Leviticus is het derde van de 66 boeken waaruit de (protestantse)
Bijbel bestaat. Rabbijn Jonathan Sacks (1948-2020) neemt de lezer mee in de
diepe gelaagdheid van Leviticus. Eerder besprak ik van hem: “Genesis: boek van het begin” en “Exodus: boek van de bevrijding”.
Eeuwige principes van heiligheid
Sacks begint zijn boek met een uitgebreide inleiding,
omdat ‘Wajikra’ (‘Hij – God - riep’), een andere naam voor ‘Leviticus’ (‘zaken
met betrekking tot de levieten’), van alle Bijbelboeken misschien wel het meest
uit de pas loopt met de hedendaagse cultuur. En toch: hier horen we voor het
eerst het gebod ‘Heb je naaste lief als jezelf’. Leviticus is ook de bron van
een nóg
hoger moreel principe: ‘Heb vreemdelingen lief als jezelf, want jullie zijn
zelf vreemdelingen geweest in Egypte’. Het is Leviticus dat opdraagt om anderen
hun vrijheid te gunnen en respect te hebben voor de grenzen van de natuur.
Actueler kan bijna niet. Het opmerkelijkste van alle voorschriften in Leviticus
is wel de opdracht om heilig te zijn. Omdat God heilig is. Mensen zijn niet
alleen geschapen naar Gods beeld, maar ook geroepen om te handelen zoals God
handelt. De offer- en reinheidsvoorschriften blijken niet zomaar een rariteit die
je kunt overslaan, maar ontvouwen zich tot eeuwige principes van een duurzaam
en heilig leven. In Leviticus bereikt het volk een kantelpunt: eerst werden de Israëlieten
door God bij de hand genomen, nu zijn zij voorbereid op het zelf doen en eigen
verantwoordelijkheid te dragen.
De stem van de priester
“… Als het centrale boek van de Tora vormt Leviticus
de as waar de andere vier omheen draaien…”. Het vertolkt de stem van de priesters en gaat
over ‘de wet van de priesters’: de ‘Torat Kohaniem’, de oorspronkelijke naam
van het boek. Het Joodse volk werd bij de berg Sinaï dan ook opgeroepen ‘een
koninkrijk van priesters’ te zijn, een ‘heilige natie’ (Exodus 19:6). Met
Leviticus begon het Joodse onderwijs over Gods woord en wil: “…’ Laat wie
rein is komen en de reinheid bestuderen’, zeggen de wijzen…”. ‘Torat
Kohaniem’ worstelt met enkele van de diepste vragen van de religie: hoe kunnen
wij ons in een eindige wereld verhouden tot een oneindige, onzichtbare God? Hoe
gaan we om met ‘religieuze inspiratie’? “… Wajikra gaat over de vraag waarom
liefde de wet nodig heeft en de wet liefde. Het gaat over alledaagse daden van
toewijding die twee wezens bij elkaar brengen, ook al is de een groter dan het
heelal en de ander een sterveling van vlees en bloed…”. Leviticus bestaat
uit drie delen. Het eerste deel gaat over het heilige, het tweede over de grens
tussen het heilige en de wereld, en het derde over hoe wij het heilige naar de
wereld kunnen brengen. Bij oppervlakkige lezing lijkt de tekst vooral over
rituelen te gaan, maar daaronder speelt zich een intens menselijk en
metafysisch drama af.
De crisis rond het gouden kalf
Leviticus is volgens Sacks de reactie op de crisis rond
het gouden kalf. Wajikra speelt zich niet op de berg Sinaï
af, maar in ‘de tent van ontmoeting’. Het volk was in paniek geraakt toen Mozes
wegbleef. Hoe zouden zij zonder hem het woord van God kunnen horen? Het kalf
was dan ook geen afgodsbeeld, maar een orakel: een punt waar goddelijke
communicatie plaatsvond. Zie de ruimte tussen de cherubs op de ark des verbonds, waarover
in Exodus 25:22 iets vergelijkbaars wordt gezegd. God spreekt met Mozes af dat
Hij hem daar zal ontmoeten en te woord staan. Omdat de provocaties van het volk
Gods woede opwekken, wil Hij niet langer in hun midden verkeren: “… Het zou
te gevaarlijk zijn voor God om dicht bij het volk te verkeren…”. In plaats
daarvan zal Hij een engel sturen (Exodus 33). Daarop plaatst Mozes zijn tent
buiten het kamp en spreekt hij met God over Zijn transcendentie en
onvoorspelbaarheid. Geen van de goden in de oudheid stond zo op afstand. Bovendien
maakten zij deel uit van de cyclische natuur: uiteindelijk veranderde er niets,
wat een geruststellende gedachte is. De God van Israël daarentegen schiep de
geschiedenis, waardoor je nooit weet waar de weg naartoe zal leiden. Dat is
angstaanjagend.
Een nieuw soort religieus leider: de priester
In het Jodendom werd ‘taal’ de fundamentele oplossing
voor de afstand tussen God en mensen. Dat werkt goed bij individuen; een hele
natie tegelijk aanspreken is moeilijker. Daarom moeten de Israëlieten
een ‘heiligdom’ maken waarin God komt wonen (Exodus 25:8). Deze goddelijke
inwoning noemen de rabbijnen ‘sjechina’. De relatie tussen God en het volk wordt
bemiddeld door een nieuw soort religieuze leider: de priester. Mozes was een
profeet. Het priesterschap is dynastiek, niet charismatisch, waardoor het
immuun is voor de wisselvalligheden van de tijd. De priester bewaakt de
grenzen. Oneindigheid een plaats geven in de ruimte en eeuwigheid een plaats
geven in de tijd is levensgevaarlijk. Volgens Jeremia 7:22-24 was de hele
offercultus in eerste instantie niet de bedoeling van God, maar een
face-to-face relatie bleek dodelijk. “… Het was als samenbrengen van
materie- en antimateriedeeltjes. Als die twee botsen, is het resultaat
vernietiging. Het is van het grootste belang om die twee uit elkaar te houden…”.
Even verder: “… Het idee dat God ruimte en tijd kan binnengaan is even
paradoxaal als relativiteit, kwantumfysica, zwarte gaten, vreemde
aantrekkingskrachten, Higgsdeeltjes en andere contra-intuïtieve
verschijnselen op extreem grote of kleine schaal. Het heilige is niet eenvoudig
of gewoon. Waar oneindigheid eindigheid ontmoet, is gevaar. Veiligheid wordt
geboden in de vorm van wetgeving…”. De priester bewaakt de orde in een
wereld waarin mensen steeds opnieuw chaos creëren, zodat de goddelijke
aanwezigheid in het hart van het Israëlitische kamp blijft. Het volk moet er
voortdurend aan herinnerd worden dat God in hun midden is. “… Heiligheid is
het bewustzijn van de ‘sjechina’…”. Alleen zo kan heiligheid – ‘kedoesja’ -
overleven. Het vernis van de beschaving is dun. De onderstromen van het
onbewuste donker. Elke dag is een ontmoeting met het goddelijke.
Scheurtjes in het weefsel van de eindigheid
Voor Jonathan Sacks is heiligheid ‘leegte’: lege ruimte
en lege tijd. Zie het heilige der heiligen in de tabernakel en de sabbat. Zie
de Joodse mystiek. “… Voor de mysticus is het onzichtbare echt, terwijl het
zichtbare onecht is, niet meer dan een masker dat het goddelijke verbergt. De
rationalist ziet de wereld en vraagt zich af of God wel echt bestaat. De
mysticus ziet God en vraagt zich af of de wereld wel echt bestaat…”. God
maakt het universum mogelijk door zich als het ware terug te trekken: ‘tsimtsum’
(Jesaja 45:15). Door zelfbeperking schept God ruimte voor de mens. Zo ontstaat
menselijke vrijheid: God grijpt niet in wanneer Adam en Eva zondigen. Er doemt
echter een probleem op: wat is het verschil tussen een verborgen God en géén
God? Daarom zijn epicentra van heiligheid ontstaan, waarin de méns zichzelf
beperkt: om ruimte te maken voor God. “… Het universum is de ruimte die God
maakt voor de mens. Het heilige is de ruime die de mens maakt voor God…”. Zie
wat Hartmut Rosa in “Democratie vraagt om religie” zegt over ‘leren luisteren’
in de kerk. Ruimte of tijd die onheilig is - het seculiere - is vol eindigheid
en verstoken van het goddelijke. Ruimte of tijd die heilig is, vormt
daarentegen een ‘liminale ruimte’, verstoken van menselijke gedachten en
verlangens en gevuld met goddelijke aanwezigheid. God vraagt geen voortdurende
menselijke verzaking - dat zou immers de bedoeling met de schepping van de mens
ondermijnen: ‘bevolk de aarde en breng haar onder je gezag’. “… Daarom
vraagt Hij het van sommige mensen, op sommige momenten. Hij vraagt het één
volk, de Israëlieten; van één land, het land Israël;
en op één plaats, Israëls heiligdom. Het zijn
scheurtjes in het weefsel van de eindigheid, vensters waardoor oneindig licht
de wereld binnenstroomt…”. Hoe gevaarlijk dit licht kan zijn, bewijst de
dood van Nadab en Abihu wel (ze brachten ‘vreemd’ vuur mee: de priesters
mochten zich echter niet spontaan gedragen, de profeten wel). “… Het heilige
moet worden beschermd, bewaakt, geïsoleerd, bijna zoals
kernenergie...”. Het heilige vereist dat het ‘ik ben’ stilvalt in de
overweldigende aanwezigheid van ‘er is’. De elementaire activiteit met
betrekking tot het heilige is ‘het offer’ in de breedste zin van het woord: “…
God offert iets van zichzelf om ruimte te maken voor ons. Wij offeren iets van
onszelf om ruimte te maken voor God. De priesters zijn de hoeders van het
heilige en krijgen de opdracht om zelf zo ver mogelijk weg te blijven van het
gewone, het alledaagse, het sterfelijke – en vooral van de dood…”.
Een choreografie van liefde
Het fundamentele offer in het jodendom is het offer van
de wil: “… Zoals het afgoderij is om andere mensen te aanbidden in plaats
van God, is het slavernij om je vrijheid te offeren aan andere mensen in plaats
van God…”. Het wezenlijke van het offer is de verzaking. Daarom kon er na
het verlies van de tempel ook zo makkelijk een vervanging voor de offerdienst
worden gevonden in de vorm van gebed, studie van de Tora, armenzorg en
gastvrijheid. Het religieuze leven bleef intact. In “The Watchman’s Rattle” schrijft
Rebecca Costa dat culturen sterven, omdat hun problemen te complex worden: zie
wederom Hartmut Rosa in “Democratie vraagt om religie”. Het Jodendom kon heel
snel schakelen, onder andere omdat het toekomstgericht is: zie Genesis 23:2-3. Daden
van goedheid en vriendelijkheid zijn even goed als offers: zie Hosea 6:6.
Woorden kunnen de plaats van een offergave innemen: zie Hosea 14:3. Berouw is
een offer: zie Psalm 51:19. De offercultus is geen doel, maar een middel: zie
Jesaja 58:5-7. Het offer is een relatiegeschenk. Het offer is een gebaar van
liefde. “… Er bestaat geen liefde zonder bereidheid om te offeren…”. Het
priesterlijk ritueel is een choreografie van liefde. Het offer focust op heiligheid,
niet op moraal. Heiligheid draait om onze relatie met God. Moraal heeft te
maken met onze relatie met mensen. Moraal is universeel; heiligheid is
particulier. Moraal heeft voorrang op heiligheid als beide met elkaar in
conflict komen. “… Heiligheid is dan ook geen excuus voor het falen in
morele zin…” (zie “Beminde” van Toni Morrison). God kan niet worden
omgekocht. Je kunt morele overtredingen niet compenseren door offers te
brengen. De tempeldienst kan niet misbruikt worden om het geweten te sussen.
Bovenkant
formulier
Onderkant
formulier
Reinheid versus onreinheid
De goden van andere volken waren afkomstig uit de natuur.
De God van Israël niet: “… Het verschil tussen God en de natuur, tussen
God en de ‘menselijke’ natuur, is totaal…”. Sacks: “… Als het ‘heilige’
de ruimte is die we voor God maken, dan is reinheid wat ons toestemming geeft
om die ruimte te betreden, en onreinheid wat ons daarvan weerhoudt…”. Even
verder: “… De belangrijkste gemeenschappelijke factor bij de verschillende
vormen van onreinheid is dat ze te maken hebben met ‘sterfelijkheid’, met het
feit dat we belichaamde wezens zijn in een fysieke wereld, blootgesteld aan
‘duizend aangeboren angsten’…” (zie “Hamlet” van William Shakespeare). Om
de heilige ruimte binnen te gaan moet de mens zich van alles wat relateert aan
sterfelijkheid, ziekte en verval ontdoen, zoals bloedverlies (menstruatie,
bevallingen) en melaatsheid van de huid, kleding (verkleuring) en de muren van
huizen (schimmel). Het gaat om ‘onderscheid maken’. Zie hoe God de wereld
schiep door orde te scheppen in de chaos: door scheiding te maken tussen licht
en donker, tussen de wateren boven en beneden, tussen zee en droog land.
Voedselwetten kennen dezelfde orde. Kreeften zijn onrein omdat ze zowel in het
water als op het land leven. Herkauwers zijn rein omdat ze alleen ‘groene
planten’ eten. Vleesetende dieren zijn onrein omdat dat in de begintijd
verboden was. Melk is een symbool van leven en vlees een teken van de dood. De
wetten tegen het kruisen van dieren en het planten van gemengde zaden worden
ineens een stuk begrijpelijker nu we in onze tijd hebben ontdekt hoe
gemakkelijk het is om het kwetsbare ecologische evenwicht waarvan het leven
afhankelijk is te verstoren. Moeder natuur heeft haar eigen integriteit:
“… Tegenover de natuur moet er eerbied en terughoudendheid zijn…”.
Seksuele ethiek
“… Alles wat de grenzen vervaagt, is onrein…”. Zie
de seksuele ethiek: “… Niets verstoort op lange termijn de sociale orde meer
dan seksuele anomalie…”. Als je daar tegenwoordig niet van doordrongen
bent, lees je vast geen krant en kijk je waarschijnlijk geen journaal. “… De
hedendaagse dionysische cultuur met zijn vrijblijvendheid op seksueel gebied,
is verre van modern. Het was precies die fase waarin het oude Griekenland en
Rome verkeerden vóór hun verval en ondergang…”. Sacks: “… Het
jodendom is noch hedonistisch, noch ascetisch. Het gaat om heiliging van het
verlangen…”. Vandaar de besnijdenis, die biologie verandert in
spiritualiteit. De evolutionair bioloog David Buss stelt in “The Murderer Next Door” de vraag wat mensen ertoe brengt elkaar te doden. Zijn antwoord wijst
onder meer naar seksuele begeerte. Het merendeel van moorden wordt gepleegd
door mannen, wat volgens hem samenhangt met competitieve, evolutionaire
dynamieken. De chaostheorie in de Tora weet van kleine grensoverschrijdingen
die op den duur tot anarchie en tirannie leiden. Zie de verbanning uit de Hof van Eden: binnen één generatie vond de eerste moord plaats en het duurde
niet lang of ‘de aarde was vol geweld’ (Genesis 6:11). Omdat de priesterlijke
fijngevoeligheid beseft hoe snel beschaving kan verkeren in barbarij is ze
waakzaam bij het handhaven van de ‘gezegende hartstocht voor orde’.
Monotheïsme en monogamie
William Tucker schrijft in “Marriage and Civilization” dat door het unieke contract van monogamie, leden van de groep elkaar niet langer
als rivalen zagen en samen gingen werken: op dit kruispunt werd de beschaving
geboren. Er is meer dan een toevallig verband tussen monotheïsme
en monogamie. In de Bijbelboeken Hosea en Hooglied wordt de relatie tussen God
en zijn volk vergeleken met een huwelijk: een band van wederzijdse
loyaliteit en liefde waarin beiden de belofte doen om elkaar te dienen. Hoe we
ons tot God verhouden, heeft invloed op hoe we ons tot anderen verhouden, en
andersom.
Rituelen
Sacks: “… We ontmoeten God niet alleen in de donder en
bliksem van de berg Sinaï, maar elke ochtend en avond in
ritueel en routine…”. Geloof bestaat niet alleen in het vuur van
romantische liefde, maar ook in de dagelijkse genegenheid van een goed
huwelijk. “… God is niet alleen te vinden in het drama, maar ook in continuïteit…”.
Het ritueel creëert een collectieve identiteit. Het communiceert betekenis
niet door spreken (taal stelt ons ook in staat te liegen), maar door doen. Het
is een gezamenlijke opvoering. “… De diepte en breedte van dit sociale
karakter hangt samen met ons vermogen om samen te bidden, samen te belijden,
samen te vieren…”. Zonder ritueel geen gemeenschap. Een natie met sterke
individuen moet des te meer bijeen worden gehouden door rituelen. Rituelen
ontroeren vanwege hun rust en schoonheid. “… Het ritueel wint het van het
nihilisme, het ontbreken van zin en betekenis als er niets is om zin en
betekenis in uit te drukken…”.
Orde versus wanorde
De priester zorgt voor orde en harmonie in het universum,
zoals een componist zorgt voor de noten in een symfonie en de architect voor de
elementen in een gebouw: “… Wanneer het menselijk handelen samenvalt met
Gods wil, wordt de orde beschermt tegen de steeds aanwezige dreiging van
chaos…”. Sacks: “… Wanneer we Gods geboden gehoorzamen, stemmen we
onszelf af op die structuur en het resultaat is zegen…”. De priester kent
de wet van spirituele entropie, die zegt dat alle systemen in de loop der tijd
energie verliezen. Daarom bestaat er iets als Grote Verzoendag. Zie ook de
wetten van het sabbats- en jubeljaar. De priester vertegenwoordigt datgene wat
niet verandert, omdat het verwijst naar de eeuwigheid. Hij zorgt voor een
sterke spirituele identiteit die ook in ballingschap en diaspora overleeft. De
rabbijnen democratiseerden het priesterschap. In het gebed werd elke Jood een
priester. Elke synagoge werd een deel van de tempel in Jeruzalem. Elke tafel
werd een altaar. De studie van de Tora werd een recht en plicht van iedereen: “…
In het rabbijnse jodendom realiseerde men uiteindelijk het visioen dat het volk
meer dan duizend jaar eerder had opgeroepen om ‘een koninkrijk van priesters,
een heilige natie’ te zijn. Het was een opmerkelijke overwinning op de
tragedie…”. Er ontstond een nieuw
soort leider: de leraar. “… Als mensen de grenzen laten vervagen – als
culturen dionysisch en nietzscheaans worden – beseft de priester dat er gevaar
dreigt…” (zie onder andere mijn blogs over “Romantiek” van Rüdiger
Safranski, “De verborgen geschiedenis” van Donna Tartt, "Oorlogsroes" van Ernst
Jünger,
en “Dius” van Stefan Hertmans ). Zie ook “De gezagscrisis. Filosofisch essay over een wankele orde” van Ad Verbrugge. God roept het volk op tot een leven
bewogen door zijn energie, verlicht door zijn uitstraling, getransformeerd door
afstemming op zijn wil en woord, en zo de ware diepte van vrede te ontdekken. Zie
de priesterlijke zegen (Numri 6:24-26).
Toeval
Is de geschiedenis ‘toeval’ of geloof je in Gods
‘voorzienigheid’? Zie Joseph Heller, die de geschiedenis in “Catch-22” omschrijft
als “… een vuilniszak met willekeurige gebeurtenissen die door de wind wordt
opengescheurd…”. Jonathan Sacks: “… In de meeste gevallen hangt het af
van onze eigen sensitiviteit. Voor wie goed kijkt, zal het zichtbaar zijn. Voor
wie werkelijk luistert, zal het hoorbaar zijn…”. God dringt zich niet op.
Als we ervoor kiezen níét te zien of te horen, zal Gods stem onhoorbaar blijven.
“… De geschiedenis zal niet meer lijken dan ‘een sprookje / door een gek
verteld, vol dolheid en rumoer / dat niets beduidt…” (William Shakespeare
in “Macbeth”). Het is een zelfvervullende profetie: “… Als je gelooft dat
geschiedenis toeval is, dan zal dat ook zo zijn…” . Alleen al het feit dat
het Jodendom alle ellende die het tot nu toe is overkomen überhaupt
heeft overleefd, kan toch geen toeval zijn, denk ik dan. Het waren niet de
priesters, maar de profeten die God in de geschiedenis zagen. Zij waren de
kaartlezers van hun tijd. Volgens Maimonides, de grootste rabbijn van de
middeleeuwen, was het doel van Leviticus de offercultus helder te omschrijven
en aan banden te leggen, zodat die op den duur helemaal afgeschaft kon worden.
Hij zag de offers als een tussenstation op weg naar zuiver monotheïsme.
God wilde de Israëlieten losweken van de afgodendienst; daar was tijd voor
nodig. Hetzelfde gold voor de slavernij, die wel werd toegestaan, maar ook
beperkt werd.
De dierlijke en goddelijke ziel
Wij hebben twee zielen, aldus de Joodse mystici: een
dierlijke en een goddelijke ziel. Wat wij God aanbieden in het offer, is het
dierlijke in ons, zodat het kan worden getransformeerd in het goddelijke. Het
doet me bijna aan het Chinese yin-yangsymbool denken: wijsheid is universeel.
Geen enkel dier is in staat tot zelftransformatie. Wij wel. Wij zijn meer dan
onze zelfzuchtige genen; wij zijn spirituele wezens (zie ook: Karen Armstrong
in “Compassie”). Mensen hebben een kudde-instinct. Heiligheid betekent je
losmaken van de kudde en je eigen weg gaan. “… Kadosj, het heilige, is iets
wat apart wordt gezet, dat anders is, onderscheid maakt…”. Jonathan Sacks
heeft het over de drie dimensies van zonde. De eerste is schuld en schaamte: ons
geweten vertelt ons dat we verkeerd bezig zijn. De tweede is dat we het morele
evenwicht in de wereld verstoren: onze daden laten sporen na. De
derde is dat zonde ons ‘bezoedelt’: zonde kan zowel fysieke als psychologische
gevolgen hebben.
Mensenoffers
Rabbi Joseph Albo gaf een van de meest intrigerende
antwoorden op de vraag waarom God het offer van Kaín niet, en van Abel wél
aannam. Volgens hem doodde Kaïn, die groenten offerde, zijn broer
Abel, die een dier offerde, om een ‘mensenoffer’ te brengen. Kaïn
zag geen verschil tussen een mens en een dier. Na de zondvloed gaf God mensen
toestemming om vlees te eten en dus dieren te doden in plaats van mensen, want
de mens loopt nu eenmaal over van agressie. Zie René Girard, die betoogt dat
offers een vervanging zijn van het geweld tegen mensen. Mensen kunnen in een
eindeloze cyclus van wraak terechtkomen, waarbij volgens Michael Ignatieff vaak
niet wordt begrepen dat wraak - moreel gezien - een verlangen is om de doden
trouw te zijn, hen niet te vergeten en hun zaak voort te zetten. Misschien is
het daarom een goed ding geweest dat de koning excuses heeft aangeboden voor
de slavernij van eertijds. Zie hoe Toni Morrison in haar roman “Beminde”
beschrijft hoe het slavernijverleden blijft door spoken.
Dankoffer
Jood zijn is dank offeren: “… Als volk hebben we de
naam gekregen van Lea’s vierde zoon, Juda, die hem werd gegeven door zijn
moeder…”. Toen hij werd geboren, zei ze: “… Nu zal ik de HEER loven!...”
(Genesis 29:35). Uit onderzoek blijkt dan mensen die dankbaar zijn voor wat
ze hebben, gezonder zijn en langer leven dan mensen die gedreven worden door
een gevoel van gebrek - de gangbare levenshouding in een
consumptiemaatschappij.
Het verbod op het eten van bloed
De Israëlieten mogen geen bloed eten vanwege
de associatie met afgodendienst. Volgens Maimonides geloofden sommige volken
dat bloed het voedsel van geesten was en dat ze door bloed te eten ‘iets gemeen
zouden hebben met hen’. Nachmanides meent dat bloed eten ons wreed, beestachtig
en dierlijk maakt. “… Mensenoffers waren wijdverbreid in de oudheid. Bij de
Grieken, bijvoorbeeld, eiste de god Kronos mensenoffers. De maenaden,
vrouwelijke aanbidders van Dionysus, zouden hun slachtoffers levend met de
handen hebben verscheurd en opgegeten. De Azteken van Zuid-Amerika brachten op
grote schaal mensenoffers in de overtuiging dat de zon zonder de kracht van
menselijk bloed zou sterven…”. Barbara Ehrenreich schrijft in haar boek
“Blood Rites: Origins and History of the Passions of War” dat het offerritueel
in veel opzichten een nabootsing was van een aanval door roofdieren. Het eten
van een slachtoffer hield de roofdieren tijdelijk bezig, waardoor de rest van
de groep kon ontkomen. “… Dat heeft tot een dubbele erfenis geleid: ten
eerste, de menselijke drang om zich te verenigen bij dreigend gevaar van
buitenaf; ten tweede, de bereidheid om zich op te offeren voor de groep…”.
Het is nog altijd zo dat mensen opgewonden kunnen raken bij het vooruitzicht
van bloedvergieten. “… Het verklaart ook waarom mensen zo gemakkelijk te
mobiliseren zijn door het schrikbeeld van een externe vijand op te roepen…”.
Evolutionaire psychologen stellen dat deze genetische restanten uit vroeger
tijden, juist omdat zij niet rationeel zijn, niet door het verstand bezworen
kunnen worden. Ik zou bijna zeggen: kijk het gesprek over de oorlog in Oekraïne
waarin een uiterst emotionele Joris Luyendijk Ad Verbrugge ervan beschuldigt te
veel na te denken (De Nieuwe Wereld 14.05.26).
De heiligheid van taal
Het Jodendom is vooral een religie van heilige woorden.
Met woorden schiep God het heelal. Denk aan het ‘verbond’: het ‘woord’ dat
hemel en aarde verbindt. Met diezelfde kracht kunnen we anderen kapot maken. Daarom
is in het Jodendom de taal zelf heilig en geldt het verkeerd gebruiken van taal
– kwaadspreken – als een vorm van heiligschennis, die in de tijd van Leviticus werd
bestraft met melaatsheid: een kwaal die je jezelf aandoet. Waarheid is niet het
enige wat telt; gesprekken gaan ook over het in stand houden van relaties. Taal
kan de sfeer maken en breken en hangt nauw samen met emotionele intelligentie. “…
Slecht over iemand spreken kleineert de ander, goed over iemand spreken helpt
de ander groeien. Slecht spreken drukt de mensen neer, goed spreken verheft
ze…”. De evolutiepsycholoog Robin Dunbar stelt dat spreken bij mensen
dezelfde functie heeft als vlooien bij primaten. Sociale media hebben bovendien
een nieuwe dimensie toegevoegd aan de destructieve mogelijkheden van
kwaadspreken. Zie Jonathan Haidt in “Generatie Angststoornis”. Sacks staat stil
bij het zogenoemde ‘ontremmingseffect’ van internet, waardoor mensen dingen
zeggen die ze in een persoonlijke ontmoeting nooit in de mond zouden nemen. Denk
aan het verhaal van de ring van Gyges uit de Griekse mythologie. Sacks schrijft
dat veel van de ergste christelijke Jodenvervolgingen in de middeleeuwen werden
aangewakkerd door bekeerde Joden en verdeeldheid in de Joodse gemeenschap. Zie
hoe rabbi Meïr
Loeb ben Jechiël Michal Malbim, rabbi Zvi Hirsch Chajes, rabbi Azriël
Hildesheimer, rabbi Jitzhak Reines, rabbi Joseph Soloveitchik en rabbi Zalmanvan Liadi zijn behandeld. Zie ook Karl Marx in zijn essay ‘Over de joodse kwestie’. Sacks: “… Liefhebben betekent niet dat je onkritisch bent, maar
het impliceert wel loyaliteit…”.
Zondebok-denken
Sacks heeft het over het raadselachtige ritueel rond Jom Kipoer inzake de zondebok, die naar Azazel werd gestuurd - de woestijn in - terwijl
een andere bok werd geofferd. Een en ander schijnt verband te houden met het
onderscheid tussen een schaamte- en schuldcultuur.
Schuld kan worden vergeven, maar de schaamte blijft hangen; daarom wordt de
zondebok, als zinnebeeld van schaamte, weggestuurd. Sacks behandelt het
zondebokfenomeen aan de hand van het werk van René Girard: “… Het projecteren
van geweld of spanningen binnen een groep op onschuldige buitenstaanders, door
hen tot zondebok te maken en te doden om de eigen groep te vrijwaren, is een
van de meest boosaardige ideeën ooit van de menselijke geest…”. Denk
aan de hedendaagse complottheorieën. Denk aan de demonisering van Joden,
die zo vaak heeft geleid tot pogroms, bloedbaden en pogingen tot genocide.
“… Samenlevingen vinden het gemakkelijker om een bepaalde groep de schuld te
geven dan open en eerlijk de eigen problemen onder ogen te zien…”. Even
verder: “… Degenen die anderen de schuld geven en zichzelf als slachtoffer
definiëren, zijn voorbestemd om slachtoffer te blijven. Degenen
die verantwoordelijkheid aanvaarden, veranderen de wereld omdat ze hebben
geleerd om zelf te veranderen…”.
De tweeling ín ons
De twee bokken staan ook symbool voor de beroemdste
tweeling in de Tora: Jakob en Esau (zie onder andere Willem Ouweneel in “Israël
en de hiel van Ezau”). Sacks brengt deze tweeling in verband met ons brein,
specifiek met ‘snel’ en ‘langzaam’ denken. “… Esau is in de Tora niet de
belichaming van het kwaad. Hij is eerder het toonbeeld van impulsiviteit…”.
Anders dan de verlichtingsdenkers dachten, blijkt uit modern onderzoek dat we
eerder gedreven worden door emoties dan door ratio (zie Antonio Damasio in "Descartes’
Error" en Daniel Kahneman in “Thinking, Fast en Slow”). Zonder emoties
kunnen we niet leven, keuzes maken of liefhebben, maar dat betekent niet dat
alle emoties goedaardig zijn. “… We hebben allemaal een Esau en een Jakob in
ons, een impulsief en emotioneel brein en een reflexief en bedachtzaam brein…”.
Wie ben ik? Dat is de vraag die Jom Kipoer ons voorhoudt.
Bovenkant
formulier
Onderkant
formulier
Tesjoeva
Rabbi Akiva, een man met een reusachtige geestkracht,
wist het Jodendom na de verwoesting van de Tweede Tempel te ‘reframen’. Hij
lanceerde het begrip ‘tesjoeva’ - innerlijke terugkeer, omkeer, inkeer, berouw
- als alternatief voor het offerritueel. Het individu had niet langer iemand nodig die namens hen of haar boete
deed. Voortaan was iedereen priester. Wat nodig was, was een innerlijke omkeer
van de ziel naar God: “… Dit is wat hij ontdekte; dat het enige dat God
nodig heeft om naar ons terug te keren, is dat wij terugkeren naar God…”.
Het Heilige Land
Waarom heeft Israël land nodig? Nachmanidus geeft een
mystiek antwoord: ‘… Onder alle andere landen heeft God middelaars aangesteld (engelen, sterren, hemelse krachten). Alleen in Israël is zijn
voorzienigheid rechtstreeks en zonder bemiddeling. Dat is wat het land zijn
heiligheid geeft…”. Even verder: “… Eenieder die buiten het land (van
Israël)
leeft, is alsof hij geen God heeft…”. De Tora is de grondwet van een
heilige natie en een heilig land. De Joden hebben de opdracht om de goddelijke
aanwezigheid naar de aarde te brengen. Een heilig volk heeft een heilig land
nodig.
Heiligheid is van ons allemaal
Leviticus 19:1-2 proclameert de radicale democratisering
van heiligheid. De tekst stelt “… Een ‘manzeer talmied chacham’, een
Torageleerde van onwettige geboorte, zeggen de wijzen, is groter dan een ‘am haärets
kohen gadol’, een onwetende hogepriester…”. John F. Kennedy zinspeelde in
zijn inaugurele rede dan ook op de ‘revolutionaire overtuiging’ dat ‘de rechten
van de mens niet voortkomen uit de edelmoedigheid van de staat, maar uit de
hand van God’. Volgens Leviticus moet het leven zélf geheiligd worden: “…
Heiligheid is van ons allemaal als we ons leven veranderen in dienst van God en
van de samenleving een huis maken voor Gods aanwezigheid…”.
Sjaloom
De zogenaamde heiligheidswet in Leviticus 19 bevat grote
morele geboden, maar ook schijnbaar irrationele opdrachten. De fundamentele
waarheid is dat één enkel systeem niet in staat is om recht te doen aan het
morele leven. Er is een combinatie van meerdere perspectieven nodig: de stem
van de koning spreekt recht, de stem van de profeet verwoordt het visioen en de
stem van de priester vertegenwoordigt de Tora. Wijsheid is een eigenschap die vaak
aan koningen wordt toegeschreven; denk aan Salomo. De stem van de wijzen geeft
goede raad en verstandig advies. Wijsheid is verstandig, degelijk, behoedzaam,
tactvol en vermijdt excessen en extremen. De profetische stem is daarentegen
hartstochtelijk en radicaal. De priesterlijke stem keert zich tegen het
conflict als basismodel van de wereld. In Genesis is er geen strijd tussen de
goden en geen botsing van elementen. God schept orde. Hij is ‘sjaloom’, wat
meer is dan ‘vrede’. Het betekent ook voltooiing, heelheid, integratie, orde in
complexiteit, harmonie (zie Carry van Bruggen over ‘eenheid in
verscheidenheid’). Daarom beschermt de priester de delicate orde tegen de
chaos. Alles heeft zijn plaats binnen die orde. Een geordende wereld leeft in
vrede met zijn Schepper en zichzelf.
Morele geletterdheid
Het gebod om heilig te zijn is Gods oproep aan ons om
‘een ander mens’ te worden. Je kunt je aan alle Joodse wetten en regels houden
en toch een vreselijk mens zijn. Het ‘wandelen in Gods wegen’ is uiteindelijk
niet in wetten te vangen. Er is een morele en spirituele dimensie die niet in
minutieuze regelgeving is te verwoorden. Dat heeft te maken met zelfbeheersing,
matiging, zachtmoedigheid, sensitiviteit en vele andere vormen van ‘morele
geletterdheid’, die niet uit een boek te leren zijn. “… Heiligheid is niet
alleen wat we doen, maar ook het soort mens dat we worden…”.
Groot misverstand
Het wijdverbreide geloof in het Westen dat het in de
Hebreeuwse Bijbel gaat om wraak en vergelding - ‘oog om oog’ - terwijl de
evangeliën
de liefde als onvoorwaardelijk en universele norm naar voren zouden brengen,
berust op een groot misverstand. Sterker nog, de Hebreeuwse Bijbel is juist de
bron van de liefdesgeboden. Zie Leviticus 19:17-18 en Leviticus 19:33-34. Een andere aanklacht van
christenen tegen Joden is dat de God van het Oude Testament een God van wraak
zou zijn, terwijl goddelijke vergeving juist de kern vormt van de heiligste dag
in het Joodse jaar: Jom Kipoer. Zie Exodus 34:6-7 en Ezechiël 18:23. In
Leviticus 19:18 wordt het ronduit verboden wraak te nemen en wrok te koesteren.
Het begrip vergeving is ontstaan in het oude Israël. Het christendom ontleent zijn
vergevingsethiek rechtstreeks aan het Jodendom. Het enige gezonde alternatief
voor wraak is een samenleving waar het recht functioneert. Er moeten zowel
gerechtigheid als liefde zijn, wil de mensheid kunnen overleven. Sommige vormen
van gerechtigheid kunnen alleen door God tot stand worden gebracht; daarom zegt
God: ‘Mij komt de wraak toe’. Miroslav Volf, een Kroatisch theoloog tijdens de
etnische burgeroorlog in voormalig Joegoslavië: “… Mijn stelling dat de
praktijk van geweldloosheid geloof in de goddelijke wraak vereist, zal bij veel
christenen, vooral theologen in het Westen, niet populair zijn…”.
Identiteit
Als Gods getuigen zijn de Joden verantwoordelijk voor Gods ‘goede
naam’: de manier waarop het volk van God zich gedraagt, beïnvloedt hoe God zelf
wordt gezien. Leviticus 23 gaat over ruimte maken voor God in de tijd: “… Op
de sabbat nodigt God uit. Op de feestdagen doen wij dat…”. Over ‘werk’: “…
Zolang de Israëlieten volledig afhankelijk waren van God, morden ze, waren ze
ondankbaar, opstandig en onvolwassen. Dat is wat afhankelijkheid met mensen
doet. Het stopt de groei van ons karakter. De eerste keer dat de Israëlieten
hun waardigheid verkregen, was toen ze samen aan de tabernakel bouwden. Ze
gingen aan het werk…”. Over Soekot, het Loofhuttenfeest: “… De mensheid
bestaat uit overeenkomsten en verschillen. De verschillen geven ons onze
identiteit. De overeenkomsten geven ons onze menselijkheid. Als we totaal
anders zouden zijn, zouden we niet kunnen communiceren. Als we geheel hetzelfde
waren, zouden we elkaar niets te zeggen hebben. Soekot brengt beide aspecten
samen: ons unieke karakter als volk en onze deelname aan het universele lot van
de mensheid…”. Het bundeltje van de ‘vier soorten’ – een palmtak, een
citrusvrucht, mirtetakjes en wilgenbladeren - waarmee wordt gezwaaid, verwijst
naar de behoefte aan regen, die alle landen, vooral in het Midden-Oosten, nodig
hebben. De loofhut verwijst naar de particuliere geschiedenis.
Godslastering
De boodschap van Leviticus is steeds opnieuw dat het leven heilig
is. “… Het kwetsen van God leidt uiteindelijk tot het kwetsen van mensen.
Spirituele zonden leiden tot fysieke wandaden. Zodra de grenzen niet langer
worden gerespecteerd, begint er een proces dat misschien niet onmiddellijk,
maar wel uiteindelijk leidt tot het ineenstorten van een beschaving…”. Zie
de parabel over “De dwaas” van Nietzsche. “… Wanneer mensen hun vrees voor
God verliezen, zullen ze uiteindelijk ook andere remmingen verliezen. Het
worden impulsieve wezens vol verlangens, en het einde van deze lange weg is
geweld…”. Verbaal geweld leidt tot fysiek misbruik: “… een gevoel voor
het heilige is wat ons boven het instinct verheft en ons beschermt tegen
schadelijke driften. Wat begint met het onteren van God, eindigt met het
ontheiligen van mensen…”.
De eigenaar van alle dingen
Uiteindelijk is God de schepper en eigenaar van alle dingen.
Daarom baseert Leviticus 25 zijn visie aangaande sociale rechtvaardigheid op een
fundamenteel rechtsbeginsel: het eigenaarschap van God. “… Volgens de wijzen
herhalen we dit principe telkens als we een zegening uitspreken over iets
waaraan we vreugde beleven…”, bijvoorbeeld ons eten en drinken. Wij zijn
slechts vreemdelingen en tijdelijke bewoners van de aarde. Idealiter zouden
mensen elkaar moeten helpen uit goedheid, empathie, liefde en mededogen: vanuit
ons betere zelf. Zie Leviticus 19. Er zijn zaken, zegt de Tora, die niet volledig aan de
grillen van de markt mogen worden overgelaten. Zie het sabbatjaar en jubeljaar.
In de Thora begint de betrokkenheid voor de publieke zaak binnen de familie: “…
Door te zorgen voor degenen die ons het meest nabij staan, leren we te zorgen
voor onze medeburgers en de samenleving als geheel…”. Daarom gebruikt Leviticus 25 herhaaldelijk
het woord ‘achicha’ - ‘je broer’ - terwijl eigenlijk ‘je volksgenoot’ wordt
bedoeld. Geschapen zijn ‘naar het beeld van God’ betekent geroepen zijn tot een
leven in vrijheid. “… Het was een ondermijning van de religieuze fundamenten
van de oude wereld. De vroege beschavingen – Mesopotamië, Egypte – waren
gebaseerd op machtshiërarchieën die men zag als de aard van de kosmos. Zoals er
(volgens hen) rangen en standen zijn bij de hemellichamen, zo ook op aarde. De
grote religieuze rituelen en monumenten werden ontworpen om deze hiërarchieën
te weerspiegelen en te ondersteunen. In dat opzicht had Karl Marx gelijk. In de
oudheid was religie opium van het volk. Het was de mantel van heiligheid die de
naakte wreedheid van de macht verhulde. Religie heiligde de status-quo…”.
God wilde dat de mens de slavernij zou afschaffen, maar wel door een bewuste keuze,
op zijn eigen tijd. In het Jodendom gaat het over idealen die in de loop van de tijd worden
verwezenlijkt door vrije beslissingen van vrije mensen. Het eindresultaat is
een vrijheid die bestendig is, in tegenstelling tot de vrijheid van filosofen,
die al te vaak uitloopt op nieuwe vormen van tirannie. De filosofie ziet de
waarheid als een ‘systeem’; de Tora zie de waarheid als een ‘verhaal’ dat zich
ontwikkelt en groeit. Het Jodendom gelooft in 'evolutie', niet in 'revolutie'.
Waarheid als dialoog
Het Joodse dialogische en chronologische denken heeft een kracht
die de westerse aristotelische logica niet kent. “… Het komt voort uit de
diepte die de werkelijkheid krijgt wanneer we aan de tweedimensionale aard van
de mensheid de derde dimensie toevoegen die God is…”. Zie bijvoorbeeld de
kwantumlogica, waarin twee dingen tegelijk waar kunnen zijn. Licht kan zowel
een golf als een deeltje zijn. Wat we niet ‘tegelijkertijd’ kunnen denken,
kunnen we vaak wel ‘na elkaar’ (chronologisch) denken. De wereld is niet
simplistisch en moralistisch op te delen in zwart en wit. Het is niet of/of,
maar zowel/als. Er zijn verschillende gezichtspunten die op zich allemaal waar kunnen
zijn. De enige manier om deze perspectieven te overbruggen is via dialoog, het
gesprek. Waar het gesprek ophoudt, begint het geweld – de poging om jou mijn
versie van de waarheid met harde hand op te dringen, wacht altijd in de
coulissen.
Xenofilie én etnocentrisme
In de Hebreeuwse Bijbel zijn rijkdom en macht geen voorrechten,
maar verantwoordelijkheden. Wij worden opgeroepen Gods partners te worden in het
bouwen aan een rechtvaardige wereld. Het toraproject van liefde combineert
liefde voor de naaste (etnocentrisme) met liefde voor de vreemdeling
(xenofilie). De suggestie van hedendaagse wetenschappers dat het antwoord op
identiteitsethiek ligt in het omarmen van kosmopolitisme - een wereld zonder
gemeenschappen - blijkt veel minder tolerant dan zij lijkt. Het geeft
aanleiding tot nieuwe gewelddadige spanningen Samenlevingen die het ontbreekt
aan ‘asabiya’, sociale solidariteit, gaan onherroepelijk ten onder.
Hoop
In seculiere culturen als de hedendaagse westerse wereld, waarin
het bestaan van het universum, van menselijk leven en bewustzijn wordt gezien
als een reeks toevalligheden die door niemand zijn gepland en zonder verlossend
doel, is het leven zinloos. Zie filosoof Doortje Smithuijsen in haar Boekenweekessay
“Ik zou uw dochter kunnen zijn”. Het Jodendom is de principiële afwijzing van
deze tragedie in naam van de hoop. Zie Ezechiël 37:11-12, een passage die bijna
een illustratie van de Holocaust lijkt. Op
een vreemde manier schept het geloof in vervloeking juist zegening. Uit
seculier onderzoek blijkt dat mensen aardiger worden als ze geloven dat iemand - God - toekijkt. Hoe meer we in God en de goddelijke voorzienigheid geloven, hoe
betrouwbaarder we worden. Hoe harder en
strenger God lijkt te zijn, hoe zachter en milder de mensen worden. De schuld
bij jezelf zoeken voor de dingen die misgaan in je leven is moeilijk. Maar een slachtoffermentaliteit
– het idee jij niets hebt ‘gedaan’, maar dat je iets is ‘aangedaan’ - leidt tot
boosheid, wrok, woede en een brandend gevoel van onrechtvaardigheid. Geen van
deze emoties leidt ooit tot vrijheid, omdat men bij een dergelijke
levenshouding noodzakelijkerwijs afstand doet van de eigen verantwoordelijkheid.
“… De keuze, zo zegt God, ligt in jouw handen. Je bent vrij om te doen wat je
wilt. Maar daden hebben gevolgen…”. Het Jodendom was de eerste virtuele
gemeenschap: een volk dat, ondanks ballingschap en verstrooiing, geestelijk één
bleef, door onzichtbare draden verbonden aan de Tora. Sacks eindigt zijn boek
dan ook met een sterke afwijzing van de christelijke ‘vervangingstheologie’; zie
onder andere Leviticus 26:44-45 en Jeremia 31:35-37.
Uitgave: Skandalon – 2020, vertaling Karl van Klaveren, 400 blz.,
ISBN 978 949 218 393 4, € 34,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier