Menu

maandag 16 maart 2026

De verborgen geschiedenis – Donna Tartt

 


“… Dionysos (is) de Meester van de Zinsbegoocheling, die een wijnrank kon laten groeien uit een scheepsplank en in het algemeen zijn aanhangers de wereld anders kon laten zien dan ze is…”  - E.R. Dodds in “The Greeks and the Irrational”

 

De romantici zijn volgelingen van Dionysos, aldus Safranski in mijn vorige blog. “De verborgen geschiedenis“ (1992), het bedwelmende debuut van de Amerikaanse schrijfster Donna Tartt (1963) dat sommigen af serveren als ‘kwaliteitspulp’ terwijl het skyhigh in alle rankinglijsten eindigde (dan doe je toch iets goed, volgen mij), is bij uitstek een ‘dionysische’ tragedie. Een en ander verwijst naar de door Euripidus in het drama “Bakchai” beschreven ‘roes’, die de maenaden, de vrouwelijke volgelingen van Dionysos, bereiken: een uitzinnige staat van bewustzijn waarin ze dieren verscheuren, geslachtsgemeenschap hebben en dergelijke meer.  “… ‘We geven het niet graag toe,’ zei Julian, ‘maar je zelfbeheersing verliezen is iets dat beheerste mensen zoals wij onnoemelijk fascineert…”. BookTokkers labelen “De verborgen geschiedenis”, een kruising tussen “Misdaad en straf” van Dostojevski en “Bloemen op zolder” van Virginia Andrews, onder het genre ‘dark academia’. Uit de proloog blijkt dat het verhaal over een student gaat, Bunny, die dood wordt gevonden in een besneeuwd ravijn. De verteller, Richard Papen, inmiddels achtentwintig, en zijn vrienden hebben er iets of alles mee te maken. Eerder besprak ik van Donna Tartt "Het puttertje".

 

Übermenschen

Het verhaal. Richard Papen laat zijn onbevredigde tienerjaren in Plano, Californië, achter om aan een kleine en exclusieve universiteit te gaan studeren in Vermont, waar hij al snel gefascineerd raakt door een vijftal stinkend rijke, wereldvreemde studenten Grieks en hun elitaire prive-docent Julian Morrow. Ze komen over als een stel Nietzscheaanse ‘übermenschen’: “… Zijn studenten waren – als dat al iets zei over zijn onderricht – tamelijk imponerend, en hoe sterk ze onderling ook verschilden, ze hadden allemaal iets kils over zich, een wrede, gekunstelde charme die verre van modern was en de vreemde, koele sfeer van de klassieke wereld ademde: ze waren schitterende creaturen, die ogen, die handen, die blikken – ‘sic oculos, sic ille manus, sic ora ferebat’…”. De impulsieve, joviale Bunny, zoon van een beroemde voetballer en laatste in de rij van vijf jongens, die iedereen geld aftroggelt omdat hij als het erop aan komt geen cent te makken heeft, evenals Richard Papen zelf. De tweeling Charles en Camilla, engelachtige wezen opgevoed door hun oma, die het liefst in het wit rondlopen. De stijve Henry met zijn ouderwetse Engelse tweedpakken en eeuwige paraplu. En, last but not least, de angstwekkend magere, knokige, elegante, roodharige, homoseksuele Francis, met zijn prachtige gesteven hemden, dubbele manchetten, schitterende stropdassen, en zwarte overjas die onder het lopen achter hem opbolt, “… waardoor hij er uitzag als een kruising tussen een studerende prins en Jack the Ripper…” .

 

De last van het zelf

Na de nodige inspanningen weet Richard zich de kliek binnen te wurmen, waarmee hij een jaar lang optrekt. De beschrijving van zijn eerste les knalt het boek binnen en wordt niet meer geëvenaard, vind ik. “… Het gesprek ging die dag over het verlies van het zelf, over Plato’s vier soorten goddelijke waanzin, over waanzin in alle vormen; hij begon over de last van het zelf, zoals hij het noemde, en de reden waarom mensen het zelf willen verliezen…”. Alleen al hoe Julian Morrow, een Baudelaire-achtig type, van start gaat: “… Ik hoop dat we allemaal klaar zijn om de wereld der verschijnselen te verlaten en die van het verhevene binnen te gaan?...”. Of zijn pupillen ook niet vinden dat onze individuele ziel ons ongelukkiger kan maken dan wat ook? We willen er maar al te graag van af toch? Hoe verlies je jezelf? Door waanzin. De Erinyen of Furiën maken de mensen krankzinnig door hun al aanwezige eigenschappen tot in het extreme te versterken. Door liefde. Het opgaan in de ander. Door oorlog. Het opgaan in de vreugde van de strijd. Lees Xenephon. Lees Thucydides. Ook bij de Grieken werd oorlog gezien als gedeeltelijk bepaald door de wil van de goden (zie Willem Ouweneel in “Mozes, Messias, Mohammed” over het idee in zowel het christendom als de islam dat engelen meevechten in de strijd). Volgens Herodotus profeteert het orakel van Delphi inzake de Spartanen dat Apollo en Athena Nike ‘genood of ongenood’ aan hun kant komen meevechten. Bloedvergieten mag dan iets verschrikkelijks zijn, maar de bloedigste passages in Homerus en Aeschylus zijn vaak de schitterendste, aldus Julian. “… Welke beelden uit de poëzie staan in ons geheugen gegrift, van welke beelden houden we het meest? Juist die. De moord op Agamemnon en de toorn van Achillus. Dido op de brandstapel. De messen van de verraders en het bloed van Caesar; weten jullie nog hoe Suetonius beschrijft dat zijn lichaam op de baar wordt weggedragen, terwijl één arm neerhangt?’ ‘De dood is de moeder van de schoonheid,’ zei Henry. ‘En wat is schoonheid?’ ‘Ontzetting.’ ‘Mooi gezegd,’ zei Julian. ‘Schoonheid is zelden zacht of troostrijk. Integendeel. Echte schoonheid is altijd schokkend.’…”. Even verder: “… We denken dat we vele verlangens hebben maar in feite hebben we er maar één. Welke?’ ‘Om te leven,’ zei Camilla. ‘Om ééuwig te leven,’ zei Bunny met zijn kin in zijn handpalm…”. De toon is gezet.

 

Extase

Na de pauze gaat het over de vormen van waanzin die de goden ingeven: poëtische, profetische en dionysische. De laatste is verreweg de raadselachtigste: ‘religieuze extase’.  De beschaafde vormelijke Grieken lieten zich vaak en masse meeslepen in de wildste vervoering: “… dans, razernij, doodslag, visioenen - voor ons, denk ik onomkeerbare vormen van klinische krankzinnigheid. Maar de Grieken, althans sommige, konden gek worden en weer normaal, naar believen…”. Er bestaat veel raadselachtige documentatie over. “… Volgens sommigen kwam het door vasten en bidden, volgens anderen was drank de oorzaak. Het feit dat het bij deze hysterie om een groepsproces ging had er in ieder geval ook iets mee te maken. En toch is het extreme karakter van het verschijnsel moeilijk te verklaren. Die extatische mensen vielen kennelijk in een niet-rationele, pre-intellectuele staat terug, waar de persoonlijkheid plaatsmaakte voor iets heel anders, en met ‘anders’ bedoel ik iets dat blijkbaar niet sterfelijk was. Onmenselijk…”. Richard: “… Ik dacht aan het toneelstuk de ‘Bacchae’ met zijn geweld en beestachtigheid waar ik bang van werd, net als van het sadisme van hun moordzuchtige god. Vergeleken met andere tragedies waarin, hoe meedogenloos ze ook waren, een herkenbaar rechtvaardigheidsprincipe heerste, was het een overwinning van het barbarisme op de rede: duister, chaotisch en onbegrijpelijk…”.

 

Als de stoppen doorslaan

Wij hebben beschaving verworven door de welbewuste onderdrukking van het oude, dierlijke zelf. Zie Karen Armstrong in “Compassie”. Julian vindt het ‘verkeerd’ het primitieve zelf van onze emoties en de driften te doden. Waarom? “… Omdat het gevaarlijk is het bestaan van het irrationele te negeren. Hoe beschaafder, hoe intelligenter en hoe geremder iemand is, hoe meer behoefte hij heeft aan een manier om de oerimpulsen, die hij moeizaam heeft onderdrukt, te kanaliseren. Anders zullen die taaie oude krachten zich ophopen en verhevigen totdat ze sterk genoeg zijn om los te barsten, door het uitstel des te sterker geworden en vaak machtig genoeg om de wil helemaal weg te vagen…”. Zie de Romeinse keizers. Tiberius, de lelijke stiefzoon van de goddelijke verlosser Augustus, die geacht werd in zijn voetsporen te treden. Natuurlijk lukte hem dat niet. Hoe hij ook zijn best deed, het was nooit goed genoeg. Het volk haatte hem. Uiteindelijk sloegen de stoppen door. “… Hij liet zich meeslepen door zijn perversies en hij stierf oud en gek, verloren in de lusthof van Capri: niet eens gelukkig, zoals je zou hopen, maar ellendig. Voordat hij stierf schreef hij een brief aan de Senaat: ‘Mogen de Goden en Godinnen mij treffen met een vollediger vernietiging dan ik nu dagelijks onderga.’ Denk eens aan de mannen die na hem kwamen. Nero. Caligula…”.

 

Romeinse logica

Het genie van de Romeinen en misschien tegelijk hun fout, was hun bezetenheid met orde, volgens Julian: “… Je ziet het in hun bouwkunst, hun literatuur, hun wetten: die heftige ontkenning van het duistere, het onredelijke en de chaos…” (zie ook: “De nieuwe Romeinen” van Gerhard Mehrtens). Daarom vindt hij het ook begrijpelijk dat ze de christenen genadeloos hebben vervolgd, terwijl ze anders zo tolerant tegenover vreemde religies stonden: “… wat een idee dat een gewone misdadiger uit de dood zou zijn verrezen, hoe stuitend dat zijn volgelingen hem vereerden door zijn bloed te drinken…”. Misschien waren ze niet alleen bang voor zoveel irrationaliteit maar voelden ze zich er tegelijk verschrikkelijk toe aangetrokken (dat denk ik ook altijd over christenen die diep in het occulte duiken om medechristenen ertegen te waarschuwen). “… Pragmatisten zijn vaak vreemd bijgelovig. Ondanks al hun logica leefden de Romeinen immers in grotere angst voor het bovennatuurlijke dan welk volk ook…”.

 

Absoluut vrij te zijn

De Grieken waren anders. Ze wisten dat het dom was de onzichtbare wereld en de oude goden te negeren. Dat we sidderen voor alles wat we mooi noemen is een typisch Grieks idee. “… En wat kan er huiveringwekkender en mooier zijn voor de zielen als die van de Grieken en van ons dan het volledige verlies van zelfbeheersing? De ketenen van het bestaan voor even af te werpen, de toevalligheid van ons sterfelijke zelf te vernietigen? Europides zegt over de Maenaden: hoofd achterover, keel naar de sterren, ‘meer herten dan mensen’. Absoluut vrij te zijn! We zijn natuurlijk heel wel in staat deze destructieve hartstochten op meer vulgaire en minder efficiënte manieren te botvieren. Maar hoe zalig moet het zijn om ze in één uitbarsting los te laten! Te zingen, te schreeuwen, blootsvoets te dansen in het bos in het holst van de nacht, net zo onbewust van je sterfelijkheid als een dier! Het zijn machtige mysteriën. Het loeien van stieren. Bronnen van honing die uit de grond opwellen. Als onze ziel sterk genoeg is kunnen we de sluier wegrukken en die naakte, verschrikkelijke schoonheid recht in het gezicht zien; laat God ons verteren, verzwelgen, onze botten verweken. En ons dan herboren uitspuwen…”. Dat is voor Julian de verschrikkelijke verleidelijkheid van het dionysische ritueel. Het vuur van het zuivere zijn. “… Iemand – was het Van Gogh? – zei dat oranje de kleur van gekte is…”.

 

Spelen

Dat Donna Tartt welbewust de Romantiek als filosofische stroming hanteert, blijkt onder andere uit het feit dat als Richard zijn studeren aanduidt als ‘werk,’ Julian hem corrigeert door op te merken dat wat zij doen ‘spelen’ is. Zie mijn vorige blog: Friedrich Schiller die mensen ‘gevaarlijke dieren’ noemt die moeten leren ‘spelen’.  Het stikt van fragmenten als deze: “… Terwijl ik op mijn zij lag te staren naar een poel wit maanlicht op de houten vloer, bolden de gordijnen in een windvlaag op, lang en bleek als spoken. En de bladzijden van de ‘Parmenides’ ritselden alsof een onzichtbare hand erdoor bladerde…”. Ik ga niet het hele verhaal in “De verborgen geschiedenis” langs, dat moet je zelf maar lezen. Het is per slot van rekening een - weliswaar filosofische - thriller. Ik beperk mij tot de passages die te maken hebben met wat mij het meest interesseert: het dionysische.

 

Pneuma enthousiastikon

Julian Morrow begeestert. De Griekse cultuur stijgt het groepje studenten naar het hoofd. Op een gegeven moment vertelt Henry na een reeks geheimzinnige gebeurtenissen aan Richard hoe hij bezeten raakte van het idee samen met de groep een bacchanaal te houden. ‘Beauty is terror’: wat kan er huiveringwekkender en mooier zijn voor zielen van de Grieken en van ons dan het volledige verlies van zelfbeheersing? De helderziende krankzinnigheid van Plato. De dionisysche geestvervoering. “… De oude commentatoren zijn er heel terughoudend over. Met veel moeite lukte het me sommige van de gewijde riten te achterhalen – de gezangen, de heilige voorwerpen, wat je moest dragen, doen en zeggen. Het mysterie zelf was moeilijker: hoe kreeg je jezelf in die toestand, wat was de catalysator?...”.  Ze probeerden van alles uit: “… Alcohol, drugs, bidden, zelfs kleine doses gif…”. Van lakens maakten ze tunieken: “… daar zaten we dan, midden in de nacht op de heuvel achter Francis’ huis, dronken, in chitons, Griekse hymnen te zingen als bij een soort ontgroening en ineens begon Bunny zo hard te lachen dat hij als een kegel omviel en van de heuvel rolde…”. Waken, vasten, plengoffers, er gebeurde niets. “… We hebben takjes dollekervel gebrand en de dampen opgesnoven. Ik wist dat de Pythia laurierbladeren kauwde, maar dat werkte ook al niet…”. Ze leken wel gek. Uiteindelijk besefte Henry dat hij mogelijk iets over het hoofd zag omdat hij zich vastpinde op de beschrijvingen van de Pythia “… de ‘pneuma enthousiastikon’, giftige dampen en dergelijke…”, in plaats van de bacchische methoden.

 

Zuiverheid

Want: “… om in dit of welk ander mysterie ook de god te ontvangen moet je in een staat van ‘euphemia’, rituele zuiverheid, verkeren. Dat is in wezen het bacchische mysterie. Plato heeft het erover. Voordat het goddelijke de overhand kan krijgen, moet het sterfelijke zelf – onze stoffelijkheid, het deel dat in ontbinding overgaat – zo schoon mogelijk worden gemaakt…”. Door symbolische handelingen: water over het hoofd gieten, baden, vasten. Maar ook dat had geen resultaat, omdat een religieus ritueel volgens Julian pas effect oplevert als het betekenis voor je heeft. Zoals de “Divina Comedia” voor iemand die geen christen is, ook onbegrijpelijk is. “… ‘Simpel gezegd,’ zei hij, ‘we geloofden niet. En geloof was de enige absoluut noodzakelijke voorwaarde. Geloof en totale overgave.’…”. Uiteindelijk besloten ze het nog één keer te proberen voor het weer omsloeg: “… We hebben drie dagen gevast, langer dan we ooit hadden gedaan. In een droom zag ik een boodschapper. Het liep allemaal gesmeerd, het stond te gebeuren en ik had een gevoel dat ik nog nooit had gehad, dat de werkelijkheid om ons heen zelf op een prachtige en gevaarlijke manier veranderde, dat we gedreven werden door een kracht die we niet begrepen, naar een bestemming die ik niet kende…”. Ze besluiten laat op een avond weg te glippen zónder Bunny, die alles altijd op het laatste moment verknalt.

 

God is een serieus iets

En het wérkte, zegt Henry eenvoudig: “… Het was hartroerend. Fantastisch. Toortsen, duizeligheid, zingen. Wolven huilden om ons heen en een stier loeide in het donker. De rivier was wit. Ik weet nog dat ik dacht dat het net een versneld afgedraaide film was, de maan werd vol en nam weer af, wolken vlogen langs de hemel. Wijnranken groeiden zo snel uit de grond dat ze zich als slangen om de bomen slingerden, seizoenen gingen in een oogwenk voorbij, het konden wel hele jaren zijn geweest... Ik bedoel, wij beschouwen verandering in de wereld der verschijnselen als het wezen van de tijd, maar dat klopt helemaal niet. De tijd is iets wat voorjaar en winter, geboorte en aftakeling, goed en kwaad trotseert, allemaal. Het is iets onveranderlijks en heerlijks en het is absoluut onverwoestbaar. Dualiteit bestaat niet meer, er is geen ego, geen ‘ik’ en toch heeft het niets van die vreselijke vergelijkingen die je in Oosterse religies soms hoort, dat het zelf een druppel water is die opgaat in de oceaan van het heelal. Het is meer alsof het heelal uitdijt tot de grenzen van het zelf. Je kunt je niet voorstellen hoe saai de alledaagse grenzen van het gewone leven lijken na zo’n extase. Het was of ik pasgeboren was. Ik wist mijn naam niet meer. Mijn voetzolen waren aan flarden, maar ik voelde het niet eens…”. Het zijn toch seksuele riten, vraagt Richard. “… ‘Natuurlijk,’ zei hij vriendelijk, bedaard als een priester met zijn donkere pak en zijn ascetische bril. ‘Dat weet je net zo goed als ik.’ We zaten elkaar een ogenblik aan te kijken…”. Of hij Dionysus heeft gezien? “… Je hebt geen idee hoe Dionysus eruitziet. We hebben het over God. God is een serieus iets…”, antwoordt Henry.

 

Razernij

Toen ze weer tot zichzelf kwamen, hadden ze geen flauw idee waar ze waren. Ze moesten eindeloos hebben gerend. “… Charles had een bloederige beet in zijn arm en hij wist niet hoe hij eraan kwam, maar het was geen mensenbeet. Te groot. En vreemde putjes in plaats van tandafdrukken. Camilla zei dat ze dacht dat ze een hert was; en dat was ook merkwaardig, want wij herinnerden ons dat we een hert achterna zaten door de bossen, kilometers ver leek het wel…”. Haar haar zat onder het bloed en de modder. Hun kleren hingen in repen aan hun lijf. Even verder: “… Daar stonden ze te hijgen, met glazige en agressieve ogen – ik herkende ze helemaal niet en we waren misschien wel gaan vechten, als de maan niet net achter een wolk vandaan was gekomen. We staarden elkaar aan. Het begon allemaal weer terug te komen. Ik keek naar mijn hand en zag dat die onder het bloed zat, en iets ergers dan bloed…”. Met andere woorden: de bacchantische furie eindigde in een slachtpartij. Zie ook Anya Niewierra die het gedrag van een oorlogsmisdadiger in “De Camino” uitlegt aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Het duurde dagen voor de groep weer wat bij zinnen was. Kortom, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn.

 

Innocence lost

Achter het perfecte plaatje van het sjieke universiteitsleven blijkt zich een werkelijkheid schuil te houden waar de honden geen brood van lusten. Als er één doelgroep is die geen raad weet met het ‘zelf’ zijn het de studenten wel, die voornamelijk snuivend en zuipend door het leven gaan. Iedereen verschuilt zich achter een masker. Houdt de schijn op. Speelt - soms een hele geraffineerde - rol. Je zou kunnen zeggen dat de bubbel waar Richard Papen deel van uit maakt, aan eigen arrogantie, eigen hybris ten gronde gaat, zoals Prometheus, King Lear en Macbeth vóór hen. Hoogmoed komt voor de val. Richard zegt trouwens zelf dat hij een kei is in liegen. De uitverkorenen van Julian Morrow voelen zich mijlenver verheven boven het banale plebs. Zeker jonge mensen zijn gevoelig voor wijze leermeesters. Sterker, we zouden allemaal wel een ‘starets’ willen tegenkomen, iemand die ons de weg wijst door onze moeilijke levens. Maar in de literatuur gaat het meestal helemaal mis met zulke mentors: zie “De magiër” van John Fowles of “Op weg naar de Harz” van Wessel te Gussinklo. Ergens is “De verborgen geschiedenis” ook een soort ‘moraliteit’. Stel op prinsen géén vertrouwen. De groep valt uiteen onder de druk van wroeging, ziekmakende zelfkennis en angst. Het is hard ontwaken uit de waan.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, vertaling Barbara de Lange, 624 blz., ISBN 978 940 313 135 1, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

woensdag 11 maart 2026

Romantiek – Rüdiger Safranski

 


Subtitel: Een Duitse affaire

 

Bij alles wat er heden ten dage in de wereld gebeurt, valt de literatuur bijna in het niet. Toch ga ik maar gewoon door met mijn boekenblog. Al is het maar voor ‘de schoonheid en de troost’. Cees Nooteboom wordt wel eens getypeerd als een ‘neo-romanticus’. De ‘begeesterde’ Arno Tieck in “Allerzielen”- zie mijn vorige blog - staat voor zijn vriend, de Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski (1945), die een prachtig werk schreef over de Duitse Romantiek: “… De Romantiek is een tijdvak, het romantische een geesteshouding die niet aan een tijdvak is gebonden…”. De Romantiek staat voor de zoektocht naar alles wat tegen de onttoverde wereld valt in te brengen. Voor ‘gevoel’ tegenover ‘ratio’. De romantici zijn ‘volgelingen van Dionysus’. De romantische geest “… houdt van de vergezichten van de toekomst en van het verleden, van de verrassingen binnen het alledaagse, van de extremen, van het onbewuste, van de droom, van de waanzin, van de labyrinten van de reflectie. De romantische geest is geen constante, hij is veranderlijk en tegenstrijdig, hunkerend en cynisch, verzot op het onbegrijpelijke en volks, ironisch en dweepziek, zelfingenomen en sociaal…”. De oude Goethe noemde het romantische een ziekte: “… Maar ook hij wilde er geen afstand van doen…”. Eerder besprak ik van Rüdiger Safranski: “Goethe. Kunstwerk van het leven”.

 

Herder kiest het ruime sop

Safranski laat de Romantiek beginnen bij de jonge predikant Johann Gottfried Herder (1744-1803) die het in Riga aan de stok krijgt met de orthodoxen, in vervelende literaire vetes verwikkeld raakt en zo genoeg krijgt van zijn benauwde leventje dat hij in 1769 halsoverkop zijn biezen pakt en de boot naar Frankrijk neemt: “… De ontmoeting met een onbekende wereld wordt een ontmoeting met zichzelf…”. Boordevol ideeën komt hij terug. Hij is de ontdekker van het radicale ‘individualisme’ of ‘personalisme’. Wat hij in zichzelf aantreft is allemaal zeker geen ‘rozengeur en maneschijn’: “… Treffend ook dat (…) de diepste diepte in onze ziel door nacht is toegedekt!...”. Alles wat leeft ondergaat niet alleen de euforie van het groeien en scheppen, maar ook het angstaanjagende en bedreigende. Wij zijn overgeleverd aan de zuigkracht van het worden en van het vergaan. Het gaat erom dat de enkeling zijn hoogstpersoonlijke ‘levenskiem’ ontwikkelt. Dat je ‘wordt wie je bent’. Daar heb je een gemeenschap voor nodig. Wat voor de enkeling geldt, geldt ook voor de gemeenschap. De gemeenschap is een verband voor wederzijdse hulp tussen unieke individuen waaruit zich een originele volksgeest ontwikkelt (zie "Door de sneeuw" van Tommie Goerz). Om deze volksgeesten op het spoor te komen legt Herder zich toe op het verzamelen van volksliederen en andere culturele uitingen:  “… Vele volken, vele stemmen. De diversiteit laat de rijkdom van het menselijke pas tot bloei komen…”. Hij is wars van iedere vorm van heerschappij: “… Zo mag geen volk in Europa zich voor andere afsluiten en in zijn dwaasheid zeggen: bij mij alléén, bij mij huist álle wijsheid…”. Herder: “… geen volk is door God als enige uitverkoren volk op aarde; de waarheid moet door állen worden gezocht, de tuin van het gemenebest moet door állen worden aangelegd…”. Herder is een voorloper van de moderne antropologie, die de mens ziet als een wezen met gebreken, dat cultuur schept om die gebreken te compenseren. Zo ontrolt zich, varend op ons innerlijk kompas, de dynamische geschiedenis. De verwerkelijking van onze humaniteit is een soort ‘experimentum mundi’, een ‘werelds experiment’. In gang gezet door God (zie Gen. 1:26,27)?

 

Sturm und Drang

De vroege Romantiek uit zich in de door de Franse Revolutie ontketende ‘Sturm und Drang’. Bijna elke schrijver zag de revolutie als een historisch ‘morgenrood’, het aanbreken van een nieuw tijdperk in de mensheidsgeschiedenis. De neiging met een schone lei te willen beginnen maakt korte metten met tradities, gehechtheden, gewoontes, kortom de hele context waarin men verwikkeld is. De elite weet het gepeupel te mobiliseren. Demagogen en doctrinaire figuren gebruiken de ‘gewone man’, die het geheel niet overziet, als speelbal. Agitators liegen en bedriegen. In de algehele roes gaat de rede kopje-onder: zie de massale terechtstellingen, de pogroms, de plunderingen in de bezette gebieden. Zie de septembermoorden van 1792, waarbij bijna tweeduizend mensen door het plebs van Parijs over de kling worden gejaagd. Revolutionaire legers overspoelen Europa. ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ wordt verkocht als een politieke leus, maar religieus beleefd. Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) verafschuwt de ‘vulkaanuitbarsting’ van het ‘massatijdperk’.  “… Het geleidelijke trok hem aan, het plotselinge en gewelddadige stootte hem af, in de natuur evengoed als in de maatschappij. Hij kon goed overweg met de overgangen, niet met de breuken. Hij was een vriend van de evolutie, niet van de revolutie…”. Tegenover de opgewonden tijdgeest stelt hij de kunst en de literatuur: “… De esthetische  vreugden houden ons staande, terwijl bijna iedereen het tegen het politieke leed moet afleggen…”. Even verder: “… We hebben meer dan ooit die gematigdheid en rust van de geest nodig die we alleen aan de muzen te danken hebben…”. Dat is nog steeds zo, denk ik.

 

Gevaarlijke dieren die moeten leren spelen

De Duitse toneelschrijver, filosoof en dichter Friedrich Schiller (1759-1805) denkt dat ‘het spel van de kunst’ de mens pas echt vrij kan maken. Eerst innerlijk en dan pas uiterlijk. De staat heeft de ‘barbaren’ voor hun eigen bestwil aan de ketting gelegd: om ‘anarchie’ te voorkomen. Eenmaal losgeslagen ijlen ze met onbeheersbare woede hun instinctmatige bevrediging tegemoet. Mensen zijn ‘gevaarlijke dieren’ die moeten leren ‘spelen’ met hun driften. Bijvoorbeeld door geritualiseerde wedstrijden: voetbal is oorlog. Schiller betreurt de moderne arbeidsverdeling die de mens ‘fragmenteert’, ‘versplintert’ en ‘verminkt’. “… Er was kennelijk geen ander middel om de talenten van de soort te ontwikkelen dan ze te verdelen over de individuen en ze zelfs tegen elkaar op te zetten…”. De kunst kan je evenwel helpen van je ‘tunnelvisie’ af te komen. Ze spoort je aan al je krachten aan te boren: “… verstand, gevoel, herinnering en verwachting…”. Weer ‘heel’ te worden.

 

De tirannie van de ratio heeft zijn tijd gehad

Schiller noemt zijn tijd de ‘inktvlekkerige eeuw’. Er komt namelijk een enorme leeshonger en schrijfwoede op gang. Zoals psychologen zich anno nu zorgen maken over het gebruik van sociale media, zo waarschuwen pedagogen en cultuurcritici rond 1800 voor de gevolgen van veellezerij. Er zijn geen stedelijke centra waar je uit je dak kunt gaan, schrijft Safranski. Alles is versnipperd, benauwd en klein. Daarom zoekt men imaginair gezelschap ín het boek of reëel gezelschap dóór het boek: zie de ‘salons’. Het licht van de Verlichting is zijn glans verloren. De tirannie van de ratio heeft zijn tijd gehad. Overal steekt een hang naar mysterie de kop op: “… in aristocratische kringen speelde men met de rede en probeerde onderwijl tafels te laten dansen…”. Het raadselachtige wordt hip: “… De wonderdokters, die men eerder in werkinrichtingen had opgesloten, duiken weer op. In de steden drommen mensen weer samen om naar profeten te luisteren die de ondergang van de wereld en de terugkeer van de Messias prediken. In Saksen en Thüringen was de duivelbanner Gassner actief en in Leipzig was de herbergier Schrepfer voor korte tijd een beroemdheid als dodenbezweerder…”. Het pragmatische denken is niet in staat de diepte van het leven en zijn schaduwzijden te vatten. De romantici stemmen zich af op het ontzagwekkende. Scheppen weer genoegen in het duistere, dat van verre komt. Een mentaliteitsverandering die de rationalistische geest verdringt. 

 

Geheime genootschappen en complottheorieën 

Oplichters van het slag Cagliostro komen bovendrijven. Geheime bondgenootschappen en complottheorieën houden de publieke opinie in hun greep. Zie de 'Bundesroman' waarin een onschuldig personage verstrikt raakt in mysterieuze praktijken: “… hij wordt achtervolgd; mensen die alles over hem schijnen te weten kruisen zijn pad; geleidelijk merkt hij dat hij in een web van een onzichtbare organisatie verstrikt zit. Vaak dient daarbij een mooie vrouw als lokmiddel…”. De Epstein-files zijn er niets bij: “… Misschien dringt de protagonist tot het geheime genootschap door, misschien zelfs in zijn diepste krochten, waar hij zwarte spelonken met flakkerende lichten en witte gezichten te zien krijgt. Soms wordt hij ingewijd in de mysteriën van een verborgen kennis of een verhuld oogmerk en leert hij de leiders kennen, maar nooit de hoogste. Bij degenen die zich bekendmaken gaat het tot zijn ontsteltenis vaak om mensen die hij allang kent, maar tot dusver in een ander licht heeft gezien. In deze verhalen heb je soms het goede en het kwade genootschap, en als dan verteld wordt hoe deze twee met elkaar overhoop liggen, wordt het geheel volslagen ondoorzichtig, het wemelt van de dubbelagenten en er zijn haast geen kamers meer zonder dubbele bodems en geen kasten zonder geheime deuren. Je kunt ook niet meer over straat lopen zonder dat je door een agent met een smal gezicht en dunne lippen wordt aangesproken…”. Jezuïeten, vrijmetselaars, illuminaten en rozenkruisers manipuleren de werkelijkheid.

 

Het onbegrijpelijke

De letterkundige Friedrich Schlegel (1772-1829) maakt duidelijk dat wij elkaar en onszelf niet kunnen begrijpen. En dat is maar goed ook. Hoe saai zou de wereld worden als we haar helemaal konden doorgronden: “… Het onbegrijpelijke is dus de levende kracht, waaraan alleen maar afbreuk zou worden gedaan als het verstand haar helemaal zou kunnen blootleggen…”. God is het ‘absoluut onbegrijpelijke’. Hij pleit voor ‘ironie’ als ‘ontzag voor het onbegrijpelijke’. Ironie ‘met een glimlach’ vermijdt zowel de ‘dogmatische arrogantie’ als de ‘starre deemoed’. Ironie is een ‘sociale kunst’. Ze maakt het gesprek mogelijk, omdat ze het dode punt van het zeker weten uit de weg gaat. Ironie verlangt een ‘spelersnatuur’.

 

Me, myself and I

De filosoof en redenaar Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) lanceert de romantische obsessie rond het ‘ik’. Zie de ‘ik-komeet’ Bonaparte. Zie ook Rousseau in zijn “Bekentenissen”: “… Enkel en alleen ikzelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet…”. En Goethe in “Werther”: “… Ik keer terug naar mezelf en ontdek een wereld…”.  Of Novalis: “… De mysterieuze weg leidt naar binnen…”. De laatste voegt er wel aan toe: “… Wie hier blijft staan, is pas halverwege. De tweede stap moet een doelgerichte blik naar buiten, een actief, beheerst observeren van de buitenwereld zijn…”. Safranski: “… In Jena wordt rondverteld hoe Fichte de studenten in zijn college opriep naar de muur tegenover hen te kijken. ‘Mijne heren, denkt u deze muur,’ zei Fichte, ‘en denkt u vervolgens uzelf als het daarvan onderscheidene…”. Dat is nog niet zo makkelijk. “… De meeste mensen zouden nog eerder geloven dat ze een stuk lava op de maan zijn dan een Ik…”, aldus Fichte. Het ‘ik’ wordt volgens hem pas merkbaar in tegenstelling tot een niet-ik. Er zijn ook nog eens twee-ikken: het op de buitenwereld gerichte (empirische) ik en op het innerlijk gerichte (transcendentale) ik. “… Alleen omdat het ‘absolute’ ons is onthouden, zodat we er altijd naar kunnen zoeken, ‘ontstaat de oneindig vrije activiteit in ons’…”, aldus Fichte. Het is makkelijker “… jezelf te ervaren als iets waartegen wordt geduwd en waaraan wordt getrokken, zonder verantwoordelijkheid, als een ding te midden van de dingen, als pure reactie en niet als actie…”, wat volgens Fichte het ‘eigenlijke kwaad’ is, dan je vrijheid ter hand te nemen.

 

Hemelbestormers in Jena 

August Wilhelm en Caroline Schlegel zetten hun huis in Jena open voor een gezelschap hemelbestormende zelfbewuste individualisten die de bestaande omstandigheden aan het dansen proberen te brengen: Ludwig Tieck, Novalis, Clemens Brentano, Sophie Mereau, Hölderlin, Dorothea Veit, Friedrich Schlegel, Jean PaulJohann Wilhelm Ritter. Natuurlijk lopen ze zich tegen de beperkende werkelijkheid te pletter, wat weer voor een hoop ‘weltschmerz’ zorgt.  Het plezier een ‘ik’ te zijn wekt weerstand op. Het zou egoïsme en meedogenloosheid rechtvaardigen. Schiller waarschuwt dat tomeloze fantasie “… ook tot een oneindige val in een bodemloze diepte…” kan leiden, om te eindigen met “… totale vernietiging…”. Jean Paul: “… Ach, als ieder ik zijn eigen vader en is, waarom kan het dan niet ook zijn eigen worgengel zijn?...”. Sommigen raken al te diep verstrikt in hun eigen wildernis (zie “De maagd Marino” van Yves Petry). Sommigen vergen teveel van zichzelf. Clemens Brentano hangt zichzelf uiteindelijk de strot uit: “… Wie me naar mezelf verwijst, doodt me…”. Zij die met hun ik hogerop willen, zullen al snel uitzien naar houvast. Sommigen werpen zich in de schoot van de katholieke Kerk. Vaste banen en vaste relaties komen in het vizier. Traditie is wat teveel gevraagd, maar men verzamelt wel ballades en sprookjes: “.… ‘Het heeft gerijpt in de voorjaarsnacht…’. Goddank hoef je niet alles zelf te verzinnen, je mag je laten dragen en meezwemmen op de stroom die van verre komt…”.

 

De literatuurfabriek

Safranski: “… Van de ‘geforceerde talenten’ waar Goethe enigszins neerbuigend over sprak, was Ludwig Tieck misschien wel de meest ‘geforceerde’…”. Tieck (1773-1853) schrijft er in een ongelooflijk tempo op los. Zijn leraren op school betrekken hem bij een ‘literatuurfabriek’ waar aan de lopende band griezel-, rover- en ridderromans naar de smaak van de massa worden geschreven. Samen met zijn jong overleden vrome vriend Wilhelm Heinrich Wackenrode (1773-1798) maakt hij tijdens zijn studie voettochten naar steden als Bamberg, Pommersfelden, Bayreuth en Neurenburg, waardoor beide heren diep onder de indruk raken van de middeleeuwen.  Ze voelen zich teruggeplaatst in de tijd van Dürer. Zo ontstaat de droom van een Oud-Duitse romantiek. Ze bezoeken de mijnen in het Frankische land: “… Het kwam me voor alsof ik in een of ander geheim genootschap, een mysterieus bondgenootschap werd opgenomen of voor een veemgericht werd gedaagd. Ik herinnerde me dat ik in mijn kinderjaren in mijn dromen soms zulke lange, nauwe, donkere gangen had gezien…”.  Twee motieven van Ludwig Tieck: het verraad van de ‘eenzaamheid van het bos’, dat gezien wordt als de ‘zondeval’, en geheimen die beter ‘in de nacht’ verloren kunnen gaan.

 

Waar geen goden zijn, heersen spoken

Novalis (1772-1801) is een mythische figuur, een Klingsohr, een tovenaar en magiër dan wel een ‘nieuwe Christus’ in de romantische poëzie. In het geheim verlooft hij zich met de dertienjarige Sophie von Kühn. Twee jaar later sterft ze. Alles sleept hem mee naar een imaginair ‘aan gene zijde’. Als Orpheus wil hij ‘voet aan de grond krijgen in het onvergankelijke’. Als het besluit zijn geliefde te volgen in de dood verbleekt, neemt hij zijn studie in de mijnbouw weer op. De ‘roeping tot de onzichtbare wereld’ wordt een ‘roeping tot de onderaardse, nachtelijke wereld’. Zijn fascinatie drukt hij uit in “Hymnen an die Nacht”. Hij gelooft onwankelbaar in de ‘hemel van de nacht en zijn licht, de geliefde’. Als je met een liefhebbende blik in het duister kijkt, tref je er altijd wel iets aan, volgens hem. De nacht is het absolute innerlijk, waartegenover alles wat het daglicht ziet uiterlijk is. De nacht is onze oorsprong. De nacht is ‘de machtige schoot van de openbaringen’. Novalis baant zich een eigen weg naar deze oerwereld. In zijn redevoering “Die Christenheit oder Europa” schrijft hij dat het erop aankomt het ‘gevoel voor het heilige’ dan wel ‘het gevoel voor het onsterfelijke’ “… in jezelf te koesteren en ervoor te zorgen dat het in de huidige wereld niet uitdooft…”. Waar geen goden zijn, heersen spoken. Bijvoorbeeld van het eigenbelang, het nationalisme, het politieke machtsdenken, die de plaats innemen van het verkommerde gevoel voor het goddelijke. “… Men heeft het weten losgescheurd van het geloof en stort zich nu met geloofsijver op de wetenschap als surrogaatreligie…”. Alsof het heelal een reusachtige molen is zonder bouwmeester of molenaar. Een ‘perpetuum mobile’. Alsof de natuur zichzelf in stand houdt.  Een proces dat “… tot gevolg heeft dat de huidige mens ‘rusteloos in de weer’ is ‘de natuur, de aardbodem, de menselijke ziel en de wetenschappen te zuiveren van alle poëzie – om elk spoor van het heilige uit te wissen, om de herinnering aan alle bewonderenswaardige gebeurtenissen en mensen door hun sarcasme te vergallen en de wereld te beroven van haar bonte tooi…”. Zie hoe ‘geloof en liefde’ worden vervangen door ‘kennis en bezit’. De geest van de moderne tijd is er een van ‘metafysische dakloosheid’. Religie is ‘overwonnen chaos’. “… Niets is voor ware religiositeit onmisbaarder dan een middelaar die een verbinding legt tussen ons en de godheid. De mens kan nu eenmaal niet direct met de godheid in relatie staan…”. Dat hoeft voor Novalis echter niet per se Christus te zijn. Zie zijn romantische symbool de ‘blauwe bloem’.

 

Het individu in zijn hoogste potentie

Safranski: “… Als de religie bij de romantici aan de orde van de dag was, ging dat eigenlijk niet om de christelijke religie. Het betrof een fantasiereligie of religie van de fantasie…”. De Bijbel betekent weinig voor Novalis. “… De ‘hogere invloeden’, schrijft hij, hadden zich bij hem via de ‘fantasie’ doen gelden…”. Even verder: “… De christelijke religie, schrijft Friedrich Schlegel in zijn “Ideen”, is oud en krachteloos geworden, en de kunst is ertoe geroepen de religieuze kern te bewaren…”. Kunst en religie zijn één pot nat. Het goddelijke is niet iets van buitenaf of bovenwerelds, maar van zelfvergoddelijking (zie het contrast met wat Eric-Emmanuel Schmitt een kind in “Het evangelie volgens Pilatus” laat zeggen: ‘Mama, diep in mezelf vind ik NIET mezelf’). De mens brengt god voort door iets goddelijks in zichzelf waar te nemen, in zijn midden te vinden, en dat op alle mogelijke manieren mee te delen en uit te dragen. Schlegel wil van de ‘zonde’ af en het alleen nog maar over ‘liefde’, dan wel ‘enthousiasme’ hebben. De ‘god in ons’ is niets anders dan ‘het individu zelf in zijn hoogste potentie’. Schlegel kondigt dan ook aan een ‘nieuwe godsdienst’ te willen stichten, maar bekeert zich op latere leeftijd toch tot het katholicisme.

 

Schöne Seele

In zijn “Reden über die Religion”, een stichtingsakte van een nieuwe, romantische vroomheid, wil de protestantse predikant Friedrich Schleiermacher (1768-1834) ‘het oneindige dichterbij brengen’. Zijn mystieke gevoelsreligie draait om vijf aspecten: 1) De eenheid met het universum dan wel God. Een ervaring die Freud later zal duiden als het ‘oceanisch gevoel’. Het gaat om een ‘geruisloos verdwijnen’ in het ‘onmetelijke’ dat passief wordt ontvangen en niet handelend opgezocht (zie Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik”). 2) Het is anti-institutioneel: geen kerk, geen priesterschap. Omdat je er niet over uitgepraat raakt, gaat het wel om vriendschapsstichtende gemeenschapsvorm.  3) Een overweldigend liefdevolle eenheidservaring sluit de zonde uit. Met het dualisme is ook het kwaad verdwenen. Er is geen plaats voor het christelijke apparaat van kruis, dood en opstanding, laatste oordeel en verdoemenis, dat ons een heilige schrik moet aanjagen. 4) De christelijke dogmatiek ontbreekt. Men wordt voortgedreven door de goddelijke geest die in het binnenste oprijst en praat en handelt vanuit heilige ingevingen. 5) De nadruk ligt op ‘gevoel’ en ‘aanschouwing’. Op de schoonheid van de religieuze ervaring die de mens begeleidt als ‘heilige muziek’. Op een innerlijke harmonie en ‘vrede die alle verstand te boven gaat’ waardoor elke vorm van fanatisme en vijandschap wordt geblokkeerd: “… Als we het oneindige ervaren, oefent dat een verheffende, alles op een hoger plan tillende, grensverleggende invloed op ons uit…”. Schleiermacher wordt wel in verband gebracht met de reformatorische ‘bevindelijkheid’.

 

Gekte

Rond 1800 ontstaat een nieuw soort mythe-onderzoek. De romantici beginnen naar verre en verdwenen sporen van het ontzagwekkende en oneindige te zoeken in de ‘Oriënt’. Men gaat op reis naar het toverachtige Morgenland, waar de wieg van de mensheid heeft gestaan. Men belandt aan de oevers van de Ganges en de Indus, wanneer de stille stroom die in sagen en heilige gezangen door de tijden heen vloeit tot de bron toe wordt gevolgd. Maya. Nirwana. Een periode vol heimwee naar het verleden breekt aan. De ‘geheimen van de wereld’ zouden verborgen liggen in de ‘diepte’ van de voortijd. De romantici komen de dionysische onderstroom van de Griekse cultuur op het spoor: het orgiasme en de roes, waarachter een geheime heilige zin moet schuilen. Hoe gruwelijk is het lot van Oedipus. Hoe vreselijk de pijn van Prometheus. Wat een razernij bij Medea, die haar eigen kinderen vermoordt. Het is alsof de Grieken van de afstand tot het animale leven een afgrond hebben gemaakt, waar ze telkens weer in moeten vallen (zie Cees Nooteboom in “Rituelen” over de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus). Volgens Friedrich Schlegel was het een geniale cultuur, maar nog onverlost, nog ver van het heil verwijderd. De dionysus-cultus inaugureert het demonische. Bij Friedrich Hölderlin (1770-1843) komen de goden letterlijk uit de antieke beelden tevoorschijn. Voor hem zijn ze niet alleen een historische herinnering maar werkelijkheid. Het verwoest zijn geest, hij bezwijkt, wordt er ziek van: “… De meubelmaker Zimmer, die hem jarenlang in de toren in Tübingen vol toewijding verzorgde, heeft het op zijn Zwabische manier gezegd: ‘Door dat gedweep met het pure heidendom is-ie stapelgek geworden. En met al dat denken is-ie op één punt blijven staan, en daar draait hij nog steeds omheen...’ …”.

 

Vaderlandsliefde

In eerste instantie wordt de Franse Revolutie geestdriftig bejubeld. Allengs komt de visie op van een christelijk verenigd Europa onder de geestelijke macht van de universele katholieke kerk. Zie de mythe van het Romeinse Rijk en de voortzetting daarvan, het Heilige Roomse Rijk, dat het in Daniël geprofeteerde vierde wereldrijk zou zijn. Volgens de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen kan dit rijk de antichrist en daarmee de ondergang van de wereld nog tegengehouden (zie ook “De nieuwe Romeinen” van Gerhard F. Mehrtens). De Franse overheersing leidt tot een sterk opkomend Duits nationalisme, gevoed door de romantici. Heidelberg wordt tussen 1806 en 1808 het hoofdkwartier van deze nieuwe, op sprookjes, sagen, volkspoëzie, verhalen, getuigenissen, spreuken, profetieën, melodieën, het Germaanse oervolk en andere Teutoonse tradities gerichte romantische interesse (zie het werk van de gebroeders Grimm). Na zijn mislukte veldtocht in Rusland keren de Duitse romantici zich tegen Napoleon, het ‘genie’, de ‘wereldziel’ die ze eerst zo hebben bewonderd. Nu zou er een kwaadaardige, demonische geest door hem heen werken, een mengeling van Prometheus en Mefisto: “… De geschiedenis of God, om het even, moeten hem met een duistere opdracht hebben opgezadeld…”. Adam Müller noemt hem de ‘noodzakelijke verwoester’ die het ‘evangelie van de dood’ brengt. Volgens E.T.A. Hoffmann is hij een ‘monumentale magnetiseur’ die oprijst uit de nachtwereld. Ook Heinrich von Kleist haat hem, zwelgend in imaginaire wreedheid en moordfantasieën, met argumenten die geleidelijk overgaan in extatische waanzin. Ten oorlog! “… Kalk de pleinen, plaatsen, paden / met hun knoken glanzend wit; / Geef wat raaf en vos versmaadden / aan de vissen maar als maden; / demp de Rijn maar met hun lijken…”. Rusteloos wordt Von Kleist achtervolgd door panische angst voor de leegte, de ‘horror vacui’. Meermalen probeert hij vrienden, geliefden of zomaar kennissen over te halen zich samen met hem van het leven te beroven. “… Uiteindelijk heeft hij ook een vrouw gevonden die bereid was zich door hem te laten doodschieten, zodat hij daarna de hand aan zichzelf kon slaan…”. In de Slag bij Leipzig (ook wel de Volkerenslag genoemd) in 1813 wordt Napoleon trouwens op Duits grondgebied definitief verslagen.

 

Het grote geeuwen

Wat de romantische schrijvers verbindt is onbehagen in de gereglementeerde en geüniformeerde normaliteit. De romantici zoeken nieuwe bronnen tegen de ‘onttovering van de wereld’. Voelen zich gevangen in de ‘stalen kooi’ van de Verlichting. De moderniteit heeft alle magie ‘ijskoud ontraadseld’. Zie de ‘filisters’ die zichzelf niet toestaan zich ergens over te verbazen of iets te bewonderen. “… Het onoverzichtelijke, ook duistere trekt aan als het maar afwijkingen en uitspattingen toelaat, verrassingen in petto heeft en een ‘prikkelende ervaring’ (Eichendorff) mogelijk maakt…”. Bij de romantici begint de carrière van verveling en zinloosheid. “… Als God de verhevene is, is de ervaren leegte zijn schaduw…”, volgens Pascal. Het negatief van het verhevene. Het niets. Zo ontstaat de hectiek van het moderne bestaan. De koortsachtige bedrijvigheid. Veelal zit er niets anders op dan je ziel te verkopen aan het consumentisme. Je een slag in de rondte werken om te spenderen. Verveling is een elitaire ziekte. Zie de hoge heren die zich doodvervelen en daarom maar op jacht gaan of een oorlog beginnen. De verveling bezorgt het ‘grote verschrikkelijke ik’ een katerstemming. Als je niets meer met jezelf weet te beginnen, begint het ‘niets’ iets met jou. Dat maakt de romantische schrijvers tot onze tijdgenoten. “… En zo wordt volstrekt duidelijk waar de romantici eigenlijk tegen vechten als ze het mysterie verdedigen: dat is het gevaar van het moderne nihilisme…”. Als metafysische entertainers verzetten ze zich tegen het ‘grote geeuwen’. Ze hebben niet zozeer een god nodig die helpt en bescherming biedt, dan wel een god die de wereld weer in raadsels hult.

 

Carnaval

“… Het paradijs ligt om de hoek. Maar ook de hel, de afgronden van de ziel…”. Zie de griezelromans. Als de ik-euforie te hoog stijgt volgt vanzelf de omslag. De mens blijkt uit meerdere personen te bestaan. Zie het thema van de schizofrenie in “Het duivelselixer” van E.T.A Hoffmann, die uit nieuwsgierigheid het slagveld van Dresden zou hebben betreden met een glas wijn in de hand: “… Merardus raakt zijn dubbelganger niet meer kwijt. Die zal op zijn schouders zitten en hem opjagen door de donkere bossen…”. Zie de ironische transformatielust van het carnaval waar het lachen verlost van de ernst en de dwang: “… Het carnaval speelt een spel van omkeringen met boven en onder, goed en kwaad, mooi en lelijk, man en vrouw. De neus kan niet lang genoeg zijn, de dwaasheid loopt op handen, met het gezichtsmasker op het achterhoofd…”.

 

Kunst als luxe

Rond de jaren twintig van de negentiende eeuw is het grote tijdperk van de Romantiek voorbij. De gemoedelijke Biedermeiertijd breekt aan. Er komen denkers op die het romantische ‘aan gene zijde’ van de hemel omlaaghalen naar het aardse leven. Friedrich Strauss ((1808-1874) lanceert zijn historische tekstkritiek in “Das Leben Jesu”, waarin iets als een ‘openbaringsgebeuren’ geen enkele rol meer speelt. Volgens Ludwig Feuerbach (1804-1872) scheppen de mensen God in plaats van andersom. Karl Marx (1818-1883) neemt het op voor het proletariaat. De dichter Heinrich Heine (1797-1856): “… Het duizendjarig rijk van de romantiek loopt op zijn eind, en ikzelf was zijn laatste en afgedankte fabelkoning…”.  Hij steunt de communistische en socialistische ideeën, maar weet ook dat de revolutie alleen verheven is als je erover leest: “… In werkelijkheid, schrijft hij, is ze smerig, de drek komt naar boven. De smakeloosheid meet zich een goed geweten aan…”. De oude kwestie van de theodicee wordt overgeheveld naar de kunst: “… ooit vroeg men: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld het bestaan van God te rechtvaardigen? Nu wordt de vraag aan de kunst gericht en luidt ze: hoe valt bij het zien van het kwaad in de wereld de luxe van de kunst te rechtvaardigen?...”.

 

De ondergang van de goden

Richard Wagner krijgt het voor elkaar dat religie kunst wordt. “… Het gaat er Wagner vooralsnog om een mythe te schrijven waarin de goden sterven als de vrije mens ten tonele verschijnt. Dat is de hoogste religie in de zin van de vergoddelijkte mens…”. De ‘Ring des Nibelungen’ is het grote verhaal over de ondergang van de goden. Wagner wil een ‘mythische beleving’ opwekken, en dat lukt hem ook. Zie Baudelaire die ‘Tannhäuser’ beleeft als een opiumroes. “… Met Wagner begint in grootste stijl de cultus van de persoonsverheerlijking. De godenschemering had plaats gemaakt voor de vergoddelijkte kunstenaar…”.

 

Nietzsche en het dionysische

Rond het midden van de negentiende eeuw wordt de deur opengezet voor een bijzonder boude vorm van materialisme: “… Er bestaat kennelijk geen behoefte meer aan de ‘nous’ van Anaxagoras en de ideeën van Plato, en uiteraard ook niet meer aan de God van de christenen noch aan de substantie van Spinoza, het ‘cogito’ van Descartes of het ‘ik’ van Fichte en de ‘geest’ van Hegel. De geest die in de mens leeft is niets anders dan een functie van de hersenen, beweert men…”. Nietzsche (1844-1900) haat al het gezapige, de bekrompenheid, het conventionele. Voor hem behelst Wagners kunst een terugkeer naar de wilde, dronken, dionysische roes. Het ‘toppunt van vervoering’. Muziek opent de deur naar een ander bestaan. Het ‘zijn’, ‘het eigenlijke kloppende hart van de werkelijkheid’, blijkt dionysisch, wanneer het vertrouwde zijn oude vertrouwdheid verliest en onheilspellend wordt. Oók in al zijn ontzaglijke wreedheid. Het Heraclitische ‘wereldkind’ (de tijd) bouwt en verwoest zijn werelden (zie Spreuken 8:30,31). “… De dionysische opheffing van het individuele bewustzijn is een lust, want daarmee verdwijnen de ‘scheidsmuren en grenzen van het bestaan’…”. Eenmaal ontnuchterd is ‘walging’ je deel. Het doet me onmiddellijk denken aan de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra, wiens gedrag wordt uitgelegd aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm…”. Wagner blijkt een tovenaar die uiteindelijk zichzelf betovert, door ‘naar het kruis toe te kruipen’. Daar kan Nietzsche niet tegen. Hij ‘lacht’ om al dat ‘metafysische getroost’. Wijst alle schijn, zelfbedrog, dwaling en misleiding rücksichtslos af. De 'Übermensch' is zichzelf een god. “… Maar zelfs in de ‘waanzinbriefjes’ die hij na zijn geestelijke ineenstorting de wereld in stuurt, speelt het ‘ironisch verzet’ zijn laatste, dwaze spelletje. Aan Jakob Burckhardt, zijn vaderlijke vriend in Bazel, schrijft hij op 6 januari 1889: ‘Uiteindelijk was ik veel liever professor in Bazel gebleven dan God'…”.

 

Neoromantiek

De romantiek bloeit nog eenmaal op bij de dichters Hugo van Hofmannsthal (1874-1929), Rainer Maria Rilke (1875-1926) en Stefan George (1868-1933). De neoromantiek komt tot ‘leven’ in de jeugdbewegingen, de plattelandscommunes met zijn anarchisten en alternatievelingen en kunststromingen als het symbolisme, het expressionisme en de Jugendstil, die stuk voor stuk door Nietzsche zijn geīnspireerd. Rond 1900 breekt een soort New Age-achtige mystiek door die zich onstuimig en opstandig tegen de officiële cultuur van het Wilhelminische Duitsland keert. Toch is de droom een wereldmacht te kunnen worden die naar de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voert, ook romantisch te noemen. Zie hoe de industriemacht Duitsland enthousiast een enorme oorlogsvloot opbouwt: zelfs de kinderen trekt men zondags matrozenpakjes aan. “… Anderhalf miljoen oorlogsgedichten moeten er in augustus uit Duitse pennen zijn gevloeid…”.  

 

Danswoede

Je zou denken dat de gruwelen van de oorlog elke flard romantiek heeft laten verdwijnen. Dat is niet zo. Er zijn ook frontsoldaten die in de horror en vernietiging een duistere bekoring hebben ervaren. Ernst Jünger (1895-1998) beschrijft zijn euforie op het randje van de dood: “… Toen begreep ik, als door een bliksemschicht verlicht, mijn leven tot in mijn diepste wezen…”. De oorlog is niet alleen verwoestend. Het kan ook een dramatische omkeer teweegbrengen. De soldaat die Jünger tot cultfiguur verheft is een strijdlustige versie van het dionysische. “… Romantiek betekent verlangen naar gevaar, naar sterke gevoelens, naar leven op het scherpst van de snede; zij is met dat al uitdrukking van een ‘avontuurlijk hart’…”. Wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan, walgt voor altijd van het ‘leven van de kruideniers’. In de Weimarrepubliek stikt het van de op hol geslagen profeten en charismatische figuren, van ideologieën en surrogaatreligies. Alleen de ‘dadaīsten’ volgen een ‘metafysische vermageringskuur’, maar ook dat komt in feite neer op ‘romantische ironie’. In de zomer van 1920 lokt één van de ‘inflatieheiligen’, Friedrich Muck-Lamverty, een Christusfiguur op sandalen, een ware danswoede uit. Een enorme ‘zwerm’ - à la Anja Niewierra -  ‘Wandervögel’ van soms wel vijfduizend jongeren sluit zich bij hem aan. Er kan dus ook sprake zijn van een ‘mooi’ soort waanzin. Zie “Die Morgenlandfahrt” van Hermann Hesse. Ondertussen zorgt de ‘nieuwe zakelijkheid’ in dynamisch Berlijn voor veel actie van een andere orde: “… Een oord van ‘totale mobilisering’, verklaart Ernst Jünger, de ‘omzetting van leven in energie, zoals die zich in economie, techniek en verkeer, in het gegons van de raderen of op het slagveld als vuur en beweging openbaart…”.  De ‘ogenbliksmystiek’ van Kierkegaard raakt in de mode: het moment dat God inbreekt in het leven (zie ook “Ogenblik & Eeuwigheid” van Joke Hermsen). The point of no returne. Dat mag je niet voorbij laten gaan. Zie hoe Josef K. zich in de roman “Das Schloss” van Franz Kafka verslaapt en daardoor een afspraak bij de autoriteiten van het slot mist. Misschien had het hem kunnen redden.

 

Een romantische nachtmerrie

Is Hitler een persoon uit een ‘romantische nachtmerrie’? De ideeën van Hitler zijn niet bepaald romantisch. “… Ze komen uit de gevulgariseerde, moreel verwaarloosde en tot ideologie verworden natuurwetenschappen: biologisme, racisme en antisemitisme. Hitler zelf beroemde zich op zijn ‘wetenschappelijke’ wereldbeschouwing…”. Zijn gedachten zijn allesbehalve warrig: “… Het angstaanjagende eraan is juist de onverbiddelijke logica waarmee in ‘Mein Kampf’ uit een paar racistische en sociaaldarwinistische premissen moorddadige conclusies worden getrokken…”. Hitler: “… de mensen vergeten dat ze hun hogere bestaan niet te danken hebben aan de ideeën van een paar dwaze ideologen, maar aan de kennis en onverbiddelijke toepassing van ijzeren natuurwetten…”. Met andere woorden: “… De wetten die gelden zijn die van het zelfbehoud en de selectie van de sterkere in een moordende strijd om het bestaan…”. Daarbij komt dat de Joden met hun mozaīsche verbod ‘gij zult niet doden!’ de ariërs een slecht geweten bezorgen. “… Hitler wil een ethiek uit de weg ruimen door de vermeende ‘uitvinders’ van die ethiek uit te roeien…”. Hermann Rauschning: “… We maken een eind aan de dwaalweg van de mensheid. De stenen tafelen van de berg Sinaī hebben hun geldigheid verloren. Het geweten is een joodse uitvinding…”. Hitler krijgt het voor elkaar een waansysteem om te zetten in werkelijkheid. Heidegger wijst op de nood van de tijd: werkloosheid, economische crisis, herstelbetalingen, burgeroorlog, gevaar van een communistische omwenteling en de zwakten van de Weimarrepubliek, die geen antwoord heeft op al die moeilijkheden. Niemand lijkt de crisis te kunnen bezweren. De tijd is rijp voor iemand die de gordiaanse knoop van de al te gecompliceerd geworden werkelijkheid doorhakt. En dan is Hitler daar, als het personage van de grote magnetiseur bij E.T.A. Hoffmann. De ineenstorting van de nationaalsocialistische heerschappij wordt door velen dan ook beleefd als het ontwaken uit een bedwelming, als het einde van een boze droom, alsof de ban is gebroken.  

 

De verbeelding aan de macht

Safranski behandelt “Doktor Faustus” van Thomas Mann. De protagonist, Leverkühn, staat symbool voor Duitsland. Beiden sluiten een pact met de duivel. Beiden worden op het eind door de duivel ingehaald. Toch blijft Leverkühn verre van de sfeer van het dionysiche en faalt Mann daarom in de duiding van de ‘rauwe gebeurtenissen’, aldus Safranski. Het kwaad is bij Mann het verdwaalde goede. Uiteindelijk zorgen de 68’ers nog een keer voor een flauwe romantische oprisping: het wemelt weer van de profetische nietsnutten op blote voeten, rondzwervende hasjrebellen op reis naar het Morgenland. Een vulgair soort navolgers van Rousseau volgens Safranski, die ‘comfortabel lijden aan de overvloed hier en de wereldwijde ellende elders’. In de watten gelegde studenten die een grote mond opzetten over de traditionele autoriteiten, conservatieve waarden, het naziverleden, hun zwijgende ouders en de uitbuiting van de arbeiders, maar nog nooit een fabriek van binnen hebben gezien. Terwijl ze er ondertussen wel de vruchten van plukken. Veel heeft het allemaal niet om het lijf: de existentialistische hippies van toen zijn de kapitalistische boomers van nu. Door de uitvinding van de pil was de seksuele bevrijding toch wel gekomen. “… Anderzijds mogen we de romantiek niet kwijtraken, want politiek gezond verstand en realiteitszin is te weinig voor het leven. Romantiek is de meerwaarde, het overschot aan mooie wereldvreemdheid, de overvloed aan betekenis. Romantiek maakt nieuwsgierig naar het volstrekt andere…”. Politiek en romantiek bewonen ieder hun eigen sfeer. Pas als ze zich mengen, wordt het gevaarlijk: zie hoe de huidige Iran-oorlog steeds meer als een 'moderne kruistocht' wordt gezien. 

 

Uitgave: Olympus - 2022, vertaling Mark Wildschut, 416 blz, ISBN 978 904 670 784 5, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier