Menu

zondag 1 maart 2026

Allerzielen - Cees Nooteboom

 


“Allerzielen” (1998) wordt gezien als Nootebooms grootste roman (zie ook mijn vorige blog). Het is eerder een ‘Duits’ dan een ‘Nederlands’ boek. Daarmee bedoel ik: ‘ernstig’ en ‘zwaar’. “… Je mocht niet generaliseren. Toch hadden volkeren bepaalde karaktereigenschappen…”. Ik resoneer daar wel mee. Dat geldt echter niet voor iedereen weet ik uit ervaring, al past het boek zeker in sombere tijden als de onze, meen ik. De protagonist is een cameraman, Arthur Daane, die tracht te leven met het feit dat tien jaar geleden zijn vrouw en zoontje zijn omgekomen bij een vliegtuigongeluk. Hij wil documentaires met diepgang maken, maar niemand zit te wachten op iets wat moeilijk lijkt en langer dan twintig minuten duurt. “… ‘Ik weet dat je twee polen in je wezen hebt,’ zei de redacteur (hij zei nog net niet ‘in je ziel’), ‘reflectie en actie, maar met reflectie haal je nu eenmaal geen kijkcijfers.’…”. Arthur huist in eenzaamheid: “… Hij die te veel weet en het zo slecht kan zeggen…”. Daarom loopt hij als een soort Wandelende Jood door besneeuwd Berlijn. Zie Tommy Goerz in “Door de sneeuw”: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”. “Allerzielen” heeft geen direct plot, het meandert als een camera van hot naar her en hoest Arthurs diffuse, surrealistische en soms oogverblindende gedachten op: de krenten in de pap.

 

Verlopen dubbelganger

Berlijn voelt aan als een dorp in de toendra, aldus Arthur, die tot diep in Rusland doorloopt. Met Berlijn, Warschau en Moskou als kortstondige onderbrekingen. Er zijn maar twee steden die volgens hem echt om lopen vragen: Parijs en Berlijn. Komt dat door de ‘breuk’ die er dwars doorheen snijdt? De Seine en de voormalige Muur. Passage voelt als ‘een grens overschrijden’. Berlijn: ‘de stad die ooit een beroerte heeft gehad’. Zie het litteken dat nog altijd zichtbaar is. “… Als eb en vloed waren er troepen door deze spoelbak van de geschiedenis getrokken…”. Correspondeert een en ander met weduwnaar Arthur Daane zelf? Met ‘voor’ en ‘na’ het trauma? “… Arthur Daane hield van mensen die, zoals hij het uitdrukte, ‘meer dan één persoon hadden’, en al helemaal als die verschillende personen elkaars tegenstellingen leken te zijn…”. Als een ‘verlopen dubbelganger’ slecht hij in gedachten de ‘tijdmuur’ die hem van zijn dode vrouw scheidt. Soms heeft hij het gevoel dat ze hem roept, als een soort Eurydike uit de onderwereld: “… Zij was daar ergens, ze wilde iets zeggen, ze wilde dat hij aan haar dacht…”. Af en toe wordt er in het verhaal een stem verleent aan een achtergrondkoor van dode zielen (maakt zijn vrouw daar deel van uit?), wat doet denken aan “De ontdekking van de hemel” waarin Harry Mulisch engelen laat fungeren als alwetende vertellers en regisseurs van het noodlot: “… Wij weer. Altijd ’s nachts, lijkt het wel. Het koor bij Sophocles heeft een mening. Wij niet. Het koor bij “Henry V” vraagt om een oordeel. Doen wij ook niet…”. Even verder: “… Wij zijn het die alles bij elkaar moeten houden. Jullie vermogen om in de tijd te bestaan is gering, jullie vermogen om in de tijd te denken is onuitputtelijk…”.

 

Caspar David Friedrich

Evenals in “Rituelen” (zie mijn vorige blog) zijn er in “Allerzielen” vrouwen die ‘oneindig hoge trappen’ beklimmen. Jacobsladders: “… Ze was nog niet ver, en de trap verdween in de wolken…”. In een museum bekijkt Arthur de ‘rare pathetische doeken’ van Caspar David Friedrich, waar de afgrond loert in ‘verdwaasde kruisigingen’ en ‘vervallen kloostermuren’, “… de monniken veranderd in vleermuizen, de bastaardengelen van het verval…”. Zie “Ochtend in het Reuzengebergte”, een landschap van paarse bergen “… met in het midden een onmogelijk hoge rots met daar bovenop een nog onmogelijker kruis…”. Een ‘dun, mager’ geval met aan de voet een vrouw, in iets wat op een baljurk lijkt, die een man helpt bij de laatste stappen die hij nog moet klimmen. De vrouw als gids naar het ‘hogere’ (zie mijn vorige blog). De mannen van Friedrich keren hun rug naar de wereld toe. Alsof ze die afzweren. Zie “Monnik bij zee”: “…Wat deed die man daar in dat van God verlaten landschap? Boete doen, jammeren in eenzaamheid?...”. Even verder: “… Het duinzand zo wit en fijn dat het wel sneeuw leek, de horizon een rechte streep waarover een wolkenfront naderde, een barricade waardoor elk idee van ontsnapping was uitgesloten…”. Zie “Abdij in het eikenwoud”: “… Öde, Finsternis, het jachtterrein van de Germaanse ziel die nu dan eindelijk, aan het eind van de waanzineeuw, uitgejaagd was…”.

 

Het volk dat in duisternis wandelt

De schilderijen in de volgende zalen zijn van een ‘onuitsprekelijke braafheid’, watervalletjes, baasjes met hun lievelingshonden, onschuldige vrouwenportretjes: “… de wereld zonder erfzonde…”. Friedrich heeft op zijn minst het vermoeden gehad dat er zoiets bestond als 'de machten der duisternis'. Met de Joden is ook de ironie, de afstand, de noodzakelijke lucht uit Duitsland verdwenen. Een beetje Voltaire of Cervantes zou ‘het volk dat in duisternis wandelt’ misschien geholpen hebben. Over de ‘Duitse ziel’ (Wagner, E.T.A. Hoffmann, Heine): “… Het smachten van Wilhelm Meister, Zarathoestra die huilend eindigt aan de hals van een koetspaard, de schilderijen van Friedrich, de dubbele zelfmoord van Kleist, het lood van Kiefer en de druïdische bokkezangen van Strauss, het leek allemaal met elkaar te maken te hebben, een duister woelen waarbij voor mensen uit een land van polders geen plaats was…”. Nederlanders zijn daarentegen het volk van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’: “… Wij hebben een koningin op de fiets. Bij Hitler kon je thuis niet naar binnen kijken. Daar houden wij niet van. Wij willen weten of mevrouw Hitler al gestofzuigd heeft…”. Even verder: “… Nederland, een land zonder bergen. Oppervlakkig, hè? Geen bergen, geen holen. Niets te verbergen. Geen duistere plekken aan de ziel. Mondriaan. Zuivere kleuren, rechte lijnen. Sloten, dijken, polderwegen. Geen afgronden, geen spelonken…”. Saai! Je gaat er dood van verveling.

 

Het uur tussen hond en wolf

Arthur heeft van het ‘halfdonker’ zijn specialiteit gemaakt. Hij filmt het ‘duister dat langzaam uit de grond omhoog lijkt te kruipen of probeert er weer in te verdwijnen’. De Potsdamer Platz: “… Schijnwerpers, het lichtend oog van kranen boven een bouwput, neon in een verlaten straat, oranje of ijsblauwe zwaailichten die, als je ze zwart-wit filmde, elk hun eigen tonaliteit behielden, het seriële licht van rijdende treinen of langzame files, altijd de onuitsprekelijke betovering van licht in de duisternis…”. Zo anders, dan het helle licht van de dag, dat “… keihard door de sneeuw werd teruggekaatst, zodat alles van glas werd en op breken stond…”.

 

De dood

Steeds lijkt de dood Arthur te vergezellen. Een vrouwelijke heilsoldate geknield bij een zwarte man roept hem. Of hij het slachtoffer even kan ondersteunen terwijl zij de hulpdiensten waarschuwt. “… Thuislozen, daklozen, junks, zwervers, schreeuwers, waar hij kwam in de wereld, de straten waren er vol mee. Raaskallend, zoekend, in lompen gehuld, zwart van het vuil, met enorme bossen aan elkaar geklit haar, zwijgend, scheldend of bedelend liepen ze door de steden alsof ze uit een oertijd waren gekomen om de mensheid ergens aan te herinneren, maar aan wat?...”. Hij begeleidt een ontzettend oude vrouw naar de metro, die al uren in een bushokje zit te wachten op een bus die niet komt. Het ‘koor’ weet dat ze even later dood zal zijn en dat het met de zwarte man ook niet goed gaat. Een agente die hem vraagt wat hij achter de hekken rond de bouwput op de Potsdamer Platz doet, komt in een slip terecht als ze de politieauto draait en tegen een sneeuwschuiver botst. Ze wordt door een ambulance met loeiende sirenes afgevoerd. Ondertussen sneeuwt het harder dan ooit: “… de vlokken waren nu van een ander soort wol, te zwaar om te dwarrelen. Het leek wel een bewegende muur die je opzij moest schuiven…”. In de Weinstube waar hij die avond aanschuift bij drie vrienden, gaat iemand dood. 

 

Woudgeesten

“… Er waren, had Arthur Daane geleerd, verschillende soorten vriendschap, maar alleen een vriendschap die gebaseerd was op zoiets ouderwets als wederzijdse achting was de moete waard…”. Hij is met de ‘begeesterde’ filosoof Arno Tieck, een personage gebaseerd op Nootebooms vriend Rüdiger Safranski. De beeldhouwer Victor Leben. En de stevige, luidruchtige, Russische natuurkundige Zenobia Stejn, die zich ‘als een onweerswolk’ door het leven beweegt, als tegenwicht een kleine fotogalerie beheert en ‘drinkt tegen de feiten’: “… wodka! Dubbel, een voor mij en een voor mijn ziel…”. 'Woudgeesten' die debatteren over Hegel, Jünger, Mandelsjtam, Benn. “… Arno hief zijn glas. ‘Op onze korte dagen. En op de miljoenen geesten die om ons huiveren.’ Ze dronken…”. Even verder: “… Sommige mensen hadden je uitgekozen zonder iets van je te willen. Je had er niets voor hoeven doen. Ze hingen hun warmte om je heen, je wist dat je ze kon vertrouwen tot het bittere einde…”.

 

Kunstenaarschap

Kunst is een belangrijk thema in Nootebooms werk. Hij beschrijft hoe Victor uren tot dagen op een stoel vanuit een steeds veranderende positie naar een stuk steen kan zitten ‘loeren’: “… ik denk niets omdat ikzelf dat ding word…”. Tot het slijpen en kerven, het hakken en beitelen begint. Hij wil dat het ‘raadsel zichtbaar wordt’ in wat hij maakt. Over een blok Fins graniet: “… Het leek of het in die steen voortdurend nacht was…”. Even verder: “… terwijl de steen kleiner geworden was leek hij groter, en ondanks het feit dat hij nu geraffineerder en gepolijster was, straalde hij plotseling een verbeten macht uit...”. Zenobia die ziet hoe Arthur urenlang zwijgend naar haar collectie kan kijken. Hij moet een ‘tweede ziel’ hebben, volgens haar. Het liefst filmt Arthur ‘voeten’, de ‘tredmolen die de wereld wegtrapt’ op weg naar de U-Bahn. Hij denkt na over de “… blinde kracht die mensen voortjoeg op weg naar iets wat met hun verdwijning eindigde…”. Hij filmt voetstappen in de sneeuw terwijl hij denkt aan de gezongen landkaarten van de aboriginals en hun ‘droomtijd’ in het boek van Bruce Chatwin: “Songlines”. Waar een buitenstaander niets ziet, zien zij overal tekens in de eentonige zandvlakten. “… Ach, en Berlijn in de sneeuw van de onschuld, alle verschillen uitgewist, het volmaakte huwelijk van Oost en West, de apotheose van de verzoening…”. De euforie van de Wiedervereinigung heeft allang plaats gemaakt voor wederzijdse rancune, argwaan, jaloezie en afhankelijkheid. Iedereen weet precies hoe de ander zich moet gedragen. In alle kasten liggen skeletten, rapporten, lijsten, bijgehouden processen, namen en pseudoniemen. “… Die muur kunnen ze rustig weghalen, die blijft toch wel staan…”. Zie de leegloop, de ontmanteling. Kijk de oude mensen in hun gezicht: “… van die hoofden met brandnetels en spinnenwebben…”.

 

Verborgen, gesloten werelden

Bij Nooteboom zijn het altijd de vrouwen die verleiden. Die mannen tijdelijk van hun ‘autisme’ verlossen. Goddelijke wezens die hun lot sturen. Tijdens de val van de Muur had een blonde vrouw Arthur bij de hand gepakt en een dans ingetrokken. Een leraar Grieks zei ooit dat je pas echt vrij was als je als Odysseus kon vragen ‘welke kant je op zou gaan’. “… Pas later had hij begrepen dat het niet waar was. Sluw was Odysseus, maar niet vrij, net zomin als hijzelf. De helft van de tijd had Athene de listige held te hulp moeten komen om hem in de ene of andere gedaante te redden…”. Even verder: “… Odysseus had geluk gehad. Iemand had hem de weg gewezen…”. Over Vermeer: “… die geheimzinnige schilder, had iets met Nederlandse vrouwen gedaan, hij had hun nuchterheid betoverd, zijn vrouwen beheerden verborgen, gesloten werelden waar je niet in kon. De brieven die ze lazen bevatten de formule van de onsterfelijkheid…”. Even verder: “… Je zag zulke vrouwen nog steeds in Nederland, doorschijnend en solide tegelijk. Het geheim was dat van de schilder geweest, hij had iets gezien wat anderen niet zagen, iets waardoor je nog steeds als je voor zo’n schilderij stond, in Den Haag of in Washington of in Wenen, het gevoel had dat je ergens in gelokt werd, een deur in die zich achter je zou sluiten als je naar binnen ging. Het was van een alles verterende intimiteit…”. De vrouw als hinderlaag.

 

Sirene

In het boek wordt Arthur ook door zo’n sirene meegelokt. Het begint als hij vlak voor haar een krant weggrist, haar woedende blik opvangt en getroffen wordt door het litteken dat haar ontzagwekkende ‘berberkop’ siert. Als teken van de dapperheid van een schermer, bedacht ik, zie “De Nederlandse maagd” van Marente de Moor. Een tijdje later ziet hij haar op straat lopen. Hij volgt haar naar de Staatsbibliotheek. Alsof ze een magneet is. Hij gooit een briefje op haar bureau met de vraag of ze naar de kantine wil komen. Ze voldoet aan zijn verzoek. Stelt zich voor als Elik. Geschiedenisstudent. Vader nooit gekend. Moeder heeft zich doodgedronken. Opgevoed door oma in Nederland. Als meisje een afschuwelijk geweldsdelict overleefd waardoor ze mannen haat, maar dat beseft Arthur niet. Ze schrijft een proefschrift over een obscure Spaanse koningin uit de vroege twaalfde eeuw waarmee ze zich vereenzelvigt:  “… Zeventien jaar had ze geregeerd, alleen…”. Queen Urraca. “… Spannend was het zeker, een vrouw tussen mannen, bisschoppen, minnaars, echtgenoten, zonen, een groot gevecht om macht, positie, de enige middeleeuwse koningin die daar daadwerkelijk geregeerd had…”. Even verder: “… Zevenentwintig was ze geweest, weduwe, moeder van twee kinderen, koningin van Castilië en Léon toen ze trouwde met de koning van Aragón…”. Er waren geen kinderen uit dat bed gekomen. Was die man impotent geweest? “… Hij sloeg haar, zeiden de bronnen. Duizend jaar oude roddel, of de waarheid, of erger. Het huwelijk was een ramp geworden. Zij had teruggeslagen, maar dan met legers…”.

 

Beeldmens

Hadden zijn vrienden hem maar aan de mast vastgebonden en was in zijn oren gestopt. Hij leent de auto van Arno Tieck en gaat een dagje met Elik op stap. Hij laat haar zien waar de Muur heeft gelopen maar ze heeft niets met zijn obsessie:  “… Dit krioelt nog. Dat is te groot voor mij…”. De dag eindigt in een drama. Echter, volgens het koor op de achtergrond zien wij steevast maar de helft van het verhaal: “… kunst, wetenschap, satire, ironie, het is de spiegel waarin altijd maar een deel zichtbaar is…”. Elik had hem achtergelaten als een ‘ontredderd vlaggenschip’, aldus het koor op de achtergrond, waarop Arthur zich zo ongeveer bewusteloos drinkt en geplaagd wordt door boosaardige dromen: “… Het vlies tussen hem en de chaos was kennelijk heel dun, en deze nacht waren er geluiden en stemmen doorheen gekomen. Ze hadden beelden meegebracht die hij nooit meer hoopte te zien, niet zo, hun bekende, verdwenen gezichten in de toonaarden van het bederf, verderf, flarden van ongelukken, hoongelach, naderingen gevolgd door een veel snellere verwijdering tot hij zichzelf had wakker geschreeuwd en naar het licht gegraaid had, licht dat de kamer onthulde als een gevangeniscel, de muren vijandig kaal, de kastanje buiten een huizenhoog houten monster dat zijn armen naar binnen wilde steken…”. De telefoon staart hem aan als een ‘veel te grote zwarte kever’. Geesten zoeken naar de ‘venijnige voelspriet’ van zijn wereldradio om rampzalig nieuws uit te braken: “… Wat had Victor gezegd? ‘Wij zijn de grootste helden van de geschiedenis, wij zouden allemaal bij onze dood gedecoreerd moeten worden. Geen generatie heeft ooit zoveel moeten weten, zien, horen, leed zonder catharsis, stront die je meezeult voor de nieuwe dag.’…”. De ‘beeldmens’ weet er geen verhaal van te breien (zie “De crisis van het narratieve” van Buying-Chul Han). “… Wat moet ik met al die ellende die ik elke dag naar binnen krijg? Ik wil het wereldleed op rijm, in hexameters, voorgelezen door John Gielgud in een zwarte moiré kamerjas uit een in rood marokijn gebonden boek met kleurenetsen van Rubens…”.

 

De kater van Boelgakov

In ‘licht als grijs poeder’ op een echte Berlijnse winterdag staat Arthur aan een tafeltje tussen daklozen, Vietnamese sigarettenverkoopsters, agenten met gemuilkorfde honden, braaksel, zaagsel, Roemeense schoonmakers, junks, bedelaars, de stank van worst en mannen met afgetrapte schoenen koffie te drinken op het station, “… met de kater van Boelgakov die manshoog naast hem staat en zijn zachte wollige arm om hem heen slaat, zodat de klauw met de lange, gebogen scherpe nagels op zijn schouder ligt…”. Hij bezoekt Arno Tieck die hem vertelt hoe Hegel in zijn kamer het gebulder van de kanonnen van Napoleon in de Slag bij Jena hoorde en besefte dat de geschiedenis aan haar eindfase was begonnen: “… met Napoleon is een nieuwe tijd aangebroken, er zijn geen heren en geen knechten meer, die tegenstelling die de hele geschiedenis door bestaan heeft…”. Zie Francis Fukuyama en zijn “Het einde van de geschiedenis en de laatste mens” (1992). Hij laat Arthur muziek van Hildegard von Bingen horen: “… vrouwelijke spiritualiteit, mannelijke autoriteit…”. Arthur moet niet te min over Eliks bizarre scriptieonderwerp denken: “… die tijd kan nu misschien niemand nog iets schelen, maar in die rare uithoek van Spanje werd toen wel over het lot van Europa beslist. Als die paar malle koningen in het noorden zich niet tegen de islam hadden verzet heetten jij en ik misschien nu Mohammed…”. Als hij thuiskomt, zit ‘ze’ op de trap.

 

Zíj bepaalt

In een café praat Arthur eindeloos met zijn vrienden. Luther, Jacob Böhme, Novalis, Heidegger. “… Kijk, wij zijn plat, dat is aan de ene kant wat oppervlakkiger, maar het geeft ook wat meer helderheid. Al die verborgen spelonken, wouden, Lichtungen, hellingen met bijbehorende wouden, dan krijg je natuurlijk ook Nibelungen, druïdische dichters en schrijvers als hogepriesters. Daar moet je voor oppassen. Dat heb je niet met oostenwind in de polder…”. En op haar kamer koestert Elik zich in eenzaamheid: “… De sensatie van alleen zijn, niemand kon ze dat uitleggen. Het gevoel van volstrekte autonomie, van onverschillig zijn voor je omgeving, omgeven door een stilte van je eigen maaksel, onbeweeglijke, doordringende, heilzame stilte…”. Iemand die zich in zichzelf kan opbergen. Anoniem in Berlijn. In Nederland is iedereen van de weeromstuit weer gelijker dan gelijk vanwege de alom gepredikte authenticiteit: “… thuis had ze vaak het idee dat er een grote verkinderachtiging in gang was gezet, een fatale, onuitstaanbare oppervlakkigheid van mensen die hun individualiteit leken te willen bewijzen door en masse om dezelfde grappen te lachen, dezelfde cryptogrammen op te lossen, dezelfde boeken te kopen en meestal niet te lezen, iets van een zo onaangename zelfgenoegzaamheid dat je het er benauwd van kreeg. Al haar kennissen waren op yoga, gingen met vakantie naar Indonesië, deden aan shiatsu, iedereen leek zich met honderden dingen bezig te houden waarbij je uithuizig moest zijn, haast niemand hield het bij zichzelf uit…”. Dag in dag uit is Arthur op zoek naar háár. “… ‘Hij is verliefd.’ Zei Victor. ‘En dat op zijn leeftijd. Levensgevaarlijk. Maar ieder volvoert zijn lot tot het einde.’…”. Ze komt wanneer ze wil, ze gaat wanneer ze wil: “… Aan het eind van de vierde dag had hij zoiets gehoord als een kras, een zacht geschuur tegen zijn deur. Hij had opengedaan en zij was naar binnen gegleden als een kat, toen hij zich omdraaide zat ze al, haar ogen recht op hem gericht…”.

 

Ausländer raus

Als ze weer wegblijft, reist Arthur voor een werkopdracht naar Estland. De dag dat hij terugkomt en draaierig van vermoeidheid tussen zijn vrienden in de Weinstube zit, ‘verschijnt’ ze in de kroeg. Een schikgodin die hem met haar blik omhoogtrekt uit de kring. Ontvoert. Wezenloos loopt hij achter haar aan. Ze leidt hem naar een kelder vol neonazi’s waar ze tussen de ectasykoppen, speedkoppen, cokemaskers en vanitasgezichten met magere lichamen in grotestadslompen tekeergaat op de dansvloer. Stampende figuren, dwangarbeiders “… slovend, verkrampt, bewegend op het genadeloze ritme, in elkaar krimpend bij elke zweepslag, meeschreeuwend bij wat zij kennelijk als woorden herkenden, een Duits hellekoor, rauw, over kapot ijzer getrokken stemmen, vergiftigd metaal…”. Een bezeten maenade, een vernederde gekkin, met honderd armen die ze naar alle kanten uitstrekt, vloeiend en dan weer schokkend, een woestijndans opvoerend waarmee ze alle anderen van hun plaats verjaagt. Ze worden herkent als 'Ausländer', waarna er een gevecht uitbreekt en ze Arthur ternauwernood met een welgemikte karateslag weet te redden. “… ‘Waarom ga je naar die tent?’ ‘Omdat ze me daar niet willen. Heb je de teksten verstaan?...”. De uitdaging. De kick. Ze neemt hem mee naar haar kamer, een schrikbarend vaal, kerkerachtig, armzalig, stinkend hol.

 

Heimwee

“… Keer terug op uw schreden…”, adviseert Victor. Hij gehoorzaamt in die zin dat hij voor twee maanden in opdracht naar Japan reist om de ‘Shikoku Henro’, de ‘achtentachtig tempeltoer’ te filmen, een beroemde boeddhistische pelgrimsroute op het eiland Shikoku. Deze tocht, die meer dan 1200 jaar geleden ontstond, voert langs 88 tempels die geassocieerd worden met de monnik Kūkai (ook bekend als Kōbō Daishi). Sommige sekten hebben niet alleen altijd volgehouden dat de zichtbare werkelijkheid een illusie is, vertelt Victor hem, “… maar daar ook nog prachtig bij gezongen met van die donderende trommelslagen en lage bromstemmen, heel dramatisch…”. Ze hebben gelijk gekregen: “… Intussen zijn wij er na een oneindige zoektocht achter dat alles wat wij voor solide werkelijkheid houden, zo ongeveer lege ruimte is en dat we een bril zouden moeten hebben die groter is dan alles wat we kunnen bedenken om waar te nemen hoe onzichtbaar en onvoorspelbaar de deeltjes zijn waaruit de zogenaamde materie bestaat!...”. Even verder: “… Wij zijn doorzichtig! Terwijl we er toch zo stevig uitzien! Ha! Nu we eindelijk weten uit hoeveel schijn de wereld bestaat, zouden we daar natuurlijk onze religie van moeten maken, maar dat hebben zij al gedaan…”. Als het hele universum een vraag is, dan is mystiek een antwoord. “… Van alle antwoorden die nooit het hele antwoord zijn kies ik voor de kunst…”. Daarom is Von Bingen ook in de mode, net als het Gregoriaans. Uit heimwee: “… Geef toe dat het fantastisch is: welk schrikbeeld, welke afgrond, of welke verlossing of extase je de mensen ook toeschuift, ze maken er muziek van. Duizend jaar geleden zongen de planeten nog in harmonie de lof van God, daar zijn ze kennelijk mee opgehouden, waarschijnlijk omdat ze weten dat wij eraan komen…”. Met ons raketarsenaal. Of we kunnen het gewoon niet meer horen: “… Dezelfde hersens, andere software…”.

 

Veldwerk

Als Arthur terug is, hoort hij dat Elik op pad is voor ‘veldwerk’. Waar kan dat anders zijn dan in Spanje? Arthur moet en zal ernaartoe, ook al waarschuwen verschillende vrouwen hem niet te gaan. ‘Die vrouw is slecht nieuws’. ‘U zult haar in Spanje wel vinden, maar ik weet niet of dat goed voor u is’. Intuïtie? Hij laat zich niet tegenhouden. In Spanje zijn er aan de orde van de dag aanslagen.”… Wat ergens anders een tweepartijenstelsel was, werd hier een strijd met gif, leugens, meineden, verdachtmakingen, schandalen…”. In Spanje heersen de ‘demonen’, “… een mensenslag waarmee je de wereld moest delen…”. Hij vindt Elik uiteindelijk in het Archivo Histórico Nacional, waar ze verloren voor alles in een achthonderd jaar oude foliant het summum van haar studie bekijkt: een gestileerde handtekening van Urraca. Alsof ze in twee tijden leeft. “… Zijn eerste instinct is om zich om te draaien en machteloos weg te gaan…”. Had hij dat maar gedaan. Een bode fluistert Elik in het oor dat er iemand op haar staat te wachten: “… de onwillige verbazing, de frons vanwege de verstoring, de traagheid waarmee ze opstaat, waardoor hij al weet dat hij niet had moeten komen…”. Ze slaat hem van zich af als een jankende hond. Soms kun je niet anders om van iemand af te komen.  

 

Naar het noorden

Die nacht wordt hij ook nog in elkaar geslagen door een paar jongens die zijn filmcamera willen roven. “… Nederlandse cineast overvallen…”. Het staat in alle kranten. Als hij bijkomt in het ziekenhuis is hij ergens geweest dat niet is uit te leggen: “… Licht was het daar, je kon horen wat levenden niet mochten horen…”. Hij probeert het niet eens: “… Het was verboden, zo voelde het, het mocht niet. Je hoorde niet terug te komen, je was besmet met een verlangen dat niet uitgesproken kon worden. Je hoorde niet meer daar en niet meer hier…”. Aan zijn bed de ‘drie koningen’: Arno, Zenobia, Victor. Zwijgend. Victor die naar een hoek van de kamer loopt, zijn sjaaltje schikt, zijn jasje recht trekt, een buiging maakt, lijkt te tellen en begint te tapdansen terwijl hij hem recht aankijkt. Alof hij  in het leven terug wordt gedanst. Een ceremoniële dans, een bezwering, het geklikkerdeklak als een sprakeloze boodschap, nog geen minuut lang voor de verpleegster binnen stuift om er een eind aan te maken. Meneer moet rust hebben, zegt ze, terwijl ze zijn tranen afveegt. “… Wer nicht weint, hat kein Genie…”. Nietzsche. Als hij na zes weken wordt ontslagen, hoort hij dat er een vrouw naar hem is komen kijken die heeft gezegd dat ze voor haar werk naar Santiago moet. Wanneer hij eindelijk in zijn auto in noordelijke richting rijdt, aarzelt hij even op een kruispunt, maar houdt toch het noorden aan. Hij is het noorden dus niet kwijt. Prachtig, prachtig, al schurkt Nooteboom hier en daar wel tegen het pathetische aan, vind ik als nuchtere noorderling.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 416 blz., ISBN 978 940 313 506 9, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 22 februari 2026

Rituelen – Cees Nootenboom

 


Onlangs ontdekte ik op YouTube “De boekentafel van Godert Walter”, een leeskring waar ik helemaal vrolijk van wordt, die wekelijks samenkomt op de zolder van een boekhandel in Groningen. Daar werd de nodige aandacht besteed aan de jongstleden 11 februari overleden schrijver/dichter/reisjournalist Cees Nootboom (1933-2026). Ik had nog nooit wat van hem gelezen: ik vind zijn werk fantastisch. Het heeft iets on-Nederlands, iets filosofisch, iets ongrijpbaars, precies dát wat denker Buying-Chul Han de ‘narratieve toverkracht’ noemt. Wat die tent op de omslag van de nieuwste uitgave doet is mij trouwens een compleet raadsel: in het hele verhaal komt geen enkele tent voor. 

 

Ieniemienie Epsteintje

Na zeventien jaar ‘romanstilte’ werd “Rituelen” van Cees Nooteboom eind 1980 begin 1981, op een enkele uitzondering na, met groot enthousiasme ontvangen. Op de eerste bladzijde staat de zin waarmee Nootenboom beroemd werd: “… Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil…”. Het verhaal begint met de boodschap dat de protagonist, Inni Wintrop, zelfmoord pleegt (dronken en aan de plafondbuizen in de wc), wat natuurlijk mislukt, anders hadden er niet nog eens zo’n tweehonderd bladzijden kunnen volgen waarin hij achterom kijkt en voort ploetert in zijn ontuchtige doch wonderbaarlijke leven. Inni (hij vindt zijn naam belachelijk, zijn ouders noemden hem naar een belangrijke architect, misschien dachten ze dat hij het genie er vanzelf bij zou krijgen) is een ieniemienie Epsteintje: ‘hij kan de nacht niet goed alleen doorbrengen’. Een charlatan die zijn kost verdient met alles wat geld oplevert plus het bij elkaar fantaseren van de horoscoop in Het Parool. Hij beschouwt zichzelf als een ‘vampier’ die alleen maar kan bestaan door ‘licht’ te zuigen uit vrouwen. Ze ‘geven hem het gevoel dat hij leeft’. Soms gaat hij ‘als een hond de straat op’, soms voelt hij zich ‘extatisch, als iemand die kan vliegen’ en ‘schenkt hij zich weg aan iedereen die aanspraak maakt op het kortstondig bezit van Inni Wintrop’. Zijn prachtige Namibische vrouw (een fotomodel, jawel), wil niet weten wat hij allemaal uitspookt, “… omdat ze anders verplicht zou zijn hem te doden, en daar was niemand bij gebaat…”. Ze verlaat hem na zes jaar waarin hij zich, bij gelegenheid en waar hij maar kon, inliet met hoeren en ‘tieners in spijkerbroek’. Ook gaf hij vrouwlief ooit het bevel het kind dat ze samen maakten ‘de toegang tot de wereld te versperren’, omdat hij ‘zijn angst voor veranderingen’ geenszins in de hand had. Ze vertrekt niet zonder hem overigens kaal te plukken. Als ze langs een etalage met kinderkleertjes komt ‘huivert ze van verborgen wraakzucht’. Vind je het gek? “… Zelfs de eindeloze reserves van Namibië raken uitgeput…”. Even verder: “… ‘Inni leeft in twee werelden,’ zeiden zijn zeer verschillend geaarde vrienden die zelf maar in één wereld leefden…”. Inni beschrijft zichzelf als een ‘gat’, een ‘afwezige’, ‘iemand die niet bestaat’, dat wil in zijn geval zeggen een ‘kameleon’ die zijn rol aanpast aan alles en iedereen. “… ‘Jij leeft niet,’ had zijn vriend de schrijver een keer gezegd, ‘jij laat je afleiden,’ en Inni had dat als een compliment beschouwd…”.

 

Amsterdam 1963

Voorgaand intermezzo speelt zich af op de dag voordat Kennedy wordt vermoord: “… De foto was duidelijk geweest: er waren verwarde tijden op komst…”. De wereld is in de ban van de Koude Oorlog. Onze hoofdstad is in een ondergangsstemming (toen ook al): “… Vissen begonnen te sterven aan dingen waar vissen vroeger niet aan stierven en de gezichten in de steeds langere rijen auto’s op de grachten vertoonden soms dat mengsel van frustratie en agressie dat de zeventiger jaren zo uniek zou maken, maar nog bijna niemand scheen te weten dat de natuur, moeder van alles, het weldra zou begeven en dat het einde van de vervuilde tijden nabij was, en ditmaal voorgoed. Toch broeide onder al die uiterlijke onwetendheid de zachte brand van onrust, wanhoop en kwaadaardigheid. De wereld stonk allang, Amsterdam begon zachtjes te smeulen…”. Evenals Lena Bril in “In therapie. Een persoonlijke zoektocht naar houvast” buigt Nooteboom zich over de vraag of mensen in het in rap tempo ontkerkelijkte Nederland wel zonder enige vorm van geloof (dan wel rite) of ander collectief verhaal kunnen. Zie ook “De crisis van het narratieve” van filosoof Buying-Chul Han en zijn essay “Over het verdwijnen van rituelen”, waarin hij aantoont hoe we met de gedeelde rituelen ook onze band met de gemeenschap zijn kwijtgeraakt. Wat rest is een cultus van authenticiteit en narcisme volledig gedreven door commercie.

 

Een echte Wintrop

In het tweede deel buigt het verhaal van Nooteboom zich naar tien jaar daarvoor: 1953. Inni Wintrop bewoont een kamertje in een pension waar hij zijn kont niet kan keren, als op een vrije zaterdag zijn tante Thérèse binnen komt stuiven. Moeilijk, moeilijk, omdat er eigenlijk geen plaats is voor “… twee mensen en zij was op zichzelf al bijna twee…”. Ze oogt wat hysterisch, “… alsof er voortdurend een pannetje bloed op een innerlijk fornuis stond te koken…”. Ze ziet direct dat hij een ‘echte Wintrop’ is: “… Alle Wintrops zijn gek, slecht, ijdel, hebben geen discipline, leven in verwarring, scheiden aan een stuk door. Ze behandelen hun vrouwen als vee, en die vrouwen blijven verliefd op ze. Ze zijn fout in de oorlog of verdienen eraan, ze zijn slim in zaken maar ze vergokken hun geld of gooien het in de lucht, en ze verkopen elkaar voor een gulden. Heb je je vader gekend?...”. Amper. Hij kwam om tijdens een bombardement in de oorlog toen Inni tien was (hij is daarom wel trots op hem). Zijn ouders waren gescheiden toen papa vreemdging met het dienstmeisje. Hij had ook nogal losse handjes. Inni was eerst bij zijn vader gebleven maar tijdens de hongerwinter naar zijn moeder gestuurd die in Gelderland woonde. Ze schijnt ergens in Europa te zijn neergestreken met zijn gehate stiefvader. Kortom: “… Hij hoorde nergens bij, en dat beviel hem uitstekend…”.

 

De verdwenen God achterna

Tante zit goed in de slappe was en sommeert Inni in haar witte Lincoln met chauffeur te stappen om een bezoekje te brengen aan haar ‘vroegere minnaar’ Arnold Taads, een notaris in ruste, die moet zorgen dat Inni het geld waar hij recht op heeft terugkrijgt van zijn foute voogd, waar hij mee in de clinch ligt. Taads blijkt zich met zijn reusachtige hond als een bejaarde monnik te hebben teruggetrokken in de bossen van Doorn. Zijn glazen oog, zijn voor zijn schriele gestalte veel te luide, blaffende stem, zijn krampachtige, dwingende gezicht en zijn woudlopers-outfit à la Old Shatterhand, bezorgen Inni de schrik van zijn leven. Ze worden weggestuurd omdat ze tien minuten te vroeg zijn. Na een eindje wandelen ‘dalen ze wederom af in het schimmenrijk’. Taads vindt houvast in het leven door zich te onderwerpen aan een angstaanjagende, verstikkende, maniakale orde. Hij is het vleesgeworden protocol. Een regeerder van zijn eigen lot, met ‘versterving’ als hobby. Alles is bij hem ritueel geworden. Zijn woonkamer is een ‘wiskundesom’ met witte, glanzende meubels van een ‘calvinistische, haatdragende moderniteit’. Taads vraagt wat Inni wil ‘worden’, want hij kan toch niet eeuwig een loonslaafje op een stom kantoor blijven? Inni heeft geen idee: “… De wereld was al boordevol met mensen die iets waren, en de meesten waren er duidelijk niet gelukkig mee…”. Taads beveelt tante Thérèse haar neefje geld te geven zodat hij zijn baantje op kan zeggen. Een Wintrop werkt niet. Daarna stuurt hij haar weg. Inni krijgt de opdracht zich van vijf tot kwart voor zes zelf te vermaken, want dan moet meneer lezen. Tijd is ‘de vader van alle dingen’, leert Inni. Van zes tot zeven gaan ze met de hond het bos in en stort Taads zijn intense mensenhaat over Inni uit. Hij koestert zijn fanatieke eenzaamheid. Hij is het gelukkigst in de Rocky Mountains waar hij ooit zes maanden in zijn dooie eentje op een bergtop zat als brandwacht. Hij brengt als voormalig skikampioen nog steeds de wintermaanden in een verlaten vakantiehuisje in de Zwitserse Alpen door. Zijn hoofd zit vol met het atheïstisch existentialisme van Sartre. Dat van Inni met ‘niets’. Taads “… keek niet op of om en had dezelfde weg waarschijnlijk ook blind kunnen afleggen met dezelfde ritmische, mechanische bewegingen. Een opgewonden soldaatje op mars…”. Hij oreert maar door over het bestaan waar je in bent geworpen en dat niets betekent behalve door wat je het zelf laat betekenen, terwijl hij refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus. “… Ga skiën!…”, denkt Inni, “… Suis van de helling af, je verdwenen God achterna…”.

 

Ter kerke

Taads neemt Inni op zekere dag mee voor een bezoek aan tante Thérèse in Tilburg, waar ze verrast worden met een uitgebreide Brabantse koffietafel. Inni voelt zich heerlijk te midden van alle weelde. “… Kussenkasten, chesterfields, schilderijen van de Hollandse school, een wellustig renaissance crucifix van ivoor, hele families Sèvres en Limoges, Perzische tapijten, personeel, als een warme doek werd het om hem heen gewikkeld…”. Taads duidt het allemaal als ‘stront’. Antiek stinkt. “… Dit is alleen maar vol te houden als je van binnen ook een uitdragerij bent…”. Wanneer je dit verachtelijk vindt moet er iets mis met je zijn, concludeert Inni. “… Hij vond het buitengewoon behaaglijk, en tegelijkertijd drukte het macht uit, en daardoor afzondering van de buitenwereld…”. Taads bezorgt tante Thérèse een zenuwinzinking door te informeren of ze ook ham heeft: het enige wat er aan de dis ontbreekt. Tante Thérèse heeft op haar beurt maar één vraag voor Inni. Gaat hij nog ter kerke? Er schuift een ‘heeroom’ aan bij het diner die priester en ‘geheimheer van de paus’ is en een theologische discussie begint met Taads, wat eindigt in een verhit handgemeen. Inni, de eeuwige buitenstaander, mengt zich er niet in.

 

Een stil geloof in engelen

Intussen wordt Inni onopvallend verleid door het dienstmeisje, dat hem meeneemt naar het bos, waar ze hem ter wille is, ook al zal ze over een paar weken, wanneer haar verloofde terugkomt uit de Koreaoorlog, trouwen (Taads heeft hem uitgelegd dat als je geen vader hebt je tenminste geen superego hoeft mee te torsen: “… Geen vader op je rug, geen dwingende regulerende factor in je leven. Niets om je tegen af te zetten, om te haten, om aan te refereren in je gedrag…”). Ze sluipt ook nog zijn logeerkamer binnen. Toch is er zeker geen sprake van platte Epsteinseks, waar de minachting en haat richting vrouwen van afdruipt. Zie het NRC van 21 februari: “… De Epstein-files bieden een ongefilterde blik in de denkwereld van bepaalde mannen. Jonge vrouwen zijn ‘jong pussy vlees’, oudere vrouwen hebben ‘kwark tussen de benen’, hun eigen echtgenote is een ‘miserable cunt‘…”. Misschien bestaat Inni’s ‘geloof’ uit vrouwen. ”… Een grote verslaving was begonnen…”, in ieder geval. Inni zet zijn dames op een voetstuk: “… Vrouwen waren de meesters van de wereld, eenvoudig omdat ze hem in beheer hadden. Nooit zou hij het gevoel hebben dat hij iemand ‘nam’, of ‘veroverde’ of wat er dan nog meer aan stupide terminologie bedacht was om de waarheid te verhullen: dat men zich, dat hij zich aan vrouwen uitleverde met een absolute overgave die altijd misverstanden wekte…”. Zielig toch? “… Als de wereld een raadsel was dan waren vrouwen de kracht die dat pulserende raadsel op gang hielden, zij, en zij alleen hadden toegang tot het raadsel. Als er al iets te begrijpen viel op de wereld moest dat via vrouwen gebeuren. Vriendschap met mannen kon heel ver gaan, maar het bleef de rationale kant van de dingen, iets wat sommige vrouwen erbij hadden, een extra…”. Met andere woorden, niet alle vrouwen zijn zo stom als ze er uit zien. “… Vrouwen waren eerlijker, directer, dan woorden, het waren media…”. Niet voor niets moet hij steeds trappen opklimmen naar hun onderkomens. Alsof het een soort ‘Jacobsladders’ zijn. Zijn vrouwen zijn engelen, moeder Maria’s, die hem over zijn bol aaien, lekker instoppen en ook nog zijn biologische functies helemaal snappen. Ze halen ‘de zachte kant’ in hem naar boven: “… Vaak had hij het gevoel dat vrouwen hem toestonden om zoveel als dat mogelijk is een vrouw te zijn – en dat hij zonder dat niet zou kunnen overleven. Niet dat hij ooit fysiek een vrouw had willen zijn, juist zo, met die vrouw in zijn mannenlichaam onderging hij een raadselachtige sensatie van dupliciteit. Hij was wat men dan noemde een vrouwenman, maar dan zoals in de mythologie een vogelman kan zijn…”. Als je je maar genoeg in elkaar kunt verplaatsen zijn we misschien allemaal wel een beetje trans. Ik geloof eerlijk gezegd helemaal niet dat er zoiets bestaat als honderd procent mannelijkheid tegenover honderd procent vrouwelijkheid. Zie de Duitse wetenschapper Magnus Hirschfeld die rond 1900 tot de conclusie kwam dat er welgeteld 40.046.721 seksuele types zijn. Daar staan we dan met onze miserabele LHBTIQA+ labeltjes. We kunnen nog effe. “… Hij haatte de houding van de meeste mannen tegenover vrouwen, want ook al deed hij dezelfde dingen, de beweegredenen waren anders. Hij wist wat hij zocht. Seks was nooit waar het echt om ging, seks was alleen maar het verrukkelijke vervoermiddel. Vrouwen, alleen vrouwen, waren een middel om dichterbij te komen, in de buurt, in de straling van het geheim waarvan ze de beheersters waren en mannen niet. Door mannen, maar dat zou hij pas veel later zo kunnen zeggen, leer je hoe de wereld is – door vrouwen wát hij is…”. Tuurlijk joh. “… En deze nacht, waar duizend andere nachten, kamers en lichamen overheen geschoven zouden worden, was de onvergetelijkste van alle…”. Hier wordt een religie geboren.

 

Het lichaam als gadget

Het derde deel verspringt naar 1973. Inni is inmiddels veertig, “… de leeftijd waarop je alles voor de derde keer moet doen of gaan studeren voor kwaadaardige oude man…”.  Die dag ziet hij drie duiven, zoals hij op andere dagen te veel blinden, of kreupelen of linkerschoenen langs de weg ziet liggen, wat hem een ‘vaag gevoel van onbehagen’ bezorgt: ‘alsof er ergens toch nog een duister plan omtrent de wereld bestaat’. De eerste duif is een dode duif die hij gaat begraven in het Westerpark met een meisje dat de vogel ook ziet. Langs zijn neus weg deelt Nooteboom nog gauw een geweldige sneer uit naar Jan Wolkers, van wie het meisje een boek in een plastic tas heeft zitten. Daar kan de dode duif wel bij, dat geeft niks, zegt Inni (als je bedenkt dat de duif een symbool is voor de Heilige Geest: die is bij Wolkers wel dood ja). Ze springt bij hem achter op de fiets zoals Moniek van de Ven bij Rutger Hauer in "Turks fruit" (uitgeroepen tot de beste Nederlandse filmscène ooit). De tweede duif laat zich meevoeren op de rand van een omhoog bewegende ophaalbrug waar ze voor moeten stoppen. Vervolgens duikt Inni natuurlijk met het meisje in bed. Als je niet in het ‘hogere’ gelooft, ben je blijkbaar overgeleverd aan het ‘lagere’ oftewel je driften en instincten. Zie Rom. 1:24. Zie “Compassie” van Karen Armstrong. Het meisje vrijt mechanisch. Ze trekken je tegenwoordig aan en uit als een handschoen, denkt Inni. “… Het leek soms nog het meest op een vorm van werken…”. Terwijl hij haar aankijkt: “… Ze had nog niet geleden, en dat was niet per ongeluk. Lijden, had hij geleerd, kon je ook weigeren, en dat werd tegenwoordig op grote schaal gedaan…” (zie de intro van mijn vorige blog). Als het achter de rug is: “… ‘Zie ik je nog eens?’ vroeg hij. ‘Nee. Ik heb een vriend.’…”. Pas als hij twee straten verder is bedenkt hij dat ze geen van tweeën elkaars naam gevraagd hebben. Wat maakt het uit? “… Niets, en toch kwam het hem voor dat er iets mis was met een tijd waarin je naamloos met elkaar naar bed kon gaan…”. Hij besluit haar ‘Duifje’ te noemen.

 

Het numineuze

Inni was in feite net op weg naar een kunsthandel met een paar platen die hij op de kop heeft getikt. Als Nooteboom het over kunst heeft, is hij echt op zijn best. Prachtig beschrijft hij de ‘Lybische Sibylle’ een copy van een ets van Baldini, die Inni bij zich heeft. “… ‘Ze broedt een boosaardige voorspelling uit,’ zei Bernard. ‘En ze heeft konijnenoren, maar dat is waarschijnlijk het Lybische aan haar.’…”. De kunsthandelaar stuurt hem met een Japanse prent naar iemand anders die er meer verstand van heeft: “… Je kunt alleen maar wezenlijk mooi vinden waar je echt iets van weet…”. Onderweg ziet Inni een derde duif zich te pletter vliegen tegen een winkelruit. Hij fladdert toch weer van de grond. “… Duiven, orakelspreeksters, predikers, dit was duidelijk een dag dat het hogere het op hem voorzien had…”. Als hij bij het opgegeven adres aankomt, ziet hij een magere, oriëntaals uitziende man als in trance naar een zwarte kom in de etalage staren. “… Sommige dingen drukken rust uit, andere zijn machtig. Maar het is niet altijd zeker waar die macht op berust…”. Even verder: “… Het beste kon je misschien nog zeggen dat die pot, kom, of hoe je het eenzame voorwerp dan ook noemde, eruitzag alsof hij ontstaan was, spontaan, niet door mensen gemaakt. Hij was letterlijk sui generis, hij had zichzelf gecreëerd en heerste over zichzelf en over wie naar hem keek. Men zou voor deze kom gerust bang mogen zijn…”. De man stapt na hem naar binnen, gevolgd door twee Japanners, met wie de winkeleigenaar een gesprek aangaat. “… Ik zag dat u belangstelling had voor de raku-kom…”, zegt de man plotseling. Inni antwoordt dat hij er geen verstand van heeft, maar dat er voor zijn gevoel een soort van dreiging uitgaat van de kom. “… Samen liepen ze de kant van de etalage op. De kom stond nu beneden hen zodat hij erin kon kijken, en het was alsof hij in de diepte van een oog keek, of in een tot het oneindige verkleinde diepe zwarte poel. De kom staarde terug, hol, zwart glanzend, de afgezant van een universum waar een oningewijde niets te zoeken had. ‘Kuroraku,’ zei de man naast hem. Het klonk als een bezweringsformule, alsof door het uitspreken van die woorden de geheimzinnige kracht van de kom beteugeld kon worden…”. Met een klein sleuteltje opent de kunsthandelaar vervolgens de etalage, om de kom aan de Japanners te laten zien. “… Nu gaat er iets vreselijks gebeuren, dacht Inni. Zo’n kom laat zich niet straffeloos weghalen. Hij zag hoe het gezicht van de man naast hem grauw was geworden onder het bruin…”. Dan ziet Inni de kom pas goed: “… Als een grauwe melkweg dreef een baan van lichtere, ruwe punten door de diepe duisternis van de zwarte binnenkant. Wie zou hier uit durven drinken?...”. Uiteindelijk verkoopt de winkelier de kom aan de Japanners. Als ze de deur uit zijn biedt hij zijn excuses aan de oriëntaalse man aan die hij tot Inni’s verrassing Taads noemt. Hij vraagt hem of ene Arnold Taads soms familie van hem is. “… Ja, dat was mijn vader…”. Inni vraagt direct of hij wat met hem wil gaan drinken. Taads junior heeft het niet zo op café’s, maar vraagt Inni mee naar zijn huis in de Pijp.

 

Verlossing

Taads junior blijkt met zijn kaalgeschoren kop ook al een monnik: een zenboeddhist. Zijn enge kamer is helemaal wit en zo goed als leeg. “… De zeventiger jaren. Nog hadden ze de deur van de Kerk niet achter zich dichtgeslagen of ze kropen als bedelaars naar de blote voeten van guru’s en swami’s. Eindelijk waren ze alleen in een mooi leeg universum dat over zijn zelfgemaakte rails zoefde als een trein zonder bestuurder en er werd weer uit alle ramen om hulp geroepen…”.  Ze drinken groene thee. “… ‘Ik bereid me ergens op voor,’ zei Philips Taads. ‘Waarop?’ ‘Op mijn verlossing.’…”. Inni vraagt zich af of alle Taadsen niet gewoon knettergek zijn. “… Zij leefden één meter boven de grond, waar die woorden hun natuurlijke domein hadden. Misschien konden ze ook wel vliegen…”. Even verder: “… ‘Verlossing is een katholiek begrip,’ zei Inni. ‘Niet zoals ik het bedoel. Bij de katholieken is het een ander die jou verlost. Je kunt aan die verlossing deelachtig worden, maar dat zegt me niets. Ik verlos mezelf.’ ‘Waarvan?’ ‘Eerst van de wereld. Dat is me erg meegevallen, het is niet moeilijk. En dan van mezelf.’ ‘Waarom?’ ‘Het leven hindert me. Het hoeft niet.’ ‘Dan moet je zelfmoord plegen.’ Taads antwoordde een tijdlang niet. Toen zij hij zacht: ‘Ik wil af van het ding dat ik ben.’…”. Zie “Mijn weg van Boeddha naar Christus” van Esther Baker die zich ook bijna dood heeft gemediteerd. “… ‘Wat ik bedoelde te zeggen is dat ik het onverdraaglijk vind om een lichaam nodig te hebben om te bestaan,’ zei Taads. Toch katholiek, dacht Inni. Het smerige lichaam als hinderpaal op weg naar het heil…”. Hij vlucht bijna het huis uit.

 

Omgekeerde schedels

Buiten is het heiig. Er komt een onweerslucht ‘als een leger’ opzetten. Inni gaat de prent ophalen die hij bij de oosterse kunsthandelaar heeft laten liggen. De laatste vertelt dat hij Taads moet waarschuwen als hij een onbetaalbare raku-kom tegenkomt: “… Hij leeft in zijn eigen Japan, onze vriend…”. Hij heeft Taads ontmoet tijdens yogales, waar hij mee gestopt is omdat hij bang begon te worden zichzelf te verliezen: “… het verandert geleidelijk je wezen, tenminste zo voelde ik het – je verandert, je staat anders in de wereld, het is niet alleen maar een beetje gymnastiek…”. Hij is zich rot geschrokken van de heftige reacties van Taads, die na een sessie een enorme huilbui kreeg, “… alsof hij zichzelf uit wou kotsen, zo sterk. Een andere keer kon hij zijn handen niet meer uit een kramp krijgen…”. Het is allemaal niet zo onschuldig als het lijkt. “… Ik zit al de hele dag tussen het verhevene, al heb ik daar dan een vrij perverse band mee. Plat gezegd, ik durfde niet meer…”. De handelaar laat hem een boek vol Japanse theekommen zien: “… Wat was er nu precies zo mysterieus aan kommen, of, als je het er dan toch over had, aan kelken? Omgekeerde schedels die niet langer iets bedekten, niet meer naar de aarde gericht waren maar naar de hemel, dingen waar iets in kon, maar alleen iets wat van boven kwam, uit de bovenwereld van zonnen, manen, goden en sterren…”. Het goud van de kelk die bij de mis wordt gebruikt roept bloed en wijn op. Bij de theeceremonie gaat het niet zozeer om de thee, maar om ‘hoe’ je drinkt: “… De vorm van de ceremonie moest uiteindelijk tot een innerlijke ervaring leiden die de weg wees naar de gesloten tuinen van de mystiek…”. Inni: “… Wat een eigenaardig ras was de mensheid toch dat er, hoe dan ook, altijd voorwerpen aan te pas moesten komen, gemaakte dingen die de passage naar de schemergebieden van het hoge gemakkelijk moesten maken…”. Samen luisteren ze naar de auto’s buiten die beginnen te toeteren omdat er een vrachtwagen vastzit: ‘woedekreten van een orang-oetan die geen banaan kan vinden’. “… ‘In 1480,’ zei Riezenkamp, ‘maar niemand weet het, heeft een heks deze plek vervloekt en gezegd dat Amsterdam in chaos en hels lawaai ten onder zou gaan.’…”. Of Inni zich kon voorstellen hoe onvoorstelbaar stil de wereld was waarin de oosterse asceten hun gedachten uitbroedden. “… Wij zijn andere mensen geworden. We zien er nog net zo uit, maar we hebben er niets meer mee te maken. Anders geprogrammeerd. Wie nu nog zo wil worden moet een behoorlijke portie gekte meebrengen om het hier dan nog uit te houden. We zijn er niet meer op gebouwd…”. Die nacht leest Inni de roman die Taads junior hem heeft meegegeven: “Thousand Cranes” van Kawabata, over “… een uit ragfijne woorden gesponnen levensgevaarlijk web waarin mensen gevangen zaten en theekommen het voor het zeggen hadden, kommen die de geest van hun vorige eigenaars bewaarden en die vernietigden, of, zoals in dit verhaal, vernietigd werden…”.

 

Requiemmis voor drie heren

Na vijf jaar belt de kunsthandelaar dat hij eindelijk een klassieke akaraku-kom voor Taads junior heeft gevonden. Of Inni komt kijken. Een kom uit de onbenoembare voortijd met de kleur van dode bladeren: “… Was de zwarte kom nog dreigend, deze was aan dergelijke interpretaties voorbij…”. Taads betaalt contant een onmogelijk bedrag. Eindelijk heeft hij wat hij wil: “… Nu heeft hij niets meer te willen…”. Een paar weken later worden Inni en de kunsthandelaar uitgenodigd voor een theeceremonie bij Taads thuis. Dat wordt geen grapje…

 

Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 200 blz., ISBN 978 940 313 505 2, 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 19 februari 2026

Door de sneeuw – Tommie Goerz

 


Deze blog schrijf ik op 'aswoensdag'Byung-Chul Han (zie mijn vorige blog) noemt in zijn essay “De palliatieve maatschappij” (2022) de hedendaagse beschaving ‘palliatief’, omdat wij coûte que coûte pijn willen vermijden. Zie hoe het beeldscherm ons ‘beschermt’ tegen de boze buitenwereld. “… We zijn bang geworden voor pijn. Zelfs de dood proberen we weg te stoppen. We kiezen vaak voor verdoving in plaats van echt leven…”. En dan bij onze jongeren aan komen zetten met de oproep ‘sneuvelbereid’ te zijn. Gekker kun je het in mijn ogen bijna niet bedenken. Zie ook het artikel ‘Waarom je een schedel op je bureau moet zetten. Het belang van memento mori’ van “De ongelooflijke” (30.12.25), naar aanleiding van een podcast met rouwdeskundige Manu Keirse. Misschien kunnen we weer zachtjes een beetje leren wennen aan de dood door bijvoorbeeld het prachtige, dromerige boekje “Door de sneeuw”, van de Duitse bestsellerauteur en detectiveschrijver Tommie Goerz (1954) te lezen, waarin een dodenwake wordt gehouden in een afgelegen, met een dikke laag maagdelijke sneeuw bedekt Alpendorp: “… De sneeuw was als het zwijgen, dacht hij, de sneeuw dekt alles toe. Ze maakte de wereld stil, ze slokte alle rumoer op. En maakte haar mooi…”.

 

Noaberschap

“Door de sneeuw” beweegt zich op de rand van twee werelden. De protagonist, Max, een oude vrijgezel, heeft aan den lijve ondervonden hoe de gesloten, op het eigene en naar binnen gerichte dorpsleven, ruw verstoord werd door de met veel bombarie binnendringende buitenwereld. Alles verandert doorlopend. Panta rhei. Goed, het leven is daardoor misschien zo’n beetje grenzeloos geworden, alles werd mogelijk, maar ook oppervlakkiger. Veel goeds ging verloren en verdween. Ik herken dat wel. Op mijn zesde verhuisde ik van een hechte plattelandsgemeenschap naar de stad. Mijn hoogbejaarde moeder zei laatst nog dat ze dacht: wat zal ik nu veel meemaken - met zoveel mensen om me heen. Ze maakte níets meer mee. Of in ieder geval niet meer iets dat kon tippen aan de intieme solidariteit die vanzelfsprekend is in een buurtschap waar je op elkaar aangewezen bent. Wat je in de breedte leeft, leef je niet in de diepte.

 

W.G. van de Hulst-achtig

Het verhaal. Max staart in trance uit het keukenraam naar de vallende sneeuw: “… Hoe de sneeuw, als hij omhoogkeek in het eindeloze grauw van de lucht, uit zwarte stipjes bestond en hoe de stipjes gestaag op hem af bleven stromen. Tot hij erdoor werd meegevoerd, wat altijd gebeurde als hij een tijd zo stond te kijken. Dat had hij als kind al gehad. Alsof de vlokken niet naar hem toe zweefden, maar hij naar de vlokken…”. Bijna W.G. van de Hulst-achtig: “… Van niets werd de wereld zo roerloos als van vallende sneeuw. En zo vredig, zo zacht…”. Dwars door het kalme wit begint plotseling de doodsklok te beieren. Al twintig jaar luidt Gunda voor iedereen die in het dorp sterft de klok. Daarvoor was dat de taak van haar moeder: “… sinds het begin van de wereld leek het wel…”. Zijn oude vriend Schorsch is dood (alleen in zijn paspoort staat zijn echte naam: Georg, maar niemand had hem ooit zo genoemd, alleen bij de gemeente, wat wisten ze daar nou van mensen…). Lisl had het hem van buiten toegeroepen, vanaf de weg. Terwijl ze een kruis sloeg. Schorsch met wie hij hout hakte en machines repareerde. Met wie hij eindeloos met een potje bier had zitten niksen op een bankje op het erf of op de sofa bij hem thuis, waar ze samen zwegen of een dutje deden. Hij herinnert zich de ‘heilige momenten’ als ze luisterden naar de oergeluiden in het bos, het over stenen stromen van de beek. Ze hadden het jaarlijkse ‘bezembinden’ geregeld en een keer zwarte kaarsen gegoten die zouden helpen tegen onweer. Toen ze op een zolder een oude karnton vonden, hadden ze boter gekarnd. Hij probeert de krant te lezen: “… Hij sloeg de bladzijden om en bekeek de foto’s, maar het nieuws interesseerde hem niet. De wereld daarbuiten was zo ver weg, die had niks met hem te maken. Een janboel was het, hij begreep er niets meer van. Het was overal oorlog, overal waren mensen op de vlucht – bij hem sneeuwde het alleen…”.

 

Dodenwake

In Max’ vertraagde wereld wordt het halverwege de middag alweer nacht: “… het zou nog weken duren tot het merkbaar lichter werd. Wat was er met de dag gebeurd?...”. Hij zet thee van allerhande kruiden die hij zomers plukt en te drogen legt op een plank. Ondertussen denkt hij na over de veranderde omgang met de dood. Hadden ze Schorsch al opgehaald? “… Haast niemand wilde nog een dode in huis hebben, ook de eerste nacht al niet meer. Bij de laatste drie overlijdens was er geen dodenwake geweest. Ze waren de overledenen nog dezelfde dag komen halen, om bij de uitvaartonderneming in een koelcel te leggen. Pas voor de begrafenis werd het lichaam dan naar de kerkhofkapel gebracht, het werd niet meer opgebaard. De kist was voor die tijd al dichtgeschroefd. Maar zo kon je niet fatsoenlijk afscheid nemen. Bij een dodenwake was dat zoveel mooier. Dan had je de hele nacht om te praten en te huilen en was er wat te drinken, een borrel of twee, een biertje of wat, dat hielp altijd. Ook dat je met meer was en niet alleen…”. Hoe een prachtige ceremonie, zeker ook in verband met het onlangs gepubliceerde wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat ons brein nog enkele minuten tot zelfs uren na de dood actief lijkt te blijven (Telegraaf 16.02.26). Ik ga het nu maar niet hebben over wat een en ander aan ethische vragen oproept rond orgaantransplantatie.

 

Vrouwen

Die middag kleedt Max zich dik aan om naar het huis van Schorsch en diens vrouw Maicherd te glibberen. Hij wil weten of er een dodenwake zal zijn. “… De vrouwen die altijd direct kwamen als er iemand was overleden, hadden Schorsch al een flink eind opgeknapt, hij had zijn zondagse goed nog niet aan, dat zou de aanspreker doen, maar daar lag hij: netjes gekamd op de bank in de kamer, met links en rechts een kaars. Maicherd was alweer alleen. Het rook als in de kerk en ze hadden Schorsch een rozenkrans tussen zijn vingers gevlochten. Dat zou hij niks gevonden hebben, wist Max, maar daar viel met de vrouwen niet over te praten. Dat deed je nu eenmaal, dat hoorde zo. Vrouwen hadden nu eenmaal meer op met de kerk, dat was nooit anders geweest…”. Maicherd vertelt dat Schorsch die ochtend hondsberoerd werd en ineens weg was. Max belooft vroeg in de avond terug te komen: “… De mannen zouden tot middernacht waken, zo was het gebruik, daarna zouden de vrouwen het overnemen, tot de dageraad. Dan zou er ’s ochtends genoeg gewaakt zijn…”.

 

Vreemdeling

Als hij thuiskomt, ziet hij op het perronnetje voor zijn keukenraam een eenzame vreemdeling, die nog uren zal moeten staan koukleumen voor de trein komt. Hij opent het raam en roept hem naar binnen, geeft hem een kop thee, en biedt hem als iemand de wekelijkse boodschappen (uit de stad, want de voorzieningen zijn een voor een uit het dorp verdwenen) komt brengen, zelfs wat te eten aan. De jongeman, Janis, zegt dat hij een wandelaar is. Daar snapt Max helemaal niks van. Wie wandelt er nu zomaar wat rond en al helemaal met zulk weer. Janis blijkt verderop in het verhaal een fotograaf die duidelijk oog heeft voor de verdwijnende, nog steeds tussen bijgeloof en ongeloof zwevende leefwereld van Max. Janis kan zijn oren niet geloven als hij hoort welke wilde kruiden Max allemaal gebuikt voor zijn zelfgemaakte thee. Of Max televisie heeft? “… ‘Nee. En ook geen radio.’ Dan hoefde hij dat ook niet meer te vragen…”. Hoezo niet? “… ‘Wat ik moet weten komt niet op televisie. En ook niet op de radio.’…”. Janis zal later in het verhaal nog een keer terugkomen om te vragen of hij Max als ‘laatste der Mohicanen’ te midden van zijn archaïsche bedoening op beeld mag vereeuwigen, waar Max halfslachtig in toestemt.  

 

Mannen onder elkaar

Op een schitterende manier vertelt Goerz hoe het er die avond en nacht bij de ouderwetse dodenwake aan toegaat. Als Max de kamer betreedt waar zijn vriend ligt opgebaard, ziet hij in een oogopslag dat de vrouwen de ergste viezigheid onder zijn nagels hebben weggekrabd. Zijn borstelige haar is met water aan zijn hoofd vastgeplakt waardoor hij er wat minder verwilderd uitziet. Zijn gezicht is ingesmeerd met zalf, zodat Schorsch er glimmend bijligt, zijn mond een eindje open. Max slaat een kruis, “… knikte de anderen toe en ging bij het doodsbed staan. De mannen bromden. Maicherd had acht, negen stoelen in een halve cirkel rond de bank gezet, achter de deur stonden er meer klaar, had Max gezien. Niemand wist hoe druk het zou worden…”. De oude trekkerkalender is van de muur gehaald; een ingelijste Jezus met aureool hangt ervoor in de plaats. “… Het rook naar oliekachel en stal, naar werk en zweet en ook een beetje naar hout…”, want de “… mannen waren allemaal direct na het werk gekomen, voor een wake hoefde je je niet op te doffen. Dat deed je pas voor het lijkmaal, als je na de begrafenis naar het café ging. Naar een wake ging je gewoon zoals je was…”. Maicherd zit alleen in de keuken, want de mannen moeten eerst alleen zijn: “… Mannen onder elkaar. Maicherd wist dat…”. De wake wordt geopend met een vraag: “… Waar zou Schorsch nou wezen?...”. Iemand moet die woorden zeggen. “… In de hemel…”, zegt een ander, hoestend van het roken, “… ook dat antwoord hoorde bij het ritueel, dan was de kop eraf. Van alle kanten klonk instemmend gemurmel, over Schorsch waren ze het kennelijk eens. Dat was niet altijd zo, er was ook wel flinke ruzie geweest…”. Na lang praten wordt de grootste schooier echter nog een plekje in de hemel toebedeeld, “… want eigenlijk moest iedereen daarnaartoe, wat er ook gebeurd was…”. Dat vind ik diep ontroerend. Hier geen ‘cancelcultuur’. De boeren zijn bij leven keihard voor elkaar, maar ook in staat tot veel vergeving. Ze weten maar al te goed van wat voor ‘maaksel’ de mens is. Max zou zich een kriek hebben gelachen om het streven ‘alles uit onszelf te halen’. De prestatiemaatschappij is ver van zijn bed.

 

Schnaps

Een caféeigenaar brengt twee kistjes bier en een fles perenbrandewijn mee die hij zelf heeft gestookt. Schnaps. Max smeert er zijn gewrichten mee in als ze pijn doen. De vader van de caféhouder had nog wel eens een vat bier zuur laten worden: “… ‘Smullig’ noemden ze dat. En of het nou naar dooie muis of naar dweilsop smaakte, Edwin tapte het gewoon. Met een stalen gezicht. ‘Niet moeilijk doen, ik heb niks anders,’ zei hij dan. ‘Er zit niks verkeerds in en je wordt er gewoon teut van.’ Maar dan rekende hij wel half geld, en iedereen dronk het spul. Omdat het zo goedkoop was, en omdat het waar was wat hij zei: je werd er gewoon zat van en na twee pullen proefde je toch weinig meer…”. De boeren hadden in de slechte jaren na de oorlog bij Stangl zitten zuipen, “ … vaak niet te kort, schnaps en bier, omdat het anders allemaal niet uit te houden was. Maar geld hadden ze niet, daarom hadden ze het laten opschrijven…”. Toen zijn vader overleed, bleek Stangl junior overal stukjes land te erven, waarmee de boeren senior hadden betaald, zonder dat ze dat ooit aan iemand vertelden, ook niet aan hun vrouw: “… De meesten vertelden hun vrouw sowieso alleen het hoogstnoodzakelijke. Of ze sloegen haar bont en blauw als ze met een stuk in hun kraag bij Stangl vandaan kwamen. Zo ging dat toen…”. In vroeger tijden lieten de boeren zich niet zien als ze naar het café gingen. Ze kwamen ongemerkt achterom, veel te bang dat er achter hun rug om gekletst zou worden dat ze niks omhanden hadden. Het terras was voor het ‘vakantievolk’: “… Hoe benauwd het ook was, de boeren zaten binnen…”. De dodenwake is een dwaaltocht door het verleden. Er worden oude verhalen verteld, anekdotes opgedist en geheimen geopenbaard, zodat de overledene nog een keer tot leven komt, in ieder geval in de hoofden van de aanwezigen.

 

Voor het laatst

Als iedereen vertrekt, blijft Max zitten. “… Hij wilde de hele nacht bij Schorsch waken. Ze waren zoveel samen geweest en vandaag was het voor het laatst. Hij kon het zich nauwelijks voorstellen, maar zo was het leven. Hij zou eraan moeten wennen…”. De vrouwen vinden dat prima en de mannen kan het niks schelen. Bij de vrouwen voelt Max zich veilig: “… Dan kon hij anders zijn. En de vrouwen kletsten met hem en hadden nooit het gevoel dat hij bijbedoelingen had. Hij maakte ook nooit van die lompe grappen. Bíjna nooit, tenminste…”.

 

Een zacht, lang lied

Als de vrouwen de wake overnemen verandert alles. Ze komen stil binnen en prevelen een gebed. “… De sfeer in de kamer werd plechtig, haast kerkelijk. De vrouwen zetten kaarsen neer, staken een blokje wierook aan en zongen een lied. Een zacht, lang lied…”. Lilo, die de laatste winkel in het dorp dreef, had altijd veel gezongen, ‘jaar in jaar uit, uren aan één stuk’. Ze wilde niet aan de man: “… Als het kermis was, ging ze graag en vaak dansen, ze lachte met de mannen. Ze stond midden in het leven – en toch stond ze ook overal net naast. Alsof er voor haar andere regels golden…”. Net als voor Max eigenlijk. “… Lilo was de enige die alle teksten van begin tot einde kende. Zij leidde het gezang, dat zachtjes voortkabbelde, de rest neuriede veelal alleen mee…”. Ook al heeft hij niets met de kerk, de kalme melodieën raken Max. Maicherd legt een bosje gedroogde kruiden op de borst van haar man, die Max samen met zijn vriend en de vrouwen nog heeft helpen binden. Een oude traditie. “… De volgende dag, met Maria-Tenhemelopneming, hadden ze ze met een kruiwagen naar de kerk gebracht, waar de pastoor ze zegende en ze werden uitgedeeld aan de kerkgangers, die ze thuis in hun bidhoekje, of in de stal of op de hooizolder te drogen hingen. Het zou helpen tegen storm en onweer, ze gaven de bossen aan hun vee als het ziek werd, of verbrandden losse bloesems of kruiden ter bescherming tegen ongeluk en blikseminslag. De afgelopen jaren was er ook een stel uit de nieuwbouw kruidenbosjes komen halen, en vorig jaar waren zelfs twee vrouwen uit het wijkje komen helpen met het samenbinden…”. De mensen die al dertig, veertig jaar in de nieuwbouwwijk wonen, worden nog steeds beschouwd als buitenstaanders. De eerste doos Mon Chéri gaat rond. De vrouwen halen hun breiwerk tevoorschijn. Maicherd begint walnoten te kraken en Frieda sokken te stoppen: “… ‘Die kerel van me knipt z’n teennagels niet,’ zei ze. ‘Paardenhoeven lijken het wel, niet om aan te zien. Al zijn sokken gaan eraan.’…”. Af en toe dommelt Max onder het gedempte heen en weer gepraat in slaap. Hij is een van hen. “… ‘Gaat het, Max?’ vroeg Maicherd, die hem een zucht had horen slaken die haast als een laatste ademtocht klonk. Max gromde iets onverstaanbaars en ging nog eens met zijn hand over zijn gezicht. ‘O, dan is het goed,’ zei Maicherd, en ze kraakte nog een walnoot…”.

 

Een kind van de duivel

Hij droomt van vroeger: “… Herinneringen dragen je verder dan je voeten ooit kunnen…”. In het dorp losten ze de dingen zelf wel op. Toen het leegstaande schooltje verhuurd werd aan een stel langharige hippies die ’s nachts voor overlast zorgden, hadden ze net zolang alle banden van hun auto’s leeg laten lopen tot de boodschap begrepen was en ze vertrokken. Toen het gerucht overwaaide dat er vluchtelingen in het schooltje zouden worden gevestigd, hadden een paar trekkers in een nacht het hele bouwwerk gesloopt. “… Max’ gedachten draaiden in kringetjes. Hij was moe. Ja, soms had hij het gevoel dat het dorpsleven uit kringetjes bestond, kringetjes waarvan je buitenaf nooit doordrong. Het dorp was een kring, elke boerderij, elke familie was een kring en mensen waren op zichzelf ook een kringetje. Alles was hermetisch afgesloten, ondoordringbaar. Kon je dat zo zeggen? Hij wist het niet…”. Schorsch en hij hadden als jongetjes ooit een geweldig pak slaag gekregen toen ze in een boerderij iets hadden gezien wat ze niet móchten zien, “… omdat het niet bestond en omdat het zondig was en je er niet over mocht praten…”. Een kind met vuurrood haar: “… Een kind waarover een loden zwijgen lag, omdat het van de duivel was…”. Zo waren de tijden toen geweest. “… Het was een kind dat geen naam had, het mocht nooit naar buiten, niemand mocht het zien, het zat dag in, dag uit opgesloten. Het was niet gedoopt, mocht geen andere kinderen zien en niet met andere kinderen spelen. Het leerde nooit praten, kreeg lompen te dragen en restjes te eten. Het werd nog slechter behandeld dan het vee. En niemand bekommerde zich erom, het was per slot van rekening een kind van de duivel. Zolang je er niks van wist, had je er niks mee te maken. En toen was het op een dag weg. En ook daar werden geen vragen over gesteld, omdat het kind er immers nooit was geweest, zoveel had iedereen er wel van geweten…”. Hij denkt aan een jongen met een beperking die in de gierput viel en een vrouw die voorover was gekukeld in een luik bij de hoofdkraan van een waterleiding waar ze was gecrepeerd: “… zo gingen er wel meer dood, rare overlijdens waren haast normaal…”. Het was een mirakel, “… dacht hij, wat je allemaal in je hoofd aantrof als je er maar een beetje in rondneusde, en waar je zomaar op kon stuiten…”. Tegen half zes gaan de eerste vrouwen er vandoor: “… de oude Lilo was verstomd en leek in haar eindeloze rimpels te verzinken…”. De koeien moeten gemolken en de stallen uitgemest. De varkens krijsen al. Die hebben altijd honger.

 

Gay?

Om acht uur komt de begrafenisondernemer met zijn medewerker. “… ‘Komt de pastoor ook nog?’ ‘Waarvoor?’ vroeg Maicherd. ‘Voor de zegen,’ zeiden de aanzeggers. ‘Waar moet dat goed voor wezen?’ De aanzeggers haalden hun schouders op. ‘Misschien dat hij dan naar de hemel gaat?’ Maicherd wuifde het weg. ‘Hij gaat de grond in, verder niks. Dat verhaal over God en de hemel heeft me nooit overtuigd.’ Zo was Maicherd. Rechtdoorzee. Ze ging wel regelmatig naar de kerk, maar alleen om uit te rusten, zoals ze zelf zei….”. Ze wil wel dat haar man met de voeten naar voren het huis uitgedragen wordt: “… Want zo hoorde dat, een beetje bijgelovig was ze toch wel. Moedwillig het lot tarten was ook weer niet nodig…”. Als Max naar huis loopt, denkt hij aan Maicherd op wie hij ooit een oogje heeft laten vallen. Omdat ze er van achteren uitzag als een kerel maar van voren lieve ogen had. Ze koos Schorsch. Het maakte hem niet verdrietig. Als hij was getrouwd was hij alleen van alle vragen af geweest. Een vage suggestie richting homoseksualiteit komt voorbij. Maicherd bleef Schorsch haar hele leven trouw, “… en hij haar. En het dorp had van niks geweten en er was niks geweest om over te praten. Maar Max had het altijd geweten. Of gevoeld, net als Schorsch. Alles. Ze waren haast broers geweest, als kind al, en Maicherd had er geen punt van gemaakt, die had zelf ook al genoeg te dragen. En zij was veel bij Lilo geweest…”. In het dorp werd voornamelijk over werk en vee gepraat. “… Over de liefde? Zijn hele leven had Max zich ertegen verzet, het verborgen. De liefde was het werk van de duivel, altijd al geweest. Alleen zwijgen en vergeten konden je ervan verlossen…”.

 

Het grote zwijgen

In het café drinken ze er eentje op Schorsch. Iemand uit de nieuwbouw vraagt hoe het zit met de ongeschreven regels van het dorp. “… Dat is niet zomaar te zeggen. Die ken je gewoon, ze zitten in je bloed. Of je kent ze niet, en dan leer je ze kennen. Je groeit erin, als kind al…”, aldus Max. De nieuwbouwbewoner neemt geen genoegen met zijn antwoord: “… ‘Waarom leggen jullie ze niet gewoon uit?’ Zijn tafelgenoten knikten instemmend. Max likte iets van tussen zijn tanden en nam zijn tijd. ‘Weet je, Grüneisen,’ zei hij tenslotte, 'niet alles hoeft altijd gezegd te worden.’ Hij liet een stilte vallen en schudde zijn hoofd. ‘Meer heb ik niet te zeggen. Proost, op onze Schorsch.’ ‘Op Schorsch.’ Toen Maicherd haar glas had neergezet, keek ze Grüneisen in zijn ogen en zei zacht: ‘Het is ook goed om te leren zwijgen, Grüneisen. En om geen vragen te stellen…”. Max: “… Alles veranderde, en sowieso: iedereen bekeek alles weer anders. Altijd al…”. Ingrijpen doen de dorpsbewoners zelden tot nooit. Ze kijken gewoon toe als iets of iemand helemaal in de vernieling draait: “… In een dorp wonen mensen en er zijn mesthopen. En hoe dichterbij je komt, hoe erger het stinkt…”. Max weet wel beter als het dorp ‘een kalm meertje’ wordt genoemd: het is eerder een rattennest. “… Het is een meertje waar je de bodem niet van ziet. Je weet nooit wat er daar beneden sluimert. En soms…’. Hij haalde zijn snuiftabak uit zijn broek, snoof met beide neusgaten, veegde zijn neus schoon en stopte zijn zakdoek weer in zijn zak…”. Wat soms? “… ‘Soms,’ vervolgde Max zijn overpeinzing, ‘om de paar jaar, steekt er bij volmaakt heldere hemel een storm op…’…”. En toch is het er fijn: “… Jawel, als je zweeg, redde je het samen. Waarover je niet sprak, dat bestond niet. Oude kwesties liet je rusten. Je wilde, je moest immers samenleven…”.

 

Waar is Max

De volgende dag zit iedereen in de kerk voor de begrafenis van Schorsch. Alleen Max komt niet opdagen. Als de pastoor niet langer kan wachten vanwege een trouwdienst elders, beginnen ze zonder hem. Hoe hij uiteindelijk weer opduikt, moet je zelf maar lezen.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2025, vertaling Ralph Aarnout, 176 blz., ISBN 978 902 547 741 7, € 23,09

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier