrijden’. Berlijn: ‘de stad die ooit een beroerte heeft gehad’. Zie het litteken dat nog altijd zichtbaar is. “… Als eb en vloed waren er troepen door deze spoelbak van de geschiedenis getrokken…”. Correspondeert een en ander met weduwnaar Arthur Daane zelf? Met ‘voor’ en ‘na’ het trauma? “… Arthur Daane hield van mensen die, zoals hij het uitdrukte, ‘meer dan één persoon hadden’, en al helemaal als die verschillende personen elkaars tegenstellingen leken te zijn…”. Als een ‘verlopen dubbelganger’ slecht hij in gedachten de ‘tijdmuur’ die hem van zijn dode vrouw scheidt. Soms heeft hij het gevoel dat ze hem roept, als een soort Eurydike uit de onderwereld: “… Zij was daar ergens, ze wilde iets zeggen, ze wilde dat hij aan haar dacht…”. Af en toe wordt er in het verhaal een stem verleend aan een achtergrondkoor van dode zielen (maakt zijn vrouw daar deel van uit?), wat doet denken aan “De ontdekking van de hemel” waarin Harry Mulisch engelen laat fungeren als alwetende vertellers en regisseurs van het noodlot: “… Wij weer. Altijd ’s nachts, lijkt het wel. Het koor bij Sophocles heeft een mening. Wij niet. Het koor bij “Henry V” vraagt om een oordeel. Doen wij ook niet…”. Even verder: “… Wij zijn het die alles bij elkaar moeten houden. Jullie vermogen om in de tijd te bestaan is gering, jullie vermogen om in de tijd te denken is onuitputtelijk…”.

 

Caspar David Friedrich

Evenals in “Rituelen” (zie mijn vorige blog) zijn er in “Allerzielen” vrouwen die ‘oneindig hoge trappen’ beklimmen. Jacobsladders: “… Ze was nog niet ver, en de trap verdween in de wolken…”. In een museum bekijkt Arthur de ‘rare pathetische doeken’ van Caspar David Friedrich, waar de afgrond loert in ‘verdwaasde kruisigingen’ en ‘vervallen kloostermuren’, “… de monniken veranderd in vleermuizen, de bastaardengelen van het verval…”. Zie “Ochtend in het Reuzengebergte”, een landschap van paarse bergen “… met in het midden een onmogelijk hoge rots met daar bovenop een nog onmogelijker kruis…”. Een ‘dun, mager’ geval met aan de voet een vrouw, in iets wat op een baljurk lijkt, die een man helpt bij de laatste stappen die hij nog moet klimmen. De vrouw als gids naar het ‘hogere’ (zie mijn vorige blog). De mannen van Friedrich keren hun rug naar de wereld toe. Alsof ze die afzweren. Zie “Monnik bij zee”: “…Wat deed die man daar in dat van God verlaten landschap? Boete doen, jammeren in eenzaamheid?...”. Even verder: “… Het duinzand zo wit en fijn dat het wel sneeuw leek, de horizon een rechte streep waarover een wolkenfront naderde, een barricade waardoor elk idee van ontsnapping was uitgesloten…”. Zie “Abdij in het eikenwoud”: “… Öde, Finsternis, het jachtterrein van de Germaanse ziel die nu dan eindelijk, aan het eind van de waanzineeuw, uitgejaagd was…”.

 

Het volk dat in duisternis wandelt

De schilderijen in de volgende zalen zijn van een ‘onuitsprekelijke braafheid’, watervalletjes, baasjes met hun lievelingshonden, onschuldige vrouwenportretjes: “… de wereld zonder erfzonde…”. Friedrich heeft op zijn minst het vermoeden gehad dat er zoiets bestond als 'de machten der duisternis'. Met de Joden is ook de ironie, de afstand, de noodzakelijke lucht uit Duitsland verdwenen. Een beetje Voltaire of Cervantes zou ‘het volk dat in duisternis wandelt’ misschien geholpen hebben. Over de ‘Duitse ziel’ (Wagner, E.T.A. Hoffmann, Heine): “… Het smachten van Wilhelm Meister, Zarathoestra die huilend eindigt aan de hals van een koetspaard, de schilderijen van Friedrich, de dubbele zelfmoord van Kleist, het lood van Kiefer en de druïdische bokkezangen van Strauss, het leek allemaal met elkaar te maken te hebben, een duister woelen waarbij voor mensen uit een land van polders geen plaats was…”. Nederlanders zijn daarentegen het volk van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’: “… Wij hebben een koningin op de fiets. Bij Hitler kon je thuis niet naar binnen kijken. Daar houden wij niet van. Wij willen weten of mevrouw Hitler al gestofzuigd heeft…”. Even verder: “… Nederland, een land zonder bergen. Oppervlakkig, hè? Geen bergen, geen holen. Niets te verbergen. Geen duistere plekken aan de ziel. Mondriaan. Zuivere kleuren, rechte lijnen. Sloten, dijken, polderwegen. Geen afgronden, geen spelonken…”. Saai! Je gaat er dood van verveling.

 

Het uur tussen hond en wolf

Arthur heeft van het ‘halfdonker’ zijn specialiteit gemaakt. Hij filmt het ‘duister dat langzaam uit de grond omhoog lijkt te kruipen of probeert er weer in te verdwijnen’. De Potsdamer Platz: “… Schijnwerpers, het lichtend oog van kranen boven een bouwput, neon in een verlaten straat, oranje of ijsblauwe zwaailichten die, als je ze zwart-wit filmde, elk hun eigen tonaliteit behielden, het seriële licht van rijdende treinen of langzame files, altijd de onuitsprekelijke betovering van licht in de duisternis…”. Zo anders, dan het helle licht van de dag, dat “… keihard door de sneeuw werd teruggekaatst, zodat alles van glas werd en op breken stond…”.

 

De dood

Steeds lijkt de dood Arthur te vergezellen. Een vrouwelijke heilsoldate geknield bij een zwarte man roept hem. Of hij het slachtoffer even kan ondersteunen terwijl zij de hulpdiensten waarschuwt. “… Thuislozen, daklozen, junks, zwervers, schreeuwers, waar hij kwam in de wereld, de straten waren er vol mee. Raaskallend, zoekend, in lompen gehuld, zwart van het vuil, met enorme bossen aan elkaar geklit haar, zwijgend, scheldend of bedelend liepen ze door de steden alsof ze uit een oertijd waren gekomen om de mensheid ergens aan te herinneren, maar aan wat?...”. Hij begeleidt een ontzettend oude vrouw naar de metro, die al uren in een bushokje zit te wachten op een bus die niet komt. Het ‘koor’ weet dat ze even later dood zal zijn en dat het met de zwarte man ook niet goed gaat. Een agente die hem vraagt wat hij achter de hekken rond de bouwput op de Potsdamer Platz doet, komt in een slip terecht als ze de politieauto draait en tegen een sneeuwschuiver botst. Ze wordt door een ambulance met loeiende sirenes afgevoerd. Ondertussen sneeuwt het harder dan ooit: “… de vlokken waren nu van een ander soort wol, te zwaar om te dwarrelen. Het leek wel een bewegende muur die je opzij moest schuiven…”. In de Weinstube waar hij die avond aanschuift bij drie vrienden, gaat iemand dood. 

 

Woudgeesten

“… Er waren, had Arthur Daane geleerd, verschillende soorten vriendschap, maar alleen een vriendschap die gebaseerd was op zoiets ouderwets als wederzijdse achting was de moete waard…”. Hij is met de ‘begeesterde’ filosoof Arno Tieck, een personage gebaseerd op Nootebooms vriend Rüdiger Safranski. De beeldhouwer Victor Leben. En de stevige, luidruchtige, Russische natuurkundige Zenobia Stejn, die zich ‘als een onweerswolk’ door het leven beweegt, als tegenwicht een kleine fotogalerie beheert en ‘drinkt tegen de feiten’: “… wodka! Dubbel, een voor mij en een voor mijn ziel…”. 'Woudgeesten' die debatteren over Hegel, Jünger, Mandelsjtam, Benn. “… Arno hief zijn glas. ‘Op onze korte dagen. En op de miljoenen geesten die om ons huiveren.’ Ze dronken…”. Even verder: “… Sommige mensen hadden je uitgekozen zonder iets van je te willen. Je had er niets voor hoeven doen. Ze hingen hun warmte om je heen, je wist dat je ze kon vertrouwen tot het bittere einde…”.

 

Kunstenaarschap

Kunst is een belangrijk thema in Nootebooms werk. Hij beschrijft hoe Victor uren tot dagen op een stoel vanuit een steeds veranderende positie naar een stuk steen kan zitten ‘loeren’: “… ik denk niets omdat ikzelf dat ding word…”. Tot het slijpen en kerven, het hakken en beitelen begint. Hij wil dat het ‘raadsel zichtbaar wordt’ in wat hij maakt. Over een blok Fins graniet: “… Het leek of het in die steen voortdurend nacht was…”. Even verder: “… terwijl de steen kleiner geworden was leek hij groter, en ondanks het feit dat hij nu geraffineerder en gepolijster was, straalde hij plotseling een verbeten macht uit...”. Zenobia die ziet hoe Arthur urenlang zwijgend naar haar collectie kan kijken. Hij moet een ‘tweede ziel’ hebben, volgens haar. Het liefst filmt Arthur ‘voeten’, de ‘tredmolen die de wereld wegtrapt’ op weg naar de U-Bahn. Hij denkt na over de “… blinde kracht die mensen voortjoeg op weg naar iets wat met hun verdwijning eindigde…”. Hij filmt voetstappen in de sneeuw terwijl hij denkt aan de gezongen landkaarten van de aboriginals en hun ‘droomtijd’ in het boek van Bruce Chatwin: “Songlines”. Waar een buitenstaander niets ziet, zien zij overal tekens in de eentonige zandvlakten. “… Ach, en Berlijn in de sneeuw van de onschuld, alle verschillen uitgewist, het volmaakte huwelijk van Oost en West, de apotheose van de verzoening…”. De euforie van de Wiedervereinigung heeft allang plaats gemaakt voor wederzijdse rancune, argwaan, jaloezie en afhankelijkheid. Iedereen weet precies hoe de ander zich moet gedragen. In alle kasten liggen skeletten, rapporten, lijsten, bijgehouden processen, namen en pseudoniemen. “… Die muur kunnen ze rustig weghalen, die blijft toch wel staan…”. Zie de leegloop, de ontmanteling. Kijk de oude mensen in hun gezicht: “… van die hoofden met brandnetels en spinnenwebben…”.

 

Verborgen, gesloten werelden

Bij Nooteboom zijn het altijd de vrouwen die verleiden. Die mannen tijdelijk van hun ‘autisme’ verlossen. Goddelijke wezens die hun lot sturen. Tijdens de val van de Muur had een blonde vrouw Arthur bij de hand gepakt en een dans ingetrokken. Een leraar Grieks zei ooit dat je pas echt vrij bent als je je als Odysseus afvraagt ‘welke kant je op zult gaan’. “… Pas later had hij begrepen dat het niet waar was. Sluw was Odysseus, maar niet vrij, net zomin als hijzelf. De helft van de tijd had Athene de listige held te hulp moeten komen om hem in de ene of andere gedaante te redden…”. Even verder: “… Odysseus had geluk gehad. Iemand had hem de weg gewezen…”. Over Vermeer: “… die geheimzinnige schilder, had iets met Nederlandse vrouwen gedaan, hij had hun nuchterheid betoverd, zijn vrouwen beheerden verborgen, gesloten werelden waar je niet in kon. De brieven die ze lazen bevatten de formule van de onsterfelijkheid…”. Even verder: “… Je zag zulke vrouwen nog steeds in Nederland, doorschijnend en solide tegelijk. Het geheim was dat van de schilder geweest, hij had iets gezien wat anderen niet zagen, iets waardoor je nog steeds als je voor zo’n schilderij stond, in Den Haag of in Washington of in Wenen, het gevoel had dat je ergens in gelokt werd, een deur in die zich achter je zou sluiten als je naar binnen ging. Het was van een alles verterende intimiteit…”. De vrouw als hinderlaag.

 

Sirene

In het boek wordt Arthur ook door zo’n sirene meegelokt. Het begint als hij vlak voor haar een krant weggrist, haar woedende blik opvangt en getroffen wordt door het litteken dat haar ontzagwekkende ‘berberkop’ siert. Als teken van de dapperheid van een schermer, bedacht ik, zie “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Een tijdje later ziet hij haar op straat lopen. Hij volgt haar naar de Staatsbibliotheek. Alsof ze een magneet is. Hij gooit een briefje op haar bureau met de vraag of ze naar de kantine wil komen. Ze voldoet aan zijn verzoek. Stelt zich voor als Elik. Geschiedenisstudent. Vader nooit gekend. Moeder heeft zich doodgedronken. Opgevoed door oma in Nederland. Als meisje een afschuwelijk geweldsdelict overleefd waardoor ze mannen haat, maar dat beseft Arthur niet. Ze schrijft een proefschrift over een obscure Spaanse koningin uit de vroege twaalfde eeuw waarmee ze zich vereenzelvigt:  “… Zeventien jaar had ze geregeerd, alleen…”. Queen Urraca. “… Spannend was het zeker, een vrouw tussen mannen, bisschoppen, minnaars, echtgenoten, zonen, een groot gevecht om macht, positie, de enige middeleeuwse koningin die daar daadwerkelijk geregeerd had…”. Even verder: “… Zevenentwintig was ze geweest, weduwe, moeder van twee kinderen, koningin van Castilië en Léon toen ze trouwde met de koning van Aragón…”. Er waren geen kinderen uit dat bed gekomen. Was die man impotent geweest? “… Hij sloeg haar, zeiden de bronnen. Duizend jaar oude roddel, of de waarheid, of erger. Het huwelijk was een ramp geworden. Zij had teruggeslagen, maar dan met legers…”.

