Menu

maandag 23 maart 2026

Oorlogsroes – Ernst Jünger

 


Verder met de romantische volgelingen van Dionysos. KlausMann: “…Je moet wel een hysterische romanticus als Ernst Jünger zijn, om enig genoegen te beleven aan de barre verschrikking van de materiaalslag...” (met ‘Materialschlacht’ wordt een vorm van oorlogvoering bedoeld waarin niet zozeer individuele heldenmoed of strategie centraal staan, maar de massale inzet van materieel: wapens, munitie, artillerie, machines en industriële productie). Met overal oorlog om ons heen - generaals in vol ornaat die aanschuiven bij talkshowtafels, krantenfoto’s van een koningin op middelbare leeftijd die tijdens een reservistentraining met gelakte nagels en een Rolexhorloge door de modder tijgert, jongeren die worden opgeroepen ‘sneuvelbereid’ te zijn, de aanschaf van een ‘gewondentrein’, de nieuwe ‘vrijheidsbelasting’ -  lijkt het er toch op zijn minst op dat wij ook aardig in een geweldsroes aan het verzinken zijn. Ik dacht altijd dat het verschrikkelijkste wat je maar kunt bedenken oorlog is. Ik had tot nu toe dan ook enkel anti-oorlogsromans gelezen: “Van het westelijk front geen nieuws” van Erich Maria Remarque, “Slachthuis Vijf” van Kurt Vonnegut. Echter, wie eenmaal de oorlogsroes heeft ondergaan walgt voor altijd van het leven van kruideniers, aldus de Duitse schrijver Ernst Jünger (1895-1998). Thomas Mann noemt hem ‘de ijskoude playboy van het barbarisme’. Het gevaar kan een kick opleveren die bijna gelijk staat aan heroïne. Zie “Traumasporen” van professor Bessel van der Kolk, die werkte met Vietnamveteranen. In een artikel in de Telegraaf van 03.01.26 las ik over een Nederlandse soldaat die alle hoeken van de oorlog in Oekraïne heeft gezien en toch teruggaat naar die hel, want ‘oorlog is verslavend’. In De Groene Amsterdammer van 21.01.26 stond een fascinerend essay over Ernst Jünger. Door wat hij zag in de oorlog voorspelde hij ook nog eens griezelig accuraat de technische wereldorde waardoor ‘geestelijke verheffing’ moeilijk zal worden. Zie verder de uitzending die De Nieuwe Wereld maakte met literair criticus Arnold Heumakers van 04.12.25. De laatste in het NRC van 23.02.23: het “… is misschien schokkend voor hedendaagse lezers, die een positieve waardering van geweld alleen van films kennen, maar zou er ook zoveel oorlog zijn als niemand er plezier aan beleefde?...”.

 

Het Dionysische

Ernst Jünger was negentien toen hij werd opgeroepen om mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog (hij werd maar liefst 102!). Hij zat te popelen. Zijn vader had hem al eens teruggehaald toen hij er vandoor ging om zich bij het Franse Vreemdelingenlegioen aan te sluiten. “Oorlogsroes” (“In Stahlgewittern”) is gebaseerd op de dagboekaantekeningen die Jünger in die tijd bijhield. Sommige critici noemen hem een ‘staaleroticus’, omdat hij ‘extatisch’ verslag zou doen van zijn frontervaringen. Dat vind ik sterk overdreven. Hij schrijft juist bijna gevoelloos over de meest afgrijselijke horror. Registreert klinisch en afstandelijk. Met een helikopterview. Misschien is dat ook wel de enige manier om iets als armageddon in woorden te vatten. Mijn focus ligt vooral bij het ‘Dionysische’: de roes. Waar breekt die door in het verhaal? Het verraste mij niet toen ik las dat Jünger een aanhanger van Nietzsche was, de schrijver van het essay “Het Dionysische wereldbeeld”. Het Dionysische staat bij Nietzsche voor roes, chaos, levensdrift en de opheffing van het individu in het geheel. Tegenover het Apollinische (orde/harmonie) vertegenwoordigt het Dionysische de extatische, tragische levenservaring die de chaos omarmt. Het is een kernconcept uit zijn vroege werk “De geboorte van de tragedie. Het is geen wonder dat Jünger in de jaren 50/60 de ‘roes’ weer opzocht door te experimenteren met psychedelische middelen, waaronder LSD. Zie zijn boek “Bezoek aan Godenholm”.

 

Mollenbestaan

Zoals veel anderen schrijft ook Jünger over het enthousiasme waarmee veel verveelde jongeren de oorlog begroeten. Hoe ze van huis vertrekken, het avontuur tegemoet. Vrolijk. In een regen van bloemen. Dronken van rozen en bloed. Hunkerend naar het ongewone. Het grote gevaar. Hoe ze, als ze uit de treinen naar het front stappen, met ongelovige eerbied luisteren naar het ‘walsbedrijf’ in de verte. De adem van de strijd die hen doet huiveren. De oorlog overkomt hen als een ‘roes’, aldus Jünger. De verhitte fantasie komt echter al gauw tot bedaren. De marsen zijn zwaar, het leven aan het front vooralsnog dof en traag. Af en toe gooit de oorlog zijn gemoedelijke masker af en laat zijn klauwen zien. De eerste granaatinslag die Jünger meemaakt, komt op hem over als ‘een spookverschijning op klaarlichte dag’. Plotseling, onpersoonlijk, onbegrijpelijk. Vanaf dan zal hij bij elk onverwacht geluid ineenkrimpen. De slagschaduw van de dood grijpt diep ‘in het duistere terrein achter ons bewustzijn’. De loopgraven reduceren het leven tot wat Jünger een ‘mollenbestaan’ noemt: vuil, uitputting en slapeloze nachten. De soldaten houden zich in de voortdurende regen op de been met narcotisch veel alcohol en tabak.

 

Nederig gedierte

Het is onvoorstelbaar voor ons, maar te midden van de meest bloederige taferelen heerst een opgewonden, woeste, onvermoede vrolijkheid. Alsof de rekruten zich tegen de realiteit verzetten. Jünger verbindt veel oorlogservaringen met de natuur: kogels als bijenzwermen, granaten als mechanische insecten, vliegtuigen met ‘vlinderogen’, militairen die als logge kevers door de velden struinen. Ondertussen gaan de echte vogels onverstoorbaar door met zingen. Hij heeft het over het ‘duistere, mythische landschap’ dat door de ‘verlatenheid, het diepe zwijgen en de trieste aanblik van vernietiging’ angst aanjaagt en ’s nachts een ‘vreemde, psychische kou’ uitstraalt. De dorpen zijn veranderd in puinhopen: “…Voor ons lag het station, in elkaar gefrommeld als een stuk kinderspeelgoed, en verder daarachter het tot spaanders gehakte Bos van Delville…”. Overal de eeuwige rattenzwermen en de stank van ontbinding. Het ‘nederig gedierte’ baart hem geen zorgen: “… een muis rent over mijn handen en gezicht zonder me in mijn slaap te storen…”. De schuilplaatsen worden grondig uitgerookt. Door ‘het contact met de aarde’ wordt vanzelf een ‘slaperige, zwaarmoedige stemming’ opgeroepen. 

 

Adrenalinejunks

Zijn vuurdoop ondergaat Jünger tijdens een militaire actie zonder dat hij ook maar één tegenstander te zien krijgt. Al snel wordt hij commandant van een kleine reserve-eenheid. De strijd op leven en dood maakt van zijn bestaan een rollercoaster van adrenaline: “… Twee overweldigende gevoelens doen je huiveren: de meeslepende opwinding van de jager en de angst van het wild…”. Lichtkogels maken van de nacht een dag, alles staat op scherp. “… Deze ogenblikken, waarop de volledige loopgraafbezetting in de allerhoogste staat van paraatheid achter de borstwering stond, hadden iets betoverends. Ze deden denken aan die ademloze seconde voor een beslissend moment in een voorstelling, als de muziek afbreekt en de grote toneellichten worden ingeschakeld…”. De loyaliteit naar elkaar is intens. De keiharde zakelijkheid ook. Oorlog is een ‘gokspel’. Wie sneuvelt, sneuvelt; de rest gaat verder.

 

De vijand

Aan de uiteinden van de loopgraven zijn de wachtposten van de verschillende legers soms nauwelijks dertig passen van elkaar verwijderd. Er ontstaan korte gesprekken, rauwe grappen. De vijand krijgt een gezicht: “… Ik heb er tijdens de oorlog altijd naar gestreefd niet haatdragend tegenover de tegenstander te zijn en hem als mens te waarderen al naar gelang de moed die hij in het gevecht betoonde…”. Een grote witte kater met een kapotgeschoten voorpoot spookt regelmatig rond in het niemandsland en gaat bij beide partijen op bezoek. Jünger stuit op een borstwering waar tussen de prikkeldraadversperringen een levendige handel en druk ruilverkeer in drank, sigaretten, uniformknopen en andere zaken gaande is. Eigenlijk slaat de complete waanzin van de oorlog mij misschien wel het meest in mijn gezicht als Jünger beschrijft hoe hij een lange, piepjonge Engelsman, ‘met goudblond haar en een fris kindergezicht’, in het vizier krijgt: “… Wat jammer om zo’n kerel te moeten doodschieten, dacht ik, toen ik hem zag…”. Het is om te huilen. Het doet mij meer dan alle vernietigende gaswolken, stromen bloed en zwart geworden lijken waarmee het boek is bezaaid. Die beginnen op den duur zelfs te vervelen, eerlijk gezegd.

 

Duivelse lichtheid

Jünger komt in de omgeploegde lijkenvelden langs de Somme terecht: “… Mijnen van het allerzwaarste kaliber ontploften. Hele velden vol puin vlogen in de lucht, wervelden rond en stortten met hels kabaal neer…”. Het gaat er extreem heftig aan toe: “… De aarde wankelde, de hemel leek een borrelende reuzenketel…”. Even verder: “… Het vermogen tot logisch denken en de zwaartekracht leken opgeheven. Je had hetzelfde gevoel van onvermijdelijkheid en absolute noodzakelijkheid als een uitbarsting van de elementen…”. Hij stelt dat het feit dat je in staat bent om de aanblik van de meest zware verminkingen te verdragen maar weer eens een voorbeeld is van het gegeven dat in het leven 'het geheel' onze indrukken bepaalt. De zware, zoetige lijkengeur ervaart hij niet alleen maar als weerzinwekkend: “… Vermengd als hij was met de prikkelende walm van springstof, veroorzaakte hij ook een bijna helderziende opwinding, zoals alleen de onmiddellijke nabijheid van de dood weet op te wekken…”. Er ontstaat iets paradoxaals: alsof de nabijheid van de dood een laatste, extreme vrijheid mogelijk maakt. “… Zo voelde ik in die ogenblikken bijvoorbeeld geen angst, maar een grote, bijna duivelse lichtheid; ook rare neigingen om in lachen uit te barsten die ik niet kon onderdrukken…”. Wanneer ze aan de winnende hand zijn komt hij in een ‘overmoedige stemming’ waardoor hij ‘de bomen uit de grond zou willen rukken’: “… Af en toe zag ik, in het schijnsel van een lichtkogel, stalen helm naast stalen helm, kling naast kling blinken en een gevoel van onkwetsbaarheid vervulde me dan. We konden worden verpulverd, maar niet overwonnen…”.

 

Metafysische dimensie

Is er meer tussen hemel en aarde? “… Terwijl de twee artillerieën elkaar over een uitgestrekt terrein bestookten, brak er een verschrikkelijk onweer los zodat, net als in de homerische veldslag tussen goden en mensen, het tumult op aarde met dat van de hemel kon wedijveren…”. Even verder: “… Als ik in de duisternis op wachtposten of rondzwervende verdwaalden stuitte, had ik het ijselijke gevoel niet met mensen maar met demonen te praten. Ik leek te zweven op reusachtige puinhopen voorbij de rand van de bekende wereld…”. Toeval lijkt betekenis te krijgen. Ontsnappingen aan de dood voelen als ingrepen van buitenaf. Alsof de oorlog niet alleen fysiek, maar ook geestelijk wordt uitgevochten.

 

Vleugels

En dan is daar de roes in zijn meest extreme vorm: “… Tijdens onze opmars raakten we in de greep van een nietsontziende razernij. Het allesoverheersende verlangen om te doden gaf mijn voeten vleugels. Bittere tranen van woede schoten in mijn ogen. De ongelooflijke vernietigingsdrang die over het slagveld hangt, verdicht zich in de hersens en omgeeft ze met een rode mist. Snikkend en stamelend riepen we elkaar fragmenten van zinnen toe, en een objectieve waarnemer zou vermoedelijk hebben gedacht dat we bevangen waren door een overmaat van geluk…”. Dit is precies wat het meest verontrust: niet de angst, maar de extase. In het heetst van de strijd functioneert Jünger als een gespleten persoonlijkheid: de soldaat die handelt en de soldaat die toekijkt. Als een verspieder die achter zichzelf op de loer ligt. Over ‘het keerpunt in zijn hoofd’ als hij onder ogen ziet dat ze de oorlog zouden kunnen verliezen: “… De enorme samenballing van krachten in het noodlotsuur waarin om een verre toekomst wordt gestreden, en de ontlading die er zo verrassend op volgde, hadden me voor het eerst meegesleept naar de diepe wateren van het buitenpersoonlijke. Dat was anders dan alles wat ik tot nu toe had meegemaakt; het was een inwijding die niet alleen de gloeiende kamers van de verschrikking opende, maar er ook doorheen voerde…”.

 

De balzaal van de dood

Jünger: “… De oorlog confronteerde ons met zijn diepste raadselen. Het was een merkwaardige tijd…”. Als het vanwege een harde klap donker wordt om hem heen: “… Terwijl ik viel zag ik de witte, gladde kiezelstenen in het leem van de weg; de ordening was zinvol, noodzakelijk als die van de sterren en borg grote geheimen in zich…”. Toch komt hij weer overeind. Wanneer Jünger zwaargewond raakt, ervaart hij een moment van onverwachte helderheid. Hij denkt te sterven en beschrijft dat moment vreemd genoeg als gelukkig. Alsof in de nabijheid van de dood alles plots samenvalt en betekenis krijgt: “… Op dat moment begreep ik, als in een flits, mijn leven tot in zijn diepste essentie…”. Meer legt hij er niet over uit. Hij is enkel ongelooflijk verbaasd dat het einde is gekomen: “… het was een verbazing van een heel opgewekt soort. Toen hoorde ik het vuur steeds zwakker worden, alsof ik als een steen diep onder het oppervlak van bruisend water wegzonk. Daar bestond geen oorlog of vijandschap meer…”. Maar hij overleeft.

 

Stahlmensch

Volgens latere interpretaties ziet Jünger de moderne, technologische oorlog als een smeltoven waarin een nieuw type mens ontstaat: de Stahlmensch. Het doet onvermijdelijk denken aan Nietzsches idee van de Übermensch. Maar waar Nietzsche nog sprak over zelfoverstijging, lijkt hier iets anders te ontstaan: een mens die zich aanpast aan de logica van de machine en de oorlog. Misschien is dat de ongemakkelijke vraag die “Oorlogsroes” oproept. Niet alleen wat oorlog met mensen doet, maar ook waarom zij er steeds opnieuw in worden meegezogen. En of die aantrekkingskracht – hoe moeilijk ook te erkennen – niet een wezenlijk onderdeel van het probleem is.

 

Uitgave: De Arbeiderspers – 2002, vertaling Nelleke van Maaren, 346 blz., ISBN 978 902 952 332 5

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

maandag 16 maart 2026

De verborgen geschiedenis – Donna Tartt

 


“… Dionysos (is) de Meester van de Zinsbegoocheling, die een wijnrank kon laten groeien uit een scheepsplank en in het algemeen zijn aanhangers de wereld anders kon laten zien dan ze is…”  - E.R. Dodds in “The Greeks and the Irrational”

 

De romantici zijn volgelingen van Dionysos, aldus Safranski in mijn vorige blog. “De verborgen geschiedenis“ (1992), het bedwelmende debuut van de Amerikaanse schrijfster Donna Tartt (1963) dat sommigen afserveren als ‘kwaliteitspulp’ terwijl het skyhigh in alle rankinglijsten eindigde (dan doe je toch iets goed, volgens mij), is bij uitstek een ‘dionysische’ tragedie. Een en ander verwijst naar de door Euripidus in het drama “Bakchai” beschreven ‘roes’, die de maenaden, de vrouwelijke volgelingen van Dionysos, bereiken: een uitzinnige staat van bewustzijn waarin ze dieren verscheuren, geslachtsgemeenschap hebben en dergelijke meer.  “… ‘We geven het niet graag toe,’ zei Julian, ‘maar je zelfbeheersing verliezen is iets dat beheerste mensen zoals wij onnoemelijk fascineert…”. BookTokkers labelen “De verborgen geschiedenis”, een kruising tussen “Misdaad en straf” van Dostojevski en “Bloemen op zolder” van Virginia Andrews, onder het genre ‘dark academia’. Uit de proloog blijkt dat het verhaal over een student gaat, Bunny, die dood wordt gevonden in een besneeuwd ravijn. De verteller, Richard Papen, inmiddels achtentwintig, en zijn vrienden hebben er iets of alles mee te maken. Eerder besprak ik van Donna Tartt "Het puttertje".

 

Übermenschen

Het verhaal. Richard Papen laat zijn onbevredigde tienerjaren in Plano, Californië, achter om aan een kleine en exclusieve universiteit te gaan studeren in Vermont, waar hij al snel gefascineerd raakt door een vijftal stinkend rijke, wereldvreemde studenten Grieks en hun elitaire privé-docent Julian Morrow. Ze komen over als een stel Nietzscheaanse ‘übermenschen’: “… Zijn studenten waren – als dat al iets zei over zijn onderricht – tamelijk imponerend, en hoe sterk ze onderling ook verschilden, ze hadden allemaal iets kils over zich, een wrede, gekunstelde charme die verre van modern was en de vreemde, koele sfeer van de klassieke wereld ademde: ze waren schitterende creaturen, die ogen, die handen, die blikken – ‘sic oculos, sic ille manus, sic ora ferebat’…”. De impulsieve, joviale Bunny, zoon van een beroemde voetballer en laatste in de rij van vijf jongens, die iedereen geld aftroggelt omdat hij als het erop aan komt geen cent te makken heeft, evenals Richard Papen zelf. De tweeling Charles en Camilla, engelachtige wezen opgevoed door hun oma, die het liefst in het wit rondlopen. De stijve Henry met zijn ouderwetse Engelse tweedpakken en eeuwige paraplu. En, last but not least, de angstwekkend magere, knokige, elegante, roodharige, homoseksuele Francis, met zijn prachtige gesteven hemden, dubbele manchetten, schitterende stropdassen, en zwarte overjas die onder het lopen achter hem opbolt, “… waardoor hij er uitzag als een kruising tussen een studerende prins en Jack the Ripper…” .

 

De last van het zelf

Na de nodige inspanningen weet Richard zich de kliek binnen te wurmen, waarmee hij een jaar lang optrekt. De beschrijving van zijn eerste les knalt het boek binnen en wordt niet meer geëvenaard, vind ik. “… Het gesprek ging die dag over het verlies van het zelf, over Plato’s vier soorten goddelijke waanzin, over waanzin in alle vormen; hij begon over de last van het zelf, zoals hij het noemde, en de reden waarom mensen het zelf willen verliezen…”. Alleen al hoe Julian Morrow, een Baudelaire-achtig type, van start gaat: “… Ik hoop dat we allemaal klaar zijn om de wereld der verschijnselen te verlaten en die van het verhevene binnen te gaan?...”. Of zijn pupillen ook niet vinden dat onze individuele ziel ons ongelukkiger kan maken dan wat ook? We willen er maar al te graag van af toch? Hoe verlies je jezelf? Door waanzin. De Erinyen of Furiën maken de mensen krankzinnig door hun al aanwezige eigenschappen tot in het extreme te versterken. Door liefde. Het opgaan in de ander. Door oorlog. Het opgaan in de vreugde van de strijd. Lees Xenophon. Lees Thucydides. Ook bij de Grieken werd oorlog gezien als gedeeltelijk bepaald door de wil van de goden (zie Willem Ouweneel in “Mozes, Messias, Mohammed” over het idee in zowel het christendom als de islam dat engelen meevechten in de strijd). Volgens Herodotus profeteert het orakel van Delphi inzake de Spartanen dat Apollo en Athena Nike ‘genood of ongenood’ aan hun kant komen meevechten. Bloedvergieten mag dan iets verschrikkelijks zijn, maar de bloedigste passages in Homerus en Aeschylus zijn vaak de schitterendste, aldus Julian. “… Welke beelden uit de poëzie staan in ons geheugen gegrift, van welke beelden houden we het meest? Juist die. De moord op Agamemnon en de toorn van Achillus. Dido op de brandstapel. De messen van de verraders en het bloed van Caesar; weten jullie nog hoe Suetonius beschrijft dat zijn lichaam op de baar wordt weggedragen, terwijl één arm neerhangt?’ ‘De dood is de moeder van de schoonheid,’ zei Henry. ‘En wat is schoonheid?’ ‘Ontzetting.’ ‘Mooi gezegd,’ zei Julian. ‘Schoonheid is zelden zacht of troostrijk. Integendeel. Echte schoonheid is altijd schokkend.’…”. Even verder: “… We denken dat we vele verlangens hebben maar in feite hebben we er maar één. Welke?’ ‘Om te leven,’ zei Camilla. ‘Om ééuwig te leven,’ zei Bunny met zijn kin in zijn handpalm…”. De toon is gezet.

 

Extase

Na de pauze gaat het over de vormen van waanzin die de goden ingeven: poëtische, profetische en dionysische. De laatste is verreweg de raadselachtigste: ‘religieuze extase’.  De beschaafde vormelijke Grieken lieten zich vaak en masse meeslepen in de wildste vervoering: “… dans, razernij, doodslag, visioenen - voor ons, denk ik onomkeerbare vormen van klinische krankzinnigheid. Maar de Grieken, althans sommige, konden gek worden en weer normaal, naar believen…”. Er bestaat veel raadselachtige documentatie over. “… Volgens sommigen kwam het door vasten en bidden, volgens anderen was drank de oorzaak. Het feit dat het bij deze hysterie om een groepsproces ging had er in ieder geval ook iets mee te maken. En toch is het extreme karakter van het verschijnsel moeilijk te verklaren. Die extatische mensen vielen kennelijk in een niet-rationele, pre-intellectuele staat terug, waar de persoonlijkheid plaatsmaakte voor iets heel anders, en met ‘anders’ bedoel ik iets dat blijkbaar niet sterfelijk was. Onmenselijk…”. Richard: “… Ik dacht aan het toneelstuk de ‘Bacchae’ met zijn geweld en beestachtigheid waar ik bang van werd, net als van het sadisme van hun moordzuchtige god. Vergeleken met andere tragedies waarin, hoe meedogenloos ze ook waren, een herkenbaar rechtvaardigheidsprincipe heerste, was het een overwinning van het barbarisme op de rede: duister, chaotisch en onbegrijpelijk…”.

 

Als de stoppen doorslaan

Wij hebben beschaving verworven door de welbewuste onderdrukking van het oude, dierlijke zelf. Zie Karen Armstrong in “Compassie”. Julian vindt het ‘verkeerd’ het primitieve zelf van onze emoties en de driften te doden. Waarom? “… Omdat het gevaarlijk is het bestaan van het irrationele te negeren. Hoe beschaafder, hoe intelligenter en hoe geremder iemand is, hoe meer behoefte hij heeft aan een manier om de oerimpulsen, die hij moeizaam heeft onderdrukt, te kanaliseren. Anders zullen die taaie oude krachten zich ophopen en verhevigen totdat ze sterk genoeg zijn om los te barsten, door het uitstel des te sterker geworden en vaak machtig genoeg om de wil helemaal weg te vagen…”. Zie de Romeinse keizers. Tiberius, de lelijke stiefzoon van de goddelijke verlosser Augustus, die geacht werd in zijn voetsporen te treden. Natuurlijk lukte hem dat niet. Hoe hij ook zijn best deed, het was nooit goed genoeg. Het volk haatte hem. Uiteindelijk sloegen de stoppen door. “… Hij liet zich meeslepen door zijn perversies en hij stierf oud en gek, verloren in de lusthof van Capri: niet eens gelukkig, zoals je zou hopen, maar ellendig. Voordat hij stierf schreef hij een brief aan de Senaat: ‘Mogen de Goden en Godinnen mij treffen met een vollediger vernietiging dan ik nu dagelijks onderga.’ Denk eens aan de mannen die na hem kwamen. Nero. Caligula…”.

 

Romeinse logica

Het genie van de Romeinen en misschien tegelijk hun fout, was hun bezetenheid met orde, volgens Julian: “… Je ziet het in hun bouwkunst, hun literatuur, hun wetten: die heftige ontkenning van het duistere, het onredelijke en de chaos…” (zie ook: “De nieuwe Romeinen” van Gerhard Mehrtens). Daarom vindt hij het ook begrijpelijk dat ze de christenen genadeloos hebben vervolgd, terwijl ze anders zo tolerant tegenover vreemde religies stonden: “… wat een idee dat een gewone misdadiger uit de dood zou zijn verrezen, hoe stuitend dat zijn volgelingen hem vereerden door zijn bloed te drinken…”. Misschien waren ze niet alleen bang voor zoveel irrationaliteit maar voelden ze zich er tegelijk verschrikkelijk toe aangetrokken (dat denk ik ook altijd over christenen die diep in het occulte duiken om medechristenen ertegen te waarschuwen). “… Pragmatisten zijn vaak vreemd bijgelovig. Ondanks al hun logica leefden de Romeinen immers in grotere angst voor het bovennatuurlijke dan welk volk ook…”.

 

Absoluut vrij te zijn

De Grieken waren anders. Ze wisten dat het dom was de onzichtbare wereld en de oude goden te negeren. Dat we sidderen voor alles wat we mooi noemen is een typisch Grieks idee. “… En wat kan er huiveringwekkender en mooier zijn voor de zielen als die van de Grieken en van ons dan het volledige verlies van zelfbeheersing? De ketenen van het bestaan voor even af te werpen, de toevalligheid van ons sterfelijke zelf te vernietigen? Europides zegt over de Maenaden: hoofd achterover, keel naar de sterren, ‘meer herten dan mensen’. Absoluut vrij te zijn! We zijn natuurlijk heel wel in staat deze destructieve hartstochten op meer vulgaire en minder efficiënte manieren te botvieren. Maar hoe zalig moet het zijn om ze in één uitbarsting los te laten! Te zingen, te schreeuwen, blootsvoets te dansen in het bos in het holst van de nacht, net zo onbewust van je sterfelijkheid als een dier! Het zijn machtige mysteriën. Het loeien van stieren. Bronnen van honing die uit de grond opwellen. Als onze ziel sterk genoeg is kunnen we de sluier wegrukken en die naakte, verschrikkelijke schoonheid recht in het gezicht zien; laat God ons verteren, verzwelgen, onze botten verweken. En ons dan herboren uitspuwen…”. Dat is voor Julian de verschrikkelijke verleidelijkheid van het dionysische ritueel. Het vuur van het zuivere zijn. “… Iemand – was het Van Gogh? – zei dat oranje de kleur van gekte is…”.

 

Spelen

Dat Donna Tartt welbewust de Romantiek als filosofische stroming hanteert, blijkt onder andere uit het feit dat als Richard zijn studie aanduidt als ‘werk,’ Julian hem corrigeert door op te merken dat wat zij doen ‘spelen’ is. Zie mijn vorige blog: Friedrich Schiller die mensen ‘gevaarlijke dieren’ noemt die moeten leren ‘spelen’. Het stikt van fragmenten als deze: “… Terwijl ik op mijn zij lag te staren naar een poel wit maanlicht op de houten vloer, bolden de gordijnen in een windvlaag op, lang en bleek als spoken. En de bladzijden van de ‘Parmenides’ ritselden alsof een onzichtbare hand erdoor bladerde…”. Ik ga niet het hele verhaal in “De verborgen geschiedenis” langs, dat moet je zelf maar lezen. Het is per slot van rekening een - weliswaar filosofische - thriller. Ik beperk mij tot de passages die te maken hebben met wat mij het meest interesseert: het dionysische.

 

Pneuma enthousiastikon

Julian Morrow begeestert. De Griekse cultuur stijgt het groepje studenten naar het hoofd. Op een gegeven moment vertelt Henry na een reeks geheimzinnige gebeurtenissen aan Richard hoe hij bezeten raakte van het idee samen met de groep een bacchanaal te houden. ‘Beauty is terror’: de helderziende krankzinnigheid van Plato, de dionysische geestvervoering. “… De oude commentatoren zijn er heel terughoudend over. Met veel moeite lukte het me sommige van de gewijde riten te achterhalen – de gezangen, de heilige voorwerpen, wat je moest dragen, doen en zeggen. Het mysterie zelf was moeilijker: hoe kreeg je jezelf in die toestand, wat was de catalysator?...”.  Ze probeerden van alles uit: “… Alcohol, drugs, bidden, zelfs kleine doses gif…”. Van lakens maakten ze tunieken: “… daar zaten we dan, midden in de nacht op de heuvel achter Francis’ huis, dronken, in chitons, Griekse hymnen te zingen als bij een soort ontgroening en ineens begon Bunny zo hard te lachen dat hij als een kegel omviel en van de heuvel rolde…”. Waken, vasten, plengoffers, er gebeurde niets. “… We hebben takjes dolle kervel gebrand en de dampen opgesnoven. Ik wist dat de Pythia laurierbladeren kauwde, maar dat werkte ook al niet…”. Ze leken wel gek. Uiteindelijk besefte Henry dat hij mogelijk iets over het hoofd zag omdat hij zich vastpinde op de beschrijvingen van de Pythia “… de ‘pneuma enthousiastikon’, giftige dampen en dergelijke…”, in plaats van de bacchische methoden.

 

Zuiverheid

Want: “… om in dit of welk ander mysterie ook de god te ontvangen moet je in een staat van ‘euphemia’, rituele zuiverheid, verkeren. Dat is in wezen het bacchische mysterie. Plato heeft het erover. Voordat het goddelijke de overhand kan krijgen, moet het sterfelijke zelf – onze stoffelijkheid, het deel dat in ontbinding overgaat – zo schoon mogelijk worden gemaakt…”. Door symbolische handelingen: water over het hoofd gieten, baden, vasten. Maar ook dat had geen resultaat, omdat een religieus ritueel volgens Julian pas effect oplevert als het betekenis voor je heeft. Zoals de “Divina Comedia” voor iemand die geen christen is, ook onbegrijpelijk is. “… ‘Simpel gezegd,’ zei hij, ‘we geloofden niet. En geloof was de enige absoluut noodzakelijke voorwaarde. Geloof en totale overgave.’…”. Uiteindelijk besloten ze het nog één keer te proberen, voor het weer omsloeg: “… We hebben drie dagen gevast, langer dan we ooit hadden gedaan. In een droom zag ik een boodschapper. Het liep allemaal gesmeerd, het stond te gebeuren en ik had een gevoel dat ik nog nooit had gehad, dat de werkelijkheid om ons heen zelf op een prachtige en gevaarlijke manier veranderde, dat we gedreven werden door een kracht die we niet begrepen, naar een bestemming die ik niet kende…”. Ze glipten op een avond weg zónder Bunny, die alles altijd op het laatste moment verknalt.

 

God is een serieus iets

En het wérkte, zegt Henry eenvoudig: “… Het was hartroerend. Fantastisch. Toortsen, duizeligheid, zingen. Wolven huilden om ons heen en een stier loeide in het donker. De rivier was wit. Ik weet nog dat ik dacht dat het net een versneld afgedraaide film was, de maan werd vol en nam weer af, wolken vlogen langs de hemel. Wijnranken groeiden zo snel uit de grond dat ze zich als slangen om de bomen slingerden, seizoenen gingen in een oogwenk voorbij, het konden wel hele jaren zijn geweest... Ik bedoel, wij beschouwen verandering in de wereld der verschijnselen als het wezen van de tijd, maar dat klopt helemaal niet. De tijd is iets wat voorjaar en winter, geboorte en aftakeling, goed en kwaad trotseert, allemaal. Het is iets onveranderlijks en heerlijks en het is absoluut onverwoestbaar. Dualiteit bestaat niet meer, er is geen ego, geen ‘ik’ en toch heeft het niets van die vreselijke vergelijkingen die je in Oosterse religies soms hoort, dat het zelf een druppel water is die opgaat in de oceaan van het heelal. Het is meer alsof het heelal uitdijt tot de grenzen van het zelf. Je kunt je niet voorstellen hoe saai de alledaagse grenzen van het gewone leven lijken na zo’n extase. Het was of ik pasgeboren was. Ik wist mijn naam niet meer. Mijn voetzolen waren aan flarden, maar ik voelde het niet eens…”. Het zijn toch seksuele riten, vraagt Richard. “… ‘Natuurlijk,’ zei hij vriendelijk, bedaard als een priester met zijn donkere pak en zijn ascetische bril. ‘Dat weet je net zo goed als ik.’ We zaten elkaar een ogenblik aan te kijken…”. Of hij Dionysos heeft gezien? “… Je hebt geen idee hoe Dionysos eruitziet. We hebben het over God. God is een serieus iets…”, antwoordt Henry.

 

Razernij

Toen ze weer tot zichzelf kwamen, hadden ze geen flauw idee waar ze waren. Ze moesten eindeloos hebben gerend. “… Charles had een bloederige beet in zijn arm en hij wist niet hoe hij eraan kwam, maar het was geen mensenbeet. Te groot. En vreemde putjes in plaats van tandafdrukken. Camilla zei dat ze dacht dat ze een hert was; en dat was ook merkwaardig, want wij herinnerden ons dat we een hert achterna zaten door de bossen, kilometers ver leek het wel…”. Haar haar zat onder het bloed en de modder. Hun kleren hingen in repen aan hun lijf. Even verder: “… Daar stonden ze te hijgen, met glazige en agressieve ogen – ik herkende ze helemaal niet en we waren misschien wel gaan vechten, als de maan niet net achter een wolk vandaan was gekomen. We staarden elkaar aan. Het begon allemaal weer terug te komen. Ik keek naar mijn hand en zag dat die onder het bloed zat, en iets ergers dan bloed…”. Met andere woorden: de bacchantische furie eindigde in een slachtpartij. Er moest iets vreselijks zijn gebeurd. Zie ook Anya Niewierra die het gedrag van een oorlogsmisdadiger in “De Camino” uitlegt aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Het duurde dagen voor de groep weer wat bij zinnen was, vertelt Henry. 

 

Innocence lost

Achter het perfecte plaatje van het sjieke universiteitsleven houdt zich een werkelijkheid schuil waar de honden geen brood van lusten. Richard zegt trouwens zelf dat hij een kei is in liegen. Als er één doelgroep is die geen raad weet met het ‘zelf’ zijn het de studenten wel, die voornamelijk snuivend en zuipend door het leven gaan. Iedereen leeft achter een masker. Houdt de schijn op. Speelt - soms een hele geraffineerde - rol. Je zou kunnen zeggen dat de bubbel waar Richard Papen deel van uit maakt, aan eigen arrogantie, eigen hybris ten gronde gaat, zoals Prometheus, King Lear en Macbeth vóór hen. Hoogmoed komt voor de val. De uitverkorenen van Julian Morrow achtten zich mijlenver verheven boven het banale plebs. Zeker jonge mensen zijn gevoelig voor wijze leermeesters. Sterker, we zouden allemaal wel een ‘starets’ willen tegenkomen, iemand die ons de weg wijst door onze moeilijke levens. Maar in de literatuur gaat het meestal helemaal mis met zulke mentors: zie “De magiër” van John Fowles of “Op weg naar de Hartz” van Wessel te Gussinklo. Ergens is “De verborgen geschiedenis” ook een soort ‘moraliteit’. Vest op prinsen géén vertrouwen. De groep valt uiteen onder de druk van wroeging, ziekmakende zelfkennis en angst. Het is hard ontwaken uit de waan. Nog steeds lijkt "De verborgen geschiedenis" schrijvers te inspireren. Zie bijvoorbeeld "Narcis" van Judith Fanto: ook een vriendengroep, ook een heel vervelend ventje die in een ravijn wordt geduwd.   

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, vertaling Barbara de Lange, 624 blz., ISBN 978 940 313 135 1, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier