Toen ik een YouTube-filmpje zag met de titel ‘10 Classic Novels Every Christian Should Read’, gepresenteerd door Trent Horn, een deskundige op het gebied van het katholicisme, was ik toch wel verbaasd “Dracula” (1897), het beroemde griezelverhaal over een vampier, op zijn lijst aan te treffen. Vampiers hebben voor mijn gevoel te maken met horror en satanisme, waar gelovigen ver vandaan moeten blijven, toch? Nou, zegt Horn, je zou “Dracula” van de Ierse schrijver Bram Stoker (1847-1912) ook kunnen zien als een verbeelding van de antichrist. Een vampier ‘neemt’ bloed; Jezus ‘gaf’ zijn bloed. Een interessante visie. Ik zag dat het label Rainbow een mooie, gebonden editie van literaire meesterwerken op de markt brengt, waaronder ook een nieuwe uitgave van de genoemde gotische klassieker. Gek genoeg kon ik er niet achter komen wie de vertaler is. Nooit geweten, maar “Dracula” blijkt een expliciet katholiek verhaal te zijn: het stikt van de hosties en de kruisen. De protagonisten roepen om de haverklap de Almachtige aan. In de Katholieke Kerk is een exorcisme (of duivelbezwering) dan ook een officieel religieus ritueel dat behoort tot de sacramentalia. Met Halloween in aantocht vond ik “Dracula” wel het juiste boek op het juiste moment.
Hoe enger, hoe mooier
Het eeuwenoude Keltische overgangsfeest van de herfst naar de winter, dat in de nacht van 31 oktober op 1 november werd gevierd, wordt ‘Samhain’ genoemd. Het was een magisch moment dat gepaard ging met grote rituelen. Rond begin november stond de deur naar de andere wereld op een kier en werd de dunne wand die de levenden van de doden scheidt, doorzichtig, zo geloofden zowel de Kelten als de Germanen. Het lukte de kerk niet om de heidense dodenfeesten en de voorouderverering uit te roeien. In het oersterke volksgeloof bleven de doden aan het begin van de wintertijd gewoon terugkeren. Als ze werden genegeerd of geminacht, konden ze boos worden en de levenden dwarszitten. Gemaskerde dansers beeldden tijdens het feest de levende doden uit. De heiligenverering moest binnen de kerk de aloude voorouderverering en het contact met de doden vervangen. In het jaar 835 stelde paus Gregorius IV daarom op 1 november het feest van ‘Allerheiligen’ in: de heiligen van de kerk moesten de doden in toom houden. Henk Vreekamp in “Het jaar van Vivaldi”: “… In Engeland en Ierland werd het winterfeest ‘All Hallow’s Eve’ genoemd, de vooravond van Allerheiligen, afgekort tot ‘Halloween’. Vanuit Ierland werd het feest in de negentiende eeuw door kolonisten meegenomen naar Amerika, na een hongersnood als gevolg van de mislukte aardappeloogst. In de tweede helft van de twintigste eeuw waaide het feest vanuit Amerika weer over naar Europa. Sinds de jaren tachtig heeft het, vooral onder invloed van de commercie, een zegetocht gemaakt in verschillende Europese landen, waaronder Nederland…”. In het jaar 1006 werd door paus Johannes XIV bovendien op 2 november de dag van ‘Allerzielen’ ingesteld, een door de kerk goedgekeurde manier om de doden te vereren. “… Hun graven werden versierd, er werd een lampje op het graf ontstoken en, ondanks het kerkelijke verbod, werden er eten en drinken op het graf achtergelaten…”. Vreekamp: “… Protestanten die zeggen van dit alles niet te willen weten, vieren de gedenkdag van de Reformatie op 31 oktober. Dat is de dag voorafgaand aan het feest van Allerheiligen, waarop Maarten Luther met zijn 95 stellingen de kerk uitdaagde tot een debat over de misstanden in zijn tijd. Op die dag waren er immers veel mensen op de been die hij met zijn stellingen zou kunnen bereiken. Ook protestanten kunnen dus niet voorbijgaan aan Allerheiligen en Allerzielen, aan Halloween…”. Het is het mysterie van de dood dat ons met Samhain, Halloween, Allerheiligen en Allerzielen in de greep houdt. Oude gebruiken keren terug in nieuwe vormen. Halloween heeft het griezelelement uit het geheel van het winterfeest gelicht. Hoe enger, hoe mooier.
Bloedarmoede
Er bestaat een historische en medische link tussen vampierlegendes en bloedarmoede (anemie). Een mogelijke medische verklaring die vaak in verband wordt gebracht met het ontstaan van de vampiermythe is porfyrie: een groep zeldzame aandoeningen waarbij de aanmaak van heem, een essentieel onderdeel van hemoglobine in ons bloed, verstoord is. Sommige symptomen van porfyrie worden in verband gebracht met de klassieke kenmerken van vampiers, namelijk extreme bleekheid en vermoeidheid: door chronische bloedarmoede (anemie) zien patiënten er lijkbleek uit en hebben ze weinig energie. Lichtgevoeligheid: blootstelling aan zonlicht veroorzaakt pijnlijke blaren, zwellingen en ernstige brandwonden op de huid. Patiënten leefden noodgedwongen alleen 's nachts. Vlijmscherpe tanden: de ziekte kan ervoor zorgen dat het tandvlees zich terugtrekt, waardoor de tanden – en met name de hoektanden – veel langer en spitser lijken. Afkeer van knoflook: knoflook bevat stoffen die de symptomen van porfyrie drastisch kunnen verergeren en daardoor hevige pijnen veroorzaken.
Over de connectie tussen graaf Dracula en Vlad de Spietser
Er zijn eigenlijk twee betekenissen van Dracula, vertelt ChatGPT me. ‘Graaf Dracula’ is een fictieve vampier die ’s nachts actief is, bloed drinkt en volgens het verhaal in een kasteel in Transsylvanië woont. Hij kan in een vleermuis veranderen en beschikt over bovennatuurlijke krachten. ‘Vlad Dracula’ (Vlad de Spietser) was een echte vorst uit de 15e eeuw die over Walachije regeerde, in het huidige Roemenië. Hij stond bekend om zijn wrede straffen. Zijn naam en reputatie worden vaak in verband gebracht met de vampier Dracula. Schrijver Bram Stoker gebruikte verschillende overleveringen en vampierlegendes om zijn beroemde personage te creëren. Lees en huiver!
Denn die Toten reiten schnell
De griezelroman “Dracula” is geen rechttoe-rechtaanverhaal, maar bestaat uit dagboekaantekeningen, brieven, telegrammen en krantenartikelen, zodat je het hele gebeuren als het ware zelf bij elkaar moet puzzelen. Daaruit wordt duidelijk dat de jonge advocaat Jonathan Harker per trein en diligence naar de Karpaten reist voor een onderhoud met graaf Dracula inzake de aankoop van een landgoed nabij Londen. Wanneer Jonathan de steeds zwijgzamer wordende eigenaar van het hotel in Bistritz, waar hij overnacht, naar de graaf vraagt, doet deze net alsof hij hem niet verstaat. Zijn vrouw probeert de reiziger, die slecht heeft geslapen omdat er de hele nacht een hond onder zijn raam heeft zitten janken, zelfs tegen te houden. Of hij wel weet wat voor dag het is: 4 mei, de avond vóór Sint-Jorisdag, waarop alle boze machten heer en meester zijn (het verhaal eindigt op 7 november, na Samhain). Ze geeft hem het crucifix dat om haar hals hangt en slingert hem ook nog een rozenkrans om zijn nek. Wanneer zijn koets vertrekt, slaan de mensen die hem nakijken een kruis en steken twee vingers naar hem uit. Een medepassagier vertelt hem dat het gebaar bedoeld is als bescherming tegen het boze oog. Ze ‘vliegen met koortsachtige haast’ door donkere wouden en langs machtige bergketens. “… Een van mijn reisgezellen fluisterde de ander de regel in van Bürgers Lenore: “Denn die Toten reiten schnell” (Want de doden rijden vlug) …”. Wanneer de steenkoude nacht invalt, komt er een calèche naast hen rijden. De zonderlinge koetsier blijkt een tengere man met een lange bruine baard en een grote zwarte hoed, waardoor alleen de onderkant van zijn gezicht te zien is, gekenmerkt door vuurrode lippen en scherpe, ivoorwitte tanden. Jonathan wordt als de wiedeweerga overgeheveld en voor hij het weet, is de postkoets alweer verdwenen in de duisternis. De vreemde voerman gooit een mantel om Jonathans schouders, legt een deken over zijn knieën en vervolgens gaat het weer verder. De passagier ontwaart aan zijn linkerkant een zwak flikkerend, blauw vlammetje (later zal graaf Dracula beweren dat dergelijke lichtjes een teken zijn van een verborgen schat). Overal klinkt wolvengehuil. Af en toe stopt de koetsier om de angstige paarden gerust te stellen en met vreemde gebaren de wolven weg te jagen, die inderdaad afdruipen. Plotseling staan ze op de binnenplaats van een groot, verduisterd kasteel.
Luguber
Het duurt even voordat Jonathan wordt binnengelaten. Graaf Dracula geeft hem een ijskoude hand, maar is verder ouderwets galant. Hij biedt Jonathan een warme maaltijd aan bij een knetterend haardvuur en installeert hem in een gerieflijke logeerkamer, waar hij na de vermoeiende rit 24 uur achter elkaar slaapt. De volgende dagen komt Jonathan erachter dat de graaf waarschijnlijk de enige bewoner van het kasteel is (was hij ook de geheimzinnige koetsier?). Bij daglicht is hij nergens te bekennen en eten doen ze nooit samen, hoewel hij wel graag met Jonathan blijft kletsen tijdens het diner. De graaf wil alles weten over Londen. Jonathan mag zijn tijd verdoen in de bibliotheek; de rest van het kasteel lijkt niet pluis. Wanneer Jonathan tijdens zijn ochtendritueel in zijn scheerspiegel geen spiegelbeeld van graaf Dracula ziet, die plotseling achter hem staat, slaat de schrik hem om het hart. De graaf grijpt de spiegel beet en flikkert hem uit het raam: géén spiegels in zijn kasteel! De doodenge graaf, met zijn wasachtige gezicht, hoge haakneus, slechte adem en vlijmscherpe tanden, zegt dat hij Jonathan minstens een maand nodig heeft. De deuren naar buiten zitten op slot. Jonathan begint te beseffen dat hij gevangen zit. Wanneer hij uit het raam kijkt, ziet hij op een gegeven moment de graaf vanuit diens kamer over het kozijn klimmen en als een hagedis in zijn zwarte vleermuizenmantel langs de muur naar beneden glippen, om in een hol te verdwijnen. Jonathan probeert brieven mee te geven aan zigeuners die vierkante kisten bij het kasteel komen afleveren, maar de graaf onderschept de post. Wanneer Jonathan op onderzoek uitgaat in de onbewoonde ruimtes van het kasteel, wordt hij belaagd door drie spookvrouwen, die net op tijd door de graaf worden weggestuurd: alsof hij lont rook. Een van Jonathans geheime verkenningstochten brengt hem naar een vervallen kapel, waar de graaf als verlamd in een open geklapte doodskist op een laag aarde ligt. Zijn rode ogen stralen vuur. Zijn lichaam lijkt verjongd en te barsten van het bloed. Jonathan weet niet hoe gauw hij weg moet komen. Op een goede dag ontsnapt hij uit het lugubere kasteel.
Leven-etende maniak
Vervolgens komt er een briefwisseling op gang tussen Mina Murray, de verloofde van Jonathan, en haar vriendin Lucy Westenra. Lucy vertelt dat ze op één dag maar liefst drie (mierzoete) huwelijksaanzoeken heeft gekregen van aanbidders die elkaar blijken te kennen: dr. John Seward, geneesheer-directeur van een krankzinnigengesticht; Mr. Quincy P. Morris, een opgeruimde Amerikaanse avonturier uit Texas; en lord Arthur Holmwood, een jonge Engelse edelman. Het wordt Arthur. In juli gaat Mina met Lucy, die nog bij haar ziekelijke moeder woont, op vakantie naar de havenstad Whitby. In augustus heeft Mina nog steeds niets van haar verloofde gehoord en begint ze zich zorgen te maken. Is er iets gebeurd? Ondertussen begint Lucy te slaapwandelen en heeft dr. Seward zijn handen vol aan een patiënt die vliegen aan spinnen voert, spinnen aan mussen en ten slotte een kat eist, die hij natuurlijk niet krijgt. De volgende dag zijn de vogels verdwenen en braakt de patiënt veren uit: “… Ik zal voor deze waanzinnige een nieuwe classificatie moeten maken en hem een ‘zoöfaag (leven-etende) maniak’ moeten noemen …”. Wanneer de patiënt weer wat tot rust is gekomen, begint hij ineens over de ‘meester’, die ‘nabij’ zou zijn.
Spookschip
In de krant verschijnt een bericht dat na een hevige zomerstorm een Russische schoener de haven van Whitby is binnengezeild, met een aan het stuurrad vastgebonden dode zeeman. De enige overlevende lijkt een reusachtige hond te zijn, die van het dek springt en in de duisternis verdwijnt. De lading bestaat uitsluitend uit een groot aantal met aarde gevulde kisten (daar heb je ze weer). In een met een kurk afgesloten fles wordt een rolletje papier gevonden, waarop de kapitein beschrijft hoe zijn bemanning gek is geworden door een griezel die op het schip rondspookte…
Zenuwen
Wanneer Mina op een nacht wakker wordt, is Lucy verdwenen. Ze zit in haar nachtpon op een bankje bij de ruïne van de abdij. Mina krijgt het gevoel dat er ‘iets’ over haar slaapwandelende vriendin heen gebogen staat. Twee rode ogen kijken haar aan. Ze slaat een warme das om Lucy heen, die ze vastmaakt met een stevige veiligheidsspeld, en neemt haar mee naar huis. De volgende ochtend heeft Lucy twee gaatjes in haar hals en een bloedvlek op haar pon. Mina wijt dit aan haar eigen onhandige gepruts met de speld. Ze merkt dat Lucy vermoeid en bleek is, alsof ze iets onder de leden heeft. Iedere avond sluit Mina de huisdeur af met een sleutel die ze aan haar pols bindt. Echter, nu gaat Lucy in haar slaap vaak uit het open slaapkamerraam hangen, waar een enorme vleermuis rondvliegt. Moet ze dáár weer op letten. Eindelijk krijgt Mina een brief waarin haar wordt meegedeeld dat haar verloofde met hevige zenuwkoorts is opgenomen in een ziekenhuis in Boedapest. Terwijl Arthur de zorg voor Lucy en haar moeder op zich neemt, reist Mina stante pede naar Jonathan, die beweert zich niets meer te herinneren van wat hem is overkomen. Beiden besluiten zijn dagboek voorlopig dicht te laten. Ondertussen weet de patiënt van dr. Seward te ontsnappen. De oppassers treffen hem op een naastgelegen landgoed aan, waar hij met een onzichtbaar figuur staat te praten. Hij verzet zich hevig wanneer hij in een dwangbuis wordt opgesloten in een gecapitonneerde kamer.
Bloedtransfusie
Het gaat steeds slechter met Lucy, waardoor Arthur dr. Seward inschakelt. Deze haalt op zijn beurt een bevriende professor uit Amsterdam erbij: Van Helsing. Ook de laatste snapt er niets van. Ze heeft duidelijk veel te weinig bloed en toch geen bloedziekte — integendeel, ze is kerngezond. Als Arthur binnenkomt vallen, wordt hem gesommeerd om via een bloedtransfusie bloed te geven aan zijn geliefde (later geven dr. Seward, professor Van Helsing en Quincy Morris ook nog bloed). Van bloedgroepen heeft de schrijver waarschijnlijk nog nooit gehoord. Wanneer de dokter na afloop het kussen van zijn slapende patiënte een beetje opport, verschuift haar fluwelen halslint met diamant een beetje en ontdekken de beide artsen de kleine prikjes bij haar keelader. Professor Van Helsing vertrekt weer naar Amsterdam om eens goed over de zaak na te denken en zijn boeken te raadplegen. Wanneer de prof terugkomt, smeert hij de deurpost en de raamkozijnen van Lucy’s kamer in met knoflook en bindt hij een knoflookkrans om haar hals als de nacht invalt. Het mag allemaal niet baten. Lucy verandert zélf in een doodziek, vampierachtig wezen en sterft: het vampirisme lijkt besmettelijk.
Vampierjacht
Er verschijnt een krantenbericht over vermiste kinderen die zijn aangesproken door een ‘lieve dame’ en met wondjes aan de keel worden teruggevonden in de omgeving van Hampstead. Als Jonathan tijdens een wandeling in Hyde Park bijna flauwvalt omdat hij graaf Dracula meent te zien, besluit Mina toch maar eens zijn dagboek te lezen. Ze weet niet zo goed wat ze ervan moet denken. Tot professor Van Helsing contact met haar opneemt, omdat hij de zaak verder wil onderzoeken. Hij blijkt een ware Sherlock Holmes. Hij bezweert haar dat het Jonathan niet in zijn bol is geslagen: alles wat hij schrijft, is wáár. Hij wendt zich tot de drie aanbidders van Lucy en houdt hun voor dat ze moeten ‘geloven in dingen die ze niet geloven kunnen’: “… We zijn zo gewend ons aan het kleine bekende strookje waarheid te houden en dat is goed, in zoverre we niet menen dat dit kleine eindje de volledige waarheid van het heelal is…”. Hij neemt de heren midden in de nacht mee naar de familietombe waar Lucy is bijgezet: haar kist blijkt leeg. Overdag neemt hij de mannen opnieuw mee: ze ligt (mooier dan ooit) in de kist. Hij barricadeert het graf met ouwels en een crucifix. Het heeft even tijd nodig voordat het tot Lucy’s geschokte vrienden doordringt dat ze een vampier is geworden die klaarblijkelijk in de weer is met onschuldige kindertjes. Om haar ziel van de helse vlammen te redden, zullen ze het onzalige wezen waarin ze is veranderd moeten vernietigen, want ‘alleen zo zal zij haar plaats kunnen innemen bij de andere engelen’. Arthur, haar lief, krijgt de eer om met een hamer een staak door haar hart te slaan: “… En zal het later voor hem, in slapeloze nachten, geen heerlijk denkbeeld zijn te kunnen zeggen: ‘Het was míjn hand die haar deed stijgen tot de sterren?’…”. Terwijl professor Van Helsing voorleest uit zijn gebedenboek en Quincy en Seward eerbiedig toekijken, wordt de klus geklaard. Na afloop snijden de artsen voor de zekerheid ook nog met chirurgische precisie haar hoofd af en vullen ze haar mond met knoflook. Ziezo. Hun taak zit er echter nog niet op: het écht grote werk begint pas.
Vijftig kisten gevuld met aarde
Het hele gezelschap, inclusief Mina en Jonathan, steekt de koppen bij elkaar en opent als een groep moderne kruisridders de jacht op graaf Dracula. Avonturen die je de haren te berge doen rijzen, zijn hun deel. Harry Potter is er niets bij. Ze beginnen met het opsporen van de vijftig kisten gevuld met aarde uit Transsylvanië, die in Londen zijn verdwenen. Eerst snapte ik niet zo goed wat die kisten in het verhaal deden, maar langzamerhand kwam ik erachter dat ze overdag dienden als rustplaats voor Dracula, die zijn dunbevolkte thuisland verliet om in het drukke Londen nieuwe slachtoffers te vinden. Hij verdeelde de kisten over verschillende aangekochte panden. In de vampierfolklore waarop Stoker zich baseerde, bestond het idee dat vampiers verbonden waren met hun geboortestreek en hun grafgrond. Jonathan en zijn kornuiten sporen de kisten op en schuiven er een hostie in, zodat ze ‘onbewoonbaar’ worden voor de vampier. Echter, één kist ontbreekt. Die sleept Dracula na zijn mislukte avontuur mee op zijn terugreis…
Koning Lach
Hoewel Dracula ruim een eeuw geleden is geschreven, kluistert het boek je nog steeds aan je stoel. Bovendien is het een door en door Victoriaans verhaal, waarin de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan ‘wokies’ bijna blasfemisch in de oren moet klinken, denk ik, maar waar ik me best wel om heb verkneukeld. Een gentleman die een en al verbazing veinst over een toch best schrander ‘mevrouwtje’: “… Zij is een van Gods begenadigde schepselen, door Zijn hand gewrocht, om ons, de stervelingen, te tonen dat er een hemel is, waar we nu al binnen kunnen treden, en welks licht op aarde schijnt. Zo trouw, zo edel, zo lief, zo weinig egoīst, dat is iets zeldzaams in deze sceptische, zelfzuchtige wereld…”. Toe maar! Even verder een lady: “… O, wat deed het me goed om te zien, hoe deze dappere mannen werkten. Is het een wonder, dat wij vrouwen hen zo moeten liefhebben, als zij zo ernstig, zo dapper en zo trouw zijn!...”. Hear, hear! De conclusie uit dit alles: “… Het is een vreemde wereld hier, een treurige wereld, een wereld vol ellende, verdriet en zorg, en toch, als Koning Lach binnenkomt laat hij iedereen dansen op de wijs, die hij speelt. En, geloof mij, vriend John, dat het goed en vriendelijk van hem is om te komen. Wij, mannen en vrouwen, zijn gelijk aan strakgespannen lijnen, en we worden verschillende kanten uitgetrokken. Dan komen de tranen, als regen op de lijnen, om ons te verfrissen. Soms echter is de spanning te groot, dan breken we. Maar Koning Lach komt als de zonneschijn en vrolijkt ons op, maakt de spanning lichter, en we dragen onze last verder en gaan aan het werk…”. Chapeau!
Uitgave: Rainbow (1642) – 2025, 320 blz., ISBN 978 904 171 672 9, € 17, 50
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