 

Beeldmens

Hadden zijn vrienden hem maar aan de mast vastgebonden en was in zijn oren gestopt. Hij leent de auto van Arno Tieck en gaat een dagje met Elik op stap. Hij laat haar zien waar de Muur heeft gelopen maar ze heeft niets met zijn obsessie:  “… Dit krioelt nog. Dat is te groot voor mij…”. De dag eindigt in een drama. Echter, volgens het koor op de achtergrond zien wij steevast maar de helft van het verhaal: “… kunst, wetenschap, satire, ironie, het is de spiegel waarin altijd maar een deel zichtbaar is…”. Elik had hem achtergelaten als een ‘ontredderd vlaggenschip’, aldus het koor op de achtergrond, waarop Arthur zich zo ongeveer bewusteloos drinkt en geplaagd wordt door boosaardige dromen: “… Het vlies tussen hem en de chaos was kennelijk heel dun, en deze nacht waren er geluiden en stemmen doorheen gekomen. Ze hadden beelden meegebracht die hij nooit meer hoopte te zien, niet zo, hun bekende, verdwenen gezichten in de toonaarden van het bederf, verderf, flarden van ongelukken, hoongelach, naderingen gevolgd door een veel snellere verwijdering tot hij zichzelf had wakker geschreeuwd en naar het licht gegraaid had, licht dat de kamer onthulde als een gevangeniscel, de muren vijandig kaal, de kastanje buiten een huizenhoog houten monster dat zijn armen naar binnen wilde steken…”. De telefoon staart hem aan als een ‘veel te grote zwarte kever’. Geesten zoeken naar de ‘venijnige voelspriet’ van zijn wereldradio om rampzalig nieuws uit te braken: “… Wat had Victor gezegd? ‘Wij zijn de grootste helden van de geschiedenis, wij zouden allemaal bij onze dood gedecoreerd moeten worden. Geen generatie heeft ooit zoveel moeten weten, zien, horen, leed zonder catharsis, stront die je meezeult voor de nieuwe dag.’…”. De ‘beeldmens’ weet er geen verhaal van te breien (zie “De crisis van het narratieve” van Buying-Chul Han). “… Wat moet ik met al die ellende die ik elke dag naar binnen krijg? Ik wil het wereldleed op rijm, in hexameters, voorgelezen door John Gielgud in een zwarte moiré kamerjas uit een in rood marokijn gebonden boek met kleurenetsen van Rubens…”.

 

De kater van Boelgakov

In ‘licht als grijs poeder’ op een echte Berlijnse winterdag staat Arthur aan een tafeltje tussen daklozen, Vietnamese sigarettenverkoopsters, agenten met gemuilkorfde honden, braaksel, zaagsel, Roemeense schoonmakers, junks, bedelaars, de stank van worst en mannen met afgetrapte schoenen koffie te drinken op het station, “… met de kater van Boelgakov die manshoog naast hem staat en zijn zachte wollige arm om hem heen slaat, zodat de klauw met de lange, gebogen scherpe nagels op zijn schouder ligt…”. Hij bezoekt Arno Tieck die hem vertelt hoe Hegel in zijn kamer het gebulder van de kanonnen van Napoleon in de Slag bij Jena hoorde en besefte dat de geschiedenis aan haar eindfase was begonnen: “… met Napoleon is een nieuwe tijd aangebroken, er zijn geen heren en geen knechten meer, die tegenstelling die de hele geschiedenis door bestaan heeft…”. Inzake de val van het communisme dachten sommigen hetzelfde: zie Francis Fukuyama en zijn “Het einde van de geschiedenis en de laatste mens” (1992). Hij laat Arthur muziek van Hildegard von Bingen horen: “… vrouwelijke spiritualiteit, mannelijke autoriteit…”. Arthur moet niet te min over Eliks bizarre scriptieonderwerp denken: “… die tijd kan nu misschien niemand nog iets schelen, maar in die rare uithoek van Spanje werd toen wel over het lot van Europa beslist. Als die paar malle koningen in het noorden zich niet tegen de islam hadden verzet heetten jij en ik misschien nu Mohammed…”. Als hij thuiskomt, zit ‘ze’ op de trap.

 

Zíj bepaalt

In een café praat Arthur eindeloos met zijn vrienden. Luther, Jacob Böhme, Novalis, Heidegger. “… Kijk, wij zijn plat, dat is aan de ene kant wat oppervlakkiger, maar het geeft ook wat meer helderheid. Al die verborgen spelonken, wouden, Lichtungen, hellingen met bijbehorende wouden, dan krijg je natuurlijk ook Nibelungen, druïdische dichters en schrijvers als hogepriesters. Daar moet je voor oppassen. Dat heb je niet met oostenwind in de polder…”. En op haar kamer koestert Elik zich in eenzaamheid: “… De sensatie van alleen zijn, niemand kon ze dat uitleggen. Het gevoel van volstrekte autonomie, van onverschillig zijn voor je omgeving, omgeven door een stilte van je eigen maaksel, onbeweeglijke, doordringende, heilzame stilte…”. Iemand die zich in zichzelf kan opbergen. Anoniem in Berlijn. In Nederland is iedereen van de weeromstuit weer gelijker dan gelijk vanwege de alom gepredikte authenticiteit: “… thuis had ze vaak het idee dat er een grote verkinderachtiging in gang was gezet, een fatale, onuitstaanbare oppervlakkigheid van mensen die hun individualiteit leken te willen bewijzen door en masse om dezelfde grappen te lachen, dezelfde cryptogrammen op te lossen, dezelfde boeken te kopen en meestal niet te lezen, iets van een zo onaangename zelfgenoegzaamheid dat je het er benauwd van kreeg. Al haar kennissen waren op yoga, gingen met vakantie naar Indonesië, deden aan shiatsu, iedereen leek zich met honderden dingen bezig te houden waarbij je uithuizig moest zijn, haast niemand hield het bij zichzelf uit…”. Dag in dag uit is Arthur op zoek naar háár. “… ‘Hij is verliefd.’ Zei Victor. ‘En dat op zijn leeftijd. Levensgevaarlijk. Maar ieder volvoert zijn lot tot het einde.’…”. Ze komt wanneer ze wil, ze gaat wanneer ze wil: “… Aan het eind van de vierde dag had hij zoiets gehoord als een kras, een zacht geschuur tegen zijn deur. Hij had opengedaan en zij was naar binnen gegleden als een kat, toen hij zich omdraaide zat ze al, haar ogen recht op hem gericht…”.

 

Ausländer raus

Als ze weer wegblijft, reist Arthur voor een werkopdracht naar Estland. De dag dat hij terugkomt en draaierig van vermoeidheid tussen zijn vrienden in de Weinstube zit, ‘verschijnt’ ze in de kroeg. Een schikgodin die hem met haar blik omhoogtrekt uit de kring. Ontvoert. Wezenloos loopt hij achter haar aan. Ze leidt hem naar een kelder vol neonazi’s waar ze tussen de ectasykoppen, speedkoppen, cokemaskers en vanitasgezichten met magere lichamen in grotestadslompen tekeergaat op de dansvloer. Stampende figuren, dwangarbeiders “… slovend, verkrampt, bewegend op het genadeloze ritme, in elkaar krimpend bij elke zweepslag, meeschreeuwend bij wat zij kennelijk als woorden herkenden, een Duits hellekoor, rauw, over kapot ijzer getrokken stemmen, vergiftigd metaal…”. Een bezeten maenade, een vernederde gekkin, met honderd armen die ze naar alle kanten uitstrekt, vloeiend en dan weer schokkend, een woestijndans opvoerend waarmee ze alle anderen van hun plaats verjaagt. Ze worden herkend als 'Ausländer', waarna er een gevecht uitbreekt en ze Arthur ternauwernood met een welgemikte karateslag weet te redden. “… ‘Waarom ga je naar die tent?’ ‘Omdat ze me daar niet willen. Heb je de teksten verstaan?...”. De uitdaging. De kick. Ze neemt hem mee naar haar kamer, een schrikbarend vaal, kerkerachtig, armzalig, stinkend hol.

 

Heimwee

“… Keer terug op uw schreden…”, adviseert Victor. Hij gehoorzaamt in die zin dat hij voor twee maanden in opdracht naar Japan reist om de ‘Shikoku Henro’, de ‘achtentachtig tempeltoer’ te filmen, een beroemde boeddhistische pelgrimsroute op het eiland Shikoku. Deze tocht, die meer dan 1200 jaar geleden ontstond, voert langs 88 tempels die geassocieerd worden met de monnik Kūkai (ook bekend als Kōbō Daishi). Sommige sekten hebben niet alleen altijd volgehouden dat de zichtbare werkelijkheid een illusie is, vertelt Victor hem, “… maar daar ook nog prachtig bij gezongen met van die donderende trommelslagen en lage bromstemmen, heel dramatisch…”. Ze hebben gelijk gekregen: “… Intussen zijn wij er na een oneindige zoektocht achter dat alles wat wij voor solide werkelijkheid houden, zo ongeveer lege ruimte is en dat we een bril zouden moeten hebben die groter is dan alles wat we kunnen bedenken om waar te nemen hoe onzichtbaar en onvoorspelbaar de deeltjes zijn waaruit de zogenaamde materie bestaat!...”. Even verder: “… Wij zijn doorzichtig! Terwijl we er toch zo stevig uitzien! Ha! Nu we eindelijk weten uit hoeveel schijn de wereld bestaat, zouden we daar natuurlijk onze religie van moeten maken, maar dat hebben zij al gedaan…”. Als het hele universum een vraag is, dan is mystiek een antwoord. “… Van alle antwoorden die nooit het hele antwoord zijn kies ik voor de kunst…”. Daarom is Von Bingen ook in de mode, net als het Gregoriaans. Uit heimwee: “… Geef toe dat het fantastisch is: welk schrikbeeld, welke afgrond, of welke verlossing of extase je de mensen ook toeschuift, ze maken er muziek van. Duizend jaar geleden zongen de planeten nog in harmonie de lof van God, daar zijn ze kennelijk mee opgehouden, waarschijnlijk omdat ze weten dat wij eraan komen…”. Met ons raketarsenaal. Of we kunnen het gewoon niet meer horen: “… Dezelfde hersens, andere software…”.

 

Veldwerk

Als Arthur terug is, hoort hij dat Elik op pad is voor ‘veldwerk’. Waar kan dat anders zijn dan in Spanje? Arthur moet en zal ernaartoe, ook al waarschuwen verschillende vrouwen hem niet te gaan. ‘Die vrouw is slecht nieuws’. ‘U zult haar in Spanje wel vinden, maar ik weet niet of dat goed voor u is’. Intuïtie? Hij laat zich niet tegenhouden. In Spanje zijn er aan de orde van de dag aanslagen.”… Wat ergens anders een tweepartijenstelsel was, werd hier een strijd met gif, leugens, meineden, verdachtmakingen, schandalen…”. In Spanje heersen de ‘demonen’, “… een mensenslag waarmee je de wereld moest delen…”. Hij vindt Elik uiteindelijk in het Archivo Histórico Nacional, waar ze verloren voor alles in een achthonderd jaar oude foliant het summum van haar studie bekijkt: een gestileerde handtekening van Urraca. Alsof ze in twee tijden leeft. “… Zijn eerste instinct is om zich om te draaien en machteloos weg te gaan…”. Had hij dat maar gedaan. Een bode fluistert Elik in het oor dat er iemand op haar staat te wachten: “… de onwillige verbazing, de frons vanwege de verstoring, de traagheid waarmee ze opstaat, waardoor hij al weet dat hij niet had moeten komen…”. Ze slaat hem van zich af als een jankende hond. Soms kun je niet anders om van iemand af te komen.  

 

Naar het noorden

Die nacht wordt hij ook nog in elkaar geslagen door een paar jongens die zijn filmcamera willen roven. “… Nederlandse cineast overvallen…”. Het staat in alle kranten. Als hij bijkomt in het ziekenhuis is hij ergens geweest dat niet is uit te leggen: “… Licht was het daar, je kon horen wat levenden niet mochten horen…”. Hij probeert het niet eens: “… Het was verboden, zo voelde het, het mocht niet. Je hoorde niet terug te komen, je was besmet met een verlangen dat niet uitgesproken kon worden. Je hoorde niet meer daar en niet meer hier…”. Aan zijn bed de ‘drie koningen’: Arno, Zenobia, Victor. Zwijgend. Victor die naar een hoek van de kamer loopt, zijn sjaaltje schikt, zijn jasje recht trekt, een buiging maakt, lijkt te tellen en begint te tapdansen terwijl hij hem recht aankijkt. Alof hij  in het leven terug wordt gedanst. Een ceremoniële dans, een bezwering, het geklikkerdeklak als een sprakeloze boodschap, nog geen minuut lang voor de verpleegster binnen stuift om er een eind aan te maken. Meneer moet rust hebben, zegt ze, terwijl ze zijn tranen afveegt. “… Wer nicht weint, hat kein Genie…”. Nietzsche. Als hij na zes weken wordt ontslagen, hoort hij dat er een vrouw naar hem is komen kijken die heeft gezegd dat ze voor haar werk naar Santiago moet. Wanneer hij eindelijk in zijn auto in noordelijke richting rijdt, aarzelt hij even op een kruispunt, maar houdt toch het noorden aan. Hij is het noorden dus niet kwijt. Prachtig, prachtig, al schurkt Nooteboom hier en daar wel tegen het pathetische aan, vind ik als nuchtere noorderling.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 416 blz., ISBN 978 940 313 506 9, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 22 februari 2026

Rituelen – Cees Nooteboom

 


Onlangs ontdekte ik op YouTube “De boekentafel van Godert Walter”, een leeskring waar ik helemaal vrolijk van wordt, die wekelijks samenkomt op de zolder van een boekhandel in Groningen. Daar werd de nodige aandacht besteed aan de jongstleden 11 februari overleden schrijver/dichter/reisjournalist Cees Nootboom (1933-2026). Ik had nog nooit wat van hem gelezen: ik vind zijn werk fantastisch. Het heeft iets on-Nederlands, iets filosofisch, iets ongrijpbaars, precies dát wat denker Buying-Chul Han de ‘narratieve toverkracht’ noemt. Wat die tent op de omslag van de nieuwste uitgave doet is mij trouwens een compleet raadsel: in het hele verhaal komt geen enkele tent voor. 

 

Ieniemienie Epsteintje

Na zeventien jaar ‘romanstilte’ werd “Rituelen” van Cees Nooteboom eind 1980 begin 1981, op een enkele uitzondering na, met groot enthousiasme ontvangen. Op de eerste bladzijde staat de zin waarmee Nootenboom beroemd werd: “… Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil…”. Het verhaal begint met de boodschap dat de protagonist, Inni Wintrop, zelfmoord pleegt (dronken en aan de plafondbuizen in de wc), wat natuurlijk mislukt, anders hadden er niet nog eens zo’n tweehonderd bladzijden kunnen volgen waarin hij achterom kijkt en voort ploetert in zijn ontuchtige doch wonderbaarlijke leven. Inni (hij vindt zijn naam belachelijk, zijn ouders noemden hem naar een belangrijke architect, misschien dachten ze dat hij het genie er vanzelf bij zou krijgen) is een ieniemienie Epsteintje: ‘hij kan de nacht niet goed alleen doorbrengen’. Een charlatan die zijn kost verdient met alles wat geld oplevert plus het bij elkaar fantaseren van de horoscoop in Het Parool. Hij beschouwt zichzelf als een ‘vampier’ die alleen maar kan bestaan door ‘licht’ te zuigen uit vrouwen. Ze ‘geven hem het gevoel dat hij leeft’. Soms gaat hij ‘als een hond de straat op’, soms voelt hij zich ‘extatisch, als iemand die kan vliegen’ en ‘schenkt hij zich weg aan iedereen die aanspraak maakt op het kortstondig bezit van Inni Wintrop’. Zijn prachtige Namibische vrouw (een fotomodel, jawel), wil niet weten wat hij allemaal uitspookt, “… omdat ze anders verplicht zou zijn hem te doden, en daar was niemand bij gebaat…”. Ze verlaat hem na zes jaar waarin hij zich, bij gelegenheid en waar hij maar kon, inliet met hoeren en ‘tieners in spijkerbroek’. Ook gaf hij vrouwlief ooit het bevel het kind dat ze samen maakten ‘de toegang tot de wereld te versperren’, omdat hij ‘zijn angst voor veranderingen’ geenszins in de hand had. Ze vertrekt niet zonder hem overigens kaal te plukken. Als ze langs een etalage met kinderkleertjes komt ‘huivert ze van verborgen wraakzucht’. Vind je het gek? “… Zelfs de eindeloze reserves van Namibië raken uitgeput…”. Even verder: “… ‘Inni leeft in twee werelden,’ zeiden zijn zeer verschillend geaarde vrienden die zelf maar in één wereld leefden…”. Inni beschrijft zichzelf als een ‘gat’, een ‘afwezige’, ‘iemand die niet bestaat’, dat wil in zijn geval zeggen een ‘kameleon’ die zijn rol aanpast aan alles en iedereen. “… ‘Jij leeft niet,’ had zijn vriend de schrijver een keer gezegd, ‘jij laat je afleiden,’ en Inni had dat als een compliment beschouwd…”.

 

Amsterdam 1963

Voorgaand intermezzo speelt zich af op de dag voordat Kennedy wordt vermoord: “… De foto was duidelijk geweest: er waren verwarde tijden op komst…”. De wereld is in de ban van de Koude Oorlog. Onze hoofdstad is in een ondergangsstemming (toen ook al): “… Vissen begonnen te sterven aan dingen waar vissen vroeger niet aan stierven en de gezichten in de steeds langere rijen auto’s op de grachten vertoonden soms dat mengsel van frustratie en agressie dat de zeventiger jaren zo uniek zou maken, maar nog bijna niemand scheen te weten dat de natuur, moeder van alles, het weldra zou begeven en dat het einde van de vervuilde tijden nabij was, en ditmaal voorgoed. Toch broeide onder al die uiterlijke onwetendheid de zachte brand van onrust, wanhoop en kwaadaardigheid. De wereld stonk allang, Amsterdam begon zachtjes te smeulen…”. Evenals Lena Bril in “In therapie. Een persoonlijke zoektocht naar houvast” buigt Nooteboom zich over de vraag of mensen in het in rap tempo ontkerkelijkte Nederland wel zonder enige vorm van geloof (dan wel rite) of ander collectief verhaal kunnen. Zie ook “De crisis van het narratieve” van filosoof Buying-Chul Han en zijn essay “Over het verdwijnen van rituelen”, waarin hij aantoont hoe we met de gedeelde rituelen ook onze band met de gemeenschap zijn kwijtgeraakt. Wat rest is een cultus van authenticiteit en narcisme volledig gedreven door commercie.

 

Een echte Wintrop

In het tweede deel buigt het verhaal van Nooteboom zich naar tien jaar daarvoor: 1953. Inni Wintrop bewoont een kamertje in een pension waar hij zijn kont niet kan keren, als op een vrije zaterdag zijn tante Thérèse binnen komt stuiven. Moeilijk, moeilijk, omdat er eigenlijk geen plaats is voor “… twee mensen en zij was op zichzelf al bijna twee…”. Ze oogt wat hysterisch, “… alsof er voortdurend een pannetje bloed op een innerlijk fornuis stond te koken…”. Ze ziet direct dat hij een ‘echte Wintrop’ is: “… Alle Wintrops zijn gek, slecht, ijdel, hebben geen discipline, leven in verwarring, scheiden aan een stuk door. Ze behandelen hun vrouwen als vee, en die vrouwen blijven verliefd op ze. Ze zijn fout in de oorlog of verdienen eraan, ze zijn slim in zaken maar ze vergokken hun geld of gooien het in de lucht, en ze verkopen elkaar voor een gulden. Heb je je vader gekend?...”. Amper. Hij kwam om tijdens een bombardement in de oorlog toen Inni tien was (hij is daarom wel trots op hem). Zijn ouders waren gescheiden toen papa vreemdging met het dienstmeisje. Hij had ook nogal losse handjes. Inni was eerst bij zijn vader gebleven maar tijdens de hongerwinter naar zijn moeder gestuurd die in Gelderland woonde. Ze schijnt ergens in Europa te zijn neergestreken met zijn gehate stiefvader. Kortom: “… Hij hoorde nergens bij, en dat beviel hem uitstekend…”.

 

De verdwenen God achterna

Tante zit goed in de slappe was en sommeert Inni in haar witte Lincoln met chauffeur te stappen om een bezoekje te brengen aan haar ‘vroegere minnaar’ Arnold Taads, een notaris in ruste, die moet zorgen dat Inni het geld waar hij recht op heeft terugkrijgt van zijn foute voogd, waar hij mee in de clinch ligt. Taads blijkt zich met zijn reusachtige hond als een bejaarde monnik te hebben teruggetrokken in de bossen van Doorn. Zijn glazen oog, zijn voor zijn schriele gestalte veel te luide, blaffende stem, zijn krampachtige, dwingende gezicht en zijn woudlopers-outfit à la Old Shatterhand, bezorgen Inni de schrik van zijn leven. Ze worden weggestuurd omdat ze tien minuten te vroeg zijn. Na een eindje wandelen ‘dalen ze wederom af in het schimmenrijk’. Taads vindt houvast in het leven door zich te onderwerpen aan een angstaanjagende, verstikkende, maniakale orde. Hij is het vleesgeworden protocol. Een regeerder van zijn eigen lot, met ‘versterving’ als hobby. Alles is bij hem ritueel geworden. Zijn woonkamer is een ‘wiskundesom’ met witte, glanzende meubels van een ‘calvinistische, haatdragende moderniteit’. Taads vraagt wat Inni wil ‘worden’, want hij kan toch niet eeuwig een loonslaafje op een stom kantoor blijven? Inni heeft geen idee: “… De wereld was al boordevol met mensen die iets waren, en de meesten waren er duidelijk niet gelukkig mee…”. Taads beveelt tante Thérèse haar neefje geld te geven zodat hij zijn baantje op kan zeggen. Een Wintrop werkt niet. Daarna stuurt hij haar weg. Inni krijgt de opdracht zich van vijf tot kwart voor zes zelf te vermaken, want dan moet meneer lezen. Tijd is ‘de vader van alle dingen’, leert Inni. Van zes tot zeven gaan ze met de hond het bos in en stort Taads zijn intense mensenhaat over Inni uit. Hij koestert zijn fanatieke eenzaamheid. Hij is het gelukkigst in de Rocky Mountains waar hij ooit zes maanden in zijn dooie eentje op een bergtop zat als brandwacht. Hij brengt als voormalig skikampioen nog steeds de wintermaanden in een verlaten vakantiehuisje in de Zwitserse Alpen door. Zijn hoofd zit vol met het atheïstisch existentialisme van Sartre. Dat van Inni met ‘niets’. Taads “… keek niet op of om en had dezelfde weg waarschijnlijk ook blind kunnen afleggen met dezelfde ritmische, mechanische bewegingen. Een opgewonden soldaatje op mars…”. Hij oreert maar door over het bestaan waar je in bent geworpen en dat niets betekent behalve door wat je het zelf laat betekenen, terwijl hij refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus. “… Ga skiën!…”, denkt Inni, “… Suis van de helling af, je verdwenen God achterna…”.

 

Ter kerke

Taads neemt Inni op zekere dag mee voor een bezoek aan tante Thérèse in Tilburg, waar ze verrast worden met een uitgebreide Brabantse koffietafel. Inni voelt zich heerlijk te midden van alle weelde. “… Kussenkasten, chesterfields, schilderijen van de Hollandse school, een wellustig renaissance crucifix van ivoor, hele families Sèvres en Limoges, Perzische tapijten, personeel, als een warme doek werd het om hem heen gewikkeld…”. Taads duidt het allemaal als ‘stront’. Antiek stinkt. “… Dit is alleen maar vol te houden als je van binnen ook een uitdragerij bent…”. Wanneer je dit verachtelijk vindt moet er iets mis met je zijn, concludeert Inni. “… Hij vond het buitengewoon behaaglijk, en tegelijkertijd drukte het macht uit, en daardoor afzondering van de buitenwereld…”. Taads bezorgt tante Thérèse een zenuwinzinking door te informeren of ze ook ham heeft: het enige wat er aan de dis ontbreekt. Tante Thérèse heeft op haar beurt maar één vraag voor Inni. Gaat hij nog ter kerke? Er schuift een ‘heeroom’ aan bij het diner die priester en ‘geheimheer van de paus’ is en een theologische discussie begint met Taads, wat eindigt in een verhit handgemeen. Inni, de eeuwige buitenstaander, mengt zich er niet in.

 

Een stil geloof in engelen

Intussen wordt Inni onopvallend verleid door het dienstmeisje, dat hem meeneemt naar het bos, waar ze hem ter wille is, ook al zal ze over een paar weken, wanneer haar verloofde terugkomt uit de Koreaoorlog, trouwen (Taads heeft hem uitgelegd dat als je geen vader hebt je tenminste geen superego hoeft mee te torsen: “… Geen vader op je rug, geen dwingende regulerende factor in je leven. Niets om je tegen af te zetten, om te haten, om aan te refereren in je gedrag…”). Ze sluipt ook nog zijn logeerkamer binnen. Toch is er zeker geen sprake van platte Epsteinseks, waar de minachting en haat richting vrouwen van afdruipt. Zie het NRC van 21 februari: “… De Epstein-files bieden een ongefilterde blik in de denkwereld van bepaalde mannen. Jonge vrouwen zijn ‘jong pussy vlees’, oudere vrouwen hebben ‘kwark tussen de benen’, hun eigen echtgenote is een ‘miserable cunt‘…”. Misschien bestaat Inni’s ‘geloof’ uit vrouwen. ”… Een grote verslaving was begonnen…”, in ieder geval. Inni zet zijn dames op een voetstuk: “… Vrouwen waren de meesters van de wereld, eenvoudig omdat ze hem in beheer hadden. Nooit zou hij het gevoel hebben dat hij iemand ‘nam’, of ‘veroverde’ of wat er dan nog meer aan stupide terminologie bedacht was om de waarheid te verhullen: dat men zich, dat hij zich aan vrouwen uitleverde met een absolute overgave die altijd misverstanden wekte…”. Zielig toch? “… Als de wereld een raadsel was dan waren vrouwen de kracht die dat pulserende raadsel op gang hielden, zij, en zij alleen hadden toegang tot het raadsel. Als er al iets te begrijpen viel op de wereld moest dat via vrouwen gebeuren. Vriendschap met mannen kon heel ver gaan, maar het bleef de rationale kant van de dingen, iets wat sommige vrouwen erbij hadden, een extra…”. Met andere woorden, niet alle vrouwen zijn zo stom als ze er uit zien. “… Vrouwen waren eerlijker, directer, dan woorden, het waren media…”. Niet voor niets moet hij steeds trappen opklimmen naar hun onderkomens. Alsof het een soort ‘Jacobsladders’ zijn. Zijn vrouwen zijn engelen, moeder Maria’s, die hem over zijn bol aaien, lekker instoppen en ook nog zijn biologische functies helemaal snappen. Ze halen ‘de zachte kant’ in hem naar boven: “… Vaak had hij het gevoel dat vrouwen hem toestonden om zoveel als dat mogelijk is een vrouw te zijn – en dat hij zonder dat niet zou kunnen overleven. Niet dat hij ooit fysiek een vrouw had willen zijn, juist zo, met die vrouw in zijn mannenlichaam onderging hij een raadselachtige sensatie van dupliciteit. Hij was wat men dan noemde een vrouwenman, maar dan zoals in de mythologie een vogelman kan zijn…”. Als je je maar genoeg in elkaar kunt verplaatsen zijn we misschien allemaal wel een beetje trans. Ik geloof eerlijk gezegd helemaal niet dat er zoiets bestaat als honderd procent mannelijkheid tegenover honderd procent vrouwelijkheid. Zie de Duitse wetenschapper Magnus Hirschfeld die rond 1900 tot de conclusie kwam dat er welgeteld 40.046.721 seksuele types zijn. Daar staan we dan met onze miserabele LHBTIQA+ labeltjes. We kunnen nog effe. “… Hij haatte de houding van de meeste mannen tegenover vrouwen, want ook al deed hij dezelfde dingen, de beweegredenen waren anders. Hij wist wat hij zocht. Seks was nooit waar het echt om ging, seks was alleen maar het verrukkelijke vervoermiddel. Vrouwen, alleen vrouwen, waren een middel om dichterbij te komen, in de buurt, in de straling van het geheim waarvan ze de beheersters waren en mannen niet. Door mannen, maar dat zou hij pas veel later zo kunnen zeggen, leer je hoe de wereld is – door vrouwen wát hij is…”. Tuurlijk joh. “… En deze nacht, waar duizend andere nachten, kamers en lichamen overheen geschoven zouden worden, was de onvergetelijkste van alle…”. Hier wordt een religie geboren.

 

Het lichaam als gadget

Het derde deel verspringt naar 1973. Inni is inmiddels veertig, “… de leeftijd waarop je alles voor de derde keer moet doen of gaan studeren voor kwaadaardige oude man…”.  Die dag ziet hij drie duiven, zoals hij op andere dagen te veel blinden, of kreupelen of linkerschoenen langs de weg ziet liggen, wat hem een ‘vaag gevoel van onbehagen’ bezorgt: ‘alsof er ergens toch nog een duister plan omtrent de wereld bestaat’. De eerste duif is een dode duif die hij gaat begraven in het Westerpark met een meisje dat de vogel ook ziet. Langs zijn neus weg deelt Nooteboom nog gauw een geweldige sneer uit naar Jan Wolkers, van wie het meisje een boek in een plastic tas heeft zitten. Daar kan de dode duif wel bij, dat geeft niks, zegt Inni (als je bedenkt dat de duif een symbool is voor de Heilige Geest: die is bij Wolkers wel dood ja). Ze springt bij hem achter op de fiets zoals Moniek van de Ven bij Rutger Hauer in "Turks fruit" (uitgeroepen tot de beste Nederlandse filmscène ooit). De tweede duif laat zich meevoeren op de rand van een omhoog bewegende ophaalbrug waar ze voor moeten stoppen. Vervolgens duikt Inni natuurlijk met het meisje in bed. Als je niet in het ‘hogere’ gelooft, ben je blijkbaar overgeleverd aan het ‘lagere’ oftewel je driften en instincten. Zie Rom. 1:24. Zie “Compassie” van Karen Armstrong. Het meisje vrijt mechanisch. Ze trekken je tegenwoordig aan en uit als een handschoen, denkt Inni. “… Het leek soms nog het meest op een vorm van werken…”. Terwijl hij haar aankijkt: “… Ze had nog niet geleden, en dat was niet per ongeluk. Lijden, had hij geleerd, kon je ook weigeren, en dat werd tegenwoordig op grote schaal gedaan…” (zie de intro van mijn vorige blog). Als het achter de rug is: “… ‘Zie ik je nog eens?’ vroeg hij. ‘Nee. Ik heb een vriend.’…”. Pas als hij twee straten verder is bedenkt hij dat ze geen van tweeën elkaars naam gevraagd hebben. Wat maakt het uit? “… Niets, en toch kwam het hem voor dat er iets mis was met een tijd waarin je naamloos met elkaar naar bed kon gaan…”. Hij besluit haar ‘Duifje’ te noemen.

 

Het numineuze

Inni was in feite net op weg naar een kunsthandel met een paar platen die hij op de kop heeft getikt. Als Nooteboom het over kunst heeft, is hij echt op zijn best. Prachtig beschrijft hij de ‘Lybische Sibylle’ een copy van een ets van Baldini, die Inni bij zich heeft. “… ‘Ze broedt een boosaardige voorspelling uit,’ zei Bernard. ‘En ze heeft konijnenoren, maar dat is waarschijnlijk het Lybische aan haar.’…”. De kunsthandelaar stuurt hem met een Japanse prent naar iemand anders die er meer verstand van heeft: “… Je kunt alleen maar wezenlijk mooi vinden waar je echt iets van weet…”. Onderweg ziet Inni een derde duif zich te pletter vliegen tegen een winkelruit. Hij fladdert toch weer van de grond. “… Duiven, orakelspreeksters, predikers, dit was duidelijk een dag dat het hogere het op hem voorzien had…”. Als hij bij het opgegeven adres aankomt, ziet hij een magere, oriëntaals uitziende man als in trance naar een zwarte kom in de etalage staren. “… Sommige dingen drukken rust uit, andere zijn machtig. Maar het is niet altijd zeker waar die macht op berust…”. Even verder: “… Het beste kon je misschien nog zeggen dat die pot, kom, of hoe je het eenzame voorwerp dan ook noemde, eruitzag alsof hij ontstaan was, spontaan, niet door mensen gemaakt. Hij was letterlijk sui generis, hij had zichzelf gecreëerd en heerste over zichzelf en over wie naar hem keek. Men zou voor deze kom gerust bang mogen zijn…”. De man stapt na hem naar binnen, gevolgd door twee Japanners, met wie de winkeleigenaar een gesprek aangaat. “… Ik zag dat u belangstelling had voor de raku-kom…”, zegt de man plotseling. Inni antwoordt dat hij er geen verstand van heeft, maar dat er voor zijn gevoel een soort van dreiging uitgaat van de kom. “… Samen liepen ze de kant van de etalage op. De kom stond nu beneden hen zodat hij erin kon kijken, en het was alsof hij in de diepte van een oog keek, of in een tot het oneindige verkleinde diepe zwarte poel. De kom staarde terug, hol, zwart glanzend, de afgezant van een universum waar een oningewijde niets te zoeken had. ‘Kuroraku,’ zei de man naast hem. Het klonk als een bezweringsformule, alsof door het uitspreken van die woorden de geheimzinnige kracht van de kom beteugeld kon worden…”. Met een klein sleuteltje opent de kunsthandelaar vervolgens de etalage, om de kom aan de Japanners te laten zien. “… Nu gaat er iets vreselijks gebeuren, dacht Inni. Zo’n kom laat zich niet straffeloos weghalen. Hij zag hoe het gezicht van de man naast hem grauw was geworden onder het bruin…”. Dan ziet Inni de kom pas goed: “… Als een grauwe melkweg dreef een baan van lichtere, ruwe punten door de diepe duisternis van de zwarte binnenkant. Wie zou hier uit durven drinken?...”. Uiteindelijk verkoopt de winkelier de kom aan de Japanners. Als ze de deur uit zijn biedt hij zijn excuses aan de oriëntaalse man aan die hij tot Inni’s verrassing Taads noemt. Hij vraagt hem of ene Arnold Taads soms familie van hem is. “… Ja, dat was mijn vader…”. Inni vraagt direct of hij wat met hem wil gaan drinken. Taads junior heeft het niet zo op café’s, maar vraagt Inni mee naar zijn huis in de Pijp.

 

Verlossing

Taads junior blijkt met zijn kaalgeschoren kop ook al een monnik: een zenboeddhist. Zijn enge kamer is helemaal wit en zo goed als leeg. “… De zeventiger jaren. Nog hadden ze de deur van de Kerk niet achter zich dichtgeslagen of ze kropen als bedelaars naar de blote voeten van guru’s en swami’s. Eindelijk waren ze alleen in een mooi leeg universum dat over zijn zelfgemaakte rails zoefde als een trein zonder bestuurder en er werd weer uit alle ramen om hulp geroepen…”.  Ze drinken groene thee. “… ‘Ik bereid me ergens op voor,’ zei Philips Taads. ‘Waarop?’ ‘Op mijn verlossing.’…”. Inni vraagt zich af of alle Taadsen niet gewoon knettergek zijn. “… Zij leefden één meter boven de grond, waar die woorden hun natuurlijke domein hadden. Misschien konden ze ook wel vliegen…”. Even verder: “… ‘Verlossing is een katholiek begrip,’ zei Inni. ‘Niet zoals ik het bedoel. Bij de katholieken is het een ander die jou verlost. Je kunt aan die verlossing deelachtig worden, maar dat zegt me niets. Ik verlos mezelf.’ ‘Waarvan?’ ‘Eerst van de wereld. Dat is me erg meegevallen, het is niet moeilijk. En dan van mezelf.’ ‘Waarom?’ ‘Het leven hindert me. Het hoeft niet.’ ‘Dan moet je zelfmoord plegen.’ Taads antwoordde een tijdlang niet. Toen zij hij zacht: ‘Ik wil af van het ding dat ik ben.’…”. Zie “Mijn weg van Boeddha naar Christus” van Esther Baker die zich ook bijna dood heeft gemediteerd. “… ‘Wat ik bedoelde te zeggen is dat ik het onverdraaglijk vind om een lichaam nodig te hebben om te bestaan,’ zei Taads. Toch katholiek, dacht Inni. Het smerige lichaam als hinderpaal op weg naar het heil…”. Hij vlucht bijna het huis uit.

 

Omgekeerde schedels

Buiten is het heiig. Er komt een onweerslucht ‘als een leger’ opzetten. Inni gaat de prent ophalen die hij bij de oosterse kunsthandelaar heeft laten liggen. De laatste vertelt dat hij Taads moet waarschuwen als hij een onbetaalbare raku-kom tegenkomt: “… Hij leeft in zijn eigen Japan, onze vriend…”. Hij heeft Taads ontmoet tijdens yogales, waar hij mee gestopt is omdat hij bang begon te worden zichzelf te verliezen: “… het verandert geleidelijk je wezen, tenminste zo voelde ik het – je verandert, je staat anders in de wereld, het is niet alleen maar een beetje gymnastiek…”. Hij is zich rot geschrokken van de heftige reacties van Taads, die na een sessie een enorme huilbui kreeg, “… alsof hij zichzelf uit wou kotsen, zo sterk. Een andere keer kon hij zijn handen niet meer uit een kramp krijgen…”. Het is allemaal niet zo onschuldig als het lijkt. “… Ik zit al de hele dag tussen het verhevene, al heb ik daar dan een vrij perverse band mee. Plat gezegd, ik durfde niet meer…”. De handelaar laat hem een boek vol Japanse theekommen zien: “… Wat was er nu precies zo mysterieus aan kommen, of, als je het er dan toch over had, aan kelken? Omgekeerde schedels die niet langer iets bedekten, niet meer naar de aarde gericht waren maar naar de hemel, dingen waar iets in kon, maar alleen iets wat van boven kwam, uit de bovenwereld van zonnen, manen, goden en sterren…”. Het goud van de kelk die bij de mis wordt gebruikt roept bloed en wijn op. Bij de theeceremonie gaat het niet zozeer om de thee, maar om ‘hoe’ je drinkt: “… De vorm van de ceremonie moest uiteindelijk tot een innerlijke ervaring leiden die de weg wees naar de gesloten tuinen van de mystiek…”. Inni: “… Wat een eigenaardig ras was de mensheid toch dat er, hoe dan ook, altijd voorwerpen aan te pas moesten komen, gemaakte dingen die de passage naar de schemergebieden van het hoge gemakkelijk moesten maken…”. Samen luisteren ze naar de auto’s buiten die beginnen te toeteren omdat er een vrachtwagen vastzit: ‘woedekreten van een orang-oetan die geen banaan kan vinden’. “… ‘In 1480,’ zei Riezenkamp, ‘maar niemand weet het, heeft een heks deze plek vervloekt en gezegd dat Amsterdam in chaos en hels lawaai ten onder zou gaan.’…”. Of Inni zich kon voorstellen hoe onvoorstelbaar stil de wereld was waarin de oosterse asceten hun gedachten uitbroedden. “… Wij zijn andere mensen geworden. We zien er nog net zo uit, maar we hebben er niets meer mee te maken. Anders geprogrammeerd. Wie nu nog zo wil worden moet een behoorlijke portie gekte meebrengen om het hier dan nog uit te houden. We zijn er niet meer op gebouwd…”. Die nacht leest Inni de roman die Taads junior hem heeft meegegeven: “Thousand Cranes” van Kawabata, over “… een uit ragfijne woorden gesponnen levensgevaarlijk web waarin mensen gevangen zaten en theekommen het voor het zeggen hadden, kommen die de geest van hun vorige eigenaars bewaarden en die vernietigden, of, zoals in dit verhaal, vernietigd werden…”.

 

Requiemmis voor drie heren

Na vijf jaar belt de kunsthandelaar dat hij eindelijk een klassieke akaraku-kom voor Taads junior heeft gevonden. Of Inni komt kijken. Een kom uit de onbenoembare voortijd met de kleur van dode bladeren: “… Was de zwarte kom nog dreigend, deze was aan dergelijke interpretaties voorbij…”. Taads betaalt contant een onmogelijk bedrag. Eindelijk heeft hij wat hij wil: “… Nu heeft hij niets meer te willen…”. Een paar weken later worden Inni en de kunsthandelaar uitgenodigd voor een theeceremonie bij Taads thuis. Dat wordt geen grapje…

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 200 blz., ISBN 978 940 313 505 2, 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier