Menu

zondag 17 mei 2026

De trein der traagheid – Johan Daisne

 


In het YouTubekanaal ‘De Boekentafel van Godert Walter’ werd op 2 mei jongstleden verteld dat de short story “De trein der traagheid” (1948) van de Vlaamse schrijver Johan Daisne (1912-1978) opnieuw is uitgegeven. Daisne was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het ‘magisch realisme’ in de Nederlandstalige literatuur. Zelf schrijft hij over deze stroming: “… Het magisch-realisme, ik herhaal het, is geen isme, geen genre, geen beweging, geen school. Het wil heel eenvoudig – o trotse bescheidenheid! – het eigen wezen van alle literatuur en kunst formuleren: de kunst is geen weergave van de werkelijkheid – dat is gewone fotografie – maar de kunst mag ook niet onwezenlijk worden, niet gaan experimenteren in het luchtledige; kunst moet weergave zijn van onze compleetste realiteit, en dat is de oude waarheid van werkelijkheid en wat we daarbij dromen. Niet meer en niet minder…” (“Ganzeveer en kogelpen” – 1965). Ik voel me altijd al burger van twee werelden, dus dat resoneert geweldig bij mij. Nu door AI alles om techniek draait en we langzaamaan zélf in eendimensionale rationele machines veranderen, ervaar ik het magisch realisme als een verademing.

 

Treinen in het donker

Het is vooral de ietwat geheimzinnige ‘sfeer’ van het verhaal die mij prikkelt. De protagonist wordt wakker in een overvolle trein, waar bijna iedereen in slaap is gesukkeld. Buiten is de schemering ingevallen, maar gek genoeg brandt er nog geen licht in zijn compartiment: “… De afwezigheid van licht verbaasde me overigens niet bijzonder. Wel was de laatste oorlog alweer sinds een paar jaar voorbij, maar wij zijn er toen blijkbaar zo gewoon aan geraakt in het donker te treinen, dat ik sedert nog herhaalde keren in een duistere coupé heb gereisd, zonder iemand de stem te horen verheffen tegen datgene wat thans nog alleen het gevolg van een klein defect of verzuim kan zijn…”. 

 

Andere luchtkleppen

De protagonist blijkt een naamloze museumdirecteur annex docent van middelbare leeftijd, die opmerkt dat zijn leerlingen niet meer dezelfde geestdrift voor letterkundige vakken hebben als vroeger: “… Voor ons vormden ze uitlaten van romantiek; thans vindt de jeugd ze flauw en saai. Blijkbaar beschikken ze nu over andere luchtkleppen…”. Hij denkt na over zijn leven, waaraan hij sinds kort een ‘eschatologisch perspectief’ heeft toegevoegd: wanneer je je op iets kleins richt dat je gelukkig maakt, maak je de weg vrij om ‘het grotere (geluk) binnen te dringen’. Zo ‘schrijden’ wij voort op ‘de weg van beproeving en zaligheid’.

 

Stilstaande horloges

Wanneer hij zin krijgt in een sigaret, staat hij op om zich door de warwinkel van benen van zijn reisgenoten het gangpad in te wurmen. Daar ziet hij dat echt iedereen slaapt: “… Ik begon dat eensklaps wel zonderling te vinden…”. Zit hij in de verkeerde trein? Hij begint slingerend en struikelend een eindeloze reeks wagons door te lopen om te kijken of er toch nog iemand wakker is. In een eersteklas appartement staat eindelijk een bejaarde heer met een grijze baard, in een lange, donkere overjas en een dito ronde hoed op, met zijn ellebogen leunend op een geopend portierraam, in de wind en het lawaai een sigaar te roken. Hij vindt de situatie waarin ze zich bevinden ook wel een beetje vreemd. Als de man vraagt hoe laat hij het heeft, blijkt het horloge van de protagonist, evenals dat van hem, stil te zijn blijven staan op half zeven.

 

Hernhutter

De oude man stelt zich voor als ‘Hernhutter’, hoogleraar in ruste. De protagonist herinnert zich dat de Hernhutters eenvoudige, beminnelijke christenen waren, “… die een grotere waarde hechtten aan een reine levenswandel dan aan talent en succes…”. Ze horen bij de Evangelische Broedergemeente, een protestantse christelijke beweging met wortels in de 15e eeuw. De naam komt van het dorp Herrnhut in Duitsland, waar de gemeenschap “… in 1722 op het riddergoed van graaf von Zinzendorf een wijkplaats vond…”. De Hernhutters zijn afstammelingen van de beweging rond Jan Hus, die in 1415 op de brandstapel is gestorven. “… Van hun eigen leden werd het overlijden met bazuingeschal van de toren aangekondigd. Rouw droegen zij niet en het stoffelijk overschot van hun afgestorvenen brachten zij in een lichtgeverfde kist naar het sierlijk aangelegde kerkhof. De Paasmorgen verenigde hen allen op dat laatste rustoord, om zich in de hoop der opstanding te verblijden…”.  Ze zijn onder andere in Zeist neergestreken. Hun zendelingen drongen in alle werelddelen door. De protagonist denkt dat iedereen de naam draagt die hij verdient: “… Professor Hernhutter… ’s Heren Hoede…”. Even verder: “… En weer eens wees die naam in oostelijke richting – naar Bohemen, met zijn gouden poorten op het Morgenland – of inderdaad alle merkwaardige, alle wonderbaarlijke dingen daarvandaan moeten komen…”.

 

Het Avontuur is begonnen

De trein mindert plotseling vaart en stopt in het duistere landschap. In de doodse stilte komt een jongen aanrennen die paniekerig vraagt of de heren weten waar ze zijn. Als ze antwoorden van niet, holt hij weer verder. De geleerde (die, zo blijkt later, de jongen niet aan zijn lot wilde overlaten) stelt voor ook uit te stappen. “… ‘Ja,’ zei ik en liep hem bijna voor. Het leek me of het Avontuur was begonnen…” waarvan “… ik verwachtte dat de voortzetting ervan thans buiten de trein was te vinden…”. Achter hen zet de trein zich zonder een signaal weer in beweging; alsof ze slechts zijn afgezet. Professor Hernhutter: “… wij zijn nu drie vrienden in de nacht…”.

 

Op de zoom naar elders

Ze treffen de jongen opnieuw, een student die Val blijkt te heten, en zetten met z’n drieën de pas erin, terwijl ze in de geurige, zachte nacht praten over de ‘behekste’ trein. Ze komen erachter dat ze alle drie, aan het begin van de ‘onopgehelderde omstandigheden’ waarin ze verkeren, positieve gedachten hebben gehad over ‘de schoonheid van het bestaan’: alsof hun overpeinzingen over ‘een soort heiligende kracht beschikten’. Kunnen positieve gedachten wonderen verrichten? Kunnen ‘gedachten zichzelf overleven’ en ‘een groter perspectief openen’? Het woord ‘ontwaken’ valt: zie hoe het in onze tijd ook vaak over ‘wakker worden’ gaat, bijvoorbeeld in de alternatieve media, maar ook binnen een beweging als ‘woke’. De drie heren worden onvermijdelijk vermoeid en hongerig. Desondanks voelt de protagonist in zich ‘een heerlijke ofschoon nog duistere vlam’ branden. Termen als ‘de wet van inertie (traagheid)’ vallen, waarmee bedoeld wordt dat een bepaalde beweging nog eventjes voortduurt wanneer ze wordt stopgezet. Dat betekent dat we na de dood nog (even) kunnen blijven voortleven (zie de laatste onderzoeken op het gebied van bijna-doodervaringen).  “… Onnodig te zeggen dat bij deze woorden een nieuwe tong van de vlam in mij aan het laaien ging!...”. Ook het ‘psychisch automatisme’ komt voorbij: “… een derde vlammetong ontbrandde in mijn borst!...”. Het gesprek gaat over het ‘grensland’, het ‘voorgeborchte’ tussen leven en dood. Zijn ze dood? Bevinden ze zich in een bijzonder gebied, ‘op de zoom naar elders’? “… ‘Zoiets zou ik niet durven beweren, Val,’ sprak Hernhutter vriendelijk bedarend. ‘De wetenschap werkt steeds volgens het schema ‘als…dan’…”. Val: “… het zou toch minder boeiend zijn indien we alleen maar verdwaald waren, vindt u niet?...”.

 

Babeltaal

In de verte zien ze eindelijk de lichtjes van een herberg, waar ze iets gaan eten. Ze komen terecht in een hele ‘gewone andere wereld’, waar ze alleen de taal niet spreken. De gastvrouw, kelner en buffetbediende met wie ze te maken krijgen, kunnen ze niet verstaan, dus helpen ze zich met gebaren. Dat gaat prima: ze krijgen een uitstekende maaltijd voorgeschoteld. De protagonist heeft het gevoel dat de vrouw op de een of andere onbegrijpelijke manier ver verheven is boven de kelner, de buffetbediende en ongeveer alle andere aanwezigen. Een soort ‘heilige maagd’? Wat ook vreemd is: nergens zijn er voorwerpen als een telefoon of een klok te ontdekken. Zitten ze inderdaad in een ‘eigenaardige afzondering in de ruimte’; een ‘typische stilstand van de tijd’? Als dat zo is, zou het nacht moeten blijven.

 

Hartenvrouw

Om nauwer voeling te krijgen met de gasten begint Val te goochelen met een kaartspel en waagt hij een dansje met de gastvrouw, waarna de hele tent op de been komt. Terwijl de protagonist en de professor toekijken, blijken ze allebei een heel andere vrouw te zien. Uiteindelijk klinkt buiten het schelle rinkelen van een tram en rent iedereen de deur uit om er in plaats te nemen. Ook de student…

 

Leven en dood

De novelle is dus in de eerste plaats een filosofische verhandeling over leven en dood. Het drietal moet een sloot overspringen om op een weg te belanden: een symbolische Styx. Professor Hernhutter lijkt een door God gezonden boodschapper om de anderen te begeleiden op hun louteringstocht. Zie het symbolische lichtpuntje van zijn sigaar: een oriëntatiepunt in de duisternis. Ik moest ook heel erg denken aan de uitspraak van verschillende denkers die stellen dat je je eigen hel en dus ook hemel schept (zie bijvoorbeeld C.S. Lewis: "De grote scheiding"). Vanwege de aanwezigheid van een trein en een kelner in een soort limbo wordt het boek vaak in verband gebracht met “De kellner en de levenden” van Simon Vestdijk

 

Uitgave: Weerwoord – 2026, 104 blz., ISBN 978 949 345 614 3, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 14 mei 2026

Democratie vraagt om religie – Hartmut Rosa

 


Ik volg al een tijdje op YouTube ‘De Boekentafel van Godert Walter’, waarin een boekenpanel op een zolder van een boekhandel in Groningen bijna elke zaterdag een aantal gelezen boeken bespreekt. Het leuke is dat ze niet alleen in de nieuwste uitgaven duiken, maar ook geregeld verborgen pareltjes van weleer onder het stof vandaan halen. Op jongstleden 2 mei bogen ze zich, vanwege de ‘Tweede Veertigdagentijd’ - namelijk de periode tussen Pasen en Hemelvaart - over het in Duitsland opnieuw uitgegeven “Demokratie braucht Religion – gerade jetzt!” van de daar zeer populaire socioloog Hartmut Rosa (1965). Het gaat om een essay dat gebaseerd is op een lezing voor een bisschoppelijke bijeenkomst in Würzburg in 2022 en dat hier werd uitgegeven onder de titel “Democratie vraagt om religie. Over een bijzondere resonantieleer”. ‘De Boekentafel’ gelooft in geestelijke groei, tegen de verdrukking in, staat er in het begeleidend commentaar onder de podcast. Dat ‘resoneert’ wel bij mij…

 

Over het ideeënreservoir van eeuwenoude religies

“… Het lijkt misschien vreemd om in tijden van secularisatie een beroep te doen op religie, maar de ontkerkelijking biedt ons juist de mogelijkheid om opnieuw na te denken over de maatschappelijke rol van religiositeit…”, aldus hoogleraar filosofie Ronald van Raak, die het voorwoord schreef. De prangende vraag is wat er gebeurt als het ideeënreservoir van eeuwenoude religies verloren gaat in onze samenleving. Zie Nietzsche en zijn parabel van "De dwaas", zou ik zeggen. 

 

Het gevoel dat het niet lang meer goed kan gaan

Rosa hield zijn speech tijdens de coronaperiode. Inmiddels zijn we vier jaar verder, en is het cultureel overheersende ‘gevoel dat het niet lang meer goed kan gaan’, alleen maar sterker geworden. Het vertrouwen in de politiek is nog nooit zo laag geweest. We zijn in een ‘razende stilstand’ terecht gekomen, schrijft hij. We zijn ‘het gevoel van voorwaartse beweging kwijt’. Alsof de maatschappij is ‘verstijfd’ en verstard’. Inmiddels heb ik zelfs het idee dat we ‘achteruit hollen’. Er zijn geen betaalbare woningen meer voor starters, de helft van de vijftienjarigen komt van school zonder behoorlijk te kunnen lezen en schrijven, bedrijven verlaten Nederland en als ik het journaal aanzet, zie ik rellen. Om over de oorlogen maar te zwijgen. Het valt niet mee om optimistisch te blijven.

 

Groei als dogma

Rosa wijt (een deel van) onze problemen aan de perverse kapitalistische opvatting dat we voortdurend moeten ‘presteren’, ‘innoveren’, ‘versnellen’ en ‘groeien’ om onze welvaart op peil te houden. Dat kost steeds meer energie en leidt tot verharding: “… Onze relatie tot de wereld is agressief. Waarom? Omdat onze to-dolijst overloopt. Elk jaar moeten we een beetje meer voor elkaar krijgen. Zowel op kleine als op grote schaal staan we daardoor in een agressieve verhouding tot de wereld…”.   

 

Energieprobleem

We gebruiken steeds meer energie om te behouden wat we hebben: “… Dat levert een energieprobleem op voor het klimaat en een energieprobleem voor de psyche: beide branden op…”. Zie de burn-outcrisis. Ik denk dat de AI-revolutie alleen maar tot nog meer versnelling gaat leiden en nog meer energie zal opslurpen. Strikt genomen gelooft niemand nog dat de dingen beter zullen worden: “… We moeten erop voorbereid zijn dat de concurrentie harder zal worden en de middelen schaarser…”. Het leven vergt (te) veel van ons: “… we hebben niet langer het gevoel dat we op weg zijn naar een veelbelovende toekomst, maar proberen de achter ons afbrokkelende rand van de afgrond voor te blijven…”. Sterker: “… we moeten elk jaar harder rennen om niet in de afgrond te storten die ons steeds dichter op de hielen zit…”.

 

De ander moet zijn bek houden

Ook in de politiek zien we die toenemende agressiviteit. “… De politiek andersdenkende wordt niet langer gewoon gezien als een gesprekspartner met wie men in discussie gaat, maar als een misselijkmakende vijand die het zwijgen moet worden opgelegd…”. Iemand die constant een andere mening heeft, die steeds iets anders wil, die van andere dingen houdt en iets anders gelooft, en Joost mag weten wat nog meer, wordt eenvoudig gezien als een obstakel: “… We voeren niet langer een debat over hoe we willen leven, hoe we onze respectievelijke manieren van leven inrichten, nee, de ander moet gewoon zijn bek houden. We beschouwen ze als vijanden die we de mond willen snoeren! En dat van beide kanten: we noemen ze fascisten of iets anders…”. Wappies bijvoorbeeld, of deugmensen. We denken van elkaar dat we idioten zijn. Zie de heisa rond het AZC in Loosdrecht: “… Sommigen zeggen dat we te veel vluchtelingen hebben binnengelaten, dat degenen die de grenzen hebben opengezet landverraders zijn, en anderen zeggen juist weer dat wijzelf de criminelen zijn omdat we vluchtelingen aan de grenzen laten verdrinken en doodvriezen. Beide partijen hadden en hebben het gevoel dat ze eigenlijk een gevecht tegen criminelen voeren…”.

 

Geef mij een luisterend hart

De democratie heeft daarom een ‘luisterend hart’ nodig, aldus Rosa. Zie het parool van koning Salomo. Ik denk dat Rosa zó gelijk heeft. Dat is ook precies de klacht van de tegenstanders van het AZC in Loosdrecht: ‘Ze’ luisteren niet naar ons. Zie de uitzending van Eva Jinek (13.05.26). Rosa heeft het over een ‘crisis van de aanspreekbaarheid’: “… Maar zo’n luisterend hart komt niet uit de lucht vallen, en het is zelfs bijzonder moeilijk om deze houding aan te nemen in een agressieve samenleving…”. We zitten met z’n allen voortdurend in de agressiemodus. Echter: als we in een slechte bui zijn, een humeur hebben om op te schieten, kunnen zelfs de mooiste geluiden ons niet bereiken. Kan het ook anders? Is er een alternatief?

 

Het ‘Gans Andere

Jazeker, aldus Rosa, en dat legt hij uit aan de hand van het begrip ‘resonantie’, waarbij hij vaak het voorbeeld van muziek gebruikt: muziek die al of niet ‘resoneert’. Resonantie, oftewel ‘wederkerigheid’, kun je ontleden in vier elementen. Ten eerste: de ‘prikkeling’. Iets ‘roept je’. Iets ‘spreekt je aan’. “… Resonantie is geen pure harmonie en pure overeenstemming, want dan zou het geen resonantie zijn…”. Het heeft niets te maken met ‘zelfbevestiging’: “… Als ik voortdurend hetzelfde hoor, maar slechts versterkt, als ik alleen maar gesterkt word in wat ik altijd al gedacht, gevoeld of gedaan heb, kunnen we niet spreken van een resonantierelatie, want resonantie betekent iets heel anders horen – het kan ook heel irritant zijn. Er is een stem die me in een of andere vorm bereikt…”.

 

Verbinding

Het tweede element zou je kunnen uitdrukken met het woord ‘verbinding’. Vaak hebben we het gevoel tegen een muur te praten. Mensen haten je omdat je je genderneutraal uitdrukt of juist niet - tegenwoordig kun je in beide gevallen rekenen op agressie. Maar soms voelen we dat er iets gebeurt tussen ons en de ander. We voelen ons ‘aangesproken’. We reageren op een ‘oproep’. Er is ‘contact’. We realiseren ons: hier kan ik wat mee. En dat is precies het moment waarop we ons ‘levend’ voelen.

 

Transformatie

Het derde moment van resonantie is ‘transformatie’. Hierdoor “… kom ik in een andere stemming en op een andere gedachte. Ik begin de wereld anders te zien of anders te denken…”. Een diepe depressie of burn-out maakt dat je niet in staat bent te resoneren, laat staan te transformeren: je bent door niets of niemand meer ‘te bereiken’.  

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

 

Onvoorspelbaar

Het vierde onderdeel is de ‘onbeschikbaarheid’. Resonantie ‘gebeurt’. Het is onvoorspelbaar en kan niet worden geproduceerd, gekocht of geforceerd. Hannah Arendt spreekt in dit verband over ‘nataliteit’: “… het moment waarop plotseling een nieuwe gedachte opkomt die ik eerder nog niet had…”.

 

Een andere wereld

Willen we een kans maken op ‘resonantie’, dan zullen we uit onze agressiemodus moeten stappen. Resonantie vraagt een kwetsbare opstelling. Religie herinnert ons er bij uitstek aan dat er een andere houding tegenover de wereld nodig is. De kerk biedt een ruimtelijke context waarin de agressieve houding voor even verdwijnt: “… De agressiemodus vindt daar helemaal geen doelwit…”. Het gedeelde en ervaren idee achter het kerkelijke gebeuren, de beelden en rituelen, is dat we een resonerende verbinding maken met iets dat groter is dan onszelf, een andere wereld, wat een transformerend effect heeft.  

 

Verlangen naar resonantie

Allerlei fenomenen die buiten de kerkelijke context onder het label ‘new age’ of ‘esoterie’ vallen, getuigen ook van een groot verlangen naar dergelijke verbindingen: “… Mensen zoeken resonanties in stenen en kruiden, stromen, bergen en sterren…”. Op de een of andere manier hebben sommigen ‘iets’ met edelstenen, Bachbloesems of helend water. Anderen beschermen zich tegen het boze oog of mysterieuze aardstralen: “… Dit zijn allemaal ideeën van resonantie…”. Misschien is verlangen naar resonantie wel verlangen naar spiritualiteit, bedacht ik.

 

Religie: een resonantierelatie

Het christendom heeft als uitgangspunt dat de basis van het bestaan niet het stille universum, een koud mechanisme, naakt toeval of zelfs een vijandige tegenpool is, maar een ‘antwoordrelatie’. “… ‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!’ Als dat geen oproep tot resonantie is! Iets riep mij en bedoelde mij. Of visualiseer het idee: ‘Ik heb je de levensadem ingeblazen.’ Er staan oneindig veel van dit soort beelden in de Bijbel, en daarom interpreteer ik die als een groot document van schreeuwen, roepen en smeken om gehoord te worden, om weerklank te vinden in het aangezicht van een stille sterrenwereld…”. Het doet me meteen denken aan de grote telescoopschotels die boven de bomen uitrijzen in Westerbork – een beeld dat me enorm kan ontroeren: oren die het heelal afluisteren om als het ware het geluid van God op te vangen. Rosa: “… de Bijbel, het geloof, de Kerk geven dit ene antwoord, doen deze ene belofte: er is Iemand die jou bedoeld heeft, die jou geroepen heeft, die je ook hoort, zelfs als Hij niet beschikbaar is in het hier-en-nu…”. Zie ook “Wachten. Een levenshouding” van Dirk De Wachter. Christenen wachten op God.  

 

Uitgave: Boom - 2023, vertaling Huub Stegeman, 80 blz., ISBN 978 902 445 828 8, 16,90

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier