Menu

woensdag 14 juli 2021

Klara en de Zon – Kazuo Ishiguro

 


Het luchtige, dystopische Toy Story-verhaal "Klara en de Zon" van de Japans-Engelse schrijver Kazuo Ishigaro (1954), winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur 2017, draait om dezelfde vraag die ik in mijn vorige blog opwierp: marcheren wij straks als halve robots rücksichtslos de technische artificiële digitale toekomst in? Wat betekent dat voor onze ervaringswereld? Wordt ze anders? Kleiner? Zal een deel van onze werkelijkheid uit beeld verdwijnen? Zullen we onze kern, die ons tot de unieke mens maakt die wij zijn, verliezen of vergeten (zie wat professor Rik Torfs hierover zegt in “Alle verstand te boven”)? Ishiguro schreef eerder een toekomstroman, “Laat me nooit alleen” (2005), over de vriendschap tussen drie klonen op een kostschool, die leven met het doel hun organen te doneren. Ook “Vergeten reus” (2015) speelt zich af in een fantasywereld met trollen en draken, waar een dichte mist hangt die het geheugen van de mensen vertroebelt. 

 

Kuntsmatige vriendjes

Klara is een meisjesrobot. Een KV: Kunstmatige Vriend. Ze staat met een stel anderen in een winkel te wachten tot iemand haar koopt. Ze loopt op zonne-energie. Daarom wordt ze graag tentoongesteld in de etalage, waar ze de meeste zon vangt. Ze heeft een bijzonder zelflerend vermogen: alles wat ze op straat ziet, slurpt ze op en verbindt ze met de al aanwezige data in haar, zodat ze steeds slimmer wordt. Als er een veel te dunne, bleke en moeilijk lopende tiener voor het raam verschijnt, is het liefde op het eerste gezicht. Josie. Ze komt nog een keer kijken. De derde keer gaat ze de winkel binnen en weet ze haar ‘volwassene’, c.q. haar moeder, over te halen KV-Klara te kopen. Niet zonder dat haar moeder Klara aan een paar zonderlinge tests onderwerpt. Of ze bijvoorbeeld Josies loopje na kan doen? Klara lijkt een beetje het midden te houden tussen een persoonlijk slaafje, haar eigenschappen worden in haar bijzijn heftig bediscussieerd, en een huisdier, KV’s worden vooral aangeschaft om eenzaamheid te doorbreken. KV’s zijn voor Japanners waarschijnlijk niet zo vreemd als voor ons. Ik zag ooit een keer een heftig filmpje bij het programma “Trippers” van BNN/Vara voorbij komen, waarin het ging over lolicon-materiaal (manga gebaseerd op pedofilie). Volwassen mannen gaven aan helemaal idolaat te zijn van hun aangeschafte meisjespop. 

                                                     

Geüpgrade tieners

In het nieuwe huis moet Klara een hoop dingen verwerken. Ze is graag in de keuken, waar de zon vanwege de grote ramen goed naar binnen kan kijken, maar wordt geboycot door 'Melanie huishoudster'. Ze vindt het fijn om samen met Josie het laatste eind van de reis van de zon te volgen, als deze in het veld zakt om te gaan slapen. Onderwijl wachten ze op de thuiskomst van Josies moeder. De laatste blijkt een alleenstaande advocate te zijn. Om haar even te zien tijdens het ontbijt komt de vaak zieke Josie als het enigszins gaat ‘s morgens vroeg haar bed uit. Josie krijgt overdag les van een ‘rechthoekdocent’. Daar weten we inmiddels alles van. Ze tekent veel en graag. Ze blijk een vriendje te hebben. Rick. Haar buurjongen. In eerste instantie reageert hij een beetje jaloers als hij kennis maakt met Klara: zijn buurmeisje zou nooit een KV nemen. Dat trekt bij als er een stel andere kinderen met hun moeders elkaar ontmoeten in Josies huis voor een ‘interactiebijeenkomst’. Per slot van rekening moet je sociaal vaardig zijn als je straks uit huis gaat om te studeren. Rick wordt eveneens uitgenodigd. Maar hij hoort er niet bij, want hij is  niet genetisch gemanipuleerd. Oftewel: ‘opgetild’. Geüpgrated, en dus klaargestoomd voor de toekomst. Als een paar rotkinderen Klara beginnen te pesten en met haar willen gaan gooien, weet Rick de aandacht van haar af te leiden door een ettertje voor paal te zetten. Rick vertelt aan Klara dat hij met Josie een verbond heeft gesloten om voor altijd bij elkaar te blijven. Maar zo gauw Josie onder vreemden is, lijkt ze te veranderen. Net als Klara wil Rick haar helpen zichzelf te blijven.

 

Echt en onecht

Een ongemakkelijk moment breekt aan als ze een tochtje naar een waterval willen maken. Om maar mee te kunnen, faket Josie dat ze zich goed voelt. Haar moeder is zo nijdig dat ze alleen met Klara vertrekt. Hoe meer Klara observeert, des te meer gevoelens komen er voor haar beschikbaar. Alsof ze een soort autistisch leervermogen bezit. Als ze langs een weiland met een stier lopen, schrikt Klara zich te pletter: “… Ik had nog nooit zoiets gezien, dat in één keer, zoveel signalen van woede en vernietigingsdrang uitzond. Zijn gezicht, zijn hoorns, zijn kille ogen die naar me keken, allemaal bezorgden ze me een angstgevoel, maar ik voelde nog iets meer, iets vreemders en diepers. Op dat moment had ik het gevoel dat het een enorme vergissing was dat het schepsel zelfs maar in het patroon van de Zon mocht staan, dat deze stier ergens diep in de grond hoorde te zijn ver in de modder en duisternis, en dat zijn aanwezigheid op het gras alleen maar afschuwelijke gevolgen kon hebben…”. De moeder van Josie zegt dat ze het goed doet. Josie zou een stuk vrolijker en attenter zijn geworden sinds ze er is. Weer komt Josies  moeder met de eigenaardige vraag of Klara haar dochter wil imiteren. Ze vertelt over het zusje van Josie die is overleden. Later wordt duidelijk dat de genetische manipulatie bij haar fout is gegaan. Josie is er ook ziek van.

 

De goddelijke zon

Als Josie zo beroerd is dat ze hele dagen in bed moet blijven, komt Rick langs en beginnen ze aan een nieuw spelletje. Josie maakt illustraties en Rick vult vervolgens de lege ballonnen die ze er in tekent op met teksten. Allengs veranderen de strips in een zwijgende strijd. Rick vindt de bezoekjes van Josie bij een portretkunstenaar steeds enger worden. Het is volgens hem niet normaal dat hij allemaal gedetailleerde foto’s van haar maakt. Josie ziet het probleem niet. Hij zou dat doen om te voorkomen dat ze te vermoeid raakt van het poseren. Josie, op haar beurt, beschuldigt Rick er van dat hij teveel aan zijn moeder hangt. Ze is psychisch niet in orde en wil hem volgens Josie klein houden, zodat hij altijd bij haar blijft wonen en voor haar kan zorgen. Dat brengt hun plan in gevaar. Waarom doet hij geen toelatingsexamen voor een technische faculteit? Ook ‘onopgetilden’ met talent worden er soms aangenomen. Rick reageert als door een wesp gestoken. Josie zou zich anders ook maar mooi ziek laten maken door haar moeder en nooit eens leuke dingen willen doen. Zwemmen in een meer of zo. Woedend vertrekt hij. Dagenlang horen of zien ze niets meer van hem. Uiteindelijk stuurt Josie Klara met een tekening naar zijn huis om het goed te maken. Josie ontmoet Ricks moeder, die haar ook al in vertrouwen neemt, en vraagt of ze Rick wil pushen richting een studie. Zo erg is ze dus niet. Rick ziet het zélf niet zitten. Ondertussen heeft Klara zo haar eigen plannetjes waarmee ze Josie hoopt te helpen. Ze beschouwt de zon als een soort god. Ze neemt aan dat de zon zich in de schuur van een farmer te ruste legt, omdat ze daar verdwijnt. Zoals gelovigen in een kerk, zorgt ze dat ze een onderonsje heeft met de zon in de schuur. De zon heeft duidelijk een hekel aan luchtvervuiling. Ze zweert haar dat ze een vervuilende machine, waarmee in de stad het wegdek wordt bewerkt, onklaar zal maken als de zon Josie geneest. Ondertussen vertelt de moeder van Josie dat ze een trip naar de stad gaan maken omdat Josie moet poseren. Klara mag daar bij zijn. Ze moet goed opletten of er geen rare dingen gebeuren. En dan komt ook nog eens huishoudster Melanie naar Klara toe met het verhaal dat de portretschilder voor geen meter deugt. Ze moet Josie beschermen. Zo niet dan zal ze Klara slopen en in de kliko dumpen.

 

Vervangbaarheid

Eenmaal in de stad nemen ze hun intrek in een ‘Vriendinappartement’, waar de ex van Josies moeder ook naar toe komt. Josie blijkt ontzettend gek met haar vader. Hij woont in een leefgemeenschap. Met anderen die uit de beroepsmatige ratrace zijn gestapt (een ‘witte’ groep die zich als het moet met wapens verdedigt – iemand beschuldigt hem later dan  ook van ‘fascisme’). Hij heeft eindelijk het gevoel dat hij leeft, vertelt hij. Met z’n allen gaan ze naar de kunstenaar in wiens huis het inderdaad een raar gedoe is. Er liggen fototoestellen. Er hangen grafieken aan de muur. Maar er zijn geen half afgemaakte schilderijen. En er is geen verflucht te ruiken. Josie zelf mag haar portret niet zien, want als ze “… zich te zeer bewust wordt van zichzelf…” zal ze misschien “… op een onnatuurlijke manier…” gaan poseren. Klara moet in een kamertje allerlei vragen beantwoorden. Want van een KV kan de kunstenaar veel leren. De vader en moeder gaan in het beveiligde atelier van de kunstenaar een kijkje nemen. Beiden komen hevig geagiteerd terug. Klara krijgt het voor elkaar daar ook stiekem binnen te geraken, en ziet een KV hangen die een bijna perfecte imitatie van Josie is. De kunstenaar is haar aan het namaken. Duidelijk wordt dat dat bij de ouders intens verwarrende gevoelens en hevige ethische vragen oproept. Al gauw wordt duidelijk dat KV-Josie nog ‘leeg’ is. Mocht de echte Josie overlijden dan zal KV-Josie opgevuld worden met de data van Klara, die daarom zo goed mogelijk Josie moet worden. De moeder van Josie kan het verlies van een dochter namelijk niet nóg een keer aan. Maar is Josie wel vervangbaar?

 

Zijn wij ons brein?

En zo komt de oude en spannende vraag naar de ziel aan de orde. De kunstenaar tegen Josies moeder: “… Het probleem is, Chrissie, jij bent net als ik. Wij zijn allebei sentimenteel. Daar kunnen we niets aan doen. Onze generatie draagt de oude gevoelens nog met zich mee. Een deel van ons weigert die los te laten. Het deel dat wil geloven dat er iets onbereikbaars in elk van ons zit. Iets unieks dat zich niet laat overdragen. Maar zoiets is er niet, dat weten we inmiddels. Jíj weet dat. Voor mensen van onze leeftijd is het moeilijk om het los te laten. We  móéten loslaten, Chrissie. Er is daar niets. Niets in Josie wat niet door de Klara’s van deze wereld kan worden voortgezet. De tweede Josie zal geen kopie zijn. Ze zal precies hetzelfde zijn en je zult het volste recht hebben om net zoveel van haar te houden als nu van Josie. Het is geen vertrouwen dat je nodig hebt. Alleen rationaliteit. Ik heb het ook moeten doen, het viel niet mee maar nu werkt het prima voor me. En voor jou zal het dat ook doen…”. Zie ook Franca Treur die in “Hoor nu mijn stem” een atheïstische student laat zeggen:  “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”.

 

De onpersoonlijke mens

Even verder ontspint er ook een mooi gesprek tussen de vader van Josie en Klara over de vraag of de mens een authentieke kern heeft, “… Iets wat ieder van ons bijzonder en individueel maakt…”. Hoe moet je dat zien en kan Klara de ziel van Josie leren kennen? De vader stelt haar kern voor als “… kamers in kamers in kamers…”. Tot in het oneindige. Klara denkt eerder dat de ziel toch beperkt moet zijn en er dus een complexe mogelijkheid is om al die kamers door te lopen. De vader komt tot de moeilijke conclusie dat hij zo’n hekel aan de kunstenaar heeft omdat hij ergens gelooft dat deze wel degelijk gelijk heeft, dat het geloof in de ziel bijgeloof is. Het voelt alsof de moderne wetenschappers “… me ontnemen wat me het liefst is in dit leven. Ben ik duidelijk?...”. Voor hem draait de wereld om wiskunde: “… Ik heb… een soort kilte in me…”. Het rare is dat Klara, de KV zonder hart, juist gaat geloven dat er méér is. Ze vraagt om het vertrouwen van de vader van Josie. Ze wil een wegwerkmachine kapot maken en vraagt of hij haar daarmee kan helpen. “… Meneer is een deskundig ingenieur…”. Ze weet zeker dat het Josie beter zal maken. Hij ziet dat de robot het echt meent: “… ‘Hoop,’ zei hij. ‘Die gunt je verdomme nooit rust.’…”. Toch stemt hij toe. Het gaat nog veel verder. De machine zal onklaar gemaakt kunnen worden door een vloeistof in de generator te spuiten die zich in een kleine holte in de nek van Klara bevindt, aldus de ingenieur. Daarmee wordt Klara bijna een soort Christus die immers ook zijn bloed gaf aan het kruis ter verlossing van de mensheid. Later zal Klara nog eens naar de schuur gaan, om in naam van de eeuwige liefde tussen Josie en Rick, de zon te smeken haar beter te maken. Toch is Ishiguro nergens zwaar op de hand en zit het boek vol humor. Een vrouw over haar partner: “… Hoe meer succes hij had in het leven, des te minder knap hij gek genoeg werd…”. De vader van Josie heeft het niet over zijn ‘dear’, maar ‘dier’.

 

Mindfuck

Het sprookjesachtige verhaal heeft een fluwelen afloop. Een en ander doet denken aan de bizarre Nederlandse 2Doc-film “Deepfake Therapy”, waarin een tot leven gewekte foto van een overledene op een laptop, via de stem van een acteur tot nabestaanden spreekt. Een soort hiernamaals-rollenspel komt op gang. Rouwtherapeuten kijken of ze op die manier cliënten kunnen helpen. Columniste Reina Wiskerke in het ND van 6 maart 2021: “… De vader verklaarde later op Radio 1 dat het gesprek met zijn overleden dochter echt helend was. ‘Er gebeurde iets heel wonderlijks,’ vulde de maker van de film aan. ‘Als het troost geeft en steun geeft, dan is dat toch alleen maar mooi?!’ Dus als het werkt, mogen we elkaar beduvelen? Zelfs in de reguliere gezondheidszorg?...”. De wereld lijkt steeds gekker te worden. Maar aan de andere kant werken we natuurlijk ook al jaar en dag met placebo’s

 

Uitgave: Atlas Contact - 2021, vertaling Peter Bergsma, 352 blz., ISBN 978 902 547 002 9, 22,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

vrijdag 9 juli 2021

Alle verstand te boven – Cees Dekker (red.)

 


Subtitel: 22 wetenschappers over hun leven, werk en God

 

Een tijdje geleden besprak ik “Geleerd & gelovig” uit 2008, een bundel essays van gelovige wetenschappers die beschrijven wat God betekent in hun loopbaan. Omdat het boek inmiddels gedateerd is en er een nieuwe generatie academici aantrad, heeft Cees Dekker een vervolg het licht laten zien: “Alle verstand te boven”. Geloven mensen nog steeds op dezelfde manier? Is er in ruim een decennium wat veranderd? Ik vind van wel, alhoewel het natuurlijk net zo goed aan het type personen kan liggen dat hun zegje doet. Het viel mij op dat de hedendaagse westerse gelovige vooral de rationele kant van het christendom verwoordt. Dat is natuurlijk niet zo raar als het om intellectuelen gaat. Ook draait het veel om de sociale context waarin het geloof gestalte krijgt. De meeste academici hebben het christendom van huis uit meegekregen, een jeugd achter de rug waarin ze via allerlei christelijke clubs in aanraking kwamen met gelovige vriendjes en vriendinnetjes en zo als vanzelf integreerden in de kerk, waar ze vanwege hun intellectuele vorming inmiddels vaak preekdiensten vervullen. De spirituele dan wel mystieke kant van het geloof, dat mij persoonlijk sterk triggert, komt veel minder aan bod. Daarvoor moet je echt bij de verhalen van emigranten als de Russisch-Joodse fysicus Mikhail Katsnelson en de Nigeriaanse Nanowetenschapper Peter Ngene zijn. Voor mijn gevoel was dat in “Geleerd & gelovig” anders. Dezelfde sterk extraverte gerichtheid ontwaar ik trouwens ook in de moderne literatuur die ik nu al zo’n tien jaar volg. Het lijkt er op dat wij westerlingen in de loop van de tijd veranderen. Onze geestelijk ontwikkeling een bepaalde kant op stuurt (zie ook psychiater Jan Hendrik van den Berg en zijn ‘metabletica’ of ‘leer der veranderingen’). Dat is precies wat mij mateloos boeit. Zal ik het nog meemaken dat het rationalisme zover doorschiet dat de wal het schip keert en er meer ruimte komt voor mystiek? Of marcheren wij straks als halve robots rücksichtslos de technische artificiële digitale toekomst in? En zal er dan nog geloof worden gevonden (Lucas 18 vers 8)? Ik ga alle wetenschappers even kort langs.

 

De ontdekking van de hemel

Vrouwen lijken meer met spiritualiteit te hebben dan mannen. Zie ook Lody van de Kamp en Oumaima Al Abdellaoui die in “Over muren heen” vertellen dat vrouwen volgens het Jodendom en de islam dichter bij God staan. Dr. Martine Veldhuizen (1980), gespecialiseerd in middeleeuwse letterkunde: “… In de eenvoud van de stilte is mijn geloof begonnen…”. Als christelijk opgevoede puber verzeilde ze in de oecumenische kloostergemeenschap Taizé in Zwitserland voor een stilteretraite. Pas tijdens de allerlaatste avonddienst, toen ze, terwijl je een speld kon horen vallen, tussen honderden andere jongeren van over de hele wereld met een brandende kaars in haar handen stond, overkwam haar een overweldigend besef van Goddelijke aanwezigheid. Ze verbindt de gebeurtenis met het middeleeuwse wereldbeeld waarin de ‘harmonie der sferen’ vol muziek, licht en schoonheid een grote rol speelt. “… Wat mij als wetenschapper fascineert aan dit thema is de verbinding met nu. Het besef dat woorden scheppende én vernietigende kracht kunnen hebben, zie ik terug in films, talkshows, boeken en betogen…”  (zie ook dr. Anne Terruwe in “De frustratieneurose” over ‘zegenen’ versus ‘vloeken’ dan wel ‘bevestigen’ versus ‘afbreken’ en de rol van geluid in de moderne kwantumfysica). Over Veldhuizens verbeeldingskracht inzake haar in 2015 overleden dochtertje Hannah: “… Op de herdenking van haar sterfdag dit jaar zag ik een muziekdoosje voor me. Hannah en ik openden het voorzichtig. We keken naar de ballerina die draaide om haar as en luisterde naar het Zwanenmeer van Tsjaikovski. Toen keek ik in het spiegeltje aan de binnenkant van het deksel. Even kruisten onze blikken…”. Het doet me denken aan de oude predikant F. de Graaff die vaak zei: ‘De hemel is vlakbij’…

 

Anders

Hersenwetenschapper dr. Susanne J. van Veluw (1987) vertelt hoe theologie haar naast  de studie psychobiologie ‘een breder perspectief’ gaf. Astronoom prof. Dr. Heino Falcke (1966) maakte met zijn team de eerste foto van een zwart gat. Hij noemt zichzelf ‘een beetje een nerd’. De Bijbelse connotatie dat gelovigen ‘niet van deze wereld zijn’ heeft hem sterk geholpen zijn ‘anders-zijn’ te accepteren. Hij vertelt dat de Bijbelverhalen voor hem gingen leven toen hij als vijftienjarige mee begon te helpen in kerkdiensten voor kinderen. Na een zondags bijscholingsgesprek werd hij op een maandagochtend wakker, een uurtje voor de school begon, en ineens overspoeld door het gevoel: "… God is echt, Hij houdt van me! God is liefde...". Dit werd het begin van zijn geestelijke zoektocht. Falcke waarschuwt voor een statisch Godsbeeld: “… Geloof is continu in ontwikkeling, net als alles om ons heen. De wereld ontwikkelt zich, mensen ontwikkelen zich, en ook jouw beeld van God moet zich ontwikkelen…”. Even verder: “… Net zoals jouw leven verandert, verandert ook jouw voorstelling van God en jouw leven met God een beetje. Je ziet steeds andere kanten van God…”. Hij pleit er dan ook voor gelovigen die ruimte te gunnen: “… bedenk wel: je hebt nooit een volledige beschrijving en begrip van God…”.

 

Primitief ongeloof

De Vlaamse katholiek prof. dr. Rik Torfs (1956) specialiseerde zich in kerkelijk recht. Zijn gevatte manier van uitdrukken doet een beetje denken aan Chesterton. Hij heeft het over zijn ‘prachtige vak’ als een ‘grenswetenschap’: “… tussen de inspiratie van het geloof en de techniek van het recht. Tussen de bevlogen ideeën van de mens en de tekortkomingen in de praktijk…”. Het adagium van Anselmus van Canterburry betekent veel voor hem: fides quaerens intellectum / het geloof streeft naar redelijk inzicht. “… Geloof kun je veinzen, kennis niet. Vandaar wellicht mijn lichte voorkeur voor geloof. Al vind ik kennis verschrikkelijk belangrijk, wees gerust…”. En even verder: “… Nooit zag ik ze als concurrenten. Dat laatste is naar mijn aanvoelen enkel mogelijk als zowel de wetenschap als God intrinsiek worden onderschat…”. Je kijkt met “… andere ogen naar dezelfde werkelijkheid…”. Als je de verrijzenis, die hij evenals Paulus de belangrijkste geloofsact noemt, wetenschappelijk onmogelijk acht, heb je misschien een juist beeld van de wetenschap, maar níet van de opstanding: “… geloof in de opstanding kan nooit anti-wetenschappelijk zijn. Omdat het van een andere, onbekende dimensie is…”. Ieder definitief antwoord over wie God is doet Hem tekort. Omdat we altijd te maken hebben met een “… storend reductionisme…” waardoor we Hem “…verengen tot wat we zelf kunnen vatten…” (hij heeft het over een Hij hoewel hij ook wel weet dat God geen Hij of Zij is, maar bij Hij denk je niet gelijk aan een man - bij Zij denk je daarentegen wel direct aan een vrouw). Hij kan het verdwijnen van het geloof en daarmee het ‘brede denken’ vreselijk missen: “… De langzame verdwijning van filosofie en levensbeschouwing uit universitaire curricula zie ik niet als een overwinning van het wetenschappelijke denken, maar juist als een nederlaag. Vragen niet langer stellen is immers nooit een succes. De wereld wordt er kleiner door, een deel van de werkelijkheid verdwijnt uit beeld…” (zie mijn intro). Volgens Torfs zegt “… de recente hunkering naar ongeloof…” op zichzelf niets over het bestaan van God. Aangaande de secularisering in de samenleving, wat voornamelijk een westers fenomeen is: “… Vloeit zij voort uit een verminderd godsgeloof, of is dat laatste eerder een gevolg van een gebrek aan dynamiek en levenskracht in het algemeen?...”.  En even verder: “… dat vele academici vandaag een primitief ongeloof belijden, zie ik niet als een ontgoochelend gegeven, maar juist als een aansporing om zelf nooit de tijdgeest als leidraad te nemen, want om te denken zoals de meerderheid hoef je helemaal niet te denken…”. Aan het eind van zijn betoog laconiek: “… Zo denk ik erover. Maar wat als alles wat hierboven staat geschreven pure onzin is en ik mij al een heel leven lang onophoudelijk vergis? Dan weet ik zeker dat God het niet erg vindt…”.

 

Wars van alle zweverigheid

Ik citeer de eerste alinea van het artikel van prof. dr. Gert Jan C. Veenstra (1969), hoogleraar moleculaire ontwikkelingsbiologie, omdat ik er echt tranen van in mijn ogen krijg: “… ‘Hoe zou jij mijn geloof omschrijven?’ vraag ik haar. ‘Wars van alle zweverigheid’, is het eerste wat ze zegt, zonder een moment te aarzelen. Niet direct wat ik verwachte en mijn gedachten gaan verschillende kanten op. Geloof en zweverigheid gaan vaak samen. Soms lijkt het wel: hoe zweveriger hoe geloviger. Ik vraag: ‘Bedoel je… minder gelovig?’ Ze volgt mijn gedachtesprong moeiteloos. ‘Nou nee, meer dat rationaliteit meer op de voorsprong treedt dan gevoel bij jou.’ Ik laat een korte stilte vallen. ‘Net als tussen ons?’ Ze glimlacht. ‘Er zijn verschillende talen van de liefde…’. Dit is haar ten voeten uit: een eerlijke spiegel combinerend met liefdevolle acceptatie. God, wat houd ik van haar, de liefde van mijn leven met wie ik al dertig jaar samen ben.’ …”. Dr. Marie-Eve Aubin-Tam (1979), universitair hoofddocent bij de afdeling Bionanoscience aan de Technische Universiteit Delft vertelt eenvoudig hoe ze als klein en angstig meisje van zeven naar school liep en Gods stem hoorde die zei: “… Ik luister…”. Dat veranderde haar hele leven. Historicus dr. David Onnekink (1971): “… Wetenschappelijk gezien is God niet aan te wijzen in de geschiedenis en toch hoor ik als christen het ruisen van zijn onzichtbare gewaad in gebeurtenissen…”. Zijn wetenschappelijke visie heeft hij ontleend aan de Amerikaanse historici Dale van Kley en Susan Rosa, die stellen dat religie de lens is (of kan zijn) waardoor mensen hun eigen wereld interpreteren. Het mooie is dat je daardoor ieders overtuiging serieus kunt nemen zonder dat je ze hoeft te onderschrijven.

 

Een geheim dat we kunnen verliezen

Fysicus prof. dr. ir. Aart Nederveen (1974) zegt prachtige dingen over het geloof. Volgens hem is wetenschap ‘een denkwijze’. We leven in een technische wereld waaraan niemand zich kan onttrekken. Met andere woorden: we dénken technisch. Ook over God. Hij waarschuwt voor het ‘raamwerk’ waar christenen God inpassen. De manier waarop we God op een natuurlijke (orthodoxen) dan wel onnatuurlijke (evangelischen) manier in de voorspelbare en berekende wereld dwingen.. “… We moeten afleren over God te spreken als de buurman of als iemand ver weg. In beide gevallen maken we zelf onze eigen voorstelling van God. Van zo’n beetje alles in de wereld hebben wij een plaatje in ons hoofd hoe het ongeveer werkt…”. Maar God komt op een andere manier bij ons binnen. We missen immers het totaaloverzicht: “… We weten niet eens wie we zelf zijn, laat staan wie God is…”. We zijn ‘out of control’. Wij hebben niet de regie. In de Bijbel openbaart God zich vaak op een indirecte en verborgen manier. Zie Mozes. Zie de Emmaüsgangers. We kunnen Gods openbaring niet vastpakken in onze maakbare wereld: “… Geloven lijkt wel meer zwijgen dan spreken…”. Geloven is “… wakker worden in een andere wereld…”. Wakker worden is bij uitstek een gebeurtenis die je niet in de hand hebt. Maar als je wakker bent weet je dat je niet meer slaapt. Tot mijn verrassing concludeert Nederveen gaandeweg dat hij het via een omweg heeft over wat zijn voorgeslacht simpelweg ‘bekering’ noemde. Daar kwam ik in mijn blog over Tim Keller ook uit. “… En wonderen en gebedsgenezing dan? Gods wereld is lastig toegankelijk voor wetenschappelijke analyses en observaties. Als er een wetenschapper naast het graf  van Jezus had gezeten, had hij of zij misschien niets vreemds opgemerkt. Wie niet gelooft, kan geen wonder zien…”. In Gods wereld is het onvoorspelbaarheid troef. Misschien is natuurkunde niet het hele verhaal. Een louter wetenschappelijke blik zit bijna niemand helemaal lekker. De betovering van de wetenschap heeft iets fascinerends en bedreigends tegelijk en het onderscheid tussen die twee kunnen we vaak niet maken. “… De wereld om ons heen heeft een geheim dat ons draagt. Een geheim dat we kunnen verliezen…”. Zie mijn intro.

 

Leven op de rand van een scheermes

Computerwetenschapper prof. dr. ir. Sabine Van Huffel (1958) vertelt hoe een zware rugoperatie op 16-jarige leeftijd haar kijk op het leven voorgoed heeft beïnvloed. Ze lag in het ziekenhuis op een kamer met drie leeftijdsgenootjes die leden aan botkanker. Twee van hen stierven binnen een half jaar. En toch. Met heimwee kijkt ze terug op de pure liefde en vriendschap die ze juist in die periode heeft ervaren. Taizé werd ook voor haar een openbaring. Dat bracht haar op het spoor van de Ignatiaanse spiritualiteit, waardoor ze regelmatig een stilteretraite doorbrengt in een klooster. Van Huffel heeft het over God als bron, diep in ons. Over de ontdekking dat het diepste verlangen in jezelf overeenkomt met God, dat er geen tegenstrijdigheid is. Dat het geluk ín je zit en je het dus altijd met je mee draagt. Voor wie meer wil weten over deze vorm van mystiek verwijs ik graag naar een boekje dat daar onlangs over verscheen: “Vertrouw op je gevoel. Keuzes leren maken met Ignatius van Loyola” van Nikolaas Sintobin, uitgegeven bij Kok boekencentrum. Filosoof en wiskundige dr. ir. Emanuel Rutten (1973) maakte een ontwikkeling door van ‘gedachteloos atheïst’ naar ‘Godgelovige’. Hij werd bekend vanwege zijn ‘Godsargumenten’. In tegenstelling tot de onhaalbare drang naar perfectie van de Griekse filosofen raakte hij onder de indruk van de breekbaarheid en kwetsbaarheid van de mens in het evangelie van Jezus, waar hij mee in aanraking kwam door het werk van Augustinus. Rutten: “… Wij leven op de rand van een scheermes…”. Verander één nano constante in de kosmos en het leven is onmogelijk. Zit daar een bewuste geest achter? Je kunt natuurlijk met een groep jarenlang naast een snelweg gaan staan waar je alleen rode auto’s langs ziet komen, en dan blijven roepen dat het ‘puur toeval’ is. Maar is dat redelijk? Rutten: “… De maatschappij loopt echter altijd achter op de ontwikkelingen binnen de academie. Wijsgerig gezien staat het theïsme steeds sterker, en ik verwacht dat op termijn de gehele samenleving dit zal oppikken…”.

 

Ik hoef het niet te geloven, ik weet het

Voor de Russisch-Joodse fysicus prof. dr. Mikhail Katsnelson (1957) was het geloof vanwege het communisme een ver-van-zijn-bed-show. Kunstenaars als Rembrandt, Dante en Bach maakte hem in zijn jeugd wel nieuwsgierig, maar de meeste boeken die er over het christendom in omloop waren, benaderden religie negatief en maakten godsdienst belachelijk. Pas op de universiteit leerde hij er meer over aan de hand van de rockopera “Jesus Christ Superstar” en Boelgakovs roman “De meester en Margaritha”, waarin het evangelie overigens wordt geduid door de duivel. “… Het sprak voor zich dat je op de universiteit werd gehersenspoeld met de marxistisch-leninistische ideologie, welke studie je ook deed…”. Een vriend spoorde hem aan de “Ethica” van Spinoza en “Science of Logic” van Hegel te lezen: “…ik stond versteld van de hele nieuwe wereld die voor me open ging…”. Spinoza werd beschouwd als een bijna-atheïst en Hegel als een voorloper van Marx. Hun boeken waren toegestaan, in tegenstelling tot het werk van bijvoorbeeld Hume, Machiavelli, Freud of Nietzsche. Hij kreeg ook een oude Bijbel van zijn vriend. Ooit het eigendom van diens oma. Hij las het ademloos. Onder Gorbatsjov kwam er meer openheid en kon Katsnelson ook boeken van Lewis en Chesterton lezen. Begin augustus 1991 overkwam hem een mystieke ervaring die hij onbeschrijflijk noemt: “… Ik kan alleen maar zeggen dat ik na die gebeurtenis Carl Gustav Jung kon citeren, die op de vraag ‘Gelooft u in God?’ antwoordde: ‘Ik hoef het niet te geloven, ik weet het.’…”. En even verder: “… Ik kon niet langer binnen blijven, maar sprong op en rende een paar uur over straat. Toen ik terugkwam, wist ik dat alles was veranderd. Onverwachts had ik God ontmoet, of misschien beter: Hij had mij ontmoet…”. Katsnelson: “… Het kan beangstigend zijn om deze mystieke wereld naast het gewone leven te ontdekken…”. Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God, aldus Hebreeën. “… Je moet zo’n vreemde en krachtige ervaring op een bepaalde manier een plek geven, anders word je er door verteerd. En de beste manier om dat te doen, is door je gewoon in een bepaalde traditie te voegen. Daarmee kies je als het ware een specifieke taal…” (zie ook: “Een dubbelsnoer van licht” van Willem J. Ouweneel).

 

Godsbeelden

Godsdienstpsycholoog prof. dr. Hanneke Schaap-Jonker (1977) focust vooral op Godsbeelden: “… Godsbeelden vormen een kernaspect van religie. Als je weet wie de God is in wie iemand gelooft of niet (meer) gelooft, op wie iemand vertrouwt of met wie iemand worstelt, biedt dat een goed inzicht in zijn of haar geloofsbeleving of levensovertuiging en een kader om het religieuze gedrag (of het afwezig zijn daarvan) te begrijpen…”. Je Godsbeeld ontwikkelt zich voortdurend en verandert in elke levensfase. Van een botsing tussen geloof en wetenschap is bij Schaap geen sprake omdat het volgens haar om twee manieren van ‘kennen’ gaat: ‘hart en hoofd’. Religie steunt en schaadt, vertelt ze. Over het algemeen gaat psychopathologie samen met een negatieve geloofsbeleving en mentale gezondheid met een positieve. Nare ervaringen kunnen geheeld worden door nieuwe positieve ervaringen: daarom is het belangrijk een Christus te zijn voor anderen (zie ook  mijn blog over “De frustratieneurose” van dr. Anna Terruwe). Wiskundige prof. dr. ir. Dick den Hertog (1967) vertelt hoe zijn geloof de kerk overleefde. Wat het gemis van een religieuze dimensie betekent drong sterk tot mij door toen hij “Excellence Without a Soul” van de voormalige decaan van Harvard College, Harry Lewis, las. Harvards missie is veranderd van toponderwijs naar klanttevredenheid, stelt de laatste. Harvard is ‘zielloos’ geworden: de studenten worden niet meer gestimuleerd betekenis te zoeken in hun opleiding. Professor Nederveen, zie hierboven, zou vast zeggen dat Harvard ‘haar geheim heeft verloren’. Natuurkundige prof. dr. ir. Tjerk Oosterkamp (1972): “… Het besef dat ik Gods bestaan net zo min kan bewijzen als het bestaan van een elektron, heeft me juist genoeg geholpen om me aan God over te geven…”.

 

Spitten

Prof. dr. ir. Eveline van Leeuwen (1978) is hoogleraar stedelijke economie en zet zich in voor de leefbare, duurzame stad. Ze ziet een kentering ontstaan van een blind geloof in de markteconomie naar een systeem waarin brede welvaart een belangrijke rol speelt, zodat er ook meer aandacht komt voor de Bijbelse ‘weduwen en wezen’.  Ze heeft het over de ongelijke verdeling van de welvaart en de desastreuze gevolgen van overconsumptie. Je wordt niet gelukkig van meer en meer producten, je wordt gelukkig van ervaringen, weet ze. Scheikundige prof. dr. ir. Krijn de Jong (1954) stelt dat als je geloof je wetenschap wordt, dat vragen is om problemen. Andersom geldt hetzelfde: als wetenschap je geloof wordt. Aan de hand van het Hebreeuwse woord ‘chaqar’ in Spreuken, dat duidt op ‘zoeken in de aarde door te graven’, heeft hij het over ‘spitten’ in de Bijbel, en roept hij op niet uit te gaan van een vaststaand systeem van dogma’s, maar zelf op onderzoek te gaan naar God. Misschien verlies je tijdelijk je geloof. Waarschijnlijker is dat je ongeloof plaats maakt voor een dieper geloof. Biomoleculair wetenschapper prof. dr. Marnix Medema (1986) heeft geen verklaring voor het kwaad: “… Wellicht is zo’n verklaring er wel niet. Immers, als het kwaad echt een goede reden zou hebben en het tot volledige tevredenheid verklaarbaar zou zijn, zou het dan nog wel werkelijk kwaad zijn? Dan zou het toch juist logisch en dus goed zijn?...”. Prof. dr. mr. Jacobine van den Brink (1978) is jurist. In haar verhaal viel me op dat christelijke waarden vooral overeenkomen met ‘vrouwelijke’ waarden. Waar mannen het universitaire leven over het algemeen beleven als ‘topsport’ c.q. een ‘ratrace’, waarbij het gaat om het waarmaken van ambities en competitie belangrijk is, gaan vrouwen voor samenwerking en verbinding.

 

Verlichting

Nano-wetenschapper prof. dr. Peter Ngene (1978) uit Nigeria schreef een indringend essay over spiritualiteit. God is beter te ervaren dan te omschrijven. God geeft ons kracht, iets wat kennis je niet kan geven: “… Ik kan me niet voorstellen dat je een bevredigend leven kunt hebben zonder een relatie met God…”. Hij vertelt dat zijn ouders bij zijn geboorte de traditionele Afrikaanse religie, Omenala, aanhingen. Via familie en vrienden kwam hij in aanraking met het christendom. “… Zelfs in de Afrikaanse traditionele religie is iedere zonde strafbaar. Door het bloed van offerdieren kunnen mensen boetedoen voor hun zonden, al is het geen garantie dat de zonde vergeven wordt na het offer. Maar in Christus is die zekerheid wel…”. Het was een schokkende ervaring voor hem dat in het Westen religie geen rol speelde en atheïsme, humanisme en secularisme de norm waren. Was het geloof in een onzichtbare God achterlijk? Ngene vertelt hoe hij bovennatuurlijke dingen heeft meegemaakt binnen de Afrikaanse religie die het menselijk begrip totaal te buiten gaan: “… Ik had gezien dat mensen die met opzet de wetten van deze religie overtraden op een vreemde of mysterieuze manier om het leven kwamen. Ook herinnerde ik me nog goed dat mensen die iets van iemand in de gemeenschap hadden gestolen en dat ontkenden, helemaal doordraaiden of zelfs stierven nadat ze een eed aflegden in de getuigenbank. Ik heb ook de magie van voodookrachten gezien bij tovenaars…”. In het christendom worden deze krachten toegeschreven aan de duivel. Welnu, als de duivel bestaat, waarom zou dan het tegenovergestelde niet ook bestaan?! Hij wijst er op dat geloven in God niet genoeg is om diepgaande spirituele zaken te doorgronden. Zie de discipelen die wel in Jezus geloofden, maar Hem vaak niet begrepen. Dat gebeurde pas toen ze de Heilige Geest ontvingen. Voor wie niet verlicht wordt door de Heilige Geest is het geloof dwaasheid, zegt Paulus in 1Korinte 2, met name vers 14 en 15.  Ngene vertelt over de ontmoeting met academici die geloof niet kunnen rijmen met wetenschap, en academici voor wie het geloof juist de drijvende kracht is achter hun wetenschappelijke werk. De meeste niet-gelovigen hebben problemen met de zesdaagse schepping die pas zesduizend jaar zou bestaan. Voor geen enkele gelovige wetenschapper in dit boek is dat echter een issue. Ngene: “… dan haal je de bijbel volledig uit zijn context. Nergens in de bijbel staat de leeftijd van de aarde vermeld. Ook de bijbel is er duidelijk over dat God verschillende referentiekaders heeft als het gaat om de tijd, omdat God niet zoals wij aan ruimte en tijd verbonden is…”. De oerknal is zeker wel te verbinden met de schepping. In Hebreeën 13 staat dat het zichtbare is ontstaan uit het onzichtbare. Eerst was er geest, de schepping is ontstaan uit niets. Waar komen de natuurwetten vandaan? Wie of wat zit er achter de oerknal? De wetenschap heeft geen antwoord op de belangrijkste levensvragen omtrent de liefde, het doel van ons bestaan, moraliteit en menselijk gedrag. Er is méér dan wetenschap.

 

Viral meme

Architect dr. ir. Hans Teerds (1976) heeft het over ‘afleren en aanleren’ in het kader van zijn ‘herontdekking’ van het geloof. Een en ander verduidelijkt hij aan de hand van de film “Festen” die diepe indruk op hem maakte. Hij ziet het als een goddelijke opdracht om onze steden bewoonbaar te maken voor iedereen: óók de kwetsbaren en hulpbehoevenden. Het kan niet alleen gaan om artistieke radicaliteit. Zie Genesis waarin God de mens oproept de aarde te ‘bewerken en bewaren’. Na de verdrijving uit het paradijs is de mens ‘thuisloos’ geworden, een gevoel dat verhevigd wordt door industrialisatie, modernisering, secularisatie en globalisering. Over architectuur gaan meestal degenen die het in de maatschappij voor het zeggen hebben. Teerds probeert oog te hebben voor welbevinden. Schoonheid moet samengaan met bruikbaarheid. Antropoloog prof. dr. Miranda Klaver (1962) heeft vooral onderzoek gedaan naar de nog jonge charismatische-pentecostale-evangelische tak van het christendom. Vanwege de sterke nadruk in deze kringen op het fenomeen ‘overgave’, waarschuwt ze voor de manier waarop evangelische leiders mensen kunnen manipuleren en onder druk zetten, waardoor gelovigen in de naam van God worden beschadigd en misleid. Dat is de andere kant van de gelovige praktijk. Het gaat haar niet om het ‘verklaren’ van de werkelijkheid, maar om het ‘begrijpen’ van de wijze waarop mensen betekenis geven aan de werkelijkheid. Hekkensluiter is redacteur prof. dr. Cees Dekker (1959) zelf: “… Ik zie het als mijn missie om publiekelijk te verhelderen dat het ‘grote conflict tussen geloof en wetenschap’ een mythe is. Dit onterechte idee heeft zich als een ‘viral meme’ in ons denken genesteld…”.

 

Uitgave: Ark Media – 2021, 384 blz., ISBN 978 903 380 251 5, € 24,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 3 juli 2021

Karakter – F. Bordewijk

 


Subtitel: Roman van zoon en vader

 

Gerwin van der Werf noemt “Kruis of munt” van Jo Boer - zie mijn vorige blog - in Trouw (21.11.20) de pendant van Bordewijks “Karakter” (1938). Vandaar dat ik het er direct daarna heb gelezen. En, inderdaad, de gruwelijke krachtmeting tussen een vader en een zoon draait ook om ‘kruis of munt’: “… Geen middenweg, alles of niets…”. “Karakter” is een indrukwekkend verhaal, maar veel meer tijdgebonden dan “Kruis of munt”. “Zuidas”, maar dan een eeuw geleden.

 

Bomvrouw

Jacob Katadreuffe wordt geboren uit een overmeestering van de achttienjarige dienstbode Joba Katafreuffe door haar vrijgezelle werkgever van achter in de dertig, de gevreesde Rotterdamse deurwaarder Arend Dreverhaven: “… toen reeds bekend als het zwaard zonder genade voor iedere schuldenaar die hem in handen viel…”. Een “… kerel van graniet, met een hart slechts in letterlijke zin…”. Hij was nogal gestrest na een slechte deal. Hij moest zich even afreageren. “… Wat haar gebeurde was op de grens van een overweldiging, het was het niet geheel, en zij beschouwde het ook niet zo…”. Okay. Wie van de twee er een hardere kop heeft weet ik ook niet. Na het voorval spreken ze geen woord meer tegen elkaar. Als ze ‘in positie’ blijkt, loopt Joba gewoon weg. Dreverhaven stuurt haar zes keer een briefje met geld en de vraag ‘Wanneer trouwen we?’, maar hij vangt zes keer bot. Joba is volgens Maarten ’t Hart de eerste ‘Bewust Ongehuwde Moeder’ in de Nederlandse literatuur. Ze is niet mals over haar sekse: “… Wij wijven zijn net goed om kinderen in de wereld te schoppen, anders niks…”. De geboorte verwoest haar schoonheid: “… Ze had alleen de felle, ernstige, de rasblik gered uit de ruïne van haar jeugd…”. Alsof ze een volbloedpaardje is, “… kwalijk te catalogiseren onder de normale volkstypen…”. Zo werd er destijds blijkbaar tegen mensen aangekeken. Je had ‘karakter’ of niet.

 

Eigen baas

Jacob groeit tijdens WO I op in de meest armetierige achterbuurten van Rotterdam, tussen het geteisem dat hem zijn melktanden uit zijn mond slaat en waarvoor moeder en zoon moeten vluchten als hij min of meer per ongeluk een vent vloert door hem, als ik het goed heb gelezen, tussen zijn benen te schoppen. Joba voedt haar zoon met harde hand op. Ze blijkt een onvermoed kunstzinnig talent te hebben. Ze begint prachtig gekleurde handwerkstukken te maken die een winkel graag wil verkopen. Ze verdient er genoeg mee om van rond te komen. Bovendien verhuurt ze een kamer aan een jonge vent die ze heel haar leven als pleegzoon zal beschouwen. Jan Maan, een communistische machine-bankwerker, die in zijn ouderlijk huis altijd bonje heeft. Katadreuffe’s enige echte vriend. Na de lagere school gaat Jacob aan het werk, meest als loopjongen. Zijn puberteit wordt doorgebracht met twaalf ambachten en dertien ongelukken. Het enige wat hem interesseert zijn boeken. Hij leest alles wat los en vast zit. Uiteindelijk ziet  hij in dat hij op zo’n manier nooit een stap verder komt. Hij wil ‘eigen baas’ worden en tuint in een advertentie waarin een ranzig sigarenzaakje in Den Haag te koop wordt aangeboden. Joba is allang blij dat hij eindelijk moeder’s pappot verlaat. Nog geen half jaar later staat hij weer voor de deur: failliet en wel. Zijn moeder peinst er niet over hem te helpen.

 

De bloedhond van Rotterdam

En zo komt zijn vader, voor hij bij de curator moet verschijnen en zonder dat hij het weet, zijn bezittingen inspecteren: een rijtje tweedehands boeken. Ze zijn niets waard; maar voor hem betekenen ze alles. Als hij  zich meldt op een advocatenkantoor flitst ineens zijn bestemming door hem heen. Hier wil hij terecht komen. Hoe dan ook. Hij weet het ineens absoluut zeker. Terwijl hij in de wachtkamer zit ziet hij een boom van een kerel met een ‘machtige flambard’ diep op zijn hoofd en in een slobberende zwarte broek. Ondanks het warme weer heeft hij een colbert en een overjas aan die beiden openhangen alsof hij ze “… niet dicht had kunnen knopen over een borst als een hoogvlakte…”. In alle binnenzakken papieren en enveloppen: “… Zij staken dreigend naar voren als vaandels van een leger op het oorlogspad. In een hoek van zijn mond hield hij een sigaar, onwaarschijnlijk lang door een lange sigarenpijp, schuins ietwat omhoog. Het was of een slagschip één kanon dreigend hield gericht…”. Een kletsmadam die ook zit te wachten deelt hem mee dat dát nou Dreverhaven is, de bloedhond van Rotterdam. Katadreuffe valt bijna flauw: dus die monsterlijke tientonner is zijn pa.

 

Genderdenken

De curator vraagt belangstellend naar het hoe en waarom van zijn boeken. Van het een komt het ander, en voor Katadreuffe het weet is hij op het advocatenkantoor aangenomen als klerk. Sterker, hij kan zelfs een zolderkamer huren bij de conciërge van het gebouw die op de bovenste verdieping woont. Schrijver/advocaat Ferdinand Bordewijk (1884 – 1965) beschrijft in feite het kantoor aan de Boompjes in Rotterdam, waar hij in zijn jonge jaren zélf heeft gewerkt. Katadreuffe barst van de eerzucht. Is vast van plan op te klimmen. Het plebs ver achter zich te laten: “… Katadreuffe begreep toen dat men terecht sprak van de grauwe massa, dat het individuele eerst waarlijk begon bij de bevoorrechte standen…”. Hij leert zichzelf binnen no time typen en een eigen soort steno aan. Zijn collega’s zijn nogal stereotypen. Twee stuurse, boerse broers aarden totaal niet op kantoor, want uit de klei getrokken gasten uit de polder, die de moderne stadsmensen niet bij kunnen houden. Een meisje met een hese sexy telefoonstem, die er met haar jongenskopje en wijde neusgaten uitziet als een vent, behaagt het mannelijk oog ook niet echt: het moderne genderdenken is nog ver weg. De telefoon lijkt zo bij zo nog een nieuw apparaat. Als hij voor het eerst de bevelen van een vrouwelijke advocaat moet uitvoeren, voelt Katadreuffe zich vernederd, maar ze blijkt gelukkig een bejaarde, lelijke heks: “… Dit wezentje had geen sekse, een meisje was het zeker niet, eer een soort kobold…”.

 

Over mijn lijk

Al zijn vrije tijd besteedt Katafreuffe aan het leren voor het staatsexamen waarmee hij hoopt te zijner tijd rechten te kunnen gaan studeren. Zijn ambitie is grenzeloos. Net als Katadreuffe een beetje op gang komt, doet zijn vader hem een tweede failliet aan. Zijn eerste schuld blijkt geenszins verlopen. Zo gauw er weer een beetje geld in het laatje komt, is papa Dreverhaven er als de kippen bij. Dreverhaven kent geen enkel medelijden. Zet zonder pardon overspannen huisvrouwtjes met een rits kleine kinderen op straat: “… Zijn praktijk had altijd een schurftig kantje…”. Voor zijn zoon maakt hij geen enkele uitzondering: het recht moet zijn loop hebben. Als Katadreuffe ziedend van woede verhaal gaat halen, schuift papa Dreverhaven hem over zijn bureau een mes toe: over mijn lijk. Zover laat Katadreuffe het niet komen. Hij gaat er alleen nog maar harder tegen aan: “… zijn sterke wil liet hem nooit veel tijd tot wroeten en zelfbeklag…”. Van alle kanten wordt de kranige jongeman geholpen, maar hij wil van onredelijke liefdediensten niet weten: wat een deugmens! Zijn tegenslag is misschien wreed, maar het staalt zijn karakter, oordeelt zijn moeder in stilte: “… Het gebeurde bracht goeds mee dat hij niet inzag, het maakte hem meer menselijk, haast scheen het dat zijn ogen anders lichtten dan vroeger…”. Ten langen leste gaat Katadreuffe terug naar zijn vader, vertoont zich in het hol van de leeuw, en vraagt of hij het een en ander kan voorschieten: “… ‘Zo, meneer schijnt op andere gedachten gekomen? Wil hij nu lenen van de woekeraar?’ ‘Ja,’ zei Katadreuffe. Hij dacht even na en vervolgde: ‘Ja, ik wil u trotseren. Als u mij daartoe in de gelegenheid stelt dan wil ik het tegen u opnemen.’ Dreverhaven sloot zijn ogen. Dat was ras, die jongen toonde karakter…”. Hij neemt de handschoen op: “… Bedenk wel dat als ik je vandaag leen ik je morgen je nek kan breken…”. Maar zoonlief is niet bang.

 

Die Russen zijn net grote kinderen

Met de lening betaalt hij zijn lessen. Ondertussen komt het Nederlandse communisme voorbij in de kostganger die moeder en zoon meetroont naar een ‘rode’ bioscoop waar Russische films worden vertoond: ‘Der weg ins Leben’ van Ekk, ‘Drie liederen van Lenin’ van Wertof, ‘Bed en Sofa’ van Room, ‘Matrozen van Kronstadt’ van Dzigan, ‘Potemkin’ en ‘De generale lijn’ van Eisenstein. “… Zij werden opgenomen, zij gingen onder, zij werden verpulverd door een ritme dat in de films klopte als een bloedsomloop. Zij circuleerden zelf mee door het bloed in deze films…”. Toch zegt de immer nuchtere mama: “… ‘Die Russen zijn net grote kinderen.’ Daarmede had ze Jan Maan diep beledigd. Kinderen, kinderen? Niet precies. En hij haalde expres de bloedigste gebeurtenissen uit de communistische beweging op. Dacht ze wel aan de terechtstelling van de hele Tsarenfamilie bij de Oeral, aan de Hongaarse radenrepubliek onder Bela Kun en Szamuely, wist ze wel iets af van de Russische gevangenissen, hij zou haar anders wel eens iets laten lezen thuis, over die van Moskou bijvoorbeeld, Lubjanka 2 en Lubjanka 13, als je daarvan hoorde kreeg je rillingen, geen lectuur voor tegen het naar bed gaan, wacht effen. Ze antwoordde kort: ‘Kinderen moet je niet met gevaarlijke dingen laten spelen.’…”. Het taalgebruik van Bordewijk is hier en daar meer dan schitterend. Een vent tegen zijn vrouw die voor hem moet gaan pleiten op het advocatenkantoor: “… ‘Denk erom.’ Zei Rentenstein, toen zij de tocht zou aanvangen, ‘als je niet maakt dat ik tenminste uit de klauwen van de justitie blijf, dan begin ik van boven, en breek een voor een al de ribben van je magere tabernakel.’…”. Of een fragment als dit: “… Het was het begin van de zomer, het was buiten nog licht. Hij liep over de Boompjes, eenzaam om dit uur. Af en toe klonk het getoeter van een stoomboot in de verte. De majestueuze geluiden weerkaatsten over de ontzaglijke waterbassins, de schoonste, machtigste, massaalste geluiden die de mens heeft geschapen, de vorstelijke stemmen der zeeboten…”.

 

Dat kleine beetje asem zal hem groot maken

Zijn vader probeert hem er nog een keer in te luizen, maar ook die aanval weet Katadreuffe te pareren. Op een dag komt pa zijn ouder wordende moeder nog eenmaal ten huwelijk vragen, maar zij wil enkel weten waarom hij zijn zoon ‘dat allemaal toch aan doet’. Zijn antwoord: “… ‘Bij God,’ zei hij en zijn toon was op een irreële wijze plechtig, ‘ik zal hem wurgen, ik wurg hem voor negen tienden, en dat ene tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken, hij zal groot worden, hij zal, bij God, groot worden!’ Ze keek hem glimlachend aan, ze was niet bevreesd, hij had haar immers nooit bang kunnen maken. Maar thans was het haar beurt om te antwoorden en ze zei; ‘Nee meneer Dreverhaven, ik zal nooit met u trouwen, ik trouw met niemand. En u mag gerust weten, ik heb geen enkele man ooit mogen lijden dan u. Zo was het en zo blijft het.’ Hij had zich niet bewogen en hij zei, doende alsof hij haar woorden niet had verstaan, alsof hij eenvoudigweg de draad weer opvatte: ‘En Joba, dat ene tiende, dat kleine beetje asem knijp ik hem misschien ook nog uit.’ Hij stond op, en dreigend naar haar met zijn vinger zei hij: ‘Die jongen van ons is er nog niet, let op mijn woorden, hij is er nog niet.’ Zonder groet heengaande liet hij haar achter, staande in het midden van de kamer…”. Dreverhaven op de terugweg naar zijn kantoor: “… Hij liep niet snel, hij liep zwaar, hij had het tempo van een oud maar krachtig man, hij kon de hele nacht doorlopen. Zijn gang was als van een man die weerstand ontmoet, hij groef zich door het avonddonker, hij zwom met langzame slag in tegen de stroom van de herfst…”.

 

Naturalisme

Katadreuffe leert zich te pletter. Leeft voor zijn werk. Lost zijn schulden af. Evenals in “Kruis of munt” komt ook in dit verhaal het naturalisme naar voren. Over het late kroost van een ouder stel: “… Hun kinderen, een jongen en een meisje, waren thans groot, maar zij hadden iets teers behouden, kinderen door een vader verwekt na het climacterium, een lichte degeneratie in hun gestel. Molyneux heette de zoon naar de oude Countryside, het meisje heette Leda (stervende zwaan?). Molyneux had geen goed leerhoofd, hij zou nooit de opvolger van zijn vader kunnen worden, maar hij bezat een eigenaardig tekentalent, weliswaar niet oorspronkelijk, herinnerend aan Beardsley, maar zeldzaam, hij was in de kunst een kosmopoliet zoals de mens van vóór de oorlog het kosmopolitisme dacht, hij was een volstrekte epigoon, en een merkwaardige late. Hij was in zijn pentekeningen nooit obsceen, maar soms zo pervers dat zijn gezonde sportieve moeder enkele wegsloot en erom huilde. Hij was decadent, hij zou wel nooit oud worden. Zijn trekken waren regelmatig, maar zijn ogen stonden te onrustig en hol. Het meisje was niet ziekelijk, een knap en dom gezichtje, maar haar blik was flets, haar ogen werden eerst des avonds mooi…”. Vlak voor zijn doctoraat probeert Dreverhaven nog één keer zijn zoon te torpederen, maar dat loopt met een sisser af. Eindelijk wordt Katadreuffe beëdigd als meester in de rechten: “… Katadreuffe was niet meer het intellect dat alleen gulzig absorbeerde, het begon ook af te kaatsen, ja, het begon van binnen uit licht te geven…”.

 

Wat baat het de mens…

Na deze prestatie komt de dip. Katadreuffe beseft dat hij nog lang geen ‘heer’ is. Zijn tot dan toe eenzijdige leven maakt dat hij in zijn netwerk nergens over mee kan praten. De liefde van zijn leven heeft hij vanwege zijn carrièredrift laten schieten. Hij heeft nooit leren buigen voor zijn rigide moeder, die inmiddels zo ziek is door de tering dat ze het niet lang meer zal maken. Nooit heeft hij zijn vriend de kostganger zijn benepen hang naar het communisme uit het hoofd weten te praten. Als hij verhaal gaat halen bij zijn vader en hem voor zijn voeten werpt dat hij hem in alles heeft tegengewerkt, rijst deze op van achter zijn bureau: “… Zijn vuisten met het grijze haar steunden op het blad, het volle gewicht van zijn zware bovenlijf drukte op zijn vuisten, ze kregen een lomp vlechtwerk van aderen. Hij leek een als mens verkleed monster, een vergrijsde gorilla. Zijn mond opende zich als om een gebrul uit te stoten… en evenwel… en evenwel: ‘Of méégewerkt,’ zei hij langzaam, en duidelijk, en schor, maar zacht. En het klonk zo geheimzinnig, deze mens werd op slag een raadsel…”. Tot mijn stomme verbazing beseft Katadreuffe aan het eind van het boek dat hij één ding mist: God (in “Zuidas” is trouwens ook sprake van een kerk waar yuppen, als het hen teveel wordt, blijkbaar even soelaas zoeken) . “… Nee, het was niet juist wat De Gankelaar had beweerd, godsdienst was geen ouderdomskwaal, hij had opeens een behoefte, niet om op de godsdienst te steunen, want dat was minderwaardig voor een man, maar toch om God in te lijven in zijn leven als een gedachte waarbij hij kon verwijlen…”. Uitgerekend aan zijn communistische vriend vraagt Katadreuffe of hij misschien een kerk weet: “… Jan Maan was te verbaasd om kwaad te worden. ‘Dat vraagt aan een lid van de bond van Nederlandse godlozen naar de lijst van predikanten! Weet je wel wàt je vraagt en aan wie?’…”. En even verder: “… Toen dacht hij weer over hoe hij God zou inlijven, niet als kapitalist, maar omdat het thans het ogenblik was, nu hij op het punt stond de reis te beginnen. Daar mocht geen lacune zijn in de lading, alles moest netjes gestuwd liggen, ja, inderdaad, nu hij goed rondkeek, zag hij nog een ruim dat was overgeslagen…”. Het doet me aan een citaat uit de Bijbel denken (Marcus 8 vers 36):“… Wat baat het de mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?...”. In 1997 werd "Karakter" verfilmd door Mike van Diem.

 

Uitgave: AD Nederlandse Klassiekers, 252 blz., ISBN 871 011 400 157 3, 17,95

Rechtstreeks bestellen: klik hier