Menu

woensdag 7 oktober 2026

Moedermelk – Nora Ikstena

 

 

Binnenkort gaan wij met onze leeskring “Moedermelk”, de (in mijn ogen) onwaarschijnlijk mooie roman waarmee de Letse schrijfster Nora Ikstena (1969–2026) internationaal doorbrak, bespreken. Het boek gaat over een vrouw die, ondanks de voortdurende dreiging van arrestatie en vervolging, probeert haar roeping als arts te vervullen in het door de Sovjet-Unie bezette Letland. En over haar dochter, voor wie ze geen moedergevoelens koestert, maar die onvoorwaardelijk van haar houdt, zoals kinderen plegen te doen. Het is oma die de scherven zo veel mogelijk probeert te lijmen. Een portret van drie generaties vrouwen onder de Russische laars.

 

Erwtje

Evenals in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) worden de korte, slechts met een * aangeduide hoofdstukken afwisselend verteld vanuit een verschillend perspectief, dit keer van een moeder en een dochter. Ze hebben in het verhaal geen naam: omdat het individu er onder de communistische knoet niet toe doet? Wel noemen oma en stiefvader – oma is voor de tweede keer getrouwd, nadat haar eerste man is opgepakt door de Sovjets, maar dat is een verhaal apart – hun kleindochter oneindig liefdevol ‘erwtje’. Een tweede overeenkomst met “Kafka op het strand” is dat ook in dit verhaal een personage voorkomt dat niet weet of zij een man of een vrouw is (ook dat is een verhaal apart).

 

Geboorteomstandigheden

Als Erwtje wordt geboren (oktober 1969), verdwijnt haar moeder vijf dagen lang, omdat ze haar kind geen moedermelk wil geven. Haar wanhopige oma voedt haar twee dagen met kamillethee, waarna ze aan poedermelk weet te komen. Toen haar moeder werd geboren (oktober 1944) knikkerde het RodeLeger de nazi’s uit Letland en nam hun plaats in. Opa probeerde zijn sparren te redden die Russische soldaten kwamen omzagen, waarbij hij bloedend in een vrachtwagen werd afgevoerd en oma met haar baby in een koffer met gaatjes, trillend in een kast de toestand overleefde. Hun huis op het platteland werd totaal verwoest, waarna er voor oma niets anders overbleef dan terug te keren naar hun door bommen gehavende appartement in Riga.

 

Eigen wereld

Erwtje en haar moeder wonen bij oma en stiefvader. “… De geur van moedermelk moest in mijn kindertijd wijken voor de geur van medicijnen en ontsmettingsmiddelen, die altijd als een wolk om mijn moeder heen hing…”, vertelt Erwtje. Mama’s handtas zit vol pillen, ampullen en enge metalen instrumenten, want ze is gynaecoloog. Haar moeder sluit zich volkomen af voor de buitenwereld. ’s Avonds zit ze rokend en koffiedrinkend aan haar bureau, omgeven door een berg medische papieren, boeken en encyclopedieën. Erwtje herinnert zich mama’s bovenbeen, vol rode plekken door het oefenen met injectiespuiten. Haar blauwe lippen na een overdosis experimentele medicijnen. De kraamkliniek waar ze eindeloos wacht tot de dienst van haar moeder erop zit. Erwtje is bang voor haar moeder (gesymboliseerd door haar melkallergie): “… Soms leek er een bijna satanische kracht in haar te huizen die gericht was tegen alles en iedereen, vooral tegen degenen die haar het naast stonden. Dan haatte ze haar moeder, en nog meer haatte ze haar vader en het simpele feit dat ze geboren was. Ze sloot zich dan huilend op in de wc, en haar gehuil galmde door de lange gang…”. Tot de buren op de muur kloppen. Gespannen wachten oma, stiefvader en Erwtje af hoe haar moeder eraan toe zal zijn als ze ’s avonds thuiskomt. De gevechten met haar engelen en demonen verwikkelen hen in een haast mythische strijd. Ze zijn van haar afhankelijk: zij brengt het geld binnen. Heel af en toe is er een lichtpuntje. Dan trekt haar moeder Erwtje op schoot en tekent voor haar baby’s in de buik van hun mama’s en hoe ze geboren worden. Niemand kan Erwtje iets over haar vader vertellen. Volgens oma moet haar moeder hem op een dorpsfeest hebben ontmoet, waar ze haar heen stuurden omdat ze altijd maar thuis zat om op haar kamer verboden boeken te lezen: Boris Pasternak, Jean-Paul Sartre. Kort daarna was ze zwanger.

 

Zelfdestructie

Oma trouwt met stiefvader wanneer ze hoort dat opa in Siberië aan zijn einde is gekomen. Maar opa komt terug en staat op een gegeven moment voor de neus van zijn dochter. Een dronkaard die onder onmenselijke omstandigheden in een vochtige, met kranten bezaaide kamer leeft. Oma neemt hem niet terug. Ze beschermt haar nieuwe leven, waarmee ze ook haar dochter probeert veilig te houden. Dochterlief bezoekt hem stiekem. Door zijn fysieke lijden besluit ze dokter te worden. Zijn genetische aanleg voor zelfdestructie zit ook in haar, weet ze. Hij sterft omdat hij zich niet weet aan te passen aan het totalitaire regime: “… Weggegooid op de vuilnisbelt van dit tijdperk…”. Dochterlief haat haar moeder en stiefvader, die een dubbelrol spelen: thuis hebben ze het over de ‘Russische honden’, maar in de maatschappij doen ze gehoorzaam mee met alle communistische onzin. Toch is ze genoodzaakt op school ook braaf haar hypocriete rol te spelen om te overleven. Ze krijgt de mogelijkheid om zich in Leningrad te specialiseren en liegt net zo goed alles aan elkaar wanneer ze daarvoor een korte politieke ondervraging moet ondergaan. Misschien zou je kunnen zeggen dat de materialistische linkse staat een ‘linkerhersenhelft-maatschappij’ is (zie McGilchrist), vol eenzijdige ‘linkerhersenhelft-mensen’: “… We vormden een bijzonder gezelschap – deze arts-onderzoeksters, een stelletje slonzige blauwkousen die alleen geïnteresseerd waren in glaasjes met preparaten, het mysterie van de cellen onder de microscoop, ingewikkelde theorieën, koffie, sigaretten, cafeïne-injecties en drank, die het huwelijk en de opvoeding de rug toekeerden en zich aan de wetenschap gaven…”. Toch drinken de uitgeputte aankomende artsen na het werk met kweekmonsters verdunde ethanol terwijl ze over de poëzie van de kritische dichter Brodsky praten.

 

Opium voor het volk

Hoewel religie volgens Karl Marx ‘opium van het volk’ is, komt God overal om de hoek kijken. Meermalen willen mensen weten of de dokter in God gelooft. ‘Ik ben Hem nog niet tegengekomen’, antwoordt ze steevast. Naar aanleiding van het mysterie van de bevruchting: “…is de wetenschap niet gewoon het zielige najagen van Gods wil?...”. Ze geeft, voor haar gevoel, God het nakijken als ze samen met haar collega’s een vriendin van haar hospita, Serafima, via kunstmatige inseminatie zwanger weet te maken. Manlief slaat haar als hij dronken is. Zijn sperma is niets waard, maar opgevangen in een condoom weten de artsen er een wonder mee te verrichten.

 

Lietuvēns

Zoals de maatschappij uit balans is, zo is Erwtjes moeder uit balans. Ze schminkt haar dochter voor een schoolbal niet voor niets als ‘tweestrijder’: “… Toen ze me de spiegel gaf, keek een kindergezicht, verdeeld in goed en kwaad, me aan. De ene kant was angstaanjagend, met een zwarte streep van neus tot kin en een nog zwartere, dikke wenkbrauw; de andere kant was licht, alsof er een laagje goudpoeder op lag, helder, met de mondhoek vrolijk omhoog…”. Serafima adoreert de moeder van Erwtje: “… Vaak, als niemand keek, probeerde ze me stiekem te strelen of sloeg ze een kruis over me…”. Het benauwt haar zo dat ze vertelt wat voor slechte moeder ze zélf is. Dat ze haar dochter geen melk wilde geven omdat ze haar niet ook met haar ‘lietuvēns’, demonen, wilde voeden (waarin ze, ondanks haar rationele inslag, toch geloofde). Serafima bezweert haar dat alleen een heilige haar zwanger kan maken, en even raakt het ‘zachte licht’ van een gelukkige moeder, dat ‘zin geeft aan het zinloze bestaan’, haar aan en ‘veranderen de lietuvēns in een rozenstruik’. Als ze die late avond uit het instituut komt, blijkt Serafima door haar man in elkaar te zijn geslagen. Ze pakt een vleeshamer, drinkt een wodka met hem in zijn appartement, stelt voor buiten een sigaretje te roken en slaat hem voor zijn harses.

 

Luilekkerland

Kerst vieren is verboden. Erwtjes moeder herinnert zich evenwel een oud kerstlied dat haar ouders met fluisterende stemmen zongen, bij een in een dennentak brandende kaars, achter met dikke dekens afgeschermde ramen. “… Er is een roos ontsprongen, // Uit ene wortelstam; // Die, lijk ons d’ouden zongen, // Uit Jesse ’t leven nam…” (Jesse is de vader van koning David, de stamvader van Jezus’ familie). Voor haar is Jesse Jezus zelf: “… Geboren in een kribbe, gekruisigd, gestorven en verrezen op de derde dag. Het was een wonderbaarlijk verhaal…”. Ze heeft het allemaal uit een oud boek dat ze ooit van een vuilnisbelt pikte. “… Maar de geneeskunde overschaduwde Jesse. Alles leek verklaard en begrepen te kunnen worden, er was geen geloof en er waren geen wonderen. En Jesse was überhaupt verboden, in plaats daarvan moesten de mensen geloven in een echt luilekkerland – dat van het communisme, waar alles van iedereen zou zijn, waar euforisch geluk en vreugde zouden heersen…”.

 

Wat is nou die vrijheid…

Met haar geweldsdaad verwoest de moeder van Erwtje haar carrière. Ze wordt uit haar paradijs verdreven, dat wil zeggen: verbannen. In een café met would-be-dissidenten praat ze met een jongen die ze in gedachten Jesse noemt over ‘vrijheid’, waarvoor mensen in het Westen zijn gestorven: Jan Palach, Janis Joplin, Jimi Hendrix, Jim Morrison. “… Jesse was aangeschoten en bleef maar fluisteren over een abstracte vrijheid waarnaar we zouden moeten streven, die ons was ontnomen en die ergens daarbuiten was, waar iemand voor ons stierf en leefde…”. Jezus-figuren.

 

Muizige, afgestompte vrouwen

Uiteindelijk gaat ze in ballingschap, ergens in de rimboe, en neemt ze Erwtje mee, die maar moet zien hoe ze het redt. Haar moeder is lange dagen weg, dus leert ze zichzelf de kachel aan te steken, eten te koken en de was te doen. De plattelandskliniek is een hel. Aan de ene kant van de gang zitten de vrouwen die een kind willen, aan de andere kant de vrouwen die van een kind áf willen. “… Het was vaak niet de keuze van mijn patiënten om al dan niet een baby op de wereld te zetten. Minnaars die weigerden het kind te erkennen, echtgenoten die niet nog meer zorgen wilden. De muizige, door het leven afgestompte vrouwen legden zich er schouderophalend bij neer en waren bereid de onmenselijke pijn van een abortus zonder verdoving te doorstaan …”. Even verder: “… ik probeerde hun niet te vertellen wat ik met mijn eigen ogen had gezien: hoe de kleine foetus terugdeinst voor het instrument dat hem uit de baarmoeder van zijn moeder schraapt. En dat het twee vrouwen zijn die dat doen – allebei heel bewust van wat ze deden. En dat de man het vaak niet eens weet of wil weten, omdat het een vrouwending en een vrouwenwereld is …”. Vrouwen die volgens de moeder van Erwtje gevangen zitten in het ‘hamsterrad’ van hun miserabele levens.

 

Noem me Ismaël

Erwtje probeert haar alcoholische moeder tussen haar zelfmoordpogingen door — ze kan moeiteloos aan verdovende middelen komen — op de been te houden met sterke koffie, sigaretten en warme soep. Op de dagen dat mama tot leven komt, leest ze Erwtje voor uit “Moby Dick”, waar ze aan verslaafd is. ‘Noem me Ismaël’ (de beginzin van “Moby Dick”) wordt een soort lijfspreuk. Erwtje vindt een notitieblaadje in het opengeslagen boek waarop een Bijbeltekst is geschreven waarin de naam Ismaël voorkomt: “… En de engel van de Heer zei tegen haar: Je bent zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven…”. Vereenzelvigt haar moeder zich met Ismaël? Erwtje heeft gehoord dat haar moeder oma ooit heeft bekogeld met het zilveren bestek uit een la. Mama geeft oma de schuld van haar rotleven, omdat ze weigerde te vluchten voor het Rode Leger toen dat nog kon. In het weekend reist Erwtje met de trein naar oma en stiefvader in Riga. Haar moeder gaat nooit mee, omdat ze ‘hun toch al spaarzame momenten samen niet wil verpesten’. Ze beseft dus heel goed hoe onmogelijk ze is. Ze laat haar dochter ook met oma en stiefvader op vakantie gaan naar de Zwarte Zee. “… We stonden als betoverd op het strand. Laten we rennen, erwtje, kom, rennen, riep grootmoeder plotseling, terwijl ze haar jurk en sandalen liet vallen. Ik deed snel mijn jurk uit en we renden. Het zoute, schuimende water spoelde zacht om ons heen. Zo warm als melk, zei grootmoeder. Ik zwom naar haar toe en omhelsde haar stevig…”. Je zal maar zo’n oma hebben. “… Op het strand stond stiefvader vrolijk te zwaaien…”.

 

De kooi

Ikstena gebruikt de prachtige metafoor van een hamster die in een kooi op de kamer van Erwtje bij oma en stiefvader verschijnt. Zo voelt het voor de Letten. Stiefvader: “… we leven allemaal in een kooi…”. Erwtje noemt hem Bambi. Hij haat het om opgesloten te zitten en loopt rondjes alsof hij door de duivel bezeten is. Erwtje laat hem buiten zijn kooi rondlopen – iets wat het beestje op den duur precies weet. Bambi krijgt al gauw gezelschap van een vriendinnetje, met wie hij een gezinnetje sticht. Echter, als hij zijn nakomelingen ziet, grijpt hij het eerste het beste jong bij de kladden en begint het op te vreten. Alle kleintjes gaan eraan, inclusief het vriendinnetje, waarna Bambi weer net zo hard door zijn kooi racet als daarvoor. “… Ik haatte Bambi. Ik wilde dat hij dood was. Wat kwam hij tekort in de kooi? Eten, een warm nest, een vrouw en kinderen. Had hij dat allemaal kapotgemaakt om een rondje door de kamer te kunnen rennen?...”. Uiteindelijk gaat Bambi zelf ook dood. “… Een dappere hamster, zei mijn moeder…”. Even verder: “… Maar waarom heeft hij zijn kind opgegeten, vroeg ik mijn moeder. Waarschijnlijk om hem van de kooi te redden, zei ze en omhelsde me stevig…”. Ongevoelig voor de angst van haar dochter speelt haar moeder een spelletje op leven en dood door paddenstoelen te eten waarvan ze niet weet of ze giftig zijn. De volgende ochtend leeft ze nog.

 

De levenschenkende Moeder Gods

Ze denkt veel na over een vrouw met kanker die bij een Maria-icoon in een verlaten kerkje een traditioneel gebed voor haar uitspreekt. De woorden ‘levenschenkende Moeder Gods’, die verlost van ‘de knagende worm in de onderwereld’, blijven bij haar hangen. Na een hete dag is er de ‘verlossende nacht’: “… Uit de weilanden aan de oever kwam de geur van de levenschenkende Moeder Gods. Watermunt vermengd met spirea en kalmoes. Ik ging zitten op een grote steen die de warmte van de dag nog vasthield. Stak een sigaret op. De rivier was vredig en stil en verborg zijn turbulente stromingen diep onder het wateroppervlak. Er trok een mist op in het bleke schijnsel van de ondergaande zon…”. Even verder: “… Ik kleedde me uit en ging de rivier in. Het water was zo warm als melk. De rivier des levens nam me mee in zijn weldadige wateren. Hij sprak me vrij van het vermoorden van foetussen en het niet-eren van mijn ouders…”. Het doet me denken aan Nietzsche, die de ‘dood van God’ een ‘wreedheid jegens onszelf’ noemde: “… Moest men uiteindelijk niet alles opofferen wat troostend, heilig en helend is, evenals alle hoop en elk geloof dat verscholen zit in harmonie, in toekomstige gelukzaligheid en in gerechtigheid? Moest men God zelve niet opofferen om daarna stenen, domheid, de zwaartekracht, het lot of niets-heid te aanbidden, uit wreedheid tegen zichzelf? God opofferen voor niets-heid – dit paradoxale mysterie van ultieme wreedheid was weggelegd voor de generatie die nu aantreedt. We weten er allemaal iets van…” (zie: McGilchrist in “De meester en zijn afgezant”).

 

Half man, half vrouw

Op een dag verschijnt er een patiënt in de wachtkamer naast wie niemand gaat zitten. Haar gezicht is noch dat van een vrouw, noch dat van een man. Ze is klein van stuk, maar heeft grote, sterke mannenhanden. Ze vertelt dat ze is opgevoed in een weeshuis, waar ze haar de naam Jesse gaven, wat ‘geschenk’ betekent. Evenals Ōshima in “Kafka op het strand” (zie mijn vorige blog) heeft Jesse vrouwelijke geslachtsorganen, maar geen borstontwikkeling. “… Aan de buitenkant bent u deels vrouw, maar aan de binnenkant bent u deels man,’ zei ik toen ik moed had verzameld…”. Jesse krijgt een baantje als schoonmaakster in de kliniek, loopt steeds vaker na afloop van de werkdag met de moeder van Erwtje mee naar de rivier om samen een borrel te drinken en vervangt Erwtje zo’n beetje wanneer die naar Riga teruggaat voor haar vervolgopleiding. Jesse drukt ook half uit elkaar gerukte, verboden boeken uit de kerkdepot achterover. Ze duikelt een gedeelte van Orwells "1984" op, dat de moeder van Erwtje leest als een bezeten en waar ze totaal geobsedeerd door raakt. Orwell waarschuwt ook voor het ‘linkerhersenhelftbeginsel’, waarvan McGilchrist bang is dat het de overhand begint te nemen: “… ‘Geloof je in God, Winston?’ ‘Nee.’ ‘Wat is het dan, dat beginsel dat ons zal verslaan?’ ‘Ik weet het niet. De geest van de mensheid.’ …”.

 

Verraad

Op de nieuwe middelbare school moet Erwtje ontzettend wennen aan het strenge politieke klimaat dat er heerst. Oma en stiefvader bezweren haar het leven te nemen zoals het komt. Ook Erwtje leert in twee parallelle werelden te leven. Tot er een leraar verschijnt die in zijn vrije tijd een ‘cultuurhistorische kring’ opricht. Hij laat de twaalf leden – zie de overeenkomst met de twaalf discipelen van Jezus – kennismaken met Letse dichters, schilderkunst en historische gebouwen. Hij neemt hen mee naar een oude kerk, laat hen de verstilde kerkklok zien waarvan de klepel is uitgerukt en vraagt naar hun gedachten. Erwtje zegt dat de klok op haar moeder lijkt. Iedereen valt stil. In de voorjaarsvakantie neemt de leraar de groep mee naar de Hermitage in Leningrad. Erwtje valt flauw bij een schilderij van Koeindzji: “… dat schilderij was zo ongelooflijk mooi, alleen de duisternis en de groene maan. Ik keek er lange tijd naar en plotseling leek het alsof de duisternis ons allemaal mee naar binnen trok…”. De directrice hoort ervan. De leraar wordt stante pede weggestuurd. De leerlingen moeten op het matje komen en verraden hem allemaal. Erwtje incluis (zie Judas): “… Het was gewoon een excuus, mama, gewoon een excuus. Het bleek dat ze hem al volgden sinds onze eerste bijeenkomst…”. De ‘geest van Winston’ daalt nu ook over haar dochter, concludeert de moeder van Erwtje. Terwijl haar dochter, op van de stress, in slaap valt, staart ze de hele nacht door het raam naar de Melkweg. Totdat de ochtend gloort en er een haan begint te kraaien (zie Petrus).

 

Glasnost

Erwtjes moeder zakt steeds dieper weg in haar depressies. Wanneer ze niet meer in staat is te functioneren, regelt Jesse thuiswerk: staalborstels knopen. Als de jonge dichter, van wie Erwtje tijdens de eerste les van de cultuurhistorische kring heeft gehoord, uit een raam wordt geduwd en sterft, neemt Erwtje de leiding van een groep opstandige leerlingen die, tegen het verbod van de schooldirectie in, naar zijn begrafenis gaat: “… Er was een zee aan mensen. We gingen erin op, om ons er nooit meer uit los te maken…”. Terwijl de Baltische wereld steeds vrijer wordt, raakt de moeder van Erwtje steeds verder los van de werkelijkheid. De vrijheid komt voor haar te laat. “… We stonden met z’n vieren bij het graf – ik, grootmoeder, stiefvader en Jesse. En een eindeloze stroom vrouwen die we niet kenden, trok aan ons voorbij…”. Een rivier van dankbare vrouwen. “… Jouw moeder was mijn vader, klonk het in mijn oren…”. Jesse blijft in het huis van Erwtjes moeder wonen. Een maand na de begrafenis zien ze op televisie hoe de Berlijnse Muur valt. “… Jesse greep naar haar hoofd en zei: ‘We zullen echt vrij zijn. Waarom kon ze niet naar me luisteren?’ …”.

 

Uitgave: Koppernik – 2023, vertaling Brenda Lelie, 200 blz., ISBN 978 908 332 390 9, € 23,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier  

vrijdag 2 oktober 2026

Kafka op het strand – Haruki Murakami

 


“De meester en zijn afgezant” van Iain McGilchrist heeft mij geweldig geholpen om het werk van Haruki Murakami te begrijpen, dat bijna een genre op zich is. Murakami heeft er zelf veelvuldig op gehamerd dat hij ‘easy to read, but hard to understand’ is. Zijn personages pendelen voortdurend tussen de echte en de spirituele wereld. In de visie van McGilchrist balanceren ze tussen de linker- en rechterhersenhelft. De geest van de protagonist is verdeeld tussen deze twee dimensies. Hij kan niet kiezen. Er is doorlopend sprake van tweespalt. Het verschil met het realistische “Norwegian Wood” (zie mijn vorige blog) is dat Murakami’s tiende boek, “Kafka op het strand” (2002), honderd procent surrealistisch is. In interviews voert Murakami aan dat wij, westerlingen, net zo goed in een virtuele  en digitale ‘nepwereld’ leven (zie de YouTube-video ‘The Mystery of Murakami's Kafka on the Shore’). Murakami’s leidmotief: “… Al mijn personages zijn op zoek naar iets belangrijks. En die zoektocht is als een avontuur, een proef die ze moeten afleggen. Let wel, het belang ligt niet in wat ze zoeken, maar in het eigenlijke zoekproces. Dat werpt hen terug op zichzelf en hun eigen eenzaamheid…” (De Groene Amsterdammer, 03.03.10). In “Kafka op het strand” lopen twee ingewikkelde en mysterieuze verhalen door elkaar heen, die aan het eind samenkomen. Het geeft je een beetje steun te bedenken dat de roman onder andere is gebaseerd op “Oedipus Rex”, de tragedie van Sophocles. Zie Freud, die de naam Oedipus verbindt aan de seksuele verlangens van het kind voor de ouder van het andere geslacht en de vijandige gevoelens voor de ouder van hetzelfde geslacht. Murakami lezen is een ‘andere wereld’ betreden, zonder traditionele moraal. Murakami schrijft zich het onbewuste in en komt bij toeval dezelfde dingen als Jung tegen, ook al zegt hij die nooit gelezen te hebben. Dat vind ik fascinerend.

 

Een duivels spelletje mikado

“Kafka op het strand” is zo’n dik en rijk boek dat het bijna niet valt samen te vatten (De Groene Amsterdammer heeft het niet voor niets over ‘een duivels spelletje mikado’), dus doe ik het heel globaal, met aandacht voor de krenten in de pap. De roman gaat over een vijftienjarige boekenwurm, Kafka Tamura, die van huis wegloopt. Hij bezit een dubbele persoonlijkheid. ‘De jongen die Kraai wordt genoemd’ is zijn andere, wijzere helft, die zijn onderneming een ‘loeiende, metafysische, abstracte zandstorm’ noemt, waar hij zich een weg doorheen moet banen: “… Eén ding staat echter vast: wanneer je eruit komt, ben je niet dezelfde meer als toen je erin stapte. Want dat is de betekenis van de zandstorm…”. De jongen heeft ook iets van het geïsoleerde van de échte Kafka. Hij bemoeit zich met niemand: “… Natuurlijk liet iedereen me links liggen. Ik had een hoge muur om mezelf heen gebouwd, waar ik niemand binnenlaat, en ik pas goed op dat ik zelf niet naar buiten stap…” (Watanabe in “Norwegian Wood” is eenzelfde soort personage). Kafka betekent in het Japans iets als ‘kraai’, of eigenlijk ‘kauw’ – kraaien komen in Japan niet voor. Kafka heeft een moeder en een zusje die hem op zijn vierde bij zijn vader, een beeldhouwer, hebben achtergelaten. Hij zegt het niet zo rechtstreeks, maar het lijkt erop dat hij naar hen op zoek gaat, of, misschien beter gezegd, alsof een magnetische kracht hem naar hen toetrekt – zoals ook het eiland waar hij met de nachtbus naartoe gaat hem als het ware ‘roept’. Verder heeft hij nog te dealen met een ‘voorspelling’, dan wel ‘vloek’, die zijn vader over hem heeft uitgesproken (zie de profetie in “Oedipus Rex”, volgens welke Oedipus zijn vader zal doden en met zijn moeder zal trouwen).

 

Defensierapport

De tweede verhaallijn begint met een spannend defensierapport over een mysterieus voorval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een lerares was met haar klas op een beboste heuvel eetbare paddenstoelen aan het zoeken toen alle kinderen flauwvielen. Niemand is ooit achter de oorzaak gekomen. Na enige tijd kwamen ze allemaal vanzelf weer bij, behalve één jongetje, Satoru Nakata, dat in een militair ziekenhuis werd opgenomen. Het voorval doet enigszins denken aan de Japanse folklore, waarin een traditie van verhalen bestaat over mensen die een bos of berg binnengaan, verdwalen en vervolgens gedesoriënteerd of veranderd terugkeren. Hiervoor worden ‘kami’ verantwoordelijk gehouden: spirituele wezens of krachten uit het Japanse shintoïsme. Zie ook “Het verhaal van Genji”, de eerste roman uit de wereldliteratuur, waarin ‘ikiryô’, oftewel ‘levende geesten’, optreden die in verband worden gebracht met ‘zielsuittredingen’. In oude Japanse legenden kunnen niet alleen de zielen van doden, maar ook die van levende mensen het lichaam verlaten om soms duizenden mijlen verderop een belangrijke taak te verrichten en daarna weer terug te keren.

 

Ze zou zijn zusje kunnen zijn, ze zou zijn moeder kunnen zijn

In de nachtbus komt een meisje naast Kafka zitten, Sakura, met wie hij telefoonnummers uitwisselt. Ze lijkt op Midori uit “NorwegianWood”: een actief, komisch, schaamteloos, nuchter en positief karakter. Ze zou zijn zusje kunnen zijn. Wanneer Kafka in de plaats Takamatsu uitstapt, gaat hij op zoek naar een particuliere bibliotheek waarover hij in een tijdschrift heeft gelezen. Aan de balie staat een mooie jongeman die zich voorstelt als Ōshima. Hij vertelt dat er om twee uur een rondleiding door het gebouw plaatsvindt. Kafka gaat in een fauteuil zitten en leest “De verhalen van 1001 nacht” totdat het zover is. Hij voelt zich heerlijk, geborgen en op zijn plaats. De gids blijkt de elegante directrice van de zogeheten Kōmura-bibliotheek te zijn: mevrouw Saeki. Ze lijkt op Naoko uit “Norwegian Wood”: een stil, intelligent, bescheiden, wijs, vluchtig en moeilijk te bereiken karakter. Ze zou zijn moeder kunnen zijn.

 

De goedheid zelve

We komen Nakata in verhaal twee weer tegen, als hij een zestiger is en ‘de goedheid zelve’. Hij blijkt na drie weken uit zijn bewusteloosheid te zijn ontwaakt, maar is zijn geheugen kwijtgeraakt. Hij praat als een klein kind over zichzelf in de derde persoon. Hij heeft nooit leren lezen en schrijven, maar kan wel met katten praten. Hij leeft van de bijstand en verdient wat bij met het opsporen van weggelopen katten. Volgens een kat is zijn ‘schaduw een beetje te dun’: de helft lijkt te ontbreken. Gaat het hier om de Jungiaanse schaduw?

 

Kafka’s linkerhersenhelftwereld

In het hotel waar hij heeft geboekt, maakt Kafka het meisje achter de balie wijs dat hij een arme student is die voor zijn eindexamenscriptie onderzoek doet in de Kōmura-bibliotheek. Hij bedingt zelfs de nodige korting op zijn overnachtingen. Tegen Ōshima vertelt hij eerlijk dat hij nooit meer terug wil naar school. “… Dan is een bibliotheek geen slecht alternatief…”, zegt Ōshima. Ze praten over Franz Kafka’s verhaal “In de strafkolonie”, waarin de schrijver een zuiver mechanische beschrijving geeft van een merkwaardige executiemachine. “… Dat gecompliceerde executieapparaat met zijn mysterieuze doel ís geen gelijkenis of allegorie. Het bestaat echt – ‘hier om mij heen’. Maar dat kan ik waarschijnlijk op geen enkele manier uitleggen…”, aldus Kafka. Kom maar eens om een betere metafoor voor McGilchrist’s linkerhersenhelftwereld…

 

Eichmann: iemand zonder fantasie

Daarna gebeuren er een aantal dingen tegelijk. Kafka komt op een avond tegen half twaalf in het pikkedonker bij een Shintoschrijn tot zijn positieven. Hij is vier uur buiten westen geweest. Zijn kleren zitten onder het bloed. Hij is doodsbang en weet niets beters te verzinnen dan Sakuru, die zijn zusje zou kunnen zijn, op te bellen. Hij brengt de nacht bij haar door. De volgende dag wordt er in het nieuws of in de krant geen misdaad vermeld, maar toch lijkt het Kafka beter om hoe dan ook uit handen van de politie te blijven. Ōshima brengt hem daarom naar een houthakkershut diep in de bergen, waar hij vier dagen in zijn eentje doorbrengt. Alsof hij een soort inwijding ondergaat: “… wat zou het fijn zijn als ik hier altijd kon blijven, denk ik. Plankenvol boeken die ik wil lezen, en een kast boordevol levensmiddelen. Maar ik begrijp zelf ook wel dat deze hut voor mij niet meer is dan een doorgangspunt …”. Hij verdiept zich in een boek over het proces tegen Adolf Eichmann, de kille bureaucraat die de Endlösung van de Joden tot in het kleinste detail uitdacht. “… Het is allemaal een probleem van de fantasie. Verantwoordelijkheid begint in ons voorstellingsvermogen. Het is precies zoals Yeats zegt: ‘In dreams begins responsibility’. Anders gesteld: wie niet bij machte is zich ergens een voorstelling van te maken, is waarschijnlijk ook niet in staat zich ergens verantwoordelijk voor te voelen …”, heeft Ōshima op het achterschutblad geschreven. Oftewel: zonder invloed van de rechterhersenhelft worden wij robots. Eichmann haat alle onzekere factoren die het lef hebben om de mooie plannen die op zijn bureau zijn geboren in het honderd te laten lopen: “… Eichmanns leven bestaat bijna geheel uit praktische details …”.

 

Bezielde natuur

Kafka ervaart aan den lijve hoe gevaarlijk het bos is wanneer hij bijna het pad kwijtraakt: “… De enige planten die ik tot nu toe heb gezien of aangeraakt, zijn tamme, gemanicuurde soorten die je in de grote steden vindt. Maar de planten die hier staan – nee, ‘leven’ – dat is iets heel anders! Deze bezitten lichamelijke kracht, adem die ze een mens in zijn gezicht spuwen, een scherpe blik waarmee ze op hun prooi loeren. Ze beschikken over iets dat aan oeroude magie doet denken…”. Het bos lijkt hierdoor bijna ‘bezield’ te zijn: “… Als het woud dat nodig acht, kan het me ijskoud de toegang weigeren. Of het kan me verzwelgen. Ik zal deze bomen moeten bejegenen met het respect en de vrees die ze toekomen…”.

 

De geschiedenis der mensheid

Tegelijkertijd wordt Nakata, de kattenspeurder, door een monsterlijke hond gesommeerd hem te volgen naar een huis in een buitenwijk, waar een rare knakker kattenzielen verzamelt om er een onhoorbare ‘fluit’ van te maken. Alleen is hij het doden van katten beu, dus moet Nakata hém vermoorden. Nakata moet maar doen alsof het oorlog is: “… Als er oorlog uitbreekt, moet je in het leger, als soldaat. Als je soldaat bent, moet je met je geweer over de schouder naar het front om soldaten van de tegenstander dood te schieten. En liefst zoveel mogelijk. Niemand vraagt zich ook maar een moment af of jij mensen doodschieten leuk vindt. Het is iets dat je doen móét. Want doe je het niet, dan ga je er zelf aan…”. Hij richt zijn vinger op Nakata’s borst: “… ‘Pang!’ zei hij. ‘Dat is, heel beknopt, de geschiedenis der mensheid.’…”. Als hij ziet hoe de kattendoder met de beestjes tekeergaat, komt er ‘iets’ over Nakata waardoor hij zichzelf niet meer is (zie “Oorlogsroes” van Ernst Jünger), en vermoordt hij de kwelgeest. Het allergekste is dat de kattendoder zichzelf Johnny Walker noemt, wat verwijst naar een Amerikaans whiskymerk. Een eindje verder komt ook kolonel Sanders van de KFC het verhaal binnen wandelen: het ultieme uithangbord van het Amerikaanse kapitalisme. Volgens Marukani hebben Amerikaanse merken de Japanse folkloregeesten vervangen. Het Japanse geheugen is gewist en overgenomen door het Westen.

 

Holle mensen

Ondertussen heeft Ōshima met mevrouw Saeki geregeld dat Kafka een ongebruikte kamer in de bibliotheek kan betrekken en als zijn assistent mag optreden. Een prachtig fragment, waar we in onze gepolariseerde tijden heel veel van kunnen leren, gaat over twee fanatieke feministen die de bibliotheek komen doorspitten op vrouwendiscriminatie. Als ze Ōshima ijzig meedelen dat hij ‘een pathetisch, seksistisch, historisch achterhaald exemplaar van het mannelijk geslacht’ is, laat hij hun zijn rijbewijs zien en vertelt hij dat hij biologisch, en voor de burgerlijke stand, ontegenzeggelijk een vrouw is. Ook Kafka staat met zijn oren te klapperen. Als de dames afdruipen, vertelt Ōshima dat hij geen borstontwikkeling heeft en nooit ongesteld is geweest, waardoor hij soms ook niet meer weet wie hij is: “… Ik ben geen monster of gedrocht. Ik ben een normaal menselijk wezen. Ik heb dezelfde gevoelens als anderen en ik gedraag me op dezelfde manier. Maar soms voelt dat ene tikje verschil aan als een bodemloze afgrond. Al kan ik daar, goed beschouwd, weinig aan doen…”. Hij zegt dat hij vooral afknapt op mensen ‘zonder verbeelding’: linkerhersenhelftmensen die vastzitten in hun starre ideologieën en lege terminologie. T.S. Eliot noemt ze ‘holle mensen’: “… Mensen die het lef hebben om hun afgestompte gevoelens in dorre woorden om te zetten en die aan anderen op te dringen. Met andere woorden, mensen zoals dat tweetal van daarnet…”. Even verder: “… Homo’s, lesbiennes, hetero’s, feministen, fascisten, communisten, Hare Krishna’s – het zal me een zorg zijn wat iemand is. Het kan me niet schelen onder welke vlag ze varen. Maar waar ik absoluut niet tegen kan, zijn de ‘holle’ mensen…”. Hij vertelt dat de grote liefde van mevrouw Saeki is vermoord door ‘holle mensen’ tijdens een studentenprotest: hij werd in het donker voor een vijand aangezien en doodgeschopt. “… Bekrompen, intolerante zielen zonder de minste verbeeldingskracht. Onverdraagbare politieke stellingen, abstract vocabulaire, gestolen idealen, onbuigzame systemen – dat zijn de dingen die me écht met angst vervullen…”. Zowel ter rechter- als ter linkerzijde gaat het om eendimensionale mensen die niet in staat zijn zich in een ander te verplaatsen.

 

Op zoek naar de ‘sluitsteen’

Nakata gaat zichzelf na zijn daad aangeven bij de politie, maar de agent die hem te woord staat, gelooft hem niet. Daarop voorspelt Nakata dat het de volgende dag haringen en sardines zal gaan regenen, wat ook echt gebeurt. Bovendien wordt Kafka’s vader gevonden, in een plas bloed, vermoord. Maar dan is Nakata al liftend de stad uit, op weg naar het westen dat hem roept. Hij moet en zal – evenals Kafka – naar het eiland Shikoku. Op een parkeerplaats waar een troep Hells Angels een jongen in elkaar staat te schoppen, laat hij ook nog bloedzuigers regenen. Soms moet je Murakami maar gewoon lezen zonder te trachten zijn verhaal in je hoofd rond te breien. Nakata wordt opgepikt door een jonge vrachtwagenchauffeur, Hoshino, die hem in de rest van het boek op zijn speurtocht zal bijstaan. Het enige wat Nakata hem kan vertellen, is dat hij op zoek moet naar een raadselachtige ‘sluitsteen’, die waarschijnlijk de doorgang naar de spirituele wereld verspert dan wel opent.

 

Franz Kafka

Wanneer Kafka in de krant leest over de dood van zijn vader, is hij bang dat hij door een ‘speciaal droomcircuit’ is gereisd om eigenhandig zijn vader te vermoorden. Hij beseft dat hij eens te meer moet onderduiken. Ondertussen komen we er achter dat de boektitel verwijst naar een schilderij van de geliefde van mevrouw Saeki, dat aan de wand in de logeerkamer van Kafka hangt. “… Ik durf te wedden dat de mysterieuze eenzaamheid van de jongen op het schilderij haar deed denken aan de verhalen van Franz Kafka. Daarom noemde ze hem ‘Kafka op het strand’ – een eenzame ziel die rondzwerft op de branding van het Absurde…”. Het schilderij lijkt als twee druppels water op de enige foto die Kafka heeft van zichzelf en zijn zusje. Mevrouw Saeki blijkt op haar negentiende bovendien een wereldhit te hebben gemaakt met een lied dat ‘Kafka op het strand’ heet. Kafka ziet haar ’s nachts als een vijftienjarig spook door zijn kamer zweven en wordt langzaam maar zeker steeds verliefder op haar, alsof hij verdwaalt in het labyrint van de tijd. Iedereen die verliefd wordt, zoekt naar iets wat bij hemzelf ontbreekt, aldus Ōshima.

 

De rechte en ronde wereld

Murakami heeft het even als McGilchrist over de ‘rechte’ en ‘ronde’ wereld. “… ‘Er zit een kink in de wereld’. ‘Hè?’ ‘Jij weet dat natuurlijk niet, maar daar hebben we de drie dimensies aan te danken – aan die kink. Dus als je wil dat alles altijd recht is, moet je in een wereld gaan wonen die met een driehoek is aangelegd…”. Mevrouw Saeki over haar geliefde: “… We leefden in het midden van een perfecte cirkel waarin alles volmaakt was. Maar dat kon natuurlijk niet altijd zo doorgaan. Wij groeiden op, en de tijden veranderden. De cirkel werd op allerlei punten doorbroken. De buitenwereld drong ons paradijs binnen, en wat zich in de cirkel bevond, wilde ook naar buiten. Zoiets spreekt vanzelf…”. Aan de hand van de muziek van Beethoven komt zelfs de Romantiek aan bod, die Murakami beschrijft als een bevrijding van het ‘zelf’.

 

Eenheid in verscheidenheid

De les die Kafka gaandeweg leert, is: “… Ik wil niet langer door van alles en nog wat worden gemanipuleerd…”. De jongen die Kraai wordt genoemd, betrekt dat onder andere op oorlogvoering: “… Waarom vechten mensen? Waarom moeten honderdduizenden, miljoenen mensen elkaar in groepen afmaken? Waardoor wordt oorlog veroorzaakt? Door woede? Vrees? Of zijn woede en vrees niet meer dan twee verschillende gezichten van dezelfde emotie?...”. De jongen die Kraai wordt genoemd, zegt ook: “… Luister nou eens goed: een oorlog om een eind te maken aan de oorlog – die vind je nergens!...”. Dat geldt ook voor de oorlog in jezelf: “… ‘Je moet proberen de vrees en woede in je hart te overwinnen,’ zegt de jongen die Kraai wordt genoemd. ‘Laat er een helder licht in schijnen, om de kou te verdrijven die daar heerst’…”. Zo kun je je echte ‘zelf’ terugvinden (zie ook “Eva” van Carry van Bruggen). Als Kafka teruggaat naar de houthakkershut, trekt hij voor de tweede keer het bos in, waar hij een Dante-achtige beproeving ondergaat, met twee kami-soldaten als gidsen: “… Mijn weg voert me naar een speciale plek in mezelf. Naar de lichtbron die ook de duisternis spint, naar de plaats waar de echo’s van de stilte ontstaan…”. Hij moet leren zijn moeder te begrijpen en te vergeven. Alleen zo kan hij weer één geheel worden.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2021, vertaling Jaques Westerhoven, 640 blz., ISBN 978 902 547 091 3, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier