Subtitel: Ver van de zwijgende planeet – C.S. Lewis
Toen ik een beetje op YouTube zat te scrollen, kwam ik tot mijn verrassing een boekbespreking tegen over “Out of the Silent Planet” (1938), het eerste deel van de vrij onbekende Ruimte-trilogie van C.S. Lewis. Zie hier. In de Verenigde Staten werd sciencefiction tegen het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw een begrip. Lewis behoort tot de auteurs die deze nieuwe stroming mede richting gaven. ‘God is de Persoon en het Ik van het heelal’, schrijft C.G. Jung in “Herinneringen Dromen Gedachten” (zie mijn vorige blog). Daaraan moest ik denken bij het lezen van “Malacandra”. Achter de spannende fictie gaan diepe filosofisch-theologische gedachten schuil, zoals altijd bij Lewis. Je zou het verhaal daarom ook als een christelijke mythe kunnen lezen, hoewel de recensenten van destijds dat totaal niet inzagen. Eerder besprak ik van C.S. Lewis “De afschaffing van de mens”, “De vier liefdes”, “Verrast door vreugde” en “Brieven uit de hel”.
Een geheimzinnig pand
Lewis weet je op een weergaloze manier direct het jongensboekachtige verhaal in te trekken. Een wandelaar kom, in het uur tussen hond en wolf en na een fikse onweersbui, onder een druipende kastanjeboom vandaan in een verlaten landschap. Het gaat om Ransom, een taalkundige verbonden aan een college in Cambridge, die op wandelvakantie is. Hij moet een onderkomen voor de nacht zien te vinden in een plaatsje, tien kilometer verderop, nadat hij bij een hotelletje in een gepasseerd dorpje is afgepoeierd. Hij gaat af op een lichtje in de verte, dat een nederig stulpje blijkt te zijn. Daaruit stuift een verontruste moeder naar buiten, die hem voor haar zoon Harry aanziet. Harry is een beetje ‘anders’, vertelt ze. Hij had allang thuis moeten zijn. Hij werkt voor twee heren in “The Rise”, een geheimzinnig pand waarvan de vrouw ook niet precies weet wat er gebeurt. In ieder geval wordt het bewoond door een professor en diens assistent Devine. Ransom belooft bij “The Rise” te gaan kijken en Harry naar huis te sturen als hij hem aantreft.
Ontvoerd
Het donkere huis ligt achter een poort die op slot zit. Ransom gooit zijn rugzak over het hek en wurmt zich door de stekelige haag. Hij loopt de oprijlaan op naar de voordeur, belt aan, maar er wordt niet opengedaan. Hij gaat op een tuinbankje naast het portaal zitten om bij te komen. Hij valt bijna in slaap, maar schrikt op door ruziënde stemmen. Op het erf achter het huis stuit hij op drie mannen van wie één hem verbaasd herkent als oud-klasgenoot: Devine. De onenigheid wordt snel toegeschreven aan het dwarse gedrag van Harry. Devine laat Ransom kennis maken met de norse natuurkundige Weston en nodigt hem uit binnen te komen voor een drankje. Binnen de kortste keren wordt Ransom gedrogeerd en bevindt hij zich in een ruimtevaartuig naar Malacandra, oftewel Mars. Zijn kidnappers weigeren stug het doel van de ruimtereis uit de doeken te doen. Wel wordt hem geadviseerd zo min mogelijk te bewegen en te praten om zuurstofgebrek te voorkomen.
Ransom zou zich rot moeten voelen. In plaats daarvan doorstroomt hem een nieuwe, frisse, levendige energie. Weston verklaart dat ze worden blootgesteld aan veel straling die nooit de atmosfeer van de aarde bereikt. De mythen over de zwarte, koude, lege ruimte blijken een gotspe. Ransom heeft eerder het gevoel in een hemelse, kleurrijk verlichte ‘moederschoot’ te zwemmen: “… Hoe kon het ook anders zijn, als de werelden en al het leven daarop immers uit deze oceaan waren voortgekomen?...”. Ransom vraagt zich af “… hoe hij een planeet, zelfs de aarde, ooit had kunnen zien als een eiland van leven en werkelijkheid in een dode leegte. Met een zekerheid die nadien nooit meer verdween zag hij nu de planeten – de ‘aardkloten’ noemde hij ze in gedachten – als gaten of holtes in de levende hemel – afgestoten en uitgestoten woestenijen van zwarte materie en dikke lucht, ontstaan niet als verrijking van het omringende licht, maar daarop in mindering komend…”. Komt dat licht buiten het zonnestelsel ergens ten einde? Is daar de echte leegte, de echte dood? Of is het zichtbare licht ook weer een onderdeel van iets onvoorstelbaar groters?
“Zwei Seelen wohnen, ach!, in meiner Brust”
Stiekem luistert Ransom een gesprek tussen zijn kidnappers af, waaruit hij opmaakt dat hij als mensenoffers zal dienen voor de ‘soronen’. Hij denkt aan afschuwelijke monsters en besluit ter plekke om, zodra ze zijn geland, iedere mogelijkheid aan te grijpen om te ontsnappen of anders zelfmoord te plegen. Als ze na een maand de steenkoude dampkring van Malacandra binnendringen, worden ze alle drie zo beroerd als een hond. Het waterverfachtige landschap waar ze landen is adembenemend. De vegetatie is roze, de metershoge bomen hebben paarse kruinen en het warme water is helblauw. Alles doet een beetje rubberachtig aan. Wanneer er bij de bosrand lange, dunne, spookachtige wezens opdoemen met een stemgeluid dat aan een hoorn doet denken, probeert Ransom ervandoor te gaan. Dat lukt omdat Weston zijn pistool moet gebruiken tegen een groot, glimmend beest met happende kaken dat als een torpedo door het water op hen afschiet. Ransom rent het bos in en loopt net zolang door tot het donker wordt. Dorstig valt hij langs de oever van een beek in slaap, omdat hij niet van het giftig aandoende water, dat hem weliswaar warm houdt, durft te drinken. Hij heeft een onweerstaanbare neiging tegen zichzelf te praten, alsof hij, net als Jung (zie mijn vorige blog), ook uit een Nr. 1 en Nr. 2 bestaat: “… Ransom, we houden je in het oog… We laten elkaar niet in de steek, ouwe jongen…”. En even verder: “… Helemaal niet pluis hier als slaapplaats. We laten je even uitrusten tot je je beter voelt, dan gaan we weer door…”. Heeft hij het tegen zijn ‘ziel’? Is hij bezig gek te worden?
De hross
Als Ransom wakker wordt, besluit hij toch maar wat water te drinken. Op het moment dat hij dat doet, suist er weer iets zwarts als een kogel door het water. Nog voordat hij zich kan verbergen, klimt het wezen de kant op en bekijkt hem nieuwsgierig. Het creatuur houdt het midden tussen een twee meter zwarte otter en een zeehond. Het blijkt te kunnen praten en stelt zichzelf voor als een ‘hross’. Ransom raakt direct gefascineerd door zijn vreemde taal. Voor elke naam lijkt het wezen een h te zetten. Ze maken elkaar het hof als de eerste man en vrouw in het paradijs, schrijft Lewis. De hross schept met een schelp wat water op, voegt er een paar druppels alcoholische vloeistof uit een flesje aan toe dat hij aan een gordel draagt, en biedt het Ransom aan als welkomstdrankje. Daarna gebaart hij hem mee naar een boot, waar hij een soort boterham krijgt. Als je het wezen met een mens vergelijkt, krijgt het iets onheilspellends en onverdraaglijks, aldus Ransom. Vergelijk je het met een dier, dan krijgt het juist iets paradijselijks, omdat taal en rede nooit verloren zijn gegaan. “… Niets was afstotender dan het ene beeld, niets verrukkelijker dan het andere. Het hing ervan af hoe je het bekeek…”.
Oyarsa
De hross neemt hem mee op een wilde, duizelingwekkende boottocht naar zijn clan, waar hij gastvrij wordt opgenomen en taalles krijgt. De hrossa-welpen zien hem als een mysterieuze onbehaarde kobold. De hrossa blijken zich naast landbouw en visserij ook bezig te houden met poëzie en geweldig te kunnen zingen. Ze zijn astronomisch veel meer onderlegd dan Ransom had vermoedt: ze blijken de aarde, oftewel Thulcandra, aan te duiden als ‘de zwijgende planeet’. Wanneer ze horen dat hij met twee slechte mensen is meegekomen die hem willen doden, vinden ze dat hij naar Oyarsa moet gaan, die over Malacranda regeert. Oyarsa lijkt een soort engelvorst te zijn. Volgens de hrossa heeft Maleldil de Jonge, die bij de Oude woont, de wereld gemaakt. Waar of de Oude woont? “… Zo een is hij er niet…”, zeggen ze, “… dat hij ergens moet wonen…”. Ze hebben het niet alleen over de ‘séroni’, die hetzelfde zijn als de soronen en duidelijk tot de intelligentsia behoren, maar ook nog over de ‘pfiltriggi’, een klein en uiterst creatief volkje van mijnwerkers. Een hross laat Ransom een door hen gemaakt schaaltje van goud zien: ‘zonnebloed’ dat door de rivieren spoelt. Plotseling begrijpt Ransom de belangstelling van zijn ontvoerders voor Malecandra. De hrossa blijken van nature ingetogen, monogame wezens te zijn, met maar één broedseizoen, wat tot een wonderlijk stabiele samenleving leidt. Ze begrijpen niet waarom je meer jongen op de wereld zou zetten dan je kunt onderhouden. Voor de seks? Maar je weet pas dat je gelukkig bent geweest wanneer je je een gebeurtenis herinnert. Een gebeurtenis blijft altijd in je geest aanwezig. De werkelijke gebeurtenis is slechts het begin van het geluk. Wanneer Ransom merkt dat een vrouwtjeshross praat tegen iets wat hij niet ziet, blijkt er ook nog een onzichtbaar soort rond te waren: de ‘eldila’ of ‘hemelingen’. Je kunt hen alleen zien als je in de juiste richting kijkt, en dat gebeurt niet vaak, tenzij een eldil gezien wil worden. Licht gaat door hen heen. “… Je kunt ze wel eens aanzien voor een zonnestraal of zelfs voor een beweging van bladeren…”.
Geliefde vijand
Wanneer Ransom vertelt over het waterdier met de happende kaken waarvoor hij is gevlucht, raakt iedereen opgewonden en in oorlogsstemming. De griezel wordt een ‘hnakra’ genoemd en blijkt al jaren niet meer te zijn waargenomen. Er is dus een ‘duivel’ in het paradijs (zie Arnon Grunberg in “Mogen we nog een beetje leven?” en Tjeu van den Berk in “Ontmoetingen met Jung” over het fenomeen dat er enkel leven is bij de gratie van onbalans). De hnakra is hun ‘geliefde vijand’: ‘hier en daar de dood zien rondgaan maakt niemand ongelukkig’. Integendeel, het maakt van het leven een avontuur: “… Ik denk dat het bos niet zo kleurig, het water niet zo warm en de liefde niet zo zoet zou zijn als er in de meren geen gevaar was…”. Ransom gaat mee op jacht en weet met twee hrossa het monster te doden, wat hij opvat als een soort ‘inwijding’. Nu hoort hij er voorgoed bij. Vervolgens krijgt hij via een eldil de opdracht zich bij Oyarsa te melden. Kort daarna wordt één van de hrossa neergeschoten door de twee kidnappers die achter Ransom aanzitten. Overstuur vertelt Ransom dat mensen allemaal ‘scheef’ zijn en dat zij het kwaad naar Malacandra brengen. Heeft hij te lang gewacht met gehoor geven aan de oproep van Oyarsa?
Wat het oog niet ziet
Het wordt een loodzware tocht voor Ransom, diep het gebergte in: “… Zijn voortgang werd een mechanisch patroon – van vermoeidheid naar stilstand, van stilstand naar ondraaglijke kou, en van kou weer naar beweging…”. De lucht wordt zo ijl dat hij amper kan ademen; het licht is zo fel dat het pijn doet aan zijn ogen. In een door een vuurtje verlichte grot vindt hij een soroon die hem een zuurstofapparaat aanbiedt. Ze praten over de eldila, die Ransom niet kan zien. Hebben ze dan geen lichaam? “… Natuurlijk hebben zij een lichaam. Er zijn veel lichamen die je niet kunt zien. Ieder soort ogen ziet sommige dingen wel en andere niet. Weten jullie in Thulcandra niet van vele soorten lichaam?...”. De soroon legt uit dat de snelheid waarmee iets beweegt bepaalt of het zichtbaar is: iets of iemand kan daardoor op twee plaatsen tegelijk zijn, of zelfs overal tegelijk. Het snelste wat wij kunnen waarnemen is licht. We zien alleen de dingen die langzamer bewegen dan het licht. Het lichaam van de eldil beweegt met de snelheid van het licht. Voor hen zijn vaste dingen juist weer ijler en moeilijker zichtbaar: als wolken. Misschien is de verklaring die antropologen geven voor de lichtende, ongrijpbare figuren die in allerlei menselijke traditie opduiken, toch een tikkeltje bezijden de waarheid?
De wereld is vergankelijk
De volgende dag tilt de soroon Ransom op zijn schouder om hem weg te brengen. Ze komen langs versteende landschappen. De soroon vertelt over de uitgestorven wezens die ooit op Malacandra hebben geleefd. De wereld is niet gemaakt om altijd te blijven bestaan, zegt de soroon: “… Zo gaat Maleldril niet te werk…”. De volgende nacht brengen ze door met andere soronen, die alles over de aarde willen weten. Verbaasd luisteren ze naar wat Ransom vertelt over oorlog, slavernij en prostitutie. Dat komt doordat er geen Oyarsa is, concluderen de soronen. “… Het komt doordat ieder daar zelf een kleine Oyarsa wil zijn…”. Even verder: “… ‘Zij kunnen het niet helpen,’ zei de oude soroon. ‘Iemand moet de baas zijn, maar hoe kunnen schepselen hun eigen baas zijn?...”. Dat is alsof je jezelf aan je haren probeert te trekken, alsof als een wijfje die haar eigen jongen wil verwekken, of alsof iemand een land wil overzien terwijl hij niet hoger staat.
Zondeval
Oyarsa blijkt op een eiland - Meldilorn - te wonen. Ransom wordt naar een gastenverblijf gebracht. Vroeg in de morgen wordt hij, net als Samuël, tot drie keer toe gewekt door een stem die zegt dat Oyarsa wil dat hij komt. Ransom begrijpt dat hij met een eldil van doen heeft. Hij moet spitsroeden lopen door rijen Malacandriërs, die hem met glinsterende ogen zwijgend aankijken, tot hij op het hoogste punt van een laan komt. Hij voelt hoe geladen zijn omgeving is. Dan gaan alle Malecandriërs in de houding staan en strijkt er ‘een fluistering van licht’, ‘een verzwakking van schaduw’, zijn kant op. Hij weet dat Oyarsa hem nadert. Een onmenselijke stem zegt dat hij Ransom zelf heeft laten halen en vraagt waar hij zo bang voor is. Malacandra drijft, zoals alle werelden, in de hemel, legt Oyarsa uit. Mensen als Ransom moeten uit de hemel afdalen naar de aarde. Thulcandra is voor hem echter een onbekende wereld. Het is de enige planeet die buiten de hemel ligt en waarvandaan geen boodschap meer komt. Daarom wordt Thulcandra de ‘zwijgende planeet’ genoemd. Ooit was alles anders. De geschiedenis van Thulcandra is ‘allerbitterst’. Oyarsa spreekt over ‘de geschiedenis van de scheve jaren’, nog voordat er leven op aarde was. De grote, glanzende en sublieme Oyarsa van de aarde werd ‘scheef’. As hij daartoe in staat was geweest, zou hij nog veel meer werelden hebben meegesleept in het verderf dat hij aanrichtte. Er brak een grote oorlog uit en de Malacandriërs wisten de ontaarde Oyarsa te verdrijven. Op aanwijzing van Maleldil bonden zij ‘de Scheve’ in de lucht van zijn eigen wereld. Sindsdien weten ze niets meer van de aarde: de planeet is gehuld in stilte en het contact is verbroken. Toch denkt Oyarsa dat Maleldil Thulcandra nooit geheel aan het kwaad zal prijsgeven. Lewis verwijst hier duidelijk naar de Bijbelse val van Satan – zie Lucas 10 : 18 en het gedicht “Lucifer” van Joost van den Vondel.
Oorlog met de Scheve
Ransom legt uit dat de verhalenvertellers van zijn wereld geloven dat, als er al buitenaards leven bestaat, het kwaadaardig moet zijn. Zo gek is dat niet, toch? Er zijn nu eenmaal veel valse eldila in de woeste delen op aarde. Misschien hebben zijn ontvoerders gedacht dat de eldila zijn bloed wilden drinken. Oyarsa begint een en ander te begrijpen. Het heeft hem sterk verwonderd dat mensen geheimen voor elkaar hebben en dat Ransom zo onwillig leek om mee te komen. Het is voor hem te bizar voor woorden dat mensen geweld tegen elkaar gebruiken. Oyarsa wil weten waarom mensen naar zijn planeet komen en ‘zonnebloed’ stelen. Ook verlangt hij een blik te werpen in de wonderlijke oorlogen tussen Maleldril en de Scheve, die blijkbaar op Thulcandra worden uitgevochten. Ransom vertelt dat het bezit van goud op aarde garant staat voor veel genot en macht. Hij zegt dat hij vreest dat de professor diens volk het liefst zou willen vernietigen om plaats te maken voor de mensen.: “… Hij wil, denk ik, dat onze soort altijd zal voortbestaan en hoopt dat het van de ene wereld naar de andere springen zal…”. De bijeenkomst wordt gestoord door een stel soronen die de geknevelde en geboeide Weston en Devine met zich meevoeren, samen met de lijken van drie hrossa die zij hebben gedood.
Eeuwig leven
Weston lijkt in al zijn onvoorstelbare arrogantie wel een kruising tussen Jeffrey Epstein en Elon Musk: alsof Lewis in 1938 de komst van dit soort figuren al voorzag (zie ook de techondernemer Bryan Johnson, die onsterfelijk wil worden, maar chronisch ziek blijkt). Weston zegt tijdens het verhoor dat het hem om niets minder gaat dan het ‘eeuwige leven’ van de mensheid. Als de planeet vergaat, moet de mensheid overspringen naar een andere. Er is geen liefde voor andere mensen in hem, aldus Oyarsa: het gaat hem alleen om het zaad. De Malacandriërs zijn niet bang voor de dood, omdat ze weten dat er daarna een tweede leven komt dat beter zal zijn dan het eerste, vertelt Oyarsa. “… Het is de Scheve, de heerser van jouw wereld, die jullie leven verwoest en vervuilt met pogingen om iets vóór te blijven waardoor je uiteindelijk toch wordt ingehaald, wat jullie ook wel weten. Als jullie onderdanen van Maleldil waren, dan hadden jullie rust…”. De Scheve baart alleen maar angst met als gevolg moord en opstand.
Terug
Uiteindelijk worden Weston en Devine terug naar de aarde gestuurd nadat hun ruimteschip is ontwapend en voorzien van een mechanisme waardoor het ontploft zodra ze zijn geland. De Malacandriërs willen hen nooit meer zien. Ransom kiest ervoor met hen mee terug te gaan. Hij heeft heimwee naar zijn dierbaren en vooral naar een biertje in een pub.
Uitgave: Kok – 2002, vertaling A. Smilde, 243 blz., ISBN 978 904 350 408 9
Alleen nog tweedehands verkrijgbaar


