Menu

woensdag 13 mei 2026

Beminde – Toni Morrison

 


In “Vreemden voor onszelf” (zie mijn voorlaatste blog) vertelt Rachel Aviv het verhaal van Naomi Gaines, een zwarte vrouw die in psychotische toestand haar veertien maanden oude tweeling van een brug in een rivier gooide en er zelf achteraan sprong. Een van de jongetjes overleed. Ze wordt veroordeeld voor doodslag. In de gevangenis raakt ze enorm onder de indruk van de film “Beloved”, gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1987 van de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931 – 2019). Morrison ontving in 1993 de Nobelprijs voor Literatuur. Haar boek gaat eveneens over een moeder: een gevluchte slavin die uit wanhoop haar dochtertje vermoordt om haar te behoeden voor slavernij. De geschiedenis van slavernij is niet ten einde: “… De pijn verdampt niet gewoon; die geef je door…”. De schrijver James Baldwin: “… Het lijkt of zich in het hele lichaam een grote, grote, grote wond bevindt, terwijl niemand die durft te opereren: hem te sluiten, te onderzoeken, te hechten…”. “Beminde” doet wel wat denken aan het werk van Marilynne Robinson. Het wordt vaak gezien als de belangrijkste literaire roman over de erfenis van slavernij.

 

Totale dehumanisering

Voor wie denkt dat slavernij een gepasseerd station is: volgens de Global Slavery Index leven er tegenwoordig nog steeds 50 miljoen mensen in moderne slavernij, waaronder mensenhandel, gedwongen arbeid en seksuele uitbuiting. Van hen bevinden zich er naar schatting 5.000 tot 30.000 in Nederland. Daar profiteren wij allemaal, direct of indirect, van. In de Verenigde Staten werd de slavernij in het noorden eerder afgeschaft dan in het zuiden, waardoor sommige tot slaaf gemaakten probeerden naar het noorden te vluchten. Eén van hen in het boek: “… Het was 1874 en de blanken konden nog steeds hun gang gaan. Uit hele steden waren de negers compleet weggevaagd, zevenentachtig lynchpartijen in een enkel jaar in Kentucky, vier gekleurde scholen tot de grond toe afgebrand, grote mannen afgeranseld als kinderen, kinderen afgeranseld als volwassenen, zwarte vrouwen verkracht door een hele ploeg, eigendom in beslag genomen, nekken gebroken. Hij rook huid, huid en warm bloed. De huid was nog tot daaraantoe, maar kokend mensenbloed als er iemand bij een lynchpartij verbrand werd, was wel even wat anders…”. Als dit de werkelijkheid is waarin je leeft, is het voorstelbaar dat die de belevingswereld van de gemiddelde rijke, verwende westerling nauwelijks nog raakt. Het boek, gebaseerd op een waargebeurd verhaal, is dan ook een magisch-realistisch ‘spookverhaal’: een fabel over totale dehumanisering. Het verhaal gaat dat de vader van Toni Morrison, die als kind twee opgehangen zwarte zakenlieden in zijn straat zou hebben gezien, geen witte mensen in zijn buurt kon verdragen.

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

 

De hel

Het boek gaat over een huis dat iedereen mijdt omdat het er spookt: “… Nr. 124 wrokte. Zo giftig als een klein kind. De vrouwen in het huis wisten het en de kinderen ook…”. Het wordt bewoond door de weggelopen slavin Sethe en haar dochter Denver. Het huis was ooit van haar schoonmoeder Baby Suggs, die inmiddels al acht jaar dood is. Twee andere zoontjes zijn ervandoor gegaan toen ze genoeg kregen van de situatie. Als Sethe terugkomt van haar werk in de stad (Cincinnati, Ohio), waar ze kookt voor een restaurant, zit Paul D op de veranda op haar te wachten. Ze heeft hem achttien jaar niet gezien. Hij was een van de vijf tot slaaf gemaakte mannen op Sweet Home in Kentucky, waar Sethe ooit werkte. Een ‘schaamteloos mooie’ plek, omringd door ‘de mooiste platanen ter wereld’: “… hoewel er geen boomblad op dat bedrijf was dat haar niet aan het gillen bracht…”. Even verder: “… Het zag er nooit zo verschrikkelijk uit als het was en daardoor vroeg ze zich af of de hel soms een aantrekkelijk oord zou zijn. Vuur en zwavel natuurlijk, maar verstopt in het kantwerk van boomgroepen…”.

 

Witte griezels

Met horten en stoten komt de geschiedenis van Sethe boven tafel: zelfs de vorm van het boek is traumatisch. Nadat de baas op Sweet Home is overleden, arriveert er een beest van een schoolmeester om de zaken van mevrouw te regelen. Omdat het onder hem niet is uit te houden, besluiten de slaven te vluchten. Sethe heeft haar drie kinderen alvast vooruitgestuurd met een groep die de rivier oversteekt. Ze zullen afgeleverd worden bij haar schoonmoeder. Als ze weg zijn, wordt ze overmeesterd door een stelletje doodenge neefjes van de onderwijzer, die zich ‘op haar vermaken’ en aan haar borsten beginnen te zuigen – ze voedt de kleine Denver nog zelf en is alweer zwanger van de vierde – terwijl haar echtgenoot, “… de liefste man die God schiep…”, in geen velden of wegen is te bekennen. Ze vertelt haar bazin wat haar is overkomen. Dat wordt niet gewaardeerd door de heren. Ze geselen haar rug kapot, terwijl ze met haar dikke buik in een gat op de grond ligt. Er knakt voorgoed iets in Sethe. Wanneer ze vlucht en op den duur geen energie meer heeft om verder te gaan, wordt ze geholpen door een meisje: “… Een armzalige witte baal vodden zoals je nog nooit hebt gezien…”. Een kletskous die haar naar een schuurtje sleept waar ze haar voeten masseert.

 

Kom op, Jezus

Wanneer ze Sethe’s jurk losknoopt en haar rug ziet, mompelt ze met ingehouden adem: “… Kom op, Jezus…”. Een poos is het stil, dan zegt ze terwijl ze met haar vingers over haar rug gaat: “… Je hebt een hele boom op je rug. In bloei. Wat heeft God in Z’n hoofd, dat vraag ik me af…”. Ze gaat op zoek naar spinnenwebben die ze over de beschadigde huid legt. Ze ratelt over Boston, waar het mooiste fluweel van de wereld te koop is. Ze zingt Sethe in slaap, die waarachtig de volgende ochtend haalt. Het meisje (een engel?) brengt haar naar de oever van de Ohio, waar ze een lekke boot vinden, waarin Sethe haar baby krijgt: Denver.

 

Eenzaam

Als Paul D merkt dat het spookt, gaat hij tekeer, en “… nu was het weg. Gevlogen, op de rukwind van een schreeuwende man met de kleur van een hazelnoot…”. Bij Paul D worden de dingen zoals ze zijn. Denver ziet met lede ogen aan hoe Sethe en Paul D een koppel vormen, waar zij buiten staat. Ze stikt van de eenzaamheid en is ‘doodmoe’: “… ‘Ik kan niet meer. Ik kan niet meer.’ ‘Wat dan? Wat kan je niet meer?’ ‘Hier wonen. Ik weet niet waar ik heen moet of wat ik moet doen, maar hier kan ik niet wonen. Niemand praat met ons. Niemand komt langs. De jongens mogen me niet. En de meisjes ook niet…”. Denver lijkt het huis altijd al meer als een mens te hebben gezien dan als een gebouw: “… Een mens die huilde, zuchtte, huiverde en de stuipen had…”. Als ze thuiskomt, loopt en kijkt ze “… zo voorzichtig als een kind dat bij een zenuwachtig familielid komt dat niets om handen heeft…”.

 

God neemt wat Hij wil

“… Zolang Baby Suggs leefde, en dat gold ook voor Sethe, werd er met mannen en vrouwen geschoven als damstenen. Iedereen die Baby Suggs kende, laat staan liefhad, en die niet was weggelopen of opgehangen, werd verhuurd, uitgeleend, opgekocht, teruggebracht, in voorraad gehouden, verpand, gewonnen, gestolen of gegrepen. Dus hadden de acht kinderen van Baby zes vaders…”. Eén kind weet ze vrij lang bij zich te houden door te paren met de ploegbaas, maar uiteindelijk ruilt hij het toch voor een stapel timmerhout. Zo gaat dat. “… ‘God neemt maar wat Hij wil,’ zei ze. En Hij nam en Hij nam en Hij nam…”.

 

Gek om niet krankzinnig te worden

Ook het verhaal van Paul D. wordt in fragmenten geopenbaard. Hij heeft met 46 gevangenen aan een ketting gezeten omdat hij zijn baas aanviel. Hij had een ‘bit’ in zijn mond, zodat hij niet kon praten. Hij herinnert zich dat hij bij Alfred in Georgia ’s nachts bevend in een ingebouwde kist in de grond zat en dat hij uitsluitend het daglicht zag om steen te hakken. Hij moest wel weglopen als hij niet meer in boeien wilde slapen, pissen, eten of met een moker zwaaien.  “… Na Alfred had hij een groot gedeelte van zijn hoofd voorgoed stilgelegd en draaide hij op het deel dat hem liet lopen, eten, slapen en zingen…”. Hij “… werd gek om niet krankzinnig te worden…”. Als hij Sethe ziet, gaat ‘het verboden gedeelte van zijn hoofd open als een geolied slot’.

 

Ik hou je enkels wel vast

Denver vraagt brutaalweg aan Paul D wanneer hij weer opkrast. Sethe kan geen partij kiezen; misschien is het beter dat hij gaat, moet het maar blijven zoals het was. “… Voor Sethe was de toekomst alleen een kwestie van het verleden op afstand houden. Het ‘betere leven’ dat zij en Denver volgens haar leidden, was domweg niet dat andere leven…”. Ze zullen zich wel redden, zegt ze. Maar Paul D geeft niet op. “… ‘En hoe staat het vanbinnen?’ ‘Daar kom ik nooit.’ ‘Sethe, als ik hier bij jou ben en bij Denver, dan kun je overal heen. Spring maar als je daar zin in hebt, want ik vang je wel op, meisje. Ik vang je wel op voor je valt. Ga maar zo ver naar binnen als je moet. Ik hou je enkels wel vast. Om zeker te weten dat je er weer uit komt ook. En ik zeg dat niet omdat ik ergens onderdak moet hebben. Dat is het laatste wat ik nodig heb. Ik zei je al, ik ben een loper, maar ik kom wel al zeven jaar hieropaan lopen. Ik ben er rondom heen gelopen. Ik heb het noorden, het zuiden, het oosten en het westen gehad; ik ben in streken geweest die geen naam hebben en nergens ben ik lang gebleven. Maar toen ik hier kwam en daarbuiten op de veranda op jou zat te wachten, nou toen wist ik dat ik niet op deze plek af kwam. Maar op jou. Wij kunnen er een leven van maken, meisje. Een leven…”. Sethe weet het niet. Ze stelt voor elkaar voorlopig geen beloften te doen. In plaats daarvan besluiten ze naar de kermis te gaan. Paul D: “… Donderdag, morgen, is het voor de gekleurden en ik heb twee dollar. Jij en ik en Denver gaan die tot de laatste stuiver opmaken. Wat zeg je me daarvan?...”.

 

Een dweper die zijn leermeester bevredigt

Als ze terugkomen van de kermis zit er bij het huis een onbekende jongedame op een boomstronk te slapen, die uit het water is opgerezen en zegt dat ze ‘Beminde’ heet (zie de overeenkomst met Aphrodite). Ze nemen haar mee naar binnen waarna ze “… blijft hangen als een huisgeest…”. De eerste dagen doet ze niets anders dan slapen en water drinken, daarna eet ze doorlopend zoetigheid. Denver zorgt voor haar als voor een pasgeboren baby. Paul D voelt nattigheid en beweert dat hij Beminde met één hand de schommelstoel heeft zien optillen. Niemand gelooft hem. Sethe vindt het wel leuk voor Denver dat er een meisje in huis is. Ondertussen loopt de hond weg en komt niet meer terug. De lieve, maar vreemde gast kan haar blik niet van Sethe afhouden; ze wordt “… gelikt, geproefd en verslonden door de ogen van Beminde…”. Sethe voelt zich gestreeld door al die overweldigende aandacht. Alsof “…  een dweper zijn leermeester bevredigt…”.

 

De draak die dorst naar zwart bloed

Paul D kan niet goed uitleggen waarom hij Beminde niet vertrouwt. In ieder geval lijkt ze op niemand die hij de afgelopen twintig jaar toevallig is tegengekomen: “… Hij had in de oorlog en daarvoor en daarna negers ontmoet die zo totaal in de war waren of zo uitgehongerd of doodmoe en door de dood van zoveel beroofd dat het een wonder was dat ze nog iets wisten of iets zeiden. Ze hadden zich schuilgehouden in grotten en om eten gevochten met uilen, net als hij; van varkens gejat, net als hij; overdag in een boom geslapen en ’s nachts gelopen, net als hij; hadden zich, net als hij, in de varkensslobber verstopt en waren in putten gesprongen om uit de buurt te blijven van de mensen die orde op zaken kwamen stellen, razzia’s hielden, koppen snelden, van de oudgedienden, de heikneuters, de meutes en de mensen die op een geintje uit waren. Hij kwam een keer een neger van een jaar of veertien tegen die in z’n eentje in het bos woonde en zich niet kon herinneren dat hij ooit ergens anders had gewoond. Hij zag dat een achterlijke gekleurde vrouw in het gevang kwam en werd opgehangen voor het stelen van eenden; zij dacht dat het haar kinderen waren…”. Maar ja: “… je kon een hulpeloos gekleurd meisje niet de deur uitzetten in een streek waar de Klan heerste. De draak, die dorstte naar zwart bloed omdat hij zonder niet kon leven, zwom de Ohio over wanneer het hem beliefde…”.

 

Baby Suggs

Een prachtig stuk gaat over Baby Suggs, de manke schoonmoeder van Sethe die, “… omdat het slavenbestaan ‘haar benen, rug, hoofd, handen, nieren, baarmoeder en tong kapot hadden gemaakt’, besloot dat ze alleen nog een hart had om haar brood mee te verdienen…”.  Ze wordt een ‘buitenkerkelijk’ predikant. “… Niet geroepen, zonder toga en ongezalfd…”, laat ze haar grote hart kloppen voor iedereen die dat nodig heeft. Ooit “… was nr. 124 een vrolijk, roezemoezig huis waar Baby Suggs, de vrome, liefhad en vermaande, voor voedsel zorgde, kastijdde en troostte…”. Even verder: “… Vreemdelingen rustten er uit terwijl de kinderen hun schoenen aanpasten. Er werden boodschappen achtergelaten, want wie ze nodig hadden zou binnenkort wel langskomen…”. Elke zaterdagmiddag preekt ze op een open plek diep in het bos: de Lichting. Dat zijn geen gewone preken. Ze gaat op een afgeplatte rots zitten en doet een stil gebed. “… Dan riep ze: ‘Laat de kinderen komen!’ en die renden vanaf de bomen naar haar toe. ‘Laat eens aan jullie moeders horen hoe jullie lachen,’ zei ze tegen hen en het bos weergalmde ervan…”. Daarna moeten de mannen laten zien hoe ze kunnen dansen. En ten slotte roept ze de vrouwen bij zich om te huilen: “… Voor de levenden en de doden…”. Ze zegt niet tegen hen dat ze hun leven op orde moeten brengen of moeten ophouden te zondigen. Ze zegt dat ze van hun lichaam moeten houden, omdat ze het ‘daarginds’ verachten, net zo lief villen, de ogen uitpikken en de handen afhakken. En dat ze het allermeest van hun hart moeten houden. Maar Baby Suggs wordt moe, gaat naar bed en wil alleen nog maar over ‘kleur’ nadenken (zie “Ademschommel” van Herta Müller waarin een concentratiekampgevangene helemaal overdonderd wordt door de schoonheid van een witte zakdoek), tot haar gulle oude hart het begeeft. “… Zestig jaar lang had ze kinderen verloren aan mensen die haar leven opkloven en als een visgraatje uitspuugden…”. Op de laatste dag van haar bestaan hipt ze nog één keer naar de kamer om Sethe en Denver bekend te maken met “… de les die zij geleerd had in haar zestig slavenjaren en tien vrije jaren: dat de wereld maar één ongeluk kende en dat waren de blanke mensen. ‘Ze weten niet van ophouden,’ zei ze en ze ging weer naar bed, trok de sprei op en liet hen voor eeuwig met die gedachte zitten…”.

 

Zondebok

Baby Suggs wordt een ‘zondebok’ wanneer ze, nadat Sethe met haar nieuwe baby is opgedoken, een enorm ‘bramenfeest’ organiseert dat Kerstmis in de schaduw stelt. Ze bakt tien, of misschien nog wel meer, bramentaarten waar negentig mensen op af komen die zo lekker eten en zoveel lachen ‘dat ze boos worden’, omdat nr. 124 ‘schudt van het lachen’. De volgende dag ruikt Baby Suggs ‘afkeuring in de lucht’ die om te snijden is. “… Haar vrienden en buren waren boos op haar omdat ze te ver was gegaan, te veel had gegeven, aanstoot had gegeven door overdaad…”. Ze zijn woest: “… Er was iets slechts op komst…”. Zie René Girard in “De zondebok”: “… Uiteindelijk trekken alle extreme eigenschappen van tijd tot tijd collectieve uitbarstingen aan, niet alleen buitengewone rijkdom en armoede, maar ook andere extremen van succes en mislukking, schoonheid en lelijkheid, deugd en ondeugd, de kunst te behagen of te ergeren, de zwakte van vrouwen, kinderen en grijsaards, maar ook de kracht van de sterksten die zwakte wordt tegenover de numerieke overmacht. Met grote regelmaat keren de massa’s zich tegen hen die aanvankelijk een buitengewone greep op hen hadden…”.

 

De rechtschapen blik

Het slechte blijken de slavenvangers te zijn, waarvoor niemand nr. 124 komt waarschuwen, terwijl ze toch zo herkenbaar zijn door hun ‘rechtschapen’ blik. Een speciale blik die als een uitgestoken vlag het signaal is voor en de aankondiging van “… de takkenbos, de zweep, de vuist, de leugen…”. Sethe ziet de hoed van de meester boven de spijlen van het hek zweven als ze in de tuin aan het werk is. Ze draait volledig door, pakt haar kinderen op en neemt ze mee naar een schuurtje, waar ze hen probeert te vermoorden voordat haar baas ze in zijn fikken krijgt. Dat lukt alleen bij het ‘kruipt-ze-al-meisje’: Beminde. Verbijsterd bekijken de heren de chaos die ze aantreffen en druipen af. Alleen de sheriff heeft hier nog een taak. Als een schooljongen veel later aan Denver vraagt of ze ‘haar moeder niet opgesloten hebben voor moord’, wordt Denver doof. Twee jaar lang. Een steenhouwer wil de naam van Beminde op haar prachtige grafsteen vol rose flintertjes beitelen, als hij tien minuten gebruik mag maken van Sethe’s lichaam. Sethe stemt toe en schort haar rokken op terwijl ze tegen de steen staat. Later bedenkt ze dat de smeerlap, voor twintig minuten tekeergaan, misschien wel het woord TEER ervoor had willen beitelen…

 

Bemoeial

Na de ‘Ellende’ hangt er een doem boven nr. 124. Het raakt in verval. Iedereen loopt er met een grote boog omheen. Paul D hoort pas via een collega op de slachterij waar hij werkt over de geschiedenis – een man die later gruwelijk spijt heeft van zijn ‘eerlijkheid’: “… Misschien had hij er zich niet mee moeten bemoeien, misschien was hij niet de hoogstaande strijder van Christus voor wie hij zichzelf hield, maar een doodgewone, alledaagse bemoeial die iets wat prima liep, afbrak ter wille van de waarheid van een gewaarschuwd man, omdat hij daar zelf zo veel waarde aan hechtte…”. Zie de vromen die in de oorlog Joden verlinkten omdat ze niet wilden liegen: soms is ‘voor de waarheid gaan’, koste wat kost, alleen maar weerzinwekkend egoïsme. De teruggekeerde geest van Beminde werkt Paul D langzaam maar zeker de deur uit. Hij weet dat hij verloren is zodra “… hij net als de vrouw van Lot bezorgd werd en, alsof hij een vrouw was, zo nodig moest zien hoe de zonde achter hem eruitzag, misschien medelijden kreeg met de gedoemde die doem bracht…”. Hij ziet geen andere weg dan te vertrekken: de enige ‘normale’.

 

Omslaande stemming

Als Paul D foetsie is, gaat het van kwaad tot erger. Eerst hebben de vrouwen veel lol met z’n drietjes. Maar allengs raken Sethe en Beminde compleet geobsedeerd door elkaar en valt Denver buiten de boot. Sethe verwaarloost haar werk en wordt ontslagen. Beminde eist steeds meer snoepgoed, terwijl het eten opraakt. Net als in “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” - zie mijn vorige blog - slaat de stemming om. Ruzies beginnen en houden aan. Iemand die zich zorgen maakt en bij het huis gaat kijken, hoort “… stemmen die nr. 124 als een strop omringen…”, voelt “… een muur van kou…”. Hij wéét wie de woorden spreekt: “… De mensen met de gebroken nekken en het bloed dat kookte in het vuur en de zwarte meisjes die hun linten verloren hadden. Wat een gebrul…”. Zie de niet-bestaande ‘Gemeenschap’ in mijn vorige blog. En dan zijn we bij de eigenlijke duiding van het verhaal.

 

Was er wel ‘iets’?

Nergens maakt Toni Morrison expliciet duidelijk wie Beminde is. Een bovennatuurlijk wezen? Een getraumatiseerd mens? De fysieke belichaming van herinnering, schuld en slavernijtrauma? Soms lijkt het erop dat Sethe en Beminde een en dezelfde persoon zijn. Beminde zegt ergens (in haar gebroken taaltje): “… ik ben niet apart van haar   ik hou nergens op   haar gezicht is mijn gezicht…”. Menige stedeling buigt zich ook over de vraag: “… Er zat een meisje opgesloten in het huis van een blanke man ginds bij Deer Creek. Vorige zomer werd-ie dood gevonden en het meisje was weg. Misschien is zij dat wel. De mensen zeggen dat-ie d’r had vanaf dat ze een jong katje was…”. Op den duur móét Denver het huis wel uitkomen, wil ze niet verhongeren. Wanneer de vrouwen in het stadje vernemen dat nr. 124 veranderd is in een bezeten gekkenhuis, slaan ze de handen ineen en trekken er gezamenlijk zingend en biddend naartoe om het fantoom te verjagen. Als Sethe en Beminde in de voordeur verschijnen, lost Beminde ook daadwerkelijk op. Achteraf blijkt dat sommigen niets hebben gezien: “… ‘Geloof jij dat ze het zagen?’ ‘Tja. Ze zagen wel iets…”. Even verder: “… Op één punt zijn ze het eens: eerst zagen ze het wel en toen zagen ze het niet…”.

 

Rimboe

Ik denk dat je Beminde in ieder geval kunt zien als de psychologische projectie van schuld en rouw. Was Sethe schuldig of onschuldig? Slavernij vernietigt de normale morele orde. Net als James Baldwin toont Toni Morrison dat trauma door blijft spoken in mensen én generaties. De eerste de beste blanke kon je hele wezen “… gebruiken voor wat er maar in zijn hoofd opkwam. Hij kon je niet alleen laten werken, je vermoorden of je verminken, hij kon je bevuilen. Je zo erg bevuilen dat je niet meer van jezelf kon houden. Je zo erg bevuilen dat je vergat wie je was en er niet meer op kon komen…”. Ze waren in staat je ziel te doden. Zie Mattheüs 10:28. En dat ook nog vaak met een uitgestreken, vrome kop. Blanke mensen geloven dat er in elke zwarte een rimboe schuilt, zegt iemand, en in zekere zin is dat waar: “… De rimboe plantten de blanke mensen aan. En hij groeide. En verspreidde zich. Verspreidde zich in, tijdens en na het leven, tot hij zich massaal meester maakte van de witten die hem hadden geschapen…”. Je zou bijna een hekel aan je eigen ‘soort’ krijgen. “… ‘Je moet me ’s wat zeggen, Stamp’. Paul D’s ogen waren vochtig. ‘Eén ding moet je me zeggen. Hoeveel moet een nikker eigenlijk pikken? Zeg me dat‘. Hoeveel?’ ‘Zoveel hij kan,’ zei Stamp Paid. ‘Zoveel als hij kan.’ ‘Waarom? Waarom? Waarom? Waarom? Waarom?’…”.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2020, vertaling Nettie Vink, 352 blz., ISBN 978 940 318 930 7, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

dinsdag 5 mei 2026

Ik heb je nooit een rozentuin beloofd – Hannah Green

 


Rachel Aviv spreekt zich in “Vreemden voor onszelf” (zie mijn vorige blog) meerdere malen lovend uit over ‘Chestnut Lodge’, van 1901 tot 2001 een gerenommeerde particuliere psychiatrische instelling in Rockville, Maryland (VS). Het sloot voorgoed zijn deuren vanwege financiële problemen en veranderingen in de gezondheidszorg. Het instituut maakte naam met zijn intensieve psychoanalytische behandeling van ernstig psychiatrische patiënten, waaronder mensen met schizofrenie. Hier werkte de vooraanstaande psychiater Frieda Fromm-Reichmann, de therapeut van Deborah Blau, protagonist in de semi-autobiografische bestseller “I Never Promised You a Rose Garden” (1964) van de inmiddels 93-jarige Hannah Green. Na herlezing blies het ontstellend goed geschreven verhaal me nog steeds van de sokken.

 

In het hoofd van Deborah

Er zijn verhalen die ons redden en er zijn verhalen die ons afbreken, concludeert Rachel Aviv in “Vreemden voor onszelf” - zie mijn vorige blog. Schizofrenie maakt dat je gevangen zit in het ‘verkeerde verhaal’, zou je kunnen zeggen. “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” begint met een lange autorit. De bange en bezorgde ouders van de zestienjarige Deborah Blau brengen hun psychotische dochter naar het uitstekend bekendstaande Chestnut Lodge. Deborah heeft een zelfmoordpoging gedaan: “… Het knagend vermoeden dat er iets helemaal en hopeloos fout zat was daardoor eindelijk geculmineerd in een feit…”. Het is best een leuke trip, want Deborah bevindt zich geestelijk op een soort ‘neutraal gebied’, de ‘Vierde Trap’ genaamd, in het ‘koninkrijk Yr’. Dan zijn er geen emoties, verleden of toekomst. Deborah vecht namelijk een vreemde, geruisloze, vernietigende strijd uit tussen twee dimensies. De wereld zoals wij die waarnemen en de wereld die zich in haar hoofd afspeelt, met de vaak zeer veeleisende goden, demonen en instellingen van Yr. Ze voelt zich er thuis - ook wanneer de aarde zich er opent en de zon uiteenspat aan de hemel, haar sidderende lichaam er wordt verscheurd en haar tanden en beenderen er in duizend stukken breken. Er zijn gebieden vol verschrikkingen en verlatenheid, maar ook ‘gouden weilanden’.

 

Botsing tussen twee werelden

De botsing tussen beide werelden ‘verdooft’ Deborah. Bij aankomst hoort de ‘ijskoude’ hulpverlener tijdens de intake niets van ‘het geraas’ achter haar: “… In het vacuüm van de Tussenwereld waar zij stond tussen Yr en Nu, begon de Gemeenschap tot leven te komen. Weldra zouden zij haar scheldwoorden en bedreigingen naar het hoofd slingeren, en dan zou ze doof zijn voor beide werelden…”. Anterrabae, de Vallende God, met zijn vurige lokken, die golven in de wind, doemt op. “… Neem me mee, smeekte ze…”, om ‘dieper en dieper te vallen’, “… samen met hem die eeuwig dieper viel…” (zie Cees Nooteboom, die in “Rituelen” ook al refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, IxionPhaeton, Tantalus). Vervolgens belandt Deborah op een vredige, uitgestrekte vlakte waar ze rituele gezangen zingt en danst in een strelende wind die over het lange gras blaast, ‘om een paar dagen tot rust te komen’.

 

Geen aanstellerij

Nadat Deborah op school bij een proefwerk haar naam had veranderd in Januce - naar de god Janus met de beide gezichten, omdat zij immers ook naar twee werelden keek - was er een Censor naar de tussenwereld gekomen om te waken over haar woorden en daden. Zo’n fout kon ze zich geen tweede keer veroorloven. Er is sprake van het commentaar van de Gemeenschap, bestaande uit een verzameling evenbeelden van onderwijzers, familie en klasgenoten die haar voortdurend in het geheim veroordelen en vervloeken. Deborah wordt uitgenodigd door de beroemde dokter Fried, die in een huisje op het terrein van de kliniek woont. Dokter Fried gelooft dat er een gezonde kracht in haar aanwezig is, en wel om twee redenen: ten eerste de opluchting die Deborah toont wanneer dokter Fried zegt dat ze serieus ziek is. Thuis, op school en in ontelbare spreekkamers heeft ze altijd te horen gekregen dat er niets met haar aan de hand is. Ten tweede de noodkreet die ze uitzond met haar dramatische zelfmoordpoging (in feite stelde de actie weinig voor), waarmee ze liet zien dat ze de schijn niet langer kon ophouden.

 

Taboe

Begin jaren zestig rust er een enorm taboe op gekte in de overwegend patriarchale westerse samenleving. Deborah’s opa wordt woedend als hij hoort dat ze is opgenomen. Haar zusje slikt het verhaal van haar ouders dat ze in een herstellingsoord zit, waar ze gewoon naar school gaat. Haar vader heeft wroeging omdat hij heeft ingestemd met de uithuisplaatsing. Als er na een tijdje een brief komt waarin staat dat Deborah niet haar vader, maar wel haar moeder wil zien, zijn de rapen gaar. Deborah geniet van haar macht, maar vreest ook dat haar vader haar zal willen ‘bevrijden uit haar gevangenis’. Ze weet dat ze de instelling nodig heeft.

 

Schijn bedriegt

Als de moeder van Deborah tegenover dokter Fried een boekje opendoet over het gezin, komt er wat meer boven tafel. Deborah blijkt het geliefde, want ‘blonde’, kleinkind van een berooide Joodse emigrant met een klompvoet, die zich in Amerika agressief omhoog heeft gewerkt en zich vol kapsones handhaaft in de bovenklasse: alles voor de schijn. De tweede van de klas zijn was niet genoeg: ze moest de eerste zijn. En ook al ging ze dood van ellende: ‘blijven lachen als je gekwetst wordt’. “… Hij noemde vrouwen koeien en broedkippen en meesmuilde dat ze later waardeloos zou zijn omdat ze een vrouw was…”. Haar vader had maar te slikken wat de oude pater familias besliste. Zijn schaduw hing dreigend over alle takken van de familie. Deborah begon in bed te plassen: “… Hoe verbolgen was de strenge gouvernante geweest, en terecht! Maar deze ‘laksheid’ bleek niet te genezen met boze woorden, klappen en straffen…”. Deborah had namelijk een tumor in haar buik en overleefde totaal onvoorbereid twee operaties, met als gevolg ‘barbaarse pijn’. Zoals het hoort ging ze in de winter naar de allerbeste scholen en in de zomer naar de allerbeste zomerkampen. Ze sloot zich niet makkelijk aan. Pas jaren later verneemt de familie dat het eerste zomerkamp uitgesproken antisemitisch was. Op tienjarige leeftijd kwam uit een psychologische schooltest naar voren dat Deborah mentaal niet in orde was. Ze speelde niet met andere kinderen, ze at veel waardoor ze te dik werd en ze sliep nooit, volgens haar moeder. Ze werd naar een psychiater gestuurd, waar ze zo overstuur van raakte dat men ermee stopte. Toen Deborah zich helemaal liet meenemen door haar tekentalent, werden haar problemen toegeschreven aan de hooggevoeligheid van een zeldzaam begaafde geest. Toch bleef haar moeder ongerust. Ze zag hoe Deborah erbij liep, alsof ze klappen verwachtte die ze later zelfs leek uit te lokken. Dokter Fried registreert een “… beheerste moeder van een meisje dat doodziek was door al het bedrog…”. Even verder: “… ‘Er is maar één ding bijzonder gevaarlijk, vooral nu, omdat ze er uiterst gevoelig voor is.’ ‘En wat is dat, dokter?’ ‘Liegen, natuurlijk.’…”.

 

Grijze wereld

Tijdens haar sessies met dokter Fried uit Deborah zich voor haar leeftijd ongekend cynisch en sarcastisch. Haar scherpe, hooghartige, uitdagende opmerkingen maken de mensen om haar heen terughoudend: “… ze waren trots op haar maar ze hielden niet van haar…”. Soms reageert ze zonder meer verbitterd, agressief en wreed: “… Het was of de vervloeking met de stem van een bezetene uit Deborah’s lichaam brak…”. Onbedoeld laat ze een woord uit het geheime koninkrijk van Yr vallen: ‘Upura’. Het staat voor ‘herinnering, compleet met alle bijbehorende emoties’ inzake de buikoperatie, waarna de wereld grijs werd. Als de dokter doorvraagt, vlucht Deborah doodsbang naar Yr ‘waar het water zich boven haar hoofd sluit zonder aanduiding van de plek waar ze naar binnen is gegaan’. “… Het oppervlak was rimpelloos en zij was verdwenen…”. Later laat ze erover los dat de taal van Yr uit beeldspraak bestaat die de dokter toch niet begrijpt. “… Dit gesprek maakte haar doodsbang. De muren begonnen zacht te kloppen als een enorm hart…”. Ze vertelt over de pestkoppen uit de buurt die haar uitscholden voor vuile Jood, en over een volwassene in het zomerkamp die had gevonden dat Hitler tenminste één ding goed deed: het ‘vuilnisbakkenvolk’ opruimen. Als ze de verontwaardiging op het gezicht van de dokter ziet om wat haar is overkomen, bedankt ze haar: “… Ik wist niet dat Aardbewoners ook gevoel hebben…”.

 

De Put

Chetsnut Lodge is voor zijn patiënten een veilige omgeving, waar ze zichzelf kunnen zijn: “… Directheid en grofheid waren twee privileges van het ziekenhuis waar iedereen zich ruimschoots van bediende. Voor degenen die uitsluitend aan zichzelf hadden durven denken als excentriek en vreemd, betekende vrijheid de vrijheid om gek, niet wijs, getikt of mesjoche te zijn en in ernstige mate, krankzinnig, waanzinnig, dement of uitzinnig…”. Er zijn drie afdelingen. Op afdeling C wonen de Ernstig Gestoorden (E.G.), waar Deborah terecht komt als ze haar arm openrijt met de deksel van een gevonden conservenblikje. “… Luister, Vogel-nummer-een; luister Wild paard…”, klinkt het uit de onderste regionen van Yr, “… jij hoort niet bij hen…”. Daarmee worden de mensen in de normale wereld bedoeld. Ze ‘speelt voortdurend met de Put’ (de dood), zegt de god Anterrabea. ‘Ze bekijkt haar ondergang van alle kanten en prikt er hier en daar met haar vinger in’.

 

Ernstig gestoord

Deborah is in eerste instantie doodsbang op de griezelige afdeling Ernstig Gestoorden, waar zelfs geen schijn van comfort en normaliteit meer valt te bespeuren: “… Er zaten vrouwen op rechte harde stoelen, en ze zaten of lagen ook op de grond – kreunend en tierend of geheel verstard – en de verpleegsters waren hard en gespierd…”. Deborah ervaart een en ander als angstwekkend en tegelijkertijd geruststellend: “… hier bestonden geen leugenachtige goede manieren, en hier hoefde men niet langer te leven volgens de onbegrijpelijke wetten van de Aarde. Als de blindheid kwam, of als de pijnlijke krampen van de niet bestaande tumor zich deden gelden, of als ze in de Put belandde, zou niemand zeggen, ‘Wat zullen de mensen daar wel van denken!’, ‘Gedraag je als een dame’ of ‘Maak alsjeblieft geen scene!’…”.

 

Beschermengelen worden kwelgeesten

Uiteindelijk begint Deborah over Yr te vertellen, wat veel verklaart: “…Hoe vreemd dat haar nu ook voorkwam, eens waren de goden van Yr kameraden geweest – geheime, prinselijke deelgenoten van haar eenzaamheid…”. Een stem had haar op zachte, warme toon verteld dat ze bij hen een vogel kon worden, “… vrij op de wind…”, of een wild paard “… dat zich niet schaamt, maar fier zijn manen schudt…”. Ze begonnen steeds meer voor haar te betekenen: “… De goden van Yr waren lachende goden, een soort beschermgeesten waar zij zich graag bij terugtrok. Maar er was iets misgegaan en Yr veranderde van een bron van schoonheid en veiligheid in een oord van angst en smart. Geleidelijk werd Deborah gedwongen om te smeken en te verzoenen, en ze viel omlaag van haar vorstelijke plaats in het schitterende vertroostende Yr en werd in donkere oorden geketend. Op de dagen van de verheven kalender was ze een koningin onder de goden, maar op de dagen van de lage kalender werd ze vernederd en gekweld. Tegenwoordig moest ze ook nog de duizelingwekkende verandering van de wereld verdragen, en de haat van de wereld die tot uiting kwam in de schimpende gezangen van de Gemeenschap. Ze was de onderworpen slaaf van de Censor, die tot taak had erop toe te zien dat het geheime zaad van Yr niet op de Aarde zou worden gestrooid, waar het zou ontkiemen, opbloeien en openbarsten in krankzinnigheid, zichtbaar voor de hele wereld die er vol afgrijzen voor zou terugdeinzen. De Censor had de rol van tiran aangenomen over beide werelden. Toen hij eenmaal haar beschermer was had de Censor zich tegen haar gekeerd…”. Precies zoals in de echte wereld, volgens Deborah. Het meest verbluffende vind ik nog dat de evangelische wereld in allerlei brochures en traktaten waarschuwt voor de occulte wereld waarin het net zo toegaat: goede geesten worden kwade geesten. Dokter Fried wijst erop dat de wereld van Yr veel overeenkomst vertoont met Deborah’s eigen visie op de wereld. De geest past zich aan: “… al die verborgen werelden, die talen, regels en zoenoffers waren redmiddelen voor haar om niet ten onder te gaan in een wereld van oproer en verschrikkingen…”.

 

Lakenpak

Deborah’s ‘verraad’ maakt dat ze, eenmaal terug op de afdeling, langzaam haar bewustzijn verliest. Gebeurt er hetzelfde als met de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra? Aan de hand van een spreeuwenwolk schrijft Niewierra: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Deborah heeft het eveneens over een ‘wolk’, waaruit wormen en slangen druppelen. Ze ziet zichzelf als “… een roerloze berg met een vulkaan in zijn binnenste…”. De beleidspsychiater maakt Deborah nog snel duidelijk dat ze haar in een ‘lakenpak’ gaan wikkelen. Het weer bij bewustzijn komen omschrijft ze als het opstijgen van “… een enorme walvis uit de diepste diepte – een volstrekt ander element met andere wetten en andere klimaten…”. Ze ligt strak in een soort, door haar verhitte lichaamstemperatuur verwarmde, ‘cocon’ van natte lakens. In haar nek een ijsklomp, onder haar voeten een warme kruik. Ingebakerd. Het werkt nog ook.

 

Wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen

Gaandeweg voelt ze zich op de E.G.-afdeling meer thuis dan waar ook. Ze is een van de gekken. Ze hoort nu bij een groep met een eigen geheimtaal, die zich te pletter verveelt: elke reuring betekent een verzetje. Veel patiënten bezitten de bijzondere gaven om in een oogopslag iemands zwakheden te zien, maar ze kunnen er niets mee. Verpleger Hobbs is steeds de pineut. Wanneer er een enorme ruzie rond hem uitbreekt, vraagt de psychiater aan Deborah waarom ze het steeds op Hobbs gemunt hebben. Deborah weet het wel, maar zegt het niet: Hobbs is bang voor zijn eigen krankzinnigheid – hij wil dat de mensen nog gekker en vreemder zijn dan hijzelf. Het herinnert aan de uitspraak: wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen. 

 

Vechten tegen de duisternis

Dokter Fried spaart haar patiënt niet. Wanneer Deborah zegt dat ze gevaarlijk is omdat ze gif uitwasemt: “… Als je je wilt verstoppen kun je vergeten, of toneelspelen, of de zaak vertekenen. Dat zijn allemaal goede manieren om te vluchten voor de waarheid die soms heel hard kan zijn…”. En gek worden, natuurlijk. “… Een ander van alles de schuld geven, dat is ook een camouflage. Dan hoef je niet onder ogen te zien wat ze je werkelijk hebben aangedaan, en wat je jezelf hebt aangedaan en nog steeds aandoet…”. Als ze bibbert van de kou in de hete augustusmaand: “… Ik vrees dat de regen en de mist binnen in jou zijn…”. Steeds herhaalt de dokter dat de goden en demonen van Yr haar eigen scheppingen zijn: “… Zeg aan alle bewoners van Yr dat ze je niet moeten hinderen bij dit onderzoek van ons…”. Als Deborah aangeeft dat ze zwarte strepen voor haar ogen ziet, ‘tralies’ die staan voor een gevoel van verlatenheid en gemis aan liefde, blijken ze een vage herinnering te zijn aan de spijlen van haar kinderbedje, in een tijd waarin ze verzorgd werd door een kille verpleegster omdat haar moeder in het ziekenhuis lag. Waarom heeft een zo vroege gebeurtenis zo’n impact? “… De herinnering verandert wellicht niet van vorm, maar de jarenlange herbeleving verleent een enorm gewicht aan de ervaring…”. Omdat Deborah de kant van de wereld kiest (wat natuurlijk een erg positief gegeven is), noemen de goden haar een ‘verraadster’ en sluiten de weg naar Yr voor haar neus: “… Welnu, daar is de wereld. Ga je gang!...”. Volkomen in paniek verliest ze prompt haar denkvermogen. Wanneer ze misselijk ontwaakt: “… Als je de wereld weer eens bewondert, reken dan op onze duisternis…”. Geen wonder dat ze bang is voor zaken als vriendschap, waarheid, liefde en vergeving, die allemaal deel uitmaken van de realiteit.

 

Robot

Tegenover haar ouders legt dokter Fried uit dat ze samen proberen te ontdekken wat Deborah werkelijk wil met haar leven: “… Ze heeft (van zichzelf) een robot gemaakt die alle uiterlijke formaliteiten van de realiteit vervulde, en daarachter trok de echte mens zich steeds verder terug…” (zie ook “Het drama van het begaafde kind” van Alice Miller). Haar verontrustende symptomen zijn afweermiddelen en beschermingen: “… U kunt het geloven of niet, maar haar ziekte is de enige grond die ze onder de voeten heeft. Zij en ik hakken samen de grond weg waar zij op staat…”. Even verder: “… Er wordt thans van haar gevraagd al die jaren van realiteit, althans in haar ogen, uit te wissen en in goed vertrouwen een nieuwe versie van de wereld te accepteren. Deborah’s ziekte is thans een wanhopige strijd om gezondheid geworden…”.

 

Leven in de brouwerij

De afdeling staat op zijn kop als er een oud maar bijzonder gewelddadig dametje met grijs haar arriveert: juffrouw Coral. Binnen no time smijt ze een broeder als een projectiel door de gang. Ze is zo sterk dat ze, wanneer ze ‘elektrisch geladen is’, met een bed om zich heen kan slaan, terwijl er een ‘stroom van prachtige, bloemrijke, zeer gevarieerde lasterlijke taal’ uit haar losbarst. Ze schijnt ook nog vier of vijf talen te spreken en iets wiskundigs te zijn. Geduldig wacht Deborah voor haar deur tot ze eindelijk tevoorschijn komt om te vragen of ze haar les wil geven. ‘Als ik een besluit neem, zal ik dat laten weten’, zegt juffrouw Coral, en ze slaat de kamerdeur weer achter zich dicht, waarna een hele serie ‘vloeken en kreten, dreunen en slagen’ begint. Als het stil wordt, roept ze eindelijk uitgeput door de dichte deur: “… Meisje – meisje – ben je daar nog?...”. Als Deborah met ‘ja’ antwoordt, zegt ze: ‘Morgen’.

 

Leren

“… Deborah en juffrouw Coral ontmoetten elkaar in de korte ogenblikken dat ze niet in de afzondering van hun eigen werelden leefden. Deborah was aan een dor en onvruchtbaar tijdperk begonnen. Altijd rook ze de stank van haar eigen verbrande wezen – verschroeid vlees, haar, kleren en de onaangename lucht van brandend rubber en leer van haar schoenen. Ze kon geen kleuren meer onderscheiden en de zwarte strepen voor haar ogen beperkten haar gezichtsvermogen tot een smalle verticale grijze strook. Niettemin studeerde ze…”. Ze snapt zelf ook niet dat ze allerlei dingen kan leren terwijl ze het gevoel heeft als een ‘levende dode’ in ‘absolute duisternis’ te verkeren. Feiten, stellingen of talen hebben niets te maken met zelfkennis. Je kunt blijkbaar net zoveel leren als je wilt en toch psychotisch zijn. 

 

Oermens

Allemaal zijn ze overstuur als er iemand terugkomt uit de buitenwereld: “… na een poosje staan ze op van de grond, schudden zich als gevloerde boksers en wankelen de wereld in, telkens en telkens weer…”. Als de dokter een lange vakantie opneemt, krijgt Deborah een zware terugval waarin ze zichzelf met de overal voor het grijpen liggende sigarettenpeuken begint te branden: “… De Moderne Mens sprong slordig om met de brandende staafjes die hij rookte en inademde en naast hem stond de oermens begerig te wachten op zijn vuur…”. In het begin is Deborah morbide en zwijgzaam, of morbide en scherpzinnig, maar er komt een dag waarop ze zich niet kan beheersen en de verschrikkelijke machten die ze in zich voelt, losbarsten: “… Heer! Ze was in de badkamer en kraamde alle mogelijke onzin uit. Ze heeft de muren volgekrast met krankzinnige tekens en ze kwam vechtend als een wilde kat naar buiten…”. Daarna volgen echter wel gevoelens van schaamte en een ‘nieuwe moraliteit’ – wat dokter Fried als ‘gunstige’ tekenen opvat. Op haar versteende gezicht zijn, ondanks de angstrazernijen, weer emoties te lezen.  

 

De weg omhoog

Misschien is het pijnlijkste wel “… dat je jarenlang gek kunt zijn zonder dat je dat aan iemand kunt vertellen, en zonder dat ze je geloven…”. Uiteindelijk krijgt de wereld opnieuw vorm en kleur voor Deborah: “… Ongeduldig en vol verlangen begon ze de ladder te bestijgen die haar naar de hoogste ziekenhuisstatus moest voeren, en ze kon de treden haast onder haar voeten horen kraken…”. Even verder: “… Toen ze eenmaal overtuigd was van het feit dat ze leefde, begon ze van de nieuwe wereld te houden…”. Met de dokter graaft ze oude geheimen op om ze een plek te geven: “… als je de wereld in haar totaliteit verwerpt moet je daar vele redenen voor hebben…”. Ze komt erachter dat de verborgen rol die ze in het zomerkamp speelde, en wel als gevangengenomen vijandige Japanse soldaat, een reactie was op de haat van anderen. Een poging om de werkelijkheid te begrijpen en te verklaren en een zekere waarheid op te bouwen waarmee te leven viel. In het martelaarschap dat ze op zich nam, herkent ze iets van Christus, ‘de trots en vrees van iedere Jood’, maar ook van haar opa. Ze is ervan overtuigd dat ze als kleuter van zins was haar babyzusje te vermoorden. Ze wilde haar uit het raam gooien. Haar ouders kwamen net op tijd de kamer binnen en spraken er later nooit meer over. Samen met de dokter komt ze tot de conclusie dat ze veel te klein was om de baby uit de hoge wieg te tillen - waar ze op haar tenen bij moest staan om erin te kunnen kijken - laat staan over het raamkozijn. De dokter voert haar terug naar de zonneschijn in haar gelukkige kinderjaren, wat een bewijs is dat ze niet genetisch gedoemd is of onder een vloek is geboren. Stapje voor stapje vordert ze, van de hel naar het vagevuur weliswaar. Ze heeft een genezende droom van een mannenhand die in zijn vuist drie steentjes steenkool samenperst. Als de vuist zich opent liggen er drie fonkelende diamanten in: “… Een diepe stem riep haar, ‘Deborah!’, en daarna nogmaals zacht, ‘Deborah, zo zul jij zijn.’…”.

 

Onvoorwaardelijk

In de kliniek zijn de zondagen het ergst; dan is ‘het rookgordijn van de schijn’ nooit dicht genoeg. Zie wat Nietzsche schrijft over het dionysische en het apollinische. Zie Gerard Reve, die het in “Moeder en Zoon” heeft over de “… zelfmoorduren van de Zondagmiddag, van globaal half drie tot vijf uur…”. De eerste keer dat Deborah een paar dagen naar huis gaat, ervaart ze als een beklimming van de Mount Everest. Ze begint echter in te zien dat haar ouders haar wel de gelegenheid geven haar strijd te strijden, ook al is er geen enkele vooruitgang te bespeuren en kost hen dat het aanzien van anderen. Ze maakt wandelingen naar de stad in de buurt, waar ze zich aansluit bij twee kerkkoren, ondanks het feit dat de leden echt niet zitten te wachten op ‘een gek uit de inrichting’. Ze voelt zich een “… pasgeboren wereldburger…” die haar “… geboorterecht opeist…”. Ze meldt zich bij een opleidingsinstituut voor ‘uitvallers’, waar ze alsnog haar middelbareschooldiploma haalt. Het vergt wel een dagelijkse hypnotiserende busreis van twee uur heen en twee uur terug – ze volbrengt het allemaal. Een maatschappelijk werker helpt haar met het zoeken van een kamer. Ze identificeert haar ‘vallende god’ Anterrabae als de satan van Milton uit “Het verloren Paradijs”, een platenboek van haar grootvader dat ze op negenjarige leeftijd duizenden keren heeft bekeken: alles komt altijd ergens vandaan. Uiteindelijk neemt Deborah ’onvoorwaardelijk’ afscheid van haar waanwereld - het woord waarmee het boek eindigt.

 

Uitgave: Rainbow – 2015, vertaling Elisabeth Swildens, 334 blz., ISBN 9789041711540

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar