Subtitel: De westerse revolutie rond het jaar 1000
Zelden heb ik zo’n ‘mind-blowing’ boek gelezen als “Anno Domini 1000 – Anno Domini 2000. De duizend jaren bij de gratie van de dode god” (1977) van de hervormde theoloog, predikant en cultuurfilosoof Frank de Graaff (1918–1993). Het boek is opgehangen aan het leven van de Rooms-Duitse keizer Otto III (980–1002). Wat was dat voor een ‘vreemde vogel’? Eerder heb ik al uitgebreid over hem geschreven naar aanleiding van mijn blog over “Otto III, de verduisteraar van de middeleeuwen” van Marco van Burken. Ineens kwam “De gang naar Canossa” (2008) op mijn pad, waarin Otto III eveneens opduikt. Bij F. de Graaff kun je zo je vraagtekens plaatsen, en bij Marco van Burken al helemaal. Maar de Britse historicus en radio- en televisiepresentator Tom Holland (1968) is toch echt wel een serieuze schrijver. Eerder besprak ik van hem "Heerschappij. Hoe het christendom het Westen vormde".
Untergang des Abenslandes
Heel in het kort komt mijn fascinatie voor Otto III hierop neer: F. de Graaff stelde dat de jonge keizer zichzelf rond het jaar 1000 heeft opgeofferd om het goddelijke oordeel over de westerse cultuur te voorkomen. Dit heeft een geweldige cesuur in onze geschiedenis betekend. Iedereen was er namelijk van overtuigd dat het Avondland ten onder zou gaan. Uit pure opluchting en vreugde ontstond de Renaissance. Het ging echter slechts om een uitstel van duizend jaar. Daarom verwachtte F. de Graaff dat er omstreeks het jaar 2000 een nog grotere crisis in (West-)Europa zou ontstaan. In 1969 constateerde hij al een proces van neergang: van christendom naar secularisatie. Als ze F. de Graaff al niet voor gek verklaarden, dan vonden theologen en predikanten hem op zijn minst een cultuurpessimist. Toch zat zijn kerk op zondag bomvol, heb ik mij laten vertellen, en dan ook nog eens met mensen uit alle lagen van de samenleving: van hippies tot refo's. Heeft hij niet heel erg gelijk gehad? Leven we niet opnieuw in apocalyptische tijden? Staan we voor een nieuwe cesuur?
Is er vernieuwing mogelijk?
Gisteren zag ik een YouTubevideo waarin een Britse en een Amerikaanse literator met elkaar in gesprek gingen over het feit dat zelfs de literatuur heden ten dage ‘absoluut dood’ lijkt, net zoals de neergang ook merkbaar is in de muziek en op televisie. Onze cultuur is geëindigd in ‘ultracommercieel, ultraslap gedoe’. Wanneer je geen ‘wokie’ bent, tel je artistiek niet mee. We zijn niet meer bij machte om de binaire links-rechtstegenstelling te overstijgen. Het lijkt erop dat het ‘wanhopige’ Westen ‘uitgeput’ is en ‘de moed op elk creatief vakgebied heeft opgegeven’, alsof we ‘in de eindtijd leven’. ‘Iedereen lijkt het gevoel te hebben dat alles voorbij is.’ Is er nog ‘vernieuwing’ mogelijk?
Zwarte magie
F. de Graaff beschrijft hoe paus Silvester II, de leermeester van Otto III, de moderne wetenschap, waarmee hij in de islamitische wereld in aanraking was gekomen, omstreeks het jaar 1000 in het Westen introduceerde. Hij bracht de Arabische cijfers mee, hoewel hij het gebruik van de nul lange tijd heeft tegengehouden. Op zijn sterfbed bestempelde hij de nieuwe mathematische zienswijze echter als ‘zwarte magie’. En moet je nu eens zien: onze digitale wereld bestaat in de basis volledig uit enen en nullen. Het mogelijke doemscenario waarin AI ons binnen tien jaar zal uitroeien, wordt tegenwoordig gewoon in het nieuws besproken. De visie van F. de Graaff komt bovendien sterk overeen met de ideeën van psychiater Iain McGilchrist. De laatste waarschuwt voor een eenzijdige overontwikkeling van ons gefragmenteerde, op de linkerhersenhelft gebaseerde denken, ten koste van ons holistische rechterhersenhelftdenken. Zie ook mijn bespreking van “De meester en zijn afgezant”. F. de Graaff wijst eveneens op het feit dat wij vanaf het jaar 1000 op een andere, voorstellende, theoretische, abstracte, rationele manier naar de ontgoddelijkte schepping zijn gaan kijken, waardoor onze spirituele vermogens langzaam uitdoven. Zie de huidige zingevingscrisis. Sommige denkers wijzen op de parallellen tussen onze tijd en de periode voorafgaand aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog. F. de Graaff gaat echter nog veel verder terug in de geschiedenis om de wereld van vandaag te begrijpen.
Scheiding tussen kerk en staat
Tom Holland, wel getypeerd als ‘de Engelse Geert Mak’, doet dat ook. Alleen situeert hij de eerste westerse cesuur niet rond het jaar 1000, maar in de ijskoude winter van 1077, toen de middeleeuwse koning van het Heilige Roomse Rijk, Hendrik IV, te voet een pelgrimage door de Alpen maakte naar de burcht van Canossa (Noord-Italië), om zich daar met de aanwezige paus te verzoenen. Paus Gregorius VII had de koning namelijk geëxcommuniceerd, omdat de vorst lak had aan alle pauselijke decreten. Dat betekende dat de koning geen sacramenten meer mocht ontvangen, waardoor hij de hemel na zijn dood wel kon vergeten. Bovendien verklaarde de paus ook de eed van trouw die alle Duitse edellieden aan Hendrik hadden gezworen, nietig. De eerste tekenen van zijn tanende populariteit waren al zichtbaar. Pas na drie dagen werden de poorten geopend voor de koning, die in een boetekleed en op blote voeten stond te wachten op een pauselijke audiëntie, smekend om vergiffenis. Het was het hoogtepunt van de zogeheten Investituurstrijd. 'Investituur' betekent het aanstellen in een ambt. De kern van het conflict was dat de koning/keizer zelf bisschoppen wilde benoemen (lekeninvestituur), omdat zij vaak grote stukken land en wereldlijke macht bestuurden. De paus wilde dit recht voor de kerk behouden om de geestelijkheid los te maken van wereldlijke invloed. “De gang naar Canossa” is een verhaal over keizers en pausen die eindeloos met elkaar overhoopliggen om de macht, in een samenleving die tot geweld is vervallen. Tijdens het lezen moest ik herhaaldelijk denken aan de rare kattendoder in “Kafka op het strand” van Haruki Murakami, die op een gegeven moment een schietgebaar naar Nakata maakt, ‘Pang’ roept en zegt dat dat, ‘heel beknopt, de geschiedenis der mensheid is’. Hoe waar is dat. Homo homini lupus. Het is vreten of gevreten worden. Uiteindelijk leidde een en ander tot de beroemde scheiding tussen kerk en staat. Volgens Tom Holland is het hele idee van een seculiere samenleving, met haar Verlichting, het homohuwelijk en wat niet al, daarom uiteindelijk te danken aan het pausdom.
Chrisma
Tom Holland beschrijft hoe het christendom zich ontwikkelde nadat het einde van de wereld, waarop de eerste generatie gelovigen tevergeefs had gewacht (‘Zie, Ik kom spoedig’), uitbleef. Het gaat van het uitgebreide christenrijk onder keizer Constantijn naar de verbrokkeling en verpulvering ervan door allerlei heidense invallen, totdat keizer Karel de Grote weer een ‘correctio’ tot stand bracht. Vroeger werden rivieren en bomen als heilig vereerd, konden leken visioenen krijgen, lazen profeten de toekomst in koeienmest en zetten rouwenden offerandes van eten en drinken bij graftomben. Maar de clerus was er steeds beter in geslaagd het terrein van het bovennatuurlijke voor zichzelf op te eisen. Rond de achtste eeuw achtten gewone gelovigen zich nauwelijks nog in staat om met het onzichtbare in contact te treden. De geestelijkheid patrouilleerde langs de toegangsweg naar het dodenrijk, waar engelen of duivelen, hemel of hel de ziel wachtten. De leken vertrouwden die laatste, zo gevreesde reis enkel toe aan de priesters, die door het opdragen van de heilige mis de zielen in de andere wereld konden bijstaan. Zelfs de nederigste priester deelde in de magie van de door heilige wijolie – chrisma – gezalfde bisschop, die hem immers de handen had opgelegd. “… Het bezat zulke bijzondere krachten dat het maar op een zee uitgegoten hoefde te worden of de diepten werden gezuiverd van demonen, of op een akker en de grond werd met vruchtbaarheid gezegend. Ook op het vlees en bloed miste het zijn uitwerking niet, want als het door de huid het lichaam van een mens binnendrong, trok het diep door tot in de ziel en werd de gezalfde doordrongen van een mysterieuze, bovennatuurlijke kracht…”. Net als zijn vader Pepijn, die ervoor koos te regeren bij de gratie Gods, was ook Karel de Grote met de vreeswekkende kracht van het chrisma gezalfd. “… De Franken mochten dan inmiddels christelijker zijn, hun traditionele opvatting dat koningen geen gewone stervelingen waren, speelde nog altijd mee…”.
Wat is dat toch met dat haar?
Interessant is dat Pepijn in 751 een coup pleegde tegen de onfortuinlijke koning der Franken, Childerik III, die beweerde van een zeemonster af te stammen. En wel met de kappersschaar. “… De Franken geloofden van oudsher dat de koning een mysterieuze band met het bovennatuurlijke bezat, die mannen de zege op het slagveld, vrouwen vruchtbaarheid en de akkers een rijke oogst kon opleveren: een magische kracht die afhing van ’s konings weelderige haardos…”. Pepijn liet Childerik en diens zoon opsluiten in een klooster, nadat hij eerst de luisterrijke lokken van de koning had laten afknippen. Wat is dat toch met dat haar? Denk aan het Bijbelverhaal van Simson en Delila. Of aan het voorschrift binnen de fundamentalistische islam dat vrouwen hun haar moeten bedekken.
De paus, en niemand anders
Tijdens de mis op eerste kerstdag A.D. 800 zette de paus, en niemand anders, onverhoeds (of was het toch in scène gezet?) de keizerlijke kroon op het Frankische hoofd van Karel de Grote. Toch had Karel de bisschop van Rome onomwonden laten weten hoe hij de onderlinge taakverdeling zag. Zijn eigen rol was de kerk tegen heidenen en ketters te verdedigen en de ganse christenwereld vooruit te helpen. De rol van de paus: bidden en laten bidden voor Karels succes. Even leek de droom over een hersteld Romeins Rijk te herleven. Honderd jaar later stond het alweer op instorten: het rijk werd als een lappendeken verdeeld tussen zijn nazaten, die heersten als machteloze schimmen, omdat de trouw aan het huis van Karel de Grote nog maar flauwtjes werd beleden. Met andere woorden: de adel ging zijn eigen gang. De hoge heren maakten van het Westen een grabbelton vol chaos en geweld. En aan de grenzen kwamen de heidense Wenden en Hongaren uit hun duistere wouden tevoorschijn, gesierd met afgodsbeelden en dierenhoorns, om te plunderen en te brandschatten. De geschiedenis werd een nachtmerrie waaruit men maar niet kon ontwaken. Naderde met het jaar duizend het wereldeinde? Stond de antichrist voor de deur? Zag men aan de hemel niet allerlei vreemde tekens: sterren en kometen (zie de UFO-mania van nu)?
Heilige lans
De Almachtige begunstigde de Saksen, uit wier midden Hendrik de Vogelaar voortkwam. Via landruil wist hij een ‘oneindig kostbare’ schat te bemachtigen: een speer met vreeswekkende macht, die ooit Constantijn aan zijn wereldrijk had geholpen. Op de punt van de speer zaten kruisen, gemaakt van de spijkers waarmee ooit de handen en voeten van Jezus waren doorboord en die daarmee ‘het rijk van het sterfelijke met het hemelse hadden verbonden’. “… De Saksen, wier voorvaderen zich in hun primitieve bijgeloof Wodan hadden voorgesteld als heerser over de wereld, gewapend met een speer, konden zich nu vergapen aan een authentiek wereldschokkend relikwie …”. Het maakte Hendrik onoverwinnelijk.
De Ottonen
Na zijn dood volgde zijn zoon Otto de Grote hem op, waarbij de traditionele opvatting van het koningschap als iets uniek verhevens, ja, zelfs heiligs, in ere werd hersteld. De krijgerkoning en de heilige lans, zijn in het bloed van Christus geheiligde talisman, vormden samen een niet te kloppen duo. In 962 kwam hij aan in Rome en liet zich door de verdorven Johannes XII tot keizer kronen. Vervolgens klaagde hij de paus subiet aan, zette hem af en verving hem door iemand die zich beter naar zijn wensen voegde. De heilige tienervader had het er dan ook wel naar gemaakt. “… Het gerucht ging dat hij een hele vleugel van het Lateraan tot bordeel had omgebouwd, dat hij de priesters wijdde in de stallen (als hij ze tenminste niet aan het ontmannen of blindsteken was) en dat hij in beschonken staat een dronk placht uit te brengen op Satan…”. Otto's woeste zoon Otto II werd aan de verfijnde Byzantijnse prinses Theophanu gekoppeld, wat de westerse en oosterse christenheid met elkaar verbond, hoewel sommige zuurpruimen fluisterden dat ze niet de dochter, maar het nichtje van de Byzantijnse keizer Johannes Tzimiskes was.
Huis van Oorlog
Otto II trok op tegen de plunderende en brandstichtende Saraceense zeerovers, die het in 846 zelfs gewaagd hadden de Tiber op te varen om de Sint-Pieter te ontwijden. Men zei dat er onmiddellijk bloed uit een wond van een Christusicoon was gestroomd toen er een speer naar werd geworpen, “… maar de piraten hadden slechts gesnoefd dat ze de God van de christenen hadden laten bloeden…”. Hun ‘Mahomet’ (Mohammed) werd als een heuse ‘voorganger van de antichrist’ gezien. Hele stroken van het Italiaanse platteland hadden de Saracenen tot op het bot kaalgevreten. De bewoners werden onder het mom van de ‘jihad’ bij duizenden tot slaaf gemaakt en naar de slavenmarkten in Afrika getransporteerd. De omvang van de islamitische slavenhandel was gigantisch. Weliswaar werden de slaven op den duur weer vrijgelaten als ze zich tot de islam bekeerden. “… Rechtsgeleerden in het kalifaat konden de wereld buiten hun grenzen met reden een ‘Huis van Oorlog’ noemen…’”. Allah beloonde blijkbaar met mensenvee.
Duizend-en-een-nacht
De Byzantijnen vonden de Ottoonse boerenpummels, die uit de modderige en stenige wouden kwamen zetten, maar primitieve wezens. Wilde beesten. In Constantinopel kwam een waarheid boven tafel die even verwarrend als aanstootgevend was: hun eeuwige tegenstrevers, de Saracenen, waren in feite ook hun spiegelbeeld. Hun elegante vorstenhoven weerspiegelden de allure, pracht en beschaving van het Romeinse Byzantium. “… Hoven met sieraden, edelstenen en zijdezachte weelde, immense, krioelende steden, badhuizen en spuitende fonteinen, ambtenarenapparaten, permanent parate legers: de Saracenen hadden het allemaal…”. Ze beschikten over een verbijsterend uitgestrekt en florerend grondgebied. “… Er zijn twee rijken,’ had een patriarch van Constantinopel vroeg in de tiende eeuw geschreven (aan de kalief van Bagdad), ‘dat van de Saracenen en dat van de Romeinen, die samen over alle macht in deze wereld beschikken en als een tweelingpaar van toortsen stralen aan het hemelse firmament…”. Het wemelde er echter net zo goed van de ruziënde emirs die elkaar de macht betwistten. De diplomaten in Constantinopel volgden de ontwikkelingen gretig en hadden het tegen elkaar opzetten van hun tegenstanders tot een ware kunst verheven. Enfin, Otto werd zelf in de pan gehakt en strompelde, ternauwernood gered door een passerende Jood – waarin F. de Graaff een diepere godsbeschikking zag – met zijn gehavende leger weer terug naar Rome (het Westen werd ‘gezegend’ door de Joden: zie de Gouden Eeuw).
Het genie van Gerbert van Reims
Vervolgens vertelt Tom Holland over de boerenzoon Gerbert van Reims uit de christelijke mythe van F. de Graaff, die zich in een Spaans klooster zulke exotische takken van wetenschap eigen maakte dat latere generaties hem als een magiër zouden betitelen – wat hij natuurlijk niet was. Zijn genie trok de aandacht van koningen en keizers. Hij onderwees in Rome de jonge Otto II. In een formeel debat veegde hij de vloer aan met het hoofd van de domschool in Maagdenburg. Hij schreef alle vorsten en bisschoppen van het rijk aan met het verzoek het driejarige zoontje van Otto II na diens dood als wettige koning te erkennen: een campagne met uitzonderlijk succes – de rivaal van Otto III had het nakijken. Zijn moeder Theophanu bleek als regentes verbluffend effectief. Als wis- en geschiedkundige en astronoom was Gerbert zich ten volle bewust van de naderende datum: het jaar 1000. “… In 991 had hij al de opzienbarende uitspraak gedaan: “Blijkbaar is de antichrist nabij”…”. Ook wist hij “… dat er als voorteken van het einde der tijden een grote omwenteling in de zaken van het Roomse Rijk zou plaatsvinden. En nu was er, vier jaar voor de duizendste verjaardag van Christus’ geboorte, een vorst naar Rome gereisd, een keizerszoon met in zijn aderen het bloed van zowel het westen als het oosten, die tweelinghelften van het oude rijk dat al zo lang verdeeld was, tot oneer van alle christenen op aarde en tot voordeel van de vijand…”.
Een innerlijk verscheurde keizer
Tom Holland noemt de vijftienjarige ‘diep-ernstige’ Otto III ‘voorlijk’ en ‘visionair’. Met ongekende brutaliteit drong Otto Rome een nieuwe paus op: zijn neef Bruno. “… Op 21 mei, Hemelvaartsdag, werd Otto in de Sint-Pieter formeel gekroond, ‘toegejuichd door heel Europa’. Nadat hij door zijn neef was gezalfd, kreeg hij van hem een zwaard in handen. Aan de vinger van de nieuwe keizer werd een ring geschoven als symbool van de eenheid met het christelijke volk. Om zijn schouders hing een mantel met daarop, ‘afgezet met goud’, taferelen uit het Bijbelboek Openbaring, Johannes’ visioen van het wereldeinde…”. Met het mes op de keel had Otto geprobeerd de Wenden te winnen voor de christelijke Vredevorst. Volgens Tom Holland had hij het daar vreselijk moeilijk mee: “… Terwijl hij de christelijke wereld en de buitengebieden probeerde te kneden naar Gods wil, kon hij niet vergeten wat Jezus zelf zijn volgelingen had geleerd: heb uw vijanden lief, keer de andere wang toe, berg uw zwaard in de schede. Otto was even doordrongen van zijn zedelijke tekortkomingen als van zijn goddelijke waardigheid als keizer en bleef altijd onder de spanning van die tegenstelling lijden. ‘Naar buiten toe toonde hij een opgewekt gezicht, maar vanbinnen ging zijn geweten gebukt onder de last van talloze vergrijpen, waarvan hij zich in de stilte van de nacht voortdurend probeerde schoon te wassen door middel van waken, vurig gebed en menige tranenvloed.’ …” (aldus de geschiedschrijver Thietmar).
Mysteries
Tom Holland vertelt hoe Otto III zich samen met zijn geestelijke leidsmannen, de monnik Adelbert en Gerbert, een maand lang ‘dag en nacht’ in Italië ‘opsloot’: “… Welk onderwerp zo boeiend was geweest dat het de grootste heerser van de christenwereld al die tijd met twee geestelijken van zijn staatszaken had afgehouden, werd niet onthuld…”. Ondanks de ellendige toestand waarin de wereld verkeerde, werd het zegelstempel van Otto voorzien van het woord ‘renovatio’: vernieuwing. Tom Holland: “… Gerbert noch Otto zelf lieten iets los over de feitelijke inhoud van de vernieuwing, laat staan over hoe die tot stand moest komen. Maar dat stilzwijgen wees niet op doelloosheid en verhulde vrijwel zeker juist het omgekeerde: het besef van mysteries die te wereldschokkend en te geheim waren om in het openbaar te bespreken, van een missie van letterlijk kosmische proporties en een plicht die vorm kreeg door de patronen van de voortgolvende eeuwen…”.
Het jaar dat alle andere jaren te boven gaat
Volgens Gerbert was het mogelijk Gods schepping door middel van mathematica te doorgronden, “… want in getallen ligt zowel de code van de oorsprong van het heelal als de verklaring van zijn werking…”, schrijft hij in een brief. “… Welke betekenis zag hij dan, nu in de lengende schaduw van het millennium, in het magische getal duizend, ‘het jaar dat alle andere jaren te boven gaat’? Ergerlijk en enerverend genoeg moeten we het precieze antwoord daarop schuldig blijven…”, aldus Tom Holland. Vervolgens speculeert hij over de mogelijkheid dat de briljante geleerde op de hoogte moet zijn geweest van Augustinus’ leer over de eindtijd, die ten strengste verbood te gissen naar het precieze tijdstip. Dacht hij misschien dat Augustinus zich had vergist, “… en dat de duizend jaar waarvan Johannes gewag maakt, de duizend jaar waarna het kwaad over de hele wereld zou zegevieren, misschien, heel misschien, toch letterlijk waren bedoeld? Als iemand een vrijbrief had voor zulke riskante vragen, was dat dan niet Otto III, keizer van het Romeinse Rijk, wiens domein als enige bolwerk tegen de komst van de antichrist overeind kon blijven en wiens lot het was aan de macht te zijn op het moment dat de duizendste verjaardag van de menswording van Christus nog maar een paar jaar in het verschiet lag? Zeker is dat Otto, naarmate het jaar 1000 naderde, steeds sterker gebukt ging onder het gevoel van urgentie, alsof het verstrijken van de tijd zelf een vloedgolf was waartegen hij zich schrap moest zetten…”. De tijd liep ten einde.
De laatste Romeinse keizer
Na de dood van zijn pauselijke neef zette Otto II zijn leermeester Gerbert van Reims op de heilige stoel. Zijn nieuwe naam: Silvester II. Samen zouden ze de christenheid hoeden. En doen groeien. “… Volgens oeroude voorspellingen die in Italië reeds lang de ronde deden, zou de laatste Romeinse keizer aan het einde der tijden alle heidenen ter wereld tot het doopsel noden. En precies nu het beslissende jaar 1000 naderde, maakte een Roomse keizer zich op om juist dát te doen…”. Echter, niet langer met geweld, maar op een vredelievende, mystieke manier. Er speelden dimensies mee die het aardse heden ver overstegen, aldus Tom Holland. Otto zou heilig hebben geloofd dat de draden van de geschiedenis in zijn handen waren gelegd. Evenals F. de Graaff vertelt hij over Otto's bedevaarten naar de tombe van de heilige Adalbert en het graf van Karel de Grote in Aken. “… Het gedrag van de keizer werd met enigszins gemengde gevoelens ontvangen…”, schrijft een kroniekschrijver diplomatiek. Otto moet hebben beseft dat zijn onderdanen veel van wat hij deed bizar en verwarrend vonden. Maar met de missie waarmee hij zich door God belast zag, kon hij niet te koop lopen.
Het tegenhouden van het godsgericht
Ondanks alle inspanningen die Otto zich getroostte, bleef de christelijke wereld verdeeld. Daarom verzocht hij Constantinopel om een prinses. “… Het leek er dus op dat de twee helften van het Romeinse Rijk eindelijk herenigd zouden worden. Maar zelfs dat duizelingwekkende vooruitzicht schijnt voor de jonge keizer niet genoeg te zijn geweest. Want als hem nu eens een grootser en tegelijk vreeswekkender bestemming wachtte, een die al eeuwen werd voorspeld en die de hele wereld zou doen beven? In het jaar 1001 leken die vermoedens van nabij te worden bevestigd…”. Otto toog naar de beroemdste heremiet van heel Italië, die in het zompige drasland achter Ravenna woonde: Romuald. “… De heiligheid was zelfs af te lezen aan zijn huid, die na een langdurige onderdompeling in het moeras haarloos was geworden en felgroen ‘als die van een salamander’…”. Zijn vuile badwater zou zieken genezen. Er werd zelfs een moord op hem beraamd om zijn lichaam tot relieken te kunnen zagen. Daaraan ontkwam hij door waanzin voor te wenden. Beide mannen geloofden hartstochtelijk dat de wederkomst van Christus op handen was, waarop Hij de aarde zou oordelen. “… Het leven zoals Romuald dat bij Ravenna leidde, was een welbewuste heroïsche poging om dat vreselijke godsgericht verre te houden. Een bestaan van genadeloze, kwellende ontbering, hetzij in een moeras, hetzij diep in het woud, hetzij ingemetseld in een cel, met alleen vogels als gezelschap en het krioelend ongedierte dat zich te goed doet aan lompen: dat, zo beweerde de heilige, was de enige dienstige voorbereiding op het einde der dagen…”. De keizer onthulde dat hij na drie jaar afstand wilde doen van zijn koningschap om het aan iemand aan te bieden die beter was dan hij. Romuald begreep direct dat de koning zijn kroon wilde overhandigen aan Christus en gaf hem zijn zegen. “… Als de wereld eenmaal klaar was voor de dag des oordeels, zou de keizer de heuvel Golgotha beklimmen, daar neerknielen, zijn ziel bevelen aan God en zo de eindtijd inluiden…”.
Verblindende dromen
Toen de kluizenaar in 1002 naast de keizer optrok naar Rome, zagen ze boven hun hoofd, fel glanzend tegen de winterhemel, een reusachtige draak. Iedereen wist dat zoiets een gewisse ondergang aanduidde. Weldra werd Otto door malaria geveld en nog voordat de maand januari om was, was hij dood. Zijn prinses werd teruggestuurd naar Constantinopel. Gerbert overleed een jaar later. Zijn briljante loopbaan werd zo angstaanjagend gevonden dat zijn tijdgenoten in hem iets van de ‘antichrist’ dan wel ‘het beest’ zagen, “… oprijzend uit de afgrond kort nadat de duizend jaar ten einde waren…”. De dromen van de allerlaatste Romeinse keizer waren te verblindend geweest, en zijn mislukking te volledig, aldus Tom Holland. Daar dacht F. de Graaff dus duidelijk anders over.
De god van het Avondland
Volgens de laatste was Otto III niemand minder dan een reïncarnatie van ‘de god van het Avondland’, die, in navolging van het offer van Christus, zijn leven had gegeven om het Westen nog duizend jaar respijt te geven. Immers, in de Bijbel hadden alle zeventig volken een eigen engelvorst: zie Daniël 10. Zie ook Psalm 82, waarin God deze goden bestraft omdat ze ‘de barmhartigheid hebben verzaakt’: ‘ze zullen als mensen sterven’. Daarom verschijnt het crucifix pas na het jaar 1000, waarop de dode god is afgebeeld en niet Christus, die immers is opgevaren naar de hemel. Het echte kruis hoort leeg te zijn. Had het Westen het goddelijk oordeel verdiend? Zeker, meent F. de Graaff. Kijk maar met welk een onvoorstelbare wreedheid het christendom aan de heidenen is opgedrongen. Denk aan Karel de Grote, die op één dag 5000 vrije Saksen liet ombrengen. Tom Holland over die dagen: “… Na een uitzonderlijk heftige opstand waren in één klap duizenden gevangenen onthoofd, waren de bewoners van hele streken gedwongen te verhuizen en werd de doodstraf ingevoerd voor wie de doop weigerde of aan de oude riten vasthield; zelfs vlees eten tijdens de vasten werd met de dood bestraft. Sinds de tijd van de Romeinse keizers waren er niet meer zulke grootschalige gruwelen gepleegd – en nooit eerder met het doel de liefde van Christus af te dwingen…”.
De onoverwinnelijke Christus
En toch. “… De Christus van de zegevierende Franken had zich onoverwinnelijk betoond. Zich aan zó’n god onderwerpen kon geen schande zijn. Dat hadden de Saksen dan ook gedaan. De van zijn troon gestoten Wodan was uit Midgard, Midden-aarde, verbannen. Er werd gezegd dat hij soms, als de schemering viel, nog terugkwam met zijn gevolg van wolvinnen, zwarte kraaien en geesten van doden, omringd door zwarte wolken, om dan zijn oude domein weer binnen te dringen, krakend door het woud en zeilend op de ijskoude wind – maar dat alles was bijgeloof, waar de Saksische elite zich niet door van de wijs liet brengen. Het boerenvolk en de pioniers die aan de rand van de wijkende wildernis woonden, bogen soms nog het hoofd als het duivelse jachtgevolg voorbijtrok, maar de grote heren wisten wel beter…”. Hoe dan ook: de apocalyps bleef uit. Zelfs in 1033, het sterfjaar van de Heer, ging de wereld niet ten onder.
De bloedstollende geschiedenis van de vroege middeleeuwen
Tom Holland bespreekt uitgebreid de bloedstollende geschiedenis van het middeleeuwse Westen, vanaf het jaar 1000 tot aan de verovering van Jeruzalem door de kruisvaarders in 1095. Het gaat onder andere over de abdij van Cluny, een belangrijk centrum van religieuze, culturele en politieke vernieuwing. Vanuit het streven zo dicht mogelijk bij de engelen te komen, moesten voortaan alle priesters zich, net als de monniken, aan het celibaat houden. Het gaat over het zero-tolerancebeleid van een Poolse bisschop, die gelovigen die zich niet aan de vasten hielden simpelweg de tanden uit de mond liet slaan en verkrachters met hun scrotum aan een brug liet spijkeren. Ze kregen overigens wel een mes om zichzelf los te snijden of er een eind aan te maken. De christenen waren geen lieverdjes. Het gaat over velden waar de godsvrede werd uitgeroepen, te midden van de anarchie die werd veroorzaakt door de wandaden van een intimiderende penoze. Daaruit ontstond gaandeweg een ridderklasse die brutaalweg kastelen begon te bouwen en de bevolking meedogenloos uitzoog. Het gaat over ‘de stoottroepen van de antichrist’: de Vikingen, die overal huishielden, tot in het huidige Rusland toe, waar ze ‘Roes’ of ‘Rus’ werden genoemd. Jawel. Maar uiteindelijk lieten ze zich wel dopen, want ‘Ragnarök’ betekende de definitieve ondergang, terwijl de ‘wederkomst’ nog altijd ‘een nieuwe aarde en een nieuwe hemel’ beloofde. Ik ga er niet meer over zeggen. Het is veel te veel – ik heb gevonden wat ik wilde weten over mijn wonderbaarlijke Otto III.
Uitgave: Athenaeum – 2009, vertaling Christien Jonkheer, 474 blz., ISBN 978 902 536 403 803, € 29,40
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier


