Menu

vrijdag 17 juli 2026

Danswoede – Vincent Merjenberg

 


De tweede roman van Vincent Merjenberg (1938) heb ik vooral gelezen vanwege een fascinerend thema: de Sint Vitusdans, een mysterieuze middeleeuwse dansziekte die mensen liet dansen tot ze erbij neervielen. Tot op heden heeft eigenlijk niemand een goede verklaring voor het ‘mirakel’. Het gegeven vormt in het boek de aanleiding voor een onderzoek naar wat je, denk ik, het beste kunt aanduiden met het woord ‘paradigmaverandering’.

 

Bezeten

Op 24 juni 1374 was er in het Duitse Aken een van de eerste grote, plotseling uitbraken van deze toxische dansplaag, lees ik in het Dansmagazine van 21.08.17. Merjenberg opent met een schitterende schets van de gebeurtenissen: “… Een vrouw begint te dansen, ze weet zelf niet waarom. Ze danst haar huis uit, de straten van de oude stad in, en kan niet stoppen. Door haar voeten te volgen verliest ze haar verstand niet. Algauw sluiten anderen zich bij haar aan. Mannen, vrouwen, kinderen. Ze bewegen ritmisch en sierlijk, maar doen dat huilend of schreeuwend van angst. Honderd, duizend radeloze dansers. De vrouw begon, maar ze is niet de eerste die instort. Een man breekt een been en valt op straat. Hij probeert nog even door te gaan, maar liggend in het zand vallen zijn bewegingen al snel stil. Anderen raken uitgeput en zijgen ineen, maar na een tijdje staan ze gewoon weer op en gaan door. Op de derde dag valt de eerste dode, een man wiens hart het begaf. Omstanders weten niet wat ze moeten doen. Als ze de slachtoffers bedwingen ontstaan er gevechten, zodra ze hen loslaten dansen ze gewoon weer verder. En wanneer ze treuren om hun bezeten geliefden worden die woedend. Sommige omstanders dansen met de slachtoffers. Ze doen dat uit eigen wil, zijn zelf niet gegrepen door wat duidelijk besmettelijk is. Een jongen probeert met de vrouw te dansen, hij wil haar helpen uitbannen wat haar voortdrijft. Hij doet alsof hij ook bezeten is, tot het moment dat hij dat ook daadwerkelijk is. De vrouw en de jongen hebben geen oog meer voor elkaar en dansen alleen verder, ieder voor zich. Ze raken elkaar kwijt in de groeiende mensenmassa…”. Het doet een beetje denken aan sprookjes als “De rode schoentjes” van Hans Christian Andersen en “De rattenvanger van Hamelen” van de gebroeders Grimm.

 

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Echt

De protagonist van het verhaal is de vereenzaamde auteur Elias, een man van rond de vijftig. Na het schrijven van de roman “Danswoede” en het overlijden van zijn moeder zwerft hij enkele jaren als dakloze rond. Uiteindelijk plukt zijn uitgever hem van straat en brengt hem onder in een rommelig appartement dat maar geen 'thuis' wil worden. Het verhaal gaat dus over een boek in een boek. Inmiddels schrijft Elias niet meer voor lezers, maar voor zichzelf. Hij laat zijn gekte 'dansen op papier', zodat hij kan lezen hoe hij 'écht' in elkaar steekt. Het valt mij trouwens op hoe massaal mensen tegenwoordig op zoek zijn naar zichzelf: naar een vorm van 'authenticiteit' die volgens de filosoof René Girard helemaal niet bestaat. Maar dit terzijde. Elias ontvangt een brief van Ea, de vrouw van zijn voormalige mentor, professor doctor Amon Encke, met de mededeling dat haar man op sterven ligt en hem graag nog één keer zou willen ontmoeten.

 

Dubbele persoonlijkheid

Elias moet destijds compleet zijn doorgedraaid. Hij vertelt dat hij het gevoel had uit twee personen te bestaan en niet meer kon stoppen met lopen. Hij liep als het ware achter zichzelf aan en praatte met duiven. Soms meende hij professor Encke aan de overkant van de straat te zien staan, met een opschrijfboekje in zijn hand. Feit is dat de prof hem heeft laten stikken en is verhuisd naar zijn geboorteplaats Lebensrode, in de bossen tussen Duitsland en Polen. Elias stapt in zijn auto en heeft een rit van achthonderd kilometer voor de boeg, waarin hij zijn verhaal doet.

 

We dansen ons nog steeds dood

Elias werd lang geleden betoverd door Enckes werk “De dansmanieën van de late Middeleeuwen in West-Europa”, dat hem heeft geholpen zijn roman te schrijven: “… zich dood dansende mensenmenigtes, ‘het ervaren’ als het enige betekenisvolle (zie Jung), geestverruimend ‘moederkoren’, pogroms, ziekte en bijgeloof, het Kwaad, massahysterie, de grenzeloze verbeeldingskracht – hoe had hij dit alles naast zich neer kunnen leggen nadat het eenmaal op zijn pad was gekomen? Het dwong hem, zo ervoer hij dat sterk, een poging te doen historische fictie te schrijven, die hem iets vertelde over zijn eigen tijd en vooral ook over hemzelf. Over dat wat zich in hem schuilhield…”. Hij vindt namelijk dat wij ons in zekere zin nog steeds massaal dood dansen, doordat we gewoon maar dóór leven zonder enig besef te hebben van de betekenis van het hele gebeuren. Wat bezielde de dansende menigtes? “… Niemand begreep de dansziekte, en niemand zou dat ooit doen…”. De dingen die verwarren, intrigeren. Zo gaat dat met geheimen. Mensen worden geraakt door zaken waar ze geen vat op krijgen: de drama’s, het geweld, het niets. Professor Encke schreef over het onbeschrijflijke. Het domste wat een schrijver kan doen, is volgens Encke het raadsel oplossen. Hij diende het juist te vergroten. ‘Waarom?’ was de onbelangrijkste vraag. En omdat mensen die vraag juist als de belangrijkste beschouwen, blijven ze blind, vond hij. “… Er zal altijd iets onverklaarbaars in de danswoede blijven schuilen…”. Iets wat kortsluiting veroorzaakt in bepaalde geesten. “… Het boek ging over dansen, ja, maar ook over bezetenheid, besmetting, over het lichaam als collectief geheugen…”. Elias denkt na over de macht van het lichaam over de geest, terwijl hij ritmisch met zijn wijsvinger op het stuur tikt (!) en denkt aan zijn moeder en grootvader, die beiden ten prooi waren gevallen aan wanen. Zijn vader heeft hij nooit gekend.

 

Verhalen die zich laten verdrijven door nieuwe verhalen

Enkele paragrafen uit het boek van professor Encke worden in hun geheel afgedrukt. Het meest opvallende is dat de dansziekte vaak begon met een soort epileptische aanval. Merkwaardig is ook dat de slachtoffers panisch waren voor de kleur rood en voor puntschoenen. Hun voeten sopten echter vaak in hun schoenen van het bloed (net als de voeten van Elias tijdens zijn omzwervingen). Bovendien werden ze woedend van huilende toeschouwers. Wanneer ze even uit hun trance ontwaakten, werden ze gegrepen door angst en smeekten ze hun omstanders om hulp. Veel dansers getuigden dat ze zich in straten vol kniehoog klotsend bloed waanden. De slachtoffers werden opgesloten als ‘gewone’ krankzinnigen, maar dat maakte hun gedrag alleen maar erger. Vervolgens werden ze naar afgesloten pleinen gedirigeerd, waar ze geacht werden hun danswoede uit te leven, alsof ze hun koorts konden uitzweten. Ze raakten de ziekte echter niet kwijt. De besmettelijke danswoede verspreidde zich van geest tot geest. Pas toen de dansers op karren werden afgevoerd naar een vochtige grot waarin een kapel was ingericht ter ere van de beschermheilige Sint-Vitus, een martelaar uit de derde eeuw, kwamen ze tot rust. De besprenkeling met wijwater en de geprevelde bezweringen en gebeden hadden een heilzaam effect: “Dat genezing plaatsvond via een ritueel en niet via een medische ingreep, is veelzeggend…”. Angst was de kern van de aandoening, aldus Encke: angst die stoelde op verbeeldingskracht. Een angst die bezworen werd door een sterker geloof in een andere waan. Verhalen laten zich alleen verdrijven door nieuwe verhalen: het leven als een gevecht met de eigen overtuigingen.

 

Moedereend

Onder het rijden mijmert Elias steeds verder weg. Hij herinnert zich hoe hij als kind met zijn moeder de eendjes voerde en ziet opnieuw hoe een eend voor haar leven vecht terwijl een stel woerden haar belaagt. Zonder te begrijpen dat hij getuige is van een verkrachtingsscène, vraagt hij zijn moeder waarom de andere eenden die ene pijn doen. Zijn moeder zegt alleen dat het een ‘moedereend’ is. Wanneer hij vraagt of zij óók een moedereend is, barst zijn moeder in lachen uit.

 

Angst en nieuwsgierigheid gaan samen

Steeds blikt Elias terug. Als reactie op een brief aan professor Encke, waarin Elias hem laat weten hoe gefascineerd hij is door diens filosofische werk, wordt hij uitgenodigd om bij de professor en diens vrouw langs te komen. Zij is een gerenommeerde psychiater. Elias herkent vooral de angst die met danswoede gepaard gaat. Hij vertelt de professor dat zijn moeder hem heeft opgezadeld met de angst dat hij net als zijn grootvader zal worden, al heeft hij nooit begrepen wat ze daarmee precies bedoelt. Volgens professor Encke is het tegenovergestelde van angst ‘nieuwsgierigheid’: nieuwe kennis houdt zich bij uitstek schuil in donkere spelonken. Je ontkomt er niet aan je handen vuil te maken en je moet weerstand overwinnen. Misschien kan Elias erachter komen welke rol zijn grootvader in het leven van zijn moeder heeft gespeeld? Angst en nieuwsgierigheid zijn volgens Elias helemaal niet tegengesteld, maar gaan juist altijd samen.

 

Vrije dans

Er bestaan twee vormen van dansen, aldus professor Encke: de bestaande dansen en de vrije dans, die draait om loslaten: “… Je verstand verliezen. De meesten van ons kunnen dit alleen onder invloed. Tegelijkertijd kan overgave aan deze manier van dansen juist geestverruimend zijn…”. Lieten de middeleeuwse dansers hun beknotte levens wat al te letterlijk los? De menselijke tragiek schuilt in zijn haast obsessieve hang naar schoonheid. Schoonheid is orde. Maar orde gaat niet samen met geluk: “… pas als de kaders wegvallen, is er ruimte voor euforie…”. De prof lijkt zijn fascinatie voor massahysterie als kind te hebben opgevat. Hij herinnert zich het gegil van een menigte mensen op het dorpsplein, die niet konden weten dat zijn vader — hun predikant — op dat moment dood op de voorste bank van de nog gesloten kerk zat. Hij haalt een collectieve zelfmoord aan van een groep Parijse studenten in 1983: zes jongens en vijf meisjes sprongen uit een raam. Het wordt nooit duidelijk wat deze groep heeft bezield. Zijn collega’s vinden dat professor Encke zich bezighoudt met pseudowetenschap. Toch wordt hij een graag geziene gast in praatprogramma’s op radio en televisie, waar hij spreekt over een waaier aan fenomenen: bijgeloof, samenzweringstheorieën, populisme, burn-out onder twintigers en sociale-mediaverslaving. Het aantal hedendaagse culturele verschijnselen met een soortgelijk patroon als de dansziekte blijkt enorm. Maar zijn populariteit bij het grote publiek loopt synchroon met zijn academische val. Zijn onderzoek naar massahysterie is niet meetbaar of verifieerbaar, en alles wat vreemd is, wordt door de moderne mens — bewust dan wel onbewust — vernietigd. Bestaat niet. Hij doet onderzoek naar het koro-syndroom onder cadetten van een militair opleidingscentrum in Singapore, die denken dat hun geslachtsdeel krimpt en zich terugtrekt in het lichaam, met de dood als gevolg. Ook houdt hij zich bezig met mythen en sprookjes in conservatieve gemeenschappen in Zuidoost-Azië, die lijken te fungeren als stichtelijke waarschuwingen tegen zondig gedrag. Iedereen zegt wel dat hij of zij niet onderhevig is aan bijgeloof, maar toch wordt ernaar geleefd. Ik moest denken aan Franca Treur, die op zondag droge boterhammen at omdat ‘iets’ haar ervan weerhield boodschappen te doen, ondanks het feit dat ze allang afscheid had genomen van de strenge kerk uit haar jeugd. Zie de quote: ‘Je kunt een kind wel uit de oorlog halen, maar hoe haal je de oorlog uit het kind?’

 

Familieanekdotes

Elias’ moeder doet nogal lacherig over haar vader: een angstaanjagende, onberekenbare, krankzinnige en soms ronduit kwaadaardige man. Volgens haar had hij een overgevoelige natuur en werd hij verkeerd begrepen door het bekrompen milieu waarin hij zich staande moest houden. Opa wordt met geweld uit huis gehaald en in een gesticht weggestopt, waar hij binnen een jaar overlijdt. Elias is ervan overtuigd dat zelfmoord de oorzaak is. Hij is doodsbang dat de familiegekte ook in zijn DNA zit. De moeder van zijn opa was namelijk al ‘vreemd’. Zij kon niet praten, omdat ze na haar geboorte werd opgevoed in een klooster waar de nonnen een zwijgbelofte hadden afgelegd. Misschien zijn professor Encke’s theorieën ook van toepassing op het geval van Elias. Hij gelooft in de angstaanjagende familieanekdotes die zijn moeder hem voorschotelt en probeert ze door het schrijven van een roman te bezweren. Zijn grootvader staat vooral voor ‘leegte’: “... Elias wist niet veel meer dan dat er tussen zijn moeder en hem iets was voorgevallen wat haar voorgoed had beschadigd ...”. Het is mensen eigen om die ‘leegtes’ in te vullen met eigen verzinsels. Dat geldt natuurlijk ook voor de lezer. Ik dacht vanaf het begin dat Elias het product van incest moest zijn, omdat zijn moeder hem voortdurend heeft ingepeperd dat hij op zijn opa lijkt. Bovendien laat Elias zijn opa in het ziekenhuisbed als laatste afscheidswoorden tegen zijn dochter fluisteren: “... Je mag nooit vertellen wat er is gebeurd ...”. Deze aanname wordt echter nergens in het boek bevestigd.

 

High

Flarden van herinneringen rijgen zich aaneen. Over onbekenden in huis die zijn moeder verdriet doen. Slaan. Gillen. Zijn slapende moeder die niet meer voor hem zorgt, in een knalrode, opengevallen ochtendjas op de bank. Hij slaapwandelt, heeft nachtmerries. Zijn moeder komt hem troosten, maar stinkt naar alcohol. Hij heeft haar nodig en tegelijk weet hij dat er iets heel erg mis is. Maar wat? Naarmate de roman vordert, worden de familieverhalen steeds heftiger. Elias vertelt dat hij af en toe als negenjarige al door zijn moeder een nacht alleen werd gelaten. Hij experimenteert met de slaappillen die zijn moeder voor haar rugpijn gebruikt. Ze heeft hem verteld dat ze, als je je tegen de slaap verzet, andersom gaan werken. Hij merkt dat hij er hartstikke high van wordt. Net zoals zijn opa, die in een batterijfabriek in Indonesië terechtkwam waar hij zwaar giftige oranje pulp in batterijen moest scheppen — troep waarvan hij in een roes raakte toen het via huidverwondingen in zijn lichaam terechtkwam. Door het batterijzuur op te likken werd de bedwelming nog sterker. Tegen de tijd dat hij het spul droogde om het vervolgens als korrels door zijn shag te rollen en op te roken, was hij compleet verslaafd. Toen iedereen bang werd voor de ontaarde junk met zijn lege ogen, werd hij met man en macht op straat gezet.

 

Verstikkende dans

De symbiotische relatie met zijn moeder gaat Elias in zijn puberteit steeds meer ervaren als ‘ingezwachtelde voeten’. Om zich aan haar houdgreep te ontworstelen, confronteert hij haar met de verschillen tussen hen. Hij ontloopt haar, sluit zich op in zijn kamer en uiteindelijk leven ze als vreemden naast elkaar in hetzelfde huis: “… steeds meer zag hij in dat ze hem al die tijd had gevoed met haar eigen dwanggedachten, de voorspellingen over zijn aanstaande waanzin…”. Wanneer hij gaat studeren, vertrekt hij voorgoed. Als zijn moeder ontdekt dat hij schrijft, stuurt ze hem brieven vol interpretaties. Volgens haar zijn de verhalen die uit zijn pen vloeien zijn manier om controle te krijgen over de storm in zijn hoofd. Met “Danswoede” schrijft Elias haar uit zijn leven. Nadat ze het manuscript heeft gelezen, nog voordat het boek in de winkel ligt, verbreekt ze het contact. Kort daarna overlijdt ze: ze wordt met kapotte polsen in de tuin gevonden. Nu zwiert ze als personage mee in een eindeloze dans in zijn hoofd. Meer dan ooit. Eigenlijk is ze er altijd. Elias is ervan overtuigd dat hij haar moordenaar is.

 

Proefdier

Elias lijkt zich tijdens de autorit steeds meer in zichzelf te verliezen. Tegen de tijd dat hij in Lebensrode aankomt, weet je als lezer niet meer wat werkelijkheid is en wat waan. Professor Encke ligt opgebaard in de koele kelder van zijn huis. Elias meent echter dat hij nog leeft. Hij mag van Ea blijven overnachten en beweert wekenlang in Lebensrode te verblijven, wat niet overeenkomt met het feit dat professor Encke al die tijd ook in de kelder ligt. Hij maakt wandelingen in het bos, waar hij paddenstoelen vindt die ondergronds met elkaar verbonden zijn als ‘periscopen op zee’: “… Wat vertelden de paddenstoelen het moederschip? Of waren zij juist boodschappers die de bovenwereld iets duidelijk wilden maken over het verborgene?...”. Zie Jung en zijn opvatting over het ondergrondse wortelstelsel als beeld voor ons onbewuste. Elias vereenzelvigt zich volledig met professor Encke en trekt zelfs diens kleren aan. Uiteindelijk speelt Ea open kaart door hem te vertellen dat haar man Elias als experiment heeft gebruikt om zijn theorieën over bijgeloof en massapsychologie te testen. De hulp bij het schrijven van zijn roman was vooral een therapeutisch middel, met als doel om door het herinterpreteren van het trauma van zijn moeder de cyclus van angst en waanzin te doorbreken: “… Maar de roman veroorzaakte niet de beoogde catharsis, hij verergerde het trauma…”. Dansen tegen je zin tot je eraan doodgaat verschilt niet veel van wat Elias allemaal heeft ondergaan. Ea: “… Als je leven een schilderij is, wie is dan de schilder?...”.

 

Vogelvrij bewustzijn

In de notities van professor Encke, die Elias mag lezen, schrijft deze dat hij heeft verzuimd Elias een vervangend narratief te bieden waaraan het bewustzijn zich kon vastklampen, waardoor het zich aan iedere willekeurige fabulatie kon hechten. Zie de gelijkenis van Jezus over de onreine geest die is uitgeworpen, maar die, wanneer hij zijn voormalige huis opgeruimd en schoongeveegd aantreft, zeven andere geesten meeneemt om er opnieuw zijn intrek te nemen (Mattheüs 12:43-45). “… Het bewustzijn van E. was vogelvrij en werd gegrepen door een zelfdestructieve overtuiging: dat hij verantwoordelijk was voor de dood van zijn moeder…”. Even verder: “… E.’s lot raakt aan een bredere culturele ontwikkeling. We leven in een tijd van epidemische verhalen: van identiteiten gebaseerd op trauma, van populisme dat mensen bevrijding belooft via simplistische mythes. Narratieven vervangen feiten, of vormen ze om. Zoals E. zijn erfelijke dreiging wilde herschrijven, herschrijven anderen hun sociale positie, hun lijden en hun woede via (online) mythes, complotten en heldenrollen. De waanzin is collectief geworden; de dans is opnieuw begonnen…”. Émile Cammaerts: “… The first effect of not believing in God is to believe in anything…”. Toch zit Elias’ verhaal nog veel complexer in elkaar dan de professor denkt. Maar dat moet je zelf maar lezen.

 

Kunnen verhalen genezen of maken ze ziek?

Merjenbergs raadselachtige en — vind ik zelf — nogal vergezochte roman roept allerlei vragen op. “… Kunnen verhalen genezen? Of maken ze ziek? En wanneer weet je nog het verschil?...”. Is er (g)een objectieve waarheid? Zijn wij werkelijk de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen? Hoe verhoudt zich dat bijvoorbeeld tot transgender-zijn? En vervolgens tot conversietherapie? Ik noem maar wat. Het is een feit dat sociale media ons leven kunnen verknallen. En dat meisjes door het eindeloos gezamenlijk herkauwen van hun problemen elkaar soms een depressie in praten. Misschien zijn de getrokken conclusies slechts ‘een beetje’ waar? Zie bijvoorbeeld Byung-Chul Han, die in “De crisis van het narratieve” betoogt dat wij een verhaal nodig hebben, en René Girard, die in “De zondebok” stelt dat mensen elkaar voortdurend napraten en navolgen. Zie ook Paulus, die in Galaten 5:1 spreekt over ‘de vrijheid in Christus’: het geloof in God maakt volgens hem dat de mens niet langer onderworpen is aan allerlei andere machten, dingen of mensen.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2026, 288 blz., ISBN 978 902 547 29 79, € 23,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 9 juli 2026

Malacandra – C.S. Lewis

 


Subtitel: Ver van de zwijgende planeet – C.S. Lewis

 

Toen ik een beetje op YouTube zat te scrollen, kwam ik tot mijn verrassing een boekbespreking tegen over “Out of the Silent Planet” (1938), het eerste deel van de vrij onbekende Ruimte-trilogie van C.S. Lewis. Zie hier. In de Verenigde Staten werd sciencefiction tegen het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw een begrip. Lewis behoort tot de auteurs die deze nieuwe stroming mede richting gaven. ‘God is de Persoon en het Ik van het heelal’, schrijft C.G. Jung in “Herinneringen Dromen Gedachten” (zie mijn vorige blog). Daaraan moest ik denken bij het lezen van “Malacandra”. Achter de spannende fictie gaan diepe filosofisch-theologische gedachten schuil, zoals altijd bij Lewis. Je zou het verhaal daarom ook als een christelijke mythe kunnen lezen, hoewel dat de recensenten van destijds totaal ontging. Eerder besprak ik van C.S. Lewis “De afschaffing van de mens”, “De vier liefdes”, “Verrast door vreugde” en “Brieven uit de hel”.

 

Een geheimzinnig pand

Lewis weet je op een weergaloze manier direct het jongensboekachtige verhaal in te trekken. Een jonge kerel komt, in het uur tussen hond en wolf en na een fikse onweersbui, onder een druipende kastanjeboom vandaan in een verlaten landschap. Het gaat om Ransom, een taalkundige, verbonden aan een college in Cambridge, die op wandelvakantie is. Hij moet een onderkomen voor de nacht zien te vinden in een plaatsje, tien kilometer verderop, nadat hij bij een hotelletje in een gepasseerd dorpje is afgepoeierd. Hij gaat af op een lichtje in de verte, dat een nederig stulpje blijkt te zijn. Daaruit stuift een verontruste moeder naar buiten, die hem voor haar zoon Harry aanziet. Harry is een beetje ‘anders’, vertelt ze. Hij had allang thuis moeten zijn. Hij werkt voor twee heren in “The Rise”, een geheimzinnig pand waarvan de vrouw ook niet precies weet wat er gebeurt. In ieder geval wordt het bewoond door een professor en diens assistent Devine. Ransom belooft bij “The Rise” te gaan kijken en Harry naar huis te sturen als hij hem aantreft.

 

Ontvoerd                                                                                   

Het donkere landhuis ligt achter een poort die op slot zit. Ransom gooit zijn rugzak over het hek en wurmt zich door de stekelige haag. Hij loopt de oprijlaan op naar de voordeur, belt aan, maar er wordt niet opengedaan. Hij gaat op een tuinbankje naast het portaal zitten om bij te komen. Hij valt bijna in slaap, maar schrikt op door ruziënde stemmen. Op het erf achter het pand stuit hij op drie mannen van wie één hem verbaasd herkent als oud-klasgenoot: Devine. De onenigheid wordt snel toegeschreven aan het dwarse gedrag van Harry. Devine laat Ransom kennis maken met de norse natuurkundige Weston en nodigt hem uit voor een drankje. Binnen de kortste keren wordt Ransom gedrogeerd en bevindt hij zich in een ruimtevaartuig naar Malacandra, oftewel Mars. Zijn kidnappers weigeren stug het doel van de ruimtereis uit de doeken te doen. Wel wordt hem geadviseerd zo min mogelijk te bewegen en te praten om zuurstofgebrek te voorkomen.

 

De hemelen vertellen Gods eer   

Ransom zou zich rot moeten voelen. In plaats daarvan doorstroomt hem een nieuwe, frisse, levendige energie. Weston verklaart dat ze worden blootgesteld aan veel straling die nooit de atmosfeer van de aarde bereikt. De mythen over de zwarte, koude, lege ruimte blijken een gotspe. Ransom heeft eerder het gevoel in een hemelse, kleurrijk verlichte ‘moederschoot’ te zwemmen: “… Hoe kon het ook anders zijn, als de werelden en al het leven daarop immers uit deze oceaan waren voortgekomen?...”. Ransom vraagt zich af “… hoe hij een planeet, zelfs de aarde, ooit had kunnen zien als een eiland van leven en werkelijkheid in een dode leegte. Met een zekerheid die nadien nooit meer verdween zag hij nu de planeten – de ‘aardkloten’ noemde hij ze in gedachten – als gaten of holtes in de levende hemel – afgestoten en uitgestoten woestenijen van zwarte materie en dikke lucht, ontstaan niet als verrijking van het omringende licht, maar daarop in mindering komend…”. Komt dat licht buiten het zonnestelsel ergens ten einde? Is daar de echte leegte, de echte dood? Of is het zichtbare licht ook weer een onderdeel van iets onvoorstelbaar veel groters?

 

Zwei Seelen wohnen, ach!, in meiner Brust

Stiekem luistert Ransom een gesprek tussen zijn kidnappers af, waaruit hij opmaakt dat hij als mensenoffer zal dienen voor de ‘soronen’. Hij denkt aan afschuwelijke monsters en besluit ter plekke om, zodra ze zijn geland, iedere mogelijkheid aan te grijpen om te ontsnappen of anders zelfmoord te plegen. Als ze na een maand de steenkoude dampkring van Malacandra binnendringen, worden ze alle drie zo beroerd als een hond. Het waterverfachtige landschap waar ze landen is adembenemend. De vegetatie is roze, de metershoge bomen hebben paarse kruinen en het warme water is helblauw. Alles doet een beetje rubberachtig aan. Wanneer er bij de bosrand lange, dunne, spookachtige wezens opdoemen met een stemgeluid dat aan een hoorn doet denken, probeert Ransom ervandoor te gaan. Dat lukt omdat Weston zijn pistool moet gebruiken tegen een groot, glimmend beest met happende kaken dat als een torpedo door het water op hen afschiet. Ransom rent het bos in en loopt net zolang door tot het donker wordt. Dorstig valt hij langs de oever van een beek in slaap, omdat hij niet van het giftig aandoende water, dat hem weliswaar warm houdt, durft te drinken. Hij heeft een onweerstaanbare neiging tegen zichzelf te praten, alsof hij, net als Jung (zie mijn vorige blog), ook uit een Nr. 1 en Nr. 2 bestaat: “… Ransom, we houden je in het oog… We laten elkaar niet in de steek, ouwe jongen…”. En even verder: “… Helemaal niet pluis hier als slaapplaats. We laten je even uitrusten tot je je beter voelt, dan gaan we weer door…”. Heeft hij het tegen zijn ‘ziel’?  Is hij bezig gek te worden?

 

Warm welkom

Als Ransom wakker wordt, besluit hij toch maar wat water te drinken. Op het moment dat hij dat doet, suist er weer iets zwarts als een kogel door het water. Nog voordat hij zich kan verbergen, klimt het wezen de kant op en bekijkt hem nieuwsgierig. Het creatuur houdt het midden tussen een twee meter zwarte otter en een zeehond. Het blijkt te kunnen praten en stelt zichzelf voor als een ‘hross’. Ransom raakt direct gefascineerd door zijn vreemde taal. Voor elke naam lijkt het wezen een h te zetten. Ze maken elkaar het hof als de eerste man en vrouw in het paradijs, schrijft Lewis. De hross schept met een schelp wat water op, voegt er een paar druppels alcoholische vloeistof uit een flesje aan toe dat hij aan een gordel draagt, en biedt het Ransom aan als welkomstborrel. Daarna gebaart hij hem mee naar een boot, waar hij een soort boterham krijgt. Als je het wezen met een mens vergelijkt, krijgt het iets onheilspellends en onverdraaglijks, aldus Ransom. Vergelijk je het met een dier, dan krijgt het juist iets paradijselijks, omdat taal en rede nooit verloren zijn gegaan. “… Niets was afstotender dan het ene beeld, niets verrukkelijker dan het andere. Het hing ervan af hoe je het bekeek…”.

 

Bij de hrossa

De hross neemt Ransom mee op een wilde, duizelingwekkende boottocht naar zijn clan, waar hij gastvrij wordt opgenomen en taalles krijgt. De hrossa-welpen zien hem als een mysterieuze onbehaarde kobold. De hrossa blijken zich naast landbouw en visserij ook bezig te houden met poëzie en geweldig te kunnen zingen. Ze zijn astronomisch veel meer onderlegd dan Ransom had vermoed: ze blijken de aarde, oftewel Thulcandra, aan te duiden als ‘de zwijgende planeet’. Wanneer ze horen dat hij met twee slechte mensen is meegekomen die hem willen doden, vinden ze dat hij naar Oyarsa moet gaan, die over Malacranda regeert. Oyarsa lijkt een soort engelvorst te zijn. Volgens de hrossa heeft Maleldil de Jonge, die bij de Oude woont, de wereld gemaakt. Waar of de Oude woont? “… Zo een is hij er niet…”, zeggen ze, “… dat hij ergens moet wonen…”. Ze hebben het niet alleen over de ‘séroni’, die hetzelfde zijn als de soronen en duidelijk tot de intelligentsia behoren, maar ook nog over de ‘pfiltriggi’, een klein en uiterst creatief volkje van mijnwerkers. Een hross laat Ransom een door hen gemaakt schaaltje van goud zien: ‘zonnebloed’ dat door de rivieren spoelt. Plotseling begrijpt Ransom de belangstelling van zijn ontvoerders voor Malecandra. De hrossa blijken van nature ingetogen, monogame wezens te zijn, met maar één broedseizoen, wat tot een wonderlijk stabiele samenleving leidt. Ze begrijpen niet waarom je meer jongen op de wereld zou zetten dan je kunt onderhouden. Voor de seks? Maar je weet pas dat je gelukkig bent geweest wanneer je je een gebeurtenis herinnert. Een gebeurtenis blijft altijd in je geest aanwezig. De werkelijke gebeurtenis is slechts het begin van het geluk. Wanneer Ransom merkt dat een vrouwtjeshross praat tegen iets wat hij niet ziet, blijkt er ook nog een onzichtbaar soort rond te waren: de ‘eldila’ of ‘hemelingen’. Je kunt hen alleen zien als je in de juiste richting kijkt, en dat gebeurt niet vaak, tenzij een eldil gezien wil worden. Licht gaat door hen heen. “… Je kunt ze wel eens aanzien voor een zonnestraal of zelfs voor een beweging van bladeren…”.

 

Geliefde vijand

Wanneer Ransom vertelt over het waterdier met de happende kaken waarvoor hij is gevlucht, raakt iedereen opgewonden en in oorlogsstemming. De griezel wordt een ‘hnakra’ genoemd en blijkt al jaren niet meer te zijn waargenomen. Er is dus een ‘duivel’ in het paradijs (zie Arnon Grunberg in “Mogen we nog een beetje leven?” en Tjeu van den Berk in “Ontmoetingen met Jung” over het fenomeen dat er enkel leven is bij de gratie van onbalans). De hnakra is hun ‘geliefde vijand’: ‘hier en daar de dood zien rondgaan maakt niemand ongelukkig’. Integendeel, het maakt van het leven een avontuur: “… Ik denk dat het bos niet zo kleurig, het water niet zo warm en de liefde niet zo zoet zou zijn als er in de meren geen gevaar was…”. Ransom gaat mee op jacht en weet met twee hrossa het monster te doden, wat hij opvat als een soort ‘inwijding’. Nu hoort hij er voorgoed bij. Vervolgens krijgt hij via een eldil de opdracht zich bij Oyarsa te melden. Kort daarna wordt één van de hrossa neergeschoten door de twee kidnappers die achter Ransom aanzitten. Overstuur vertelt Ransom dat mensen allemaal ‘scheef’ zijn en dat zij het kwaad naar Malacandra brengen. Heeft hij te lang gewacht met gehoor geven aan de oproep van Oyarsa?

 

Wat geen oog heeft gezien

De tocht naar Oyarsa, diep het gebergte in, is loodzwaar voor Ransom: “… Zijn voortgang werd een mechanisch patroon – van vermoeidheid naar stilstand, van stilstand naar ondraaglijke kou, en van kou weer naar beweging…”. De lucht wordt zo ijl dat hij amper kan ademen; het licht is zo fel dat het pijn doet aan zijn ogen. In een door een vuurtje verlichte grot vindt hij een soroon die hem een zuurstofapparaat aanbiedt. Ze praten over de eldila, die Ransom niet kan zien. Hebben ze dan geen lichaam? “… Natuurlijk hebben zij een lichaam. Er zijn veel lichamen die je niet kunt zien. Ieder soort ogen ziet sommige dingen wel en andere niet. Weten jullie in Thulcandra niet van vele soorten lichaam?...”. De soroon legt uit dat de snelheid waarmee iets beweegt bepaalt of het zichtbaar is: iets of iemand kan daardoor op twee plaatsen tegelijk zijn, of zelfs overal tegelijk. Het snelste wat wij kunnen waarnemen is licht. We zien alleen de dingen die langzamer bewegen dan het licht. Het lichaam van de eldil beweegt met de snelheid van het licht. Voor hen zijn vaste dingen juist weer ijler en moeilijker zichtbaar: als wolken. Misschien is de verklaring die antropologen geven voor de lichtende, ongrijpbare figuren die in allerlei menselijke tradities opduiken, toch een tikkeltje bezijden de waarheid?

 

De wereld is vergankelijk

De volgende dag tilt de soroon Ransom op zijn schouder om hem weg te brengen. Ze komen langs versteende landschappen. De soroon vertelt over de uitgestorven wezens die ooit op Malacandra hebben geleefd. De wereld is niet gemaakt om altijd te blijven bestaan, zegt de soroon: “… Zo gaat Maleldril niet te werk…”. De volgende nacht brengen ze door met andere soronen, die alles over de aarde willen weten. Verbaasd luisteren ze naar wat Ransom vertelt over oorlog, slavernij en prostitutie. Dat komt doordat er geen Oyarsa is, concluderen de soronen.  “… Het komt doordat ieder daar zelf een kleine Oyarsa wil zijn…”. Even verder: “… ‘Zij kunnen het niet helpen,’ zei de oude soroon. ‘Iemand moet de baas zijn, maar hoe kunnen schepselen hun eigen baas zijn?...”. Dat is alsof je jezelf aan je haren omhoog probeert te trekken, alsof een wijfje haar eigen jongen wil verwekken, of alsof iemand een land wil overzien terwijl hij niet hoger staat.

 

Zondeval

Oyarsa blijkt op een eiland  - Meldilorn -  te wonen. Ransom mag in een gastenverblijf overnachten. Vroeg in de morgen wordt hij, net als Samuël, tot drie keer toe gewekt door een stem die zegt dat Oyarsa wil dat hij komt. Ransom begrijpt dat hij met een eldil van doen heeft. Hij moet spitsroeden lopen door rijen Malacandriërs, die hem met glinsterende ogen zwijgend aankijken, tot hij op het hoogste punt van een laan komt. Hij voelt hoe geladen zijn omgeving is. Dan gaan alle Malecandriërs in de houding staan en strijkt er ‘een fluistering van licht’, ‘een verzwakking van schaduw’, zijn kant op. Hij weet dat Oyarsa hem nadert. Een onmenselijke stem zegt dat hij Ransom zelf heeft laten halen en vraagt waarom hij zo bang is. Malacandra drijft, zoals alle werelden, in de hemel, begint Oyarsa uit te leggen. Mensen als Ransom moeten uit de hemel afdalen naar de aarde. Thulcandra is voor hem echter een onbekende wereld. Het is de enige planeet die buiten de hemel ligt en waarvandaan geen boodschap meer komt. Daarom wordt Thulcandra de ‘zwijgende planeet’ genoemd. Ooit was alles anders. De geschiedenis van Thulcandra is ‘allerbitterst’. Oyarsa spreekt over ‘de geschiedenis van de scheve jaren’, nog voordat er leven op aarde was. De grote, glanzende en sublieme Oyarsa van de aarde werd ‘scheef’. As hij daartoe in staat was geweest, zou hij nog veel meer werelden hebben meegesleept in het verderf dat hij aanrichtte. Er brak een grote oorlog uit en de Malacandriërs wisten de ontaarde Oyarsa te verdrijven. Op aanwijzing van Maleldil bonden zij ‘de Scheve’ in de lucht van zijn eigen wereld. Sindsdien weten ze niets meer van de aarde: de planeet is gehuld in stilte en het contact is verbroken. Toch denkt Oyarsa dat Maleldil Thulcandra nooit geheel aan het kwaad zal prijsgeven. Lewis verwijst hier duidelijk naar de Bijbelse val van Satan – zie Lucas 10 : 18  en het gedicht “Lucifer” van Joost van den Vondel.

 

Oorlog met de Scheve

Ransom legt uit dat de verhalenvertellers van zijn wereld geloven dat, als er al buitenaards leven bestaat, het kwaadaardig moet zijn. Zo gek is dat niet, toch? Er zijn nu eenmaal veel valse eldila in de woeste delen op aarde. Misschien hebben zijn ontvoerders gedacht dat de eldila zijn bloed wilden drinken. Oyarsa begint een en ander te begrijpen. Het heeft hem sterk verwonderd dat mensen geheimen voor elkaar hebben en dat Ransom zo onwillig leek naar hem toe te komen. Het is voor hem te bizar voor woorden dat mensen geweld tegen elkaar gebruiken. Oyarsa wil weten waarom mensen naar zijn planeet komen en ‘zonnebloed’ stelen. Ook verlangt hij een blik te werpen in de wonderlijke oorlogen tussen Maleldril en de Scheve, die blijkbaar op Thulcandra worden uitgevochten. Ransom vertelt dat het bezit van goud op aarde garant staat voor veel genot en macht. Hij zegt dat hij vreest dat de professor diens volk het liefst zou willen vernietigen om plaats te maken voor de mensen.: “… Hij wil, denk ik, dat onze soort altijd zal voortbestaan en hoopt dat het van de ene wereld naar de andere springen zal…”. De bijeenkomst wordt verstoord door een stel soronen die de geknevelde en geboeide Weston en Devine met zich meevoeren, samen met de lijken van drie hrossa die zij hebben gedood.  

 

Eeuwig leven

Weston zegt tijdens het verhoor dat het hem om niets minder gaat dan het ‘eeuwige leven’ van de mensheid. Als de planeet vergaat, moet de specie mens zich voortplanten op een andere. Weston lijkt in al zijn onvoorstelbare arrogantie wel een kruising tussen Jeffrey Epstein en Elon Musk: alsof Lewis in 1938 de komst van dit soort figuren voorzag (zie ook de techondernemer Bryan Johnson, die onsterfelijk wil worden, maar chronisch ziek blijkt). Er is geen liefde voor andere mensen in hem, aldus Oyarsa: het gaat hem alleen om het zaad. De Malacandriërs zijn niet bang voor de dood, omdat ze weten dat er daarna een tweede leven komt dat beter zal zijn dan het eerste, aldus Oyarsa. “… Het is de Scheve, de heerser van jouw wereld, die jullie leven verwoest en vervuilt met pogingen om iets vóór te blijven waardoor je uiteindelijk toch wordt ingehaald, wat jullie ook wel weten. Als jullie onderdanen van Maleldil waren, dan hadden jullie rust…”. De Scheve baart alleen maar angst met als gevolg moord en opstand.

 

Terug

Uiteindelijk worden Weston en Devine terug naar de aarde gestuurd nadat hun ruimteschip is ontwapend en voorzien van een mechanisme waardoor het ontploft zodra ze zijn geland. De Malacandriërs willen hen nooit meer zien. Ransom kiest ervoor met hen mee terug te gaan. Hij heeft heimwee naar zijn dierbaren en vooral naar een biertje in een pub.

 

Uitgave: Kok – 2002, vertaling A. Smilde, 243 blz., ISBN 978 904 350 408 9

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

donderdag 2 juli 2026

Herinneringen Dromen Gedachten – C.G. Jung

 


Tjeu van den Berk haalt in “Ontmoetingen met Jung” (zie mijn vorige blog) nogal eens “Herinneringen Dromen Gedachten”, de autobiografie van Carl Gustav Jung, aan. Nu ik toch in de materie zit, heb ik het er maar gelijk achteraan gelezen. Het verscheen kort na Jungs dood, in 1961, en is geen klassieke autobiografie. Het boek ontstond uit gesprekken tussen Jung en zijn secretaresse Aniela Jaffé, die het materiaal samenstelde en redigeerde. Het is een gecompliceerd werk vol persoonlijke herinneringen, beschrijvingen van onvergetelijke dromen en Jungs reflecties op psychologie, religie en de betekenis van het leven. Jaffé noemde het zijn ‘religieuze belijdenis’. Met sommige stukken kon ik niets, maar ik kwam ook hele boeiende en ontroerende fragmenten tegen. Ik houd van het universum van Jung. Ik denk dat het ons kan helpen ontsnappen aan de rationele en materialistische impasse van vandaag de dag, waarin we volkomen dreigen vast te lopen. Ik heb de vertaling van Agaath van Ree gelezen, de nieuwste is voor zover ik kon nagaan van Pety De Vries-Ek.  

 

De ‘Menseneter’

Jung (1875 – 1961) was de zoon van een Zwitserse plattelandsdominee. Alles moet in zijn jeugd - stichtelijke - vroomheid hebben geademd, want hij had maar liefst acht ooms die ook allemaal predikant waren. Het huwelijk van zijn ouders was niet al te best; hij weet nog dat ze in aparte kamers sliepen. Jung lijkt een overgevoelig, fantasierijk en eenzaam jongetje te zijn geweest. Hij herinnert zich dat de koster gaten groef op het nabijgelegen kerkhof, waar zwarte, plechtstatige mannen in geklede jassen, met ongewone hoge hoeden en blinkend gepoetste schoenen, onder het ‘geschrei’ van vrouwen zware kisten in lieten zakken. De galmende stem van zijn vader verkondigde dat de ‘Here Jezus’ de dode ‘tot zich had genomen’, een nogal sinistere boodschap voor een kind van een jaar of drie, vier. Als kleuter had Jung een droom die een onuitwisbare indruk op hem maakte. Hij legt hem uit als een soort ‘initiatie in de onderwereld’, een ‘oer-openbaring’, het begin van zijn ‘helletocht’. In een weiland daalt hij via een trap af in de aarde, waar hij achter een groen gordijn een enorm gedrocht van lillend vlees op een gouden troon ontwaart. ‘De Menseneter’, zegt de stem van zijn moeder. Later zal hij ontdekken dat de onderaardse god een fallus voorstelde. In het ‘rijk der duisternis’ regeren niet voor niets de driften en instincten. De link tussen Jezus en de 'Menseneter' is snel gelegd.

 

Mysterie

Jung vindt het fijn op school, omdat hij daar kinderen ontmoet met wie hij kan spelen (hij krijgt nog een zusje als hij negen is). Tegelijkertijd heeft hij moeite om zichzelf te blijven. Als hij op een grote kei zit, slaat zijn gedachtegang zo op hol dat hij op een gegeven moment niet meer weet of hij zichzelf is of de steen. Hij merkt dat hij ‘anders’ wordt wanneer hij met vriendjes omgaat. Hij ervaart een radicale ‘gespletenheid’. Een gevoel dat hij weet te bezweren door een ‘mannetje’ uit een stukje hout te snijden en, samen met een beschilderd steentje, in een ‘bedje’ te leggen, dat hij op de voor hem verboden vliering verstopt: zijn hoogstpersoonlijke ‘geheim’. De clandestiene schuilplaats is meer dan een kinderspel: ze laat zien hoe belangrijk een afgeschermde innerlijke ruimte is. Een privégebied kan bijdragen aan een gevoel van autonomie, individualiteit en psychologische diepgang. Het is heus niet zo goed alles maar op de socials te kwakken, hoor. Jung vertelt dat hij als kind voortdurend op zoek was naar het ‘mysterie’. Voelde hij dat er ‘meer’ moest zijn? Was het ‘gewone leven’ te suf voor hem? Hij gaat met grote tegenzin naar de kerk. Kerst vormt daarop de enige uitzondering. De adventstijd associeert hij met nacht en ontij, storm en duisternis: “… Geheimzinnige geluiden, onbestemde dingen waarden rond…”. Op de tweede plaats komt oudejaarsavond.

 

Zwei Seelen wohnen, ach!, in meiner Brust

Jung brengt zijn middelbareschooltijd door op het gymnasium in Bazel. Hij omschrijft zichzelf als een hoogbegaafde, luie, verveelde, teruggetrokken, onzekere, gemelijke, met minderwaardigheidsgevoelens kampende en zelfs onsympathiek aandoende puber die met zichzelf en de ‘whole world’ in de knoop zit. Heel gewoon dus, eigenlijk. Hij voelt zich een outsider, een arme luis in een rijkeluiswereld. Hij definieert zichzelf uitdrukkelijk als christen, maar zijn omgeving gaat zo familiair en sentimenteel met de ‘lieve’ Here Jezus om dat het hem afkeer inboezemt, waardoor hij alleen nog bidt tot de onkenbare ‘God’. In deze periode begint hij sterk te ervaren dat hij uit twee personen bestaat. Nr. 1 is zijn alledaagse persoonlijkheid: degene die naar school gaat, werkt, met anderen omgaat en zich in de praktische wereld beweegt. Dit is het bewuste ego in het dagelijks leven. Nr 2. bestaat uit de tijdloze, contemplatieve, diepere kant van zichzelf, die verbonden is met het onbewuste en de spirituele ervaring.

 

De goddelijke genade is ‘vreselijk’

Wederom overkomt hem een hallucinatie die een ontzaglijke impact op hem heeft. Wanneer hij na schooltijd naar huis gaat, wordt hij getroffen door de overweldigende schoonheid van de Dom, die ligt te glinsteren in het zonlicht. Daarop volgt het verlammende gevoel dat zich een afschuwelijke gedachte aandient, waarvan hij koste wat kost verre moet blijven. Hij is overtuigd dat hij ‘de zonde tegen de Heilige Geest’ zal begaan als hij aan zijn verbeelding toegeeft. In de derde nacht verliest hij zijn innerlijke strijd en laat hij de verboden gedachte opkomen: van onder de troon van God valt een kolossaal excrement op het dak van de prachtige Domkerk, verplettert het en verbrijzelt de muren. Wat volgt is een immense opluchting, die Jung omschrijft als een ‘goddelijke genade’. Bij Jung rijst het vermoeden dat God ook ‘iets vreselijks’ is, een aspect dat in het kerkelijk leven van zijn dagen volledig buiten beeld bleef: “… De ‘vreze Gods’ waarover natuurlijk wel werd gerept, gold als verouderd, als ‘joods’, en was sinds lang vervangen door de christelijke boodschap van Gods liefde en goedheid…”. Het doet me onmiddellijk denken aan Jonathan Sacks, die 'het heilige' in zijn boek over “Leviticus” omschrijft als een levensgevaarlijke nucleaire energie.

 

Ervaren en weten

Wat betekent het visioen? Dat God, blasfemisch gezegd, ‘schijt heeft aan de kerk’? Of in ieder geval aan de kerk van Jung? Hij ziet zijn vader worstelen met zijn dogmatische geloof: “… hij kende niet de levende, de rechtstreeks te beleven God, die almachtig en vrij boven Bijbel en Kerk staat, die de mens tot vrijheid roept en hem kan dwingen van eigen inzichten en overtuigingen af te zien en Gods eis onvoorwaardelijk te vervullen…”. Hij zou zijn vader willen helpen, maar weet niet hoe.  “… Mijn herinnering aan mijn vader is die van een lijdend man, die aan een Amfortaswonde leed, een ‘Visserkoning’, wiens wond niet wilde genezen…”. En hij, als ‘stomme Perceval’, kijkt zwijgend toe. Hij probeert wel met zijn vader te praten, “… maar ontmoette bij hem slechts een voor mij onbegrijpelijk ongeduld en angstige afweer. Pas enige jaren later begreep ik, dat mijn arme vader niet mócht denken, omdat hij door innerlijke twijfel werd verscheurd. Hij was op de vlucht voor zichzelf en hamerde altijd op het blinde geloof, dat hij voor zichzelf moest verwerven en zich door krampachtige inspanning trachtte eigen te maken…”.  Jung over diens gewetensnood: “… Wat hij zei klonk verschaald en hol alsof hij een verhaal vertelde dat hij zelf niet helemaal kon geloven of slechts van horen-zeggen kende…”. Zijn vader verwijt hem dat hij altijd maar wil dénken: “… Men moet niet denken maar geloven…”. Daar is Jung het niet mee eens. Volgens hem moet je “… ervaren en weten…”. Is dat wat wordt bedoeld met een ‘levend geloof’? Met ‘bevinding’? Zie de uitzending van presentatrice Annemiek Schrijver met theoloog Gilles Quispel (“Het Vermoeden”, 17.06.14).

 

De Persoon en Ik van het heelal

Jung begint te piekeren. Wat moet hij van God denken? “… Ik had die geschiedenis van God en de Domkerk niet zelf uitgedacht, veel minder nog de droom die mij had overrompeld toen ik drie jaar was. Een sterkere wil dan de mijne had mij die opgedrongen…”. Voor hem is God zowel een verterend vuur als een onzegbaar erbarmen. Hij leest alles wat hij aan theologie kan vinden. “… Ik las, dat geloof is ‘een geestelijke daad van de mens om zich met God in verbinding te stellen.’ Dit riep tegenspraak in mij op, want ik verstond onder geloof iets, dat God met mij doet…”. Voorzienigheid? Uitverkiezing? Het is hem “… volkomen duidelijk dat Jezus, de mens, wel met God te maken had gehad; hij had gewanhoopt in Gethsemane en aan het kruis, nadat hij de liefde en goedheid van God als van een goede Vader had gepredikt. Toch echter heeft hij Gods vreselijkheid gezien. Dit kon ik begrijpen…”. Voor Jung heeft God niets menselijks: “… Hij is goed én vreselijk beide, en daarom een groot gevaar waarvoor men zich natuurlijk probeert te dekken. Men klampt zich eenzijdig vast aan Zijn liefde en goedheid, om niet de Verleider en de Vernietiger in handen te vallen. Dit heeft Jezus geweten toen hij leerde: ‘Leid ons niet in verzoeking’…”. God is de ’Persoon en het Ik van het heelal’. Heel zijn leven blijft Jung overdonderd door het godslasterlijke beeld dat God hem direct of indirect (via de duivel) tegen zijn wil heeft opgedrongen. De ‘donkere kant’ van God houdt hem intens bezig: Zijn gevaarlijke toorn, Zijn onbegrijpelijke omgang met de schepselen en Zijn almacht. God heeft de wereld volgens Jung met opzet in tegenstellingen geschapen. “… Zeker, de wereld is onbeschrijflijk schoon, maar ook evenzeer gruwelijk…”. Hij omschrijft Job en Uria als voorafschaduwingen van Christus, de Godmens die door God verlaten wordt. Jung leest de filosofen en komt tot de conclusie dat God voor hen enkel een discutabele veronderstelling is. Voor hemzelf is God de 'meest vanzelfsprekende, allerzekerste en alleronmiddellijkste beleving', ook al kan men God niet bewijzen. Hij wordt gegrepen door de inzichten van Meester Eckhart en Schopenhauer. Later door Kant. Hij stort zich in de literatuur. Hij zoekt naar boeken over de duivel, maar kan die niet vinden. Zijn moeder, die eveneens duidelijk twee kanten heeft - een warme, goedhartige en een heidens, angstaanjagende - zegt uit het niets dat hij Goethe’s “Faust” moet lezen (over een man die zijn ziel aan de duivel verkoopt).

 

Studie

Het is moeilijk voor Jung om een studie te kiezen. Zijn Nr. 1 gaat voor natuurwetenschappen. Zijn Nr.2. voor geesteswetenschappen. Uiteindelijk zal hij geld moeten verdienen en legt hij zich toe op de geneeskunde, zodat hij coschappen kan lopen. Zijn vader sterft jong. Nr. 2 verdwijnt een periode uit het zicht. “… Zoals de ‘Faust’ voor mij een deur opende, sloeg ‘Zarathustra’ er een dicht en dat grondig en voor lange tijd…”. Zijn innerlijk gaat niemand iets aan: wie zit er te wachten op geestelijke vergezichten? Hij besluit zich te specialiseren in de destijds volstrekt onpopulaire psychiatrie, wanneer hij inziet dat juist daar de beide stromen van zijn belangstelling kunnen samenvloeien in één gezamenlijke bedding. “… Hier was eindelijk de plaats, waar natuur en geest elkaar ontmoetten…”.  Zijn vrienden verklaren hem voor gek.

 

Medeweter

Jung doet zijn psychiatrische opleiding in de Bürghölzli-kliniek in Zürich, waar hij in aanraking komt met het werk van Freud. Jungs brandende vraag luidt: wat gaat er in de geesteszieke om? Voor hem is niemand een stempel of etiket. Zijn aanpak is afgesteld op de persoon: “… Voor iedere patiënt is een andere taal nodig…”. Even verder: “… De analyse is een dialoog tussen twee gesprekspartners…”. De medicus is zelf een deel van het drama: “… In vele psychiatrische gevallen heeft de patiënt een geschiedenis, die niet wordt verteld en niemand weet. Voor mij begint de eigenlijke therapie pas na de ontdekking van deze persoonlijke geschiedenis. Zij vormt het geheim van de patiënt, waaraan hij is bezweken…”. Hij vertelt een aantal heftige voorvallen. Een als schizofreen bestempelde moeder gaat na veertien dagen naar huis en komt nooit meer terug, nadat zij heeft aanvaard dat ze een moordenares is. Na een liefdesdebacle raakte zij in een depressie en voorkwam niet dat haar dochtertje op een spons met verontreinigd water zoog. Haar zoontje gaf ze zelfs een glas van het vervuilde water te drinken. Het meisje overleed aan tyfus; het jongetje overleefde. Om te voorkomen dat er juridische vragen worden gesteld, houdt Jung zijn mond tegenover zijn collega’s: “… Ik achtte het zinvoller, dat zij tot het leven terugkeerde om daar haar schuld te boeten. Zij was door het lot zwaar genoeg gestraft. Toen zij ontslagen werd, ging zij met een zware last beladen. Deze moest zij dragen. Haar boetedoening was reeds begonnen met de depressie en het verblijf in de kliniek, en het verlies van het kind was voor haar een groot leed…”. Hij ontmoet nog een moordenares die haar naam niet noemt, maar wel bij hem komt ‘biechten’. Zij heeft haar vriendin vergiftigd om met haar man te kunnen trouwen. Maar de man sterft al snel, en de dochter uit haar eerdere huwelijk verdwijnt uit haar leven. Zelfs de dieren om haar heen worden onrustig. Haar lievelingspaard is schichtig en werpt haar af. Haar wolfshond wordt door een verlamming getroffen. Jung: “… wie zo’n misdaad pleegt, verwoest zijn ziel. Wie moordt, is zelfs reeds gevonnist…”. Zie André Malreux in “Het menselijk tekort”! “… Soms lijkt het alsof zelfs de dieren en planten het ‘weten’. Deze vrouw is door de begane moord zelfs voor de dieren een vreemde geworden en in een ondraaglijke eenzaamheid terechtgekomen. Om zich uit deze eenzaamheid te bevrijden, heeft zij mij tot medeweter gemaakt…”.

 

De toeschouwer

Ook geesteszieken hebben een Nr. 1 en Nr. 2. Jung is ervan overtuigd dat achter elke waanzin een persoon schuilgaat die als normaal dient te worden beschouwd en die als het ware ‘de toeschouwer speelt’. “… Van buiten gezien valt bij geesteszieken alleen de tragische verwoesting op, zelden echter het leven van de kant der ziel, welke van ons afgekeerd is…”. Daar wil hij op inhaken. “… Dat wij de betekenis (van een psychose) niet begrijpen, ligt aan ons…”. Meermalen maakt hij mee hoe “… uit een wolk van groteske onzin…” de menselijke gestalte tevoorschijn treedt. Een casus doet onmiddellijk denken aan “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” (Hannah Green). Het gaat over een incestslachtoffer dat in een mythisch rijk op de maan woont, waar ze een gevleugelde demon ontmoet die ze ‘verraadt’ door Jung over hem te vertellen. Na twee maanden komt ze tot het inzicht dat het leven op aarde onvermijdelijk is en berust ze in haar lot.

 

Verloren schapen

Wanneer je geen ‘mythologische voorstellingen’ hebt, kun je het ‘wezenlijke in jezelf’ niet uitdrukken, aldus Jung. Als je geen taal hebt, houdt het denken op. Jongeren worden “… geheel in beslag genomen door flirten, kleren en seksualiteit…”, niet omdat zij dom zijn, maar omdat zij niets anders kennen. Voor hen bestaat alleen het intellect; daarom vinden ze dat ze een zinloos leven leiden. Iedereen moet echter de ‘geheime wil’ van God volbrengen. Het is nodig dat de ‘mythologische en religieuze voorstellingen’ weer in mensen worden opgeroepen. Wat ontbreekt, is het gevoel voor het ‘numineuze’: “… Ik heb dikwijls gezien dat mensen neurotisch worden wanneer zij zich tevredenstellen met ontoereikende of verkeerde antwoorden op de problemen van het leven. Zij zoeken een positie, een huwelijk, roem en uiterlijk succes of geld, en blijven ongelukkig en neurotisch, ook nadat ze alles hebben bereikt waarnaar zij streefden. Zulke mensen zitten in een geestelijke impasse. Zodra zij zich tot een ruimere persoonlijkheid kunnen ontwikkelen, houdt meestal ook de neurose op. Daarom was van het begin af aan de ontwikkelingsidee voor mij van de grootste betekenis…”. Even verder: “… Het merendeel van mijn patiënten bestond niet uit gelovigen maar uit mensen die hun geloof hadden verloren. Bij mij kwamen de ‘verloren schapen’. De gelovige heeft tegenwoordig nog gelegenheid, in de kerk de symbolen te beleven. Men denke aan de mis, de doop, de ‘imitatio Christi’ en andere. Maar een zodanig beleven van het symbool stelt het werkelijk deel-hebben van de gelovige voorop en dat ontbreekt de moderne mens vaak. Bij neurotische mensen is het veelal geheel afwezig. In zulke gevallen blijft ons niets over dan te observeren, of het onbewuste niet spontaan symbolen voortbrengt om de ontbrekende te vervangen. Maar ook dan blijft de vraag open of een mens die symbolische dromen en visioenen heeft, in staat is hun betekenis te begrijpen en de consequenties te aanvaarden…”.

 

Wij zijn ons brein

Wij leven nog steeds in de modus van ‘wij zijn ons brein’: “… Wanneer het de innerlijke beleving betreft, het allerpersoonlijkste, wordt het de meeste mensen ‘unheimlich’ te moede en vele gaan op de vlucht…”. De weerstand tegen iets als de ziel is groot: “… Het risico der innerlijke beleving, het geestelijk avontuur, is de meeste mensen vreemd. De mogelijkheid dat er een psychische werkelijkheid zou kunnen bestaan, is gelijk aan een banvloek…”.

 

In de clinch met Freud

Freud zag Jung aanvankelijk als zijn opvolger. Het is genoegzaam bekend hoe Freuds reductionistische visie op seksualiteit tot een breuk met Jung leidde: “… hij wilde niet horen van een andere factor dan de seksualiteit…”. Freud zwoer bij het materialisme. Hij drukte Jung bijna obsessief op het hart van zijn seksuele theorie een 'dogma en onwrikbaar bolwerk' te maken tegen de 'zwarte modderstroom' van het occultisme, waaronder hij zo ongeveer alles van filosofie tot religie verstond. Precies het gebied dat Jung inspireerde dus. Volgens Jung was seksualiteit Freuds ‘god’. “… Als uitdrukking van een chtonische geest is de seksualiteit van de grootste betekenis. Deze geest is het ‘andere gezicht van God’, de donkere zijde van het godsbeeld…”. Zie zijn fallusdroom. Maar er is meer…

 

Duik in het onbewuste

Na de breuk met Freud begint Jung zich steeds meer op zijn onbewuste te richten - dat overeenkomt met het mythische dodenrijk, het land der voorouders. Hij verliest zich in dromen en fantasieën. Alles wat er bij hem opkomt, beschrijft en tekent hij in zijn ‘Zwarte Boeken’en daarna in het ‘Rode Boek’ – zie mijn vorige blog. “… Het is natuurlijk ironisch dat ik, als psychiater, bij mijn experiment zogezegd stuk voor stuk het materiaal ben tegengekomen dat de bouwstenen voor een psychose levert en dat men dus ook in de krankzinnigengestichten vindt. Het is de wereld van onbewuste beelden die de krankzinnige in noodlottige verwarring brengt, maar ook vormt zij de schoot der mythevormende fantasie, die in onze rationalistische eeuw teloor is gegaan…”. Uiteindelijk slaagt hij erin op wetenschappelijk wijze grip op zijn vreemde innerlijke wereld te krijgen: “… De jaren waarin ik mij door de innerlijke beelden liet leiden waren de belangrijkste van mijn leven, waarin al het wezenlijke werd beslist. Toen is het begonnen en de latere details zijn slechts aanvullingen en verhelderingen. Heel mijn latere activiteit werd gevormd door het uitwerken van wat zich in die jaren uit het onbewuste had baan gebroken en mij aanvankelijk overstroomde. Het was de oerstof van mijn levenswerk…”. Wat hij van zijn innerlijke queeste heeft geleerd, is dat hij “… de idee van de suprematie van het Ik volkomen moest opgeven…”. Even verder: “… eerst toen ik de Mandala’s begon te tekenen, zag ik dat alles, alle wegen die ik bewandelde, elke stap die ik verzette, steeds tot één punt leidde, namelijk tot het centrum. Ik zag het steeds scherper: de Mandala is het centrum. Het is de weg naar het midden, naar de individuatie…”. Alles wijst naar ‘de ‘kern’, de ‘kiem van het onsterfelijke lichaam’, de ‘zetel van het leven’, kortom ‘het Zelf’, dat in sprookjes en verhalen op allerlei manieren wordt ‘verbeeld’: het Nieuwe Jeruzalem (zie “De Christenreis” van John Bunyan), de berg Sion, de lichtstad met de paarlen poorten, de middagzon, de heilige graal, het gouden kasteel, de gouden bloem, de steen der wijzen, de Christus, enzovoort, en zo verder. Ik werd opgevoed in een bevindelijke traditie waar mij letterlijk geleerd werd om een ‘nieuw hartje’ te bidden. Het is bizar hoe mijn geestelijke achtergrond - tot mijn grote vreugde, kan ik wel zeggen - aansluit bij de psychologie van Jung. Zie bijvoorbeeld de overeenkomst tussen de ‘bekering’ of ‘wedergeboorte’ en Jungs ‘individuatieproces’. Zie ook de focus op de ‘donkere kant van God’: de ‘toorn Gods’ en ‘vreze Gods’. Het 'midden' is het doel. Het 'ik' is enkel het middel om daar te geraken. Het 'Zelf' is een principe en archetype van oriëntatie en zingeving. Het 'Zelf' is 'het vat voor het goddelijke'.

 

Verlossingsgedachten

Om zijn hypothesen wetenschappelijk te kunnen onderbouwen, ging Jung op zoek naar historische analogieën, die hij met name vond in de gnostiek en de alchemie. Volgens Jung was het zeker geen toeval dat Jezus, de timmermanszoon, tot ‘Salvator Mundi’, Verlosser der wereld, is geworden. Hij moet de onbewuste verwachting van zijn tijd volkomen hebben vervuld en gedragen. “… De alles verpletterende macht van Rome, belichaamd in de goddelijke caesar, had een wereld geschapen waarin niet alleen talloze enkelingen, maar ook ganse volken van hun zelfstandige levensvorm en hun geestelijke onafhankelijkheid waren beroofd…”. Jung meent dat het christendom is ‘ingeslapen’ en heeft verzuimd in de loop van de tijd zijn mythe verder uit te rollen: “… Men begrijpt niet dat een mythe dood is als ze niet meer leeft en zich verder ontwikkelt…”. Zie Gioacchino da Fiore, Meester Eckhart, Jacob Boehme en Pius XII. Opvallend is wederom hoe zijn tijd overeenkomt met onze geglobaliseerde wereld: “… Het individu en de cultuur van onze dagen worden door een soortgelijk gevaar bedreigd, nl. dat van de massificatie. Daarom wordt reeds op veel plaatsen de mogelijkheid en de hoop op de wederkomst van Christus besproken…”. De verlossingsverwachting, uitgedrukt in een andere vorm, ziet hij in de wereldwijde verbreiding van het UFO-fenomeen: “… een typisch kind van onze eeuw der techniek…” (zie ook: “Op een andere planeet kunnen ze me redden” van Lieke Marsman). Dat slaat toch alles?! 

 

Oer

Jung lijkt een enorme hang te hebben gevoeld naar wat ik maar ‘oer’ noem. Hij bouwt een primitieve ‘toren’ in Bollingen, zonder elektriciteit of stromend water, waar hij ‘helemaal zichzelf kan zijn’. Hij ervaart het bouwsel als een ‘baarmoeder’. Hij maakt reizen naar de Sahara, de Pueblo-indianen in New Mexico en Kenia en Oeganda, waar hij met een stel bavianen naar de zonsopkomst kijkt. Ze lijken net zo onder de indruk als hij. “… Van oudsher hebben wij de grote god vereerd die de wereld verlost doordat hij als stralend hemellicht uit het grote duister opdoemt. Toen begreep ik dat in de ziel, van het oerbegin af, het heimwee naar het licht woont en de onhoudbare drang uit het oerduister te worden bevrijd…”. Zijn reis van Midden-Afrika naar Egypte ervaart hij als een ‘drama van de geboorte van het licht’; zie de mythe van Horus. Zijn werk brengt hem naar India. Hij vertelt over de wonderlijke gebeurtenissen in Ravenna - zie mijn vorige blog - en vermijdt Rome, omdat hij zich niet opgewassen voelt tegen de overweldigende indrukken van die stad. Na een hartinfarct maakt hij een bijna-doodervaring mee. Hij blijft waarschuwen dat de nadruk op de stoffelijke persoon een ‘demonisering’ van de mens en zijn wereld veroorzaakt. Daar komen de verschijning van dictators en alle ellende die ze meebrengen uit voort. Daar komt ook alle onbehagen in de cultuur vandaan.

 

Diep in mezelf vind ik niet mezelf

Wat ik vooral van Jung heb geleerd, is het verschil tussen het ‘Ik’ en het ‘Zelf’. “… Ik zie steeds weer dat het individuatieproces verwisseld wordt met de bewustwording van het Ik en daarmee met het Zelf wordt geïdentificeerd. Dit veroorzaakt natuurlijk een heilloze begripsverwarring. Want daarmee wordt de individuatie enkel tot egocentriciteit en auto-erotiek…” (zie ook "Spiritualiteit van beneden" van Anselm Grün en Meinhard Dufner). Het ‘Ik’ is slechts het centrum van het bewustzijn. Het ‘Zelf’ is niet alleen het middelpunt, maar ook de totale omvang van het bewuste én het onbewuste: het centrum van de totaliteit. Daarom laat de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt in “Het evangelie van Pilatus” een kind zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Wie het vatten kan, vatte het…

 

Uitgave: Lemniscaat – 1991, 398 blz., ISBN 978 906 069 806 8, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier