
In “Vreemden voor onszelf” (zie mijn voorlaatste blog)
vertelt Rachel Aviv het verhaal van Naomi Gaines, een zwarte vrouw die in
psychotische toestand haar veertien maanden oude tweeling van een brug in een
rivier gooide en er zelf achteraan sprong. Een van de jongetjes overleed. Ze
wordt veroordeeld voor doodslag. In de gevangenis raakt ze enorm onder de
indruk van de film “Beloved”, gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1987 van de
Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931 – 2019). Morrison ontving in 1993 de Nobelprijs voor Literatuur. Haar boek gaat eveneens over een moeder: een
gevluchte slavin die uit wanhoop haar dochtertje vermoordt om haar te behoeden
voor slavernij. De geschiedenis van slavernij is niet ten einde: “… De pijn
verdampt niet gewoon; die geef je door…”. De schrijver James Baldwin: “…
Het lijkt of zich in het hele lichaam een grote, grote, grote wond bevindt,
terwijl niemand die durft te opereren: hem te sluiten, te onderzoeken, te
hechten…”. “Beminde” doet wel wat denken aan het werk van Marilynne Robinson. Het wordt vaak gezien als de belangrijkste literaire roman over de
erfenis van slavernij.
Totale dehumanisering
Voor wie denkt dat slavernij een gepasseerd station is: volgens
de Global Slavery Index leven er tegenwoordig nog steeds 50 miljoen mensen in
moderne slavernij, waaronder mensenhandel, gedwongen arbeid en seksuele
uitbuiting. Van hen bevinden zich er naar schatting 5.000 tot 30.000 in
Nederland. Daar profiteren wij allemaal, direct of indirect, van. In de
Verenigde Staten werd de slavernij in het noorden eerder afgeschaft dan in het
zuiden, waardoor sommige tot slaaf gemaakten probeerden naar het noorden te
vluchten. Eén
van hen in het boek: “… Het was 1874 en de blanken konden nog steeds hun
gang gaan. Uit hele steden waren de negers compleet weggevaagd, zevenentachtig
lynchpartijen in een enkel jaar in Kentucky, vier gekleurde scholen tot de
grond toe afgebrand, grote mannen afgeranseld als kinderen, kinderen
afgeranseld als volwassenen, zwarte vrouwen verkracht door een hele ploeg,
eigendom in beslag genomen, nekken gebroken. Hij rook huid, huid en warm bloed.
De huid was nog tot daaraantoe, maar kokend mensenbloed als er iemand bij een
lynchpartij verbrand werd, was wel even wat anders…”. Als dit de werkelijkheid
is waarin je leeft, is het voorstelbaar dat die de belevingswereld van de gemiddelde
rijke, verwende westerling nauwelijks nog raakt. Het boek, gebaseerd op een
waargebeurd verhaal, is dan ook een magisch-realistisch ‘spookverhaal’: een
fabel over totale dehumanisering. Het verhaal gaat dat de vader van Toni Morrison, die als kind twee opgehangen zwarte zakenlieden in zijn straat zou
hebben gezien, geen witte mensen in zijn buurt kon verdragen.
Bovenkant
formulier
Onderkant
formulier
De hel
Het boek gaat over een huis dat iedereen mijdt omdat het
er spookt: “… Nr. 124 wrokte. Zo giftig als een klein kind. De vrouwen in
het huis wisten het en de kinderen ook…”. Het wordt bewoond door de weggelopen
slavin Sethe en haar dochter Denver. Het huis was ooit van haar schoonmoeder
Baby Suggs, die inmiddels al acht jaar dood is. Twee andere zoontjes zijn ervandoor
gegaan toen ze genoeg kregen van de situatie. Als Sethe terugkomt van haar werk
in de stad (Cincinnati, Ohio), waar ze kookt voor een restaurant, zit Paul D op
de veranda op haar te wachten. Ze heeft hem achttien jaar niet gezien. Hij was
een van de vijf tot slaaf gemaakte mannen op Sweet Home in Kentucky, waar Sethe
ooit werkte. Een ‘schaamteloos mooie’ plek, omringd door ‘de mooiste
platanen ter wereld’: “… hoewel er geen boomblad op dat bedrijf was dat haar
niet aan het gillen bracht…”. Even verder: “… Het zag er nooit zo
verschrikkelijk uit als het was en daardoor vroeg ze zich af of de hel soms een
aantrekkelijk oord zou zijn. Vuur en zwavel natuurlijk, maar verstopt in het
kantwerk van boomgroepen…”.
Witte griezels
Met horten en stoten komt de geschiedenis van Sethe boven
tafel: zelfs de vorm van het boek is traumatisch. Nadat de baas op Sweet Home is
overleden, arriveert er een beest van een schoolmeester om de zaken van
mevrouw te regelen. Omdat het onder hem niet is uit te houden, besluiten de
slaven te vluchten. Sethe heeft haar drie kinderen alvast vooruitgestuurd met
een groep die de rivier oversteekt. Ze zullen afgeleverd worden bij haar
schoonmoeder. Als ze weg zijn, wordt ze overmeesterd door een stelletje
doodenge neefjes van de onderwijzer, die zich ‘op haar vermaken’ en aan haar
borsten beginnen te zuigen – ze voedt de kleine Denver nog zelf en is alweer
zwanger van de vierde – terwijl haar echtgenoot, “… de liefste man die God
schiep…”, in geen velden of wegen is te bekennen. Ze vertelt haar bazin wat
haar is overkomen. Dat wordt niet gewaardeerd door de heren. Ze geselen haar
rug kapot, terwijl ze met haar dikke buik in een gat op de grond ligt. Er knakt
voorgoed iets in Sethe. Wanneer ze vlucht en op den duur geen energie meer
heeft om verder te gaan, wordt ze geholpen door een meisje: “… Een armzalige
witte baal vodden zoals je nog nooit hebt gezien…”. Een kletskous die haar
naar een schuurtje sleept waar ze haar voeten masseert.
Kom op, Jezus
Wanneer ze Sethe’s jurk losknoopt en haar rug ziet, mompelt
ze met ingehouden adem: “… Kom op, Jezus…”. Een poos is het stil, dan
zegt ze terwijl ze met haar vingers over haar rug gaat: “… Je hebt een hele
boom op je rug. In bloei. Wat heeft God in Z’n hoofd, dat vraag ik me af…”.
Ze gaat op zoek naar spinnenwebben die ze over de beschadigde huid legt. Ze ratelt
over Boston, waar het mooiste fluweel van de wereld te koop is. Ze zingt Sethe
in slaap, die waarachtig de volgende ochtend haalt. Het meisje (een engel?) brengt
haar naar de oever van de Ohio, waar ze een lekke boot vinden, waarin Sethe
haar baby krijgt: Denver.
Eenzaam
Als Paul D merkt dat het spookt, gaat hij tekeer, en “…
nu was het weg. Gevlogen, op de rukwind van een schreeuwende man met de kleur
van een hazelnoot…”. Bij Paul D worden de dingen zoals ze zijn. Denver ziet
met lede ogen aan hoe Sethe en Paul D een koppel vormen, waar zij buiten staat.
Ze stikt van de eenzaamheid en is ‘doodmoe’: “… ‘Ik kan niet meer. Ik kan
niet meer.’ ‘Wat dan? Wat kan je niet meer?’ ‘Hier wonen. Ik weet niet waar ik
heen moet of wat ik moet doen, maar hier kan ik niet wonen. Niemand praat met
ons. Niemand komt langs. De jongens mogen me niet. En de meisjes ook niet…”.
Denver lijkt het huis altijd al meer als een mens te hebben gezien dan als een
gebouw: “… Een mens die huilde, zuchtte, huiverde en de stuipen had…”.
Als ze thuiskomt, loopt en kijkt ze “… zo voorzichtig als een kind dat bij
een zenuwachtig familielid komt dat niets om handen heeft…”.
God neemt wat Hij wil
“… Zolang Baby Suggs leefde, en dat gold ook voor
Sethe, werd er met mannen en vrouwen geschoven als damstenen. Iedereen die Baby
Suggs kende, laat staan liefhad, en die niet was weggelopen of opgehangen, werd
verhuurd, uitgeleend, opgekocht, teruggebracht, in voorraad gehouden, verpand,
gewonnen, gestolen of gegrepen. Dus hadden de acht kinderen van Baby zes
vaders…”. Eén kind weet ze vrij lang bij zich te houden door te paren
met de ploegbaas, maar uiteindelijk ruilt hij het toch voor een stapel
timmerhout. Zo gaat dat. “… ‘God neemt maar wat Hij wil,’ zei ze. En Hij nam
en Hij nam en Hij nam…”.
Gek om niet krankzinnig te worden
Ook het verhaal van Paul D. wordt in fragmenten
geopenbaard. Hij heeft met 46 gevangenen aan een ketting gezeten omdat hij zijn
baas aanviel. Hij had een ‘bit’ in zijn mond, zodat hij niet kon praten. Hij
herinnert zich dat hij bij Alfred in Georgia ’s nachts bevend in een ingebouwde
kist in de grond zat en dat hij uitsluitend het daglicht zag om steen te
hakken. Hij moest wel weglopen als hij niet meer in boeien wilde slapen,
pissen, eten of met een moker zwaaien. “…
Na Alfred had hij een groot gedeelte van zijn hoofd voorgoed stilgelegd en
draaide hij op het deel dat hem liet lopen, eten, slapen en zingen…”. Hij “…
werd gek om niet krankzinnig te worden…”. Als hij Sethe ziet, gaat ‘het
verboden gedeelte van zijn hoofd open als een geolied slot’.
Ik hou je enkels wel vast
Denver vraagt brutaalweg aan Paul D wanneer hij weer
opkrast. Sethe kan geen partij kiezen; misschien is het beter dat hij gaat,
moet het maar blijven zoals het was. “… Voor Sethe was de toekomst alleen
een kwestie van het verleden op afstand houden. Het ‘betere leven’ dat zij en
Denver volgens haar leidden, was domweg niet dat andere leven…”. Ze zullen
zich wel redden, zegt ze. Maar Paul D geeft niet op. “… ‘En hoe staat het
vanbinnen?’ ‘Daar kom ik nooit.’ ‘Sethe, als ik hier bij jou ben en bij Denver,
dan kun je overal heen. Spring maar als je daar zin in hebt, want ik vang je
wel op, meisje. Ik vang je wel op voor je valt. Ga maar zo ver naar binnen als
je moet. Ik hou je enkels wel vast. Om zeker te weten dat je er weer uit komt
ook. En ik zeg dat niet omdat ik ergens onderdak moet hebben. Dat is het
laatste wat ik nodig heb. Ik zei je al, ik ben een loper, maar ik kom wel al
zeven jaar hieropaan lopen. Ik ben er rondom heen gelopen. Ik heb het noorden,
het zuiden, het oosten en het westen gehad; ik ben in streken geweest die geen
naam hebben en nergens ben ik lang gebleven. Maar toen ik hier kwam en
daarbuiten op de veranda op jou zat te wachten, nou toen wist ik dat ik niet op
deze plek af kwam. Maar op jou. Wij kunnen er een leven van maken, meisje. Een
leven…”. Sethe weet het niet. Ze stelt voor elkaar voorlopig geen beloften te
doen. In plaats daarvan besluiten ze naar de kermis te gaan. Paul D: “…
Donderdag, morgen, is het voor de gekleurden en ik heb twee dollar. Jij en ik
en Denver gaan die tot de laatste stuiver opmaken. Wat zeg je me daarvan?...”.
Een dweper die zijn leermeester bevredigt
Als ze terugkomen van de kermis zit er bij het huis een
onbekende jongedame op een boomstronk te slapen, die uit het water is opgerezen
en zegt dat ze ‘Beminde’ heet (zie de overeenkomst met Aphrodite). Ze nemen
haar mee naar binnen waarna ze “… blijft hangen als een huisgeest…”. De
eerste dagen doet ze niets anders dan slapen en water drinken, daarna eet ze
doorlopend zoetigheid. Denver zorgt voor haar als voor een pasgeboren baby.
Paul D voelt nattigheid en beweert dat hij Beminde met één hand de schommelstoel heeft
zien optillen. Niemand gelooft hem. Sethe vindt het wel leuk voor Denver dat er
een meisje in huis is. Ondertussen loopt de hond weg en komt niet meer terug. De
lieve, maar vreemde gast kan haar blik niet van Sethe afhouden; ze wordt “…
gelikt, geproefd en verslonden door de ogen van Beminde…”. Sethe
voelt zich gestreeld door al die overweldigende aandacht. Alsof “… een dweper zijn leermeester bevredigt…”.
De draak die dorst naar zwart bloed
Paul D kan niet goed uitleggen waarom hij Beminde niet
vertrouwt. In ieder geval lijkt ze op niemand die hij de afgelopen twintig jaar
toevallig is tegengekomen: “… Hij had in de oorlog en daarvoor en daarna
negers ontmoet die zo totaal in de war waren of zo uitgehongerd of doodmoe en
door de dood van zoveel beroofd dat het een wonder was dat ze nog iets wisten
of iets zeiden. Ze hadden zich schuilgehouden in grotten en om eten gevochten
met uilen, net als hij; van varkens gejat, net als hij; overdag in een boom
geslapen en ’s nachts gelopen, net als hij; hadden zich, net als hij, in de
varkensslobber verstopt en waren in putten gesprongen om uit de buurt te
blijven van de mensen die orde op zaken kwamen stellen, razzia’s hielden,
koppen snelden, van de oudgedienden, de heikneuters, de meutes en de mensen die
op een geintje uit waren. Hij kwam een keer een neger van een jaar of veertien
tegen die in z’n eentje in het bos woonde en zich niet kon herinneren dat hij
ooit ergens anders had gewoond. Hij zag dat een achterlijke gekleurde vrouw in
het gevang kwam en werd opgehangen voor het stelen van eenden; zij dacht dat
het haar kinderen waren…”. Maar ja: “… je kon een hulpeloos gekleurd
meisje niet de deur uitzetten in een streek waar de Klan heerste. De draak, die
dorstte naar zwart bloed omdat hij zonder niet kon leven, zwom de Ohio over
wanneer het hem beliefde…”.
Baby Suggs
Een prachtig stuk gaat over Baby Suggs, de manke schoonmoeder
van Sethe die, “… omdat het slavenbestaan ‘haar benen, rug, hoofd, handen,
nieren, baarmoeder en tong kapot hadden gemaakt’, besloot dat ze alleen nog een
hart had om haar brood mee te verdienen…”.
Ze wordt een ‘buitenkerkelijk’ predikant. “… Niet geroepen, zonder
toga en ongezalfd…”, laat ze haar grote hart kloppen voor iedereen die dat
nodig heeft. Ooit “… was nr. 124 een vrolijk, roezemoezig huis waar Baby Suggs,
de vrome, liefhad en vermaande, voor voedsel zorgde, kastijdde en troostte…”.
Even verder: “… Vreemdelingen rustten er uit terwijl de kinderen hun
schoenen aanpasten. Er werden boodschappen achtergelaten, want wie ze nodig
hadden zou binnenkort wel langskomen…”. Elke zaterdagmiddag preekt ze op
een open plek diep in het bos: de Lichting. Dat zijn geen gewone preken. Ze gaat
op een afgeplatte rots zitten en doet een stil gebed. “… Dan riep ze: ‘Laat
de kinderen komen!’ en die renden vanaf de bomen naar haar toe. ‘Laat eens aan
jullie moeders horen hoe jullie lachen,’ zei ze tegen hen en het bos weergalmde
ervan…”. Daarna moeten de mannen laten zien hoe ze kunnen dansen. En ten
slotte roept ze de vrouwen bij zich om te huilen: “… Voor de levenden en de
doden…”. Ze zegt niet tegen hen dat ze hun leven op orde moeten brengen of moeten
ophouden te zondigen. Ze zegt dat ze van hun lichaam moeten houden, omdat ze
het ‘daarginds’ verachten, net zo lief villen, de ogen uitpikken en de handen
afhakken. En dat ze het allermeest van hun hart moeten houden. Maar Baby Suggs
wordt moe, gaat naar bed en wil alleen nog maar over ‘kleur’ nadenken (zie “Ademschommel” van Herta Müller waarin een concentratiekampgevangene helemaal
overdonderd wordt door de schoonheid van een witte zakdoek), tot haar gulle
oude hart het begeeft. “… Zestig jaar lang had ze kinderen verloren aan
mensen die haar leven opkloven en als een visgraatje uitspuugden…”. Op de
laatste dag van haar bestaan hipt ze nog één keer naar de kamer om Sethe
en Denver bekend te maken met “… de les die zij geleerd had in haar zestig
slavenjaren en tien vrije jaren: dat de wereld maar één
ongeluk kende en dat waren de blanke mensen. ‘Ze weten niet van ophouden,’ zei
ze en ze ging weer naar bed, trok de sprei op en liet hen voor eeuwig met die
gedachte zitten…”.
Zondebok
Baby Suggs wordt een ‘zondebok’ wanneer ze, nadat Sethe
met haar nieuwe baby is opgedoken, een enorm ‘bramenfeest’ organiseert dat
Kerstmis in de schaduw stelt. Ze bakt tien, of misschien nog wel meer,
bramentaarten waar negentig mensen op af komen die zo lekker eten en zoveel
lachen ‘dat ze boos worden’, omdat nr. 124 ‘schudt van het lachen’. De volgende
dag ruikt Baby Suggs ‘afkeuring in de lucht’ die om te snijden is. “… Haar
vrienden en buren waren boos op haar omdat ze te ver was gegaan, te veel had
gegeven, aanstoot had gegeven door overdaad…”. Ze zijn woest: “… Er was
iets slechts op komst…”. Zie René Girard in “De zondebok”: “…
Uiteindelijk trekken alle extreme eigenschappen van tijd tot tijd collectieve
uitbarstingen aan, niet alleen buitengewone rijkdom en armoede, maar ook andere
extremen van succes en mislukking, schoonheid en lelijkheid, deugd en ondeugd,
de kunst te behagen of te ergeren, de zwakte van vrouwen, kinderen en
grijsaards, maar ook de kracht van de sterksten die zwakte wordt tegenover de
numerieke overmacht. Met grote regelmaat keren de massa’s zich tegen hen die
aanvankelijk een buitengewone greep op hen hadden…”.
De rechtschapen blik
Het slechte blijken de slavenvangers te zijn, waarvoor
niemand nr. 124 komt waarschuwen, terwijl ze toch zo herkenbaar zijn door hun
‘rechtschapen’ blik. Een speciale blik die als een uitgestoken vlag het signaal
is voor en de aankondiging van “… de takkenbos, de zweep, de vuist, de
leugen…”. Sethe ziet de hoed van de meester boven de spijlen van het hek
zweven als ze in de tuin aan het werk is. Ze draait volledig door, pakt haar
kinderen op en neemt ze mee naar een schuurtje, waar ze hen probeert te
vermoorden voordat haar baas ze in zijn fikken krijgt. Dat lukt alleen bij het
‘kruipt-ze-al-meisje’: Beminde. Verbijsterd bekijken de heren de chaos die ze
aantreffen en druipen af. Alleen de sheriff heeft hier nog een taak. Als een
schooljongen veel later aan Denver vraagt of ze ‘haar moeder niet opgesloten
hebben voor moord’, wordt Denver doof. Twee jaar lang. Een steenhouwer wil de
naam van Beminde op haar prachtige grafsteen vol rose flintertjes beitelen, als
hij tien minuten gebruik mag maken van Sethe’s lichaam. Sethe stemt toe en
schort haar rokken op terwijl ze tegen de steen staat. Later bedenkt ze dat de
smeerlap, voor twintig minuten tekeergaan, misschien wel het woord TEER ervoor
had willen beitelen…
Bemoeial
Na de ‘Ellende’ hangt er een doem boven nr. 124. Het
raakt in verval. Iedereen loopt er met een grote boog omheen. Paul D hoort pas
via een collega op de slachterij waar hij werkt over de geschiedenis – een man die
later gruwelijk spijt heeft van zijn ‘eerlijkheid’: “… Misschien had hij er
zich niet mee moeten bemoeien, misschien was hij niet de hoogstaande strijder van
Christus voor wie hij zichzelf hield, maar een doodgewone, alledaagse bemoeial
die iets wat prima liep, afbrak ter wille van de waarheid van een gewaarschuwd
man, omdat hij daar zelf zo veel waarde aan hechtte…”. Zie de vromen die in
de oorlog Joden verlinkten omdat ze niet wilden liegen: soms is ‘voor de waarheid gaan’, koste wat kost, alleen maar weerzinwekkend egoïsme.
De teruggekeerde geest van Beminde werkt Paul D langzaam maar zeker de deur uit.
Hij weet dat hij verloren is zodra “… hij net als de vrouw van Lot bezorgd
werd en, alsof hij een vrouw was, zo nodig moest zien hoe de zonde achter hem
eruitzag, misschien medelijden kreeg met de gedoemde die doem bracht…”. Hij
ziet geen andere weg dan te vertrekken: de enige ‘normale’.
Omslaande stemming
Als Paul D foetsie is, gaat het van kwaad tot erger. Eerst
hebben de vrouwen veel lol met z’n drietjes. Maar allengs raken Sethe en
Beminde compleet geobsedeerd door elkaar en valt Denver buiten de boot. Sethe verwaarloost
haar werk en wordt ontslagen. Beminde eist steeds meer snoepgoed, terwijl het eten
opraakt. Net als in “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” - zie mijn vorige blog - slaat de stemming om. Ruzies beginnen en houden aan. Iemand die zich
zorgen maakt en bij het huis gaat kijken, hoort “… stemmen die nr. 124 als
een strop omringen…”, voelt “… een muur van kou…”. Hij wéét
wie de woorden spreekt: “… De mensen met de gebroken nekken en het bloed dat
kookte in het vuur en de zwarte meisjes die hun linten verloren hadden. Wat een
gebrul…”. Zie de niet-bestaande ‘Gemeenschap’ in mijn vorige blog. En dan
zijn we bij de eigenlijke duiding van het verhaal.
Was er wel ‘iets’?
Nergens maakt Toni Morrison expliciet duidelijk wie
Beminde is. Een bovennatuurlijk wezen? Een getraumatiseerd mens? De fysieke
belichaming van herinnering, schuld en slavernijtrauma? Soms lijkt het erop dat
Sethe en Beminde een en dezelfde persoon zijn. Beminde zegt ergens (in haar
gebroken taaltje): “… ik ben niet apart van haar ik hou nergens op haar gezicht is mijn gezicht…”. Menige stedeling buigt zich ook over de vraag: “… Er zat een meisje opgesloten in het huis
van een blanke man ginds bij Deer Creek. Vorige zomer werd-ie dood gevonden en
het meisje was weg. Misschien is zij dat wel. De mensen zeggen dat-ie d’r had
vanaf dat ze een jong katje was…”. Op den duur móét Denver het huis wel uitkomen,
wil ze niet verhongeren. Wanneer de vrouwen in het stadje vernemen dat nr. 124
veranderd is in een bezeten gekkenhuis, slaan ze de handen ineen en trekken er
gezamenlijk zingend en biddend naartoe om het fantoom te verjagen. Als Sethe en
Beminde in de voordeur verschijnen, lost Beminde ook daadwerkelijk op. Achteraf
blijkt dat sommigen niets hebben gezien: “… ‘Geloof jij dat ze het zagen?’
‘Tja. Ze zagen wel iets…”. Even verder: “… Op één
punt zijn ze het eens: eerst zagen ze het wel en toen zagen ze het niet…”.
Rimboe
Ik denk dat je Beminde in ieder geval kunt zien als de
psychologische projectie van schuld en rouw. Was Sethe schuldig of onschuldig?
Slavernij vernietigt de normale morele orde. Net als James Baldwin toont Toni
Morrison dat trauma door blijft spoken in mensen én generaties. De eerste de
beste blanke kon je hele wezen “… gebruiken voor wat er maar in zijn hoofd
opkwam. Hij kon je niet alleen laten werken, je vermoorden of je verminken, hij
kon je bevuilen. Je zo erg bevuilen dat je niet meer van jezelf kon houden. Je
zo erg bevuilen dat je vergat wie je was en er niet meer op kon komen…”. Ze waren in staat je ziel te doden. Zie Mattheüs 10:28. En dat ook nog vaak met een uitgestreken,
vrome kop. Blanke mensen geloven dat er in elke zwarte een rimboe schuilt, zegt
iemand, en in zekere zin is dat waar: “… De rimboe plantten de blanke mensen
aan. En hij groeide. En verspreidde zich. Verspreidde zich in, tijdens en na
het leven, tot hij zich massaal meester maakte van de witten die hem hadden
geschapen…”. Je zou bijna een hekel aan je eigen ‘soort’ krijgen. “… ‘Je
moet me ’s wat zeggen, Stamp’. Paul D’s ogen waren vochtig. ‘Eén ding
moet je me zeggen. Hoeveel moet een nikker eigenlijk pikken? Zeg me dat‘.
Hoeveel?’ ‘Zoveel hij kan,’ zei Stamp Paid. ‘Zoveel als hij kan.’ ‘Waarom?
Waarom? Waarom? Waarom? Waarom?’…”.
Uitgave: De Bezige Bij – 2020, vertaling Nettie Vink,
352 blz., ISBN 978 940 318 930 7, €24,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier