Menu

dinsdag 25 augustus 2026

Inferno – Arnold Huijgen

 


Subtitel: De ontdekking van de hel

 

De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat, aldus de starets in “De broers Karamazov” van Dostojevski (zie mijn vorige blog). Theoloog Arnold Huijgen, wiens boek over “Maria” ik eerder besprak, schreef een cultuurgeschiedenis over het meest beladen onderwerp uit het christendom: de hel.

 

Mysterie

Eeuwig vuur. Marteling. Demonen: wie aan de hel denkt, krijgt direct allerlei beelden op het netvlies. Eeuwenlang was de hel voor gelovigen een afschrikwekkend visioen van het hiernamaals. Tegenwoordig is dit visioen bij de meeste mensen naar de achtergrond verdwenen. Dat moet anders, zegt Arnold Huijgen: we hebben de hel nodig. Daar zou een dieptepsycholoog als Jung het helemaal mee eens zijn, denk ik. Zie zijn “Herinneringen Dromen Gedachten”, waarin hij stelt dat als wij het ‘huiveringwekkende’ van God opzijzetten, het christendom zal verwateren – en dat is dan ook gebeurd. Godsdienstfilosoof Rudolf Otto muntte in dit verband de uitdrukking ‘mysterium tremendum et fascinans’. Het zoete, lieve en aardige verveelt snel. Zie hoe Gerard Reve in “Moeder en zoon” met verbijstering de katholieke afbeeldingen bekijkt van de kitscherige “… Mariaas zonder tieten, in nachtpon en met kersrood pruilmondje…”. Hij komt tot de conclusie dat het niet anders kan of zoveel bijna godslasterlijke onbenulligheid moet een dekmantel zijn voor iets anders, iets diepers. Een tijd geleden was ik in een gigantische loods vol tweedehandsboeken. Bij de afdeling christelijke theologie vóélde je gewoon de versuffing intreden. Hoe komt dat toch, dacht ik. Welnu, wij leven in tegenstellingen, aldus Jung. Wij kunnen niet buiten die tweeheid. Wij gedijen onder spanning. Het mysterie geeft ons energie. De hel is een sinister raadsel. Huijgen vertelt waar ons beeld van de hel vandaan komt, wat Jezus er werkelijk over zegt en waarom we de hel opnieuw moeten leren omarmen. Is de hel een werkelijkheid, een metafoor of allebei? En wat betekent het dat Christus volgens de geloofsbelijdenis ‘is nedergedaald ter helle’?

 

De hel: prominent aanwezig buiten de kerk

Het gekke is dat anno 2026 de hel prominenter buiten dan binnen de kerk te vinden is. Zie de hitte en de bosbranden van deze zomer. Terwijl geestelijken verlegen zijn met de hel, gaat het in het nieuws onbekommerd over de ‘klimaathel’, de ‘hel’ van oorlogen, aardbevingen en de bio-industrie. De uitbuiting van arbeidsmigranten maakt het leven tot een ‘hel’ en de drugsmaffia verandert landen in ‘de hel op aarde’. “… De hel is de metafoor bij uitstek voor het summum van uitzichtloze ellende. Dat geldt niet alleen voor de buitenwereld, maar ook voor het mentale leven …”. Zie de zanger Stromae en zijn nummer ‘L’enfer’, over zijn eenzaamheid en zelfmoordgedachten. Zie de zangeres Billie Eilish en haar nummer ‘All the Good Girls Go to Hell’: “… De videoclip toont hoe een engel vleugels aangemeten krijgt om vervolgens van de hemel naar de aarde te vliegen. Zij komt in een berg olie terecht, waardoor haar vleugels niet meer functioneren. Als ze zich uit de smurrie weet los te maken, sleept ze de vleugels vol teer achter zich aan. Intussen breekt op de achtergrond een verzengende brand uit. Billie Eilish heeft gezegd dat het nummer verwijst naar klimaatverandering en naar haar frustratie over de mensheid die de planeet verwoest. De Californische heuvels branden vanwege de slechtheid van de mensheid. Proberen het goede te doen heeft geen enkele zin meer; daarom is het geen probleem om je aan geen enkele regel meer te houden. De videoclip eindigt met een grote brand, een inferno.‘There’s nothing left to save now’: er is niets meer over om te redden …”. Zie daarentegen de komische serie ‘The Good Place’, waarin wordt verkend wat hemel en hel eigenlijk zijn. De hoofdpersonen denken dat ze na hun overlijden in de hemel zijn, maar dat wordt hun wijsgemaakt door de demon Michael. De plaats is zo ingericht dat ze elkaars leven tot een hel maken.

 

Plato

De hel bestond al in voorchristelijke tijden. De Griekse filosoof Plato schrijft dat zijn leermeester Socrates onderwees dat mensen die vroom en rechtvaardig hadden geleefd, na hun dood op de ‘eilanden der gelukzaligen’ terechtkwamen. De goddelozen en onrechtvaardigen werden naar de ‘Tartaros’ (onderwereld) gestuurd. De meest onverbeterlijke zondaars zijn tirannen, koningen en machthebbers. Hun straf is eindeloos. Zie Sisyfos: tot in der eeuwigheid moet hij een zwaar rotsblok een steile helling op duwen, dat steeds weer naar beneden dendert. Zie Tantalos: tot zijn kin staat hij in water dat aldoor wegvloeit als hij een slok wil nemen, terwijl boven hem een boom staat waarvan de takken steeds wegwaaien wanneer hij er fruit van wil plukken. Zie Tityos: dagelijks verslinden twee gieren zijn lever; elke nacht groeit het orgaan weer aan. De middelmatige mensen krijgen in de onderwereld evenwel de gelegenheid om zich te reinigen en boete te doen. Zie de overeenkomst met het rooms-katholieke ‘vagevuur’. “… Gewone mensen zijn volgens Plato enkel te motiveren tot gehoorzaamheid en het goede door de gedachte aan beloning of bestraffing in het hiernamaals …”. Zie ook het verhaal over de soldaat Er.

 

Rondzwervende apocalypsen

In de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis doen zogeheten ‘apocalypsen’ de ronde, waarin de helse kwellingen met wel heel lugubere verbeeldingskracht worden beschreven. De “Apocalyps van Petrus” weet te vertellen dat wie God lastert, aan zijn tong wordt opgehangen boven een onuitblusbaar vuur en ook nog met gloeiend ijzer wordt bestraft. Valse getuigen worden de lippen afgesneden; vuur verspreidt zich in hun monden en ingewanden. Vrouwen die mannen verleiden, worden aan hun haren opgehangen boven eeuwige vlammen; mannen die op hun avances zijn ingegaan, aan hun genitaliën. Vrouwen die een abortus hebben ondergaan, komen tot hun nek in de drek te staan. Degenen die de armen negeren, gaan gekleed in vieze lompen. Maar er is wel een mogelijkheid tot bekering na de dood. Ook in de “Apocalyps van Paulus” is er sprake van gruwelijke straffen en verzachting op verzoek. Wanneer de zondaren God aanroepen om erbarmen, krijgen ze voortaan op zondag vrijaf. Volgens de koptische traditie zou ook de tijd tussen Pasen en Pinksteren vrij zijn van helse straffen. Een en ander is eerder in de geest van Plato dan van de Bijbel, die juist erg terughoudend is inzake eeuwige straffen.

 

Augustinus

De grootste kerkvader aller tijden, Augustinus, weet het zeker: de hel is een plaats van altijddurende pijniging. Wie meent dat de hel een ‘doorgangshuis’ is, ondermijnt daarmee de betrouwbaarheid en rechtvaardigheid van God. Over ‘de eeuwige heerlijkheid’ is Augustinus een stuk bescheidener: steeds benadrukt hij dat het menselijk verstand dit mysterie niet kan doorgronden. Ooit was Augustinus lid van de sekte van de manicheeërs, waarin de werkelijkheid werd opgedeeld in het rijk van de duisternis en het rijk van het licht, die eeuwig met elkaar streden. De vraag is of zijn rigoureuze visie geen laat effect is van zijn persoonlijke worsteling met dit manicheïsche dualisme.

 

Dante

Van alle middeleeuwse teksten over de hel (zie bijvoorbeeld “De reis van Brandaan” of de “Belijdenis” van St.Patrick) heeft Dante’s populaire “Commedia” de beeldvorming het meest bepaald. In zijn gedicht beschrijft hij de negen kringen van de hel, elk bewaakt door een mythisch monster, waar zijn gids Vergilius hem doorheen leidt. Vanaf de poort van het paradijs volgt hij Beatrice, zijn overleden muze. “… In Dantes hel komen vuur, duisternis en duivels veel voor. Het regent er vuur, ‘in grote vlokken, als sneeuw in bergland bij geen zuchtje wind’. Er is een rivier van kokend bloed, mensen branden in het vuur, terwijl Lucifer vastgevroren zit in het ijs. De hel is het laagste, de ‘mono basso’, een donkere put. De duivels zijn geen anonieme straffunctionarissen, maar komen tot leven. In canto 22 wordt de strijd tussen de duivels onderling geschetst. Ze dragen fantasierijke namen als Barbariccia (Baardaap), Graffiacane (Spiesma), Rubicante (Roskaak), Libicocco (Slokop), Draghinazzo (Draakgebroed), Farfarello (Fladderbeen), Alichino (Vlerkmans) en Calcabrina (Flitsvoet). Samen zijn zij de ‘Malebranche’ (Kwaaie Klauwaards) in de ‘Malebolge’…”. Zie ook “Brieven uit de hel” van C.S. Lewis.

 

Helletocht

De held die halverwege zijn queeste de onderwereld betreedt, is een mythisch thema. Ilja Leonard Pfeijffer heeft het in een interview in NRC van 19-05-2023 over de term ‘mesohadie’, die hij voor de helletocht uitvond. Zie: “… Odysseus, Aeneas, Dante. Hans Castorp in 'De Toverberg' van Thomas Mann. Alfred Issendorp in 'Nooit meer slapen' van W.F. Hermans. En, kun je zeggen, het personage Ilja Pfeijffer in Grand Hotel Europa’: na een nacht met een minderjarig meisje verdwaalt hij in een donker bos. In zijn streven naar roem en eer zinkt de held naar een dieptepunt, waar zich een wending voordoet en hij de weg naar boven weer vindt …”. Pfeijffer overleefde als legendarische zuipschuit zijn eigen helletocht ook dankzij een vrouw. De hellevaart is een geestelijke reis, een spirituele tocht. In feite is zij ingebed in de levensreis van ieder mens. Zie de eerste regels van de 'Commedia': “… Op ’t midden van ons levenspad gekomen / trof ik mijzelf in ’n donker woud: ik had / de rechte weg geheel uit ’t oog verloren …”. Dante moet de confrontatie aangaan met de diepte om zo de weg omhoog te vinden: “… De weg door de hel functioneert als een boetedoening en inkeer, bedoeld om tot transformatie te komen …”. Zie Jesaja 38:10. “… Wie in de hel afdaalt, daalt daarmee ook in de krochten van zijn eigen ziel af. Spreken over de hel is een exercitie in zelfkennis …”. Zie ook “Spiritualiteit van beneden” van Anselm Grün en Meinrad Dufner. Tot de verschrikkingen van de hel behoort dat er ‘geen Heilig Aanschijn’ te zien valt. “… Door dat gebrek heerst er duisternis en chaos. Voor Dante is Christus allereerst toonbeeld van zuiverheid, ‘de doorbraak van puur goddelijk licht’ …”. Zie het evangelie van Johannes. “… Als de 'Commediagelezen wordt in het licht van de existentiële crisis van ieder mens, is Christus degene wiens levensweg gevolgd wordt naar het licht …”.

 

Poena damni en poena sensus

Huijgen: “… De protestantse traditie nam nadrukkelijk afstand van de gedachte van een vagevuur, maar behield de augustiaanse visie op de hel …”. Huijgen bespreekt de belangrijkste belijdenisgeschriften in de gereformeerde traditie: de “Nederlandse Geloofsbelijdenis”, de “Dordtse Leerregels” en de “Heidelbergse Catechismus”. Daarbij maakt hij onderscheid tussen ‘poena damni’ en ‘poena sensus’. De eerste term wijst op de uitsluiting van het aanschouwen van God, en daarmee op de hel als innerlijke toestand van de mens. De tweede term verwijst naar de daadwerkelijke kwellingen van vuur en martelingen die de verdoemden ondergaan. In de moderne theologie wordt vrijwel uitsluitend uitgegaan van de ‘poena damni’. De eeuwige straf zou draaien om het verlies van Gods aanwezigheid, om het niet-bij-God-zijn, omdat de christelijke traditie de dreiging van pijniging in het hiernamaals onmiskenbaar van Plato heeft overgenomen. God straft niet actief, maar laat de mens aan zichzelf over: het kwaad straft zichzelf. De straf uit zich in existentieel en geestelijk verlies. De leer van eeuwige pijniging stuit dan ook op twee morele bezwaren. Is de eindeloze duur van de straf wel rechtvaardig ten opzichte van de per definitie tijdelijke menselijke overtredingen? En God is toch geen sadist?

 

Het Oude Testament

Wat zegt de Bijbel? Het Oude Testament kent geen straf na de dood. In het hier en nu komt wel vaak een drievoudige straf voor: het zwaard (oorlog), de honger en de pest (ziekte). Vaak vallen de straffen milder uit dan God had aangekondigd. Adam en Eva zouden sterven als ze van de verboden vrucht aten, maar mochten toch blijven leven, zij het buiten de tuin van Eden. God beschermt de moordenaar Kaïn wanneer hij zijn straf te zwaar vindt. Wanneer Jozef door zijn broers als slaaf wordt verkocht, keert God het kwaad ten goede. Na een gesprek met Mozes besluit God, nadat het volk het gouden stierkalf heeft gemaakt, tóch met het volk Israël mee te trekken. Als de profeet Hosea verkondigt dat de maat vol is vanwege de ontrouw van het volk, kan God het evenwel niet over Zijn hart verkrijgen om Zijn uitverkorenen te vernietigen. Ook de inwoners van Nineve worden gespaard.

 

Het Nieuwe Testament

In de gelijkenis van Jezus over ‘de rijke man en de arme Lazarus’ lijkt de lezer wél een inkijkje in de hel te krijgen. Huijgen vergelijkt de parabel met het Egyptische verhaal van Setme en zijn zoonSi-Osiris. De gelijkenis is spannend voor rijke westerlingen. “… Lazarus vormt Gods appel op de rijke. De hel die de rijke na het sterven ervaart, spiegelt de hel die Lazarus zijn leven lang ervaren heeft…”. Zijn armoede brengt hem in de hemel. “… Wie die armoede enkel vergeestelijkt tot een innerlijke houding, haalt uit elkaar wat het Nieuwe Testament bijeenhoudt. De Bijbel is een verontrustend boek voor rijken. De gelijkenis van de rijke en Lazarus leert namelijk: de beste manier om te voorkomen dat je je ogen opendoet in de hel, is je ervoor inzetten dat het leven van anderen niet tot een hel wordt…”. Steeds valt de meedogende aandacht op 'de geringsten'. Matteüs heeft het over de scheiding tussen schapen en bokken (Matt. 25:31-46). De laatsten zijn bestemd voor het ‘eeuwige vuur’, maar wat daar precies mee wordt bedoeld, wordt niet uitgelegd. Uit zijn verhalen blijkt vooral dat je het leven zelf verliest wanneer je uit het blikveld van de Mensenzoon raakt. Bij Paulus en in Openbaringen begint het ‘gericht’ met Jezus’ verschijning en openbaring ‘vanuit de hemel’ (2 Tes.1:8). Zijn oordeel gaat kennelijk met ‘vuur’ gepaard (1 Kor. 3:13; Jes. 66:15). Ook bij Paulus vindt een ‘omkering’ plaats: wie nu onderdrukt, zal straks onderdrukt worden, en andersom. De straf van een eeuwige ondergang duidt vooral op het definitieve karakter ervan: er is geen mogelijkheid tot herstel meer. Het heil voor de gelovigen bestaat uit het altijd bij Hem zijn (1 Tes. 4:17). Het onheil bestaat in de ruimtelijke afstand die ontstaat tussen Jezus en de ongelovigen. Wie Jezus afwijst, zal ver bij Hem vandaan terechtkomen: “… Ver weg van Jezus zijn: dat is de hel…”.

 

Hanna Arendt

Filosofe Hannah Arendt (1906-1975) stelt dat de hel bij Plato een politiek doel diende, dat via de Romeinen door de westerse kerk werd overgenomen. Het idee van een afrekening na de dood hield mensen in het gareel. In de moderniteit werden autoriteit, traditie en religie afgeschaft en de dreigende functie van de hel in het hiernamaals geseculariseerd tot fantasierijke vormen van de hel op aarde. Zie de vele vormen van terreur. Zie de concentratiekampen. De rol van de hel is in de westerse geschiedenis alleen maar verschoven.

 

Michel Foucault

Het denken over straf in het hiernamaals lijkt analoog aan het denken over straf in het hier en nu. De Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) laat in zijn boek “Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis” zien hoe vanaf de Franse Revolutie, voorbereid door de Verlichting, de focus op lijfstraffen verschuift naar het psychische. Met de doorbraak van de guillotine werd de doodstraf een schone, mechanische en bijna administratieve handeling. Zonder het uitzicht op een hiernamaals is de dood evenwel de zwaarste straf die er bestaat. De gevangenis geeft de gestrafte via heropvoeding en disciplinering een kans op rehabilitatie. De moderne mens heeft God misschien niet meer nodig om te straffen; in Zijn plaats zijn intussen wel de oordelende blikken van anderen gekomen. Wanneer je buiten de lijntjes kleurt, is de kans niet gering dat je op de nieuwe media wordt gecanceld. Onze tijd wordt gekenmerkt door standaardisatie, normalisatie en surveillance. Om te voldoen aan de hoge eisen van de buitenwereld zijn ‘deugmensen’ constant bezig met zelfverbetering. Dat leidt weer tot verlies aan individualiteit, want het ‘betere zelf’ wordt collectief gedefinieerd, bijvoorbeeld in gestandaardiseerde termen van gezondheid, maar ook als de juiste mening, schoolprestaties, BMI of Cito-score. “… Doorgaande disciplinering leidt tot gestandaardiseerde mensen, waarbij creatieve paradijsvogels niet meer mogen voorkomen…’ (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley). Wie God afschaft, brengt de hel dichterbij. Zie Hannah Arendt.

 

Oliver O’Donovan

Volgens de anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan (geb. 1945) hebben de Bijbelse straffen niet betrekking op een uitwisseling, transactie of betaling (exchange), maar op een passend antwoord op gedaan kwaad. Gods straf is geen wraak en evenmin slechts een middel om toekomstig kwaad te voorkomen; zij is een publieke daad van rechtvaardig oordeel die het gepleegde kwaad serieus neemt.

 

Onsterfelijkheid: gave van God

Er is in de kerkgeschiedenis enorm veel gespeculeerd over het leven na de dood. Het ‘annihilationisme’ is het geloof in de definitieve vernietiging – mogelijk door vuur – van de goddelozen (vandaar het woord ‘nihil’ in de aanduiding). “… De gelovigen ontvangen hun onsterfelijkheid als een gave, de ongelovigen niet …”. In de vroege christelijke geschriften, zoals de ‘Didachè’, wordt gesproken over twee wegen: één van het leven en één van de dood. Wie zich afwendt van het licht, kan alleen zichzelf beschuldigen van het duister waarin hij zich bevindt. “… Annihilationisme kwam op als een loot aan de humanistische stam. Een altijddurende straf zou inhumaan zijn en daarom niet passen bij Gods goedheid …”.

 

De sjeol

In het Oude Testament komen alle doden in het dodenrijk, de sjeol, terecht: “… Bij andere volken in de antieke wereld werd de onderwereld bevolkt door een of meer goden, dus bleef de geest van de dode op de een of andere manier met de godenwereld verbonden. Zo niet onder Israël, dat de ene God belijdt. Hij woont in de hemel …”. Aan de andere kant wijzen enkele teksten erop dat God zelfs in het dodenrijk kan ingrijpen: “ … Niemand die vlucht zal ontsnappen; niemand die ontsnapt zal ontkomen. Al kruipen ze de onderwereld in, Ik breng ze naar boven; al klimmen ze op naar de hemel, Ik haal ze naar beneden …” (Amos 9:1-4). “… Vergelijk Psalm 139:8, waarbij de vraag is of het voor de dichter goed of slecht nieuws is dat JHWH hem overal ziet …”. In het Nieuwe Testament is er sprake van het dal van Hinnom, in het Grieks aangeduid als Gehenna, bij Jeruzalem, waar het laatste oordeel zal plaatsvinden. Het wordt aangeduid als ‘Moorddal’ omdat het verbonden is met de dood vanwege de Molochcultus en de daarbij behorende kinderoffers (Jer. 7:31-32). Vroegjoodse rabbijnen lokaliseerden hier ‘de poorten van Gehenna’, ofwel de ingang tot de onderwereld. De gnostische geschriften leggen eveneens expliciet een verbinding tussen de Olijfberg en Gehenna, evenals de islam, die de hel situeert tussen de Olijfberg en de Tempelberg, Haram al-Sharif. Nieuwtestamentische teksten over de Gehenna wijzen eerder op de dood als straf dan op een straf ná de dood. Zie Mat. 10:28. Veel nieuwtestamentische teksten wijzen op de straf van vernietiging en verloren gaan in een vuur dat niet kan worden uitgeblust, maar niet op eeuwigdurende pijniging. Zie Mat. 3:12 en Mat. 13:30. De straf is de dood. De wormen die ‘blijven knagen’ (Marc. 9:44, 48) zijn de wormen die zich tegoed doen aan de lijken.

 

De grote scheiding

Uit diverse gelijkenissen blijkt dat engelen bij het eindoordeel een scheiding zullen voltrekken tussen ‘kwaadwilligen’ en ‘rechtvaardigen’. De kwaadwilligen kijken ‘jammerend en knarsetandend’ toe hoe de rechtvaardigen het koninkrijk van hun Vader mogen binnengaan, waar zij zullen stralen als de zon (Mat. 13:42). Steeds gaat het over de ‘afwijzing’ en het ‘buiten blijven staan’ van de onrechtvaardigen. Zie bijvoorbeeld de gelijkenis van de wijze en dwaze meisjes. De olie in de lamp wijst volgens Huijgen op de ‘gehoorzaamheid’, en wel aan de Bergrede - die gehoorzaamheid is niet overdraagbaar. Zie ook de gelijkenis van de koninklijke bruiloft: de man zonder ‘bruiloftskleed’ wordt uit de feestzaal gegooid. Denk ten slotte aan Petrus, die na zijn verraad ‘bitterlijk huilde’, maar later toch weer werd aangenomen.

 

Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch

Het ‘annihilationisme’ gelooft in ‘de totale vernietiging’ van zondaren in het hiernamaals. De hel betekent: dood is dood. Maar in de filosofisch sterk onderbouwde tv-serie ‘The Good Place’ is de hemel ook niet alles, want onnoemelijk saai: “… eindeloze perfectie levert eindeloze verveling op…”. Eveneens is het op aarde niet altijd even leuk. Wat als ‘het grote niets’ al in dit leven begint? Denk aan het apocalyptische schrikbeeld van klimaatverandering of, vanwege de oorlogen, aan een wereldomvattende nucleaire ramp. Dreigende catastrofes duiden erop dat de mens God niet nodig heeft om vernietigd te worden; we kunnen dat heel goed zelf. “… Paradoxaal genoeg roept de ultieme catastrofe de neiging op er spektakel van te maken om deze op afstand te plaatsen…”. Zie de films 'Don't Look Up' (2021) en Lars von Triers ‘Melancholia’ (2011). De apocalyps is allang gaande. Filosoof Walter Benjamin: “… juist het feit dat alles zo doorgaat maakt de catastrofe. Het is geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar juist een continuering van de status quo…”. De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen. Sterker nog, de geschiedenis is een aaneenschakeling van catastrofes. Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch. “… De fossiele brandstoffen die massaal worden opgepompt en verbrand, zijn getuigen van eerdere catastrofes die de aarde troffen. De stichting van de staat Israël in 1948 kwam mede tot stand vanwege de gruwelijke moord op de Joden in de Shoah. Veel Palestijnen duiden die stichting aan als de Nakba, de ramp…”. Even verder: “… In het verleden zorgden enorme vulkaanuitbarstingen voor misoogsten en zorgde de ‘kleine ijstijd’ voor lagere productie. Bovendien leven we na de enorme ontbossing van het Amazonegebied en daarvoor van Europa. Mensen zijn bij uitstek in staat rampen te accepteren en zelfs als kansen te zien: nu Siberië heel andere temperaturen kent, wordt de grond misschien wel geschikt voor landbouw…”. Vernietiging is de standaardoptie in dit leven, aldus Huigen. Redding is door de vernietiging heen komen, aan het verderf ontheven worden. Zie het evangelie van Johannes. “… Daarin zijn oordeel en verderf geen toekomstige, maar huidige realiteiten: wie niet gelooft, is reeds veroordeeld (Joh. 3:18)…”. Wanneer God mensen aan zichzelf overlaat, storten ze zich uit zichzelf in het verderf. Verloren-zijn is onze huidige staat, geen toekomstige toestand. “… Verloren is niet wie later veroordeeld wordt, maar wie nu niet gelooft…”.

 

Tommy Wieringa

De wereld zal volgens Petrus vergaan door vuur. Uitgebreid analyseert Huijgen het thema ‘vuur’ in “Nirwana” van Tommy Wieringa, een roman over ‘hittestress’. Vuur is ‘een goede knecht, maar een slechte meester’. Het omvat zowel de kachel als Armageddon. Kunstenaars zijn vol vuur, mensen hebben vurig lief en de economische vuren mogen nooit doven. Het fascisme wordt beschreven als een onuitblusbaar vuur. Begeerte is een vuur dat niet te controleren valt. Met vuur vernietigen we alles wat we ons toe-eigenen, volgens de filosoof Giorgio Agamben. De ergste vorm daarvan is wanneer mensen zichzelf andere mensen toe-eigenen en hen zo ‘ontmenselijken’. “… Enerzijds moet het vuur blijven branden, anderzijds moet het worden getemd – en uiteindelijk dooft het uit…”, aldus Wieringa. Een personage raakt gefascineerd door de ‘Sokunshinbutsu’, de ‘levende boeddha’s’: oosterse monniken die tijdens een extreem proces van meditatie hun lichaam uitdroogden als een krent, tot de dood erop volgde. Wieringa toont de hel als een soort zelfontbranding van de mens.

 

Friedrich Nietzsche

Nietzsche zag het nihilisme als een onvermijdelijke dreiging aankomen rollen. Het gaat om een nieuwe fase in de Europese cultuur, na de afrekening met de christelijke moraal en met God, waarin de mens er alleen voorstaat in een volstrekt zinloze wereld, waarvoor geen alternatief bestaat. Het menselijke verlangen naar een andere wereld verdwijnt daarentegen niet. De enige drijvende kracht is volgens Nietzsche ‘de wil tot macht’, ook wanneer deze verpakt wordt als (christelijke) moraal. Er zal onvermijdelijk een strijd ontstaan tussen verschillende motieven, want er bestaat geen gedeeld ‘goed en kwaad’ meer. De grootste schreeuwerd wint. Wat goed en fout is, wordt een kwestie van opinie. De plaats van God is leeg, dus zal de mens die plaats innemen (zie “Het lege ik” van Jeffrey Satinover). Alles wat eerder tegen God in stelling werd gebracht, zal tegen de mens worden aangewend. De afschaffing van God leidt uiteindelijk tot de afschaffing van de mens. Nietzsches nihilisme betekent de hel op aarde. Huijgen: “… Wie het christelijke spreken over de hel gruwelijk vindt, moet onder ogen zien dat het nihilisme in alle opzichten net zo erg is…” Even verder: “… Het is veelzeggend dat hel en het toekomstig verderf in de paulinische brieven een marginale plek hebben en in het evangelie van Johannes zelfs geen enkele. Het verderf is de huidige realiteit van ellende en zonde waarin mensen zichzelf hebben vastgedraaid en waaruit Gods ingrijpen in Christus redt…”.

 

Vagevuur en universalisme

Huijgen bespreekt vervolgens diepgaand de geschiedenis van het vagevuur en het universalisme: de gedachte dat alle mensen uiteindelijk gered worden (zie bijvoorbeeld Rom. 5:18). “… De Reformatie werd geboren uit verzet tegen het vagevuur, specifiek tegen de zogenaamde aflaten, de mogelijkheid om door gebeden en financiële bijdragen de tijd in het vagevuur voor geliefden te bekorten …”. Hij concludeert dat de gedachte aan een ‘reinigingsvuur’ in een tussentijd na de dood vreemd is aan het Nieuwe Testament. “… Reiniging en zuiverheid zijn wel belangrijke thema’s in de Schriften, maar in het leven hier en nu, niet in een tussentoestand hiernamaals …”. Ook het universalisme kan zich niet overtuigend op het geheel van het Nieuwe Testament beroepen. Alle drie de visies op de hel — de traditionele leer, het annihilationisme en het universalisme — kunnen met Bijbelteksten worden onderbouwd, zowel pro als contra. Wat weten wij, kleine mensen, nu helemaal? - dacht ik. Voor een leek als ik is het vooral verbijsterend hoe theologen in de loop der eeuwen de leer van de hel tot in het minutieuze hebben uitgeplozen en afgekloven. Ik begon me werkelijk af te vragen wat we eigenlijk opschieten met zoveel uitputtende muggenzifterij. Misschien is het commentaar van H. Berkhof nog wel het meest aansprekend: “… In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn …”

 

‘Nederdaling ter helle’ in de kunst

Alle bla-bla verstomt gelukkig in de kunst die Huijgen erbij betrekt. Prachtig is zijn uitleg over de paasicoon van de Sienese schilder Duccio di Buoninsegna, de zogenaamde ‘Maestà’, het dubbelzijdige altaarstuk dat hij tussen 1308 en 1311 schilderde voor het hoofdaltaar van de Duomo van Siena (zie de omslag van het boek). Afgebeeld is Christus’ ‘nederdaling ter helle’. Huijgen vergelijkt dit altaarstuk met de moderne installatie ‘Descent into Limbo’ van Anish Kapoor uit 1992: de hel als een peilloos diep gat, dat een oneindige val suggereert in de pure leegte, het absolute nulpunt, of mogelijk zelfs een poort naar een andere dimensie.

 

Michel Houellebecq

Voor Huijgen is de hel allereerst de ervaring van eenzaamheid en godverlatenheid, als de hel van het niets en de dood. Dát is de hel waarvan Christus bevrijdt: “… Zonde maakt de mens eenzaam: deze begint namelijk bij de mens die als God wil zijn en daarom Gods God-zijn niet kan verdragen. Daardoor vervreemdt de mens niet alleen God van zich, maar ook andere mensen, die immers concurrenten zijn voor de vacant geachte positie van God. De zondige mens is, zo stelt Luther, ‘incurvatus in se’: ‘in zichzelf gekromd’, egoïstisch en eenzaam…”. Nog erger is het als je zelfs voor jezelf niets meer betekent – zie de moderne literatuur na WO II. “… Het typisch moderne accent op eenzaamheid en op het niets wordt scherp verwoord door de Franse literator Michel Houellebecq…”. Zijn laatste boek, “Anéantir”, lijkt wat slap na zijn heftige oeuvre, maar misschien is het uitdoven ernstiger dan het opvlammen. De hoofdpersoon wordt opgevreten door de kanker. “… Hoe dan ook gaat het bijbels en theologisch om veel meer dan alleen een ‘hiernamaals’…”.

 

Leven en dood

Volgens de Bijbel is Jezus ‘de opstanding in persoon’. Jezus is ‘het leven zelf’. Jezus geeft het ‘eeuwige leven’. Dit leven ‘heeft’ ieder die gelooft. Opstanding betekent niet dat mensen uit de wereld worden weggeroepen, want die wereld is van God, maar dat mensen worden bevrijd ‘uit de vervreemding van God’. De dood is de ultieme vervreemding: “… Gods tegenstander, de duivel, knijpt mensen het leven af door hen in bezit te nemen, te isoleren van de gemeenschap en zich onmenselijk te laten gedragen. Jezus bevrijdt van deze bezetenheid door mensen hun waardigheid en hun sociale context terug te geven…”. Even verder: “… De hel is de vernietiging waar de macht van de dood toe leidt, het gebrek aan leven dat zich nu al aandient, bijvoorbeeld in de vorm van wat de christelijke traditie ‘acedia’ noemt: de zonde van de traagheid. Daarmee wordt een gevoel van onlust aangeduid, ennui, verlies van zin, aandacht en liefde, een compleet gebrek aan vreugde. Zoals geloof in Jezus Christus nu vreugde geeft in Hem, als voorsmaak van de volle vreugde die komt, zo smaakt acedia naar de hel: zelfs wat je voorheen vreugde gaf, wordt dof. Alles raakt uitgedoofd en uitgeblust in een alomvattende lethargie. Als geestestoestand manifesteert de hel zich nu al in de vorm van deze onlust…”. Huijgen: “… De mogelijkheid van ondergaan in het niets is huiveringwekkend. Intussen is deze gedachte niet aan het christelijk geloof voorbehouden. Ze komt ook voor in nihilistische manieren van denken die in westerse culturen voorkomen: uiteindelijk heeft het leven geen andere zin dan de zin die mensen eraan geven, maar daaronder en daarachter dreigt het grote niets…”. De hel is dan ook niet het tegendeel van de hemel, maar van het paradijs. In de middeleeuwen lag de gelukzaligheid in het zien van God. “… Wie denkt dat hij beter af is zonder God, staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het definitieve verlies van het zien van God…”.

 

C.S. Lewis

Huijgen bespreekt de scherpe en geestige allegorie “De grote scheiding” van C.S. Lewis. Zelf heeft de laatste het over ‘een theologische fantasie’. Ook bij Lewis is de hel een ‘state of mind’. Een engel biedt een schim aan om de rode hagedis, die als symbool van het kwaad op zijn schouder zit, te doden. Hij moet wel ‘ja’ zeggen. Zie ook de Amerikaanse theoloog William MacDonald die stelt "... dat er uiteindelijk slechts twee soorten mensen bestaan: ‘zij die tot God zeggen: “Uw wil geschiede”, én zij tot wie God uiteindelijk zegt: “Uw wil geschiede”. God geeft de mens vrijheid…”. Ieder mens krijgt wat hij of zij wil. De mens kiest zelf voor de hel. Huijgen vindt dat veel te kort door de bocht: het maakt de mens zelf tot een soort god. De mens overziet zijn leven en zijn toekomst immers niet.

 

Licht in de duisternis

Degene die je door en uit de hel redt, is Jezus Christus: “… De hel blijkt het negatieve te zijn van de realiteit die Christus presenteert. Christus is de weg, de waarheid en het leven; de hel is de dwaalweg, de leugen en de dood…”. Hij is ‘het licht in de duisternis’ – zie Joh. 8:12. “… Dat Jezus het licht voor de wereld is, sluit aan bij wat Genesis 1 zegt over Gods roepen van het licht als begin van zijn scheppingsactiviteit…”. Zie ook het verhaal over de genezing van de blinde, waarbij zowel de ogen van zijn lichaam als die van zijn hart worden geopend (Joh. 9:5). De schellen vallen hem van de ogen. Je kunt simpel de verbinding met Christus zoeken door middel van gebed. Wie het licht volgt, loopt nooit meer in duisternis (Joh. 8:12). In de Bijbel staat ‘waarheid’ tegenover ‘leugen’. “… De hel betekent overgelaten zijn aan de leugens van deze wereld…”. Aan verhalen die als zeepbellen uit elkaar spatten: de pot goud aan het eind van de regenboog. Als waarheid niet bestaat, kan wit ook zwart zijn en goed ook fout, verschillend van moment tot moment. Er is namelijk geen vast punt waaraan de werkelijkheid refereert.

 

The Waste Land

Als laatste bespreekt Huijgen het gedicht “The Waste Land” (Het barre land) van T.S. Eliot – een symbool van de hedendaagse hel. Het schildert Londen als een moderne hellestad. “… De Theems geeft Londen niet langer leven, maar is de hellerivier waarop afval drijft. Een zielloze mensenmassa stroomt als zombies over London Bridge, op weg naar hun kantoorbanen die geregeerd worden door de klok. Het is koud en mistig. Alle kleur is uit de stad gezogen, behalve een viezig bruin…”. Apathische mensen worden overladen met data, gestuurd door techniek en verliezen de lust tot leven. De eindeloze stroom aan lege informatie maakt dat de onzinradar tot vermoeiends toe geactiveerd is. Tegen deze barre achtergrond verhaalt het gedicht van een zoektocht naar vruchtbaarheid en nieuw leven, naar geestelijk water in een desolaat berglandschap van rotsen en zand. “… De hoofdpersoon gaat uiteindelijk de confrontatie met de dood zelf aan bij een verlaten kapel zonder ramen, die de vervallen staat van het christendom verbeeldt…”. Waar het eerst windstil was, begint zomaar ineens de deur van de kapel te klapperen.  “… Het christelijk geloof is geen kalmerend of juist stimulerend middel, maar een manier van hopen om het in een hopeloze wereld uit te houden…”.

 

Uitgave: Kok Boekencentrum – 2026, 384 blz., ISBN 978 904 354 341 5, € 32,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

maandag 17 augustus 2026

De broers Karamazov – F.M. Dostojevski

 


Op alle boekenlijsten die je maar kunt bedenken, komt de laatste grote roman van de geniale Russische verteller Fjodor Dostojevski (1821–1881) voor: “De broers Karamazov” (1879/1880) – en eindelijk heb ik hem gelezen. Je moet er wel even voor gaan zitten: zijn meesterwerk beslaat bijna duizend bladzijden. Het is een misdaadroman waarin de meest uitzinnige karakters de revue passeren. Het is evengoed een familieroman waarin een liederlijke, wellustige, hebzuchtige, leugenachtige vader het leven van zijn soms bijna karikaturale zonen onmogelijk maakt. En het is ook nog een diepreligieuze c.q. filosofische klassieker, met zinderende debatten en een vleugje horror. Iemand noemde Dostojevski ooit 'de Shakespeare van het gekkenhuis'; daar kan ik volledig mee instemmen. Je kunt er maar beter een papiertje bijhouden om de namen van de personages te noteren, want het zijn er veel en ze worden ook nog steeds anders genoemd (afhankelijk van wie iemand aanspreekt en in welke situatie). Eerder recenseerde ik van Dostojevski: “De speler”, “Misdaad en straf”, “De dubbelganger” en “Witte nachten / Ondergrondse notitie”.

 

Gezinsachtergrond

Ik ga snel door de familieomstandigheden van de Karamazovs, om wat langer stil te staan bij de drie theologische discussies die voor mij de hoogtepunten van het boek vormden. Dostojevski , die zichzelf nadrukkelijk in het verhaal schrijft, vertelt dat hij het wil hebben over een achterbakse, verlopen landheer die precies dertien jaar geleden op een tragische en duistere manier aan zijn einde kwam: Fjodor Pavlovitsj. Hij heeft drie zonen: Dmitri/Mitja/Mitjenka van zijn eerste vrouw, een heetgebakerde tante die haar ontuchtige man zo nodig om de oren sloeg, en Ivan/Vanja plus Aljosja/Aleksej van zijn tweede vrouw, een geestelijk kwetsbare schoonheid die aan de ‘gilziekte’ leed, dat wil zeggen: af en toe hysterische buien had. Beide echtgenotes overleden jong. De jongens werden door anderen opgevoed, omdat hun meestal dronken vader al gauw vergat dat ze bestonden, druk als hij was met ‘achter de wijven aanzitten’. Dmitri is inmiddels 28 en een heetgebakerde ex-militair annex onverbeterlijke boemelaar. Ivan is 24 en een hautaine atheïstische geleerde. Aljosja (volgens Dostojevski zelf de hoofdpersoon van het verhaal)  is 20 en heeft zich bij het klooster gemeld om onder de hoede van starets Zosima monnik te worden. Zijn enige verlangen is om uit de duisternis van de wereld op te stijgen naar het licht. Er zit geen greintje kwaad in die jongen – hij doet mij vooral aan Francesco denken (zie mijn vorige blog). Eigenlijk is het Grigori, de ‘eeuwige’ bediende, die het huishouden nog een beetje bij elkaar houdt: een chagrijnige, domme en halsstarrige zedenprediker. Omdat Dmitri, die geld nodig heeft, zijn deel van de erfenis opeist, en de heren Karamazov niet in staat zijn over financiën te praten zonder elkaar de hersens in te slaan, stelt Aljosja voor om dat onder het toeziend oog van de starets te doen. Iedereen stemt daarmee in.

 

Over het overwinnen van ongeloof

Tijdens het bezoek van de Karamazovs aan de starets schaamt Aljosja zich dood voor zijn vader, die geen ogenblik zijn grote waffel kan houden en zich aanstelt als een pias. Papa definieert zichzelf als ‘bijna net zoiets als een heilige idioot’: “… ik wil niet ontkennen dat er een onreine geest in me huist, eentje van een klein kaliber trouwens, een grotere had wel een andere behuizing gekozen, alleen zeker niet bij u, Pjotr Aleksandrovitsj, want u stelt ook niet veel voor…”. Uitgebreid vertelt Dostojevski over de mensen die bij de starets om raad komen vragen. Een dame bekent dat ze niet in de onsterfelijkheid (en dus ook niet in God) gelooft: “… Hoe kun je het bewijzen, hoe moet ik overtuigd raken?...”. Daar zijn door de eeuwen heen talloze antwoorden op gegeven. Te bewijzen valt er natuurlijk niets, zegt de starets, maar het is wel mogelijk om overtuigd te raken. En wel door de liefde: door te proberen de naaste actief en onvermoeibaar lief te hebben. “… Als u in de naastenliefde het stadium van de volledige zelfopoffering hebt bereikt, dan gelooft u pas echt, en dan zal er nooit meer enige twijfel uw hart binnensluipen. Dat is bewezen, dat is waar…”. Wel iets om over na te denken, en misschien zelfs uit te proberen, toch?!

 

Het eerste debat

Ondanks dat Ivan niet gelooft, schrijft hij ‘voor de grap’ artikelen over theologie. Het eerste debat gaat, naar aanleiding van een boek inzake kerkelijk recht, over de vraag of de kerk staat moet worden, of de staat kerk. Dat klinkt in deze context misschien wat abstract, maar als de kerk opgaat in de staat, zal ze zo verwateren dat er niets van haar overblijft. Wordt de staat daarentegen kerk, dan is dat zoiets als dat de paus het voor het zeggen krijgt. In feite gaat de discussie dus over de scheiding tussen staat en kerk. Dostojevski zelf zag het laatste als de grootste voorbestemming van het Russisch-Orthodoxe geloof op aarde: “… Vanuit het oosten zal die ster gaan stralen…”. Mensen als Beatrice de Graaf denken dat deze religieuze gedachte ook achter Poetins veroveringstechniek van Oekraïne zit: 'Moskou als het derde Rome'. Ivan gaat door met zijn stokpaardje: wanneer het geloof in de onsterfelijkheid verdwijnt, zal niet alleen de liefde opdrogen (als goddelijke opdracht), maar ook elke drijvende kracht om het leven op aarde voort te zetten. Zie de tegenwoordige ‘baarschaamte’ bijvoorbeeld. Zonder geloof is een ‘schurkachtig egoïsme’ niet alleen geoorloofd, volgens hem, maar zelfs noodzakelijk: het recht van de sterkste. Dan zal niets meer amoreel zijn. Goede literatuur roept altijd meer vragen op dan ze beantwoordt. Heeft Ivan in ieder geval niet ‘een beetje’ gelijk? Zijn wij zonder God niet overgeleverd aan onze 'hartstochten'?

 

Is er schoonheid in Sodom?

Enfin, papa wordt er niet alleen van beschuldigd dat hij geld van zijn kinderen achterover heeft gedrukt; hij blijkt ook nog eens op dezelfde sloerie verliefd te zijn als zijn zoon Dmitri, die zijn officiële verloofde zelfs de bons wil geven – en het lijkt erop dat Ivan klaarstaat om haar in te pikken zodra ze weer vrij is. Drama, drama. Daar kan alleen maar moord en doodslag uit volgen, voorspelt een vriend van Aljosja, want een Rus die verliefd wordt, is in staat zijn vader en moeder voor zijn duifje te verkopen. Dmitri: “… ik weet nog steeds niet of ik in de stront en de schande ben beland of in het licht en de vreugde. Dat is de ellende juist, want alles op de wereld is een raadsel! …”. Even verder: “… Een hoogstaand mens begint met het ideaal van de Madonna en eindigt met het ideaal van Sodom. Wat zich aan de geest voordoet als schandalig, dat is voor het hart pure schoonheid. Is er schoonheid in Sodom? Reken maar van wel, voor de overgrote meerderheid der mensen – kende je dat geheim soms niet? …”.

 

Stinkermans

Thuis loopt er nog een vierde jongeman rond, van wie gedacht wordt dat hij ook weleens een zoon van de oude Karamazov zou kunnen zijn. Hij blijkt het kind van een verwilderd, zwakzinnig vrouwtje dat als ‘dwaas van God’ in het hele stadje geen kwaad kon doen. Op een dag werd het duidelijk dat ze zwanger was, dus moest ze wel verkracht zijn (ze kon het niet vertellen, want ze kon niet eens praten). De meesten wisten maar één iemand te bedenken die tot zo’n schurkendaad in staat was: Fjodor Karamazov. Bij hoog en bij laag bleef hij ontkennen de vader te zijn. Ze kreeg haar baby evenwel op zijn erf en liet daarbij het leven. Grigori en zijn vrouw namen de vondeling in huis. Ze noemden hem Pavel en leidden hem op tot kok. Later kreeg Pavel ook een achternaam: Smerdjakov (‘Stinkermans’), misschien wel juist omdat hij zich ontwikkelde tot een norse fat die drie keer per dag zijn pak afborstelt en rondloopt op blinkend gepoetste schoenen. Hij deed me vooral aan Gollem (‘Sméagol’) denken. In zijn puberteit kreeg hij last van de 'vallende ziekte' (Dostojevski leed zelf aan epilepsie). Af en toe kan hij wel tien minuten ergens stil gaan staan (zie het schilderij van Kramskoj), diep in contemplatie verzonken (sommige epileptici ervaren hun aanvallen als spiritueel).

 

Hysterisch vrouwvolk

Dostojevski, die een geweldige psycholoog is, beschrijft hoe Aljosja zich door iedereen laat gebruiken als praatpaal en klaagmuur. Broertje Dmitri stuurt hem zelfs met een brief naar diens angstaanjagende, bazige, zich aan iedereen superieur wanende, steenrijke verloofde, Katarina Ivanovna, oftewel Katja. Ze gelooft zo in haar eigen deugdzaamheid dat ze het in haar hoofd heeft gehaald Dmitri te ‘redden’: hij is niet te min voor haar. Aljosja schrikt zich te pletter als hij in haar huis ook nog eens haar rivale aantreft, Groesjenka, een echte tokkie, en meemaakt dat beide dames elkaar als duivelinnen in de haren vliegen. De voorname Katja woont bij mevrouw Chochlakova en haar dochter Lise; een hysterische puber die in een rolstoel zit en haar kalverliefde op Aljosja botviert. Ze hoeft hem maar te zien en ze krijgt oncontroleerbaar de slappe lach, zoals alleen tieners zich dat straffeloos kunnen permitteren. Dostojevski beschrijft met enorm veel humor hoe moeder en dochter met elkaar omgaan. Als Aljosja bij hen op bezoek is, zit Lise het gesprek achter een deur af te luisteren en kwettert ze allerlei commentaar door een kier. Wanneer er gepraat wordt over iets wat er staat te ‘gebeuren’: “… Met wie, met wie? riep Lise. Mama, u wilt me zeker dood hebben. Ik vraag u wat en u geeft geen antwoord…”. Op dat moment stormt het dienstmeisje binnen met de mededeling dat Katja vanwege haar liefdesperikelen, die door de achter haar rug konkelende vrouwen in haar omgeving natuurlijk watertandend worden gevolgd, over haar toeren zit te huilen in haar kamer: “ … Wat! schreeuwde Lise, ditmaal met bezorgdheid in haar stem. Mama, ik word dadelijk hysterisch, en niet zij! – Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo, heb mededogen met me. Je bent nog op een leeftijd waarop je niet alles hoeft te weten wat de volwassenen weten, ik vlieg erheen – ik zal je alles vertellen wat ik je zeggen kan. O, lieve hemel! Ik vlieg, ik vlieg… Hysterie, dat is een goed teken, Aleksej Fjodorovitsj, dat is uitmuntend, dat ze hysterisch is. Dat is precies wat ze nodig heeft. In zo’n geval ben ik altijd tegen de vrouwen, tegen al die hysterie en vrouwentranen. Julia, ga eens gauw zeggen dat ik vlieg…”. En als een tegenstrijdig vat vol ontploffend vuurwerk: “… Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo! Ach ja, jij schreeuwt niet, ik schreeuw, vergeet je lieve moeder, maar ik ben zo opgewonden, zo opgewonden, zo ontzettend opgewonden!...”. Als haar moeder eindelijk weg is, wil Aljosja de deur opendoen waarachter Lise zich verborgen houdt: “… Geen denken aan, schreeuwde Lise, geen denken aan! Praat maar door de deur heen. Waarom vinden ze u opeens zo’n engel? Dat is het enige wat ik nog wil weten. – Door een ontzettende stommiteit, Lise! Vergeef me. – Heb niet het hart zo weg te gaan! schreeuwde Lise weer…”.

 

Het tweede debat

Tegelijk loopt er een ongelooflijk sentimenteel verhaal door het boek over een jongetje dat gepest wordt en voor wie Aljosja het opneemt, zodat zijn aartsvijanden, wanneer hij doodgaat, zijn beste vriendjes zijn geworden. Dat is óók Dostojevski. Wat je verder van de Karamazovs vindt, ze blijken wel heel erg van kinderen te houden. Ivan wil God het toegangskaartje tot het leven teruggeven omdat hij niet kan aanzien hoe onschuldige kinderen lijden. Hij somt een serie door mensen veroorzaakte monsterlijke gruwelen op (Dostojevski verzamelde bizarre krantenberichten). De mens is de mens een wolf: er bestaat geen gewelddadiger wezen. Hij vertelt Aljosja tijdens het tweede grote debat het wereldberoemde — mag ik wel zeggen — verhaal van ‘De grootinquisiteur’, dat zich afspeelt “… in Spanje, in Sevilla, in de ergste tijd van de inquisitie toen er in het land dagelijks ter ere van God brandstapels vlamden en in schitterende autodafé’s de boze ketters brandden…”. Christus komt een ogenblik terug op aarde om de kathedraal te bezoeken. Het is alsof het volk Hem woordeloos herkent. De uitstraling van Zijn liefde doet de harten van de mensen ontwaken en ze antwoorden met wederliefde. Dat is in één zin de hele religie van Dostojevski. De grootinquisiteur is ‘not amused’, neemt Jezus gevangen en gooit Hem in een kerker. ’s Nachts gaat de grootinquisiteur met Hem in gesprek. Waarom loopt Hij de kerk voor de voeten? Waarom komt Hij de christenen storen? Hij heeft zelf het gezag aan de paus overgedragen, dus Hij moet niet denken dat Hij dat terugkrijgt. Voortaan heeft de clerus het voor het zeggen en dat vindt het volk alleen maar fijn, want dan hoeft het zelf niet na te denken. De mensen kunnen de vrijheid Gods helemaal niet behappen: “… zodra de mens vrij is geworden, is zijn eerste en dringendste zorg zo gauw mogelijk iets vinden waarvoor hij kan knielen…”. En het liefst allemaal samen. Daarom bestrijden ze elkaar te vuur en te zwaard. Als de goden uit de wereld zijn verdwenen, zullen ze voor idolen vallen. Verander stenen in brood en de hele mensheid rent achter je aan. Tegelijk moet je zijn geweten sussen, want hij wil ergens voor leven. Zie de hedendaagse zingevingscrisis, zou ik zeggen. “… Jij verlangde de vrije liefde van de mens, dat hij jou uit vrije wil volgde, door jou betoverd, in jouw ban…”. Volgens de grootinquisiteur zijn er drie voor de mens onweerstaanbare krachten die Jezus willens en wetens heeft verworpen: het wonder, het mysterie en de autoriteit. Tijdens de verzoeking in de woestijn had Hij van het dak van de tempel moeten springen om zich door engelen op te laten vangen. De mens zoekt niet zozeer God als wel wonderen, aldus de grootinquisiteur. Jezus wees alle koninkrijken van de aarde af. Nou, de kerk niet: “… wij hebben Rome van hem (de duivel) aangenomen en het zwaard van de Caesar en hebben onszelf tot koningen der aarde verklaard, tot de enige koningen, hoewel er tot op heden nog steeds niet in zijn geslaagd ons werk te voltooien…”. De behoefte om de hele wereld te verenigen is de derde en laatste kwelling van de mensen, zegt de grootinquisiteur. Utopia: “… Altijd heeft de mensheid in haar geheel gestreefd naar een de gehele wereldomspannende orde…”. Zie de huidige globaliseringsgedachte. Als de grootinquisiteur uitgepraat is en wacht op het antwoord van Jezus, loopt deze naar hem toe en kust hem “… op diens bloedeloze negentigjarige lippen…”.

 

Over het individualisme

Voordat de starets overlijdt, houdt hij Aljosja en zijn medebroeders voor dat het paradijs verborgen ligt in hun hart. Diep het op en leef het uit, adviseert hij. “… Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf niet ook echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken…”. Het paradijs zal komen, maar eerst moeten we nog door een periode van ‘vereenzaming’ heen, profeteert de starets: “… een ieder streeft er nu naar zijn persoon zoveel mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot…”. Maar uiteindelijk komt alles goed: “… het zal zo geschieden dat zelfs onze meest verdorven rijkaard zich uiteindelijk tegenover de armen voor zijn rijkdom zal schamen, en als de arme die nederigheid ziet, zal hij hem begrijpen en hem zijn rijkdom gunnen, en hij zal met vriendelijkheid antwoorden op de terechte schaamte van de ander…”. De oplossing is ‘liefde’. Altijd ‘nog meer liefde’.

 

De verschrikkelijke kracht van de liefde

Het mysterie van de liefde kan ontsloten worden door te beginnen met een heel klein dingetje lief te hebben en dat elke dag uit te breiden, tot je tenslotte de hele wereld liefhebt met een totale, wereldwijde, alomvattende liefde. De starets begrijpt heel goed dat de soms onbeschrijflijke zonden van de mensheid je woest kunnen maken. Maar je hebt een keus: tussen geweld en liefde. Neem een weloverwogen besluit, zegt hij. Neem je voor altijd voor ‘nederige liefde’ te gaan: “… Nederigheid en liefde vormen een verschrikkelijke kracht, de sterkste van allemaal, die zijn gelijke niet kent…”. De monniken moeten hun licht laten schijnen. Een ander had zijn schurkenstreek wellicht niet gepleegd als hij jouw licht had gezien. Wij zijn verantwoordelijk voor elkaar en voor elkaars zonden. Ook degenen die het christendom verwerpen zijn tot op de huidige dag niet in staat gebleken om een hoger beeld van de mens en zijn waardigheid te scheppen dan het beeld dat van oudsher door Christus is gegeven, aldus de starets. Hem moeten we navolgen. Je kunt geen rechtvaardige wereld scheppen en tegelijk Christus verwerpen. Het zal uitlopen op een bloedbad, waarschuwt hij: “… want bloed roept bloed op, en allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen…”. Tevens moeten wij God om ‘vrolijkheid’ vragen, aldus de starets: “… Kus de grond, heb onvermoeibaar, onverzadigbaar lief, heb allen lief, heb alles lief, zoek die vervoering en verrukking…”. De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat.

 

Extase

Direct na deze ernstige preek maakt Dostojevski al het voorgaande weer belachelijk door te beschrijven hoe het lijk van de dode starets begint te stinken. Volgens de gelovigen kan dat helemaal niet, want heiligen zijn niet aan bederf onderhevig. De ongelovigen verheugen zich, en sommige gelovigen zelfs nog meer, want “… de mensen houden van de val eens rechtschapene en van zijn ongenade…” (wijlen de starets). In het begin durft niemand er iets over te zeggen, maar uiteindelijk is de geur niet meer te harden. Zelfs Aljosja raakt in de war. Die nacht loopt hij naar buiten en valt hij in extase op de aarde, als in een omhelzing: “… hij huilde in zijn vervoering zelfs om de sterren die vanuit het uitspansel naar hem straalden…”. Het is alsof de draden van al die talloze werelden Gods tegelijk in zijn ziel samenkomen. Zijn ziel beeft bij de aanraking met die andere dimensies. Hij lijkt een soort Paulus-ervaring te ondergaan. “… Als een zwakke jongeling was hij ter aarde gevallen, als een voor de rest van zijn leven onverzettelijk strijder stond hij op…”. Even verder: “… ‘Toen is mijn ziel door iemand bezocht’, zei hij later, vast overtuigd van zijn eigen woorden…”. Drie dagen later verlaat hij het klooster voorgoed, “… wat in overeenstemming was met de woorden van wijlen de starets, die hem had opgedragen ‘in de wereld te verkeren’…”.

 

Moordverdachte

Op een nacht wordt Fjodor Pavlovitsj morsdood vanwege een gespleten schedel aangetroffen in zijn kamer. Op de grond liggen een verdwaalde roze strik en een opengescheurde, lege envelop waar drieduizend roebel in gezeten moet hebben, gericht aan zijn ‘kuikentje’ Groesjenka. Wie, o wie, is de moordenaar? In eerste instantie krijgt Dmitri de schuld, want hij is diezelfde nacht over de schutting van zijn ouderlijk huis geklommen, met een koperen stamper waarmee hij de bediende Grigori bewusteloos heeft geslagen, nadat die hem tijdens zijn actie betrapte. Bovendien is hij daarna door ettelijke personen gezien, onder het bloed en met een pakket geldflappen in zijn hand. Daarnaast heeft hij de week ervoor tegen iedereen die het maar horen wilde verkondigd dat hij zijn vader ging vermoorden. Dmitri wordt opgepakt en belandt in de gevangenis om zijn rechtszaak af te wachten.

 

De dubbelganger

Er zijn heel veel commentaren over “De gebroeders Karamazov” geschreven. Een van de mooiste vind ik die van de filosofen K.J. Popma en H.E.S. Woldring uit 1979: “Monniken en moordenaars”. Zij gebruiken het dubbelgangersmotief om Dostojevski’s mensbeeld te begrijpen: de mens die in zijn dubbelganger zichzelf ontmoet en tegelijk een figuur die zijn identiteit bedreigt en vernietigt. In de mens huist zowel de hemel als de hel, leeft een witte en een zwarte wolf. Wie geef je te eten? (Zie ook Jung en zijn visie op de ‘schaduw’, of Prediker 7:20) Als je erop gaat letten, zie je inderdaad hoe het wemelt van de in zichzelf verdeelde personages. Zelfs Aljosja’s vriendinnetje Lise zit op zeker moment ‘bleekgeel’ en compleet gestoord in haar rolstoel wanneer hij haar opzoekt. Ze wil dat iemand haar ‘kwelt’. Ze wil kwaad doen. Ze heeft zin om het huis in brand te steken. Ze wil een echtgenoot die ze haar leven lang met de zweep kan geven. Ze leest slechte boeken. Ze vindt het prachtig dat Dmitri zijn vader heeft vermoord. Ze haat iedereen. Ze wil zichzelf vernietigen. Ze droomt van duivels: “… ontzettend grappig, doodeng…”. Ze heeft erg genoten van een verhaal over een gemartelde Joodse kleuter. Ze heeft een brief aan Ivan geschreven die Aljosja vlug-vlug naar zijn broer moet brengen. Als Aljosja vertrekt en je net denkt dat hij met een wel héél aanstellerig wicht van doen heeft, beschrijft Dostojevski doodgemoedereerd hoe Lise de klink van de deur weer opent, haar vinger in de spleet stopt en de deur zo hard mogelijk dicht knalt. Vervolgens gaat ze aandachtig zitten kijken naar het bloed dat van onder haar nagel drupt, terwijl ze met trillende lippen heel snel fluistert: “… gemeen kreng, gemeen, gemeen, gemeen kreng!…”

 

Schuldvraag

Dmitri blijft ondertussen volhouden dat hij de moord niet heeft gepleegd, maar er desondanks voor wil boeten, omdat hij het wél gedaan had kunnen hébben. Smerdjakov, die op het moment suprême in bed lag vanwege een epileptische aanval, en Ivan, die onverwachts blijkt te zijn teruggekeerd van een reis naar Moskou, zijn net zo goed verdachten. Het is mij een raadsel waarom criticus Karel van het Reve schrijft dat de lezer, wanneer het boek uit is, nog steeds niet weet wie het gedaan heeft: “… Dus net omgekeerd als bij ‘Misdaad en straf’: daar weet de lezer juist van het begin af aan wie de dader is…”. Als Ivan op een zeker moment verhaal gaat halen bij Smerdjakov, bekent die namelijk onomwonden dat hij de dader is en haalt hij ook nog eens het gejatte geld uit zijn kous. Zijn toeval was fake. Goed, Smerdjakov is dan misschien een krankzinnig en volkomen onbetrouwbaar figuur, maar dat gaat voor bijna alle personages op, gevangen als ze zijn in zichzelf. Het is iets anders dat Smerdjakov niet wordt veroordeeld, omdat hij, voordat het zover is, zelfmoord pleegt. Het is ook iets anders dat Smerdjakov Ivan ervan beschuldigt dat hij op diens initiatief heeft gehandeld. Ivan maakte hem wijs dat alles geoorloofd was omdat God niet bestond. Ivan gaf hem de opdracht en ging er zelf vandoor. Dostojevski maakt de moord feitelijk steeds duidelijker, terwijl hij de schuldvraag steeds onduidelijker maakt. Als geen ander laat hij zien dat juridische waarheid en morele waarheid niet noodzakelijk hetzelfde zijn.

 

Het derde debat

De derde grote discussie speelt zich af tussen Ivan en de duivel. Hij zit als een gentleman à retour thuis op hem te wachten. De dubbelganger bij uitstek: “… Nog geen moment houd ik je voor de realiteit, schreeuwde Ivan opeens, razend van woede. Jij bent een leugen, jij bent mijn ziekte, jij bent een spook. Ik weet alleen niet hoe ik je moet uitdrijven en ik denk dat ik je enige tijd moet verdragen. Jij bent een hallucinatie van me. Jij bent de belichaming van mijzelf, maar dan van slechts één kant van me… van het slechtste en domste uit mijn gedachten en gevoelens. Van die kant zou je zelfs nog interessant voor me kunnen zijn, als ik wat meer tijd had om me in je te verdiepen…”. Even verder: “… Door jou uit te schelden, scheld ik mezelf uit! lachte Ivan weer. Jij bent mij, mijzelf, alleen met een ander smoelwerk…”. De duivel over zichzelf: “… In God geloven, zeg ik, ja, dat is reactionair in onze tijd, maar ik ben de duivel, daar kun je rustig in geloven…”. Hij voelt zich nergens verantwoordelijk voor; hij heeft de wereld niet geschapen. Evenals Arnold Grunberg in “Mogen we nog een beetje leven?” legt hij uit dat de wereld zou stilstaan zonder ‘problemen’ – die sommigen heden ten dage dan ook eufemistisch typeren als ‘uitdagingen’ (Grunberg heeft dat idee dus zeker niet van zichzelf): “… Als alles op aarde koek en ei is, dan zou er niets meer gebeuren…”. De duivel schept op bevel wanorde. Jawel. Het is pas een tragedie dat de mensen die hele komedie serieus nemen, al zijn ze nog zo slim. Voor Ivan bestaat alleen het verstand: daarom is hij altijd boos. De sjofele duivel weet ook niet of God bestaat dan wel alleen maar een consequente ontwikkeling van het ‘ik’ is. Hij vindt de moderne straffen die in het kader van de ‘gewetenswroeging’ staan maar niks. De gewetenlozen hebben natuurlijk helemaal geen wroeging. Het ouderwetse vuur (van de hel) is volgens hem veel beter. Zodra de mensheid God verloochent, voorspelt de duivel, zullen de mensen zich verenigen om alles uit het leven te halen wat het kan geven, maar uitsluitend voor het geluk en de vreugde in déze wereld. De mens zal zich zélf God wanen (zie "Het lege ik" van Jeffrey Satinover): “… De mens zal zichzelf verheffen tot een staat van goddelijke, titanische trots en de mensgod zal verschijnen. Door zijn voortdurende en grenzeloze overwinningen op de natuur, dankzij zijn wilskracht en de wetenschap, zal de mens voortdurend een genot ervaren dat zo groot is dat het alle vroegere verlangens naar hemelse extase zal vervangen…” (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley).

 

De rechtszaak

Met verve en ongelooflijke humor beschrijft Dostojevski het spektakel van de rechtszaak waar “… heel Rusland over spreekt …”. Mensen komen er van heinde en verre op af. Bijna alle ondervraagden raken zo’n beetje buiten zinnen. “… Het was een rijk schouwspel …”, concludeert Dostojevski droogjes. De openbaar aanklager zet alles wat er is gebeurd in een ellenlang betoog nog eens op een rijtje en geeft er zo’n meeslepende psychologische draai aan dat het er op lijkt dat Dmitri wel de dader móét zijn. De lezer weet dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Dmitri’s advocaat maakt dan ook gehakt van zijn verhaal. Hoe het afloopt, moet je zelf maar lezen.

 

Uitgave: Van Oorschot – 2020, vertaling Arthur Langeveld, 966 blz.; ISBN 978 902 822 009 6, € 39,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier