Menu

maandag 6 december 2021

Vaders en zonen – Ivan S. Toergenjev

 


In zijn inspirerende boek - “Waarheidszoekers” - legt filosoof Cees Zweistra aan de hand van “Vaders en zonen” van Toergenjev (1818 – 1883) uit, wat het verschil is tussen nihilisme en postnihilisme, in samenhang met het oude en nieuwe complotdenken. Nihilisten zetten zich ergens tegen af en nemen daarmee de samenleving tenminste nog serieus. Postnihilisten zetten zich nergens tegen af en beschouwen de samenleving als een spel, waar je net zo goed níet aan mee kunt doen. Zie “Speeldrift” van Juli  Zeh. “Vaders en zonen” (1862) kan worden gezien als de eerste volledig moderne roman uit de Russische literatuur. Het was ook het eerste Russische werk dat in de Westerse wereld populair werd. En het schildert het eerste portret van de Russische revolutionair. Het universele en actuele thema is het eeuwige generatieconflict (zie onze eigen ‘woke cultuur’). Toergenjev kwam in zijn werk in verzet tegen de vastgeroeste aristocratie, die niet veel anders deed dan potverteren, ten koste van het klootjesvolk. Natuurlijk werd hij daardoor verketterd en bovendien een tijdje opgesloten, maar zelfs de tsaar las zijn verhalen, die hem hielpen om in 1861 de lijfeigenschap definitief af te schaffen. Ik las de nog steeds verrassend leesbare en zelfs buitengewoon humoristische roman in de vertaling van Else Bukowskij. De nieuwste vertaling is die van Froukje Slofstra uit 2020.

 

Vrije ideeën

Het verhaal. Zomervakantie. De weledele heer Nikolaj Petrowitsj staat zijn zoon Arkadji, een kandidaat-student, en diens vriend Basarow, een aankomend arts, op te wachten bij een herberg. Toen zijn vrouw nog leefde, hadden beide echtgenoten een stil en genoeglijk leven geleid in een soort Arcadië: “… altijd waren zij in elkaars gezelschap, lazen samen, speelden quatre-mains en zongen duetten. Zij kweekte bloemen en hield toezicht op de verzorging van het pluimvee; hij ging van tijd tot tijd jagen en hield zich verder met de bezittingen bezig…”. De tijden zijn veranderd. Inmiddels heeft de weduwnaar zijn vervallen landgoed, die ooit tweehonderd zielen telde, aan zijn voormalige horigen verpacht (die hem niet betalen). Zelf trok hij zich terug op zijn ‘farm’. Samen met zijn fatterige broer Pawel; ook al een vrijgezel. In de koets op weg naar huis vertelt Nikolaj zijn zoon zenuwachtig en beschaamd dat hij een verhouding heeft met een twintig jaar jonger dienstmeisje, die bij hem inwoont. Hij kan het maar beter gelijk zeggen, want Arkadji komt er toch wel achter. Fenitsjka, raadt zijn zoon direct. Zijn vader krijgt een kop als een biet. Arkadji  drukt hem op het hart dat hij nergens over in hoeft te zitten. Basarow en hij staan ‘boven dergelijke dingen’: “… Waarom verontschuldigt hij zich toch, dacht hij bij zichzelf en een oneindige tederheid voor zijn goede, zachte vader vervulde hem en tevens een gevoel van tevredenheid over zichzelf en zijn vrije ideeën…”. Arkadji en Basarow mogen dan totaal van God los zijn; papa heeft nog steeds iets van een heerser over lichaam en ziel en zijn lief iets van een slavenmentaliteit. Culturele bagage verander je niet een-twee-drie. Hoe ‘verlicht’ je verstandelijk ook hebt leren redeneren. Een en ander doet me aan de zwaar gereformeerd opgevoede Franca Treur denken, die ooit vertelde dat ze als student op zondag nog liever honger leed, als de keukenkastjes leeg waren, dan dat ze een broodje ging kopen. 

 

Kikkers

Basarow, een vrijgevochten beer van een vent, kan oom Pawel niet uitstaan. Wat doet zo’n modepop op het platteland: “… En nageltjes, nageltjes, die moeten naar een tentoonstelling…”. Ik had eigenlijk het gevoel met een homo te maken te hebben, maar daar deden ze in die dagen waarschijnlijk nog niet aan. Oom Pawel maakte in zijn goeie tijd alle vrouwen het hoofd op hol, vertelt Arkadji dan ook, alhoewel het een het ander natuurlijk niet uitsluit. Integendeel, denk ik wel eens. “… Wat een boorden, als marmer zijn kin zo keurig geschoren. Och, och Arkadji Nicolajewitsj, het is toch wel een beetje belachelijk…”, bromt Basarow. En die vader van hem is ook al zo’n luie donder: “… Die leest maar verzen en kijkt nauwelijks naar zijn bezittingen om. Maar hij is doodgoed…”. Om daaraan toe te voegen: “… Het is toch wonderlijk, die oude romantici. Zij ontwikkelen hun zenuwen tot de uiterste gevoeligheid, evenwicht zou hen hinderen…”. De volgende ochtend struint Basarow al voor dag en dauw met een paar jongetjes achter zich aan door een klein moeras, op zoek naar kikkers. Waar of hij die voor nodig heeft? “… Ik ga ze opensnijden om ze van binnen te zien en omdat wij net zo zijn als de kikkers, behalve dat wij op twee benen staan, weet ik dan meteen, hoe wij er van binnen uitzien…”. Ondertussen komt Arkadji er tijdens het ontbijt achter dat papa er niet alleen een lief op nahoudt, maar dat hij ook een halfbroertje heeft. En vertelt hij aan zijn oom dat Basarow een nihilist is. Even verder maakt de tekst wel héél duidelijk waarom Cees Zweistra de oude complotdenkers vergelijkt met nihilisten. Wanneer er een discussie opsteekt tussen oom Pawel en Basarow: “… ‘Arkadji Nicolajewitsj vertelde ons straks, dat u geen autoriteiten erkent en niets van hen gelooft.’ ‘Ja, waarom zou ik ze erkennen? En waarom zou ik ze geloven? Mij kunnen alleen feiten imponeren, ik ga de dingen na, dat is alles.’…”.  Basarow zweert bij het materialisme: “… De natuur is ook onzin, tenminste in de betekenis die jullie eraan geven. De natuur is geen tempel, maar een werkplaats en de mens is de arbeider in die werkplaats…”. Jaja, door die zienswijze zitten onze kinderen nu met de gebakken peren. Of hij de kunst dan helemaal niet waardeert: “… Ja, de kunst om geld te verdienen of om aambeien te genezen…”.

 

Allemaal romantiek, onzin, rottigheid, artisticiteit

Arkadji vindt het verkeerd dat Basarow zo weinig fiducie heeft in zijn ongelukkige oom, die ooit verliefd werd op de verkeerde. Een hysterische, allang bezette dame, die vroeg overleed (Toergenjew heeft zelf zijn hele leven achter een beroemde maar helaas getrouwde diva aangesjouwd). Bovendien schuift oom Pawel zijn broer altijd grootmoedig geld toe als hij op zwart zaad zit. Basarow: “… Wie hoont hem? Ik wil alleen maar zeggen dat iemand, die zijn hele leven kan zetten op de liefde van een vrouw en als hij die kaart verliest, alles verloren acht, geen man is, maar een mannetje…”. Arkadji: “… Maar je moet ook zijn opvoeding in aanmerking nemen en de tijd, waarin hij heeft geleefd…”. Wát opvoeding, stuift Basarow op: “… Ieder mens moet zichzelf opvoeden, zoals ik bijvoorbeeld. En wat de tijd aangaat, daar hoef je toch niet van afhankelijk te zijn? De tijd moet afhankelijk zijn van mij. Nee, broedertje, dat is allemaal onzin. En dan die geheimzinnigheid tussen man en vrouw. Wij, fysiologen, weten hoe hun verhouding onderling is. Jij hebt toch ook de anatomie van het oog bestudeerd? Vanwaar zou jij nu denken, dat die zogenaamd geheimzinnige blik moet komen?... Allemaal romantiek, onzin, rottigheid, artisticiteit. Laten we eens naar mijn kever kijken, dat is beter…”. Na twee weken houdt iedereen van de grootbek, behalve oom Pawel en de oude aristocratische huisknecht Prokofitsj: “… Aan tafel, als hij hem bediende, zette hij steeds een nors gezicht, noemde hem in zijn hart ‘oplichter’ en ‘kale rat’ en vond, dat hij er met zijn bakkebaarden uitzag als een wild zwijn…”.

 

Wij ontkennen alles

Oom Pawel en Basarow bakkeleien dat het een lieve lust is: “… ‘In onze tijd is het ’t nuttigste, te ontkennen; wij ontkennen.’ ‘Alles?’ ‘Alles,’ ‘Wat? Niet alleen kunst, poëzie… maar ook… ik durf haast niet verder te spreken…’ ‘Alles,’ herhaalde Basarow…”. En even verder: “… ‘Het lijkt wel of u tegen uw eigen volk bent.’ ‘En als dat zo was? Het volk gelooft, dat, wanneer het onweert, Elias, de profeet, in zijn wagen langs de hemel rijdt. Wat moet ik doen? Dat verhaal geloven? Want het is Russisch…”. Het enige wat Basarow wil is ‘afbreken’. Van ‘opbouwen’ moet hij voorlopig niets hebben. Het maakt papa Nikolai verdrietig. Hij kan de jongelui niet bijbenen, hoe graag hij dat ook wil. Hoe kun je poëzie verachten, en niet houden van de schilderkunst en de natuur?! Op zekere dag krijgen papa Nikolaj en oom Pawel een uitnodiging van een deftige bloedverwant uit de stad. Beide heren hebben weinig animo om op de invitatie te reageren. Zoonlief en aanhang  besluiten in hun plaats te gaan. Eenmaal in de gouvernementsstad komen ze al direct een nogal vervelend mannetje tegen, dat zich voorstelt als een leerling van Basarow: Sitnikov. Hij zou niet minder dan zijn ‘wedergeboorte’ aan  Basarow te danken hebben. De studenten worden meegetroond naar een volgens hem bijzonder vrijgevochten, gescheiden, intellectuele, maar in werkelijkheid nogal slonzige madam. Een ‘émancipée in de ware betekenis van het woord’. Ze stelt zich net zo overdreven aan als Sitnikov. Ze werken een maaltijd naar binnen. “… Op de eerste fles champagne volgde een tweede, toen een derde en eindelijk een vierde… Jewdoxia babbelde aan een stuk door, evenals Sitnikow. Zij spraken er over, wat het huwelijk eigenlijk was, een vooroordeel of een misdaad…”. Als de feministe aan de piano gaat zitten om een zigeunerliedje in te zetten wordt het Arkadji wat al te gortig: “… ‘Het begint hier op een krankzinnigengesticht te lijken’, zei hij hardop…”. En zonder te groeten lopen Arkadji en Basarow de deur uit. Als een hondje rent Sitnikov achter hen aan.

 

Denkende vrouwen

Vervolgens belanden ze op een feest waar de meest schitterende dame die er rond zwiert zowaar het woord richt tot Arkadji. Anna Sergejewna. Of hij eens langs komt, en zijn vriend meeneemt: “… Ik ben benieuwd naar de kennismaking met iemand, die de moed heeft, niets te geloven…”. Basarow merkt op dat het lang geleden is dat hij zo’n mooie vrouw heeft gezien. Ze mag dan misschien niet zo slim zijn als de feministe, maar wat maakt het geestelijk peil van een vrouw nu helemaal uit? “… ‘…Waarom ben je er toch zo tegen, dat een vrouw denkt?’ ‘Omdat ik altijd opgemerkt heb, dat alleen de lelijke vrouwen dat doen.’…”. Okay. “… Nu zullen we eens zien tot welke klasse van zoogdieren zij behoort…”, zegt Basarow de volgende dag oneerbiedig tegen Arkadji op de trap van het hotel, waar ze de dame in kwestie gaan bezoeken. Hij heeft het vage vermoeden dat het met haar niet helemaal in de haak is. Arkadji snapt niet dat hij nog hecht aan zulke burgermansmoraal. Basarow maakt hem duidelijk dat hij het tegenovergestelde bedoelt. Dat hij de kletspraatjes die de ronde doen over haar juist spannend vindt. Ze zou een welgestelde weduwe zijn, die haar veel oudere kerel alleen trouwde om zijn geld. “… ‘Gelooft u maar gerust, dat zij door water en vuur is gegaan,’ zeiden de babbelkousen en een bekende grappenmaker voegde daaraan toe: ‘En door koperen pijpen.’…” (door de wol geverfd – Russisch gezegde). Enzovoort, enzo verder. Anna haat alles wat alledaags is. Basarow is verre van alledaags. Tijdens het bezoek maakt Arkadji tot zijn immense verbazing zijn vriend voor het eerst van zijn leven verlegen mee. Of de heren misschien zin hebben naar haar landgoed te komen? Dat laten ze zich geen twee keer zeggen. Een paar dagen later zijn ze al op weg: “… Het weer was stralend mooi en niet al te warm, de paarden draafden lustig…”.

 

Niet weten wat je wilt

Dat kon toen: gewoon weken bij iemand blijven hangen die je leuk vindt. De vrienden vallen als een baksteen voor Anna. Gelukkig heeft ze nog een zusje van achttien, waarmee Arkadji wordt afgescheept. Anna wil Basarow. Om zichzelf te vermaken. Want wat de studenten níet beseffen, maar Toergenjev, de alleswetende verteller wél: “… Zoals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, wilde zij iets, wàt wist zij zelve niet. Eigenlijk wilde zij niets, hoewel zij dacht alles te willen…” (als je het hebt over nihilisme…). Basarow verliest zijn houvast. Arkadji wordt stil en melancholiek. Na een hoop geflirt van de kant van Anna, geeft Basarow, die altijd geweigerd heeft in iets als ‘verliefdheid’ te geloven,  op een zeker moment toe dat hij knettergek op haar is: “… hij had zijn voorhoofd tegen het raam aangedrukt en zuchtte diep, terwijl zijn hele lichaam beefde. Maar het was niet het beven van een schuchtere jongeling; niet de zoete schrik van een eerste liefdesverklaring; het was de diepe, brandende hartstocht, die hem deed beven, de hartstocht, die lijkt op haat en misschien verwant is aan haat…”. Sterker, hij loopt naar haar toe, en trekt haar aan zijn borst, wat blijkbaar opgevat wordt als een aanranding, want hij beseft dat hij het zich niet kan veroorloven nog een dag langer in de huishouding van Anna te vertoeven. Ondertussen is Anna ‘niet boos, maar bedroefd’. Toe maar. Op dit allerongeschikste moment komt ook nog eens de vervelende Sitnikow opdagen, die wel aanvoelt dat hij zo ongeveer wordt weggekeken,  en zo in de war raakt dat hij op zijn eigen hoed gaat zitten: “… De komst van een stommerik is soms heel nuttig in het leven, het ontspant al te strak gespannen snaren en ontnuchtert de trotse en ijdele gevoelens, doordat het iedereen herinnert aan zijn verwantschap met zulke mensen…”. Dat is ook weer zo: “… Sinds het verschijnen van Sitnikov werd alles dommer en eenvoudiger…”.  

 

Moedertje

“… Tussen de beide jongelui heerste de laatste tijd een schijnbaar ongedwongen spottende toon, hetgeen altijd een teken is van een verborgen ongenoegen of onuitgesproken argwaan…”, merkt Toergenjev ondertussen met veel inzicht tussen neus en lippen door op. Als ze die nacht blijkbaar met z’n tweeën naast elkaar in bed liggen, kondigt Basarow stuurs met zijn gezicht naar de muur gedraaid aan dat hij de volgende dag naar huis gaat. Waarom? “… Ik heb me toch niet bij haar verhuurd?...”. Samen uit, samen thuis. Arkadji gaat mee. De ouders van Basarow zijn totaal van de kook als hun geleerde zoon na drie jaar weer voor hun neus staat. Toergenjev schetst een weergaloos portret van zijn door- en door Russische moedertje, die niet meer kan stoppen met huilen, en achter zijn rug stilletjes driemaal een kruis slaat als hij haar omhelst tijdens het goedenacht wensen: “… Zij was heel godsdienstig en gevoelig, geloofde in alle mogelijke voortekens: in kaartleggen, handen opleggen, dromen, in alle mogelijke idiotismen, in huisgeesten, in kwade ontmoetingen in de natuurgeneeswijze, in het donderdagse zout, in het spoedige einde van de wereld. Zij geloofde, dat, wanneer in de Paasnacht de kaarsen uitgingen, de boekweit voorspoedig ging groeien. Zij geloofde, dat een paddestoel niet meer groeide, wanneer een mensenoog hem had gezien, dat de duivel graag in de nabijheid van water was en dat iedere jood op zijn borst een bloedvlek had; zij was bang voor muizen, adders, kikkers, mussen, bloedzuigers, onweer, koud water, tocht, paarden, bokken, roodharige mensen en zwarte katten; zij vond krekels en honden onreine beesten, zij at geen kalfsvlees en geen duiven, geen kreeft en geen kaas, geen asperges en geen aardbeien, geen haas en geen meloen, omdat een opengesneden meloen lijkt op het hoofd van Johannes de Doper. Over oesters sprak zij niet anders dan met beven. Zij hield van goed eten, maar vastte op de bepaalde dagen, zij sliep tien uren per etmaal, maar waakte als Wassilij Iwanowitsj (haar man) hoofdpijn had. Zij las geen andere boeken dan ‘Alexis of de hutten in het bos,’ schreef één of hoogstens twee brieven per jaar, was goed op de hoogte van het huishouden, van groente drogen en vruchten inmaken, maar stak nooit zelf een hand uit, omdat zij er niet van hield zich te vermoeien…”. Daar zijn de ondergeschikten voor. Toergenjev: “… Dat soort vrouwen is nu uitgestorven. God mag weten of wij ons daarover moeten verheugen…”.

 

De critici

Hoever de studenten bereid zijn te gaan voor hun principes moet je zelf maar lezen. Met de een loopt het uiteindelijk een stuk beter af dan met de ander. Toergenjev kon het destijds voor niemand goed doen. Zijn linkse critici vonden dat hij het teveel opnam voor de vaders. Zijn rechtse critici vonden dat hij het teveel opnam voor de zonen.

 

Uitgave: G.A. van Oorschot B.V. (De kleine Russische bibliotheek) – 2020, vertaling Froukje Slofstra, 192 blz., ISBN 978 902 822 313 4, 9,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 1 december 2021

Wij zijn licht – Gerda Blees

 


Sommige mensen keren de open samenleving de rug toe om een eigen ‘thuis’ te creëren in een parallelle wereld, gefundeerd op misleidende complottheorieën, aldus filosoof Cees Zweistra in “Waarheidzoekers”. In “Het boek Daniel” vertelt Chris De Stoop over de moord op zijn zonderlinge oom die de band met de maatschappij ook had doorgesneden. Zijn belagers waren een groep jongens die zich eveneens niets gelegen lieten liggen aan de ‘common sense’. In “Wij zijn licht” haalt Gerda Blees (1985) een woongroep voor het voetlicht die weer op een heel andere manier de greep op de werkelijkheid verliest – en laat ze, op een weliswaar droogkomische manier, zien hoe gevaarlijk dat kan uitpakken.

 

Verontrustende afwijkende omstandigheden

Het verrassende van de roman “Wij zijn licht” is dat Blees elk hoofdstuk vertelt vanuit een ander en bijzonder perspectief, dat steeds aanvangt met een ‘iets’ dat zich voorstelt. Het verhaal blijft daardoor consequent aan de oppervlakte en diept geen karakters uit. Is het eigenlijk wel een roman? Het lijkt wel poëzie. Niet zo verwonderlijk, want Blees kwam in 2018 met een poëziedebuut: “Dwaallichten”. Het eerste hoofdstuk begint aldus: “… Wij zijn de nacht. Wij brengen duisternis en dronkenschap, kattengevechten, slaap en slapeloosheid, seks en sterfgevallen…”. De nacht is heel wat gewend, maar de situatie van de stervende vrouw waar ze op dat moment haar aandacht op richt, kenmerkt zich door toch wel enigszins ‘verontrustende afwijkende omstandigheden’. Elisabeth. Ze blijkt zo mager en verzwakt dat haar hart het elk moment kan begeven. Haar zus omklemt haar handen. Het vreemde: beide zussen liggen op luchtbedden midden in de woonkamer. Op de bank kijken een jonge vrouw en een man van middelbare leeftijd toe:  “… Allebei hebben ze bijna net zo weinig vlees op de botten als de stervende; hun wangen zijn ingevallen, hun ogen liggen diep in hun kassen…”. Hun skelet schemert door hun huid. Magen borrelen. Dit zijn mensen die denken dat ze kunnen leven zonder eten. Vertrouwelijk: “… Als nacht van de wereld zijn wij niet snel van ons stuk gebracht, maar opvallend vinden we het wel, dat mensen in een land als dit vrijwillig honger lijden, met het voedsel letterlijk binnen bereik. Alsof ze willen protesteren tegen de overvloed die hun gegeven is…”.

 

Een natuurlijke dood?

De zus, Melodie, meldt op een gegeven moment dat de stervende ‘weg’ is: “… Ik voelde haar overgaan. Heel vloeiend ging het. Wat mooi. Wat bijzonder. Vinden jullie niet?...”. Ze vult in wat het zwijgende stel op de bank moet vinden: “… Zagen jullie dat? Zagen jullie hoe rustig ze werd toen ik haar handen vastpakte? Eindelijk kon ze zich overgeven. Heeft ze zich overgegeven. Mooi toch, dat het zo gegaan is? Dat we niet hebben geprobeerd haar tegen te houden? Toch? Petrus? Muriël?...”. Daar denkt de waarnemend huisarts, die de dood vast komt stellen, anders over. Hij twijfelt over de vraag of er sprake is van een natuurlijk sterfgeval. Hoewel een buitensporig kwaaie Melodie hoog en laag springt, schakelt hij de gemeentelijke lijkschouwer in en roept hij de politie er bij. Uiteindelijk wordt het ontredderde drietal, op verdenking van moord door schuld,  in verschillende auto’s afgevoerd naar het politiebureau.

 

Invasief

In het volgende hoofdstuk is de ‘plaats delict’ aan het woord: “… Een dubieuze eer, deze nieuwe naam. De mensen die hier binnen komen zijn bepaald niet bescheiden te noemen. Zonder de bewoners om toestemming te vragen betasten ze onze oppervlakken met hun in plastic handschoenen gestoken handen en hun wattenstaafjes, rommelen in onze kasten en stoppen voorwerpen die aan ons toebehoren in doorzichtige plastic zakken. Strelend, al die aandacht, aan de ene kant, maar aan de andere kant voelt het ook een beetje invasief…”. Een man met een buik – “… zo’n buik hebben wij in jaren niet gezien…” – zegt dat de plaats delict de plek is waar het antwoord ligt. De plaats delict schaamt zich rot als er naar haar voorgevel wordt gekeken. De kleuren heeft ze zelf ook niet bedacht: oranje, geel, paars en groen. Op een bordje naast de deur: WOONGROEP KLANK & LIEFDE. Het halletje is geel. De kleur van de zon, had Muriel gezegd, dat geeft energie. In de wc heeft elke muur en het plafond weer een andere tint. Op de verjaardagskalender staan maar een paar namen, want als je zo’n naam leest op de wc, krijg je toch iets mee van de energie van die persoon, aldus Melodie. Overigens, als de plaats delict armen had gehad zou ze die, bij de aanblik van zoveel vreemde ogen en handen, beschermend voor haar intieme delen hebben gehouden.

 

Dat vindt ze zelf tenminste

Melodie blijkt de leidster van de groep. Ze heeft een engelengeduld. “… Dat vindt ze zelf tenminste. ‘Het vraagt heel wat, om met al jullie emoties om te moeten gaan,’ zegt ze tegen de anderen als die moeten huilen of boos worden of geen zin hebben om te praten. ‘Ik heb soms het gevoel dat ik beter weet wat er in jullie omgaat dan jullie zelf. Dat voelt als een hele verantwoordelijkheid, dat begrijpen jullie ook wel.’ En dan beginnen haar ogen te tranen, maar echt huilen doet ze meestal niet…”. Melodie schrijft ook de teksten voor de website, nieuwsbrief en een persoonlijke blog over de woongroep. De plaats delict weet amper hoe de stem van het slachtoffer klonk: “… Ze sprak zo weinig dat het de anderen bij vlagen gek maakte…”. Ze kon met het puntje van haar tong uit haar mond zitten kleuren. Was ze zwakzinnig? Was ze een digibeet? Op de tafel ligt een stapel krantjes en tijdschriften: ‘Anders wonen, anders leven’; ‘Happinez’; ‘Genoeg – tijdschrift voor consuminderaars’ en ‘Kritisch prikken’. Nou, dan weet je het wel. In het badkamerkastje: “… Geen voorbehoedsmiddelen, geen reguliere medicijnen, zelfs geen paracetamol. Wel een kast vol homeopathische geneesmiddelen, milieuvriendelijke cosmetica en bachbloesemdruppels…”. Op de spiegel briefjes waarop eentje met de tekst: samen = niet eenzaam! Als rijtjeshuis weet het plaats delict dan wel niet hoe het precies is om alleen in de wereld te staan, maar sinds ze met z’n vieren in het huis wonen, lijkt de eenzaamheid tussen de muren ook wel te zijn verviervoudigd: “… En hoewel ze vaak genoeg hardop zeggen hoe aardig ze elkaar vinden, hoewel ze wekelijks momenten hebben ingepland waarop ze elkaar vertellen waarom ze zo blij zijn met elkaar, kunnen zelfs wij, toch maar een eenvoudig jarentachtighuis, van hun gezichten aflezen dat meer dan de helft van wat ze zeggen gelogen is…”. Even verder: “… Wij verdenken de bewoners van woongroep Klank en Liefde ervan dat ze elkaar gevangen hebben gehouden in een kooi van eenzaamheid. En Elisabeth heeft zichzelf bevrijd…”.

 

Lichtjes van de realiteit afgeraakt

Het ‘dagelijks brood’ komt aan bod. Muriël krijgt een sneetje aangeboden in haar cel, waar ze bijna niet van af kan blijven: “… Ze ziet eruit alsof ze ons beter kan gebruiken dan ooit. Een stevige bodem in haar maag zou zoveel goeds teweeg kunnen brengen. Maar de twijfel heeft haar in zijn greep. De verlammende gedachte dat alles afhangt van de vraag of ze ons wel of niet zal eten. Dat alles verloren is als ze ons opeet. Meisje toch. We zijn maar brood. Aan ons is nog nooit iemand dood gegaan. Echt niet…”. Door Melodie is Muriël gestopt met eten: “… Iedereen was vrij om te eten wat hij wilde, maar dan moesten ze wel eten wat Melodie vond dat het beste was…”. Het brood kan het niet verkroppen dat ze is gedegradeerd tot nul: “… Een samenleving die haar eigen dagelijks brood niet eert begint lichtjes van de realiteit af te raken, als je het ons vraagt…”. Als een bewaker komt afruimen: “… Vandaag heeft ze ons weerstaan, maar we komen terug…”.

 

Sektarisch

Het item ‘de buren’ vindt Melodie een heks. “… Ze waren wel erg mager, op het laatst. Dat viel wel op. En achteraf vraag je je dan ook wel af of het niet toch een soort van sekte was. Het had iets sektarisch, vonden sommigen. Maar dat is ook speculeren. En wat is eigenlijk een sekte. Ze liepen in ieder geval niet hare krishna zingend over straat. Ze waren behoorlijk zweverig, maar dat zie je wel meer tegenwoordig. Alleen dat niet-eten werd op een gegeven moment wel een dingetje. Dat namen ze veel te serieus als je het ons vraagt. Ze geloofden er echt in, leek het, in ieder geval die Melodie, die kon daar vol overtuiging over praten, als je ze tegenkwam op straat. En die drie broodmagere huisgenoten van haar stonden daar dan braaf knikkend bij te luisteren…”. Wel een beetje raar: vier volwassenen in een huis. Die vent stond trouwens ’s nachts wel eens te schreeuwen, achter. Misschien hadden ze een maatschappelijk werker in moeten schakelen. Maar ja. Dat doe je niet zou gauw. We leven in een vrij land, nietwaar?!

 

Negenennegentig procent aandacht voor de menselijke kant

En dan: “… Wij zijn de raadsvrouw. Advocaat zouden de meeste mensen zeggen, maar in onze functie spreken wij de taal van het recht, een precieze taal, die alle tot juridische verwarring leidende misverstanden effectief omzeilt…”. Aangaande het strafrechtelijk onderzoek: “… Verdachten hebben bezoek gekregen van de GGZ in verband met verward en emotioneel gedrag en een vermoeden van psychosociale problematiek, en hoewel er door de hulpverleners geen concrete diagnoses zijn gesteld, zijn de verdachten aangemerkt als kwetsbaar…”. Melodie is nogal geagiteerd. Gelukkig is het haar specialiteit om dit soort cliënten op hun gemak te stellen, met negenennegentig procent aandacht voor de menselijke kant en één cruciale procent voor de juridische: “… Allereerst door er niet te indrukwekkend uit te zien, in deze fase van het onderzoek: niet te veel make-up, geen nette jasjes of hoge hakken, gewoon een bloesje met een mooie pantalon en een paar nette sneakers eronder. Laagdrempelig zijn. Liefdevol en in het nu. Aanwezig met ons verstand, maar ook met ons hart. Diep luisteren. Een open houding aannemen, de benen niet over elkaar geslagen maar naast elkaar, de voeten op de grond, de armen losjes op de verhoortafel gelegd. Een neutrale, empathische gezichtsuitdrukking…”.

 

Uitspraken over moraliteit

‘De feiten’ vertellen over een eetgoeroe die een veelgelezen boek over lichtvoeding heeft geschreven. De doden die ze op haar geweten heeft.  En over de Pro Ana websites die tips geven aan anorexia-meisjes. ‘De feiten’ kunnen niet bevestigen of ontkennen dat mensen die derden door middel van leugens er toe aanzetten zichzelf uit te hongeren moeten worden gestraft: “… uitspraken over moraliteit moeten we tot onze spijt aan anderen overlaten…”. Ondertussen neemt de rechercheur, die kookt van woede over mensen die zich aangemoedigd door charlatans  moedwillig de dood in helpen, de lift naar het dakterras, alwaar ze twee sigaretten achter elkaar oprookt. In ‘Wij zijn een sinaasappelgeur’ komen we te weten waarom Petrus agressief wordt als hij sinaasappels ruikt, en waarom hij bij Melodie in therapie is gegaan. ‘Klank en Liefde’ hebben elkaar niet uitgekozen, maar zijn elkaar gaandeweg steeds meer gaan waarderen en van elkaar gaan houden, zegt Liefde. Al denkt Klank meer in termen van resonantie, “… wat volgens hem wel aantoont dat we echt nog niet op dezelfde golflengte zitten, maar desondanks hebben we het samen zo slecht nog niet. Ook in een gearrangeerd huwelijk kan zich een diepe genegenheid ontwikkelen, denkt Liefde dan, en Klank kaatst terug dat hij het meer ziet als een onverwachte harmonie…”. Het blijkt dat de obsessie met eten in de groep begon toen het werken met muziek niet meer zo lukte. In ‘Wij zijn haar ouders’ vertelt de vader van Elisabeth en Melodie, ook namens hun dementerende moeder, over zijn gezin en hoe Elisabeth een marionet werd van Melodie.

 

Wat geeft je vleugels

Vervolgens komt de denkbeeldige ‘vlinder’ voorbij die ontstaan is in een therapiesessie waarin Melodie, als een soort Jomanda, Muriël opdroeg een beeld in haar geest tevoorschijn te toveren, dat haar kon helpen zichzelf te worden. Helaas was Muriël meer als een mot op een hete lamp afgevlogen, in plaats van als een vlinder naar de opkomende zon. Muriël zou hooggevoelig zijn. Hoe voedend is het contact met de meeste mensen om haar heen eigenlijk? “.. ‘Wat geeft jou vleugels? Dat moet je jezelf afvragen’, had Melodie gezegd. Elke keer bracht het antwoord op die vraag haar dichter bij Melodie en verder van de rest van de wereld,  totdat Muriël haar eigen huiskamer verruilde voor die van Melodie, waar ze vanaf dat moment samen met Melodie, Petrus en Elisabeth haar hogere potentieel najoeg…”. Maar Rupsje Nooitgenoeg vraagt in de politiecel  haar aandacht op, en ten langen leste werkt ze een boterham met hagelslag naar binnen: “… Eerst eten, Muriël. Voedsel voor je vleugels, brandstof voor je brein. En niet vergeten te kauwen voor je slikt…”.

 

Twijfel

De ‘cello’ vertelt als ‘kind van de barok’ op een verheven manier hoe Melodies verwaarlozing een snaar bij hem heeft gebroken. ‘Twee peuken’ verwoorden hoe ze lichaam en geest louteren van hun rokers. Het dode ‘lichaam van Elisabeth’ wijst op haar uitzonderlijk gespierde vingers, die ze balde tegen haar verlangens, “… verborgen in de zakken van haar veel te grote jas of trui of vest, iedere keer als wij lieten weten dat ze honger had, of dorst, of nodig haar benen moest strekken, of tegen een vreemde man in de trein aan wilde kruipen…”. En over de verschrompelde spieren rond haar stembanden, omdat ze niet meer sprak toen ze aldoor werd tegengesproken en gecorrigeerd door haar zus. ‘De Hellinkjes’ heet een appgroep waarin de twee andere broers en zus het over Elisabeth en Melodie hebben. Melodie die zo dominant is en de andere gekkies die totaal geen eigen wil tonen – daar moet ze ze op hebben uitgezocht: collectieve psychose. Het hoofdstuk ‘Wij zijn het wereldwijde web’ gaat in op de informatie die er over de woongroep op internet is te vinden. De ‘twijfels’ steken op bij Muriël, maar daar mag ze tijdens het verhoor niets van laten blijken. Ze wil toch niet de gevangenis in? Haar advocaat laat haar drie keer het zinnetje “… Als er al tekenen waren, dan zijn die me toen niet opgevallen…” herhalen. Als haar gevraagd wordt of ze niet heeft gemerkt dat het slecht ging met Elisabeth herhaalt ze braaf wat haar is voorgekauwd. Dat is ze tenslotte gewend. “… Haar advocaat luistert met een minzame glimlach, zich zichtbaar verkneukelend over zijn tactiek om Muriël in haar eigen half ware verklaring te laten geloven…”. En even verder: “… Met een gevoel alsof ze door het oog van de naald is gekropen laat Muriël zich terug begeleiden naar haar cel, en wij gaan met haar mee, klaar om haar opnieuw te overvallen zodra ze weer alleen is…”.

 

Alsof wij op het echte leven lijken

In ‘Wij zijn het verhaal’ neemt Gerda Blees zowel zichzelf als de lezer op de hak. Het verhaal stevent af op een voorspelbaar einde: “… De schrijver heeft geen tijd om dingen te verzinnen die ons interessanter maken. Terwijl er nog zo veel boeiends te vertellen valt…”. Het verhaal wordt een beetje simpel van alle aandacht voor Melodie. De schrijver doet alsof Elisabeth een zwart gat is. Ze wil het raadsel dat Elisabeth vormt intact laten, omdat dit volgens haar in het echte leven ook zo gaat: “…het echte leven? Alsof wij op het echte leven lijken. Heeft u ooit in het echte leven een verhaal het woord zien nemen?...”. De lezer is ook schuldig aan alle onduidelijkheid: “… Hoe vaak hebt u tijdens het lezen niet aan iets anders zitten denken? En hoe vaak hebt u niet iets in ons gelezen wat er helemaal niet stond? Tussen de regels door zeker. Al die moeite die wij doen om onszelf te blijven, dwars door alle meerduidigheid heen waarmee de schrijver ons heeft opgezadeld, en dan maakt u er in uw hoofd gewoon iets anders van, een slechte reproductie vol hiaten en niet-kloppende aannames en interpretaties….”. Haha. “… Als u ons echt recht wilt doen, zult u ons helemaal hardop moeten lezen, zo langzaam mogelijk, met uw vinger bij de woorden die u leest, zodat u niets over het hoofd ziet. Maar daar zult u wel geen tijd voor hebben. Geen tijd. Alsof wij het niet druk hebben, met alles wat er gaande is…”. En dan wat toeschietelijker: “… Ondanks alles hebt u het toch al tot op dit punt met ons volgehouden en dat is een feit dat voor u spreekt…”. Belangrijk is het nu vooral verder te lezen.

 

Cognitieve dissonantie

Ontroerend: “… Wij zijn dementie. Wij zijn het bewijs dat een mens niet samenvalt met wat ze kan begrijpen en onthouden…”. De groep blijkt iedere dag het verpleeghuis te visiteren waar de moeder van Melodie en Elisabeth woont. Ze zou niet goed verzorgd worden daar. Dan zijn er nog de op de draad versleten ‘geitenwollen sokken’ die haar moeder voor Melodie heeft gebreid. Zij vinden dat Melodie niet helemaal de waarheid vertelt tijdens haar verhoor. ‘De weerstand’ van Petrus wordt het woord gegeven, die hij zich van Melodie moet voorstellen als een grote hooibaal, waar hij tegen aan kan leunen of op in slaan. “… Uw huisgenoot ligt onder uw ogen dood te gaan en u denkt aan niets?...”, vroegen ze hem. Wat denken ze wel. De kapitalistische neoliberale maatschappij heeft Elisabeth beschadigd en doodziek gemaakt. De woongroep heeft haar opgevangen. En nu worden zij tot zondebok gemaakt. Over ‘de voorlopige conclusies’ om er een zaak van te maken: te ingewikkeld, te weinig kans van slagen, winst voor de samenleving minimaal. “… We zijn een politiebureau, geen gekkenhuis…”. Dus ‘heenzenden’. Dan komt er nog een ‘pen’ tot leven, die vertelt hoe Muriël brieven gaat schrijven aan haar ouders waar ze mee heeft gebroken. En aan haar vrienden van de woongroep, waarin ze bekent hoezeer ze in gewetensnood is geraakt (even dacht ik dat door al dat geschrijf Muriël de alias van Gerda Blees zelf was). Een prachtig item is die van de ‘cognitieve dissonantie’. Het zelfbedrog waarmee wij de feiten in ons leven in overeenstemming trachten te brengen met onze overtuigingen. Melodie: “… Wat een hel is dit geweest, wat een hel. Hoe ze ons onder druk hebben gezet, over de rug van Elisabeth. De leugens. De manipulatie. Ik heb er gewoon geen woorden voor…”. Alle drie proberen ze inwendig recht te praten wat krom is. Onzekerheid en gewetenswroeging heeft alleen maar te maken met hun ‘oude zelf’. Toch? De ‘slowjuicer’ is blij als de woongroep weer ten huize arriveert en tot slot doet ‘het licht’ zelf haar verhaal. Nauwgezet wordt vertelt hoe Muriël die nacht aanstalten maakt te ontsnappen.

 

Narcisme

Een en ander doet denken aan “De kinderen van Ruinerwold”. Ryanne van Dorst had in haar eerste uitzending van “Het alternatief”, 6 april 2021, trouwens ook een interview met een ‘breatharian’ – zie hier. Gerda Blees baseerde haar debuutroman op een waar gebeurd verhaal over een woongroep in Utrecht waar een 62-jarige vrouw om het leven kwam door ondervoeding. Ze sprak de leden nooit zelf. Inspiratie vond ze op hun website “Leonoor & Marthe” – zie hier. Toen ik de reviews bij Bol.com las kwam ik tot mijn verbazing een diep verontwaardigde afwijzing van de roman door Leonoor tegen. Mag je zomaar schrijven over echt bestaande mensen en hun echt bestaande voorvallen? Wel als je een en ander in een romanvorm giet, blijkbaar. Uit de recensie  van een psycholoog: “… De blauwdruk van vrijwel alle ongezonde woongroepen is een narcistische, dominantie leider met een aantal ‘co-dependant’ volgers. Zowel het boek als de website bevestigen dit beeld, waarbij het boek een aantal zaken onbeschreven laat die wel op de website inzichtelijk zijn. Die staat bijvoorbeeld vol met persoonlijke aanvallen op de vijanden van de groep (de maatschappij, instellingen en instanties, familieleden van groepsbewoners en uiteraard ex-groepsbewoners) die bijna te pijnlijk zijn om te lezen. De conclusie van het boek is eigenlijk dat er alleen verliezers zijn in dit verhaal. De leider die door kan gaan met haar egocentrische fantasieën, maar het geluk duidelijk nog niet gevonden heeft en ook niet gaat vinden. De volgers die hun leven opofferen voor een lege belofte van ‘iets hogers’ en onder grote druk van de leider in het gareel blijven tot de dood er op volgt. En alle mensen en instanties rondom de groep, die hun goedbedoelde hulp en adviezen zien afketsen op een onbehandelde persoonlijkheidsstoornis…”.

 

Uitgave: Podium – 2020, 224 blz., ISBN 978 905 759 000 9, 21,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 29 november 2021

Het boek Daniel – Chris De Stoop

 


Filosoof Cees Zweistra wijst in “Waarheidszoekers” op de grote kloof die er in onze maatschappij is ontstaan tussen ‘winnaars’ en ‘losers’ – zie mijn vorige blog. Volgens hem profiteren alleen de hoogopgeleiden van de globalisering en technologische vooruitgang. Het lageropgeleide 2/3 deel van de bevolking ondervindt vooral nadelen van het liberale beleid, om  over ‘waardigheid van werk’ maar te zwijgen. Dit zijn de mensen die kampen met verlies van zingeving en sociale vervreemding. Zij neigen er toe de open samenleving de rug toe te keren. De ‘common sense’ zegt hen weinig. Sommigen doen niet meer mee. Een tijdje geleden bespraken we op de leeskring “Het boek Daniel” waarin de Vlaamse auteur en journalist Chris De Stoop (1958) op een meesterlijke manier beschrijft waar een en ander toe kan leiden. 

 

Overval

De proloog start met het gebeuren waar het hele boek om draait: twee jongens dringen een grote vervallen  vierkantshoeve op het verfranste platteland binnen om de vierentachtigjarige boer, die tussen zijn over de vloer verspreide boodschappen die hij die middag in een supermarkt heeft gekocht, luidruchtig ligt te snurken. De ene jongen heft een grote hooivork boven zijn hoofd  om de oude man zijn hersens in te slaan. De andere pakt zijn iPhone en begint te filmen. In de kamer is niets van waarde om te stelen: “… geen laptop, geen smartphone, zelfs geen televisie. Alsof de bewoner weigerde de wereld via een scherm te bekijken of aardse bezittingen te vergaren. Zo wekte hij de schijn dat het allemaal belachelijk was wat anderen hadden en deden. Zo gaf hij aanstoot…”. De band met de hedendaagse maatschappij had hij blijkbaar allang doorgesneden. “… Alleen het erf, het land en de beesten. Het leek zo’n solitair, zo’n sedentair bestaan. Er waren veel manieren om je af te keren van de wereld, maar hier leek iemand zich letterlijk te willen verschansen…”. Hij kon het beter vinden met koeien dan met mensen.

 

De oude viezerik

Die boer is de oom van Chris De Stoop. Een zonderling die zijn leven lang vrijgezel bleef. ‘De viezerik’ werd hij in de volksmond genoemd. Hij zag er dan ook verre van appetijtelijk uit. Iedere zaterdagavond ging hij naar de supermarkt waar hij zijn meestal enige wekelijkse kletspraatje maakte met de medewerkers, die met boer Daniel waren overeengekomen dat hij tegen sluitingstijd welkom was, omdat ze het dan niet meer druk hadden met andere klanten. Eerder kwam hij met de tractor, waarmee hij zichzelf ook naar het gemeentehuis en de kerk reed. Nadat hij op een bruusk remmende auto was gebotst, nam de politie het gevaarte in beslag omdat het ding onverzekerd was. De eigenaar van de auto trok zich het lot van de verslonsde boer aan, hielp hem waar hij kon, en werd zijn laatste goede vriend. Vervolgens sjouwde Daniel rond met een oude fiets waar hij zijn boodschappentas aan kon hangen. Zijn inkopen betaalde hij contant. Hij had geen betaalpas, want de banken vertrouwde hij niet. Iedereen kon zien dat hij met een dik pak papiergeld op zak liep. Meerdere keren werd hij gewaarschuwd dat hij vroeg om problemen.

 

Bende van Evernijs

Volgens de notaris was oom Daniel om het leven gekomen tijdens een grote uitslaande brand die zijn hoeve in de as had gelegd. Er kwam een proces, want de media linkte de zaak aan een intimiderende jeugdbende, waar het nabijgelegen dorp al een paar jaar last van had. Tot diep in de nacht maakten hangjongeren kabaal op het dorpsplein. De burgemeester deed niets. Het ging om ‘de bende van Evernijs’, een los netwerk van een dozijn pubers. De harde kern bestond uit een handvol jongens, waaronder een loslippige stagiair uit de supermarkt, die zijn maten vertelde over de poenige kluizenaar. Ook deze groep maalde niet om de ‘common sense’. “… Als middelbare scholieren spijbelden ze veel, haalden slechte resultaten en haakten uiteindelijk helemaal af. Ze zaten thuis te gamen of te facebooken en hingen rond op het pleintje. Ze zetten hun muziekinstallatie loeihard, schreeuwden en vielen mensen lastig, of raasden met een scooter over het plein en het kerkhof. Ze brachten drank en drugs mee. Nachtenlang op een pleintje rondlummelen was leuker met een joint dan zonder. Behalve drugs dealen in geparkeerde auto’s, kleine diefstalletjes en vernielingen, gebeurde er weinig crimineels, maar de mensen voelden zich niet meer op hun gemak…”. En even verder: “… Thuis ontbrak het hun aan niets, maar ze hadden ook niets extra’s. En ze wilden iPhones, brommers, auto’s, Air Max-schoenen van Nike. Ze vonden dat ze alles moesten krijgen wat ze wilden. En als dat niet zo was, dat ze het mochten pakken…”. In het gerechtsgebouw ontmoet Chris De Stoop de beklaagden in levende lijve. Vijf gasten, waarvan de meesten destijds pas achttien jaar oud waren. Alleen Rachid was eenentwintig. Samen met zijn neef Ahmed komt hij uit Roubaix, dat in 2014 tot de armste stad van Frankrijk werd uitgeroepen. Dan heb je nog Pascal en Arno, onhandelbare jongens met korte lontjes die de vechtscheidingen van hun ouders niet konden verteren. En Dylan, die er op het allerlaatst bij was gekomen. Chris De Stoop besluit de belangen van zijn oom zélf te gaan behartigen tijdens de rechtszaak - vier jaar na diens dood. Zijn symbolische eis: een euro.

 

Nooit van haar leven

Chris De Stoop schetst het brave gezin waarin oom Daniel werd geboren als nogal wonderlijk. Vanaf de jaren zestig begonnen de grote landbouwveranderingen, maar zijn oudoom deed niet mee: “… Zo vertikte Eugène het pesticiden te sproeien, zodat het onkruid op zijn akkers bleef tieren. Hij zou ook een van de laatsten in het dorp zijn die nog met paarden bleef werken. Grote Brabantse trekpaarden waar kinderen tot hun jolijt op mochten meerijden. Dan hief Eugène uit volle borst het Franse volkslied aan: ‘Aux armes, citoyens! Marchons, marchons…’…”. En even verder: “… Het was ook Eugène die naar de winkel ging, altijd in kostuum, hoe ouderwets en versleten ook; zelfs op het veld werkte hij vaak in pak en das…”. De Stoops zuinige oudtante lijkt een beetje mensenschuw te zijn geweest. Ze kwam amper het erf af. Zij deed de papieren en de geldzaken. Ze was erg dominant en beschermend tegenover haar twee zonen, die ze niet kon loslaten. Na de dood van zijn vader kocht Daniel een tractor. Hij dacht ook na  over een auto en een televisie, maar dat kwam er allemaal niet van. Hij heeft zijn moeder tot haar eind toe verzorgd en daarna zijn enige, wat vreemde, broertje. Toen hij op zijn tweeënzestigste alleen achter bleef, zei hij dat hij zou gaan trouwen en al een lief op het oog had. Hij ging op vrijersvoeten naar een slagerij: “… Yvette, een pronte vrouw, heerste daar achter de toonbank, geestdriftig in het vlees graaiend, gracieus de klanten bedienend…”. Daniel liet de anderen voorgaan, bleef in een hoek staan wachten, keek naar de vloer: “… Toen de laatste klant eindelijk was geholpen, zei hij: ‘Ik wil met u trouwen.’…”. Ze wilde niet. Nooit van haar leven. Daniel bleef haar stalken. Yvette werd er stapelgek van. “… Iedere keer als Daniel naar de supermarkt ging stopte hij met zijn blauwe tractor voor haar deur om minutenlang droefgeestig naar haar huis te staren. Een medewerker van de Colruyt zei dat hij Daniel ooit vanaf zijn tractor hoorde roepen: ‘Yvette, ik houd van u!’…”.

 

Hoe onnozel kun je zijn

Het blijkt dat eerst Pascal en Arno bij de oude boer zijn langsgegaan. Ze hebben hem opgewacht tot hij thuiskwam met zijn zaterdagse boodschappen en hem beroofd van het geld dat hij op zak had: dertienduizend euro. Hun euforische praatjes vonden gehoor bij Rachid en Ahmed die op het idee kwamen dat er vast nog veel meer geld was te vinden in de eenzame hoeve, en er ook eens gingen kijken. Ahmed sloeg oom Daniel zo’n beetje dood, gooide voor de zekerheid de zware kolenkachel op zijn benen, en Rachid filmde de boel. Hoe onnozel kun je zijn. Ze vonden een metalen kistje met zo’n zesduizend euro. “… Bijna al het in de loop van een boerenleven opgepotte geld was enkele dagen na de overval al verkwist…”. Er werd over de zaak gekletst. Op school. In het café. Het maakte Ahmed zenuwachtig. Met Pascal en Dylan, een vriend die tot dusverre niets met de zaak te maken had, ging hij na een week terug om het boerenhuis met het lijk  in de fik te steken. Al gauw kwam de politie kletsmajoor Rafael van school halen. Drie weken na de overval werd ongeveer heel de bende opgerold. Na vier maanden waren de belangrijkste feiten toegegeven. Het was wachten op het proces.

 

De kracht van een roedel wolven

De Stoop: “… Mag iemand niet verzaken aan het gemeenschapsleven? Het wordt blijkbaar door velen gezien als eigendunk, als kritiek op de gemeenschap, als spuwen op de medemens die je mijdt als de pest…”. Zeker in zo’n klein gehucht als waar oom Daniel zijn leven lang woonde. “… De verbinding met de mensen om je heen is belangrijk, de drang om bij een groep te horen, de kracht van een roedel wolven…”. En even verder: “… Mij heeft het altijd gefascineerd. Mensen die niet meer meedoen, die eruit stappen, die zich afkeren van de maatschappij, die hun eigen koers varen en zich niet laten meevoeren met de stroom, ik kon ze soms benijden. Zich aan het systeem onttrekken en de gebaande paden verlaten vond ik getuigen van moed…”. Oom Daniel leefde met de elementen en hield van dat rudimentaire bestaan: “… Zonder to-dolijst die je elke dag moet afvinken, zonder bucketlist van wat je nog allemaal in je leven moet doen…”. Oom Daniel, versmolten met zijn boerderij, was niet bang voor de leegte: “… Dat lijkt nu nog weinig mensen te bekoren. In 2014 bleek uit een onderzoek van de universiteiten van Virginia en Harvard dat de meeste mannen zichzelf nog liever een elektrische schok toedienen dan een tijd alleen aan tafel te moeten zitten met niets dan hun gedachten, zonder smartphone of andere afleidingen. Niets leek hun erger dan dat…”. Schrijven is ook solitair werk dat vraagt om rust en stilte: “… Het klinkt bijna als heiligschennis in digitale tijden…”. Overal ben je bereikbaar, overal word je bekeken. “… Van de weeromstuit gaan sommige mensen weer smachten naar de stille kracht van onzichtbaarheid. Zien maar niet gezien worden. Zoals kleuters die kiekeboe of verstoppertje spelen, of zoals dieren die zich camoufleren om niet op te vallen…”. Maar ja, soms heb je anderen gewoon nodig. Zijn afzonderingsstrategie heeft oom Daniel wel het leven gekost.

 

Ontmenselijking

Tijdens de rechtszaak worden alle beklaagden neergezet als inmiddels nette kerels die tijdens hun tienerjaren een foutje hebben begaan. Een gerechtspsycholoog legt De Stoop de groepsdynamiek uit: “… ‘Wat een rol speelde was de ‘ontmenselijking’ van de zogenaamde oude viezerik door de groep,’ besluit hij. ‘Hij was niet ‘iemand van ons.’ ‘Ik sta op: ‘Zouden ze het dan niet gedaan hebben als hij iemand uit hun eigen wereld was?’ ‘Nee. Hij was voor hen een ‘Untermensch’ en dat maakte het geweld gemakkelijker.’…”. Even verder: “… Dus ze zagen oom Daniel volgens de psycholoog niet langer als een mens. Hoe dan wel? Als een oud beest? Als een stuk stront? Is een leven tussen koeien en kippen minderwaardig?...”. De psycholoog legt uit dat scheldnamen, karikaturen en stigmatisering de eerste stap zijn in een proces van ontwaarding en uitsluiting. Hij verwijst naar  de nazi’s en het Rwandese regime, dat de Tutsi’s als parasieten en kakkerlakken afschilderde. Bovendien isoleerde en marginaliseerde het hele dorp oom Daniel: “… Niet alleen de Colruyt, maar ook de bank Belfus had hem gevraagd net voor sluitingsuur te komen, om geen klanten te storen door zijn uiterlijk…”. Het ontmenselijken heeft drie voordelen: “… Het rechtvaardigt geweld, het maakt de eigen groep superieur, en het laat toe empathie en ethiek uit te schakelen, zodat je geen last krijgt van je geweten. Je moet niet meevoelen met het slachtoffer en je moet er geen wroeging over hebben…”. Het maakt het draaglijk om iemand dood te slaan: “… Ze konden niet tot zo’n wreedheid komen als ze het slachtoffer niet eerst hadden gedehumaniseerd…”. De Stoop: “… Zo werd Daniel dus gezien als barbaars, als boers, als onbeschaafd. Als inferieur wezen. Geen medemens maar een ‘ondermens’…”.

 

Groepsdruk

Over het opportunisme in de groepsdynamiek: ”… De groep was even onrijp als de individuele leden. Er was geen strategie en geen voorbereiding, alsof ze slechts een konijn gingen stropen of een kruimeldiefstal plegen. Het was ook geen vastomlijnde bende maar een losse verzameling jongeren die een onzeker toekomstperspectief en een gevoel van sociale rechtvaardigheid deelden. Ze ontbeerden verbinding en wilden ergens bij horen. De groep gaf hun status en betekenis. Vanuit hun afkeer van de maatschappij, die hen onvoldoende kansen bood, vonden ze het gelegitimeerd om te pakken wat ze konden krijgen, ook als ze daar iemand voor moesten beroven…”.  En even verder: “… Iedereen kwam vanzelf in de juiste positie terecht: degene die informeert, degene die het initiatief neemt, degene die volgt, degene die slaat. Rachid, die volgens de gerechtspsycholoog gezien werd als een echte rinoceros, die niet meer te stoppen viel als hij eenmaal gelanceerd was, kreeg slechts zijn moordende rol omdat hij door de groep in stelling werd gebracht. Ook wie leidde kon dat alleen doen omdat hij gedragen werd door de anderen. Dat is het groepsproces en de groepsdruk. Zo deden ze misschien dingen die ze diep in hun hart niet zouden willen doen. Individueel voelden ze zich zwak maar als groep sterk…”. Echter, ondanks de groepsdruk blijf je individueel verantwoordelijk. Je kiest er zelf voor je geweten niet te volgen. Je kunt altijd uit de dynamiek treden. De Stoop: “… Oom Daniel lag dus een week dood op het erf zonder dat iemand zich er druk om maakte…”. De psycholoog zegt dat er in dit geval drie partijen zijn die elkaar versterken: “… De samenleving die mensen uitsluit. De jongeren die geen plek vinden in de maatschappij. En het slachtoffer dat zichzelf buiten de gemeenschap plaatst. Elk van die drie heeft bijgedragen tot het drama…”. De schuld van oom Daniel kan Chris De Stoop niet erg meemaken. Toch zegt de psycholoog: “… Hij heeft zichzelf ontmenselijkt. Hij heeft voor sociale zelfmoord gekozen…”.

 

Caligulisme

Alles past in het plaatje dat filosoof Cees Zweistra schetst in “Waarheidszoekers”. Zelfs het verdwijnen van ‘ontmoetingsplaatsen’,  wat vervreemding in de hand werkt, wordt door De Stoop met heimwee beschreven: “… Nu woont er een aannemer in de Tempelhoeve en bloedt het dorp leeg, de jongeren trekken weg, er is geen handelszaak meer, zelfs geen broodautomaat, en ook de boerderijen stoppen ermee. Er blijven nog maar vijf boeren over, zonder opvolger…”. De ‘kleine caligulisten’ ontberen zowel norm- als schuldbesef. De moord was geen stommiteit of jeugdzonde, maar nietsontziend geweld, aldus De Stoop. De heren ontlopen hun gevangenisstraf niet. Behalve Pascal die door ‘God bestraft is met een hersentumor’. Evenals Cees Zweistra gelooft Chris De Stoop echter dat het ooit weer mogelijk moet zijn om ‘samen in de wereld te wonen’ en knoopt hij met een groots gebaar van vergevingsgezindheid het gesprek aan met de moordenaars van zijn oom: “… Bemiddelaar Isabelle Martin zei me dat een ontmoeting kan leiden tot inkeer en boetedoening bij daders en tot begrip en loutering bij slachtoffers en nabestaanden. Eventueel kan een herstelakkoord worden getekend…”. Op zondag 16 mei 2021 hield Chris De Stoop naar aanleiding van zijn boek een indrukwekkend pleidooi voor ‘empathie’ in het boekenprogramma ‘Brommer op zee’ - zie hier.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2020, 256 blz., ISBN 978 940 310 271 9, 22,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier