Menu

zondag 12 april 2026

Dius – Stefan Hertmans

 


Met de leeskring hebben we “Dius” van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans (1951) besproken. Het boek was voor mij een aangename verrassing, omdat het onder andere draait om de Nietzscheaanse tegenstelling tussen het ‘dionysische’ en het ‘apollinische’, een thema dat ik de laatste tijd in diverse blogs heb verkend: zie “Romantiek. Een Duitse affaire” van Rüdiger Safranski, “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt en “Oorlogsroes” van Ernst Jünger. Het dionysische staat voor het duistere, het emotionele, het chaotische, het grenzeloze, het irrationele - kortom het romantische. Het apollinische staat voor licht, ratio, orde, logica, harmonie - kortom het klassieke. Wat ik ook origineel vond: het verhaal gaat om een meester-leerlingrelatie waarin dit keer de rollen zijn omgedraaid. De leerling neemt het initiatief en is zijn meester de baas. Normaal is het in verhalen natuurlijk andersom, waarbij de meester het vertrouwen meestal blijkt te beschamen: zie “Op weg naar de Hartz” van Wessel te Gussinklo, “De magiër” van John Fowles en wederom “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt.

 

Egidius, waer bestu bleven?

“Dius” heeft iets van een cultuurfilosofisch college — dus helemaal mijn ding. Ik heb de roman echt met de laptop op mijn knieën gelezen, zodat ik de namen van alle renaissanceschilders en -componisten die de revue passeren kon opzoeken. De protagonisten passen namelijk niet in hun tijd — tweede helft van de vorige eeuw, schat ik. Ze lijken op hedendaagse ‘afhakers’. Als protest tegen de moderniteit trekken ze zich terug in hun eigen wereld, vol oude kunst en muziek. De naam Dius verwijst naar het middeleeuwse “Egidiuslied” (maar linkt ook aan ‘dionysisch’): een klaagzang over een overleden vriend. Dius werd geboren uit een overspelige relatie met een uitbater van een Siciliaanse ijssalon in Heist-aan-Zee. Zijn officiële ouders hadden zelf een schoenwinkel annex schoenmakerij. Hij groeide op met de geur van kruipolie en warme lijm, tussen zoemende machines. Als kind werd hij door zijn liefdeloze moeder schrijnend achtergesteld ten opzichte van zijn broer en zus. Zijn vader nam het zwijgend voor hem op. Op zijn zeventiende was hij een ‘einzelgänger’ die de wijde wereld introk.

 

Vriendschap

Als student staat hij ineens op de stoep van een kunstdocent, Anton, nadat hij tijdens diens lezing is weggelopen omdat hij - vanwege een rare opmerking - werd uitgelachen door zijn medestudenten. Hij heeft een verrassing voor Anton. Hij beschikt over een schildersatelier in een verwaarloosd gildehuis bij een oud kasteeltje, diep in de polder: ‘Ganzevliet’, dat Anton gratis mag gebruiken. Zijn docent oogt namelijk wat overwerkt. Daar kan hij, zonder door wie en wat dan ook gestoord te worden, zijn gang gaan. Dius wil zich niet opdringen, maar hij zou heel graag vrienden met hem worden. Anton is letterlijk met stomheid geslagen. De misplaatstheid van de omgekeerde situatie is absurd, zeker in het hiërarchische België van destijds. Dius is een beetje apart, weet Anton. Hij herinnert zich een door hem ingeleverde tekst waarin hij zichzelf vergeleek met een veulen in een wei vol hem aanstarende stieren: “… zo vervreemd, eenzaam en misplaatst voelde hij zich blijkbaar tussen de andere studenten…”. Voor hij het weet, stemt Anton toe.

  

Poëtisch leven

Op een woensdagmiddag komt Dius hem ophalen met een gammele bestelbus vol rotzooi. Tijdens de rit stopt hij plotseling omdat hij een eindje wil lopen. Anton heeft geen keus. Het blijkt dat Dius hem nodig heeft om een enorme boomstronk naar de auto te slepen. De knol is alleen niet te tillen. Hij wil er plakken uit snijden om als fineer te gebruiken. Hij zal er een schrijftafel voor Anton van maken, belooft hij vergoelijkend. Terwijl Anton steeds chagrijniger wordt, pauzeert Dius nog een keer om bij een kippenkraam een paar gebraden haantjes te kopen. Uiteindelijk komen ze aan bij het gebouw dat als een geheime schatkamer volstaat met de meest fantastische troep. De artistieke inboedel doet Anton onmiddellijk opveren. De grillige voorwerpen prikkelen zijn gemoed: “… Hierbij stak mijn eigen werkruimte thuis, met haar schrale rekken alfabetisch geordende boeken en het altijd netjes opgeruimde bureau, als een academische vorm van verbeeldingsarmoede…” (zie het apollinische). Onder uit de luidsprekers schallende renaissancemuziek wordt de kip opgepeuzeld. Prozaïscher kun je het niet bedenken.

 

Schemering

In het uur tussen hond en wolf laat Dius hem de uitgestrekte polder voor het gildehuis zien en struinen ze door de overwoekerde kasteeltuin: “… Het rook naar vuur en bladgrond. Ik rilde. In de oude pergola, enkele tientallen meters achter de hoge meidoornhagen, stonden geboetseerde koppen, lelijk en onaf, als totems uit een andere tijd. Het schemerlicht gaf ze iets onheilspellends. Ik vroeg maar niets…”. De onwezenlijke sfeer doet onontkoombaar denken aan “De magiër” van John Fowles.

 

Intriges

Een paar weken later rijdt Anton zelf naar Ganzevliet. Hij heeft het gevoel dat hij naar ‘verboden terrein’ gaat. Dius’ camionette staat voor de inrijpoort, maar in de grote zaal is niemand. Als hij om het gildehuis heen loopt, ziet hij dat de ladder naar de open hooizolder opgetrokken is en hoort hij het gesnik van een vrouw met wie Dius aan het vrijen is. Hij weet niet hoe gauw hij zich uit de voeten moet maken. Wanneer Anton hem vertelt dat hij langs is geweest, antwoordt Dius zonder blikken of blozen dat hij er die dag niet was. Ondertussen bedriegt Anton zelf ook zijn partner, Nouka, met een collega.    

 

Beauty is terror

Wanneer Dius hem nog een keer komt ophalen, rijdt hij hem naar een kerkje om hem een aangrijpende replica van het wereldberoemde beeld van de heilige Cecilia in Rome te laten zien, waar hij een paper over wil schrijven. Haar frêle handen met de gestrekte vingers lijken op ‘neergeschoten vogels’: de ene hand op redding wijzend, de andere op ondergang. In de tere hals zit een diepe snede, waar Dius helemaal door van de leg raakt: “… Dius stond me met iets wilds in zijn blik aan te kijken. Hij was bloedrood aangelopen, trilde over zijn hele lichaam, probeerde iets te zeggen, kreeg het te kwaad, gebaarde naar het beeld, en zei ten slotte: Dit is het…”. Het sublieme. Woorden schieten te kort. “… Ik zag hem zwaar hijgen. Ik zag zijn verwarde, zwarte haardos licht heen en weer bewegen en dacht dat hij huilde…”. Zie het citaat van Donna Tartt in “De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. Anton: “… Ik voelde afgunst jegens zijn argeloze emotie, wist dat dit het was wat ik gaandeweg verloren was – een emotionele openheid…”. De droogkloot. 

 

Battleground

Anton zoekt steeds vaker de inspirerende en bevrijdende omgeving van Ganzevliet op om te werken en te studeren. Hij voelt zich fijn bij Dius. Zwijgend brengen ze uren met elkaar door. Ze krijgen de slappe lacht als ze de ene idiotie na de andere met elkaar wisselen. Dat is ook heel romantisch: overdreven sentiment eindigend in luchtgevend lachen. Zie Safranki over de ironie. In dit fragment treedt eveneens iets ‘wreeds’ op. Dius zegt dat Anton moet ophouden omdat hij niet meer kan – Anton gaat tóch door. Overal loert het barbaarse om de hoek, als je goed oplet. Anton geeft zijn ongeïnteresseerde studenten les over Joseph Beuys, Joseph Kosuth, Marcel Broodthaers en Barbara Kruger. Een willekeurig rijtje namen lijkt het, maar Kruger heeft wel een werk gemaakt met de titel ‘Your body is a battleground’. Als Anton Dius vraagt naar Pia, een ongenaakbare medestudente waar hij nogal van onder de indruk lijkt te zijn, pakt Dius de karabijn die altijd bij de voordeur staat, jawel, en loopt weg. Die avond eten ze gebraden duif. 

 

Spijt en heimwee

Wanneer Anton Nouka een keer meeneemt naar Ganzevliet, zegt ze dat het haar moeilijk lijkt om in het verlaten landschap te leven onder zo'n ‘verpletterende lucht’. Er komen dan ook veel zelfmoorden voor in de streek, weet Anton. “… Het begon te sneeuwen, eerst enkele afzonderlijk dwalende vlokjes, alsof de bui voorzichtig haar verkenners vooruit had gestuurd, daarna allengs heviger, met dikke pluimvormige vlokken, die op de rode jas van Nouka bleven haken voor ze verdwenen…”. Even verder: “… toen we weer in de auto zaten en ik de radio aanzette, klonk vreemde, trage blaasmuziek…”. 'Symphonies of Wind Instruments' van Igor Stravinsky. De ruiten dampen dicht. Zijn leven lang zal Anton, als het sneeuwt, denken aan dat muziekstuk en weg smelten van spijt en heimwee naar die tijd. 

 

Kitsch

Het ‘dionysische’ komt op zijn sterkst aan bod als Anton zijn college over de Wiener Aktionisten beschrijft: een avantgardistische groep die, beïnvloed door de ideeën van Markies de Sade, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud, in de jaren zestig furore maakte met wat ‘orgie-mysterietheater’ werd genoemd. Het zou allemaal gaan om de opvoering van oeroude bacchantische rituelen: gedoe met poep en pies, bloederige ingewanden van dieren, zelfverminking en zo. Performances van slagersgasten. Toen ik er op internet meer over las, vond ik het fascinerend dat ze tegen hetzelfde aanliepen als de studentengroep in “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt: het bleef een spel, onbevredigende kitsch, het was niet écht. Religie werkt niet als je er niet in gelooft. Je kunt je hele leven kerkbanken verslijten: het zal je niets helpen als God geen werkelijkheid voor je is. Voor authentieke stront aan de muur moet je, shockerend genoeg, in een krankzinnigengesticht zijn. 

 

Mystieke wonde

De Wiener Aktionisten brengen Anton bij de Christuswonde in de oude schilderkunst en de mystieke wonde in Wagners opera Parsifal, waarin de Graalkoning Amfortas gewond is geraakt door de heilige speer van Longius. De spirituele betekenis van het verhaal is dat de geestelijke wond pas kan genezen wanneer iemand het lijden, dat de beschadiging heeft veroorzaakt écht begrijpt. Een ‘reine dwaas’, of een biechtvader misschien? Zie de gelijknamige speelfilm van Hans-Jürgen Syberberg. Van ‘wonden’ gesproken: zie mijn vorige blog. Anton: “… Ik vertelde over oude mensenoffers, over de antieke Griekse bok die Dionysos heette, het meisje Ifigeneia dat op het ogenblik van haar offerdood door Artemis werd vervangen door een hinde…”. Zie het offer van Abraham: Isaak die werd vervangen door een ram (Genesis 22). Anton gaat nog verder: sensualiteit begint waar de perfectie van het lichaam wordt doorbroken. Zie het ‘lit-teken’ van het Middelnederlandse ‘lyc-teken’ – lyc is het oude woord voor lichaam. Zie de studenten met hun heldhaftige sporen in het gezicht van opgelopen houwen tijdens het schermen in “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Zie ook de Japanse kunst van met goud herstelde gebroken Japanse vazen: kintsugi. Ondertussen zit Dius met stralende ogen en een duivelse glimlach naar Anton te luisteren. Later ziet Anton hem ineengestrengeld met Pia op straat lopen: een sater en een nimf.  

 

Op zolder

Wanneer Dius er een keer niet is, klimt Anton stiekem de hooizolder op, waar hij tientallen doeken vol wolkenformaties van Dius ontdekt. “… Een paar, de laatste, zijn dan toch anders – de verf druipt in dikke drippings tot op de donkere einder en lijkt een laatste oordeel aan te kondigen…”. Twee doeken zijn in het midden gescheurd. Er lijkt een soort ossenbloedachtige substantie omheen gesmeerd, waarvan Anton pas achteraf beseft dat het om Dius’ eigen bloed moet gaan. Alsof hij op de zolder zijn demonen gevangenhoudt. 

 

Hout

Dius laat een machine installeren die dunne houtvellen kan snijden voor fineer. Hij is door het dolle heen: “… kijkt me aan met een blik die niet van deze wereld is, een vreemde mengeling tussen gekte en droom…”. Hij streelt het trillende ijzer van het apparaat, “… als was het een dier dat hij nog moet temmen…”. Op een keer vertelt hij dat zijn ware leermeester een leraar metaalbewerking is geweest toen hij vijftien was. Een ukkie dat altijd en eeuwig met een peuk in zijn mond in een vettige overall rondliep, maar werkte op een tiende millimeter nauwkeurig. Een virtuoos die niet kon tekenen, maar wél wist hoe je met materie moest omgaan. Bomen leven in een andere tijdsdimensie, beweert Dius. Als je ze snel kon zien groeien, zou je merken dat ze elkaar bijna naar de keel vliegen voor een beetje licht. Het zijn rare snuiters die hun takken in het gezicht van hun buurman duwen. Zie de ogen en knopen in het hout: littekens van hun gevechten. Boswachter Peter Wohlleben trekt in zijn boek “Het verborgen leven van bomen” precies de tegengestelde conclusie. Volgens hem zijn bomen juist hele zorgzame wezens die overlopen van naastenliefde.

 

Meningen

Dius keert zich bijna woedend af van de hedendaagse moderne kunst: “… Conceptuele kunst, bromde hij, wat een gelul…”. Wat is de zin om je voor of tegen iets uit te spreken? Daarmee zeg je alleen maar iets over je eigen smaak, over je eigen vooroordelen. Alle kunstenaars houden zich door de eeuwen heen met hetzelfde probleem bezig: de techniek van de ziel. Hoe maak je van geest materie? Hoe kun je het landschap begrijpen waarin je je begeeft?

 

Van God los

Anton heeft het over het chaotische geweld van ‘Verlust der Mitte’ van Asger Jorn. “… Daar, net niet in het midden van het schilderij dat het verlies van het midden wilde uitbeelden, in die wirwar van primitief ogende kleuren had de duivel mij aangekeken…”. Er zit een grof geschilderde tronie in het doek die zijn persoonlijke duivel is geworden, een monsterlijk gelaat zoals op sommige oud-Griekse maskers, dat opduikt in zijn nachtmerries. Hij brengt het in verband met zijn gemis aan een ‘zwaartepunt’. Waar hij het licht van het begrijpen zocht, was de onweerstaanbare, opwindende verleiding van iets onbegrijpelijks gekomen, van een overspelige betovering: “… daar was ik vast komen te zitten…”. Zie de link met wat Dirk de Wachter schrijft over het ‘zijnsgat’ van Heidegger dat we niet kunnen dichten, hoezeer we het ook opvullen met consumentistisch of zinnelijk genot. De Wachter gebruikt een verrassende metafoor voor ons ‘zijn’: een donut. De kern en de ruimte eromheen, waarin sommigen het goddelijke licht ervaren, kunnen blijkbaar net zo goed beheerst worden door demonische duisternis.

 

De grote boze wolf

De gevreesde kunstpaus Jan Chapot, die de examens op de kunstacademie af komt nemen, is gebaseerd op de inmiddels overleden curator Jan Hoet. Had Hertmans nog een appeltje met hem te schillen? Hij ruïneert carrières in de dop en breekt het meeste werk van de studenten tot de grond toe af. Ook dat van Dius, die het deels ontblote rechterbeen van de wereldberoemde ridder van Vittore Carpaccio heeft nageschilderd, een zestal keer. De levensechte huid (incarnaat), in zijn etherische schoonheid, is een waslaag van wonden en littekens. Op ieder paneel wordt de wond griezelig genoeg groter. De arrogante Dius laat zich zwijgend beledigen, steekt zijn middelvinger op naar de ontploffende Chapot, maakt een minzame buiging en loopt de zaal uit, terwijl hij de deur met een knal achter zich dichtslaat. Een deel van het schilderij van Carpaccio staat op de omslag van het boek: een in de lucht vechtende valk en reiger. Een roofvogel en een vogel die vanouds symbool staat voor wijsheid en eenzaamheid. Suggereert het tafereel de tweestrijd tussen geweld en wijsheid?

 

't Hijgend hert

Hertmans beschrijft op een ongelooflijke manier hoe Anton met zijn auto op een groot mannetjeshert botst, dat hem dwars door de versplinterde voorruit heen met zijn gewei tegen de rugleuning van de chauffeursstoel spietst. Hij kan zijn hoofd geen millimeter bewegen. Het dier gaat dood, hij zelf blijft in leven. Een en ander is bijna symbolisch voor het sterven van het dionysische – zie het hertengewei op de omslag van “De verborgen geschiedenis”. Het hert staat in veel culturen voor transformatie, zuiverheid en het spirituele pad. Dit doet me ook denken aan Karen Armstrong, die in “Compassie” schrijft dat alle godsdiensten oproepen om de vier dierlijke driften of instincten – vechten, vluchten, vreten, voortplanten – te overstijgen, zodat je je kunt richten op de goddelijke liefde. Moeten kerkelijke dienaren daarom afzien van seks? Mensen bewegen zich tussen engel- en duivel-zijn. Na meer dan een etmaal wordt Anton gevonden door Dius en Pia.

 

Mimesis

Als Anton terugkomt uit het ziekenhuis, is Nouka, met wie hij op vakantie zou gaan, vertrokken. Ze heeft het helemaal gehad met hem. De hele zomer studeert hij voor zijn proefschrift op de vraag of er zoiets als originaliteit bestaat in de kunst: “… Ik waadde door een zee van theologische concepten en kunsttheorieën…”. Het antwoord is vooralsnog: “… Alles is nabootsing, vooral onze drang om origineel uit de hoek te komen…”. Zie René Girard. Op een dag komt hij thuis en ziet dat zijn ex langs is geweest om hun bezittingen rigoureus in tweeën te verdelen. Zelfs alle textiel heeft ze doormidden geknipt, zodat niets meer bruikbaar is. Hoe verzin je het! Ook zijn minnares lijkt niets meer van hem te willen weten, totdat hij brieven van haar in een vuilnisbak op Ganzevliet vindt, waaruit blijkt dat Dius haar opzettelijk bij hem heeft weggehouden. Het komt tot een woedende confrontatie met fysiek geweld, waarbij Dius zijn arm uit de kom trekt, en hij alweer in het ziekenhuis belandt. De ruzie wordt bijgelegd met als uitleg dat Dius vindt dat Anton eerst maar eens moet leren alleen te zijn voor hij weer onder de vleugels van een vrouw kruipt. Dius oreert omslachtig dat de oermens ooit zelfstandig was, daarna als een schaap achter een leider aan ging lopen en inmiddels tot een insekt is verworden dat in zwermen bestaat. Ter verzoening plant hij een Chinese ginkgoboom. Ondertussen gedraagt Dius zich  verre van celibatair. Waar bemoeit die snotneus zich mee, zou je denken, maar Anton pikt alles van hem.

 

Voodoopop

In het verloop van het verhaal vind ik de spanning er een beetje uit trekken. Het kasteeltje, dan wel landhuis, wordt gekocht door een oom van Pia, met wie Dius uiteindelijk trouwt. In ruil voor de huur van het gildehuis wordt hij conciërge op het landgoed en ontwerpt de plafondschilderingen en meubels voor het kasteeltje. Een paar broers van Pia misbruiken hem zo ongeveer als hun persoonlijke slaaf, wat de nodige druk op hun relatie zet, maar alles keert zich ten goede. Tussendoor blijkt Dius een fantastisch bureau voor Anton te hebben gemaakt, met onder het fineer een brief die hij niet kan lezen. Wat er in staat komt de lezer (helaas) niet te weten. Aan alles komt een eind: Dius verhuist met zijn vrouw naar Bergamo, waar ze een baan aangeboden krijgt. Anton leeft in zijn eentje verder. Na twintig jaar gaat hij nog eens naar het landgoed kijken. Het gildehuis is vervangen door een schreeuwlelijke opslagplaats. Het kasteeltje blijkt al tien jaar leeg te staan, maar Anton krijgt het voor elkaar om het van de gemeente te kopen. Hij restaureert de boel en sluit zich er als een kluizenaar op, met zijn boeken en polyfone muziek. Hij wordt moe van steeds dezelfde studenten en gaat met vervroegd pensioen. Na al die jaren heeft hij af en toe weer contact met zijn vroegere minnares, die inmiddels weduwe is. Tot er op zekere dag een man met een grote hoed op voor zijn deur staat. Aan zijn hand een meisje van een jaar of tien. Dius. De vriend die hij net zo hard heeft gehaat als liefgehad: “… Misschien was Dius de voodoopop waarmee ik mijn eigen angsten op afstand had willen houden…”. De linkerhelft van zijn gezicht is zwaar verminkt: gescalpeerd door een blokkerend vliegwiel van een van zijn machines. De naam van zijn dochtertje: Zieltje, eigenlijk Cieltje, van Cecilia, een meisje met het syndroom van Down.  

 

Op weg naar het einde

Als ze weer vertrokken zijn vraagt Anton zich af of je je geliefden moet kunnen verraden om jezelf te zijn. Je levert hoe dan ook wat van jezelf in, toch? Voor het eerst in tijden gaat hij weer naar de bioscoop om te merken hoe gruwel als vermaakt wordt geconsumeerd. Kunst die de wereld kan redden? Ga toch weg. Op een dag besluit hij op zoek te gaan naar het domein in Bergamo waar Dius zich heeft verstopt. Hij woont er samen met zijn dochter, als op een tweede Ganzevliet. Anton blijft er weken hangen: “… Ik lijk op die eeuwige passant uit De Toverberg…”. De weken worden maanden, waarin Dius steeds moeilijker gedrag gaat vertonen. Als hij vanwege een fietsongeluk in het ziekenhuis verzeilt, blijkt er sprake van een uitzaaiende tumor, waarop Anton contact opneemt met Pia. Samen nemen ze afscheid van de dingen, tot het zo slecht met Dius gaat dat hij opgenomen moet worden in een palliatief centrum: “… hij had iets van een vogel, een grote, stervende condor…”. Zie de omslag.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 320 blz., ISBN 978 940 313 383 6, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

dinsdag 7 april 2026

Wond – Oksana Vasjakina

 


Michel Krielaars haalt in “Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga” (zie mijn vorige blog) queerschrijfster en feministe Oksana Vasjakina (1989) aan. In “Wond” gaat het onder andere over ‘het grote zwijgen’ in Stalins Sovjet-Unie. Niemand vertrouwde elkaar. De pijn en boosheid die niet mochten worden geuit, werkten door in de volgende generaties. Rusland is een getraumatiseerd land, aldus Vasjakina: “… Op een bepaalde manier waren we allemaal verwond en ervoeren het leven als ondraaglijk…”. “Wond” is een deels autobiografisch verhaal over een jonge vrouw die een rituele reis door Rusland maakt om de as van haar overleden moeder terug te brengen naar haar geboortestreek in Siberië, waar de urn wordt begraven. Vasjakina verweeft verschillende genres: jeugdherinneringen, notities, gedachten, gedichten, essays, brieven en dagboekaantekeningen. Met behulp van haar fantasie probeert ze in het hoofd van haar stervende moeder te kruipen, te voelen wat zij voelt. Naast rouw is ook de ontdekking van haar lesbische identiteit een groot thema. Juist daarom mag haar boek in Rusland officieel niet verkocht worden. Met alle gekte die daarbij komt kijken, en een moeder die de mentale worstelingen van haar dochter niet begrijpt, deed “Wond” me een beetje denken aan “De glazen stolp” van Sylvia Plath.

 

Het Westen

In Rusland bestaan allerlei rituelen rond een overlijden. Vasjakina vertelt dat de vroegere buurvrouw haar moeder een maand lang wijwater heeft laten drinken: drie eetlepels met een gebed in de ochtend en drie eetlepels met een gebed in de avond. Er kwam een priester opdagen om haar biecht aan te horen, ook al had ze niets met de orthodoxe kerk. Mensen zeggen dat het een goed voorteken is als het regent wanneer iemand wordt begraven: dan huilt de natuur. De vriend van haar moeder beweert dat je niets mag weggooien van een rouwmaaltijd en dat je alleen met een lepel mag eten. Er wordt iemand geregeld die Vasjakina over de grauwe steppe naar een crematorium rijdt om de as van haar moeder op te halen. De man achter het stuur begint direct te foeteren: “… waar zijn ze daar in het Westen nou eigenlijk mee bezig, vroeg hij. Een beetje lopen dansen in rare glimmende broekjes, die flikkers, maar wat doen ze als het oorlog wordt? Ja, wat nou als het oorlog wordt? Seksuele voorlichting, wat een pervers gedoe, zei-ie. Een kind moet op de kleuterschool leren hoe je een Kalasjnikov vasthoudt…”. Hij zegt dat hij met een Duitse vriend heeft geskypet die zeker weet dat er een derde wereldoorlog aan zit te komen (maar zij hebben atoomwapens). “… Zelf gaat hij zijn kleinzoon leren hoe je een automatisch geweer uit elkaar haalt en weer in elkaar zet, dan weet die jongen tenminste hoe dat moet. Dat is wat je nodig hebt, die viezerikken in Amerika kunnen als ze drie zijn niks anders dan een condoom vasthouden. Maar onze kindertjes, die kunnen een mitrailleur vasthouden vóór ze uit de luiers zijn. En als de oorlog begint, zal iedereen het vaderland verdedigen, jong en oud, iedereen verdedigt het vaderland. Een wip maken kan iedereen, daar heb je niet veel verstand voor nodig, maar liefde voor het vaderland – dat is een serieuze zaak…”. Vasjakina vraagt of hij alstublieft zijn mond wil houden. Ze gaan wél de as van haar moeder ophalen. Eerbiedig zwijgen is op zijn plaats.

 

Zij is mijn wond

Ze herinnert zich hoe ze als tienjarige met haar moeder een hele week in een derdeklas-slaapwagon door Rusland reisde en dat ze bijna stikten van het lachen om een coupégenoot die luid lag te snurken op de bovenste slaapplaats: “… het zorgde voor een soort extatische toenadering tot mijn moeder…”. Die was meestal ver te zoeken. Het doet me denken aan Dirk De Wachter, die als psychiater op zoek gaat naar de ‘hechtingspunten’ in iemands leven, onder de lagen van 'lastigheid en ongemak': “… ‘Under fifteen feet of pure white snow’, zou Nick Cave zeggen’…” (zie: “Wachten. Een levenshouding”). Haar moeder is overleden aan kanker: “… Een jaar lang wachten op de dood – dat is wachten op verdriet en opluchting tegelijkertijd. Een jaar wachten op de dood - dat is lang en pijnlijk…”. Haar moeder wilde niet praten. Ze keek zwijgend tv met nietsziende ogen. “… Zij is mijn wond, onlosmakelijk met mij verbonden…”

 

Bijgeloof

Een nicht denkt serieus dat de vrouwen in hun familie vervloekt zijn. Ze zijn allemaal mooi, maar niet gelukkig. Stuk voor stuk zitten ze opgescheept met mannen die zuipen, hen mishandelen, en vreemdgaan. Oksana Vasjakina heeft het idee dat haar nicht denkt dat zij aan de vloek probeert te ontkomen: “… Ik ben immers lesbisch en dat betekent dat ik geen vrouw ben, ik ben een soortement half man of half vrouw, of half kind. Of half mens…”. De moeder van Vasjakina mag dan niet gélovig zijn, ze is wel bijzonder bíjgelovig. Een tante neemt een foto van haar mee naar een helderziende, diep in de provincie. “… Die bekeek de foto en was meteen compleet van slag. Ze zei dat mijn moeder meer dan één keer vervloekt was. Haar armen en benen waren in zoveel zwarte draden gewikkeld dat het leek of ze in rook was gehuld. Ze zag er zwart uit en zou spoedig sterven…”. Er is helemaal geen vloek – het zijn de armoede, het beroerde milieu, de alcohol en het slechte leefpatroon, aldus Vasjakina. Maar in werkelijkheid is ze zelf eveneens doodsbang: “… Het voelt alsof die zware, zwarte smet ook op mijn leven drukt…”. Ze denkt dat allerlei vogels haar boodschappen overbrengen “… Iets heel ouds, iets van het platteland komt in mij naar boven als er vogels in de buurt zijn…” (zie ook: “Het vogelhuis” van Eva Meijer). Alle versies van haar moeder over het ontstaan van kanker zijn nogal esoterisch: “… Zo zei ze bijvoorbeeld dat iemand haar met kanker had besmet. Ze probeerde zich met soda en Joost mag weten wat voor kruiden van een vriendin uit Siberië te genezen. Ze had zelfs het idee gehad naar een sjamaan af te reizen, maar die nam haar niet aan als patiënt, met als reden dat hij mensen die een operatie hadden ondergaan niet kon genezen…”. Als Vasjakina haar moeder vertelt dat ze niet met een vriendin maar met een geliefde samenwoont, vraagt haar moeder wie haar met het boze oog heeft behekst. “… Ik kon me er niet toe brengen eenvoudigweg te zeggen dat je niet gedwongen wordt lesbisch te zijn. Dus zei ik maar dat ik met een vrouw samenleefde omdat ik met mannen geen geluk in de liefde had. Ik schaam me er nog voor. Dat was erg laf van me…”.

 

Lesbisch

Ze houdt van vrouwen - en heeft dat altijd gedaan: “… Mijn vriendinnen waren allemaal geen vriendinnen in de gebruikelijke betekenis van het woord. Ik koesterde bepaalde gevoelens voor ze…”. Pas veel later begrijpt ze dat dat bij anderen niet zo is. “… Ik voelde verdriet als mijn vriendinnen vriendjes kregen, een doffe pijn waar ik geen woorden voor kon vinden. Ik brandde van jaloezie en werd verscheurd door een gevoel van onrechtvaardigheid…”. Even verder: “… Ik had romances met jongens en mannen die niets te betekenen hadden, want ik koesterde geen gevoelens voor ze…”. Hun harde lijven stoten haar af. ’s Nachts ligt ze in bed te huilen omdat ze niet weet wat ze met haar stomme verkeringen aan moet, maar ze gaat er toch mee door, omdat dat nu eenmaal normaal is. Terwijl ze de lichamen van haar vriendinnen in stilte aanbidt, iets wat ze niet aan zichzelf kan toegeven. Hun vriendschap is niet te vergelijken met haar passie. “… De kloof van mijn onbevredigde gevoelens werd almaar dieper…”. Na een reeks ingewikkelde en ongezonde relaties beseft ze op een zeker moment dat als ze van zichzelf niet accepteert dat ze lesbisch is, ze haar hele verdere leven diepongelukkig zal blijven. “… Ook daarvoor was ik een lesbienne geweest, maar één die de weg kwijt was. Iemand die dacht iedereen, zichzelf incluis, om de tuin te kunnen leiden…”. Ze verwijst naar het Zweedse spreekwoord ‘achter de berg ligt nog een berg’. “… Toen ik besefte dat ik lesbisch was, zag ik een berg voor me die stukken hoger was dan de bergen die ik eerder bedwongen had…”. Hoe leer je met een vrouw samen te leven, elkaar te begrijpen in het dagelijks leven? Met mannen heb je de geijkte rolmodellen van een gezin voor ogen. “… Maar met vrouwen liep ik altijd tegen het levensgrote probleem aan dat je nergens een lesbische manier van leven voorgeschoteld krijgt…”. En hoe ga je om met de buitenwereld? Op een feestje doet haar eerste partner net alsof ze elkaar niet kennen. De relaties in haar studententijd aan het literatuurinstituut mislukken keer op keer: “… Ik dacht dat ik een verdorven, gebroken type was met een gebrekkig ontwikkeld gevoel zonder ervaring met het leven…”.

 

Een echte vrouw

Over haar moeder: “… Mama was een echte vrouw. Een vrouw in het kwadraat. Een vrouwelijke vrouw. EEN VROUW….”. Hoe moet je je als dochter sowieso verhouden tot zo een perfect wezen? De borstamputatie van haar moeder doet haar denken aan de kunstwerken van de heilige Agatha, die een dienblad met haar afgesneden borsten vasthoudt. Zie Donna Tartt in “De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. “… De afbeeldingen zijn even afschuwelijk als onweerstaanbaar. Als je iets verschrikkelijks ziet dan kun je je ogen er niet van afhouden. Je moet wel kijken en ervaart tegelijkertijd een groeiende fysieke afkeer…”. Zelfs oog in oog met de dood wil haar moeder haar drie kilo zware siliconenborstprothese omdoen voordat de dokter komt. “… Omdat het in Volsjski heel warm was kon ze geen pruik verdragen en droeg ze alleen een hoofddoek om haar kale hoofd. Ze zag eruit als een waarzegster, een piraat of een olifantendompteur. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat de amazones zichzelf een borst afsneden om gemakkelijker hun wapenriem over hun schouder te kunnen dragen. Maar mama was geen amazone; zij was een vrouwelijke vrouw, die zich schaamde voor haar ziekte, die zich schaamde dat ze de belangrijkste attributen van een vrouw kwijt was: haar haar en haar borst…”. Haar moeder sterft op 18 februari, de dag van Sint Agatha. “… Zij wordt op Sicilië vereerd vanwege haar vermogen vuur te weren. Bij een uitbarsting van de Etna droeg men haar relikwieën naar buiten en de bevolking werd gespaard. Ik heb mijn moeder twee dagen na haar dood laten cremeren…”.

 

Onzinnige gedachten

De periode vóór de dood van haar moeder raakt Vasjakina geobsedeerd door de gedachte dat iedere minuut in haar nabijheid kostbaar en belangrijk is en de mogelijkheid biedt om haar iets te zeggen, iets van haar te horen of gewoon in de buurt te zijn en haar gevoelens te tonen. In plaats daarvan zwijgen ze en kijken ze naar stomme misdaadseries. Ze heeft niet in de gaten dat haar wegkwijnende moeder het al moeilijk genoeg heeft om er nog een beetje te ‘zijn’. Ze gaat naar een boekhandel omdat ze denkt dat boeken kunnen helpen dingen te verwerken. Ze komt thuis met “Het steile pad” van Jevgina Ginzburg en “Kankerpaviljoen” van Alexander Solzjenitsyn, schrijvers waar Michel Krielaars het ook over heeft – zie mijn vorige blog. “… Wie zei dat lectuur vlak voor de dood makkelijk of hoopgevend moet zijn? Moet je überhaupt lezen vlak voor de dood? Wat is de zin van boeken lezen op dat moment? Ik stelde me voor dat het niet mijn moeder was die doodging, maar ikzelf. Wat zou ik dan willen lezen? Zou ik ertoe in staat zijn, of zou ik een vriend of familielid vragen me hardop voor te lezen? Waarom krijg ik zulke onzinnige gedachten?...”.

 

Een vrouw in een lastig parket

Ze schrijft dat haar moeder treintickets vervalste waarvoor ze op haar werk een reisvergoeding kreeg: “… Mijn moeder was geen oplichtster, gewoon een vrouw in een lastig parket. Een alleenstaande moeder die te veel dronk, met een vent die van haar centen leefde. Alles wat ze kocht moest gebruikt worden, al het eten dat ze klaarmaakte moest opgegeten. Ik schaam me nog steeds wanneer ik iets niet opeet en dagenlang in de koelkast laat staan, terwijl ik alweer iets nieuws, iets anders zit te eten…”. Ze vertelt over de mannen met wie haar moeder leefde en een kwelling voor haar waren. Ze brachten haar zwaar aan de drank. Ze herinnert zich dat haar moeder opmerkte dat bloemen sterker ruiken wanneer er ruzie wordt gemaakt: “… De plant voedt zich met kwade energie, zei ze…”. Ze heeft het ook over de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang die in “De vegetariër” stelt dat je een plant moet worden.

 

Wachten

Vasjakina ervaart het wachten heel anders dan Dirk De Wachter: zie mijn blog over “Wachten. Een levenshouding”. “… Op iets wachten betekent dat de tijd je van je stuk brengt, vanbinnen aan je vreet, innerlijke ruimte biedt aan angst en onrust. Maar hoe wacht je de dood af? Wat is de innerlijke monoloog van een stervende?...”. De lange, logge, stroperige tijd kan oneindig lang duren. “… Komt er ooit een eind aan? Als de dood intreedt, dan is het voorbij. Iedere grens is de dood, je beurt afwachten voor de kassa in de supermarkt, het wachten op een pakje, het wachten op een vriendin die te laat is…”. Het flatje van haar moeder is zo klein dat haar lief in de keuken slaapt “… met zijn benen tegen de wasmachine en zijn hoofd tegen een kastdeur…”. Vasjakina slaapt zelf bij haar stervende moeder op een slaapbank in de woonkamer, met haar hoofd aan haar voeteneinde. Ze probeert te beschrijven hoe dat voelt maar ze is “… met stomheid geslagen…”.  Ze moet zichzelf dwingen te beseffen wat er gebeurt: “… Ik voelde niets, net als je verhemelte na de prik bij de tandarts. In gedachten betastte ik mezelf en praatte tegen mezelf als door dik melkglas…”.

 

Tomeloze onbeantwoorde liefde

Tussendoor schrijft Vasjakina over de dichteres Anna Barkova, die tijdens haar verbanning de liefde voor een medegevangene zo sterk ervoer dat de donkere gevangenisbarak erdoor werd verlicht: “… Het geheugen wijzigt de kleur, het licht en de geur van de ruimte…”. Het is hartverscheurend als ze schrijft dat haar moeder niet van haar hield: “… Terwijl ik haar verafgoodde met alle vezels in mijn lijf. Maar mettertijd ging die liefde over in doffe pijn en gekrenktheid die heel diep zaten. Temeer omdat ze wel van mannen kon en wilde houden, maar niet van mij…”. Ze was de enige die ze had, haar vader overleed aan aids na lang aan heroīne verslaafd te zijn geweest. Ze heeft het over de koude blik van haar moeder: “… Een paar dagen voor haar dood hadden we een gesprek. Ze keek dwars door me heen, haar blik was als het ware niet op mij, maar op alles om ons heen gericht, alsof ik onderdeel van het meubilair was, een krukje of een televisiemeubel…”. Haar lief mag nog tien jaar in haar flat wonen. “… Ze twijfelde er kennelijk niet aan dat ik, net als onkruid, overal wel zou overleven. Maar die hulpeloze kerel van haar zou het zonder haar postume zorg niet redden. Typisch mijn moeder. Ze koos voor haar mannen, niet voor mij…”. Het maakt Vasjakina dodelijk jaloers, verbitterd en boos: “… Zij was van mij en toch behoorde ze mij niet toe…”. Geen hechting. Geen verbinding. Ze heeft het over haar eigen eeuwige narcistische gedraai, waarmee ze in haar eenzaamheid zichzelf probeert te vinden, hopend dat de leegte een tikkeltje minder wordt. Vasjakina: “… Na haar dood jubelde ik vanbinnen. Mama was nu van mij…”. Ze kan met haar lichaam doen wat ze wil. Ze kan haar zelfgekozen woorden in de mond leggen. Wanneer ze met de urn naar haar appartement in Moskou reist, duikt het enorme Moederland-standbeeld achter de heuvels op. Haar moeder was een trotse vrouw, schrijft ze. Even sterk als ongelukkig. Een koningin. Een tsaritsa.

 

Genderhemel

In de lesboscene in Moskou accepteren de verschillende types elkaar nauwelijks. Androgyne ‘dykes’ worden erg gewaardeerd. Feminiene meisjes, ‘femmes’, worden met een zeker dedain bekeken. Maar over masculiene vrouwen, ‘butches’, wordt ronduit denigrerend gedaan. Ze zouden mannen imiteren en vechten op feestjes. De tweede golf feministes strijdt voor ‘oervrouwelijkheid’. Butches zouden ‘agentes van het patriarchaat’ zijn: “… Hoewel die essentialistische visie vrouwen vrouwelijkheid opdringt en hun het recht andere gedragsvarianten te vertonen onthoudt…”. Geen ‘regenboog’ te zien: “… alles wat de radicale uitersten van het genderspectrum benaderde was eng en werd afgekeurd. Met beide benen terug op de grond uit de hemel van de gendertheorie, kan ik zeggen dat masculiene vrouwen de feministen nog meer angst aanjoegen dan mannen…”. Vasjakina valt juist op dit soort vrouwen. Over de blik van een van hen: “… Een monsterende blik, een blik waaronder ik me kon ontspannen en me blootgeven, alsof ik mijn pantser kon afwerpen en mijn zachte kant tonen, me geheel aan haar onderwerpen. Haar blik was de sleutel die mij opende…”.

 

Matrix

Pas als ze dat over zichzelf heeft geleerd, ontmoet ze haar grote liefde, die ze later definieert als haar ‘steun en toeverlaat’: “… Alina was een paar jaar jonger dan ik, maar ik voelde aan dat zij iets had waar ik altijd dol op was geweest maar wat ik zelf niet voldoende had. Zij was autonoom, ze had haar eigen mening en gaf die niet op. Maar het punt was niet hoe ze zich gedroeg – ik zag dat haar blik de ruimte veranderde in een warme, veilige plek. In die ruimte kon ik lang verblijven zonder ergens aan te denken…”. Vasjakina heeft het vaak over de onveilige ‘matrix’ rond haar moeder. Met de matrix bedoelt ze iets als iemands uitstraling, denk ik. Het 'thuis-voelen' bij iemand bij wie je onvoorwaardelijk kunt zijn die je bent. Bij wie je niet op je qui-vive hoeft te zijn. Als haar moeder haar als kleuter bij haar vader achterliet wanneer ze moest werken, werd het een chaos: “… Mijn moeder was de matrix, zij structureerde tijd en ruimte. Mijn vader voerde me plakkerige macaroni en zijn vrienden hingen rond in onze flat. Hij bracht me niet naar de kleuterschool, ik was helemaal alleen. Op tv kon ik maar twee zenders kijken, waar niets op te zien was wat ik interessant vond. Ik moest het als vijfjarige zelf maar uitzoeken…”. Even verder: “… Ik zou veel dingen willen vergeten – het geweld, mijn gevoel van vervreemding, de armoede…”. Alina biedt die matrix wel: “… Alina’s donkere, grote, warme ogen keken mij aan en ik kwam tot rust als zij in de buurt was…”. Vasjakina: … De dood van een vrouw verwoest de wereld van de mensen om haar heen. Die wereld schrompelt ineen…”. De dood van een vrouw, zelfs van een hardvochtige vrouw, is anders dan de dood van een man: “… Een vrouw is degene die je wereld omsluit en waarborgt. Zij is degene die je de toekomst geeft en voor jou een plek bewaart in het verleden. Zij is het uitgangspunt van je ervaringen en de interpretatie ervan. Toen zij dood was, stond ik ineens naakt op de weg…”. Even verder: “… Een vrouw is niet te scheiden van de ruimte…” en “… Als een vrouw doodgaat implodeert de ruimte…”.

 

Depressief

Af en toe blijkt dat ze veel last heeft van depressies. Ze komt tijden niet buiten. Ze kan nauwelijks van de kamer naar de keuken lopen om haar notebook te pakken: “… De artsen bedachten het ene na het andere medicatieplan voor me, maar geen ervan sloeg aan. Door al die pillen ging het alleen maar slechter. Ik werkte op afstand…”. Even verder: “… Er liggen zoveel dingen in het verleden, dat ik het gevoel heb dat ik door een gaas naar de wereld kijk. Die dingen zijn als een net over mijn hoofd gegooid…”. Op een gegeven moment denkt ze dat iedereen gedichten kan schrijven, behalve zij: “… Gedichten schrijven is als aan de huid van een steen likken. Of als luisteren naar het geritsel van het afzetlint in een speeltuin…”. Haar moeder leidde een losbandig leven, schrijft Vasjakina. Ze zag veel dat een kind niet hoort te zien: “… Mijn moeder stelde me regelmatig aan gevaar bloot. Op momenten dat een dronken minnaar haar achtervolgde en over het balkon het appartement binnen klom, vluchtte zij het huis uit naar een vriendin. En mij liet ze alleen achter, alleen met die vreselijke kerel. Waarom nam ze me niet mee?...”. Het voortdurende gevoel van gevaar waar ze jaren mee moest dealen, maakt dat ze niet tegen open ramen kan en niet op een benedenverdieping wil wonen: “… als ik in het trapportaal geluid hoor, breekt het zweet me uit en krijg ik een paniekaanval…”.

 

Over de liefde schrijven

Ik dacht aan Camilla Paglia die in “Het seksuele masker” schrijft dat lesbische seksualiteit anders is dan mannelijke homoseksualiteit. Vasjakina: “… Ik wil niet in de ketel van hete, kleffe anonimiteit springen. Ik heb verstand, karakter, ervaring en ik wil kijken naar wat boven de buik is…”. Ze weigert een ‘vagina op pootjes’ te zijn. Ze wil over ‘de ruimte van een kamer’ schrijven, waar elkaar ontmoetende blikken in de schemering warmte en verbinding voortbrengen. Weer die matrix. Schrijven betekent ‘langzaam dichterbij komen’. “… Wat wilde ik zeggen?...”. Schrijven is een weg. Soms eindigt een weg in een lus: “… Ik wilde eigenlijk alleen over de liefde schrijven. Schrijven is dichterbij de liefde komen…”.

 

Dodenmaal

Twee maanden lang heeft Vasjakina de as van haar moeder in huis: “… Ik keek er vaak naar en praatte er ook mee…”. Ze organiseert een ‘dodenmaal’: “… ik wilde een avondlijk treffen met wijn, bloemen, hummus, gesprekken over de dood, het stervensproces en rouw. Ik las gedichten over mijn moeder. Ik schoot vol en eindelijk voelde ik verdriet. Ik geloof dat dat het moment was dat ik begreep wat de zin is van rituelen rond een begrafenis. Het medeleven van anderen rond de dood is onmisbaar. Rond het sterven zie je wie tot jouw gemeenschap behoort. Ik had het medelevenmechanisme in gang gezet…” (zie ook “Door de sneeuw” van Tommie Goerz). 

 

Weven

Vasjakina beschrijft schrijven als ‘weven’ en brengt dit in verband met de enge vrouwtjesspin in de werken van kunstenares Louise Bourgeois, die symbool staat voor het moederlijk huis. Bourgeois herinnerde zich haar verschrikkelijke moeder zittend achter een weefgetouw. Haar giftige, kleverige, verstikkende draad is een metafoor voor de controlefreak die ze was. Haar huis was een kooi. “… Niet de vader houdt de weefster in de gaten, maar de moeder…” (zie ook Lisette Thooft in “De onverzadigbare vrouw”). Vasjakina: “… Zij is de seniore weefster, de ijzeren spin die een nauwsluitend web van zwijgen en geheimzinnigheid heeft gesponnen over de ruimte van het huis…”.

 

Tot in het derde en vierde geslacht

Per vliegtuig reist Vasjakina met de urn terug naar de taigastad waar ze vandaan komt: “… Ik geloof erin dat de mens lijkt op de plek waar hij is geboren en is opgegroeid. Vanbinnen lijk ik op een wild bos. Zelfs Alina merkt dat…”. Ze wordt opgevangen door haar peettante, eigenlijk een vriendin van haar moeder die veel voor haar heeft gezorgd. Het boek is niet alleen maar zwaar; sporadisch komt er ook wat humor om de hoek kijken. Ze vertelt hoe haar moeder haar naar het zeilkamp van haar peettante stuurde met een T-shirt van de Titanic. Bij een kampvuur bekijkt ze met een groep oude vriendinnen van haar moeder stoffige fotoalbums, waarbij de nodige verhalen worden opgedist. Vasjakina beschouwt haar schrijven als het belichten van duistere zaken met een kleine zaklantaarn. Ze vertelt over haar grimmige overgrootmoeder Olga, die te bang was om Stalin openlijk te beschimpen, ook al had hij de man van wie ze waanzinnig veel hield gefusilleerd. Het kind dat ze van haar geliefde kreeg ging dood in de door Stalin veroorzaakte hongersnood (zie mijn vorige blog). Daarna wachtte haar een ondraaglijk zwaar werk voor het leger. Met een etter van een kerel kreeg ze nog eens zes kinderen: “… Als je je kinderen niet kunt voeden, is het ook ingewikkeld van ze te houden…”. Als kringen in het water vloeit de pijn en boosheid door naar volgende generaties. Alsof een ondergrondse rivier de grond onder haar voeten wegspoelt, schrijft Vajakina, en voortdurend haar krachten ondermijnt.

 

Taal

Ze heeft last van achtervolgingswanen en hallucinaties. Het schrijven van haar boek functioneert als therapie. Langzaam heelt haar wond: “… Ik had het idee dat afscheid nemen van die wond betekende dat ik afstand doe van mijzelf, dat ik een deel van mezelf verlies…”. Ze rekt de tijd daarom zoveel ze kan. De relatie met haar moeder was misschien niet ideaal, maar ze gaf Vasjakina wél haar taal. Misschien is haar boodschap vooral dat we moeten wachten met oordelen over de ander – tot we in zijn schoenen staan.

 

Uitgave: Van Oorschot – 2024, vertaling Yolanda Bloemen & Seijo Epema, 264 blz., ISBN 978 902 821 404 0, 25,-

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier