Menu

vrijdag 27 maart 2026

Wachten. Een levenshouding – Dirk De Wachter

 


De populaire Vlaamse psychiater Dirk De Wachter deed zijn naam eer aan door een pleidooi te houden voor het ‘wachten’ in onze gekmakende tijden. Hij is bijna christelijk. Hij gelooft niet in God, maar wel in het goddelijke: de mens is een spiritueel, religieus wezen. Zie Psalm 130 in de prachtige oude berijming: “… Ik blijf den Heer verwachten / Mijn ziel wacht ongestoord…”. Wachten versterkt het mysterie, leert geduld en bedachtzaamheid, brengt rust, zelfs in moeilijke tijden: “… Mijn ziel, vol angst en zorgen, / Wacht sterker op den Heer, / Dan wachters op den morgen; / Den morgen, ach, wanneer?...”. Stelde De Wachter in het Dionysische (zie mijn vorige blog) “Borderline Times” de diagnose, dan is het Apollinische “Wachten” zijn therapie. Naast “Borderline Times” besprak ik ook: “Liefde. Een onmogelijk verlangen?”.

 

Freedom soon will come

De Wachter vertelt hoe een inmiddels overleden vriend en mentor hem op het spoor van de ‘Gelassenheit’ van Martin Heidegger zette: “… Fragen können heisst: warten können, sogar ein Leben lang…”. Het zou de essentie van het leven bevatten. Binnen die ‘Gelassenheit’ is “… das Warten ohne Erwartung…” cruciaal, volgens De Wachter. Maar dat betekent niet egoīstisch ‘niets doen’: “… Dat is je verantwoordelijkheid ontlopen…”. Dan verwaarloos je ‘de kleine goedheid’. De Wachter is ernstig ziek geweest en houdt er rekening mee dat zijn aandoening hem ieder moment weer bij zijn kuif kan grijpen. Verklaart dat de melancholieke ondertoon in zijn relaas? Graag wandelt hij op het kerkhof van Montparnasse in zijn geliefde Parijs om bij de beroemde doden te zijn: Jean-Paul Sartre, Joris-Karl Huysmans, Samuel BeckettCharles Baudelaire, Serge Gainsbourg.  “… ‘Hoor de wind door de henna-bomen varen’, zegt Herman de Coninck dan. 'Through the graves the wind is blowing ,freedom soon will come', fluistert Leonard Cohen…”.

 

Lastigheden

Eens heeft De Wachter een metrokaartje op het graf van Sartre gelegd met de zin ‘L’enfer, c’est le manque des autres’, want hij is het niet met de schrijver eens dat de hel de anderen zijn. Je hebt anderen juist nodig: “… Wij zijn slechts in de verbinding met anderen. Niemand hebben, moet verschrikkelijk zijn. Je kan nog beter iemand hebben waar je hele dagen ruzie mee maakt dan dat je niemand hebt. Ja, dat mag zelfs een troost zijn voor vele koppels tussen wie het knettert…”. De Wachter gelooft niet in de hemel, maar wel dat de doden onder ons zijn: zie Lucas 17: 20-21. De doden bepalen ons nog altijd: “… Voor mensen die het niet goed gehad hebben, is dat een lastige boodschap. Miserie gaat niet over wanneer de mensen sterven die voor die miserie gezorgd hebben…”. De ‘lastigheden’ blijven. “… Zoals emigreren naar Australië evenmin zal helpen. Het gaat allemaal met je mee…”. De wachters weten niet waarop zij wachten. Ik bedacht dat ook de gelovigen niet weten waar zij op wachten: niemand heeft ooit God gezien.

 

Lopen en lezen

De Wachter houdt van twee dingen: lopen en lezen. Ik ook. Daarom houd ik zo van zijn boeken. Het is ongelooflijk hoeveel hij gelezen heeft. Hij leest overal, zelfs in de rij bij de bakker. Hij noemt “Leven en lot” van Vasili Grossman het belangrijkste boek van de twintigste eeuw. Een buurvrouw legt op een dag het complete werk van Konstantin Paustovski op zijn eettafel, dat hij langzaam en aandachtig tot zich neemt, want dat moet bij Paustovski. Het raakt hem als hij leest: “… Maar het wachten op gelukkige dagen is soms mooier dan die dagen zelf…”. In Parijs staat hij in de rij bij een boekhandel om de nieuwe Michel Houellebecq te kopen. Hij noemt “Een soort van liefde” van Alicja Gescinska. En natuurlijk komt hij op te proppen met zijn geliefde filosoof Emmanuel Levinas. Hoe hij op een prachtige zomerochtend naar het Canal Saint-Martin kuiert: “… De ochtendzon staat als een honingvlek aan de hemel, de kalmte van het wandelen brengen zachte gedachten…”. Even verder: “… De tijd wordt vloeibaar, het lijkt wel een stuk van Jon Fosse…”.

 

Sein zum Tode

Tijdens zijn ziekte las zijn zoon hem “Een odyssee” van Daniel Mendelsohn voor. Hij herinnert zich hoe de held in de oorspronkelijke “Odyssee” van de godin Calypso de kans kreeg om onsterfelijk te worden. Hij vertelt over het opgevangen gesprek tussen de groten der aarde, Vladimir Poetin en Xi Jinping, die het hadden over de biotechnologie waardoor onsterfelijkheid in het vizier komt. Ik bedacht dat Jeffrey Epstein daar ook mee bezig was. Odysseus koos de sterfelijkheid, omdat het sterven het leven zin en betekenis geeft. Het betekent niet dat we niets moeten uitstellen. Als we als kippen zonder kop onszelf voorbijlopen, stoten we uiteindelijk op een burn-out: “… Ik ben ervan overtuigd dat we dat kunnen vermijden door goed en rustig en bedachtzaam na te denken over wat we doen en waarom. Misschien moeten we minder dóén en beter nadenken over wat, waarom en wanneer…”.

 

Nabijheid en apartigheid

De Wachter pleit voor de lach. En voor de ‘galanterie’ en ‘beleefdheid’ als levenshouding, waardoor het leven zoveel aangenamer wordt. “… Een terughoudendheid, bescheidenheid, nederigheid. Het jezelf niet vooropstellen. Niet het idee hebben dat je zelf belangrijker bent dan de andere, neen, doe maar eerst, het kan geen kwaad…”. Hij haat de ‘ikkigheid’. Volgens Levinas moeten we ons juist van onszelf ‘ontdoen’ (zie ook mijn blog over “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt). We kunnen ‘ont-ikken’ door ons te concentreren op de ander: een psychiater doet niet anders. Alhoewel je jezelf ook weer niet hoeft te laten ‘wegdrummen’. Een goed leven scharniert tussen ‘nabijheid’ en ‘apartigheid’: “… iedereen heeft nood om af en toe apart te zijn…”. Een solide verbinding verdraagt behoorlijk wat afstand. Het loopt mis als het scharnier lost. “… In de psychiatrie zien we beide fenomenen. De eenzaamheid en het gebrek aan vrijheid…”. Als therapeut gaat hij met mensen op zoek naar ‘hechtingspunten’ in het vaak verschrikkelijke verleden. Die zijn er bijna altijd: de ‘bomma’, de buurvrouw, de meester. Onder de nodige lagen lastigheid en ongemak: “… ‘Under fifteen feet of pure white snow’, zou Nick Cave zeggen…”. Mensen komen soms uit een gezin waarin geweld, verwaarlozing en misbruik de toon voerden. Dat is afschuwelijk. Maar door daarin te blijven hangen bestaat het gevaar dat we in een slachtofferrol belanden. De slachtoffercultuur is overal om ons heen. We moeten voorbij de miserie geraken. Zodat de beschadiging niet onze identiteit wordt. We moeten ‘durven’ wachten. Met een open geest en met verwondering voor de wereld. Wachten op ‘The Right Moment’ van Hannah Arendt, die hij een ‘geniale vrouw’ noemt. Wachten op de ‘goedheid’. Wachten op de morgen.

 

Spagaat

Prachtig schrijft De Wachter over ‘herstel’, ook al word je leven nooit meer zoals het eerder was: “… De lastigheid is er nog, maar het leven is goed…”. Soms kun je, juist door je problematiek meer betekenis, meer diepgang, meer liefdevolheid ervaren. “… Binnen, in mijn consultatieruimte, wordt besproken wat wachtend werd bedacht. Alles wat niet wachtend bedacht werd, heeft het moeilijk om betekenisvol te zijn. Dan wordt de consultatie een gebabbel. Mijn werkruimte is een reflectiekamer…”. In België bestaat ‘Het Wachthuis’, een plek waar mensen terecht kunnen die op de wachtlijsten voor de psychiatrie staan. Er wordt samen koffiegedronken, gekookt, gemediteerd, muziek gemaakt. Soms voelen mensen zich daar zo goed door dat ze zich van de wachtlijsten voor verdere hulp laten schrappen. Als er te veel volk komt, gaan ze wandelen. Psychiaters zitten nogal eens in een spagaat: wachten of gedwongen opname. “… Hebben we te lang gewacht? Of niet lang genoeg? Die lijn is heel dun en het is heel moeilijk om het juiste moment te bepalen. Hoever moeten wij als psychiater het leven bewaken? Wanneer is iets agressie? Hoe tolerant moeten we zijn? Het zijn aartsmoeilijke vragen…”.

 

No time to lose?

Zijn favoriete kunstenaars komen voorbij: Andrej Babenk, Werner Mannaers, Francis Bacon, Louise Bourgeois. Zij wachten ‘werkend’. Op inspiratie. Op erkenning. Vasalis definieert het wachten als ‘eb’. Daar kun je je alles bij voorstellen. Zijn favoriete dichter Charles Bukowski heeft het over het ‘ledige’ wachten: “… You waited in a shrink’s office with a bunch of psychos and you wondered if you were one…”. Waar eindigt dat? De Wachter benadrukt het wachten inzake carrières en promoties die mensen vaak in posities duwen die ver van hun oorspronkelijke talenten staan. Hij is allergisch voor de daadkrachtige kringen waar een sfeer van efficiëntie en succes heerst. De psychiater ziet de andere kant van het verhaal. De kwetsbare mens, de mens die uitvalt, is een signaal voor ons allemaal. Bovendien ontwikkel je in veel domeinen skills en wijsheden die je in je jongere jaren niet kunt hebben.

 

Bemin je keuze

Over het wachten in de liefde: “… Via Tinder swipen mensen vandaag dat het een lust is, dezelfde avond nog komt het tot een seksuele explosie waarvan men de dag nadien al niet meer weet wat er gebeurd is, vanwege de alcoholische bedwelming. Ik ben geen moralist en we leven gelukkig niet meer in victoriaanse tijden, waarin mensen op verschrikkelijke manieren zwanger werden. Maar ik bepleit toch de charme van het even kunnen wachten. Zelfs voor het seksuele, tot we er bewust kunnen bij zijn…”. De essentie van duurzame liefde is volgens hem de notie dat de ander een vreemde is. Dan blijft het gezamenlijke liefdesleven boeiend. Zie ook “Erotische intelligentie” van Esther Perel. Ga je scheiden, bedenk dan dat ook voor grote kinderen het ‘goede uit elkaar gaan’ veelal veel moeilijker is dan gedacht. “… Twijfel desnoods lang. Wees omzichtig, wacht, bespreek, denk lang na en beslis dan pas. Maar als je beslissing valt, moet dit je motto zijn: bemin je keuze…”. Als je je keuze niet bemint, geef je die keuze geen kans.

 

Bidden

Wij hebben ‘verveling’ nodig om van binnenuit de creativiteit te doen opstijgen. Zie Sartre’s “Walging”.  “… Wat de mens te doen staat, is de hypostase: de verschrikking omdraaien en ontstijgen…”. De verveling is de oorsprong, de motor en de zoektocht naar zin. Rituelen zijn ook ‘wachtmiddelen’. Zie het ‘bidden’ van Simone Weil. “… Je kan bidden met of zonder God. Het gaat erom stilte op te zoeken, tijd te maken. Noem het mediteren, dat iedereen nu doet…”. In zijn streng katholieke jeugd werd bidden ook wel ‘lezen’ genoemd. “… Mijn leven spitst zich daarop toe, in de zoektocht naar diepte, naar wijsheden, inzichten, troost, verheffing, schoonheid…”. Zo bekeken, bid ik heel veel. Volgens De Wachter is rouw geen ‘ding met veren’ maar ‘ding met stekels’. Verdriet heeft tijd nodig, de stekels verwonden je door je vel heen. “… We moeten dat stekelige ding omzwachtelen en in dat woord zit letterlijk het wachten. Dat omzwachtelen kan met verhalen, met rituelen, met stilte, met luisteren, met spreken…” (zie ook “Door de sneeuw” van Tommy Goerz).

 

Donut

Voor De Wachter is ‘wachten’ ook, à la Edmund Husserl, ‘een opschorting van een oordeel’. Prachtig schrijft hij over het ‘zijnsgat’ van Heidegger. Onze levens doen vaak denken aan een vrolijke, smakelijk versierde donut. Maar het gaat om de essentie van het gat in het midden dat we niet dicht krijgen, hoezeer we het leven ook consumentistisch opvullen. De metafoor verraste me, omdat ik de gelovige ook vaak heb vergeleken met een donut die God in en om zich ervaart. Het gat wordt zinvol door zingeving. Voor De Wachter zit dat in de zorg voor de medemens. Dat komt wat mij betreft heel dicht bij het eerste en grote gebod in de Bijbel. God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf. Tenslotte zijn laatste levenswijsheid: ‘Blijf vooral verwonderd’!

 

Uitgave: Lannoo Campus – 2025, 168 blz., ISBN 978 902 099 965 5, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

maandag 23 maart 2026

Oorlogsroes – Ernst Jünger

 


Verder met de romantische volgelingen van Dionysos. KlausMann: “…Je moet wel een hysterische romanticus als Ernst Jünger zijn, om enig genoegen te beleven aan de barre verschrikking van de materiaalslag...” (met ‘Materialschlacht’ wordt een vorm van oorlogvoering bedoeld waarin niet zozeer individuele heldenmoed of strategie centraal staan, maar de massale inzet van materieel: wapens, munitie, artillerie, machines en industriële productie). Met overal oorlog om ons heen - generaals in vol ornaat die aanschuiven bij talkshowtafels, krantenfoto’s van een koningin op middelbare leeftijd die tijdens een reservistentraining met gelakte nagels en een Rolexhorloge door de modder tijgert, jongeren die worden opgeroepen ‘sneuvelbereid’ te zijn, de aanschaf van een ‘gewondentrein’, de nieuwe ‘vrijheidsbelasting’ -  lijkt het er toch op zijn minst op dat wij ook aardig in een geweldsroes aan het verzinken zijn. Ik dacht altijd dat het verschrikkelijkste wat je maar kunt bedenken oorlog is. Ik had tot nu toe dan ook enkel anti-oorlogsromans gelezen: “Van het westelijk front geen nieuws” van Erich Maria Remarque, “Slachthuis Vijf” van Kurt Vonnegut. Echter, wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan walgt voor altijd van het leven van kruideniers, aldus de Duitse schrijver Ernst Jünger (1895-1998). Thomas Mann noemt hem ‘de ijskoude playboy van het barbarisme’. Het gevaar kan een kick opleveren die bijna gelijk staat aan heroïne. Zie “Traumasporen” van professor Bessel van der Kolk, die werkte met Vietnamveteranen. In een artikel in de Telegraaf van 03.01.26 las ik over een Nederlandse soldaat die alle hoeken van de oorlog in Oekraïne heeft gezien en toch teruggaat naar die hel, want ‘oorlog is verslavend’. In De Groene Amsterdammer van 21.01.26 stond een fascinerend essay over Ernst Jünger. Door wat hij zag in de oorlog voorspelde hij ook nog eens griezelig accuraat de technische wereldorde waardoor ‘geestelijke verheffing’ moeilijk zal worden. Zie verder de uitzending die De Nieuwe Wereld maakte met literair criticus Arnold Heumakers van 04.12.25. De laatste in het NRC van 23.02.23: het “… is misschien schokkend voor hedendaagse lezers, die een positieve waardering van geweld alleen van films kennen, maar zou er ook zoveel oorlog zijn als niemand er plezier aan beleefde?...”.

 

Het Dionysische

Ernst Jünger was negentien toen hij werd opgeroepen om mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog (hij werd maar liefst 102!). Hij zat te popelen. Zijn vader had hem al eens teruggehaald toen hij er vandoor ging om zich bij het Franse Vreemdelingenlegioen aan te sluiten. “Oorlogsroes” (“In Stahlgewittern”) is gebaseerd op de dagboekaantekeningen die Jünger in die tijd bijhield. Sommige critici noemen hem een ‘staaleroticus’, omdat hij ‘extatisch’ verslag zou doen van zijn frontervaringen. Dat vind ik sterk overdreven. Hij schrijft juist bijna gevoelloos over de meest afgrijselijke horror. Registreert klinisch en afstandelijk. Met een helikopterview. Misschien is dat ook wel de enige manier om iets als armageddon in woorden te vatten. Mijn focus ligt vooral bij het ‘Dionysische’: de roes. Waar breekt die door in het verhaal? Het verraste mij niet toen ik las dat Jünger een aanhanger van Nietzsche was, de schrijver van het essay “Het Dionysische wereldbeeld”. Het Dionysische staat bij Nietzsche voor roes, chaos, levensdrift en de opheffing van het individu in het geheel. Tegenover het Apollinische (orde/harmonie) vertegenwoordigt het Dionysische de extatische, tragische levenservaring die de chaos omarmt. Het is een kernconcept uit zijn vroege werk “De geboorte van de tragedie. Het is geen wonder dat Jünger in de jaren 50/60 de ‘roes’ weer opzocht door te experimenteren met psychedelische middelen, waaronder LSD. Zie zijn boek “Bezoek aan Godenholm”.

 

Mollenbestaan

Zoals veel anderen schrijft ook Jünger over het enthousiasme waarmee veel verveelde jongeren de oorlog begroeten. Hoe ze van huis vertrekken, het avontuur tegemoet. Vrolijk. In een regen van bloemen. Dronken van rozen en bloed. Hunkerend naar het ongewone. Het grote gevaar. Hoe ze, als ze uit de treinen naar het front stappen, met ongelovige eerbied luisteren naar het ‘walsbedrijf’ in de verte. De adem van de strijd die hen doet huiveren. De oorlog overkomt hen als een ‘roes’, aldus Jünger. De verhitte fantasie komt echter al gauw tot bedaren. De marsen zijn zwaar, het leven aan het front vooralsnog dof en traag. Af en toe gooit de oorlog zijn gemoedelijke masker af en laat zijn klauwen zien. De eerste granaatinslag die Jünger meemaakt, komt op hem over als ‘een spookverschijning op klaarlichte dag’. Plotseling, onpersoonlijk, onbegrijpelijk. Vanaf dan zal hij bij elk onverwacht geluid ineenkrimpen. De slagschaduw van de dood grijpt diep ‘in het duistere terrein achter ons bewustzijn’. De loopgraven reduceren het leven tot wat Jünger een ‘mollenbestaan’ noemt: vuil, uitputting en slapeloze nachten. De soldaten houden zich in de voortdurende regen op de been met narcotisch veel alcohol en tabak.

 

Nederig gedierte

Het is onvoorstelbaar voor ons, maar te midden van de meest bloederige taferelen heerst een opgewonden, woeste, onvermoede vrolijkheid. Alsof de rekruten zich tegen de realiteit verzetten. Jünger verbindt veel oorlogservaringen met de natuur: kogels als bijenzwermen, granaten als mechanische insecten, vliegtuigen met ‘vlinderogen’, militairen die als logge kevers door de velden struinen. Ondertussen gaan de echte vogels onverstoorbaar door met zingen. Hij heeft het over het ‘duistere, mythische landschap’ dat door de ‘verlatenheid, het diepe zwijgen en de trieste aanblik van vernietiging’ angst aanjaagt en ’s nachts een ‘vreemde, psychische kou’ uitstraalt. De dorpen zijn veranderd in puinhopen: “…Voor ons lag het station, in elkaar gefrommeld als een stuk kinderspeelgoed, en verder daarachter het tot spaanders gehakte Bos van Delville…”. Overal de eeuwige rattenzwermen en de stank van ontbinding. Het ‘nederig gedierte’ baart hem geen zorgen: “… een muis rent over mijn handen en gezicht zonder me in mijn slaap te storen…”. De schuilplaatsen worden grondig uitgerookt. Door ‘het contact met de aarde’ wordt vanzelf een ‘slaperige, zwaarmoedige stemming’ opgeroepen. 

 

Adrenalinejunks

Zijn vuurdoop ondergaat Jünger tijdens een militaire actie zonder dat hij ook maar één tegenstander te zien krijgt. Al snel wordt hij commandant van een kleine reserve-eenheid. De strijd op leven en dood maakt van zijn bestaan een rollercoaster van adrenaline: “… Twee overweldigende gevoelens doen je huiveren: de meeslepende opwinding van de jager en de angst van het wild…”. Lichtkogels maken van de nacht een dag, alles staat op scherp. “… Deze ogenblikken, waarop de volledige loopgraafbezetting in de allerhoogste staat van paraatheid achter de borstwering stond, hadden iets betoverends. Ze deden denken aan die ademloze seconde voor een beslissend moment in een voorstelling, als de muziek afbreekt en de grote toneellichten worden ingeschakeld…”. De loyaliteit naar elkaar is intens. De keiharde zakelijkheid ook. Oorlog is een ‘gokspel’. Wie sneuvelt, sneuvelt; de rest gaat verder.

 

De vijand

Aan de uiteinden van de loopgraven zijn de wachtposten van de verschillende legers soms nauwelijks dertig passen van elkaar verwijderd. Er ontstaan korte gesprekken, rauwe grappen. De vijand krijgt een gezicht: “… Ik heb er tijdens de oorlog altijd naar gestreefd niet haatdragend tegenover de tegenstander te zijn en hem als mens te waarderen al naar gelang de moed die hij in het gevecht betoonde…”. Een grote witte kater met een kapotgeschoten voorpoot spookt regelmatig rond in het niemandsland en gaat bij beide partijen op bezoek. Jünger stuit op een borstwering waar tussen de prikkeldraadversperringen een levendige handel en druk ruilverkeer in drank, sigaretten, uniformknopen en andere zaken gaande is. Eigenlijk slaat de complete waanzin van de oorlog mij misschien wel het meest in mijn gezicht als Jünger beschrijft hoe hij een lange, piepjonge Engelsman, ‘met goudblond haar en een fris kindergezicht’, in het vizier krijgt: “… Wat jammer om zo’n kerel te moeten doodschieten, dacht ik, toen ik hem zag…”. Het is om te huilen. Het doet mij meer dan alle vernietigende gaswolken, stromen bloed en zwart geworden lijken waarmee het boek is bezaaid. Die beginnen op den duur zelfs te vervelen, eerlijk gezegd.

 

Duivelse lichtheid

Jünger komt in de omgeploegde lijkenvelden langs de Somme terecht: “… Mijnen van het allerzwaarste kaliber ontploften. Hele velden vol puin vlogen in de lucht, wervelden rond en stortten met hels kabaal neer…”. Het gaat er extreem heftig aan toe: “… De aarde wankelde, de hemel leek een borrelende reuzenketel…”. Even verder: “… Het vermogen tot logisch denken en de zwaartekracht leken opgeheven. Je had hetzelfde gevoel van onvermijdelijkheid en absolute noodzakelijkheid als een uitbarsting van de elementen…”. Hij stelt dat het feit dat je in staat bent om de aanblik van de meest zware verminkingen te verdragen maar weer eens een voorbeeld is van het gegeven dat in het leven 'het geheel' onze indrukken bepaalt. De zware, zoetige lijkengeur ervaart hij niet alleen maar als weerzinwekkend: “… Vermengd als hij was met de prikkelende walm van springstof, veroorzaakte hij ook een bijna helderziende opwinding, zoals alleen de onmiddellijke nabijheid van de dood weet op te wekken…”. Er ontstaat iets paradoxaals: alsof de nabijheid van de dood een laatste, extreme vrijheid mogelijk maakt. “… Zo voelde ik in die ogenblikken bijvoorbeeld geen angst, maar een grote, bijna duivelse lichtheid; ook rare neigingen om in lachen uit te barsten die ik niet kon onderdrukken…”. Wanneer ze aan de winnende hand zijn komt hij in een ‘overmoedige stemming’ waardoor hij ‘de bomen uit de grond zou willen rukken’: “… Af en toe zag ik, in het schijnsel van een lichtkogel, stalen helm naast stalen helm, kling naast kling blinken en een gevoel van onkwetsbaarheid vervulde me dan. We konden worden verpulverd, maar niet overwonnen…”.

 

Metafysische dimensie

Is er meer tussen hemel en aarde? “… Terwijl de twee artillerieën elkaar over een uitgestrekt terrein bestookten, brak er een verschrikkelijk onweer los zodat, net als in de homerische veldslag tussen goden en mensen, het tumult op aarde met dat van de hemel kon wedijveren…”. Even verder: “… Als ik in de duisternis op wachtposten of rondzwervende verdwaalden stuitte, had ik het ijselijke gevoel niet met mensen maar met demonen te praten. Ik leek te zweven op reusachtige puinhopen voorbij de rand van de bekende wereld…”. Toeval lijkt betekenis te krijgen. Ontsnappingen aan de dood voelen als ingrepen van buitenaf. Alsof de oorlog niet alleen fysiek, maar ook geestelijk wordt uitgevochten.

 

Vleugels

En dan is daar de roes in zijn meest extreme vorm: “… Tijdens onze opmars raakten we in de greep van een nietsontziende razernij. Het allesoverheersende verlangen om te doden gaf mijn voeten vleugels. Bittere tranen van woede schoten in mijn ogen. De ongelooflijke vernietigingsdrang die over het slagveld hangt, verdicht zich in de hersens en omgeeft ze met een rode mist. Snikkend en stamelend riepen we elkaar fragmenten van zinnen toe, en een objectieve waarnemer zou vermoedelijk hebben gedacht dat we bevangen waren door een overmaat van geluk…”. Dit is precies wat het meest verontrust: niet de angst, maar de extase. In het heetst van de strijd functioneert Jünger als een gespleten persoonlijkheid: de soldaat die handelt en de soldaat die toekijkt. Als een verspieder die achter zichzelf op de loer ligt. Over ‘het keerpunt in zijn hoofd’ als hij onder ogen ziet dat ze de oorlog zouden kunnen verliezen: “… De enorme samenballing van krachten in het noodlotsuur waarin om een verre toekomst wordt gestreden, en de ontlading die er zo verrassend op volgde, hadden me voor het eerst meegesleept naar de diepe wateren van het buitenpersoonlijke. Dat was anders dan alles wat ik tot nu toe had meegemaakt; het was een inwijding die niet alleen de gloeiende kamers van de verschrikking opende, maar er ook doorheen voerde…”.

 

De balzaal van de dood

Jünger: “… De oorlog confronteerde ons met zijn diepste raadselen. Het was een merkwaardige tijd…”. Als het vanwege een harde klap donker wordt om hem heen: “… Terwijl ik viel zag ik de witte, gladde kiezelstenen in het leem van de weg; de ordening was zinvol, noodzakelijk als die van de sterren en borg grote geheimen in zich…”. Toch komt hij weer overeind. Wanneer Jünger zwaargewond raakt, ervaart hij een moment van onverwachte helderheid. Hij denkt te sterven en beschrijft dat moment vreemd genoeg als gelukkig. Alsof in de nabijheid van de dood alles plots samenvalt en betekenis krijgt: “… Op dat moment begreep ik, als in een flits, mijn leven tot in zijn diepste essentie…”. Meer legt hij er niet over uit. Hij is enkel ongelooflijk verbaasd dat het einde is gekomen: “… het was een verbazing van een heel opgewekt soort. Toen hoorde ik het vuur steeds zwakker worden, alsof ik als een steen diep onder het oppervlak van bruisend water wegzonk. Daar bestond geen oorlog of vijandschap meer…”. Maar hij overleeft.

 

Stahlmensch

Volgens latere interpretaties ziet Jünger de moderne, technologische oorlog als een smeltoven waarin een nieuw type mens ontstaat: de Stahlmensch. Het doet onvermijdelijk denken aan Nietzsches idee van de Übermensch. Maar waar Nietzsche nog sprak over zelfoverstijging, lijkt hier iets anders te ontstaan: een mens die zich aanpast aan de logica van de machine en de oorlog. Misschien is dat de ongemakkelijke vraag die “Oorlogsroes” oproept. Niet alleen wat oorlog met mensen doet, maar ook waarom zij er steeds opnieuw in worden meegezogen. En of die aantrekkingskracht – hoe moeilijk ook te erkennen – niet een wezenlijk onderdeel van het probleem is.

 

Uitgave: De Arbeiderspers – 2002, vertaling Nelleke van Maaren, 346 blz., ISBN 978 902 952 332 5

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar