Menu

maandag 12 oktober 2026

Ik die nooit een man heb gekend – Jacqueline Harpman

 


Mijn dochter tipte mij over het beklemmende, vervreemdende en juist daardoor ook weer fascinerende “Ik die nooit een man heb gekend” (1995), een dystopische ideeënroman van de Belgische schrijfster Jacqueline Harpman (1929–2012). Na dertig jaar beleeft het boek een tweede leven als monsterhit op TikTok. Voelde de moeder van Erwtje zich in “Moedermelk” onder de Russische laars als ‘opgesloten in een kooi’ (zie mijn vorige blog), de eveneens naamloze vertelster in Harpmans verhaal zit daadwerkelijk gevangen in een ondergrondse, getraliede ruimte, samen met negenendertig andere vrouwen. Het deed me denken aan de verborgen tunnels in Gaza, waarin Israëlische gijzelaars werden vastgehouden (vandaag is het 7 oktober). En aan Elon Musk, met zijn mislukte experimenten, die ervan droomt de Maan te koloniseren. Harpmans Joodse vader vluchtte tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn gezin naar Casablanca – misschien klinkt er daarom een echo van concentratiekampen in het verhaal door. Harpman was psychoanalyticus en nam in bijna dertig romans de ‘condition humaine’ onder de loep. De grote vraag is: wat maakt een mens nog tot mens als je alles wegstript wat iemands identiteit bepaalt en het leven zin geeft? Waarom slaat dit boek zo aan bij Gen Z? Is het misschien omdat de toekomst alleen nog maar uit een opeenstapeling van apocalyptische crises lijkt te bestaan? Harpman heeft de eenzijdige ‘linkerhersenhelftwereld’ beschreven waarvoor McGilchrist in “De meester en zijn afgezant” waarschuwt, omdat deze wereld  in het Westen de overhand dreigt te krijgen. Een onbezielde wereld, zonder verbinding, verleden, spiritualiteit, kunst, verwondering, vreugde, warmte of liefde. Een wereld waarin individualiteit en authenticiteit, als ze geen wortels hebben, gelijkstaan aan eenzaamheid. Want wie zit er op jou en jouw verhaal te wachten? Lucht en leegte; alles is leegte.

 

Bewijzen dat je een mens bent

Het verhaal is geschreven door een vrouw die zich, krom van de pijn, afvraagt of ze wel een mens is. Om dat te bewijzen, begon ze haar verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Ze heeft er een maand over gedaan en is nog nooit zo gelukkig geweest. Ze heeft kanker. Ze zal niet lang meer leven. Ze woont moederziel alleen in een welvoorzien onderkomen. Hoe is het zover gekomen?

 

Dieren geregeerd door menselijke robots

Ze beschrijft hoe ze opgroeit in een ‘kelder’: een kooi met veertig andere vrouwen die haar ‘de kleine’ noemen, omdat ze de jongste is. De kooi wordt bewaakt door drie mannen die in alle talen zwijgen en constant om de kooi heen marcheren. Doen de vrouwen iets wat hun niet aanstaat, dan knallen ze met hun zwepen op de grond. Gelukkig nooit op hun lijf. Ze krijgen genoeg te eten om in leven te blijven en doen hun behoefte in twee toiletpotten die midden in de kooi staan. Ze mogen elkaar niet aanraken. Kleine heeft nooit iets anders gekend. Ze lijken nog het meest op dieren die geregeerd worden door menselijke robots. Iets waarvoor sommige criticasters van de huidige AI-race intussen waarschuwen. Wanneer wij onze techniek niet in de hand houden, zouden we zomaar gereduceerd kunnen worden tot de geslachtsdelen van een machinewereld. Harpmans profetische stem zet je aan het denken over een uit de klauwen gelopen wereld.

 

Dwarse puber

Kleine groeit op tot een dwarse puber die zich (in gedachten) afzet tegen haar omgeving. Ze merkt dat ze in haar verbeelding een geheel eigen, geheime wereld bij elkaar kan dromen, waar de rest van de vrouwen niets mee te maken heeft. Ze manipuleert hen daar een beetje mee. Zij hebben net zo goed hun (liefdes)geheimen waarover ze haar niets willen vertellen. Kleine maakt er een gewoonte van zich op de jongste en mooiste bewaker te fixeren, maar hij vertrekt geen spier. Geen van de vrouwen weet hoe ze in de kooi terecht zijn gekomen. Iedereen tast in het duister over wat er precies is gebeurd, omdat ze gedrogeerd zijn. De vrouwen leren Kleine tellen, waardoor ze op het sublieme idee komt om via het ritme van haar hartslag als een soort ‘klok’ te gaan functioneren binnen de groep. Een taak waardoor ze zich belangrijk voelt. Na jaren gebeurt er eindelijk iets. Er begint een schrille sirene te loeien, waar de bewakers zich kapot van schrikken en er als hazen vandoor gaan. Een van hen was net bezig het hek van de kooi te openen om eten naar binnen te schuiven en laat de sleutel in het slot zitten. Kleine hoeft haar hand maar door de tralies te steken om de sleutelbos te grijpen, en ze is buiten de kooi. De kelderdeur staat ook nog eens open.

 

Buiten

Kleine loopt door ruimtes waar ze ineens een trap naar boven ziet, die ze als in een roes op rent. Voor ze het weet, staat ze voor het eerst ‘buiten’, bij een soort ‘wachthuisje’, in de wind en de motregen, op een enorme, kale, lege vlakte. Van de bewakers is geen spoor te bekennen. Alsof ze ‘opgenomen’ zijn (zie 1 Thess. 4:16-17, waar trouwens ook sprake is van het ‘geluid van een bazuin’). Eerst klitten de vrouwen angstig bij elkaar, maar dan vatten ze moed. Ze zijn het erover eens dat ze nog liever doodgaan dan zich ooit weer naar de kooi terug te laten sturen. Hier zie ik de concentratiekampervaring duidelijk naar boven komen: “… Ze werden opstandig, je kon merken dat ze zich niet opnieuw wilden laten pakken, zoals waarschijnlijk vroeger het geval was geweest. Ze wilden niet weer alles over zich heen laten komen, als bange schepsels die je maar naar welk abattoir dan ook kunt sturen, omdat ze domweg geen idee hebben wat een abattoir is. Ze rechtten hun rug, namen het onbekende gebied dat voor ons lag in ogenschouw en plantten hun voeten stevig op de grond…”.

 

Het absurde

Wanneer de vrouwen honger krijgen, wordt Kleine, die nergens bang voor is, naar beneden gestuurd om te kijken of er iets te eten is. Ze vindt koelcellen vol vlees, aardappelen en allerlei blikken groenten, laden vol bestek en gereedschap en zelfs doosjes lucifers, zodat ze ‘boven’ vuur kunnen maken met bijeengesprokkelde takken. Ze kunnen in feite nog jaren vooruit. Er zijn ook kasten met uniformen en laarzen van de bewakers. Kleine benadrukt steeds dat de omstandigheden haar minder overdonderen dan de rest, omdat zij niets anders dan het ‘absurde’ heeft gekend, terwijl de anderen in een wereld hebben geleefd waarin de dingen altijd verklaarbaar waren. Edoch: zijn ze werkelijk ‘vrij’, of zijn ze alleen maar van gevangenis veranderd?

 

Overleven in een verlaten wereld

De vrouwen slepen zoveel mogelijk voedsel aan om het, ingepakt in dekens, met zich mee te dragen en beginnen aan een tocht die hen in eerste instantie bij een riviertje brengt. Voor Kleine is het daaropvolgende waterbad een enorme sensatie. Het duister van de eerste nacht is een bijzonder eng gebeuren. Vanaf dat moment wordt het boek eigenlijk een soort Robinson Crusoe-verhaal: overleven in een verlaten wereld. De vrouwen trekken verder en blijken te kunnen zingen. “… ’s Avonds begonnen de vragen weer te spoken: waar waren we? Wat gingen we doen? Waren we wel op Aarde? …”. Vragen waarop ook de lezer geen antwoord krijgt.

 

Christelijke gebeden

Na zevenentwintig dagen ontdekken ze in de steenwoestijn een ander wachthuisje met een trap naar beneden. Ook daar een kooi; met dode vrouwen. Hier geen bewaker die zijn sleutelbos in het slot heeft laten zitten. Een van haar medereizigers zakt op haar knieën en begint een gebed te prevelen, dat de andere vrouwen meebidden. Voor het eerst hoort Kleine over grootmoeders die hun kleinkinderen lang geleden christelijke gebeden leerden. Ten overstaan van de verschrikking lijken de rituelen van vroeger hun betekenis terug te krijgen. De vrouwen vinden andere wachthuisjes;  ook gevuld met lijken van mannen. Ze lopen van massagraf naar massagraf om hun voorraden aan te vullen. Op de grond bij elke deur van een wachthuisje tekenen ze met stenen een groot kruis. Als een soort handtekening plaatsen ze er later ook nog een cirkel boven: het vrouwelijke seksesymbool, gebaseerd op de handspiegel van Venus. Ze zetten er een vraagteken achter om het signaal af te geven dat ze geen idee hebben over het hoe en wat van alles. Na twee jaar over de vlakte te hebben gezworven, sterft de oudste vrouw, zacht wiegend op de brancard waarop ze wordt meegevoerd. Ze begraven haar tijdens en waardige ceremonie. Misschien is dat het wel wat ons tot mensen maakt.

 

Uit diepten van ellende

Uiteindelijk settelen ze zich aan een rivier. Ze bouwen een kamp met woonhuizen, van waaruit ze expedities ondernemen naar de kelders waar het licht eeuwig brandt (waar komt de elektriciteit vandaan?) als ze nieuwe proviand nodig hebben. Ze maken stenen van rivierklei en zagen planken uit de schaarse bomen. Er zijn geen dieren, behalve wat insecten. Er zijn ook geen seizoenen. Jaren van eentonigheid gaan voorbij. Kleine houdt niet van aanraking, hoewel ze om zich heen wel enkele lesbische stellen ziet ontstaan (bij gebrek aan mannen). Ze menstrueert niet (past het lichaam zich aan de omstandigheden aan?): “… ik ben de onvruchtbare telg van een mensenras waar ik niets van weet, zelfs niet of het uitgestorven is…”. Ze leert een beetje lezen en schrijven, bouwt graag dingen, maar geeft niets om damspelletjes. De vrouwen worden ouder: hun haar begint uit te vallen, ze krijgen rimpels en worden ziek, vaak met veel pijn en bloedingen. Krijgen ze kanker als gevolg van een nucleaire ramp die heeft plaatsgevonden? Ze ontdekken dat overleven niets anders is dan het moment van sterven uitstellen. Kleine leert met een messteek het hart van een zieke stil te leggen wanneer het lijden te erg wordt: een vorm van euthanasie. Lange tijd zitten ze bij de graven, waar “… de vrouwen op gezette tijden de angstaanjagende woorden: ‘Uit de diepten roep ik U, Heer mijn God’ …” uitspreken.

 

Luxe bunker

Als Kleine als enige overblijft, gaat ze weer op pad. Twee jaar lang loopt ze in de richting van de zon, van kelder naar kelder. Uiteindelijk worden de rivieren wat dieper en de bossen wat dichter, met hier en daar lange stroken die wegen moeten zijn. Dan stuit ze op een autobus, gevuld met gemummificeerde lijken in uniform, gewapend en met gasmaskers om hun schedels: “… Ze zaten er heel gewoon bij, alsof de dood in een flits gekomen was en ze, zonder te beseffen dat hun hart voor het laatst sloeg, voorgoed waren versteend, een roerloosheid die jaren achtereen nergens door was gestoord…”. In hun bagage vindt ze, gek genoeg, een boek over tuinieren. Nadat ze de bewakers heeft begraven, trekt ze weer verder. Op een dag komt ze een stapel stenen tegen waarvan ze het gevoel heeft dat ze er niet op natuurlijke wijze terecht zijn gekomen. Ze haalt de stenen weg en stuit op een metalen luik. Als ze het open wrikt, ziet ze een smalle wenteltrap naar beneden. Via een opslagplaats komt ze bij een deur die toegang geeft tot een sjiek kantoor, met verend tapijt en prachtige fauteuils, een groot bed en een keuken. Aan de muur hangen een plank met boeken en er prachtige schilderijen. Het doet een beetje denken aan de luxe ondergrondse bunkers die de ultrarijken en techmiljardairs heden ten dage laten bouwen om zichzelf te beschermen tegen een mogelijke klimaatramp, WO III en de risico’s van AI. Ze vertelt over boeken van astronauten en apparaten waarvan ze de functie niet kent. Het waardevolst zijn voor haar de potloden en het papier die ze vindt. De kelder wordt haar thuishaven. “… Ik heb van de wereld waarin ik leef niets begrepen…”, schrijft ze. “… Ik heb haar in alle richtingen doorkruist, maar haar grenzen nooit gevonden…”. Toch neemt ze het op zich om haar ervaringen op papier te zetten, in de hoop dat ooit iemand ze zal vinden. Het is een verhaal geworden dat nazindert.

 

Uitgave: Orlando – 2024, vertaling Peggy van der Leeuw, 190 blz., ISBN 978 908 337 700 1, € 23,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

woensdag 7 oktober 2026

Moedermelk – Nora Ikstena

 

 

Binnenkort gaan wij met onze leeskring “Moedermelk”, de (in mijn ogen) onwaarschijnlijk mooie roman waarmee de Letse schrijfster Nora Ikstena (1969–2026) internationaal doorbrak, bespreken. Het boek gaat over een vrouw die, ondanks de voortdurende dreiging van arrestatie en vervolging, probeert haar roeping als arts te vervullen in het door de Sovjet-Unie bezette Letland. En over haar dochter, voor wie ze geen moedergevoelens koestert, maar die onvoorwaardelijk van haar houdt, zoals kinderen plegen te doen. Het is oma die de scherven zo veel mogelijk probeert te lijmen. Een portret van drie generaties vrouwen onder de Russische laars.

 

Erwtje

Evenals in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) worden de korte, slechts met een * aangeduide hoofdstukken afwisselend verteld vanuit een verschillend perspectief, dit keer van een moeder en een dochter. Ze hebben in het verhaal geen naam: omdat het individu er onder de communistische knoet niet toe doet? Wel noemen oma en stiefvader – oma is voor de tweede keer getrouwd, nadat haar eerste man is opgepakt door de Sovjets, maar dat is een verhaal apart – hun kleindochter oneindig liefdevol ‘erwtje’. Een tweede overeenkomst met “Kafka op het strand” is dat ook in dit verhaal een personage voorkomt dat niet weet of zij een man of een vrouw is (ook dat is een verhaal apart).

 

Geboorteomstandigheden

Als Erwtje wordt geboren (oktober 1969), verdwijnt haar moeder vijf dagen lang, omdat ze haar kind geen moedermelk wil geven. Haar wanhopige oma voedt haar twee dagen met kamillethee, waarna ze aan poedermelk weet te komen. Toen haar moeder werd geboren (oktober 1944) knikkerde het RodeLeger de nazi’s uit Letland en nam hun plaats in. Opa probeerde zijn sparren te redden die Russische soldaten kwamen omzagen, waarbij hij bloedend in een vrachtwagen werd afgevoerd en oma met haar baby in een koffer met gaatjes, trillend in een kast de toestand wist te overleven. Hun huis op het platteland werd totaal verwoest, waarna er voor oma niets anders overbleef dan terug te keren naar hun door bommen gehavende appartement in Riga.

 

Eigen wereld

Erwtje en haar moeder wonen bij oma en stiefvader. “… De geur van moedermelk moest in mijn kindertijd wijken voor de geur van medicijnen en ontsmettingsmiddelen, die altijd als een wolk om mijn moeder heen hing…”, vertelt Erwtje. Mama’s handtas zit vol pillen, ampullen en enge metalen instrumenten, want ze is gynaecoloog. Haar moeder sluit zich volkomen af voor de buitenwereld. ’s Avonds zit ze rokend en koffiedrinkend aan haar bureau, omgeven door een berg medische papieren, boeken en encyclopedieën. Erwtje herinnert zich mama’s bovenbeen, vol rode plekken door het oefenen met injectiespuiten. Haar blauwe lippen na een overdosis experimentele medicijnen. De kraamkliniek waar ze eindeloos wacht tot de dienst van haar moeder erop zit. Erwtje is bang voor haar moeder (gesymboliseerd door haar melkallergie): “… Soms leek er een bijna satanische kracht in haar te huizen die gericht was tegen alles en iedereen, vooral tegen degenen die haar het naast stonden. Dan haatte ze haar moeder, en nog meer haatte ze haar vader en het simpele feit dat ze geboren was. Ze sloot zich dan huilend op in de wc, en haar gehuil galmde door de lange gang…”. Tot de buren op de muur kloppen. Gespannen wachten oma, stiefvader en Erwtje af hoe haar moeder eraan toe zal zijn als ze ’s avonds thuiskomt. De gevechten met haar engelen en demonen verwikkelen hen in een haast mythische strijd. Ze zijn van haar afhankelijk: zij brengt het geld binnen. Heel af en toe is er een lichtpuntje. Dan trekt haar moeder Erwtje op schoot en tekent voor haar baby’s in de buik van hun mama’s en hoe ze geboren worden. Niemand kan Erwtje iets over haar vader vertellen. Volgens oma moet haar moeder hem op een dorpsfeest hebben ontmoet, waar ze haar heen stuurden omdat ze altijd maar thuis zat om op haar kamer verboden boeken te lezen: Boris Pasternak, Jean-Paul Sartre. Kort daarna was ze zwanger.

 

Zelfdestructie

Oma trouwt met stiefvader wanneer ze hoort dat opa in Siberië aan zijn einde is gekomen. Maar opa komt terug en staat op een gegeven moment voor de neus van zijn dochter. Een dronkaard die onder onmenselijke omstandigheden in een vochtige, met kranten bezaaide kamer leeft. Oma neemt hem niet terug. Ze beschermt haar nieuwe leven, waarin ze ook haar dochter probeert veilig te houden. Dochterlief bezoekt haar vader daarom stiekem. Door zijn fysieke lijden besluit ze dokter te worden. Zijn genetische aanleg voor zelfdestructie zit ook in haar, weet ze. Hij sterft omdat hij zich niet weet aan te passen aan het totalitaire regime: “… Weggegooid op de vuilnisbelt van dit tijdperk…”. Dochterlief haat haar moeder en stiefvader, die een dubbelrol spelen: thuis hebben ze het over de ‘Russische honden’, maar in de maatschappij doen ze gehoorzaam mee met alle communistische onzin. Toch is ze genoodzaakt op school ook braaf haar hypocriete rol te spelen om te overleven. Ze krijgt de mogelijkheid om zich in Leningrad te specialiseren en liegt net zo goed alles aan elkaar wanneer ze daarvoor een korte politieke ondervraging moet ondergaan. Misschien zou je kunnen zeggen dat de materialistische linkse staat een ‘linkerhersenhelft-maatschappij’ is (zie McGilchrist), vol eenzijdige ‘linkerhersenhelft-mensen’: “… We vormden een bijzonder gezelschap – deze arts-onderzoeksters, een stelletje slonzige blauwkousen die alleen geïnteresseerd waren in glaasjes met preparaten, het mysterie van de cellen onder de microscoop, ingewikkelde theorieën, koffie, sigaretten, cafeïne-injecties en drank, die het huwelijk en de opvoeding de rug toekeerden en zich aan de wetenschap gaven…”. Toch drinken de uitgeputte aankomende artsen na het werk met kweekmonsters verdunde ethanol terwijl ze over de poëzie van de kritische dichter Brodsky praten.

 

Opium voor het volk

Hoewel religie volgens Karl Marx ‘opium van het volk’ is, komt God overal om de hoek kijken. Meermalen willen mensen weten of de dokter in God gelooft. ‘Ik ben Hem nog niet tegengekomen’, antwoordt ze steevast. Naar aanleiding van het mysterie van de bevruchting: “…is de wetenschap niet gewoon het zielige najagen van Gods wil?...”. Ze geeft, voor haar gevoel, God het nakijken als ze samen met haar collega’s een vriendin van haar hospita, Serafima, via kunstmatige inseminatie zwanger weet te maken. Manlief slaat haar als hij dronken is. Zijn sperma is niets waard, maar opgevangen in een condoom weten de artsen er een wonder mee te verrichten.

 

Lietuvēns

Zoals de maatschappij uit balans is, zo is Erwtjes moeder uit balans. Ze schminkt haar dochter voor een schoolbal niet voor niets als ‘tweestrijder’: “… Toen ze me de spiegel gaf, keek een kindergezicht, verdeeld in goed en kwaad, me aan. De ene kant was angstaanjagend, met een zwarte streep van neus tot kin en een nog zwartere, dikke wenkbrauw; de andere kant was licht, alsof er een laagje goudpoeder op lag, helder, met de mondhoek vrolijk omhoog…”. Serafima adoreert de moeder van Erwtje: “… Vaak, als niemand keek, probeerde ze me stiekem te strelen of sloeg ze een kruis over me…”. Het benauwt de arts zo dat ze vertelt wat voor slechte moeder ze zélf is. Dat ze haar dochter geen melk wilde geven omdat ze haar niet ook met haar ‘lietuvēns’, demonen, wilde voeden (waarin ze, ondanks haar rationele inslag, toch gelooft). Serafima bezweert haar dat alleen een heilige haar zwanger kan maken, en even raakt het ‘zachte licht’ van een gelukkige moeder, dat ‘zin geeft aan het zinloze bestaan’, haar aan en ‘veranderen de lietuvēns in een rozenstruik’. Als ze die late avond uit het instituut komt, blijkt Serafima door haar man in elkaar te zijn geslagen. Ze pakt een vleeshamer, drinkt een wodka met hem in zijn appartement, stelt voor buiten een sigaretje te roken en slaat hem voor zijn harses.

 

Luilekkerland

Kerst vieren is verboden. Erwtjes moeder herinnert zich evenwel een oud kerstlied dat haar ouders met fluisterende stemmen zongen, bij een in een dennentak brandende kaars, achter met dikke dekens afgeschermde ramen. “… Er is een roos ontsprongen, // Uit ene wortelstam; // Die, lijk ons d’ouden zongen, // Uit Jesse ’t leven nam…” (Jesse is de vader van koning David, de stamvader van Jezus’ familie). Voor haar is Jesse Jezus zelf: “… Geboren in een kribbe, gekruisigd, gestorven en verrezen op de derde dag. Het was een wonderbaarlijk verhaal…”. Ze heeft het allemaal uit een oud boek dat ze ooit van een vuilnisbelt pikte. “… Maar de geneeskunde overschaduwde Jesse. Alles leek verklaard en begrepen te kunnen worden, er was geen geloof en er waren geen wonderen. En Jesse was überhaupt verboden, in plaats daarvan moesten de mensen geloven in een echt luilekkerland – dat van het communisme, waar alles van iedereen zou zijn, waar euforisch geluk en vreugde zouden heersen…”.

 

Wat is nou die vrijheid…

Met haar geweldsdaad verwoest de moeder van Erwtje haar carrière. Ze wordt uit haar paradijs verdreven, dat wil zeggen: verbannen. In een café met would-be-dissidenten praat ze met een jongen die ze in gedachten Jesse noemt over ‘vrijheid’, waarvoor mensen in het Westen zijn gestorven: Jan Palach, Janis Joplin, Jimi Hendrix, Jim Morrison. “… Jesse was aangeschoten en bleef maar fluisteren over een abstracte vrijheid waarnaar we zouden moeten streven, die ons was ontnomen en die ergens daarbuiten was, waar iemand voor ons stierf en leefde…”. Jezus-figuren.

 

Muizige, afgestompte vrouwen

Uiteindelijk gaat ze in ballingschap, ergens in de rimboe, en neemt ze Erwtje mee, die maar moet zien hoe ze het redt. Haar moeder is lange dagen weg, dus leert ze zichzelf de kachel aan te steken, eten te koken en de was te doen. De plattelandskliniek is een hel. Aan de ene kant van de gang zitten de vrouwen die een kind willen, aan de andere kant de vrouwen die van een kind áf willen. “… Het was vaak niet de keuze van mijn patiënten om al dan niet een baby op de wereld te zetten. Minnaars die weigerden het kind te erkennen, echtgenoten die niet nog meer zorgen wilden. De muizige, door het leven afgestompte vrouwen legden zich er schouderophalend bij neer en waren bereid de onmenselijke pijn van een abortus zonder verdoving te doorstaan …”. Even verder: “… ik probeerde hun niet te vertellen wat ik met mijn eigen ogen had gezien: hoe de kleine foetus terugdeinst voor het instrument dat hem uit de baarmoeder van zijn moeder schraapt. En dat het twee vrouwen zijn die dat doen – allebei heel bewust van wat ze deden. En dat de man het vaak niet eens weet of wil weten, omdat het een vrouwending en een vrouwenwereld is …”. Vrouwen die volgens de moeder van Erwtje gevangen zitten in het ‘hamsterrad’ van hun miserabele levens.

 

Noem me Ismaël

Erwtje probeert haar alcoholische moeder tussen haar zelfmoordpogingen door — ze kan moeiteloos aan verdovende middelen komen — op de been te houden met sterke koffie, sigaretten en warme soep. Op de dagen dat mama tot leven komt, leest ze Erwtje voor uit “Moby Dick”, waar ze aan verslaafd is. ‘Noem me Ismaël’ (de beginzin van “Moby Dick”) wordt een soort lijfspreuk. Erwtje vindt een notitieblaadje in het opengeslagen boek waarop een Bijbeltekst is geschreven waarin de naam Ismaël voorkomt: “… En de engel van de Heer zei tegen haar: Je bent zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven…”. Vereenzelvigt haar moeder zich met Ismaël? Erwtje heeft gehoord dat haar moeder oma ooit heeft bekogeld met het zilveren bestek uit een la. Mama geeft oma de schuld van haar rotleven, omdat ze weigerde te vluchten voor het Rode Leger toen dat nog kon. In het weekend reist Erwtje met de trein naar oma en stiefvader in Riga. Haar moeder gaat nooit mee, omdat ze ‘hun toch al spaarzame momenten samen niet wil verpesten’. Ze beseft dus heel goed hoe onmogelijk ze is. Ze laat haar dochter ook met oma en stiefvader op vakantie gaan naar de Zwarte Zee. “… We stonden als betoverd op het strand. Laten we rennen, erwtje, kom, rennen, riep grootmoeder plotseling, terwijl ze haar jurk en sandalen liet vallen. Ik deed snel mijn jurk uit en we renden. Het zoute, schuimende water spoelde zacht om ons heen. Zo warm als melk, zei grootmoeder. Ik zwom naar haar toe en omhelsde haar stevig…”. Je zal maar zo’n oma hebben. “… Op het strand stond stiefvader vrolijk te zwaaien…”.

 

De kooi

Ikstena gebruikt de prachtige metafoor van een hamster die in een kooi op de kamer van Erwtje bij oma en stiefvader verschijnt. Stiefvader: “… we leven allemaal in een kooi…”. Zo voelt het voor de Letten. Erwtje noemt hem Bambi. Hij haat het om opgesloten te zitten en loopt rondjes alsof hij door de duivel bezeten is. Erwtje laat hem buiten zijn kooi rondlopen – iets wat het beestje op den duur precies weet. Bambi krijgt al gauw gezelschap van een vriendinnetje, met wie hij een gezinnetje sticht. Echter, als hij zijn nakomelingen ziet, grijpt hij het eerste het beste jong bij de kladden en begint het op te vreten. Alle kleintjes gaan eraan, inclusief het vriendinnetje, waarna Bambi weer net zo hard door zijn kooi racet als daarvoor. “… Ik haatte Bambi. Ik wilde dat hij dood was. Wat kwam hij tekort in de kooi? Eten, een warm nest, een vrouw en kinderen. Had hij dat allemaal kapotgemaakt om een rondje door de kamer te kunnen rennen?...”. Uiteindelijk gaat Bambi zelf ook dood. “… Een dappere hamster, zei mijn moeder…”. Even verder: “… Maar waarom heeft hij zijn kind opgegeten, vroeg ik mijn moeder. Waarschijnlijk om hem van de kooi te redden, zei ze en omhelsde me stevig…”. Ongevoelig voor de angst van haar dochter speelt haar moeder een spelletje op leven en dood door paddenstoelen te eten waarvan ze niet weet of ze giftig zijn. De volgende ochtend leeft ze nog.

 

De levenschenkende Moeder Gods

Erwtjes moeder denkt veel na over een vrouw met kanker die bij een Maria-icoon in een verlaten kerkje een traditioneel gebed voor haar uitspreekt. De woorden ‘levenschenkende Moeder Gods’, die verlost van ‘de knagende worm in de onderwereld’, blijven bij haar hangen. Na een hete dag is er de ‘verlossende nacht’: “… Uit de weilanden aan de oever kwam de geur van de levenschenkende Moeder Gods. Watermunt vermengd met spirea en kalmoes. Ik ging zitten op een grote steen die de warmte van de dag nog vasthield. Stak een sigaret op. De rivier was vredig en stil en verborg zijn turbulente stromingen diep onder het wateroppervlak. Er trok een mist op in het bleke schijnsel van de ondergaande zon…”. Even verder: “… Ik kleedde me uit en ging de rivier in. Het water was zo warm als melk. De rivier des levens nam me mee in zijn weldadige wateren. Hij sprak me vrij van het vermoorden van foetussen en het niet-eren van mijn ouders…”. Het doet me denken aan Nietzsche, die de ‘dood van God’ een ‘wreedheid jegens onszelf’ noemde: “… Moest men uiteindelijk niet alles opofferen wat troostend, heilig en helend is, evenals alle hoop en elk geloof dat verscholen zit in harmonie, in toekomstige gelukzaligheid en in gerechtigheid? Moest men God zelve niet opofferen om daarna stenen, domheid, de zwaartekracht, het lot of niets-heid te aanbidden, uit wreedheid tegen zichzelf? God opofferen voor niets-heid – dit paradoxale mysterie van ultieme wreedheid was weggelegd voor de generatie die nu aantreedt. We weten er allemaal iets van…” (zie: McGilchrist in “De meester en zijn afgezant”).

 

Half man, half vrouw

Op een dag verschijnt er een patiënt in de wachtkamer naast wie niemand gaat zitten. Haar gezicht is noch dat van een vrouw, noch dat van een man. Ze is klein van stuk, maar heeft grote, sterke mannenhanden. Ze vertelt dat ze is opgevoed in een weeshuis, waar ze haar de naam Jesse gaven, wat ‘geschenk’ betekent. Evenals Ōshima in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) heeft Jesse vrouwelijke geslachtsorganen, maar geen borstontwikkeling. “… 'Aan de buitenkant bent u deels vrouw, maar aan de binnenkant bent u deels man,' zei ik toen ik moed had verzameld…”. Jesse krijgt een baantje als schoonmaakster in de kliniek, loopt steeds vaker na afloop van de werkdag met de moeder van Erwtje mee naar de rivier om samen een borrel te drinken en vervangt Erwtje zo’n beetje wanneer die naar Riga teruggaat voor haar vervolgopleiding. Jesse drukt ook half uit elkaar gerukte, verboden boeken uit een kerkdepot achterover. Ze duikelt een gedeelte van Orwells "1984" op, dat de moeder van Erwtje leest als een bezetene en waar ze totaal geobsedeerd door raakt. Orwell waarschuwt eveneens voor de ‘linkerhersenhelftwereld’, waarvan McGilchrist bang is dat het de overhand begint te krijgen: “… ‘Geloof je in God, Winston?’ ‘Nee.’ ‘Wat is het dan, dat beginsel dat ons zal verslaan?’ ‘Ik weet het niet. De geest van de mensheid.’ …”.

 

Verraad

Op de nieuwe middelbare school moet Erwtje ontzettend wennen aan het strenge politieke klimaat dat er heerst. Oma en stiefvader bezweren haar het leven te nemen zoals het komt. Ook Erwtje leert in twee parallelle werelden te leven. Tot er een leraar verschijnt die in zijn vrije tijd een ‘cultuurhistorische kring’ opricht. Hij laat de twaalf leden – zie de overeenkomst met de twaalf discipelen van Jezus – kennismaken met Letse dichters, schilderkunst en historische gebouwen. Hij neemt hen mee naar een oude kerk, laat hen de verstilde kerkklok zien waarvan de klepel is uitgerukt en vraagt naar hun gedachten. Erwtje zegt dat de klok op haar moeder lijkt. Iedereen valt stil. In de voorjaarsvakantie neemt de leraar de groep mee naar de Hermitage in Leningrad. Erwtje valt flauw bij een schilderij van Koeindzji: “… dat schilderij was zo ongelooflijk mooi, alleen de duisternis en de groene maan. Ik keek er lange tijd naar en plotseling leek het alsof de duisternis ons allemaal mee naar binnen trok…”. De directrice hoort ervan. De leraar wordt stante pede weggestuurd. De leerlingen moeten op het matje komen en verraden hem allemaal. Erwtje incluis (zie Judas): “… Het was gewoon een excuus, mama, gewoon een excuus. Het bleek dat ze hem al volgden sinds onze eerste bijeenkomst…”. De ‘geest van Winston’ daalt nu ook over haar dochter, concludeert de moeder van Erwtje. Terwijl haar dochter, op van de stress, in slaap valt, staart ze de hele nacht door het raam naar de Melkweg. Totdat de ochtend gloort en er een haan begint te kraaien (zie Petrus).

 

Glasnost

Erwtjes moeder zakt steeds dieper weg in haar depressies. Wanneer ze niet meer in staat is te functioneren, regelt Jesse thuiswerk: staalborstels knopen. Als de jonge dichter, van wie Erwtje tijdens de eerste les van de cultuurhistorische kring heeft gehoord, uit een raam wordt geduwd en sterft, neemt Erwtje de leiding van een groep opstandige leerlingen die, tegen het verbod van de schooldirectie in, naar zijn begrafenis gaat: “… Er was een zee aan mensen. We gingen erin op, om ons er nooit meer uit los te maken…”. Terwijl de Baltische wereld steeds vrijer wordt, raakt de moeder van Erwtje steeds verder los van de werkelijkheid. Uiteindelijk komt de vrijheid voor haar te laat. “… We stonden met z’n vieren bij het graf – ik, grootmoeder, stiefvader en Jesse. En een eindeloze stroom vrouwen die we niet kenden, trok aan ons voorbij…”. Een rivier van dankbare vrouwen. “… Jouw moeder was mijn vader, klonk het in mijn oren…”. Jesse blijft in het huis van Erwtjes moeder wonen. Een maand na de begrafenis zien ze op televisie hoe de Berlijnse Muur valt. “… Jesse greep naar haar hoofd en zei: ‘We zullen echt vrij zijn. Waarom kon ze niet naar me luisteren?’ …”.

 

Uitgave: Koppernik – 2023, vertaling Brenda Lelie, 200 blz., ISBN 978 908 332 390 9, € 23,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier