Verder met de romantische volgelingen van Dionysos. KlausMann: “…Je moet wel een hysterische romanticus als Ernst Jünger zijn, om enig genoegen te beleven aan de barre verschrikking van de materiaalslag...” (met ‘Materialschlacht’ wordt een vorm van oorlogvoering bedoeld waarin niet zozeer individuele heldenmoed of strategie centraal staan, maar de massale inzet van materieel: wapens, munitie, artillerie, machines en industriële productie). Met overal oorlog om ons heen - generaals in vol ornaat die aanschuiven bij talkshowtafels, krantenfoto’s van een koningin op middelbare leeftijd die tijdens een reservistentraining met gelakte nagels en een Rolexhorloge door de modder tijgert, jongeren die worden opgeroepen ‘sneuvelbereid’ te zijn, de aanschaf van een ‘gewondentrein’, de nieuwe ‘vrijheidsbelasting’ - lijkt het er toch op zijn minst op dat wij ook aardig in een geweldsroes aan het verzinken zijn. Ik dacht altijd dat het verschrikkelijkste wat je maar kunt bedenken oorlog is. Ik had tot nu toe dan ook enkel anti-oorlogsromans gelezen: “Van het westelijk front geen nieuws” van Erich Maria Remarque, “Slachthuis Vijf” van Kurt Vonnegut. Echter, wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan walgt voor altijd van het leven van kruideniers, aldus de Duitse schrijver Ernst Jünger (1895-1998). Thomas Mann noemt hem ‘de ijskoude playboy van het barbarisme’. Het gevaar kan een kick opleveren die bijna gelijk staat aan heroïne. Zie “Traumasporen” van professor Bessel van der Kolk, die werkte met Vietnamveteranen. In een artikel in de Telegraaf van 03.01.26 las ik over een Nederlandse soldaat die alle hoeken van de oorlog in Oekraïne heeft gezien en toch teruggaat naar die hel, want ‘oorlog is verslavend’. In De Groene Amsterdammer van 21.01.26 stond een fascinerend essay over Ernst Jünger. Door wat hij zag in de oorlog voorspelde hij ook nog eens griezelig accuraat de technische wereldorde waardoor ‘geestelijke verheffing’ moeilijk zal worden. Zie verder de uitzending die De Nieuwe Wereld maakte met literair criticus Arnold Heumakers van 04.12.25. De laatste in het NRC van 23.02.23: het “… is misschien schokkend voor hedendaagse lezers, die een positieve waardering van geweld alleen van films kennen, maar zou er ook zoveel oorlog zijn als niemand er plezier aan beleefde?...”.
Het Dionysische
Ernst Jünger was negentien toen hij werd opgeroepen om mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog (hij werd maar liefst 102!). Hij zat te popelen. Zijn vader had hem al eens teruggehaald toen hij er vandoor ging om zich bij het Franse Vreemdelingenlegioen aan te sluiten. “Oorlogsroes” (“In Stahlgewittern”) is gebaseerd op de dagboekaantekeningen die Jünger in die tijd bijhield. Sommige critici noemen hem een ‘staaleroticus’, omdat hij ‘extatisch’ verslag zou doen van zijn frontervaringen. Dat vind ik sterk overdreven. Hij schrijft juist bijna gevoelloos over de meest afgrijselijke horror. Registreert klinisch en afstandelijk. Met een helikopterview. Misschien is dat ook wel de enige manier om iets als armageddon in woorden te vatten. Mijn focus ligt vooral bij het ‘Dionysische’: de roes. Waar breekt die door in het verhaal? Het verraste mij niet toen ik las dat Jünger een aanhanger van Nietzsche was, de schrijver van het essay “Het Dionysische wereldbeeld”. Het Dionysische staat bij Nietzsche voor roes, chaos, levensdrift en de opheffing van het individu in het geheel. Tegenover het Apollinische (orde/harmonie) vertegenwoordigt het Dionysische de extatische, tragische levenservaring die de chaos omarmt. Het is een kernconcept uit zijn vroege werk “De geboorte van de tragedie”. Het is geen wonder dat Jünger in de jaren 50/60 de ‘roes’ weer opzocht door te experimenteren met psychedelische middelen, waaronder LSD. Zie zijn boek “Bezoek aan Godenholm”.
Mollenbestaan
Zoals veel anderen schrijft ook Jünger over het enthousiasme waarmee veel verveelde jongeren de oorlog begroeten. Hoe ze van huis vertrekken, het avontuur tegemoet. Vrolijk. In een regen van bloemen. Dronken van rozen en bloed. Hunkerend naar het ongewone. Het grote gevaar. Hoe ze, als ze uit de treinen naar het front stappen, met ongelovige eerbied luisteren naar het ‘walsbedrijf’ in de verte. De adem van de strijd die hen doet huiveren. De oorlog overkomt hen als een ‘roes’, aldus Jünger. De verhitte fantasie komt echter al gauw tot bedaren. De marsen zijn zwaar, het leven aan het front vooralsnog dof en traag. Af en toe gooit de oorlog zijn gemoedelijke masker af en laat zijn klauwen zien. De eerste granaatinslag die Jünger meemaakt, komt op hem over als ‘een spookverschijning op klaarlichte dag’. Plotseling, onpersoonlijk, onbegrijpelijk. Vanaf dan zal hij bij elk onverwacht geluid ineenkrimpen. De slagschaduw van de dood grijpt diep ‘in het duistere terrein achter ons bewustzijn’. De loopgraven reduceren het leven tot wat Jünger een ‘mollenbestaan’ noemt: vuil, uitputting en slapeloze nachten. De soldaten houden zich in de voortdurende regen op de been met narcotisch veel alcohol en tabak.
Nederig gedierte
Het is onvoorstelbaar voor ons, maar te midden van de meest bloederige taferelen heerst een opgewonden, woeste, onvermoede vrolijkheid. Alsof de rekruten zich tegen de realiteit verzetten. Jünger verbindt veel oorlogservaringen met de natuur: kogels als bijenzwermen, granaten als mechanische insecten, vliegtuigen met ‘vlinderogen’, militairen die als logge kevers door de velden struinen. Ondertussen gaan de echte vogels onverstoorbaar door met zingen. Hij heeft het over het ‘duistere, mythische landschap’ dat door de ‘verlatenheid, het diepe zwijgen en de trieste aanblik van vernietiging’ angst aanjaagt en ’s nachts een ‘vreemde, psychische kou’ uitstraalt. De dorpen zijn veranderd in puinhopen: “…Voor ons lag het station, in elkaar gefrommeld als een stuk kinderspeelgoed, en verder daarachter het tot spaanders gehakte Bos van Delville…”. Overal de eeuwige rattenzwermen en de stank van ontbinding. Het ‘nederig gedierte’ baart hem geen zorgen: “… een muis rent over mijn handen en gezicht zonder me in mijn slaap te storen…”. De schuilplaatsen worden grondig uitgerookt. Door ‘het contact met de aarde’ wordt vanzelf een ‘slaperige, zwaarmoedige stemming’ opgeroepen.
Adrenalinejunks
Zijn vuurdoop ondergaat Jünger tijdens een militaire actie zonder dat hij ook maar één tegenstander te zien krijgt. Al snel wordt hij commandant van een kleine reserve-eenheid. De strijd op leven en dood maakt van zijn bestaan een rollercoaster van adrenaline: “… Twee overweldigende gevoelens doen je huiveren: de meeslepende opwinding van de jager en de angst van het wild…”. Lichtkogels maken van de nacht een dag, alles staat op scherp. “… Deze ogenblikken, waarop de volledige loopgraafbezetting in de allerhoogste staat van paraatheid achter de borstwering stond, hadden iets betoverends. Ze deden denken aan die ademloze seconde voor een beslissend moment in een voorstelling, als de muziek afbreekt en de grote toneellichten worden ingeschakeld…”. De loyaliteit naar elkaar is intens. De keiharde zakelijkheid ook. Oorlog is een ‘gokspel’. Wie sneuvelt, sneuvelt; de rest gaat verder.
De vijand
Aan de uiteinden van de loopgraven zijn de wachtposten van de verschillende legers soms nauwelijks dertig passen van elkaar verwijderd. Er ontstaan korte gesprekken, rauwe grappen. De vijand krijgt een gezicht: “… Ik heb er tijdens de oorlog altijd naar gestreefd niet haatdragend tegenover de tegenstander te zijn en hem als mens te waarderen al naar gelang de moed die hij in het gevecht betoonde…”. Een grote witte kater met een kapotgeschoten voorpoot spookt regelmatig rond in het niemandsland en gaat bij beide partijen op bezoek. Jünger stuit op een borstwering waar tussen de prikkeldraadversperringen een levendige handel en druk ruilverkeer in drank, sigaretten, uniformknopen en andere zaken gaande is. Eigenlijk slaat de complete waanzin van de oorlog mij misschien wel het meest in mijn gezicht als Jünger beschrijft hoe hij een lange, piepjonge Engelsman, ‘met goudblond haar en een fris kindergezicht’, in het vizier krijgt: “… Wat jammer om zo’n kerel te moeten doodschieten, dacht ik, toen ik hem zag…”. Het is om te huilen. Het doet mij meer dan alle vernietigende gaswolken, stromen bloed en zwart geworden lijken waarmee het boek is bezaaid. Die beginnen op den duur zelfs te vervelen, eerlijk gezegd.
Duivelse lichtheid
Jünger komt in de omgeploegde lijkenvelden langs de Somme terecht: “… Mijnen van het allerzwaarste kaliber ontploften. Hele velden vol puin vlogen in de lucht, wervelden rond en stortten met hels kabaal neer…”. Het gaat er extreem heftig aan toe: “… De aarde wankelde, de hemel leek een borrelende reuzenketel…”. Even verder: “… Het vermogen tot logisch denken en de zwaartekracht leken opgeheven. Je had hetzelfde gevoel van onvermijdelijkheid en absolute noodzakelijkheid als een uitbarsting van de elementen…”. Hij stelt dat het feit dat je in staat bent om de aanblik van de meest zware verminkingen te verdragen maar weer eens een voorbeeld is van het gegeven dat in het leven 'het geheel' onze indrukken bepaalt. De zware, zoetige lijkengeur ervaart hij niet alleen maar als weerzinwekkend: “… Vermengd als hij was met de prikkelende walm van springstof, veroorzaakte hij ook een bijna helderziende opwinding, zoals alleen de onmiddellijke nabijheid van de dood weet op te wekken…”. Er ontstaat iets paradoxaals: alsof de nabijheid van de dood een laatste, extreme vrijheid mogelijk maakt. “… Zo voelde ik in die ogenblikken bijvoorbeeld geen angst, maar een grote, bijna duivelse lichtheid; ook rare neigingen om in lachen uit te barsten die ik niet kon onderdrukken…”. Wanneer ze aan de winnende hand zijn komt hij in een ‘overmoedige stemming’ waardoor hij ‘de bomen uit de grond zou willen rukken’: “… Af en toe zag ik, in het schijnsel van een lichtkogel, stalen helm naast stalen helm, kling naast kling blinken en een gevoel van onkwetsbaarheid vervulde me dan. We konden worden verpulverd, maar niet overwonnen…”.
Metafysische dimensie
Is er meer tussen hemel en aarde? “… Terwijl de twee artillerieën elkaar over een uitgestrekt terrein bestookten, brak er een verschrikkelijk onweer los zodat, net als in de homerische veldslag tussen goden en mensen, het tumult op aarde met dat van de hemel kon wedijveren…”. Even verder: “… Als ik in de duisternis op wachtposten of rondzwervende verdwaalden stuitte, had ik het ijselijke gevoel niet met mensen maar met demonen te praten. Ik leek te zweven op reusachtige puinhopen voorbij de rand van de bekende wereld…”. Toeval lijkt betekenis te krijgen. Ontsnappingen aan de dood voelen als ingrepen van buitenaf. Alsof de oorlog niet alleen fysiek, maar ook geestelijk wordt uitgevochten.
Vleugels
En dan is daar de roes in zijn meest extreme vorm: “… Tijdens onze opmars raakten we in de greep van een nietsontziende razernij. Het allesoverheersende verlangen om te doden gaf mijn voeten vleugels. Bittere tranen van woede schoten in mijn ogen. De ongelooflijke vernietigingsdrang die over het slagveld hangt, verdicht zich in de hersens en omgeeft ze met een rode mist. Snikkend en stamelend riepen we elkaar fragmenten van zinnen toe, en een objectieve waarnemer zou vermoedelijk hebben gedacht dat we bevangen waren door een overmaat van geluk…”. Dit is precies wat het meest verontrust: niet de angst, maar de extase. In het heetst van de strijd functioneert Jünger als een gespleten persoonlijkheid: de soldaat die handelt en de soldaat die toekijkt. Als een verspieder die achter zichzelf op de loer ligt. Over ‘het keerpunt in zijn hoofd’ als hij onder ogen ziet dat ze de oorlog zouden kunnen verliezen: “… De enorme samenballing van krachten in het noodlotsuur waarin om een verre toekomst wordt gestreden, en de ontlading die er zo verrassend op volgde, hadden me voor het eerst meegesleept naar de diepe wateren van het buitenpersoonlijke. Dat was anders dan alles wat ik tot nu toe had meegemaakt; het was een inwijding die niet alleen de gloeiende kamers van de verschrikking opende, maar er ook doorheen voerde…”.
De balzaal van de dood
Jünger: “… De oorlog confronteerde ons met zijn diepste raadselen. Het was een merkwaardige tijd…”. Als het vanwege een harde klap donker wordt om hem heen: “… Terwijl ik viel zag ik de witte, gladde kiezelstenen in het leem van de weg; de ordening was zinvol, noodzakelijk als die van de sterren en borg grote geheimen in zich…”. Toch komt hij weer overeind. Wanneer Jünger zwaargewond raakt, ervaart hij een moment van onverwachte helderheid. Hij denkt te sterven en beschrijft dat moment vreemd genoeg als gelukkig. Alsof in de nabijheid van de dood alles plots samenvalt en betekenis krijgt: “… Op dat moment begreep ik, als in een flits, mijn leven tot in zijn diepste essentie…”. Meer legt hij er niet over uit. Hij is enkel ongelooflijk verbaasd dat het einde is gekomen: “… het was een verbazing van een heel opgewekt soort. Toen hoorde ik het vuur steeds zwakker worden, alsof ik als een steen diep onder het oppervlak van bruisend water wegzonk. Daar bestond geen oorlog of vijandschap meer…”. Maar hij overleeft.
Stahlmensch
Volgens latere interpretaties ziet Jünger de moderne, technologische oorlog als een smeltoven waarin een nieuw type mens ontstaat: de Stahlmensch. Het doet onvermijdelijk denken aan Nietzsches idee van de Übermensch. Maar waar Nietzsche nog sprak over zelfoverstijging, lijkt hier iets anders te ontstaan: een mens die zich aanpast aan de logica van de machine en de oorlog. Misschien is dat de ongemakkelijke vraag die “Oorlogsroes” oproept. Niet alleen wat oorlog met mensen doet, maar ook waarom zij er steeds opnieuw in worden meegezogen. En of die aantrekkingskracht – hoe moeilijk ook te erkennen – niet een wezenlijk onderdeel van het probleem is.
Uitgave: De Arbeiderspers – 2002, vertaling Nelleke van Maaren, 346 blz., ISBN 978 902 952 332 5
Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

