Menu

zondag 22 februari 2026

Rituelen – Cees Nootenboom

 


Onlangs ontdekte ik op YouTube “De boekentafel van Godert Walter”, een leeskring waar ik helemaal vrolijk van wordt, die wekelijks samenkomt op de zolder van een boekhandel in Groningen. Daar werd de nodige aandacht besteed aan de jongstleden 11 februari overleden schrijver/dichter/reisjournalist Cees Nootboom (1933-2026). Ik had nog nooit wat van hem gelezen: ik vind zijn werk fantastisch. Het heeft iets on-Nederlands, iets filosofisch, iets ongrijpbaars, precies dát wat denker Buying-Chul Han de ‘narratieve toverkracht’ noemt. Wat die tent op de omslag van de nieuwste uitgave doet is mij trouwens een compleet raadsel: in het hele verhaal komt geen enkele tent voor. 

 

Ieniemienie Epsteintje

Na zeventien jaar ‘romanstilte’ werd “Rituelen” van Cees Nooteboom eind 1980 begin 1981, op een enkele uitzondering na, met groot enthousiasme ontvangen. Op de eerste bladzijde staat de zin waarmee Nootenboom beroemd werd: “… Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil…”. Het verhaal begint met de boodschap dat de protagonist, Inni Wintrop, zelfmoord pleegt (dronken en aan de plafondbuizen in de wc), wat natuurlijk mislukt, anders hadden er niet nog eens zo’n tweehonderd bladzijden kunnen volgen waarin hij achterom kijkt en voort ploetert in zijn ontuchtige doch wonderbaarlijke leven. Inni (hij vindt zijn naam belachelijk, zijn ouders noemden hem naar een belangrijke architect, misschien dachten ze dat hij het genie er vanzelf bij zou krijgen) is een ieniemienie Epsteintje: ‘hij kan de nacht niet goed alleen doorbrengen’. Een charlatan die zijn kost verdient met alles wat geld oplevert plus het bij elkaar fantaseren van de horoscoop in Het Parool. Hij beschouwt zichzelf als een ‘vampier’ die alleen maar kan bestaan door ‘licht’ te zuigen uit vrouwen. Ze ‘geven hem het gevoel dat hij leeft’. Soms gaat hij ‘als een hond de straat op’, soms voelt hij zich ‘extatisch, als iemand die kan vliegen’ en ‘schenkt hij zich weg aan iedereen die aanspraak maakt op het kortstondig bezit van Inni Wintrop’. Zijn prachtige Namibische vrouw (een fotomodel, jawel), wil niet weten wat hij allemaal uitspookt, “… omdat ze anders verplicht zou zijn hem te doden, en daar was niemand bij gebaat…”. Ze verlaat hem na zes jaar waarin hij zich, bij gelegenheid en waar hij maar kon, inliet met hoeren en ‘tieners in spijkerbroek’. Ook gaf hij vrouwlief ooit het bevel het kind dat ze samen maakten ‘de toegang tot de wereld te versperren’, omdat hij ‘zijn angst voor veranderingen’ geenszins in de hand had. Ze vertrekt niet zonder hem kaal te plukken overigens. Als ze langs een etalage met kinderkleertjes komt ‘huivert ze van verborgen wraakzucht’. Vind je het gek? “… Zelfs de eindeloze reserves van Namibië raken uitgeput…”. Even verder: “… ‘Inni leeft in twee werelden,’ zeiden zijn zeer verschillende geaarde vrienden die zelf maar in één wereld leefden…”. Inni beschrijft zichzelf als een ‘gat’, een ‘afwezige’, ‘iemand die niet bestaat’, dat wil in zijn geval zeggen een ‘kameleon’ die zijn rol aanpast aan alles en iedereen. “… ‘Jij leeft niet,’ had zijn vriend de schrijver een keer gezegd, ‘jij laat je afleiden,’ en Inni had dat als een compliment beschouwd…”.

 

Amsterdam 1963

Voorgaand intermezzo speelt zich af op de dag voordat Kennedy wordt vermoord: “… De foto was duidelijk geweest: er waren verwarde tijden op komst…”. De wereld is in de ban van de Koude Oorlog. Onze hoofdstad is in een ondergangsstemming (toen ook al): “… Vissen begonnen te sterven aan dingen waar vissen vroeger niet aan stierven en de gezichten in de steeds langere rijen auto’s op de grachten vertoonden soms dat mengsel van frustratie en agressie dat de zeventiger jaren zo uniek zou maken, maar nog bijna niemand scheen te weten dat de natuur, moeder van alles, het weldra zou begeven en dat het einde van de vervuilde tijden nabij was, en ditmaal voorgoed. Toch broeide onder al die uiterlijke onwetendheid de zachte brand van onrust, wanhoop en kwaadaardigheid. De wereld stonk allang, Amsterdam begon zachtjes te smeulen…”. Evenals Lena Bril in “In therapie. Een persoonlijke zoektocht naar houvast” buigt Nooteboom zich over de vraag of mensen in het in rap tempo ontkerkelijkte Nederland wel zonder enige vorm van geloof (dan wel rite) of ander collectief verhaal kunnen. Zie ook “De crisis van het narratieve” van filosoof Buying-Chul Han en zijn essay “Over het verdwijnen van rituelen”, waarin hij aantoont hoe we met de gedeelde rituelen ook onze band met de gemeenschap zijn kwijtgeraakt. Wat rest is een cultus van authenticiteit en narcisme volledig gedreven door commercie.

 

Een echte Wintrop

In het tweede deel buigt het verhaal van Nooteboom zich naar tien jaar daarvoor: 1953. Inni Wintrop bewoont een kamertje in een pension waar hij zijn kont niet kan keren, als op een vrije zaterdag zijn tante Thérèse binnen komt stuiven. Moeilijk, moeilijk, omdat er eigenlijk geen plaats is voor “… twee mensen en zij was op zichzelf al bijna twee…”. Ze oogt wat hysterisch, “… alsof er voortdurend een pannetje bloed op een innerlijk fornuis stond te koken…”. Ze ziet direct dat hij een ‘echte Wintrop’ is: “… Alle Wintrops zijn gek, slecht, ijdel, hebben geen discipline, leven in verwarring, scheiden aan een stuk door. Ze behandelen hun vrouwen als vee, en die vrouwen blijven verliefd op ze. Ze zijn fout in de oorlog of verdienen eraan, ze zijn slim in zaken maar ze vergokken hun geld of gooien het in de lucht, en ze verkopen elkaar voor een gulden. Heb je je vader gekend?...”. Amper. Hij kwam om tijdens een bombardement in de oorlog toen Inni tien was (hij is daarom wel trots op hem). Zijn ouders waren gescheiden toen papa vreemdging met het dienstmeisje. Hij had ook nogal losse handjes. Inni was eerst bij zijn vader gebleven maar tijdens de hongerwinter naar zijn moeder gestuurd die in Gelderland woonde. Ze is met zijn gehate stiefvader ergens in Europa verdwenen. Kortom: “… Hij hoorde nergens bij, en dat beviel hem uitstekend…”.

 

De verdwenen God achterna

Tante zit goed in de slappe was en sommeert Inni in haar witte Lincoln met chauffeur te stappen om een bezoekje te brengen aan haar ‘vroegere minnaar’ Arnold Taads, een notaris in ruste, die moet zorgen dat Inni het geld waar hij recht op heeft terugkrijgt van zijn foute voogd, waar hij mee in de clinch ligt. Taads blijkt zich met zijn reusachtige hond als een bejaarde monnik te hebben teruggetrokken in de bossen van Doorn. Zijn glazen oog, zijn voor zijn schriele gestalte veel te luide, blaffende stem, zijn krampachtige, dwingende gezicht en zijn woudlopers-outfit à la Old Shatterhand, bezorgen Inni de schrik van zijn leven. Ze worden weggestuurd omdat ze tien minuten te vroeg zijn. Na een eindje wandelen ‘dalen ze wederom af in het schimmenrijk’. Taads vindt houvast in het leven door zich te houden aan een angstaanjagende, verstikkende, maniakale orde. Hij is het vleesgeworden protocol. Een regeerder van zijn eigen lot, met ‘versterving’ als hobby. Alles is bij hem ritueel geworden. Zijn woonkamer is een ‘wiskundesom’ met witte, glanzende meubels van een ‘calvinistische, haatdragende moderniteit’. Taads vraagt wat Inni wil ‘worden’, want hij kan toch niet eeuwig een loonslaafje op een stom kantoor blijven? Inni heeft geen idee: “… De wereld was al boordevol met mensen die iets waren, en de meesten waren er duidelijk niet gelukkig mee…”. Taads beveelt tante Thérèse haar neefje geld te geven zodat hij zijn baantje op kan zeggen. Een Wintrop werkt niet. Daarna stuurt hij haar weg. Inni krijgt de opdracht zich van vijf tot kwart voor zes zelf te vermaken, want dan moet meneer lezen. Tijd is ‘de vader van alle dingen’, leert Inni. Van zes tot zeven gaan ze met de hond het bos in en stort Taads zijn intense mensenhaat over Inni uit. Hij koestert zijn fanatieke eenzaamheid. Hij is het gelukkigst in de Rocky Mountains waar hij ooit zes maanden in zijn dooie eentje op een bergtop zat als brandwacht. Hij brengt als voormalig skikampioen nog steeds de wintermaanden in een verlaten vakantiehuisje in de Zwitserse Alpen door. Zijn hoofd zit vol met het atheïstisch existentialisme van Sartre. Dat van Inni met ‘niets’. Taads “… keek niet op of om en had dezelfde weg waarschijnlijk ook blind kunnen afleggen met dezelfde ritmische, mechanische bewegingen. Een opgewonden soldaatje op mars…”. Hij oreert maar door over het bestaan waar je in bent geworpen en dat niets betekent behalve door wat je het zelf laat betekenen, terwijl hij refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus. “… Ga skiën!…”, denkt Inni, “… Suis van de helling af, je verdwenen God achterna…”.

 

Ter kerke

Taads neemt Inni op zekere dag mee voor een bezoek aan tante Thérèse in Tilburg, waar ze verrast worden met een uitgebreide Brabantse koffietafel. Inni voelt zich heerlijk te midden van alle weelde. “… Kussenkasten, chesterfields, schilderijen van de Hollandse school, een wellustig renaissance crucifix van ivoor, hele families Sèvres en Limoges, Perzische tapijten, personeel, als een warme doek werd het om hem heen gewikkeld…”. Taads duidt het allemaal als ‘stront’. Antiek stinkt. “… Dit is alleen maar vol te houden als je van binnen ook een uitdragerij bent…”. Wanneer je dit verachtelijk vindt moet er iets mis met je zijn, concludeert Inni. “… Hij vond het buitengewoon behaaglijk, en tegelijkertijd drukte het macht uit, en daardoor afzondering van de buitenwereld…”. Taads bezorgt tante Thérèse een zenuwinzinking door te informeren of ze ook ham heeft: het enige wat er aan de dis ontbreekt. Tante Thérèse heeft op haar beurt maar één vraag voor Inni. Gaat hij nog ter kerke? Er schuift een ‘heeroom’ aan bij het diner die priester en ‘geheimheer van de paus’ is en een theologische discussie begint met Taads, wat eindigt in een verhit handgemeen. Inni, de eeuwige buitenstaander, mengt zich er niet in.

 

Een stil geloof in engelen

Intussen wordt Inni onopvallend verleid door het dienstmeisje, dat hem meeneemt naar het bos, waar ze hem ter wille is, ook al zal ze over een paar weken, wanneer haar verloofde terugkomt uit de Koreaoorlog, trouwen (Taads heeft hem uitgelegd dat als je geen vader hebt je tenminste geen superego hoeft mee te torsen: “… Geen vader op je rug, geen dwingende regulerende factor in je leven. Niets om je tegen af te zetten, om te haten, om aan te refereren in je gedrag…”). Ze sluipt ook nog zijn logeerkamer binnen. Toch is er ook weer geen sprake van platte Epsteinseks, waar de minachting en haat richting vrouwen van afdruipt. Zie het NRC van 21 februari: “… De Epstein-files bieden een ongefilterde blik in de denkwereld van bepaalde mannen. Jonge vrouwen zijn ‘jong pussy vlees’, oudere vrouwen hebben ‘kwark tussen de benen’, hun eigen echtgenote is een ‘miserable cunt‘…”. Misschien bestaat Inni’s ‘geloof’ uit vrouwen. ”… Een grote verslaving was begonnen…”, in ieder geval. Inni zet zijn dames op een voetstuk: “… Vrouwen waren de meesters van de wereld, eenvoudig omdat ze hem in beheer hadden. Nooit zou hij het gevoel hebben dat hij iemand ‘nam’, of ‘veroverde’ of wat er dan nog meer aan stupide terminologie bedacht was om de waarheid te verhullen: dat men zich, dat hij zich aan vrouwen uitleverde met een absolute overgave die altijd misverstanden wekte…”. Zielig toch? “… Als de wereld een raadsel was dan waren vrouwen de kracht die dat pulserende raadsel op gang hielden, zij, en zij alleen hadden toegang tot het raadsel. Als er al iets te begrijpen viel op de wereld moest dat via vrouwen gebeuren. Vriendschap met mannen kon heel ver gaan, maar het bleef de rationale kant van de dingen, iets wat sommige vrouwen erbij hadden, een extra…”. Met andere woorden, niet alle vrouwen zijn zo stom als ze er uit zien. “… Vrouwen waren eerlijker, directer, dan woorden, het waren media…”. Niet voor niets moet hij steeds trappen opklimmen naar hun onderkomens. Alsof het een soort ‘Jacobsladders’ zijn. Zijn vrouwen zijn engelen, moeder Maria’s, die hem over zijn bol aaien, lekker instoppen en ook nog zijn biologische functies helemaal snappen. Ze halen ‘de zachte kant’ in hem naar boven: “… Vaak had hij het gevoel dat vrouwen hem toestonden om zoveel als dat mogelijk is een vrouw te zijn – en dat hij zonder dat niet zou kunnen overleven. Niet dat hij ooit fysiek een vrouw had willen zijn, juist zo, met die vrouw in zijn mannenlichaam onderging hij een raadselachtige sensatie van dupliciteit. Hij was wat men dan noemde een vrouwenman, maar dan zoals in de mythologie een vogelman kan zijn…”. Als je je maar genoeg in elkaar kunt verplaatsen zijn we misschien allemaal wel een beetje trans. Ik geloof eerlijk gezegd helemaal niet dat er zoiets bestaat als honderd procent mannelijkheid tegenover honderd procent vrouwelijkheid. Zie de Duitse wetenschapper Magnus Hirschfeld die rond 1900 tot de conclusie kwam dat er welgeteld 40.046.721 seksuele types zijn. Daar staan we dan met onze miserabele LHBTIQA+ labeltjes. We kunnen nog effe. “… Hij haatte de houding van de meeste mannen tegenover vrouwen, want ook al deed hij dezelfde dingen, de beweegredenen waren anders. Hij wist wat hij zocht. Seks was nooit waar het echt om ging, seks was alleen maar het verrukkelijke vervoermiddel. Vrouwen, alleen vrouwen, waren een middel om dichterbij te komen, in de buurt, in de straling van het geheim waarvan ze de beheersters waren en mannen niet. Door mannen, maar dat zou hij pas veel later zo kunnen zeggen, leer je hoe de wereld is – door vrouwen wát hij is…”. Tuurlijk joh. “… En deze nacht, waar duizend andere nachten, kamers en lichamen overheen geschoven zouden worden, was de onvergetelijkste van alle…”. Hier wordt een religie geboren.

 

Het lichaam als gadget

Het derde deel verspringt naar 1973. Inni is inmiddels veertig, “… de leeftijd waarop je alles voor de derde keer moet doen of gaan studeren voor kwaadaardige oude man…”.  Die dag ziet hij drie duiven, zoals hij op andere dagen te veel blinden, of kreupelen of linkerschoenen langs de weg ziet liggen, wat hem een ‘vaag gevoel van onbehagen’ bezorgt: ‘alsof er ergens toch nog een duister plan omtrent de wereld bestaat’. De eerste duif is een dode duif die hij gaat begraven in het Westerpark met een meisje die de vogel ook ziet. Langs zijn neus weg deelt Nooteboom nog gauw een geweldige sneer uit naar Jan Wolkers, van wie het meisje een boek in een plastic tas heeft zitten. Daar kan de dode duif wel bij, dat geeft niks, zegt Inni (als je bedenkt dat de duif een symbool is voor de Heilige Geest: die is bij Wolkers wel dood ja). Ze springt bij hem achter op de fiets zoals Moniek van de Ven bij Rutger Hauer in "Turks fruit" (uitgeroepen tot de beste Nederlandse filmscène ooit). De tweede duif laat zich meevoeren op de rand van een omhoog bewegende ophaalbrug waar ze voor moeten stoppen. Vervolgens duikt Inni natuurlijk met het meisje in bed. Als je niet in het ‘hogere’ gelooft, ben je blijkbaar overgeleverd aan het ‘lagere’ oftewel je driften en instincten. Zie Rom. 1:24. Zie “Compassie” van Karen Armstrong. Het meisje vrijt mechanisch. Ze trekken je tegenwoordig aan en uit als een handschoen, denkt Inni. “… Het leek soms nog het meest op een vorm van werken…”. Terwijl hij haar aankijkt: “… Ze had nog niet geleden, en dat was niet per ongeluk. Lijden, had hij geleerd, kon je ook weigeren, en dat werd tegenwoordig op grote schaal gedaan…” (zie de intro van mijn vorige blog). Als het achter de rug is: “… ‘Zie ik je nog eens?’ vroeg hij. ‘Nee. Ik heb een vriend.’…”. Pas als hij twee straten verder is bedenkt hij dat ze geen van tweeën elkaars naam gevraagd hebben. Wat maakt het uit? “… Niets, en toch kwam het hem voor dat er iets mis was met een tijd waarin je naamloos met elkaar naar bed kon gaan…”. Hij besluit haar ‘Duifje’ te noemen.

 

Het numineuze

Inni was in feite net op weg naar een kunsthandel met een paar platen die hij op de kop heeft getikt. Als Nooteboom het over kunst heeft, is hij echt op zijn best. Prachtig beschrijft hij de ‘Lybische Sibylle’ een copy van een ets van Baldini, die Inni bij zich heeft. “… ‘Ze broedt een boosaardige voorspelling uit,’ zei Bernard. ‘En ze heeft konijnenoren, maar dat is waarschijnlijk het Lybische aan haar.’…”. De kunsthandelaar stuurt hem met een Japanse prent naar iemand anders die er meer verstand van heeft: “… Je kunt alleen maar wezenlijk mooi vinden waar je echt iets van weet…”. Onderweg ziet Inni een derde duif zich te pletter vliegen tegen een winkelruit. Hij fladdert toch weer van de grond. “… Duiven, orakelspreeksters, predikers, dit was duidelijk een dag dat het hogere het op hem voorzien had…”. Als hij bij het opgegeven adres aankomt, ziet hij een magere, oriëntaals uitziende man als in trance naar een zwarte kom in de etalage staren. “… Sommige dingen drukken rust uit, andere zijn machtig. Maar het is niet altijd zeker waar die macht op berust…”. Even verder: “… Het beste kon je misschien nog zeggen dat die pot, kom, of hoe je het eenzame voorwerp dan ook noemde, eruitzag alsof hij ontstaan was, spontaan, niet door mensen gemaakt. Hij was letterlijk sui generis, hij had zichzelf gecreëerd en heerste over zichzelf en over wie naar hem keek. Men zou voor deze kom gerust bang mogen zijn…”. De man stapt na hem naar binnen, gevolgd door twee Japanners, met wie de winkeleigenaar een gesprek aangaat. “… Ik zag dat u belangstelling had voor de raku-kom…”, zegt de man plotseling. Inni antwoordt dat hij er geen verstand van heeft, maar dat er voor zijn gevoel een soort van dreiging uitgaat van de kom. “… Samen liepen ze de kant van de etalage op. De kom stond nu beneden hen zodat hij erin kon kijken, en het was alsof hij in de diepte van een oog keek, of in een tot het oneindige verkleinde diepe zwarte poel. De kom staarde terug, hol, zwart glanzend, de afgezant van een universum waar een oningewijde niets te zoeken had. ‘Kuroraku,’ zei de man naast hem. Het klonk als een bezweringsformule, alsof door het uitspreken van die woorden de geheimzinnige kracht van de kom beteugeld kon worden…”. Met een klein sleuteltje opent de kunsthandelaar vervolgens de etalage, om de kom aan de Japanners te laten zien. “… Nu gaat er iets vreselijks gebeuren, dacht Inni. Zo’n kom laat zich niet straffeloos weghalen. Hij zag hoe het gezicht van de man naast hem grauw was geworden onder het bruin…”. Nu ziet Inni de kom pas goed: “… Als een grauwe melkweg dreef een baan van lichtere, ruwe punten door de diepe duisternis van de zwarte binnenkant. Wie zou hier uit durven drinken?...”. Uiteindelijk verkoopt de winkelier de kom aan de Japanners. Als ze de deur uit zijn biedt hij zijn excuses aan de oriëntaalse man aan die hij tot Inni’s verrassing Taads noemt. Hij vraagt hem of ene Arnold Taads soms familie van hem is. “… Ja, dat was mijn vader…”. Inne vraagt direct of hij wat met hem wil gaan drinken. Taads junior heeft het niet zo op café’s, maar vraagt Inne mee naar zijn huis in de Pijp.

 

Verlossing

Taads junior blijkt met zijn kaalgeschoren kop ook al een monnik: een zenboeddhist. Zijn enge kamer is helemaal wit en zo goed als leeg. “… De zeventiger jaren. Nog hadden ze de deur van de Kerk niet achter zich dichtgeslagen of ze kropen als bedelaars naar de blote voeten van guru’s en swami’s. Eindelijk waren ze alleen in een mooi leeg universum dat over zijn zelfgemaakte rails zoefde als een trein zonder bestuurder en er werd weer uit alle ramen om hulp geroepen…”.  Ze drinken groene thee. “… ‘Ik bereid me ergens op voor,’ zei Philips Taads. ‘Waarop?’ ‘Op mijn verlossing.’…”. Inni vraagt zich af of alle Taadsen niet gewoon knettergek zijn. “… Zij leefden één meter boven de grond, waar die woorden hun natuurlijke domein hadden. Misschien konden ze ook wel vliegen…”. Even verder: “… ‘Verlossing is een katholiek begrip,’ zei Inni. ‘Niet zoals ik het bedoel. Bij de katholieken is het een ander die jou verlost. Je kunt aan die verlossing deelachtig worden, maar dat zegt me niets. Ik verlos mezelf.’ ‘Waarvan?’ ‘Eerst van de wereld. Dat is me erg meegevallen, het is niet moeilijk. En dan van mezelf.’ ‘Waarom?’ ‘Het leven hindert me. Het hoeft niet.’ ‘Dan moet je zelfmoord plegen.’ Taads antwoordde een tijdlang niet. Toen zij hij zacht: ‘Ik wil af van het ding dat ik ben.’…”. Zie “Mijn weg van Boeddha naar Christus” van Esther Baker die zich ook bijna dood heeft gemediteerd. “… ‘Wat ik bedoelde te zeggen is dat ik het onverdraaglijk vind om een lichaam nodig te hebben om te bestaan,’ zei Taads. Toch katholiek, dacht Inni. Het smerige lichaam als hinderpaal op weg naar het heil…”. Hij vlucht bijna het huis uit.

 

Omgekeerde schedels

Buiten is het heiig. Er komt een onweerslucht ‘als een leger’ opzetten. Inni gaat de prent ophalen die hij bij de oosterse kunsthandelaar heeft laten liggen. De laatste vertelt dat hij Taads moet waarschuwen als hij een onbetaalbare raku-kom tegenkomt: “… Hij leeft in zijn eigen Japan, onze vriend…”. Hij heeft Taads ontmoet tijdens yogales, waar hij mee gestopt is omdat hij bang begon te worden zichzelf te verliezen: “… het verandert geleidelijk je wezen, tenminste zo voelde ik het – je verandert, je staat anders in de wereld, het is niet alleen maar een beetje gymnastiek…”. Hij is zich rot geschrokken van de heftige reacties van Taads, die na een sessie een enorme huilbui kreeg, “… alsof hij zichzelf uit wou kotsen, zo sterk. Een andere keer kon hij zijn handen niet meer uit een kramp krijgen…”. Het is allemaal niet zo onschuldig als het lijkt. “… Ik zit al de hele dag tussen het verhevene, al heb ik daar dan een vrij perverse band mee. Plat gezegd, ik durfde niet meer…”. De handelaar laat hem een boek vol Japanse theekommen zien: “… Wat was er nu precies zo mysterieus aan kommen, of, als je het er dan toch over had, aan kelken? Omgekeerde schedels die niet langer iets bedekten, niet meer naar de aarde gericht waren maar naar de hemel, dingen waar iets in kon, maar alleen iets wat van boven kwam, uit de bovenwereld van zonnen, manen, goden en sterren…”. Het goud van de kelk die bij de mis wordt gebruikt roept bloed en wijn op. Bij de theeceremonie gaat het niet zozeer om de thee, maar om ‘hoe’ je drinkt: “… De vorm van de ceremonie moest uiteindelijk tot een innerlijke ervaring leiden die de weg wees naar de gesloten tuinen van de mystiek…”. Inne: “… Wat een eigenaardig ras was de mensheid toch dat er, hoe dan ook, altijd voorwerpen aan te pas moesten komen, gemaakte dingen die de passage naar de schemergebieden van het hoge gemakkelijk moesten maken…”. Samen luisteren ze naar de auto’s buiten die beginnen te toeteren omdat er een vrachtwagen vastzit: ‘woedekreten van een orang-oetan die geen banaan kan vinden’. “… ‘In 1480,’ zei Riezenkamp, ‘maar niemand weet het, heeft een heks deze plek vervloekt en gezegd dat Amsterdam in chaos en hels lawaai ten onder zou gaan.’…”. Of Inne zich kon voorstellen hoe onvoorstelbaar stil de wereld was waarin de oosterse asceten hun gedachten uitbroedden. “… Wij zijn andere mensen geworden. We zien er nog net zo uit, maar we hebben er niets meer mee te maken. Anders geprogrammeerd. Wie nu nog zo wil worden moet een behoorlijke portie gekte meebrengen om het hier dan nog uit te houden. We zijn er niet meer op gebouwd…”. Die nacht leest Inni de roman die Taads junior hem heeft meegegeven: “Thousands Cranes” van Kawabata, over “… een uit ragfijne woorden gesponnen levensgevaarlijk web waarin mensen gevangen zaten en theekommen het voor het zeggen hadden, kommen die de geest van hun vorige eigenaars bewaarden en die vernietigden, of, zoals in dit verhaal, vernietigd werden…”.

 

Requiemmis voor drie heren

Na vijf jaar belt de kunsthandelaar dat hij eindelijk een klassieke akaraku-kom voor Taads junior heeft gevonden. Of Inni komt kijken. Een kom uit de onbenoembare voortijd met de kleur van dode bladeren: “… Was de zwarte kom nog dreigend, deze was aan dergelijke interpretaties voorbij…”. Taads betaalt contant een onmogelijk bedrag. Eindelijk heeft hij wat hij wil: “… Nu heeft hij niets meer te willen…”. Een paar weken later worden Inni en de kunsthandelaar uitgenodigd voor een theeceremonie bij Taads thuis. Dat wordt geen grapje…

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 200 blz., ISBN 978 940 313 505 2, 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 19 februari 2026

Door de sneeuw – Tommie Goerz

 


Deze blog schrijf ik op 'aswoensdag'Byung-Chul Han (zie mijn vorige blog) noemt in zijn essay “De palliatieve maatschappij” (2022) de hedendaagse beschaving ‘palliatief’, omdat wij coûte que coûte pijn willen vermijden. Zie hoe het beeldscherm ons ‘beschermt’ tegen de boze buitenwereld. “… We zijn bang geworden voor pijn. Zelfs de dood proberen we weg te stoppen. We kiezen vaak voor verdoving in plaats van echt leven…”. En dan bij onze jongeren aan komen zetten met de oproep ‘sneuvelbereid’ te zijn. Gekker kun je het in mijn ogen bijna niet bedenken. Zie ook het artikel ‘Waarom je een schedel op je bureau moet zetten. Het belang van memento mori’ van “De ongelooflijke” (30.12.25), naar aanleiding van een podcast met rouwdeskundige Manu Keirse. Misschien kunnen we weer zachtjes een beetje leren wennen aan de dood door bijvoorbeeld het prachtige, dromerige boekje “Door de sneeuw”, van de Duitse bestsellerauteur en detectiveschrijver Tommie Goerz (1954) te lezen, waarin een dodenwake wordt gehouden in een afgelegen, met een dikke laag maagdelijke sneeuw bedekt Alpendorp: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”.

 

Noaberschap

“Door de sneeuw” beweegt zich op de rand van twee werelden. De protagonist, Max, een oude vrijgezel, heeft aan den lijve ondervonden hoe de gesloten, op het eigene en naar binnen gerichte dorpsleven, ruw verstoord werd door de met veel bombarie binnendringende buitenwereld. Alles verandert doorlopend. Panta rhei. Goed, het leven is daardoor misschien zo’n beetje grenzeloos geworden, alles werd mogelijk, maar ook oppervlakkiger. Veel goeds ging verloren en verdween. Ik herken dat wel. Op mijn zesde verhuisde ik van een hechte plattelandsgemeenschap naar de stad. Mijn hoogbejaarde moeder zei laatst nog dat ze dacht: wat zal ik nu veel meemaken - met zoveel mensen om me heen. Ze maakte níets meer mee. Of in ieder geval niet meer iets dat kon tippen aan de intieme solidariteit die vanzelfsprekend is in een buurtschap waar je op elkaar aangewezen bent. Wat je in de breedte leeft, leef je niet in de diepte.

 

W.G. van de Hulst-achtig

Het verhaal. Max staart in trance uit het keukenraam naar de vallende sneeuw: “… Hoe de sneeuw, als hij omhoogkeek in het eindeloze grauw van de lucht, uit zwarte stipjes bestond en hoe de stipjes gestaag op hem af bleven stromen. Tot hij erdoor werd meegevoerd, wat altijd gebeurde als hij een tijd zo stond te kijken. Dat had hij als kind al gehad. Alsof de vlokken niet naar hem toe zweefden, maar hij naar de vlokken…”. Bijna W.G. van de Hulst-achtig: “… Van niets werd de wereld zo roerloos als van vallende sneeuw. En zo vredig, zo zacht…”. Dwars door het kalme wit begint plotseling de doodsklok te beieren. Al twintig jaar luidt Gunda voor iedereen die in het dorp sterft de klok. Daarvoor was dat de taak van haar moeder: “… sinds het begin van de wereld leek het wel…”. Zijn oude vriend Schorsch is dood (alleen in zijn paspoort staat zijn echte naam: Georg, maar niemand had hem ooit zo genoemd, alleen bij de gemeente, wat wisten ze daar nou van mensen…). Lisl had het hem van buiten toegeroepen, vanaf de weg. Terwijl ze een kruis sloeg. Schorsch met wie hij hout hakte en machines repareerde. Met wie hij eindeloos met een potje bier had zitten niksen op een bankje op het erf of op de sofa bij hem thuis, waar ze samen zwegen of een dutje deden. Hij herinnert zich de ‘heilige momenten’ als ze luisterden naar de oergeluiden in het bos, het over stenen stromen van de beek. Ze hadden het jaarlijkse ‘bezembinden’ geregeld en een keer zwarte kaarsen gegoten die zouden helpen tegen onweer. Toen ze op een zolder een oude karnton vonden, hadden ze boter gekarnd. Hij probeert de krant te lezen: “… Hij sloeg de bladzijden om en bekeek de foto’s, maar het nieuws interesseerde hem niet. De wereld daarbuiten was zo ver weg, die had niks met hem te maken. Een janboel was het, hij begreep er niets meer van. Het was overal oorlog, overal waren mensen op de vlucht – bij hem sneeuwde het alleen…”.

 

Dodenwake

In Max’ vertraagde wereld wordt het halverwege de middag alweer nacht: “… het zou nog weken duren tot het merkbaar lichter werd. Wat was er met de dag gebeurd?...”. Hij zet thee van allerhande kruiden die hij zomers plukt en te drogen legt op een plank. Ondertussen denkt hij na over de veranderde omgang met de dood. Hadden ze Schorsch al opgehaald? “… Haast niemand wilde nog een dode in huis hebben, ook de eerste nacht al niet meer. Bij de laatste drie overlijdens was er geen dodenwake geweest. Ze waren de overledenen nog dezelfde dag komen halen, om bij de uitvaartonderneming in een koelcel te leggen. Pas voor de begrafenis werd het lichaam dan naar de kerkhofkapel gebracht, het werd niet meer opgebaard. De kist was voor die tijd al dichtgeschroefd. Maar zo kon je niet fatsoenlijk afscheid nemen. Bij een dodenwake was dat zoveel mooier. Dan had je de hele nacht om te praten en te huilen en was er wat te drinken, een borrel of twee, een biertje of wat, dat hielp altijd. Ook dat je met meer was en niet alleen…”. Hoe een prachtige ceremonie, zeker ook in verband met het onlangs gepubliceerde wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat ons brein nog enkele minuten tot zelfs uren na de dood actief lijkt te blijven (Telegraaf 16.02.26). Ik ga het nu maar niet hebben over wat een en ander aan ethische vragen oproept rond orgaantransplantatie.

 

Vrouwen

Die middag kleedt Max zich dik aan om naar het huis van Schorsch en diens vrouw Maicherd te glibberen. Hij wil weten of er een dodenwake zal zijn. “… De vrouwen die altijd direct kwamen als er iemand was overleden, hadden Schorsch al een flink eind opgeknapt, hij had zijn zondagse goed nog niet aan, dat zou de aanspreker doen, maar daar lag hij: netjes gekamd op de bank in de kamer, met links en rechts een kaars. Maicherd was alweer alleen. Het rook als in de kerk en ze hadden Schorsch een rozenkrans tussen zijn vingers gevlochten. Dat zou hij niks gevonden hebben, wist Max, maar daar viel met de vrouwen niet over te praten. Dat deed je nu eenmaal, dat hoorde zo. Vrouwen hadden nu eenmaal meer op met de kerk, dat was nooit anders geweest…”. Maicherd vertelt dat Schorsch die ochtend hondsberoerd werd en ineens weg was. Max belooft vroeg in de avond terug te komen: “… De mannen zouden tot middernacht waken, zo was het gebruik, daarna zouden de vrouwen het overnemen, tot de dageraad. Dan zou er ’s ochtends genoeg gewaakt zijn…”.

 

Vreemdeling

Als hij thuiskomt, ziet hij op het perronnetje voor zijn keukenraam een eenzame vreemdeling, die nog uren zal moeten staan koukleumen voor de trein komt. Hij opent het raam en roept hem naar binnen, geeft hem een kop thee, en biedt hem als iemand de wekelijkse boodschappen (uit de stad, want de voorzieningen zijn een voor een uit het dorp verdwenen) komt brengen, zelfs wat te eten aan. De jongeman, Janis, zegt dat hij een wandelaar is. Daar snapt Max helemaal niks van. Wie wandelt er nu zomaar wat rond en al helemaal met zulk weer. Janis blijkt verderop in het verhaal een fotograaf die duidelijk oog heeft voor de verdwijnende, nog steeds tussen bijgeloof en ongeloof zwevende leefwereld van Max. Janis kan zijn oren niet geloven als hij hoort welke wilde kruiden Max allemaal gebuikt voor zijn zelfgemaakte thee. Of Max televisie heeft? “… ‘Nee. En ook geen radio.’ Dan hoefde hij dat ook niet meer te vragen…”. Hoezo niet? “… ‘Wat ik moet weten komt niet op televisie. En ook niet op de radio.’…”. Janis zal later in het verhaal nog een keer terugkomen om te vragen of hij Max als ‘laatste der Mohicanen’ te midden van zijn archaïsche bedoening op beeld mag vereeuwigen, waar Max halfslachtig in toestemt.  

 

Mannen onder elkaar

Op een schitterende manier vertelt Goerz hoe het er die avond en nacht bij de ouderwetse dodenwake aan toegaat. Als Max de kamer betreedt waar zijn vriend ligt opgebaard, ziet hij in een oogopslag dat de vrouwen de ergste viezigheid onder zijn nagels hebben weggekrabd. Zijn borstelige haar is met water aan zijn hoofd vastgeplakt waardoor hij er wat minder verwilderd uitziet. Zijn gezicht is ingesmeerd met zalf, zodat Schorsch er glimmend bijligt, zijn mond een eindje open. Max slaat een kruis, “… knikte de anderen toe en ging bij het doodsbed staan. De mannen bromden. Maicherd had acht, negen stoelen in een halve cirkel rond de bank gezet, achter de deur stonden er meer klaar, had Max gezien. Niemand wist hoe druk het zou worden…”. De oude trekkerkalender is van de muur gehaald; een ingelijste Jezus met aureool hangt ervoor in de plaats. “… Het rook naar oliekachel en stal, naar werk en zweet en ook een beetje naar hout…”, want de “… mannen waren allemaal direct na het werk gekomen, voor een wake hoefde je je niet op te doffen. Dat deed je pas voor het lijkmaal, als je na de begrafenis naar het café ging. Naar een wake ging je gewoon zoals je was…”. Maicherd zit alleen in de keuken, want de mannen moeten eerst alleen zijn: “… Mannen onder elkaar. Maicherd wist dat…”. De wake wordt geopend met een vraag: “… Waar zou Schorsch nou wezen?...”. Iemand moet die woorden zeggen. “… In de hemel…”, zegt een ander, hoestend van het roken, “… ook dat antwoord hoorde bij het ritueel, dan was de kop eraf. Van alle kanten klonk instemmend gemurmel, over Schorsch waren ze het kennelijk eens. Dat was niet altijd zo, er was ook wel flinke ruzie geweest…”. Na lang praten wordt de grootste schooier echter nog een plekje in de hemel toebedeeld, “… want eigenlijk moest iedereen daarnaartoe, wat er ook gebeurd was…”. Dat vind ik diep ontroerend. Hier geen ‘cancelcultuur’. De boeren zijn bij leven keihard voor elkaar, maar ook in staat tot veel vergeving. Ze weten maar al te goed van wat voor ‘maaksel’ de mens is. Max zou zich een kriek hebben gelachen om het streven ‘alles uit onszelf te halen’. De prestatiemaatschappij is ver van zijn bed.

 

Schnaps

Een caféeigenaar brengt twee kistjes bier en een fles perenbrandewijn mee die hij zelf heeft gestookt. Schnaps. Max smeert er zijn gewrichten mee in als ze pijn doen. De vader van de caféhouder had nog wel eens een vat bier zuur laten worden: “… ‘Smullig’ noemden ze dat. En of het nou naar dooie muis of naar dweilsop smaakte, Edwin tapte het gewoon. Met een stalen gezicht. ‘Niet moeilijk doen, ik heb niks anders,’ zei hij dan. ‘Er zit niks verkeerds in en je wordt er gewoon teut van.’ Maar dan rekende hij wel half geld, en iedereen dronk het spul. Omdat het zo goedkoop was, en omdat het waar was wat hij zei: je werd er gewoon zat van en na twee pullen proefde je toch weinig meer…”. De boeren hadden in de slechte jaren na de oorlog bij Stangl zitten zuipen, “ … vaak niet te kort, schnaps en bier, omdat het anders allemaal niet uit te houden was. Maar geld hadden ze niet, daarom hadden ze het laten opschrijven…”. Toen zijn vader overleed, bleek Stangl junior overal stukjes land te erven, waarmee de boeren senior hadden betaald, zonder dat ze dat ooit aan iemand vertelden, ook niet aan hun vrouw: “… De meesten vertelden hun vrouw sowieso alleen het hoogstnoodzakelijke. Of ze sloegen haar bont en blauw als ze met een stuk in hun kraag bij Stangl vandaan kwamen. Zo ging dat toen…”. In vroeger tijden lieten de boeren zich niet zien als ze naar het café gingen. Ze kwamen ongemerkt achterom, veel te bang dat er achter hun rug om gekletst zou worden dat ze niks omhanden hadden. Het terras was voor het ‘vakantievolk’: “… Hoe benauwd het ook was, de boeren zaten binnen…”. De dodenwake is een dwaaltocht door het verleden. Er worden oude verhalen verteld, anekdotes opgedist en geheimen geopenbaard, zodat de overledene nog een keer tot leven komt, in ieder geval in de hoofden van de aanwezigen.

 

Voor het laatst

Als iedereen vertrekt, blijft Max zitten. “… Hij wilde de hele nacht bij Schorsch waken. Ze waren zoveel samen geweest en vandaag was het voor het laatst. Hij kon het zich nauwelijks voorstellen, maar zo was het leven. Hij zou eraan moeten wennen…”. De vrouwen vinden dat prima en de mannen kan het niks schelen. Bij de vrouwen voelt Max zich veilig: “… Dan kon hij anders zijn. En de vrouwen kletsten met hem en hadden nooit het gevoel dat hij bijbedoelingen had. Hij maakte ook nooit van die lompe grappen. Bíjna nooit, tenminste…”.

 

Een zacht, lang lied

Als de vrouwen de wake overnemen verandert alles. Ze komen stil binnen en prevelen een gebed. “… De sfeer in de kamer werd plechtig, haast kerkelijk. De vrouwen zetten kaarsen neer, staken een blokje wierook aan en zongen een lied. Een zacht, lang lied…”. Lilo, die de laatste winkel in het dorp dreef, had altijd veel gezongen, ‘jaar in jaar uit, uren aan één stuk’. Ze wilde niet aan de man: “… Als het kermis was, ging ze graag en vaak dansen, ze lachte met de mannen. Ze stond midden in het leven – en toch stond ze ook overal net naast. Alsof er voor haar andere regels golden…”. Net als voor Max eigenlijk. “… Lilo was de enige die alle teksten van begin tot einde kende. Zij leidde het gezang, dat zachtjes voortkabbelde, de rest neuriede veelal alleen mee…”. Ook al heeft hij niets met de kerk, de kalme melodieën raken Max. Maicherd legt een bosje gedroogde kruiden op de borst van haar man, die Max samen met zijn vriend en de vrouwen nog heeft helpen binden. Een oude traditie. “… De volgende dag, met Maria-Tenhemelopneming, hadden ze ze met een kruiwagen naar de kerk gebracht, waar de pastoor ze zegende en ze werden uitgedeeld aan de kerkgangers, die ze thuis in hun bidhoekje, of in de stal of op de hooizolder te drogen hingen. Het zou helpen tegen storm en onweer, ze gaven de bossen aan hun vee als het ziek werd, of verbrandden losse bloesems of kruiden ter bescherming tegen ongeluk en blikseminslag. De afgelopen jaren was er ook een stel uit de nieuwbouw kruidenbosjes komen halen, en vorig jaar waren zelfs twee vrouwen uit het wijkje komen helpen met het samenbinden…”. De mensen die al dertig, veertig jaar in de nieuwbouwwijk wonen, worden nog steeds beschouwd als buitenstaanders. De eerste doos Mon Chéri gaat rond. De vrouwen halen hun breiwerk tevoorschijn. Maicherd begint walnoten te kraken en Frieda sokken te stoppen: “… ‘Die kerel van me knipt z’n teennagels niet,’ zei ze. ‘Paardenhoeven lijken het wel, niet om aan te zien. Al zijn sokken gaan eraan.’…”. Af en toe dommelt Max onder het gedempte heen en weer gepraat in slaap. Hij is een van hen. “… ‘Gaat het, Max?’ vroeg Maicherd, die hem een zucht had horen slaken die haast als een laatste ademtocht klonk. Max gromde iets onverstaanbaars en ging nog eens met zijn hand over zijn gezicht. ‘O, dan is het goed,’ zei Maicherd, en ze kraakte nog een walnoot…”.

 

Een kind van de duivel

Hij droomt van vroeger: “… Herinneringen dragen je verder dan je voeten ooit kunnen…”. In het dorp losten ze de dingen zelf wel op. Toen het leegstaande schooltje verhuurd werd aan een stel langharige hippies die ’s nachts voor overlast zorgden, hadden ze net zolang alle banden van hun auto’s leeg laten lopen tot de boodschap begrepen was en ze vertrokken. Toen het gerucht overwaaide dat er vluchtelingen in het schooltje zouden worden gevestigd, hadden een paar trekkers in een nacht het hele bouwwerk gesloopt. “… Max’ gedachten draaiden in kringetjes. Hij was moe. Ja, soms had hij het gevoel dat het dorpsleven uit kringetjes bestond, kringetjes waarvan je buitenaf nooit doordrong. Het dorp was een kring, elke boerderij, elke familie was een kring en mensen waren op zichzelf ook een kringetje. Alles was hermetisch afgesloten, ondoordringbaar. Kon je dat zo zeggen? Hij wist het niet…”. Schorsch en hij hadden als jongetjes ooit een geweldig pak slaag gekregen toen ze in een boerderij iets hadden gezien wat ze niet móchten zien, “… omdat het niet bestond en omdat het zondig was en je er niet over mocht praten…”. Een kind met vuurrood haar: “… Een kind waarover een loden zwijgen lag, omdat het van de duivel was…”. Zo waren de tijden toen geweest. “… Het was een kind dat geen naam had, het mocht nooit naar buiten, niemand mocht het zien, het zat dag in, dag uit opgesloten. Het was niet gedoopt, mocht geen andere kinderen zien en niet met andere kinderen spelen. Het leerde nooit praten, kreeg lompen te dragen en restjes te eten. Het werd nog slechter behandeld dan het vee. En niemand bekommerde zich erom, het was per slot van rekening een kind van de duivel. Zolang je er niks van wist, had je er niks mee te maken. En toen was het op een dag weg. En ook daar werden geen vragen over gesteld, omdat het kind er immers nooit was geweest, zoveel had iedereen er wel van geweten…”. Hij denkt aan een jongen met een beperking die in de gierput viel en een vrouw die voorover was gekukeld in een luik bij de hoofdkraan van een waterleiding waar ze was gecrepeerd: “… zo gingen er wel meer dood, rare overlijdens waren haast normaal…”. Het was een mirakel, “… dacht hij, wat je allemaal in je hoofd aantrof als je er maar een beetje in rondneusde, en waar je zomaar op kon stuiten…”. Tegen half zes gaan de eerste vrouwen er vandoor: “… de oude Lilo was verstomd en leek in haar eindeloze rimpels te verzinken…”. De koeien moeten gemolken en de stallen uitgemest. De varkens krijsen al. Die hebben altijd honger.

 

Gay?

Om acht uur komt de begrafenisondernemer met zijn medewerker. “… ‘Komt de pastoor ook nog?’ ‘Waarvoor?’ vroeg Maicherd. ‘Voor de zegen,’ zeiden de aanzeggers. ‘Waar moet dat goed voor wezen?’ De aanzeggers haalden hun schouders op. ‘Misschien dat hij dan naar de hemel gaat?’ Maicherd wuifde het weg. ‘Hij gaat de grond in, verder niks. Dat verhaal over God en de hemel heeft me nooit overtuigd.’ Zo was Maicherd. Rechtdoorzee. Ze ging wel regelmatig naar de kerk, maar alleen om uit te rusten, zoals ze zelf zei….”. Ze wil wel dat haar man met de voeten naar voren het huis uitgedragen wordt: “… Want zo hoorde dat, een beetje bijgelovig was ze toch wel. Moedwillig het lot tarten was ook weer niet nodig…”. Als Max naar huis loopt, denkt hij aan Maicherd op wie hij ooit een oogje heeft laten vallen. Omdat ze er van achteren uitzag als een kerel maar van voren lieve ogen had. Ze koos Schorsch. Het maakte hem niet verdrietig. Als hij was getrouwd was hij alleen van alle vragen af geweest. Een vage suggestie richting homoseksualiteit komt voorbij. Maicherd bleef Schorsch haar hele leven trouw, “… en hij haar. En het dorp had van niks geweten en er was niks geweest om over te praten. Maar Max had het altijd geweten. Of gevoeld, net als Schorsch. Alles. Ze waren haast broers geweest, als kind al, en Maicherd had er geen punt van gemaakt, die had zelf ook al genoeg te dragen. En zij was veel bij Lilo geweest…”. In het dorp werd voornamelijk over werk en vee gepraat. “… Over de liefde? Zijn hele leven had Max zich ertegen verzet, het verborgen. De liefde was het werk van de duivel, altijd al geweest. Alleen zwijgen en vergeten konden je ervan verlossen…”.

 

Het grote zwijgen

In het café drinken ze er eentje op Schorsch. Iemand uit de nieuwbouw vraagt hoe het zit met de ongeschreven regels van het dorp. “… Dat is niet zomaar te zeggen. Die ken je gewoon, ze zitten in je bloed. Of je kent ze niet, en dan leer je ze kennen. Je groeit erin, als kind al…”, aldus Max. De nieuwbouwbewoner neemt geen genoegen met zijn antwoord: “… ‘Waarom leggen jullie ze niet gewoon uit?’ Zijn tafelgenoten knikten instemmend. Max likte iets van tussen zijn tanden en nam zijn tijd. ‘Weet je, Grüneisen,’ zei hij tenslotte, 'niet alles hoeft altijd gezegd te worden.’ Hij liet een stilte vallen en schudde zijn hoofd. ‘Meer heb ik niet te zeggen. Proost, op onze Schorsch.’ ‘Op Schorsch.’ Toen Maicherd haar glas had neergezet, keek ze Grüneisen in zijn ogen en zei zacht: ‘Het is ook goed om te leren zwijgen, Grüneisen. En om geen vragen te stellen…”. Max: “… Alles veranderde, en sowieso: iedereen bekeek alles weer anders. Altijd al…”. Ingrijpen doen de dorpsbewoners zelden tot nooit. Ze kijken gewoon toe als iets of iemand helemaal in de vernieling draait: “… In een dorp wonen mensen en er zijn mesthopen. En hoe dichterbij je komt, hoe erger het stinkt…”. Max weet wel beter als het dorp ‘een kalm meertje’ wordt genoemd: het is eerder een rattennest. “… Het is een meertje waar je de bodem niet van ziet. Je weet nooit wat er daar beneden sluimert. En soms…’. Hij haalde zijn snuiftabak uit zijn broek, snoof met beide neusgaten, veegde zijn neus schoon en stopte zijn zakdoek weer in zijn zak…”. Wat soms? “… ‘Soms,’ vervolgde Max zijn overpeinzing, ‘om de paar jaar, steekt er bij volmaakt heldere hemel een storm op…’…”. En toch is het er fijn: “… Jawel, als je zweeg, redde je het samen. Waarover je niet sprak, dat bestond niet. Oude kwesties liet je rusten. Je wilde, je moest immers samenleven…”.

 

Waar is Max

De volgende dag zit iedereen in de kerk voor de begrafenis van Schorsch. Alleen Max komt niet opdagen. Als de pastoor niet langer kan wachten vanwege een trouwdienst elders, beginnen ze zonder hem. Hoe hij uiteindelijk weer opduikt, moet je zelf maar lezen.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2025, vertaling Ralph Aarnout, 176 blz., ISBN 978 902 547 741 7, € 23,09

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

maandag 16 februari 2026

De crisis van het narratieve - Buying-Chul Han

 


“… Luister goed, en vergeet vooral niet dat echte verhalen verteld moeten worden; als je ze voor jezelf houdt, pleeg je verraad…”Israel Baal Shem Tov

 

Filosoof en journalist Lena Bril vraagt zich in haar boek “In therapie” af of mensen in het in rap tempo ontkerkelijkte Nederland wel zonder enige vorm van geloof of een ander ‘collectief verhaal’ kunnen. Waar kom je elke dag je bed voor uit? De seculiere samenleving heeft veel beloofd en vooral veel afgebroken. Wat nu? De religie die ervoor in de plaats kwam is die van ‘het ideaal-ik’, van ‘zelfverwerkelijking’. Maar ja, op een gegeven moment kom je erachter dat de ‘perfecte versie van jezelf’ niet te verwezenlijken valt. We zijn en blijven falende mensjes. Wat we nodig hebben is een ‘nieuw verhaal’. Zie ook Victor Kal in mijn vorige blog: “… Het gaat erom, dat je bij het lezen van de krant kunt zeggen: ‘Nou, het is allemaal hevig, maar er is ook een ánder verhaal, een verhaal waar ik óók in leef.’  In zo’n verhaal kun je op adem komen…”. De vooral in Duitsland enorm populaire denker Buying-Chul Han (1959), van wie ik eerder “Via contemplativa” besprak, schreef een indringend essay over de crisis van het narratieve (zie ook videoplatform “De Nieuwe wereld” - nr. 1883).

 

Pornografische zelfpresentatie

“… Verhalen stichten een gemeenschap…”, schrijft Buying-Chul Han. Maar het kampvuur is allang gedoofd en vervangen door het digitale beeldscherm, waar vereenzaamde consumenten aan ‘storytelling’ doen. Oftewel reclame maken voor zichzelf. Het promoten van je ‘ideale ik’ middels posts, likes en shares is ontaard in een soort tsunami van ‘pornografische zelfpresentatie’. Het luidruchtige gekakel duidt vooral op het gemis van een écht verhaal, “… dat tot uiting komt in zinledigheid en gebrek aan oriëntatie…”. Alleen al het feit dat dit gebrek inmiddels een geliefd thema van onderzoek is geworden, legt een diepgaande vervreemding bloot. “… De luide roep om het narratieve duidt op een ‘functionele verstoring’…” (zelfs Poetin krijgt van de miskende profeet Alexander Doegin het verwijt dat hij bewust heeft verzuimd de inerte Russen, door middel van een ‘wervende mythe’ dan wel een ‘goed verhaal’, te mobiliseren voor wat hij aan het doen is – zie mijn vorige blog). We leven in een ‘postnarratieve’ tijd. We moeten het doen zonder ‘narratieve toverkracht’.

 

Metaverhaal

Verhalen verankeren je in de wereld. Wijzen je je plek. Geven je een thuis, en daardoor houvast en richting. Het christendom is zo’n ‘metaverhaal’ dat tot voor kort elke uithoek van het leven omvatte. Religieuze feesten en rituelen, die inmiddels zijn vercommercialiseerd tot events en spektakels, gaven glans- en hoogtepunten aan het leven. Het verhaal verándert de wereld; ópent de wereld. Geeft de wereld zin. Sticht identiteit. Begrenst ook (zie de grenzeloze wereld van Epstein). “… Verhalen vertellen en informatie overbrengen zijn tegengestelde krachten…”. Informatie mist de ‘stabiliteit van het zijn’. We verliezen onszelf in het dichte bos van informatie, terwijl we door verhalen onszelf en de wereld juist gaan begrijpen. Verhalen verbinden omdat ze het empathisch vermogen bevorderen. Verhalen vertellen veronderstelt geduldig luisteren en diepe aandacht, vermogens die we zienderogen aan het verliezen zijn. “… De geest van het verhaal stikt in de informatiestroom…”.

 

Draai de persen

Byuing-Chul Han baseert zich op de filosoof Walter Benjamin (1892-1940) die over de zeldzaam geworden kunst van het verhalen vertellen het volgende schreef: “… Informatie verdringt de gebeurtenissen die niet verklaarbaar zijn, maar alleen verteld kunnen worden. Verhalen hebben niet zelden wonderbaarlijke en raadselachtige kanten. Ze zijn niet te verenigen met informatie als tegenhanger van het geheim. Verklaring en vertelling sluiten elkaar uit…”. De verslaggever stroopt de wereld af op zoek naar ‘informatie’, ‘nieuwtjes’. De verteller is zijn tegenhanger. De verteller is een ‘raadsman’ voor wie om raad verlegen zit. In de vertelling komt weten en mensenkennis naar boven. Een goed verhaal blijft inspireren: “… Met zijn rijkdom aan ervaring en wijsheid kan hij iemand bij leven raad geven…”. Vertellen vergt een toestand van diepe geestelijke ontspanning. Een tijd van ‘niets te doen te hebben’. Dan broedt de droomvogel zijn ei van ondervinding uit. Wikkelen we ons in het doek van haar dromen. Luisteren vergt ‘zelfvergetelheid’, wat precies het tegenovergestelde is van de tegenwoordige trend inzake ‘zelfpromotie’. Wij leven juist in een tijd van hyperactiviteit. Een tsunami aan informatie fragmenteert de aandacht. Zorgt voor permanente overprikkeling. Het is erg moeilijk geworden om over te schakelen naar een contemplatieve modus. Volgens Benjamin begint de neergang van het verhaal met de roman. Het verhaal sticht een gemeenschap, de roman wordt in eenzaamheid genoten. Het is de opkomst van de informatievoorziening binnen het kapitalisme die de vertelling definitief om zeep helpt. Er wordt niet meer ‘overgeleverd’ en ‘doorverteld’. Waar niets bindends of blijvends meer bestaat, waar continuïteit en stabiliteit zijn verdwenen, resteert alleen nog maar het ‘overleven’. Geven we ons prijs aan de ‘barbaren’. Maar dat hoeft niet per se negatief te zijn. Misschien is het wel eens goed ‘opnieuw te beginnen’. Schoon schip te maken. De ‘nieuwe barbaar’ viert de ervaringsarmoede als ‘emancipatie’.  Zie de lichtheid van het bestaan van bijvoorbeeld Mickey Mouse.

 

Marionetten van de macht

Benjamin wist honderd jaar geleden niet dat het nog wel een graadje erger kon: zie de huidige digitalisering. Inmiddels is er een ‘informatieregime’ ontstaan, dat werkt middels ‘verleiding’: “… Het neemt een ‘smarte’ vorm aan…”. De vrijheid wordt niet ‘onderdrukt’, maar compleet ‘uitgebuit’. Zonder dat wij het in de gaten hebben slaat zij om in controle en sturing. En wel door een macht die steeds subtieler en onzichtbaarder te werk gaat (zie Jonathan Haidt in “Generatie Angststoornis”). We zijn bedwelmd door een ‘informatie- en communicatieroes’. We zijn overgeleverd aan een algoritmische black box waaraan de meesten van ons zich blindelings onderwerpen. Zie Georg Büchner: “… Poppen zijn we, en onbekende machten trekken aan de touwtjes; niets, niets zijn we zelf!...”. In de neoliberale hel van het gelijke staan paradoxaal genoeg authenticiteit en creativiteit op een voetstuk. Zie de marionettenfilm “Anomalisa” (2015) van Charlie Kaufman. De protagonist, een succesvolle motivatietrainer, beseft op een dag dat hij een pop is. Als zijn mond van zijn gezicht valt, ziet hij tot zijn schrik dat als hij het opraapt het gewoon verder babbelt.

 

Overleven

De uitgeputte laatmoderniteit ontbreekt het nogal aan ‘omwenteling’ en ‘verandering’. Ze is eerder verlamd tot ‘almaar zo verder’ en ’alternatiefloosheid’. Ze is elke moed verloren om een nieuw verhaal te vertellen, een wereldveranderend narratief te verzinnen. “… Wij ‘bekennen ons’ nergens toe. Wij ‘schikken ons’ voortdurend…”. Niemand weet hoe het verder moet. We zijn in een impasse geraakt. Zie de huidige politiek, zou ik zeggen. Zelfs de ChristenUnie komt niet verder dan waarschuwen voor Forum. Het leven dat voortjakkert van de ene actualiteit naar de volgende, van de ene crisis naar de volgende, van het ene probleem naar het volgende, blokkeert ons. Alsof we vooral ‘overleven’. Is het bestaan niet méér dan het oplossen van problemen? Ons ontbreekt elke hoop, elke hartstocht, elk visioen, elke ‘verte’.

 

Phono sapiens

Niet ‘glanzen’, maar ‘nagloeien’ is de verschijningsvorm van geluk. Daarom zijn we ervan verstoken zolang we in de actualiteitsroes zitten. De digitalisering maakt dat de werkelijkheid uiteenvalt in een stroom van informatiepartikels. We ‘fragmenteren’ letterlijk in ‘snaps’. We ‘atomiseren’ in data. Des te beter kunnen we worden gecontroleerd, gestuurd en economisch uitgebuit: “… De smartphone als speeltuin blijkt een ‘digitaal panopticum’ te zijn…”. De ‘Phono sapiens’ leeft pas echt in het nu, bedacht ik. Als een zombie, zonder verleden, zonder toekomst, zonder doel en zonder verhaal. Er is geen verwerking van het beleefde mogelijk. Geen reflectie van het gepasseerde. Geen interpretatie. Alles gaat ‘buiten het bewustzijn’ om. Geschiedt bijna ‘reflexmatig’. Of misschien wel ‘instinctmatig’ en ‘driftmatig’ (zie de vier V’s van Karen Armstrong: geen wonder dat de internetcontent voornamelijk uit porno, geweld, en maffe fotootjes van borden eten bestaat). We reageren met ons ruggenmerg in plaats van met ons brein. We etaleren vooral ons ‘digitaal onbewuste’. Het enge is dat de ‘datagedreven psychopolitiek’ zich daardoor meester kan maken van ons voorbewuste niveau van gedrag. Bij ‘self-tracking’, waarbij het ‘tellen’ compleet in de plaats komt van het ‘vertellen’ via het bijhouden van je hartfrequentie, bloeddruk, lichaamstemperatuur, bewegings-en slaapprofielen et cetera, verander je al aardig richting cyborg. In de derde aflevering van het eerste seizoen van “Black Mirror”: ‘The Entire History of You’, snijdt de protagonist zijn implantaat, dat alles wat de drager ziet en meemaakt opslaat, met een scheermesje uit zijn huid (zie ook Openbaring 13:16-18).

 

Leven of posten

Buying-Chul Han haalt Sartres roman “Walging” aan, waarin de pure feitelijkheid van de dingen bij de protagonist Antoine Roquentin een ondraaglijke walging oproept. Alles is van betekenis ontdaan. Roquentin: “… Dit is wat ik dacht: om van het meest alledaagse voorval een avontuur te maken hoeft iemand het alleen maar aan een ander te ‘vertellen’…”. Uiteindelijk besluit Roquentin dan ook romanschrijver te worden: “… Wat geluk schenkt, is het ‘waarnemen in verhalende vorm’. Alles past in een welgevormde orde. Een narratief ‘en’, gevoed door de fantasie, verbindt de dingen en gebeurtenissen die anders niets met elkaar te maken zouden hebben – zelfs futiliteiten, banaliteiten of bijzaken – tot een verhaal, waarin de ‘pre feitelijkheid’ is overwonnen. De wereld verschijnt dan als ‘ritmisch geheel’. Dingen en gebeurtenissen staan niet geïsoleerd op zichzelf. Het zijn eerder schakels in een verhaal…”. Daarom schrijft Peter Handke in “Essay over de jukebox”: “… hij vroeg zich af of dat vertellen dat voor hem in het begin in een goddelijk licht was verschenen, niet een begoocheling was – was het niet een uitdrukking van zijn angst voor alles wat geïsoleerd was, wat buiten een samenhang stond?...”. Dat is net zoiets als het fenomeen dat mensen ‘dapper’ worden gevonden die níet geloven. Zij durven de afgrond tenminste in de bek te kijken. Maar ja, dat durfde Nietzsche ook: hij werd wel gek. “… In de digitale laatmoderniteit verdoezelen we de naaktheid, de zinledigheid van het leven, doordat we permanent posten, liken en sharen. Het kabaal van communicatie en informatie zorgt ervoor dat het leven geen beangstigende leegte te zien geeft. De huidige crisis luidt niet leven óf vertellen, maar leven óf posten…”.

 

Magie

De post-narratieve tijd is een tijd zonder ‘innerlijkheid’. Zonder ‘betovering’. Bestaat domweg uit een opsomming van objectieve feiten. Juist gebeurtenissen die zich aan elke verklaring onttrekken, vragen erom verteld te worden. Zorgen voor poëzie. De verteller keert naar binnen. Informatie keert alles naar buiten: “… In plaats van de ‘innerlijkheid van de verteller’ hebben we te maken met de ‘waakzaamheid van de informatiejager’…”. Wie verhalen vertelt, neemt een duik in het leven en spint in zijn innerlijk nieuwe draden tussen gebeurtenissen. In de tijd als vertelling bestaan Pasen, Pinksteren, Kerstmis en hebben zelfs weekdagen een narratieve betekenis: woensdag is de dag van Wodan, donderdag de dag van Donar, enzovoort. Achter het scherm verkommert de magische ervaring van de wereld. Het van het narratieve beroofde geheugen lijkt op een ‘uitdragerij’. De opeenhoping van data en informatie zonder verhaal is niet ‘narratief’ maar ‘cumulatief’. Een zielloze brij.

 

Vetgemest consumptievee

Volgens Freud is de voornaamste rol van het bewustzijn gelegen in de prikkelafweer. Het moet zich zien te vrijwaren van de nivellerende, verwoestende invloed van de buitenwereld. Gebeurt dat onvoldoende dan raken we getraumatiseerd. Dromen is een manier om shockerende gebeurtenissen te verwerken. Herinneren ook. “… Wordt de shock door het bewustzijn gepareerd, dan wordt het voorval dat hem heeft uitgelokt tot een belevenis afgezwakt…”. Over het digitale beeldscherm dat we tegenwoordig bijna dag en nacht voor ons hebben: “… Het woord ‘scherm’ heeft oorspronkelijk de betekenis van iets wat bescherming biedt…”. Het beeldscherm bant de werkelijkheid: “… Daardoor schermt het ons voor haar af…”. Op de smartphone is de werkelijkheid zo gekrompen dat haar indrukken geen enkel shockkarakter meer hebben: “… De shock maakt plaats voor de like…”. Het echte gezicht van de ander gebiedt distantie te houden. Het is een ‘jij’ en geen ‘het’. De smartphone versnelt de verdrijving van de ander. Alleen wijzelf blijven nog over in onze infantiele, narcistische wereld. Op den duur kunnen we nergens meer tegen. Zal iedere, echte ander, ons ongemakkelijk doen voelen. Zie de tegenwoordige 'belangst'. Men kan de niet-participerende wijze van waarnemen, zoals het kijken naar Netflixseries, karakteriseren als ‘bingewatchen’ of ‘comakijken’: “… De toeschouwer wordt als consumptievee vetgemest…”. Ons psychische apparaat went mettertijd aan de grote hoeveelheid prikkels die op haar wordt afgevuurd, waardoor de waarneming afstompt. Er vormt zich als het ware een eeltlaag over onze hersenschors.

 

Wow

Wilden kunstenaars als Baudelaire nog shockeren (zie “Het Modernisme. De schok der vernieuwing” van Peter Gay), het huidige type kunstenaar is iemand als Jeff Koons: “… Hij maakt een ‘smarte’ indruk. Zijn werken weerspiegelen de gladde consumptiewereld, die diametraal tegengesteld is aan die van de shock. Van de toeschouwer van zijn werk verlangt hij niets dan een simpel ‘wow’. Zijn kunst is bewust ontspannen en ontwapenend. Hij wil vooral ‘in de smaak vallen’. Zijn devies luidt daarom: ‘De kijker omarmen’. Niets aan zijn kunst mag de kijker afschrikken of schokken. Deze kunst heeft zich aan gene zijde van de shock genesteld. Zij wil, aldus Koons, ‘communicatie’ zijn. Hij had ook kunnen zeggen: ‘het devies van mijn kunst is like’…”.

 

Passie

Big data maakt wetenschappelijke theorievorming overbodig, ook al verklaart ze niets. Wat maakt het uit waarom mensen doen wat ze doen? “… Ze doen het gewoon, en wij kunnen dat met ongeëvenaarde nauwgezetheid op de voet volgen en meten…”. Plus voorspellen. Data verdrijft de geesteswetenschap. “… Kunstmatige intelligentie kan het volledig zonder begrip stellen. Intelligentie is geen geest…”. Hier houden de verhalen dus op. Freud, wiens genezing erin bestaat dat zijn patiënten instemmen met het narratief dat hij hun aanbiedt, kan wel inpakken. Zo ook Plato met zijn dialogen. En Dante met zijn “Goddelijke komedie”. Evenals de ‘Verlichting’, dat ook maar een verhaal is. En Nietzsche met zijn ‘hervertelling van de wereld’, toch een ‘nieuw verhaal’, een ‘verhaal als waagstuk en feest’, ja als ‘avontuur’. Een ‘dronkenschap’ van de geest. Is het een wonder dat daar heel wat onredelijkheid en gekkigheid bij komt kijken! Kunstmatige intelligentie kent geen ‘passie’. Daarom ‘verstomt’ het verhaal.

 

Luisteren

“… All sorrows can be borne if you put them into a story or tell a story about them…”. Verhalen herscheppen de wereld tot een vertrouwd huis. Verhalen zorgen voor sociale cohesie. Péter Nadás vertelt in zijn essay “Behutsame Ortsbestimming” over een reusachtige perenboom in het centrum van een dorpje, waaronder op warme zomeravonden de dorpsbewoners samenkomen om elkaar verhalen te vertellen. Ook wordt er zachtjes gezongen en geeft het dorp zich over aan een ‘rituele contemplatie’: samen zwijgen. Verhalen brengen de dingen weer in het reine. Verhalen zijn heilzaam. Verhalen genezen. Verhalen bevrijden. “… Freud begrijpt de pijn als een symptoom dat wijst op de blokkade in iemands levensverhaal. De persoon in kwestie kan zijn verhaal niet voortzetten…”. Momo in “Momo en de tijdspaarders” van Michel Ende, zorgt ervoor dat de ander zich ‘vrijvertelt’, alleen door te ‘luisteren’. Zelfs een kanarie die niet wil zingen krijgt ze na een week aan het kwetteren en kwinkeleren. Het luisteren is in eerste instantie niet gericht op de inhoud van de mededeling, maar op de ander. Momo ‘ziet’ de ander. Er wordt een resonantieruimte geopend waarin de verteller zich gezien, gehoord en geliefd voelt. Ook aanraking heft als ‘tactiel verhaal’ spanningen en blokkades op. De aanraking in empathische zin scheurt ons los van ons ego. We worden ziek, depressief, angstig en eenzaam door toenemende aanrakingsarmoede. De ‘stories’ op sociale netwerken zijn ‘schreeuwen om aandacht’. De digitale netwerksamenleving werkt isolement in de hand.

 

Wij

De innigste gemeenschap is een gastvrije vertelgemeenschap. Maar niet alle verhalen stichten gemeenschap. Het neoliberale prestatie-narratief bijvoorbeeld maakt van iedereen zijn eigen ondernemer, zodat de ander een concurrent wordt. Waar iedereen de godsdienst van het Zelf huldigt en zijn eigen priester is, zichzelf produceert en performt, ontstaat geen ‘wij’. Integendeel, het (vaak moralistische) privé-narratief breekt zowel de solidariteit als de empathie af. Verhoogt alleen de eigenwaarde. De conservatieve, nationalistische narratieven die tegen de liberale permissiviteit gericht zijn, zijn eveneens buitensluitend en discriminerend. Moderne managers hebben de waarde van het verhaal ook ontdekt: “… ‘Stories sell’ betekent uiteindelijk: ‘emotions sell'…”. Uit winstbejag eigent het kapitalisme zich moedwillig verhalen toe. In deze wereld van storytelling wordt alles gereduceerd tot consumptie. De storytelling als verkapte commercie mist elke vorm van bezieling. “… Daardoor worden we blind voor andere verhalen, voor andere levensvormen, voor andere waarnemingen en werkelijkheden…”. Dát is de crisis van het narratieve.

 

Uitgave: De Nieuwe Wereld/Ten Have – 2024, vertaling Mark Wildschut, 160 blz., ISBN 978 902 591 277 2, 14.99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier