Menu

woensdag 24 juni 2026

Ontmoetingen met Jung – Tjeu van den Berk

 


Subtitel: De moderne mens op zoek naar zijn ziel

 

Veel denkers zijn het erover eens dat ons eenzijdige rationele mensbeeld ervoor zorgt dat wij uit balans zijn. Zie de depressie en burn-outepidemie. Zie de moderne zelfvervreemding. Zie de hedendaagse zingevingscrisis. Toch lijkt bijna iedereen er op de een of andere manier doodsbang voor zich onder te dompelen in iets als de ziel: je wordt al gauw voor gek versleten. De Zwitserse psychiater Carl Gustaf Jung (1875 – 1961) durfde dat wel. “Ontmoetingen met Jung” bestaat uit een bundel veelzijdige essays van theoloog en Jung-kenner Tjeu van den Berk (1938). Eerder besprak ik van hem “In de ban van Jung”.

 

Het Rode Boek

Het eerste hoofdstuk heeft het in 2009 uitgegeven “Rode Boek”, een door Jung zelf gekalligrafeerde innerlijke ontdekkingsreis, als onderwerp. Tussen 1913 en 1918 maakte Jung een geestelijke crisis door die de basis zou gaan vormen voor zijn latere psychologische inzichten. Hij begon zo’n intense dromen, obsessieve fantasieën en angstvisioenen te ervaren dat hij bang was psychotisch te worden. Toch besloot hij deze indrukken niet weg te duwen, maar ze juist te onderzoeken. Hij daalde als het ware af in zijn psyche. Met zijn verbeelding ging hij in gesprek, een methode die bekendstaat als ‘actieve imaginatie’. Jung beschouwde de fantasiefiguren die hij daarbij ontmoette niet als echte personen, maar als autonome uitdrukkingen van het onbewuste. Zijn ervaringen noteerde hij eerst in zwarte notitieboeken. Vervolgens werkte hij ze uit in een groot, rijk geïllustreerd manuscript dat bekendstaat als “The Red Book” (Liber Novus). Hij maakte er een boek van dat doet denken aan een middeleeuws handschrift. Zijn leven lang voelde hij zich aangetrokken tot de middeleeuwen en tot stromingen die daarmee werden geassocieerd, zoals de hermetische traditie, de gnostiek en de alchemie.

 

Een wandelend krankzinnigengesticht

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, merkte Jung dat verschillende van zijn visioenen een voorspellend karakter hadden. Pas toen besefte hij dat hij niet bezig was gek te worden, maar dat zijn imaginaties uit ‘de ondergrond van het collectieve onbewuste’ tot hem kwamen. Zijn Engelse vertaler: “… Jung was zowel een wandelend krankzinnigengesticht op zich als de geneesheer-directeur ervan (…) Hij maakte alles door wat een geestelijk gestoorde doormaakt (…) en het is alleen dankzij zijn verbazende vermogen om deze ervaringen van een afstand te observeren en te begrijpen, dat hij niet door het psychotische materiaal dat door de ‘scheidingswand’ heen kwam, ten onder ging. Hij slaagde erin het materiaal in een succesvolle psychotherapeutische methode onder te brengen…”.

 

Mandala’s

De afbeeldingen in het Rode Boek drukken het bewustwordings- of individuatieproces uit dat Jung doormaakte. De mandala’s die instinctmatig bij hem naar boven kwamen, symboliseren de kosmos met haar tegengestelde krachten, die in de kern van de mens samenkomen. Het mandala-idee staat voor “… een spiraalvormige beweging naar een middelpunt toe, waar het ik en de ziel samenvallen in het grote Zelf…”. De betekenis van de mandala ligt niet in het einde van het lijden, maar in de schoonheid van het ‘mysterium coniunctionis’, het ‘mysterie van de tegenstellingen’. “… In een mandala sluiten de Duivel en Christus vriendschap, vinden Hel en Hemel elkaar, sluiten Goed en Kwaad een huwelijk…”. Het samenvallen van de tegenstellingen gaat gepaard met lijden. Alleen zo kan de liefde triomferen. Willen water en vuur verenigd worden, dan is daar de smeltkroes voor nodig, wisten de alchemisten al. Tibetaanse monniken, Aboriginals en Indianen vervaardigden al eeuwenlang mandala’s. Ook schizofrene patiënten tekenen ze onwillekeurig. De mandala staat dan ook voor (genezende) heelheid, voor de totaliteit van het Zelf.

 

Onderwereld

Voor een leek als ik is het moeilijk om de uitleg over de tekeningen van Jung goed te begrijpen. Wat ik er echter van begrijp, is dat in Jungs wereldbeeld de ‘hoogste god’ Abraxas is, die zowel het ‘summum bonum’ van de Bijbelse God als het ‘infinum malum’ van de duivel in zich verenigt. Zelf denk ik dat Jung hier een onjuiste tegenstelling creëert. De duivel is immers niet de tegenpool van de Bijbelse God; demonen en engelen zijn elkaars tegenspelers (zie bijvoorbeeld "Lucifer" van Joost van den Vondel). De christelijke God staat daar naar mijns mening boven en behoudt het gezag. De ‘goden en demonen’ verbindt Jung met de negen klassieke planeten, een gedachte die ik vaker ben tegengekomen in de theologie. Tot zijn grote verbazing stuitte Jung later op Chinese alchemistische traktaten van meer dan 1800 jaar oud, waarin precies dezelfde ideeën werden uitgewerkt als waarmee hij zich bezighield. Dat bevestigde zijn visie op het ‘collectief onbewuste’. Het onbewuste, met zijn driften en instincten, staat voor de onderwereld: het mythische dodenrijk, het land van de voorouders, waar Jung ‘dode zielen’ ontmoet. Zie Jezus, die volgens de christelijke traditie ‘nedergedaald is ter helle’. Beschrijft Dante in zijn “Divina Commedia” een hemelvaart, in het “Rode Boek” beschrijft Jung een hellevaart.

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

 

Prophetenwahn

Jungs experiment met zichzelf bestond eruit om alles wat zich onder de drempel van het bewustzijn afspeelde ruimte te bieden boven die drempel, zodat zijn ik-bewustzijn er (een wetenschappelijke) kijk op kon krijgen. Tegelijk moest het irrationele wel in de hand worden gehouden. Jung was zich zeer bewust van het gevaar van ‘Prophetenwahn’. “… Het is de duivel die zegt: Veracht het verstand en de wetenschap maar…”. Zijn gezin en patiënten hielden hem met beide benen op de grond, schrijft hij.

 

De kloof tussen buitenwereld en binnenwereld

Het tweede hoofdstuk zet Jungs ‘individuatieproces’ in de schijnwerpers: de ‘heel-wording’. “… Het rationale Ik aanpassen aan het irrationele Zelf, dat nu gebeurt juist in een gezond individuatieproces…”. Jung meent dat de kloof tussen buitenwereld en binnenwereld te groot geworden. Hij vond het opvoedingsmodel van de moderne mens in zijn tijd uiterst monomaan, wat denk ik alleen maar erger is geworden in onze tijd waarin alle pionnen op de buitenwereld worden gezet. “… Onze moderne opvoeding is ziekelijk eenzijdig. Natuurlijk is het juist, dat wij de ogen en oren van jonge mensen openen voor de horizonten van de wijde wereld, maar het is dwaas, te menen, dat men hen daarmede voldoende op het leven voorbereid! Een uiterlijke aanpassing aan de realiteiten van deze wereld is alles, wat men met zulk een opvoeding bereikt. Niemand echter denkt aan de aanpassing aan het Zelf, aan de krachten der ziel, die alle krachten van de wereld vele malen overtreffen…”. In een artikel op Nu.nl (20.06.26) over de ‘worstelende jonge vrouw’: "…. Iedereen moet tegenwoordig het beste uit zichzelf halen en alles moet altijd sneller, dus we zitten in een ratrace die niemand kan winnen…". Nu God dood is, lijkt de belangrijkste levensvraag te zijn: ‘Wat zullen de anderen wel niet van mij denken?’. Mensen blijken zich daardoor massaal in de luren te laten leggen, met dank aan de sociale media.

 

Ondergronds wortelstelsel

Volgens Jung is ons onderbewuste de ‘scheppende moeder’ van ons bewustzijn. Wij ontspruiten aan een ‘eeuwenoud wortelstelsel’. Freud, zijn leermeester, dacht het precies andersom. Voor hem was het onbewuste niet veel meer dan de vuilnisbak voor onze verdrongen zaken. Jung onderscheidt vier bewustzijnsfuncties: zintuiglijke gewaarwording (zien, horen, tasten, ruiken), ratio, gevoel en intuïtie – wier materiaal enerzijds uit de fysieke buitenwereld en anderzijds uit de psychische binnenwereld stamt. Het centrum van deze functies presenteert zich als een ‘ik’.  Jung ziet de ziel als een overgangsgebied tussen het bewuste en onbewuste, dat wordt opgedeeld in een persoonlijk en een collectief onbewuste (Freud hield het alleen bij het persoonlijke onbewuste).

 

Hergeboorte

Het individuatieproces kent vijf fasen die door elkaar heen lopen. Voor het gemak zet ik ze even op een rij. Fase 1 begint met een ‘participation mystique’: er is nog sprake van een versmelting van het individuele bewustzijn met de omgevende wereld. We zijn verbonden met alles en iedereen. Fase 2 behelst het ontstaan van het ik en zijn projecties. Het ik draagt onbewuste inhouden over op omringende objecten (kerk, sport, kunst). Ouders worden goden. We laten ons betoveren door machtige archetypen (bijvoorbeeld verliefdheid). In Fase 3 worden projecties geabstraheerd en/of teruggenomen. We gaan het verschil zien tussen projecties en projectiedragers. De ouders zijn geen goden en Sinterklaas bestaat niet. Echter: hoewel we niet dan meer in de duivel geloven, bestaat het kwaad nog steeds. Fase 4 staat voor vervreemding. De mens doorziet zijn projecties en bant ze radicaal uit. Maar wat blijft er van hem over als hij de verbinding met zijn eeuwenoude wortelstelsel doorknipt en hij enkel nog vaart op zijn ratio? Het nihilisme?  Welke ‘kiem’ kan het nog opnemen tegen zijn banale-wereld-van-alledag? Voor Jung is dat de droom. De droom biedt een uitgang naar de oernacht, naar het onderggrondse wortelstelsel. Onze problemen moeten blijkbaar onoplosbaar worden voordat ons onbewuste weer mee mag spelen. Fase 5 staat dan ook voor inkeer, regressie en een numineuze wedergeboorte uit de wateren van het onbewuste. Dan zijn we weer terug bij een, dit keer bewuste, ‘participation mystique’. Het draait allemaal om geboren worden, sterven en herboren worden.

 

Godsbeeld

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Het derde hoofdstuk gaat over Maggy Reichstein, een patiënte van wie Jung naar eigen zeggen veel leerde, onder andere op het gebied van overdracht en tegenoverdracht, synchroniciteit, mandala’s en chakra’s. Wat ik met name interessant vind, is wat hij haar schrijft over zijn psychologische visie op het goddelijke: “… God is aanwezig in ons als ‘Imago Dei’, als een bééld van God, dat niet onderscheiden kan worden van het (archetype van het) Zelf en daarom de gelijkstelling: God = Zelf…”. Jung: “… Het Zelf verschijnt als tweevoud, als de liefdevolle Vader en als de Duivel, de opponent van God…”. Even verder: “… De sterfelijke mens is het vat voor deze gebeurtenissen…”.

 

Jung versus Buber

Wat ik niet wist: Jung blijkt nogal in de clinch te hebben gelegen met de Joodse godsdienstfilosoof Martin Buber, waarover het in het vierde hoofdstuk gaat: “… Het is niet zo gemakkelijk om de kern van de controverse Buber-Jung boven water te halen. Over wat waren ze het nu precies niet eens? Soms lijkt het verschil in visie tussen beiden flinterdun te zijn, andere keren lijkt het levensgroot, soms is er sprake van een werkelijk niet begrijpen van elkaar, dan weer lijkt het er sterk op dat ze elkaar niet wilden begrijpen…”.

 

Een ‘vat’ voor de goddelijke genade

Metafysici zijn mensen die geloven op de hoogte te zijn van de onkenbare dingen aan gene zijde, aldus Jung. Daar zet hij grote vraagtekens bij: “… Ik betwijfel echter sterk of onze voorstelling van de dingen identiek is met de natuur van die dingen…”. Met andere woorden: niemand heeft ooit God gezien. Wij maken ons enkel metafysische en religieuze ‘voorstellingen’; wij maken ons ‘godsbeelden’. Archetypische beelden zou je metaforisch kunnen omschrijven als psychische demonen en engelen omdat ze zich nogal ‘autonoom’ gedragen: “… deze autonomie, die een feit is, moet men zeer ernstig nemen…”. Even verder: “… De zogenoemde ‘machten van het onbewuste’ zijn geen intellectuele ‘begrippen’ die men naar willekeur kan manipuleren, maar gevaarlijke tegenstanders, die in de inrichting van de persoonlijkheid soms vreselijke verwoestingen aanrichten. Deze ‘machten’ zijn alles wat men van een psychisch ‘tegenover’ maar kan wensen of vrezen. De leek denkt natuurlijk met een duistere organische ziekte van doen te hebben. Maar de theoloog, die daarachter de duivel vermoedt, staat duidelijk dichter bij de psychische waarheid…”. Deze ‘machten van het onbewuste’ zijn ‘numineuze archetypen’. Vanuit zijn positie omschrijft iedereen ‘God’ weer anders. De paus ervaart God niet zoals een psychiater: “… Een orthodoxe christen kan nauwelijks anders dan het betreuren als hij ziet hoe onbekommerd en respectloos ik door de hemel van de dogmatische ideeën fiets…”. Het beeld dat wij van God hebben staat nooit los van de mens. Alle uitspraken over God komen van beneden. “… Bij Jung zijn het twee verschillende dingen: de ‘ervaring’ van het ‘mysterium fascinosum et tremundum’ en de ‘duiding’ ervan. Die duiding kan volgens Jung duizenden vormen aannemen, en dat is in de geschiedenis ook gebeurd, ‘Mana’, ‘Atman’, ‘Tao’, ‘Alles’, ‘Niets’, ‘Iets’ en ook het woord ‘God’. Voor al deze ‘namen’ kan men sidderen, knielen, stil zijn of dansen…”. Jung is een psycholoog, geen theoloog. “… God kán dus best een niet-psychische werkelijkheid zijn. Alleen, we kunnen dat nooit weten…”. Jung gaat het enkel om het ‘belevingskarakter’ van het goddelijke, dat in feite natuurlijk iets onbeschrijfelijks is. Ik kan een heel eind met hem meevoelen als hij schrijft: “… Het Zelf staat nooit of te nimmer in de plaats van God, maar is wellicht een ‘vat’ voor de goddelijk genade…”. Even verder: “… Wat lapidair gezegd, er ontspringt volgens Jung niet zoveel aan het innerlijk van de mens: integendeel, het is eerder zo dat dat innerlijk ontspringt aan de werkelijkheid zelf…”.

 

Donut

Voor Buber bestaat het goddelijke niet ‘in’ de dingen maar ‘tussen’ de dingen. Hem gaat het vooral om een ‘ontmoeting’ met een ‘tegenover’, om een ‘Ik-Jij-relatie’. Buberspecialisten verklaren de populariteit van dit thema bij Buber vanuit zijn hartverscheurende jeugd. Hij was amper vier toen zijn moeder hem verliet: “… De kleine Martin rende nog naar het Franse balkonnetje om haar uit te zwaaien, maar ze draaide zich niet om…”. Hij werd in de steek gelaten voor een Russische luitenant met wie ze een nieuw gezin begon. Tot aan zijn dood bleef Buber de pijn van dit trauma met zich meedragen. Misschien zou je kunnen stellen dat Buber het goddelijke vooral om zich heen ervoer, terwijl bij Jung het goddelijke zich voornamelijk ín zijn innerlijk afspeelde. Ik denk dat ze allebei gelijk hebben. Zie ook Dirk De Wachter in “Wachten. Een levenshouding”: misschien kunnen we onszelf het beste zien als een ‘donut’.

 

Asymmetrie

In een intermezzo vertelt de inmiddels zesentachtigjarige Tjeu van den Berk hoe hij als negentienjarige op een kloosterschool in contact kwam met Jung, en hem nooit meer heeft losgelaten. Het vijfde hoofdstuk gaat vervolgens over Jung en zijn betrekkingen met de geniale, maar labiele quantumfysicus Wolfgang Pauli (1900 – 1958). Jung probeerde zijn synchroniteitstheorie in verband te brengen met de kwantumfysica. Ik vind het te moeilijk om het hele verhaal uit de doeken te doen, maar wat mij raakte is het feit dat Pauli tot in het diepst van zijn wezen geschokt was toen hij erachter kwam dat links- en rechtshandige atomaire deeltjes niet altijd spiegelbeelden van elkaar vormen. Hun kernkracht wijkt soms af: “… Asymmetrie zit blijkbaar ‘ingebakken’ in de kosmos…”. Zie ook Arnon Grunberg die in “Mogen we nog een beetje leven?” uitlegt dat evenwicht staat voor rust, en ‘eeuwige rust’ de dood betekent. Het leven bestaat bij de gratie van onbalans. Zonder ‘probleem’ is er geen verhaal. Als je er over nadenkt, zou je dus kunnen constateren dat – raar maar waar - ‘zonden’ de wereld draaiende houden. Een centrale boodschap in de Bijbel is het concept van het kwaad dat uiteindelijk ten goede wordt gekeerd, vooral met betrekking tot de eindtijd (Romeinen 8:28). De definitieve verlossing is tegelijk het definitieve einde: de apocalyps. Alles grijpt in elkaar.

 

Zien wat niet bestaat

Het gekste verhaal staat in hoofdstuk zes. In 1932 ‘zag’ Jung met zijn minnares Toni Wolff - ongeveer de enige die hem door een zware depressie wist te loodsen - een aantal mozaïeken in het baptisterium der Orthodoxen in Ravenna. Het gebouw wordt toegeschreven aan Galla Placida, van 425 – 437 regentes van het West-Romeinse Rijk. De ruimte is gevuld met een zacht, blauw licht. Ze worden overweldigd door vier grote mozaïek-fresco’s van ongehoorde schoonheid. De eerste stelt de doop in de Jordaan voor, de tweede de doortocht van de kinderen Israëls door de Rode Zee, de derde de reiniging van Naämans melaatsheid in de Jordaan, de vierde - en meest indrukwekkende – Christus die de verdrinkende Petrus de hand reikt. Ze praten met elkaar over de oorspronkelijke dooprite als initiatie, waaraan werkelijk levensgevaar verbonden was. Het doopsel is een symbolische verdrinking. Tijdens de ‘onderdompeling’ kun je, op je weg door het water, ook nog door een monster worden verzwolgen (zie Jona). Een en ander staat voor de archetypische gedachte van dood en wedergeboorte. Na afloop struint Jung de winkeltjes in de buurt af om afbeeldingen van de mozaïeken te kopen, maar die zijn er niet. Hij houdt vervolgens een lezing waarin hij de mozaïeken in Ravenna noemt. Een kennis die naar Ravenna reist, vraagt hij de foto’s te kopen, maar ook hij kan ze niet vinden: de mozaïeken blijken helemaal niet te bestaan. Wat Jung en zijn soul-mate ‘met eigen ogen gezien’ hebben, was niet aanwezig. Ze hadden geen drugs of andere middelen gebruikt. Waren ze onderhevig aan een soort ‘waan’?  Tjeu van den Berk geeft als verklaring dat twee emotioneel geladen mensen met een sterk verlaagde bewustzijnsdrempel het baptisterium betraden, waardoor een archetype kon ‘opborrelen’. Jung legt zelf uit dat mensen met niet bewuste problemen exteriorisatieverschijnselen kunnen oproepen. Dat gebeurde hem nogal eens. Wolfgang Pauli stond ook bekend om de ‘ongelukken’ die hij in zijn omgeving zou veroorzaken: omvallende vazen en zo. Sommigen wilden hem niet eens in hun lab hebben. Wat Tjeu van den Berk niet noemt, maar mij wel opviel: een foto van Toni Wolff lijkt als twee druppels water op een afbeelding van Galla Placida die naast elkaar in het boek staan afgedrukt. Allebei donker haar en donkere ogen, een langwerpig gezicht met vooral precies dezelfde smalle mond.   

 

Kunst

Het zevende hoofdstuk gaat over Jungs kunstbeschouwing. Kunst is per definitie amoreel. Kunst is in de kern numineus van aard en voorbij goed en kwaad; anders verwordt zij tot ‘reclame’ (of porno). Daarom kan de grootste rotzak de mooiste kunst maken, en kan de nazi die ‘s avonds Rilke las of Beethoven speelde, de volgende dag mensen vermoorden alsof hij formulieren afstempelde. Misschien stelde de esthetische ervaring hem wel in de gelegenheid zijn slechtheid voor de duur van het Allegretto van Schubert te overstijgen. “… Schrijver Oek de Jong zegt in een interview: ‘Elk boek is uiteindelijk een afdaling in het onbewuste, een peiling van wat er spookt in je black box…”.

 

Goed en kwaad

Het achtste en laatste hoofdstuk gaat over de vervlechting van goed en kwaad. Steeds heeft Jung de eenzijdigheid van het christelijke godsbeeld van zijn tijd beklemtoond. Dat heeft volgens hem mogelijk gemaakt dat de kwade krachten zo buitensporig konden toeslaan in onze westerse cultuur: “… je moet toch op zijn minst verbaasd zijn, meent hij, dat de tweeduizend jaar oude christelijke ethiek van het doen van het goede en het laten van het kwade, in de vorige eeuw kon uitmonden in zo’n pandomonium. Zoveel eeuwen christelijke opvoeding en katechese, zoveel lessen uit Heidelbergse en Romeinse catechismussen zouden ons toch steeds meer in staat hebben moeten stellen de bekoring van het kwaad te weerstaan? Het tegendeel lijkt waar…”. Wij moeten onze schaduw onder ogen leren zien. Zie Paulus: “… Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik…” (Romeinen 7:19). Even verder: “… Voor veel christenen was het in de vorige eeuw een verademing te beseffen dat de duivel en de hel niet bleken te bestaan! En die overtuiging stond gelijk met ‘Het kwáád bestaat niet werkelijk.’ Als het nog bestond, dan alleen nog maar als een persoonlijk moreel vergrijp. Maar ja, écht zondigen deden we toch eigenlijk ook niet. De biecht had dus geen zin meer. En als men dan toch per se het kwaad wilde omschrijven, werd dat: ‘afwezigheid van het goede’, iets niet-bestaands dus. Dat het kwaad een ‘werkelijkheid’ is, verstrengeld met het goede, van die gedachte meent de ‘verlichte’ christen af te zijn. Dat we in ‘erfzonde’ geboren worden, is een oud Adam en Eva verhaaltje. En de opvatting dat het goddelijke of hoe je het ultieme mysterie van de werkelijkheid ook benoemt, zèlf een duistere kant heeft, wat in vrijwel alle culturen een overtuiging is, dat is voor een christen ‘uit den boze!...”. Toch staat er in de Bijbel: “… Ik ben de Heer, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de Heer, die deze dingen doet…” (Jesaja 45:6-7). Dubbelzinnigheid zit wezenlijk vast aan onze ‘condition humaine’.

 

Uitgave: Van Warven – 2025, 250 blz., ISBN 978 949 334 966 7, € 29,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zaterdag 20 juni 2026

Mogen we nog een beetje leven? – Arnon Grunberg

 


Subtitel: Over de dood van God en het lijk dat maar warm bleef

 

In mijn vorige blog schreef ik dat misschien wel iedereen naar ‘verlossing’ zoekt – van zichzelf, van het leven. Arnon Grunberg (1971) gaat in het essay “Mogen we nog een beetje leven?” op zoek naar de wortels van dit verlangen en komt uit bij Jezus’ Bergrede. Grunberg heeft een Joodse achtergrond en houdt zich intensief bezig met religieuze thema's, maar hij wordt doorgaans niet gezien als een praktiserend of traditioneel gelovig persoon. Eerder besprak ik van hem: “Moedervlekken” en “Bij ons in Auschwitz”. Er zijn boekenkasten vol over de Bergrede geschreven. Zie mijn blog over “Gods geheime plan” van Dallas Willard.

 

Gruwel

Tot mijn verrassing vormt het betoog van Grunberg min of meer een voortzetting van mijn bespreking over “Het menselijk tekort” van André Malraux. De ‘simpele, sturende antwoorden’ op de vraag hoe te leven, afkomstig van mensen die zich ‘God wanen’, zijn Grunberg ‘een gruwel’: “… een gruwel waarmee boekenwinkels half zijn gevuld, opiniepagina’s, kranten zelf staan er vol mee, praatprogramma’s, we moeten dit of we moeten dat, we moeten x of we moeten y en tussendoor moeten anderen zich schamen om deze of gene reden. Als de eigen antwoorden dreigen tegen te vallen kun je anderen altijd nog beschamen…”. Zie Pieter Omtzigt in De Ongelooflijke Podcast (24.05.26) over de huidige politiek: “…Als jij denkt dat je grootste ambitie is dat je kwaad bent op een ander, dan ben je zelf best een beetje leeg…”.

 

Een revolutie van liefde

Omdat de Bergrede (Matteüs 5, 6 en 7) van Jezus niet bij iedereen bekend mag worden verondersteld, heeft Grunberg haar in zijn geheel achter in zijn boekje laten afdrukken. Hij noemt het een ‘bedwelmende’ tekst, even dwingend als “Aldus sprak Zarathoestra” van Nietzsche, dat je als een antwoord op de Bergrede zou kunnen lezen. Jezus belooft een barmhartige en liefdevolle wereld voor iedereen. Zarathoestra zegt daarop dat God doodgaat aan Zijn medelijden met de mensen. Volgens Grunberg gaat het in de Bergrede om niets minder dan een ‘universele revolutie’ van liefde. Daarom is de vraag van de westerling hoe je moet leven identiek aan de vraag hoe je moet liefhebben, aldus Grunberg. Zie de grootinquisiteur uit “De gebroeders Karamazov”, die Jezus wil terechtstellen omdat hij de mensen is komen storen. Jezus reageert door hem ‘stil op zijn bloedeloze lippen te kussen’, waarop de autocraat Hem de stad uit jaagt.

 

De deceptie van wereldse revoluties

Max Weber bepleit een soort ‘social distancing’ rond het vuur van de Bergrede. Grunberg – immer ironisch: “… Zoals wij tegenwoordig niet meer de hand aan onszelf slaan na het lezen van Goethes "Het lijden van de jonge Werther" – wij hebben Goethe en zijn romantiek niet meer nodig om suïcidaal te zijn – zo zouden wij Jezus en zijn Bergrede voor privégebruik moeten bestemmen, zoals wij ook naar Wagner kunnen luisteren zonder aangestoken te worden door de nazistische bacil…”. Het geloof in revoluties is tegenwoordig tanende, aldus Grunberg (wat onder de huidige politieke ontwikkelingen nog maar valt te bezien, volgens mij). En dat komt vooral doordat de meeste revoluties niet hebben gebracht wat ze beloofden. Denk aan de deceptie van de Arabische Lente, de Iraanse Revolutie en de Russische Revolutie. Zie terreurorganisaties als de RAF. Aangezien de AfD volgens de opiniepeilingen in voormalig Oost-Duitsland 40 % van de kiezers trekt, moet je wel tot de conclusie komen dat zelfs de Duitse eenwording op een teleurstelling is uitgelopen.

 

Slachtofferschap

“… De Franse Revolutie als de grote gebeurtenis van de moderne tijd werd vervangen door Auschwitz. Het geloof in strijd en strijders (voor de goede zaak) werd het geloof in trauma en slachtofferschap, wat een totaal andere maatschappelijke dynamiek tot gevolg heeft gehad…”. Welnu, de Bergrede drááit om ‘slachtofferschap’. Maar wie is er uiteindelijk géén verliezer? Overal waar geleden wordt, ontstaat een verlangen naar verlossing. “… Maar ook Auschwitz als centrale gebeurtenis van onze tijd loopt op haar laatste benen. Misschien is het tijdperk van de slachtoffers weldra voorbij. Waaraan wij ons hierna zullen vastklampen is nog onbekend. Onze medicijnen wellicht. De pijnstiller als de reëel bestaande Messias. Verlossing uit een potje…”. Zie “Brave New World”, zou ik zeggen.

 

Zingevingscrisis

Het Bijbelse hongeren naar rechtvaardigheid is vrijwel altijd een hongeren naar zingeving. Wij, postchristenen, zijn en blijven verslaafd aan ‘verlossing’, schrijft Grunberg. “… Het proces van secularisering kan het best begrepen worden als liberalisering van de zingevingsmarkt, iedereen mocht de markt op, profeet zijn werd ineens een vrij beroep…”. De staat nam gaandeweg alle taken van de kerk over. Het zielenheil van de burgers werd een staatsaangelegenheid. De staat moet alle problemen oplossen, van eenzaamheid tot incontinentie. De Westerse sneuvelbereidheid is er daarom wel een beetje uit. Het christendom zegt dat de echte oplossingen pas na de dood komen, maar aangezien we niet meer in het hiernamaals geloven, moet de corebusiness van de democratie wel het oplossen van problemen in het hier en nu zijn. Wie de problemen het best kan benoemen, het beste anderen kan aanwijzen die ervoor verantwoordelijk zijn en doet alsof de oplossingen een fluitje van een cent zijn, wint het politieke steekspel. “… Alleen al daarom werd langzaam alles een crisis. Een probleem is immers pas echt een probleem als het een crisis kan worden genoemd. Leescrisis. Klimaatcrisis. Vertrouwen-in-de-politiek-crisis. Toeslagencrisis. Trumpcrisis. Poetincrisis. Einde-van-NAVO-crisis. Huizencrisis. Ongelukkige-jongerencrisis. Te-rijke-bejaaardencrisis. Irancrisis. Racismecrisis. Antisemitismecrisis. Jodencrisis. Mensencrisis. Dierencrisis…”. Misschien is het oplossen van al die crisissen wel een vorm van zingeving geworden. Ziedaar het recept voor de drie-eenheid van verwachting-verlossing-deceptie. De hedonistische levensgenieter Don Juan eindigt in een klooster met uitzicht op een dorre, hete, Spaanse vlakte, waarin hij zijn ziel herkent. Zie Gisors in “Het menselijk tekort”: “… en als zovelen hun ouderdom leeg zien, is het omdat zovelen leeg waren en het wisten te verbergen…”. Camus schreef: “… de liefde van Don Juan heeft ‘ontelbare gezichten en doet ons huiveren omdat wij weten dat zij vergankelijk is. Don Juan heeft gekozen niets te zijn.’…”.

 

Het verrukkelijke tl-licht van het atheïsme

Volgens Grunberg is de Bergrede de omkering der omkeringingen: de ware ‘Umwertung aller Werte’ (zie Jan van Aken in “Monsterzicht” over het begrip ‘enantiodromie’ van Jung). Neem de ‘verbale placebo’: “… Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden…”. Grunberg: “… Uw lijden is uw geluk. Uw smart kunt u als kampioensmedaille om uw nek hangen. Uw pijn is goud. Zelfs als die pijn nu nog niet zo aanvoelt. Waarop Zarathoestra zei: we gaan de ‘Umwertung’ nog eens ‘umwerten’…”. Grunberg heeft het over fanatieke godloochenaars die niet moe worden te beweren dat religieuze medemensen zielenpieten zijn, en hen die het licht nog niet hebben gezien willen trakteren op “… het verrukkelijke tl-licht van het atheïsme…”. Ook zij willen niet anders dan ‘zieltjes winnen’. Hun ‘mechanische rede’ en ’ten einde gedachte rationaliteit’ is “… zo kil als een guillotine. Zo koud als een gaskamer…”. Grunberg noemt de oude voetbalvirtuoos Maradonna die als een junk een tribune opschuifelde: “… Een schim van zijn vroegere zelf. Een karikatuur van een afgod, een wezen dat alle onoverwinnelijkheid belachelijk lijkt te maken…”. Is dat wat het Nieuwe Testament bedoelde met de profetie dat de eersten de laatsten zullen zijn en andersom?

 

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Lof der zotheid

Verlossing is zowel een religieus als een politiek issue, en die twee zijn nauwelijks uit elkaar te halen, aldus Grunberg. Elke oplossing van een probleem heeft als ongewenst neveneffect nieuwe problemen – en dat is maar goed ook. Alles wat leeft is onevenwichtig, maar evenwicht betekent de ‘eeuwige rust’. Als het kwaad is overwonnen, bestaat het goede ook niet meer. De eindoplossing is de dood. Daarom moet de politiek vooral een eeuwige debatclub blijven, en moeten definitieve oplossingen vermeden worden. “… Waar de dictatuur van het goede de kop opsteekt, begint het totalitarisme…”. Erasmus benadrukt in “Lof der Zotheid” dat het hele menselijk leven een ‘spel der zotheid’ is. Zie ook Huizinga in “Homo ludens” over de ‘spelende mens’. Zonder het zout der zotheid is elke maaltijd smakeloos, zegt Erasmus. Laat Jezus in de Bergrede zijn volgelingen nu het ‘zout der aarde’ vinden!, schrijft Grunberg. Welnu, dacht ik, zie Paulus: “… Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen…” (1 Korinthe 1:25).

 

Barmhartigheid zonder heipalen

De Verlichting heeft geprobeerd de poëzie van de Bergrede te rationaliseren en van logica te voorzien, aldus Grunberg. De mensen waren het wachten beu. Barmhartigheid en rechtvaardigheid moesten naar het hier en nu worden verplaatst, middels verbeterde wetten en verbeterde instituten. Barmhartigheid als dwangarbeid. Afgedwongen door de elite die zich meer dan een stacaravan kan veroorloven - goed verzekerd en wel, met een handige belastingadviseur – en die zich allang voorbij de barmhartigheid bevindt, van waaruit een verrukkelijke machtspositie kan worden ingenomen om barmhartig om te gaan met de stakkers. Barmhartigheid als hobby. “… Ach, ijdelheid en eigenliefde kunnen de moeder zijn van het goede…”. Grunberg meent evenwel dat het universalisme (zie de Bergrede: iedereen hoort erbij) aan het verkruimelen is. Identiteit is vooral groepsidentiteit geworden: Nederlander of niet-Nederlander, hetero of niet-hetero, moslim of niet-moslim.

 

Wonderen

Over ‘wonderen’: “… Spinoza meende dat een wonder, en dat is een van zijn heerlijkste uitspraken, slechts onbegrepen realiteit is. Wonder, kortom, is het woord dat we plakken op ons eigen onbegrip. Op ons tekort aan weten…”. Een wonder onderbreekt de status quo. Dat willen we helemaal niet. Een wonder is een ontmoeting tussen het goddelijke en het menselijke. Maar wat is het goddelijke in tijden van ongeloof? “… De meeste ongelovigen die ik ken geloven in van alles, vaak in de meest dwaze dingen. En ik zou niet willen beweren vrij te zijn van deze kwaal. De balk en de splinter…”.

 

Zondebok

Toen God een lege plek bleek en de barmhartigheid een hobby, “… zoiets als tuinieren maar dan anders…”, bleef de zonde over. De zondaar werd de zondebok: de melkkoe der melkkoeien. Want “… oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt…”, is te veel gevraagd voor de westerling, aldus Grunberg. “… Ik vrees dat te veel mensen verlossing hebben gevonden in het bestaan van de zondebok. Omdat hij bestaat voelen zij zich al een beetje verlost…”.

 

Mensen zijn we

God de Vader is dood. Wat laat Hij na? De wet. Zijn Zoon verdubbelde de inzet. Grunberg noemt Jezus een ‘maniak’. Er zit volgens hem  iets absoluut onverdraaglijks in de Bergrede. De Bergrede is een ideaal en een utopie die eist dat wij boven de wet uitstijgen. ‘Heb uw vijanden lief!’ De hedendaagse wetgevers weten dat het Koninkrijk van Liefde zal eindigen in complete anarchie. “… Ja, mogen we nog een beetje leven? Hier en nu? Voor het te laat is? Want wat als je je rechteroog uitrukt en vervolgens met je linkeroog nog altijd naar diezelfde vrouw blijft gluren? Het oog is uitgerukt. De obsessie blijft. Het oog: dood. Het verlangen: levend. Mensen zijn we…”. De centrale boodschap van “Mogen we nog een beetje leven?” is dat mensen verlangen naar een rechtvaardige en menselijke wereld, maar vaak moeite hebben om de hoge morele eisen die daarbij horen daadwerkelijk na te leven. De Bergrede is dan ook geen menselijk, maar een goddelijk concept. Dallas Willard stelt als christen dat de Bergrede niet te volbrengen is zonder de Heilige Geest en zonder de mystieke ‘wedergeboorte’ die ‘van boven komt’.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2026, 128 blz., ISBN 978 904 505 273 1, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 11 juni 2026

Het menselijk tekort – André Malraux

 


Ik kwam op YouTube een interview tegen met Arnold Huijgen, waarin hij werd bevraagd over de drie boeken die het meest voor hem betekenen. Als hij niet voor André  Malraux had gekozen, was hij voor Michel Houellebecq gegaan, zei hij. Je moet het beest in de bek kijken, volgens hem. Dat zette mij aan tot het lezen van “Het menselijk tekort”, want een theoloog die Houellebecq waardeert, kan voor mij niet meer stuk, hoor. “La Condition humaine” uit 1933 van de Franse schrijver André Malraux (1901-1976) speelt zich af tijdens de Chinese burgeroorlog en heeft ons daarom, alleen al vanwege onze gepolariseerde tijden, zeker iets te zeggen. De roman onderzoekt hoe mensen handelen in extreme politieke situaties en wat dat betekent voor hun persoonlijke waarden en identiteit. Hoe te lijden, en voor wie of wat? Als historische achtergrond fungeert de mislukte revolutionaire opstand tegen de regering van Chiang Kai-Shek in Shanghai (1927). Malraux baseerde zijn verhaal op zijn eigen ervaringen als activist en sympathisant van linkse revolutionaire bewegingen in Azië. Zijn diepgaande psychologische en filosofische reflecties tonen dat idealisme tot bijzonder ambigue situaties kan leiden, om nog maar te zwijgen over de gruwel van geweld die er vaak mee gepaard gaat. De titel verwijst naar de inherente beperkingen en zwakheden van de mens: angst, twijfel, morele conflicten en de onmogelijkheid om volmaakte heldendaden te verrichten. Misschien zoeken niet alleen christenen, maar wij allemaal, linksom of rechtsom, naar verlossing – van onszelf, van het leven: “… Men moet zich altijd bedwelmen: dit land heeft opium, de Islam hasjisch, het Westen de vrouw… Misschien is de liefde voornamelijk het middel dat de westerling gebruikt om zich te bevrijden van zijn tekort van mens…”. Zie de Epstein-elite, zou ik zeggen. Donna Tartt schrijft in “De verborgen geschiedenis” over hetzelfde thema.

 

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Vermoorden is niet alleen doden

Het boek heeft meerdere hoofdpersonen. Het begint heel heftig: we zitten meteen in het hoofd van een moordenaar. Hij staat, met zijn zenuwen tot het uiterste gespannen, om half één ‘s nachts helemaal alleen in de kamer van een man die onder een muskietennet ligt te slapen. “… Met knipperende oogleden ontdekte Tsjen in zichzelf, tot misselijkwordens toe, niet den strijder die hij verwacht had, maar een offerpriester…”. Hij luistert naar de golf van rumoer buiten: “… er waren nog opstoppingen van voertuigen daarginds, in de wereld der mensen…”. Hij heeft duidelijk een inhumane dimensie betreden: “… van onder zijn offer aan de revolutie kwam een wereld van diepten boven, waarbij deze nacht, murw van angst, nog lichtend scheen. ‘Vermoorden is niet alleen doden, helaas…’…”. Tsjen passeert een grens waardoor hij zich voor altijd in het isolement stort. Na zijn daad is er niets dan stilte en “… een verpletterende dronkenschap waarin hij onder ging, los van de wereld der levenden, aan zijn wapen vastgeklampt…”. Hij begint helemaal te trillen. “… Het was geen vrees, het was een verschrikking, gruwelijk en plechtig tegelijk…”. Even verder: “… hij was alleen met de dood, alleen in een oord zonder mensen, week overstelpt door afgrijzen en bloedlust tegelijk…”.  Tsjen zal nooit meer echte verbinding voelen met wie dan ook: “… Er was een wereld van de moord, en hij bleef daarin als in de warmte…”. Hij vermoordt niet alleen de ander, hij snijdt ook zichzelf af van de levenden.

 

Dubbel

En dat allemaal om een factuur voor wapenleveranties aan de regering te bemachtigen, die de dode in een portefeuille onder zijn hoofdkussen bewaart. Tsjen loopt met het begeerde formulier naar een louche grammofoonplatenwinkel, waar hij vier kameraden ontmoet. Kyo, de tweede hoofpersoon, één van de leiders van de ondergrondse opstand, leest de kleine lettertjes onder het contract: ‘betaalbaar bij levering’. Alles zit tegen. Hij begeeft zich naar een nachtclub, ‘Black Cat’, om een dronken nar met een zwart ooglapje, baron Clappique, de derde hoofdpersoon, te vragen te bemiddelen. De smokkelaar - “… Voor hem was de politie een mengsel van rekensommetjes en chantage, een instelling voor het innen van geheime belasting op opium en speelhuizen. Altijd waren de politiemannen met wie hij van doen had (vooral Sjpilewski) tegelijk tegenstander en halve medeplichtigen. Daarentegen had hij vrees en afkeer van verklikkerswerk…” - kent de kapitein van het schip dat vol wapens in de haven ligt. Natuurlijk komt het helemaal in orde. De baron verdwijnt in de nacht. Vervolgens loopt Kyo even bij zijn slapeloze vader naar binnen, Gisors - een om zijn marxistische standpunten weggestuurde professor in de sociologie aan de Universiteit van Peking en inmiddels een oude, wijze goeroe voor de jongere generatie. De vierde hoofdpersoon. Maar zelfs aan hem is alles dubbel: “… Gedurende twintig jaar wendde hij zijn intelligentie aan om zich te laten liefhebben door de mensen die hij rechtvaardigde, en zij waren hem dankbaar voor de goedheid die, zonder dat zij het konden vermoeden, in de opium wortelde. Men dacht dat hij het geduld had van de boeddhisten: het was dat van wie verdovende middelen nemen…”.

 

Geluk

Kyo’s echtgenote blijkt een vrijgevochten arts die zich inzet voor revolutionaire vrouwen: May. Als ze die nacht thuiskomt: “… ‘Altijd weer hetzelfde, weet je: ik kom van een kind van achttien, dat geprobeerd heeft zelfmoord te plegen met een Gilette-mesje, in de trouwpalankijn. Ze werd gedwongen te trouwen met een edelachtbare bruut… Ze werd binnengebracht in haar rode bruisjurk, vol bloed. De moeder erachter, een kleine mismaakte schim die snikte, natuurlijk… Toen ik haar zei dat het kind niet dood zou gaan, zei ze tegen mij: ‘Arme kleine! Ze heeft toch bijna het geluk gehad dood te gaan…’ Het geluk… Zoiets zegt meer dan al onze toespraken over de toestand van de vrouwen hier…”. Zonder omwegen vertelt ze erachter aan dat ze met iemand naar bed is geweest. Ze hebben een ‘vrij’ huwelijk. Toch doet haar ‘eerlijkheid’ Kyo ongelooflijk zeer. Het voelt alsof hij haar ziet sterven. Alsof ze ineen zijgt. Alsof zijn geluk op een absurde wijze verdwijnt. May zegt dat ze dacht dat het hem niets kon schelen. “… De wonden van de diepste liefde zijn genoeg voor het ontstaan van een stevige haat…”.

 

Bezeten

Weer gaat Kyo op pad, terwijl hij ervaart hoe alleen ieder mens is: “… Eerst is er de eenzaamheid, de onveranderlijke eenzaamheid achter de sterfelijke menigte, als de grote oernacht achter deze dichte en lage nacht waaronder de verlaten stad loerde, vol hoop en haat…”. Ten lange leste ben je overgeleverd aan jezelf: “… aan de gek, aan het onvergelijkbare monster, verkieselijk boven alles, dat ieder wezen voor zichzelf is en dat hij in zijn hart koestert…”. Ondertussen gaat Tsjen met de vader van Kyo, die hij beschouwt als zijn leermeester, in gesprek over hoe de moord hem isoleert van de rest van de wereld. Samen komen ze tot de conclusie dat hij vooral degenen veracht die niet doden: de ‘mietjes’. Gaandeweg het gesprek begint Gisors “… klaar te zien: de actie in de stormtroepen was den jongen man niet meer genoeg, het terrorisme werd hem een betovering…”. De oude man weet hoe het af zal lopen: “… Die dus had zich geworpen in de wereld van de moord, en zou er niet meer uit komen: met zijn verwoedheid ging men het terroristenbestaan in als een gevangenis. Binnen tien jaar zou hij gegrepen zijn – gefolterd of gedood; tot daartoe zou hij leven als een bezetene met wilskracht, in een wereld van beslissingen en dood. Zijn ideeën hadden hem doen leven; van nu af gingen zij hem doden…”.

 

We’re all alone

Gisors over Tsjen: “… Zodra hij Tsjen had bestudeerd, was hem duidelijk geworden dat de jongen niet leven kon met een ideologie die zich niet onmiddellijk in daden omzette…”. Tsjen was als weesjongen door zijn oom bij de zendelingen gebracht. Daar kon hij Engels en Frans leren. Gisors had hem met argumenten het christendom weer afgeleerd: “… Door het geloof van China losgemaakt, daardoor gewoon zich van de wereld af te scheiden in plaats van zich eraan te onderwerpen, had hij onder Gisors’ invloed begrepen dat alles zich had afgespeeld alsof dit tijdperk van zijn leven enkel een inwijding geweest was in de heroïsche zin: wat te doen met een ziel, als er geen God is of Christus?...”. Gisors’ zoon Kyo, in Japan opgevoed, was ook tot de overtuiging gekomen dat ideeën niet gedacht, maar geleefd moeten worden. Alhoewel Kyo, op een ernstige en bedachtzame manier tot actie kwam en geen moordenaar was. Gisors staat juist voor de contemplatieve - en mij meest sympathieke - mens: “… Dat in ieder wezen, en in hem allereerst, een lijder aan hoogmoedswaanzin school, hij was er sinds lang van overtuigd…”. Zijn morfineverslaving werpt hem eveneens op zichzelf terug: “… Zijn zo zuiver gevoel voor Chinese kunst, voor deze blauwachtige schilderwerken die zijn lamp nauwelijks bescheen, voor heel deze beschaving van suggesties waarmee China hem omgaf en waarmee hij dertig jaar geleden zo subtiel zijn voordeel had weten te doen – zijn gevoel voor geluk – was niet meer dan een dun dekkleed waaronder, als onrustige honden die zich schudden na hun slaap, angst en doodobsessie ontwaakten…”. Niemand deelt zijn ervaring: “… Met gesloten ogen, gedragen door grote roerloze vleugelen, aanschouwde Gisors zijn eenzaamheid: een wanhoop die het goddelijke bereikte, terwijl zich dat spoor van kalmte verbreedde tot in het eindeloze en stil de diepten overdekte van de dood…”.

 

Voedingsbodem voor geweld

Diepzinnige filosofie wisselt af met jongensboekachtige spanning. De wapens worden met veel branie en bluf van het in no time overmeesterde schip gehaald, want de revolutionairen hebben natuurlijk geen cent te makken. Prachtig wordt een in het geheim georganiseerde massale staking beschreven. De tekst maakt de voedingsbodem voor terrorisme duidelijk: “… Rechts, onder de verticale banieren met karakters overdekt: ‘Niet meer dan twaalf uren werk per dag’ – ‘Geen werk meer voor kinderen beneden acht jaar’ – duizenden arbeiders van de spinnerijen, staande, gehurkt, liggend op het trottoir in een gespannen wanorde. De auto reed een groep vrouwen voorbij, verenigd onder de banier: ‘Recht om te zitten voor de arbeidsters.’ Het arsenaal zelf was leeg: de metaalbewerksters staakten. Links wachtten duizenden zeelieden in blauwe lompen, zonder banieren, gehurkt langs de stroom. De menigte der manifestanten verloor zich aan de kadekant tot diep in de steile straten; aan de rivierkant haakte ze zich aan de steigers vast, maakte de grens van het water onzichtbaar…”.

 

Het archetype van de eenzame held

De strijd is de sterkste van alle banden. Tsjen en zijn kameraden overvallen in de algehele chaos politieposten om aan wapens te komen. Dat gaat vrij gemakkelijk: de agenten worden zo slecht betaald dat ze meestal niet hun leven wagen. Een aangrijpend fragment beschrijft hoe Tsjen midden in een granatenregen naar een geknevelde vijand kruipt wiens been is afgerukt, om met zijn mes de touwen door te snijden. Niemand mag geboeid sterven. Het doet onwillekeurig denken aan de schokkende dood van Henry Nowak. En weer dat individualistische: “… Het idee van de tweehonderd groepen die hetzelfde deden als de zijne, verrukte Tsjen, maar hinderde hem ook. Ondanks het schieten dat de zoele wind uit heel de stad aanbracht, gaf het geweld hem de sensatie van een afzonderlijk optreden…”. Ook als hij zich tijdens een straatgevecht aan de nok van een dak vastklampt terwijl er drie mannen die uitglijden aan zijn arm hangen, “… ontsnapte hij niet aan zijn eenzaamheid…”. Malraux: “… Tsjen was één van de zijnen, maar niet genoeg…”. Even verder: “… ondanks het gewicht van broeders dat hem uiteen trok, was hij niet een van de hunnen…”.

 

Spelletjes

De vijfde hoofdpersoon is Ferral, een Europese handelsattaché, die zich natuurlijk zorgen maakt over zijn economische belangen nu de communisten een greep naar de macht doen. “… De hinderpalen waaruit zijn tegenwoordige leven bestond, joegen hem naar de erotiek, niet naar de liefde…”. Hij minacht de vrouwen waar hij toch niet buiten kan. “… Ferral hield van dieren, als allen wier trots te groot is om het met mensen te kunnen vinden; van katten vooral…”. Even verder: “… Vrijheid van zeden, bij een vrouw, sleepte Ferral mee, maar vrijheid van geest ergerde hem…”. Zijn minnares weet dat hij haar verlangen om hem te verleiden zal aanzien voor overgave. Vrouwen die zich ‘geven’, mannen die ‘bezitten’ - het zijn allemaal gewiekste spelletje, volgens haar: “… Ik heb even weinig zin om een lichaam te zijn, als jij een chèqueboek…”. Even verder: “… Je zult doodgaan, lieve, zonder te hebben gemerkt dat een vrouw ook een menselijk wezen is…”. Iemand houdt Ferral voor dat het Romeinse Rijk te gronde is gegaan aan het bederf van de zeden (zie Jonathan Sacks in “Leviticus”: “… Niets verstoort op lange termijn de sociale orde meer dan seksuele anomalie…”).

 

Moorddadige insecten

Wanneer Tsjen en Kyo samen oplopen, gaat het op een gegeven moment over de mystiek van de dood. Christelijke mystiek richt zich op het apollinische licht, waarbij de ziel ‘omhoog’ wordt getrokken. Maar er bestaat ook een dionysische mystiek die gericht is op de duisternis, waarbij je jezelf in de afgrond stort. Tsjen heeft het over een ‘extase’: “… Maar dik. Diep. Niet licht. Een extase… naar beneden…”. Alsof het gaat om het in de ogen kijken van de dood. “… ‘Mijn vader denkt’, zei langzaam Kyo, ‘dat het diepste van de mens uit angst bestaat, uit het besef van zijn eigen noodlot, waaruit alle vrezen geboren worden, zelfs die voor de dood… maar dat opium daarvan bevrijdt, en dat daarin zijn betekenis ligt.’ …”. Tsjen: “… Je kan altijd de verschrikking in jezelf vinden. Als je maar diep genoeg zoekt…”. Terwijl Kyo Tsjen nakijkt, weet hij dat Tsjen een extremist is geworden: “… Hij kende de terroristen. Zij stelden zich geen vragen. Zij maakten deel uit van een groep: als moorddadige insecten teerden zij op hun band met een kleine tragische gemeenschap…”.

 

Vrede

Als Tsjen met een bom in zijn aktentas over straat struint, loopt hij nota bene de dominee uit zijn jeugdjaren tegen het lijf. Volgens Tsjen is de eerwaarde iets anders dan “… een inhalig vod…”. De dominee vormt een goede vermomming, dus Tsjen loopt met hem mee. “… Ik bid iedere dag voor je, Tsjen. Wat heb je gevonden in plaats van het geloof dat je verlaten hebt?...”. Hij hoort niet tot degenen met wie het geluk zich bezighoudt, antwoordt Tsjen. “… Daar is niet alleen het geluk, Tsjen, daar is ook nog de vrede…”. Niet voor hem, zegt Tsjen. “… Ik zoek de vrede niet. Ik zoek… het tegendeel…”. De dominee waarschuwt hem voor ‘hoogmoed’. "… Wie zegt u dat ik mijn geloof niet gevonden heb?...". De dominee: "... Welk politiek geloof kan een verklaring geven voor het leed op de wereld?…”. Tsjen zegt dat hij niet houdt van mensenliefde die bestaat uit bespiegelingen over het leed. Is er een ander soort mensenliefde, vraagt de dominee. Welk politiek geloof kan de dood overwinnen? Uiteindelijk vertelt Tsjen hem de waarheid: “… ‘Luister goed’, zegt hij. ‘Over twee uur zal ik een moord doen’…”. De dominee blijft stokstijf staan: “… ‘Het is een afschuwelijke leugen’, zei de dominee…”. Dan holt Tsjen weg.

 

Pech

Tsjen en twee kameraden maken zich op om hun bom onder de auto van Chiang Kai-Sjek te gooien. De eerste poging mislukt jammerlijk. Tsjen verschuilt zich in een antiquiteitenzaak tot de auto voorbijkomt, maar de verkoper houdt hem zo bezig dat hij geen kans ziet op tijd de straat op te rennen. Wanneer de drie terroristen onverrichter zake samenkomen in de grammofoonplatenzaak, wil de eigenaar hun geen onderdak bieden. Boven gilt zijn doodzieke zoontje van de oorpijn: “… er was meer pijn op de wereld dan er sterren waren aan de hemel…”. Ze zullen zijn vrouw en kind doodschieten als ze merken dat hij zich inlaat met terrorisme. Het ergste wat hij zijn vrouw kan aandoen, is haar achterlaten door te sterven. “… Ik voel mezelf als een lantarenpaal waar alles wat vrij is in de wereld tegen komt pissen…”.

 

Lone wolf

Wanneer ze de volgende aanslag bespreken, komt Tsjen tot de conclusie dat de enige manier waarop deze zeker zal slagen een vorm van hara-kiri is. Iemand zal zich met de bom onder de auto moeten werpen. Dat is andere koek: “… bommen gooien, zelfs met het grootste gevaar voor zichzelf, was het avontuur; het besluit te sterven was iets anders; het tegendeel misschien…”.  Tsjen ontwikkelt zichtbaar van revolutionair tot iemand die het terrorisme een bijna religieuze betekenis geeft. Zijn bereidheid tot zelfopoffering en zijn nadruk op absolute eenzaamheid laten zien hoe hij zichzelf steeds meer als een geïsoleerde, uitverkoren 'wreker' beschouwt. “… ‘Je wilt van het terrorisme een soort godsdienst maken?’ De vervoering van Tsjen werd sterker. Alle woorden waren hol, ongerijmd, te zwak om uit te drukken wat hij van hen wilde. ‘Niet een godsdienst. De zin van het leven. Het…’…”. Als een soort ‘Übermensch’ stamelt hij over wat hij ervaart als de ultieme vorm van zelfbeschikking. Hij ontpopt zich als een ‘lone wolf’: “… Deze geboorte voltrok zich in hem, als alle geboorten, door hem te verscheuren en te verheffen – zonder dat hij er meester over was. Hij kon geen enkele aanwezigheid meer verdragen. Hij stond op…”. Tsjen: “… ‘Ik zal alleen gaan’, zei hij. ‘En ik alleen ben ook wel genoeg, vanavond’…”. Even verder: “… De oudste Chinese legende drong zich aan hen op: mensen zijn het ongedierte van de aarde. Het terrorisme moest een mystiek worden. Eenzaamheid vóór alles: de terrorist moest alléén beslissen, alléén optreden; heel de kracht van de politie lag in het verklikken, de moordenaar die alléén handelde liep de kans niet zichzelf aan te geven. Uiterste eenzaamheid…”.

 

De wil tot macht

De mens wil God worden, aldus de altijd serene Gisors. “… De macht van den koning is om te regeren, nietwaar? Maar de mens heeft geen lust om te regeren: hij heeft lust om te dwingen, u hebt het zelf gezegd. Om meer dan een mens te zijn, in een wereld van mensen. Te ontsnappen aan de menselijke staat, zei ik u. Niet machtig: almachtig. De hersenschimmige kwaal waarvan de wil tot macht alleen maar de intellectuele rechtvaardiging uitmaakt, is de wil tot goddelijkheid: elk mens droomt een god te zijn…”. Zie alleen al het arsenaal aan moralistische opiniemakers en andere 'deskundigen' in de media die voorschrijven hoe wij ‘moeten’ denken, om te constateren hoe waar het is wat Gisors beweert. Geen wonder dat veel mensen moe worden van de constante meningen-carrousel. Ik word er zelf ook draaierig van. 

 

Lucht en leegte

Tsjen wordt gedood als hij zich met zijn bom onder de auto van Chiang Kai-Sjek werpt, terwijl later blijkt dat die er niet eens in zat. De communistische cel wordt opgerold. Kyro komt in een hal met tweehonderd opstandelingen terecht die gefusilleerd zullen worden. Voordat het zover is, vergiftigt hij zichzelf met cyaankali. Zijn heldhaftige kameraad Katov breekt zijn cyaankalitablet doormidden, die hij aan twee hele jonge Chinezen geeft die naast hem liggen. Misschien is dat wel de grootste gift die hij ooit heeft gedaan. Zelf wordt hij levend verbrand in de vuurkist van een stoomlocomotief. Ferral, de eeuwige opportunist met dollartekens in zijn ogen, wil alleen het Franse kapitaal veilig stellen, verder niets. De oude Gisors verhuist naar zijn broer, de kunstschilder Kama, in Japan. Ooit zei de laatste dat hoe meer westerse kunstenaars lijnen gingen schilderen die geen dingen weergaven, des te meer zij over zichzelf gingen praten. Wanneer May haar schoonvader vraagt mee te gaan naar Moskou, weigert hij. Hij heeft niets meer met het marxisme. “… De mensen moeten weten dat er geen werkelijkheid bestaat, dat er alleen maar werelden zijn van beschouwing – met of zonder opium – waarin alles ijdel is…”.  Bedoelt hij dat iedereen zijn eigen bubbel voor de werkelijkheid aanziet? Gisors: “… en als zovelen hun ouderdom leeg zien, is het omdat zovelen leeg waren en het wisten te verbergen…”. Voor zichzelf? “… May, luister: er zijn niet negen maanden, er zijn vijftig jaar nodig om een mens te maken, vijftig jaar van opoffering, van wilskracht, van… zoveel dingen! En als die mens gemaakt is, als in hem niets meer over is van de kindsheid, noch van de overgangstijd, als hij werkelijk een mens is geworden, is hij alleen nog maar goed om te sterven…”. Lucht en leegte, alles is leegte.

 

Les

De ‘les’ van Malraux is uiteindelijk een heroïsche, in de zin van Nietzsche. Zoals Nietzsche Schopenhauer nazegt, is een gelukkig leven niet mogelijk; een heroïsch leven is het hoogst denkbare.

 

Uitgave: Contact (Kaderreeks) - 1972, vertaling E. du Perron, 260 blz., ISBN 978 902 546 250 5

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar