Menu

zondag 6 september 2026

Witte ruis – Don DeLillo

 


De Britse YouTuber die onder de naam ‘Nick Reads’ een enerverend videokanaal beheert — ‘for people who think books still matter’ — en daar tot mijn grote vreugde de écht grote (post)moderne klassiekers bespreekt, bestempelt “Witte ruis“ van Don DeLillo (New York, 1936), voor het eerst gepubliceerd in 1985, met stip als nummer 1. Het is een satirische, hilarische familieroman over een ogenschijnlijk maatschappelijk geslaagd Amerikaans gezin dat verzeild raakt in een wilde jacht op een pilletje tegen doodsangst. Het is ook een beetje een campusroman: de hoofdpersoon, Jack Gladney, de pater familias, doceert aan de universiteit het door hemzelf verzonnen vak Hitlerkunde. Vijftig jaar geleden worstelden Amerikanen blijkbaar ook al met de dood, informatiestress en de wegwerpmaatschappij, die de personages nauwkeurig analyseren. “… De (post)moderne Amerikaanse consumptiecultuur stroomt door deze belangrijke roman als een fatale suikerstoot…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!). In het verhaal zijn duidelijk de ideeën te ontwaren van, in mijn ogen, profetische denkers als Marshall McLuhan en Jean Baudrillard.

 

Marshall McLuhan

Volgens Marshall McLuhan (1911-1980) moet je, om de huidige wereld te begrijpen, de media begrijpen. Hij had het al over de term ‘global village’, ver voordat het internet en het World Wide Web hun intrede deden. McLuhan werd beroemd, zo niet berucht, door zijn stelling ‘The medium is the message’: niet wát je vertelt heeft de meeste invloed, maar hóe en via welk kanaal je het vertelt. Zie heden ten dage de ontelbare communicatiewetenschappers, zou ik zeggen. Ook McLuhans gelanceerde woordspeling ‘The medium is the massage’, waarmee hij doelde op de doordringende, knedende, ‘masserende’ werking van de media, zorgde voor de nodige ophef. Zie de hedendaagse kritiek op de eenzijdig beleefde ‘mainstream media’. McLuhan beweerde dat de media een verlenging van de menselijke zintuigen zijn: een halve eeuw later valt bijna niet meer te leven zonder smartphone.

 

Jean Braudillard

Ook Jean Baudrillard (1929-2007) voorzag dat door de macht van de opkomende massamedia en hun niet-aflatende behoefte om nieuws te maken, de werkelijkheid steeds verder vervormd zou worden. Inmiddels is het vertrouwen in het nieuws nog nooit zo laag geweest als nu (NOS, 16-06-2026). Braudillard schreef dat de communicatiemiddelen die in een samenleving worden gebruikt, de sociale relaties zullen bepalen. Lees Jonathan Haidt! De massamedia spiegelen een utopie voor die buiten de werkelijkheid staat, waarvoor Baudrillard het begrip ‘hyperrealiteit’ hanteert. Inmiddels leven we grotendeels in een virtuele werkelijkheid. Wij hebben het contact met de echte wereld verloren. Wij leven in een ‘simulatie’. Zie de hedendaagse oorlogsvoering, die ervaren wordt als een videogame. Wij baden via de media in een alomtegenwoordigheid en grenzeloze aanwezigheid van communicatie, die Don DeLillo aanduidt als ‘witte ruis’. Verder voorspelde Baudrillard dat het kapitalisme steeds meer zal gaan drijven op consumptie, waarbij de ideologische opwekking van behoeftes voorafgaat aan de productie van goederen die deze behoeftes moeten bevredigen. Zie de grote mediabedrijven die anno 2026 enorme boetes aan hun kont hebben hangen vanwege het bewust verslaafd maken van kinderen. Eind jaren zeventig zag Baudrillard al aankomen dat de ‘symboolwaarde’ van producten al het andere ondergeschikt zou maken. Zie de maatschappelijke en criminele problematiek waarbij peperdure designerkleding, luxe jassen en exclusieve sneakers een extreme statusrol spelen onder (vaak jonge) criminelen en jongerengroepen. De persoon heeft geen inhoud meer; hij is slechts uiterlijke schijn. Wikipedia: “… Baudrillards uitspraak ‘We leven na de orgie’ ontstemde velen. ‘Alles kan en alles mag, alles is bevrijd en er zijn geen taboes meer, maar in de plaats van een opwindend feest levert dit een geweldig gevoel van leegte op. We leven in de hel van hetzelfde’, dixit Baudrillard …”. Zie onze verslechterende mentale gezondheid.

 

Simulatie

De hel van hetzelfde: het verhaal start met hoe Jack Gladney voor de eenentwintigste keer in september de studenten op de campus ziet arriveren, gebracht door kwieke mama’s, ‘gewetensvol gebruind’ en in ‘dieetconditie’, en voldane papa’s, die doen denken aan ‘grootschalige verzekeringpolissen’: “… Wat ze in de loop van het verdere jaar ook nog zouden doen, die bijeenkomst van stationcars vertelt de ouders meer dan formele liturgieën of wetten dat ze een verzameling gelijkgestemden en geestelijk verwanten zijn…”. Een economische klasse die een element van oververfijning en inteelt tentoonspreidt, aldus Jack. Ten bate van zijn ‘wetenschappelijk gewicht’ heeft hij zijn achternaam voorzien van de intitalen J.A.K., een variatie op J.F.K., en draagt hij een zwarte toga en een donkere bril: “… Ik ben het valse personage dat achter de naam aan loopt…”. Hij probeert het feit te verbergen dat hij als Hitler-expert geen Duits spreekt: “… Ik leef kortom aan het randje van een landschap van immense schande…”. In het geheim neemt hij Duitse les. Als hij op het eind van het boek gewond in een ziekenhuis belandt waar hij verzorgd wordt door nonnen vraagt hij naar hun geloof, dat ze niet blijken te hebben. Zelfs zíj doen maar alsof: “… Denkt u dat we achterlijk zijn?...”. Ze lopen rond in habijten omdat de ongelovigen wanhopig iemand nodig hebben die gelooft. “… Wij zijn jullie krankzinnigen. Wij doen afstand van ons leven om jullie ongeloof mogelijk te maken. Jullie weten zeker dat je gelijk hebt maar wilt niet dat iedereen zo denkt als jullie. Er bestaat geen waarheid zonder dwazen. Wij zijn jullie dwazen, jullie gekke vrouwen, die in alle vroegte opstaan om te bidden, kaarsen aan te steken, standbeelden vragen om een goede gezondheid, een lang leven…”. De hel, dat is als er niemand meer gelooft. Als zij niet doen alsof ze geloven, zal de wereld in elkaar storten. Kortom, ze voorzien simpel in een behoefte (zie ook: “San Manuel Bueno, Mártir” van Miguel de Unamuno).

 

Hitte

Jacks vakgroep volkscultuur bestaat “… vrijwel uitsluitend uit Newyorkse import, gehaaid, gewiekst, filmgek, bezeten van nutteloze informatie…”. Ze houden zich bezig met “… een aristotelisme van kauwgumwikkels en waspoederreclame…”. De grote uitzondering is Murray, een Elvis-specialist, die voor een kleine universiteit heeft gekozen omdat hij genoeg heeft van de hitte. Jawel (zie mijn vorige blog). “… Hitte. Dat is wat grote steden voor me betekenen. Je stapt uit de trein en loopt het station uit en je krijgt de volle laag. De hitte van lucht, verkeer en mensen. De hitte van eten en seks. De hitte van hoge gebouwen. De hitte die uit de metro en de tunnels komt drijven. Het is er altijd tien graden heter in de grote stad. Hitte stijgt op van de trottoirs en daalt uit de vergiftigde hemel. De bussen ademen hitte. Hitte straalt af van drommen winkelpubliek en kantoorpersoneel. Heel de infrastructuur is gebaseerd op hitte, verbruikt vertwijfeld hitte, verwekt hitte. De uiteindelijke verhittingsdood van het heelal waar geleerden graag over praten is al een flink eind op streek, en in elke grote of middelgrote stad kun je voelen hoe hij zich overal om je heen voltrekt. Hitte en vocht…”. Samen rijden ze naar ‘de meest gefotografeerde schuur van Amerika’, waar een zee van mensen foto’s staat te nemen van een doodgewone schuur. Als je het hebt over ‘leven in de hyperrealiteit’.

 

Samengesteld gezin

Jack is de vader van een druk samengesteld gezin. Zelf heeft hij vier kinderen uit evenzoveel vorige huwelijken. Zijn vrouw Babette, ‘Baba’ — een rots van stabiliteit, dénkt hij, in tegenstelling tot het egocentrische stelletje zenuwpezen van vroeger, die gek genoeg allemaal banden hadden met spionagekringen — heeft drie kinderen. Zij is dan ook pas voor de derde keer getrouwd. Vier van die kinderen wonen bij hen in huis: Wilder, een peuter die gefascineerd is door alles wat beweegt (hij zit uren voor de draaiende trommel van de wasmachine); de stronteigenwijze Steffie van 11; de iets oudere Denise ("... een volkscommissie in het klein die ons tot hoger bewustzijn leuterde..."); en wijsneus Heinrich van 14, een soort moderne incel: “… Babette is bang dat hij zal eindigen in een gebarricadeerde kamer, waaruit hij honderden salvo’s automatisch vuur rondsproeit over een verlaten winkelgalerij voordat de oproerteams op hem afkomen met hun dikgelopte wapens, hun megafoons en kogelvrije vesten…”. Heinrichs haar begint al uit te vallen en hij speelt schaak op de computer met een moordenaar in de gevangenis. “… Kinderen, stelt DeLillo, snappen meer van de moderne cultuur dan volwassenen; ze zijn er beter aan aangepast maar ook meer gedesillusioneerd over…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!).

 

Swingende tekst

Jack piekert aan één stuk door over wie er het eerst dood zal gaan: hij of Babette. Hij is doodsbang voor het einde. Is er meer tussen hemel en aarde? “… Hitler noemde zichzelf de eenzame zwerver uit het niets. Hij zoog op hoesttabletjes, sprak tegen mensen in eindeloze monologen waarin hij vrij associeerde, alsof de taal uit een onmetelijk reservoir buiten de wereld kwam en hij niet meer was dan een middel tot openbaring…” (zie “Het ultieme geheim” van Dan Brown). Fenomenaal is een fragment waarin Jack en Murray elkaar tijdens een college afwisselen in een analoge speech over Hitler en Elvis. Alsof het gaat om een ter plekke bedachte improvisatie tussen twee jazzmusici. Zelfs in vertaling ‘swingt’ de tekst: als je zoiets leest, ervaar je wat grote literatuur vermag. Tijdens het betoog cirkelen de heren ook nog eens om elkaar heen, alsof ze dansen. De collegezaal loopt “… wellicht aangetrokken door een prikkelende magnetische golf, een werveling in de atmosfeer…” steeds voller.

 

Golven en straling

Vrijdags zit het volledige gezin met het bord op schoot voor de tv, waar ze zwijgend kijken naar het nieuws over overstromingen, aardbevingen, modderverschuivingen, huizen die in zee glijden, hele dorpen die vergruizelen en in een massa oprukkende lava in brand vliegen: “… Elke ramp deed ons verlangen naar meer, naar iets nog groter, grootser, overweldigender…”. Murray zegt dat je je daar niet schuldig over hoeft te voelen. Onze ogen, oren, hersenen en zenuwstelsel zijn oververmoeid: “… we lijden aan hersenvervaging. We hebben af en toe een ramp nodig om het onafgebroken informatiebombardement te doorbreken…”. Even verder: “… Volgens Murray zijn we broze figuren omringd door een wereld van vijandige feiten. Feiten bedreigen ons geluk en onze veiligheid…”. Zie het groeiende aantal mensen dat niet meer naar het journaal kijkt. Het gezin gaat vaak naar een immense supermarkt van tien verdiepingen, waar ze ‘geestelijk worden opgeladen’. Een centrum van ‘welbehagen’. Een letterlijk ‘koopparadijs’: “… Alles was goed en zou goed blijven, zou uiteindelijk nog beter worden zolang de supermarkt het maar niet af liet weten…”. Even verder: “… Hier gaan we niet dood, hier doen we boodschappen…”. Twee vermiste oudjes worden er pas na vier dagen teruggevonden. Wanneer Jack met de meisjes en Wilder weer eens in het winkelcentrum rond struint omdat de lagere school wordt ontruimd (“… Kinderen kregen hoofdpijn en geïrriteerde ogen, een metaalsmaak in hun mond. Een onderwijzeres rolde over de grond en sprak vreemde talen. Niemand wist wat er mis was. Onderzoekers zeiden dat het kon liggen aan het ventilatiesysteem, de verf of vernis, de schuimisolatie, de elektrische isolatie, het kantine-eten, de straling van microcomputers, de asbestbrandbeveiliging, de tape op verzendtrommels, de dampen uit het gechloreerde zwembad, of misschien iets nog diepers, verfijnders, nauwer verweven met de grondtoestand der dingen…”), hoort hij voor het eerst van Steffie dat Denise erachter is gekomen dat hun moeder ‘iets’ slikt.

 

Het zwevende gifgebeuren

De ontruiming van de school is de voorbode van een veel grotere ramp: uit een ontspoorde tankwagen ontsnapt een gifwolk vol Nyodeen D, waardoor het stadje van de Gladney’s ontruimd moet worden. Het gezin wordt in hun auto naar een verlaten padvinderskamp gedirigeerd. Griezelig genoeg vond een jaar na de uitgave van “Witte ruis” de kernramp van Tsjernobyl plaats: alsof DeLillo het zag aankomen. Nyodeen D veroorzaakt ook nog eens 'een gevoel van déjà vu' gepaard met hartkloppingen. Volgens Murray gaat het om voorkennis, die we normaal verdringen. Als de dood in het vizier komt, bevrijdt dat het onderdrukte materiaal. Tijdens de rit ziet Jack uit zijn ooghoek dat Babette iets in haar mond stopt en doorslikt. Een snoepje, beweert ze. Jack en Babette proberen te voorkomen dat de meisjes iets horen over de symptomen van het gif, omdat ze die prompt gaan vertonen. Zie het resignatiesyndroom onder asielzoekerskinderen. Sommige denkers vrezen ook dat het hoge aantal transgenders onder jonge autistische meisjes op sociale besmetting zou kunnen wijzen. De roman "Danswoede" van Vincent Merjenberg gaat daar eveneens over. Over het gif: “… Het oorspronkelijke spul doodt kakkerlakken, de bijprodukten doden alles wat overblijft…”. Omdat Jack moet tanken, staat hij er tweeënhalve minuut middenin, waardoor een vrijwilliger hem na het combineren van dit gegeven met alle onlinedata die er over hem bekend is, weet te vertellen dat de computer uitwijst dat hij niet direct vandaag of morgen, maar in de toekomst waarschijnlijk dood zal gaan aan de opgelopen rotzooi. “… De Grieken wisten dat de belangrijkste gebeurtenissen in het heelal niet te zien zijn met het menselijk oog. Het gaat om golven, om stralen, om deeltjes…”.

 

Nutteloze kennis

Bij een ramp zijn we nergens, aldus Heinrich, we kunnen niets. Onze kennis verandert en groeit elke seconde van de dag. Ze gaat van computer naar computer. Maar wat heb je aan kennis die alleen maar in de lucht zweeft? Na het nodige beraad laten specialisten vanuit legerhelikopters micro-organismen los in de wolk, die het gif letterlijk “… verorberen, opeten, afbreken, verteren…”. Een man loopt met een klein tv’tje rond en windt zich op omdat er amper nieuws is over wat hun overkomt. Zijn toespraak loopt feilloos in de maat met Nietzsches parabel over de dwaas: “… Willen ze beweren dat het onbeduidend was, dat het niets voorstelde? Zijn ze zo meedogenloos? Hebben ze hun buik zo vol van giflekkages en verontreiniging en afvalproblemen? Denken ze soms dat dit maar televisie is? ‘Er is al te veel televisie – waarom nog meer laten zien?’ Weten ze niet dat het echt is? Horen de straten niet te krioelen van de cameramensen en de geluidsmensen en de verslaggevers?...”. Enzovoort, enzoverder. Na negen dagen mogen ze eindelijk naar huis. Vanaf die tijd gaat iedereen kijken naar de door gifresten in de atmosfeer veroorzaakte spectaculair mooie zonsondergangen.

 

De dood voorblijven

et geloof in wedergeboorte, een tweede leven, is vrijwel universeel. Dat moet iets betekenen…”. De dood laat Jack niet meer los sinds hij weet dat hij besmet is: “… Het grootste verdriet is de dood. Het enige om het hoofd te bieden is de dood. Dat is alles waar ik aan denk. Er is maar één thema aan de orde. Ik wil leven…”. Volgens de psychologie is alle angst per saldo doodsangst. Het verschil tussen dieren en mensen is dat de mens weet dat hij sterfelijk is. Met Murray voert Jack diepgaande gesprekken over het ten dode opgeschreven zijn. Al ons handelen komt voort uit de behoefte de dood voor te blijven, volgens antropoloog Ernest Becker. Murray vraagt derhalve waar Jack zijn hele leven mee bezig is geweest: “… Mezelf betoveren, denk ik…”. Murray stelt dat je je over de dood heen kunt zetten door je op het leven erna te richten: “… reïncarnatie, zielsverhuizing, de meerdimensionale ruimte, de wederopstanding van de doden, enzovoorts. Er zijn een paar grandioze stelsels voortgekomen uit die overtuigingen…”. Of Murray ergens in gelooft? “… Miljoenen mensen geloven al duizenden jaren. Sluit je bij hen aan. Het geloof in een wedergeboorte, een tweede leven, is vrijwel universeel. Dat moet iets betekenen…”.

 

 

Fake nieuws

De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen, aldus Arnold Huijgen in  “Inferno”. Daar gaat het ook over tijdens het eten, wanneer het gezin probeert uit te vissen welke informatie wel en niet fake is. Het zijn de kleine, alledaagse, onopgemerkte hoeveelheden gif die ons op den duur ondermijnen, aldus een langzamerhand aan ernstig geheugenverlies lijdende Babette. Heinrich: “… Het werkelijke vraagstuk is het soort straling dat ons elke dag omringt. Je radio, je tv, je magnetronoven, je energieleidingen vlak voor de deur, je radarcontrole op de snelweg. Jarenlang hebben ze ons voorgehouden dat die lage doses niet gevaarlijk waren…”. Vergeet de radioactieve neerslag. Wat denk je van de elektrische en magnetische velden? “… Wie in deze kamer zou me geloven als ik zei dat het zelfmoordcijfer een ongeëvenaard record bereikt onder mensen die vlak bij hoogspanningsleidingen wonen? Hoe komen die mensen zo treurig en depressief? Alleen maar door het zien van lelijke draden en elektriciteitsmasten? Of gebeurt er iets met hun hersencellen doordat ze blootstaan aan constante straling?...”. Heinrich: “… ‘Vergeet maar die hoofdpijn en vermoeidheid,’ zei hij al kauwend. ‘Wat dacht je van zenuwstoornissen, vreemd en gewelddadig gedrag in het gezin?’…”. Volgens Jack zijn angstaanjagende gegevens “… tegenwoordig een industrie op zichzelf. Verschillende bedrijven concurreren om te zien hoe erg ze ons bang kunnen maken’. ‘Ik heb een nieuwtje voor je,’ zei hij (Heinrich). ‘De hersens van een witte rat geven calciumionen af als ze worden blootgesteld aan hoogfrequente golven. Weet iemand hier aan tafel wat dat wil zeggen?’…”.

 

Onbekend psychofarmacon

“… De avond daarop ontdekte ik de Dylar. Een geelbruin flesje van lichtgewichtplastic. Het zat met plakband tegen de onderkant van de radiatorkap in de badkamer. Ik vond het toen de radiator begon te tikken, en ik de kap eraf haalde om me serieus en systematisch te verdiepen in de afsluitkraan…”. Jack sluit een bondje met dochter Denise om erachter te komen wat Dylar voor een medicijn is. Ze gaan de apotheken langs en bellen dokters op, maar niemand kent het. Jack laat een pil analyseren door een scheikundige aan de universiteit. Het enige wat zij kan zeggen, is dat het een onbekend psychofarmacon gaat: “… De bedoeling is waarschijnlijk een wisselwerking met een afgelegen deel van de menselijke hersenschors…”. De scheikundige: “… Je brein heeft een biljoen neuronen en elk neuron heeft tienduizend dendrieten. Het interne communicatiesysteem is ontzagwekkend. Het is als een melkwegstelsel dat je in je hand kunt houden, alleen gecompliceerder, geheimzinniger…”. Ze is daarom ‘trots’ dat ze een Amerikaanse is. Want: “… Het kinderbrein ontwikkelt zich in antwoord op prikkels. Wat prikkels betreft zijn we nog altijd nummer één in de wereld…”.

 

Witte ruis

Uiteindelijk zet Jack Babette voor het blok, vertelt haar dat hij het flesje Dylar heeft gevonden en eist een verklaring. Babette barst in huilen uit, legt uit dat ze zich als proefpersoon heeft gemeld bij een instituut dat  een medicijn probeert te fabriceren tegen doodsangst, en bekent Jack, die totaal in shock is, schaamtevol dat een en ander gepaard is gegaan met een ‘misstap’. Zonder dat ze het van elkaar wisten, blijken beide echtelieden geobsedeerd door de dood. “… ‘Stel, de dood is alleen maar geluid?’ ‘Een elektrische ruis.’ ‘Die je hoort tot in de eeuwigheid. Overal geluid. Wat afschuwelijk.’ ‘Uniform, wit.’ …”. Babette:“… Ze hebben het hersendeel geïsoleerd waar de doodsangst zetelt. Dylar stuurt verlichting naar die sector …”. Elke emotie of gewaarwording heeft haar eigen neurotransmitters. Het gaat om chemicaliën die de hersenen aansporen hun eigen remstoffen te maken. Alles in het leven heeft te maken met moleculen die rondrazen in je hersenen, legt Babette uit. Heinrichs hersentheorieën zijn allemaal waar. “… We zijn de som van onze chemische impulsen …”. Jack vindt dat een ondraaglijk idee. “… Wat gebeurt er met goed en kwaad in dat systeem? Hartstocht, afgunst en haat? Wordt dat allemaal een wirwar van neuronen? Wou je me vertellen dat er nu een einde is gekomen aan een hele traditie van menselijke tekortkomingen, dat lafheid, sadisme, mishandeling nietszeggende termen zijn? Wordt ons gevraagd dat alles nostalgisch te bekijken? Hoe zit het met moordzuchtige razernij? …” (zie: "Het gewelddadige brein" van Adrian Raine). En als Dylar verlichting brengt, waarom zit ze dan de laatste dagen zo triest voor zich uit te kijken? “… Simpel. Het middel werkt niet …”.

 

Bezeten

Vanaf dan raakt Jack bezeten van het middel, gaat tot het uiterste om het te pakken te krijgen, maar Babette weigert hem te vertellen hoe hij eraan kan komen.

 

Uitgave: De Bezige Bij – 1986, vertaling Rien Verhoef, 373 blz., ISBN 978 902 340 9533

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

maandag 31 augustus 2026

Nirwana – Tommy Wieringa

 


Arnold Huijgen maakte mij in “Inferno. De ontdekking van de hel” (zie mijn vorige blog) nieuwsgierig naar “Nirwana” van Tommy Wieringa, dat hij uitgebreid besprak. Het toeval wilde dat Tommy Wieringa op zondag 16 augustus jl. ook nog eens aanschoof bij ‘Zomergasten’, een uitzending die zijn roman zeer verheldert, omdat nogal wat uit “Nirwana” te herleiden is tot persoonlijke omstandigheden. Het boek, voor het eerst uitgegeven in 2023, gaat over een stinkend rijke familie die haar kapitaal te danken heeft aan een opa die hartstikke fout was in de oorlog, maar daarover zwijgt, want ja: ‘geld dat stom is, maakt recht wat krom is’. Het verhaal schijnt één-op-één gebaseerd te zijn op het leven van Pieter Schelte Heerema en de geschiedenis van zijn offshorebedrijf Heerema Marine Contractors. De hoofdpersoon, een kunstzinnige kleinzoon en het zwarte schaap van de familie, stelt de boel aan de kaak. Eerder besprak ik van Tommy Wieringa (Goor, 1967) “Dit zijn de namen” en “De heilige Rita”.

 

Heer Vuur

Allereerst: “Nirwana” is een ‘leuk’ verhaal en Wieringa een ouderwetse verteller, maar ik miste originaliteit. Alle elementen die voorbijkomen, zijn eerder (en beter) beschreven in romans als “Mijn naam is Asjer Lev” van Chaim Potok, “Amen” van Marcel Möring, “Zwarte schuur” van Oek de Jong, “Otmars zonen” van Peter Buwalda, “Alkibiades” van Ilja Leonard Pfeijffer en “De stamhouder” van Alexander Münninghoff – om maar wat te noemen. Ik meende op een gegeven moment zelfs de “Tuinfluiter-trilogie” van Jos van Manen-Pieters voorbij te zien komen: “… Hij dacht aan een trilogie, te beginnen met het lyrisch-onschuldige ‘Als de tjiftjaf zingt’, gevolgd door het bijtende ‘Als de tjiftjaf uitvliegt’ en besloten met het noodlottige ‘Als de tjiftjaf zwijgt’…”. In de tweede plaats gebruikt Wieringa het verhaal vooral om zijn eigentijdse meningen te ventileren. Met andere woorden: hij zwemt in morele superioriteit. Dat mag, echter maakt dat van literatuur geen kunst maar propaganda, zoals Adorno zei. Je kunt net zo goed de krant lezen. Wat de roman, zeker na het lezen van “Inferno”, wél fascinerend maakt, is het thema ‘vuur’. Hoe actueel wil je het hebben in onze apocalyptische ‘hittetijd’, waarin wij overgeleverd zijn aan ‘heer Vuur’: “... Licht wordt alles wat ik aanraak, koolstof alles wat ik nalaat. Amen...”

 

Hittegolf

Ik wil vooral de rol van ‘vuur’ in “Nirwana” nagaan. Het verhaal begint tijdens de tiendaagse hittegolf van 1990 (toen ook al…), het jaar waarin Hugo Adema 14 is geworden en hij zijn onderwaterrecord probeert te overtreffen in het zwembad op het landgoed van zijn grootouders in Wassenaar. Zijn tweelingbroer Willem en hij maken zo’n ruzie dat zijn ouders hem, ten einde raad, voor een tijdje naar opa en oma Adema hebben gestuurd om weer een beetje rust in de tent te krijgen. Hij is de gezeglijkste van de twee, dus hij moet eraan geloven. Hij baalt als een stekker. Ze vergeten hem ook nog eens terug te halen…

 

Liefdesvuur

Hij zal het zijn moeder nooit vergeven. Het was háár idee. Tóen is zijn onvaste, ietwat losgezongen bestaan begonnen. In het voorjaar van 2016 wordt Hugo, inmiddels een succesvolle kunstenaar — hij komt zelfs bij Matthijs op de buis — wederom aan zijn lot overgelaten, ditmaal door zijn muze Loïs, een aan de weg timmerende kunstfotografe. Ingeruild voor een ander. Na twaalf jaar. Hij gaat bijna dood van eenzaamheid in zijn Amsterdamse grachtenpand (hij heeft ook nog een huis op Ibiza). Met zenmeditatie probeert hij het liefdesvuur te doven.

 

De wereldbrand voeden

In november van datzelfde jaar wordt zijn legendarische grootvader honderd. Hij koopt een even oude sigaar voor hem. Het lijkt hem wel toepasselijk: “… Zijn hele leven had de oude Adema in zekere zin het vuur gediend, eerst in de oorlog en later in de offshore, waar hij de fossiele industrie met krachtige innovaties vooruit had geholpen om de wereldbrand te blijven voeden. Het onttrekken van olie- en gasdeposito’s was de ‘spécialité de la maison’; de familie had er een hoge notering in de Quote 500 mee verdiend…”. Rond zijn twintigste ontdekte Hugo dat het ronde cirkeltje dat hij tijdens het zwemmen onder de linkeroksel van zijn grootvader had gezien, een ‘Blutgruppentätowierung’van de SS was. Na twee infarcten stamelt de oude man alleen nog maar, te pas en te onpas, wat onverstaanbare Duitse woorden. “… Willem Adema de Oudere had zich als jongeman in dienst gesteld van een destructieve, vitalistische ideologie; Hugo was opgegroeid in een wereld die was ontstaan op de ruïnes daarvan…”.

 

De mens schept zijn eigen hel

De volgende dag hoort Hugo dat Trump president is geworden, wat hem een volkomen logisch gevolg lijkt van de infantilisering van de wereld. “… Volwassenen waren grijze kinderen geworden, uitgebloeide pubers…”. Grote mensen zuigen op de Amsterdamse terrassen verzaligd aan sorbets met lichtroze en groene schuimpjes erop. Ze eten kindereten en kopen kinderdingen. Zie de badeendjeswinkel. “… De crisis van de westerse wereld, zo kwam het hem opnieuw voor, was een crisis van de onvolwassenheid, we weigerden nog langer op te groeien…”. Zelfs zijn vader heeft zich laten faceliften. Forever young. Trumps emotieregulering, zijn furor is dat van een kleuter, aldus Hugo. Een nieuwe “King Lear” is opgestaan, een ‘gekke koning’: “… Hij diende niets anders dan zichzelf – ‘Deze God, dit ene woord: Ik’. De wereld stond weinig goeds te wachten en toch was dit de richting die mensen zelf gekozen hadden…”. Zie mijn vorige blog: de mens schept zijn eigen hel.

 

Voor iemand door het vuur gaan

Grappig genoeg schrijft Tommy Wieringa zichzelf in het verhaal. Op straat wordt Hugo aangesproken door een man die zich voorstelt als Wieringa en zegt onderzoek te doen naar zijn grootvader. Hij loodst Hugo mee naar het NIOD om hem de documentatie over zijn opa te laten zien. Hij vertelt dat er dagboeken moeten zijn geweest, acht stuks, die zijn verdwenen. De schrijver vergelijkt zijn grootvader met de begaafde Alkibiades (zie Ilja Leonard Pfeijffer), die vier keer overliep van vriend naar vijand. De oude Adema koos ook de kant van de bezetter om zich daarna bij het verzet aan te sluiten. De commandant van de ondergrondse knokploeg ging, eigenaardig genoeg, voor hem door het vuur. Welke gekke spelletjes werden er na de oorlog gespeeld? Was de verzetsgroep een dekmantel voor foute figuren? “… Kijk, trouw is een deugd die we belonen met lintjes en medailles. Voor ontrouw is geen waardering. Neem Judas, de slechtste mens die ooit heeft geleefd volgens de traditie, maar zijn kus was er natuurlijk een van diepe vriendschap, die het wiel in beweging zette dat van Christus de Verlosser maakte. Verraad en ontrouw hebben soms geldige, complexe redenen, wil ik maar zeggen, terwijl voor trouw geen andere redenen bestaan dan die van het hart…”.

 

Het vuur van de kunst

Net als in “Dius” (Stefan Hertmans) komen in het verhaal allerlei namen van kunstenaars voorbij die, als je ze googelt, samen een college kunstgeschiedenis op zich vormen. De futuristische kunstenaar en protofascist Filippo Marinetti, voor wie schoonheid ‘snelheid’ was. In een bloeddorstige roes wilde hij de klassieken simpelweg vernietigen, bibliotheken in brand steken en musea onder water zetten. Karlheinz Stockhausen, die de wereld schokte door 9/11 ‘Das grösste Kunstwerk, das es je gegeben hat…’ te noemen. De performancekunst van de Servische kunstenares Marina Abramović. Katsushika Hokusai, die zijn beroemde gezichten op de Fuji en ‘De grote golf van Kanagawa’ pas na zijn zeventigste maakte. Het werk van architect Daniel Libeskind, zoon van Holocaustoverlevenden. John Everett Millais, die het model Elizabeth Siddal in een met olielampen verwarmd bad liet poseren als Ophelia, waardoor ze een zware longontsteking opliep. De iconische foto van Peter Beard met zijn benen in de bek van een enorme dode krokodil, terwijl hij onderwijl onaangedaan in zijn dagboek schrijft. De Britse popartkunstenaar David Hockney. De hel van Jeroen Bosch. De nazistische kunstenaar Wolfgang Willrich. De artificiële vreemdheid van Salvador Dalí. De pianiste Hélène Grimaud en haar roedel wolven. De Nederlandse kunsthistoricus Rudi Fuchs. De omstreden Duitse beeldhouwer Arno Breker. Relifreak Marc Mulders. De sprookjesachtige wereld van John Bauer. Michelangelo Buonarroti. Francisco Goya. Donald Judd. Georg Baselitz. Tracey Emin. Damien Hirst. Neo Rauch.

 

Schroeiplekken

De pleegmoeder van de schrijver blijkt de gouvernante van Hugo te zijn geweest: Beth Wiel, met haar vuurrode haar, die zich had vrijgevochten uit een gereformeerd nest, wat haar verstoting had opgeleverd. Vandaar dat Wieringa zoveel van de Bijbel weet. Ze had de jongens in overalls gestoken en met een gereedschapskist naar buiten gebonjourd. Ze legde een groente- en bloementuin aan. Ze maakte grote pannen chili con carne en stamppotten met twee rookworsten. Ze breide dikke truien en ’s avonds zat ze aan een keukentafel vol schroeiplekken te roken en te lezen. Zij had de wereld van de literatuur voor hen geopend, met stapels boeken. Zo iemand heb je nodig. Die had ik ook. Beth zag Hugo’s tekentalent en kocht alles wat hij aan materiaal nodig had om dat uit te leven. De onorthodoxe Beth en Hugo’s kokette moeder konden niet door één deur, dus uiteindelijk was ze vertrokken.

 

Withete woede

“… Willems woedeaanvallen waren onvoorspelbaar en hevig, in hem bevond zich een granieten kern, ondoordringbaar voor de buitenwereld en misschien ook wel voor hemzelf. Had de woede eenmaal bezit van hem genomen, dan gaf hij niet langer om de gevolgen en sloeg er, in opdracht van het commandocentrum, in het kerngesteente op los. Waarom? Omdat, zoals gezegd wordt, iemand die zijn dubbelganger tegenkomt zichzelf vernietigd voelt?...”. Een eigenaardige zaak. Ik ben zelf de helft van een tweeling. Mijn familie zit vol tweelingen. Ik ben nog nooit een tweeling tegengekomen die elkaar de hersens insloeg. Integendeel. De meeste tweelingen hebben juist een bijzonder intieme band met elkaar. “… ‘Wat moeten we nou met jou?’ had Beth tegen Willem gezegd…”. Ze vergeleek hen met Jakob en Esau, die al in de moederschoot op elkaar botsten. “… Esau kwam als eerste ter wereld, Jakob volgde met het hieltje van zijn broer tussen zijn vingers, alsof hij hem probeerde terug te trekken om zelf als eerste geboren te worden…”. De ongeboren jongen van sommige haaiensoorten schijnen elkaar in de baarmoeder op te vreten: “… Ze hadden al vlijmscherpe tanden, in het aardedonker vond een prenatale slachting plaats…”. Wieringa relateert een en ander aan de verwoesting van de Twin Towers en de boeddhabeelden in de Bamiyanvallei: “… Dubbelzinnigheid is altijd een zonde in het enkelvoudige denken van de orthodoxie, en zuivering haar enige antwoord…”. Even verder: “…Tweelingen, die verdachte speling van de natuur. Ze bedrijven ontucht in de moederschoot. Ze brengen ongeluk. In de donkere mangrovebossen van de Calabar-kust liggen zwartgeblakerde kleipotten verscholen, met daarin de stoffelijke overschotten van tweelingkinderen. Een antropoloog die onderzoek deed bij de Navajo’s ontdekte dat van de tweelingen die gezond het ziekenhuis verlieten, er vaak binnen een jaar een van beiden stierf door opzettelijke verwaarlozing. Hugo’s tante Celia, de potige oudere zuster van zijn moeder, vond het eng om Willem en hem in identieke pakjes te zien. ‘Die kunnen toch zo in een griezelfilm, die twee?’ had ze tegen Beth gezegd, die het niet verdroeg dat iemand iets lelijks over ‘haar jongens’ zei en daarop met volle bewapening tegen haar uitgevaren was…”. Beth leert Hugo terug te slaan: “… hij raakte vertrouwd met de schitterende, withete vlam die in hem opschoot, in het verterende licht waarvan alleen nog maar dat ene bestond: de vernietiging van zijn evenbeeld…”. Even verder: “… Beth las hun “De brief voor de koning” van Tonke Dragt voor op haar bed vol geborduurde kussens, en daarna in twee dagen “De gebroeders Leeuwenhart”. ‘Goh, wat is dat prachtig,’ zei ze een paar keer, en stelde hun de broers Jonatan en Karel Leeuwenhart ten voorbeeld. ‘Dat is nou broederliefde,’ zei ze…”. Voor Hugo was ze de liefste van de hele wereld, naast Leopold, een afgerichte hellehond die hun villa bewaakte.

 

Vlammende betogen

Opa was weliswaar fout geweest, maar dat was om tegen de communisten te vechten, werd er in de familie gezegd. Een jeugdzonde. Hugo begint steeds vaker in zijn eentje naar het NIOD te gaan om studies over het Derde Rijk en het Vreemdelingenlegioen van de Waffen-SS te lezen, waarbij zijn grootvader had gediend. Hij vindt een vlammend antisemitisch betoog van zijn opa (in eerste instantie werkte hij voor de SS-afdeling Propaganda), dat hij unver­froren koppelt aan de retoriek van Thierry Baudet. Hij begint een dossier aan te leggen om het te gebruiken in zijn kunst, al heeft hij nog geen idee hoe of wat. Daarmee lijkt een onzichtbare wedloop te zijn ontstaan met de auteur Wieringa, die het verleden van Willem Adema wil beschrijven in een boek waaraan hij nog niet is begonnen.

 

Zonder vuur geen leven

Zonder vuur is de mensheid hulpeloos als op de eerste dag, weet Hugo. De mens is geworden wie hij is door vuur; het vuur en hij zijn onafscheidelijk. Zie de homonide die des daags over de vlakte zwerft en ’s avonds zingt en danst rond het vuur. “… Het vuur verlengt de dag, binnen de kring van licht wordt de mens een denker en een verhalenverteller. De onmetelijke duisternis rondom hem brengt goden en mythen tevoorschijn, daar worden verbeelding en filosofie geboren. Overal waar de mens voet aan wal zette, brandde hij als eerste het terrein schoon. Toen de Maori’s arriveerden in Nieuw-Zeeland begonnen ze meteen de bossen plat te branden om ruimte te maken voor jacht en landbouw. Zuilen van rook stegen naar de hemel op, zevenduizend kilometer verderop vonden geofysici honderden jaren later hoge roetconcentraties uit die tijd in het zuidpoolijs terug. De mens, toegerust met vuur, verjoeg zijn vijanden eerst met brandende stokken en verzengde ze later in een crematieoven of in een nucleaire steekvlam van honderd miljoen graden. Met de hitte van het inwendige van de zon. ‘Nu ben ik de Dood geworden, de Vernietiger van Werelden’…”.

 

Waar rook is, is vuur

Wieringa brengt Hugo op het idee naar Beth te googelen. Hij vindt haar op Facebook. Ze slijt haar dagen als een geharde kluizenaar in een afgelegen vakantiehuisje aan de rand van het Mantingerzand in Drenthe, bij Westerbork (zie “Amen” van Marcel Möring). Als hij haar opzoekt, blijkt ze tot zijn ontzetting een totaal vervuild, doodziek kattenvrouwtje. “… Ze leidde een klein leven, een paar vierkante meter, maar een wereld aan boeken…”. De hele Russische bibliotheek. Privé-domein. John Irving. Leon Uris. Primo Levi. Twee rijen dik staan ze in gestapelde sinaasappelkratten tegen de muren. Prachtig wordt beschreven hoe Hugo en Wieringa, die hij inlicht over de situatie, haar naar het einde brengen. Voor het eerst hoort Hugo dat Beth was opgestapt als gouvernante toen de Zwarte Weduwe, Florrie Rost van Tonningen, als huisvriendin bij de Adema’s op het toneel was verschenen (inmiddels heeft Thierry Baudet haar plaats ingenomen). Ze vertelt hem ook dat hij een verstandelijk beperkte tante heeft die is opgeborgen in een antroposofische instelling in Den Haag. Geertruida. Hoe verzin je het: zijn nazi-opa die ‘unwertes Leben’ heeft voortgebracht. Later zal Hugo zijn tante opzoeken en met haar gaan fietsen. In de waan dat Hugo haar vader is (die haar toch maar zo lang hij kon heeft bezocht), hecht ze zich onmiddellijk aan hem. Hij lijkt een jongen met een gouden hart, waar je toch weer aan gaat twijfelen als zijn ex haar spullen komt ophalen en hij mijmert over ‘de gewelddadige toe-eigening van vrouwen’. “… Ze had een paleis verruild voor een bloempot en was gelukkig. Hij zag hem voor zich, Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden…”. Loïs, die hem verwijt dat hij ‘altijd, altijd denkt dat het over hem gaat’. Hij, die ook wel weet dat ‘zijn individualisme niet van egocentrisme is te onderscheiden’. Gaandeweg de roman ontstaat het beeld dat Hugo Loïs vooral linkt aan dampende seks. In feite kijkt hij nogal neer op haar videokunst en fotografie, ook al vertelt ze over een aanstaande eigen tentoonstelling: wat moet je daar nu helemaal voor kunnen?!

 

Vuur in handen hebben

Na Beths dood ruimen Hugo en Wieringa samen haar huisje op. Wanneer Hugo wat eerder arriveert dan zijn kompaan, vindt hij achter een stapel boeken de vergeten dagboeken van zijn grootvader. Er zit een briefje bij waarin Beth vertelt dat ze de cahiers heeft gevonden tussen haar opgeslagen boedel. Wie dat brisante bezit tussen haar spullen heeft gestoken en waarom, zullen we nooit te weten komen. Heeft Beth ze gestolen? Ze schrijft dat ze erop vertrouwt dat Hugo en Tom in gezamenlijk overleg tot een goed besluit zullen komen over wat ermee te doen. Gezamenlijk? Hugo zal wel gek zijn.

 

Vuur, hitte, as

Hugo leest alle dagboeken van zijn grootvader (die een verhaal in het verhaal vormen) door, typt ze over en maakt er een audiobestand van. Tommy Wieringa schetst de Tweede Wereldoorlog als een ‘verbrandingsoorlog’: brandstof bepaalde er elke beweging van. Niets wordt er gemaakt zonder vuur. “… Vuur, hitte, as, dat was de zuiverste essentie van het kapitalistische model, en begeerte was zijn zuurstof…”. Alles brandt door het vuur van begeerte, aldus Shakyamuni Boeddha. Begeerte is het begin van alle lijden. Uitdoving van begeerte het einde. Nirwana. Tweelingbroer Willem, die het offshorebedrijf van de Adema’s inmiddels runt en het grootste schip van de wereld aan het bouwen is, haat de mietjes van de milieubeweging, haat de groene politiek, maatschappelijke krachten die het vuur trachten te temperen. Ze zijn schadelijk, moeten gestopt worden, en dat geldt voor emancipatiebewegingen in het algemeen.

 

Hittetijd

Naar aanleiding van de geboorte van de baby van een vriend: “… Gedurende haar leven zou de gemiddelde temperatuur op aarde onafgebroken stijgen. De mensheid betrad een tijdperk van extreem lijden. De planeet zou een haar vijandige plaats zijn, een nieuwe dageraad van massale migratie en extinctie was aangebroken. Misdaad, militaire conflicten en de strijd van allen tegen allen waren de verwachte karakteristieken van de hittetijd van Nora Jane. Strijd om water, strijd om koelte. Steeds grotere aantallen mensen die zich in steeds kleinere gebieden verzamelden waar nog leven mogelijk was, savannedieren rond een verdrogende poel. Vergeefs speurden ze de hemel af naar verkoelende stratocumuluswolken. Iedere generatie ervoer haar eigen tijd in meer of mindere mate als een eindtijd, maar deze tijd was nu al voor tientallen soorten per dag de eindtijd der eindtijden. Het ga je goed, Nora Jane, op dit brandende narrenschip…”. 

 

Vuur: een geschiedenis

De ‘Toorts van Moreni’, die in 1929 ontstond toen een Roemeense olieput ontplofte, wordt vergeleken met de godverschijning tijdens de Bijbelse woestijnreis van het volk Israël, in de vorm van een wolk- en vuurkolom. Het gaat over Prometheus, die de mensheid de gave van het vuur gaf, en Blaise Pascal, die God als vuur ervoer in het ‘Genadejaar 1654’. De stoommachine van Watt, die hij aanvankelijk een vuurmachine noemde, reduceerde de mens in werkplaatsen en fabrieken tot een radertje in een gemechaniseerd arbeidsproces. Het vuur had de mens ‘verdinglicht’. “… Over een zich almaar verdichtend web van wegen verspreiden stoomlocomotieven en stoomschepen mensen, goederen, ideeën en ziektes over de aarde; in de schilderkunst is de schok over de nieuwe tijd zo groot dat het decennia duurt voordat er eindelijk fabrieksschoorstenen op het doek worden afgebeeld – al die tijd klampten kunstenaars zich geschrokken vast aan voorstellingen van het pre-industriële landschap…”. De volgende sprong in de kinetische revolutie, de verbrandingsmotor, brengt ook de hemel binnen bereik. “… Ook al is het vuur nu overal, paradoxaal genoeg verdwijnt het daarmee steeds verder uit de openbare ruimte, zoals ook de fabrieksschoorstenen alweer grotendeels uit het landschap verdwenen zijn. Het vuur raakt opgesloten in veilige ruimtes waar het niet langer gehoord en gezien wordt. Alleen de hoge pluimen uit energiecentrales en het sporadische blauwe vonkje uit de wandcontactdoos herinneren nog aan het vuur dat aan alle dingen ten grondslag ligt…”.

 

Furor Teutonicus

Via de dagboeken van de oude Adema wordt uitgebreid ingegaan op operatie Barbarossa, codenaam voor de grootschalige Duitse invasie in de Sovjet-Unie. Zwart op wit staan de gruwelijke feiten die Adema onmiskenbaar tot oorlogsmisdadiger bestempelen. Een soort Blauwbaard op de steppe. En Hugo is de kleinzoon van… Een soldaat heeft aan het front een gemiddelde overlevingstijd van zes weken (voor nu cirkelen er zelfs extreme berichten rond van een half uur), maar Adema komt er vooralsnog met amper een schrammetje vanaf: Hugo's grootvader wordt enkel in zijn bil geschoten. Uiteindelijk raakt hij echter zo gewond bij een granaatinslag dat hij wordt teruggehaald naar Nederland. Al gauw vragen ze hem als ingenieur om de bouw- en ontginningsprojecten te leiden in de Rijkscommissariaten Ostland en Oekraïne. Omdat hij met iedereen overhoop ligt, wordt hij ontslagen. Hij ziet de ondergang van het Herrenvolk aankomen en meldt zich van de weeromstuit bij een Haagse verzetsgroep. Terwijl hij bunkers voor de vijand bouwt, speelt hij bouwtekeningen en locaties door aan de Geheime Dienst Nederland. Commandant Versteeg is de enige bron die getuigt van Adema’s verzetsdaden. Het gerucht gaat dat Versteeg homo is. Zou zijn grootvader ook…? Hugo herinnert zich ineens de donkere slaapkamer waarin hij steeds het gevoel had dat ‘iets’ naar hem keek, wat hij later identificeerde als het silhouet van zijn grootvader. Na een korte gevangenisperiode vertrekt de oude Adema naar Venezuela om er olieplatforms uit de grond te stampen, waarmee hij fabelachtig rijk wordt. Niemand mag hem. Als hij hoort dat Shell proefboringen naar gas en olie wil verrichten op de Noordzee, keert hij terug naar Wassenaar en wordt aannemer in de offshore.

 

On fire

Hugo neemt zijn intrek in het oude koetshuis op het landgoed van zijn grootouders om hen, na alles wat hij over ze te weten is gekomen, te schilderen (zie de overeenkomst met “Dius” van Stefan Hertmans): “… ik wil graag dicht bij mijn onderwerp zijn, nu het nog kan. Soort voodoo…”. Volgens hem zwaait de magnetometer van het kapitaal dan wel altijd naar – uiterst – rechts (hoe kan het dan dat de Wilders-stemmers in de mainstreammedia steevast worden afgedaan als ‘laagopgeleid’?); hij profiteert er anders maar lustig van mee. Als een feodale landheer knoopt hij een seksuele relatie aan met een verpleegster van zijn grootouders. “… Staand voor zijn doek vloekte hij (evenwel) in zichzelf over het ongeluk geboren te zijn in een nest extreemrechtse eikels…”. Hij observeert zijn demente opa wanneer hij hem stiekem naar de gesproken opnames van zijn dagboeken laat luisteren. ‘Scheisse’ is diens hartgrondige commentaar. Hij schildert zijn grootvader als een nazimummie, gebaseerd op de Sokushinbutsu, zenmonniken die zich levend uitdrogen als een krent. Hij schildert zijn grootmoeder met een grote, groene leguaan op schoot en daarna zo oud als een schildpad, met een grijs kind als een bejaarde pop in haar armen: zijn tante. Een traditionele Madonna met een monsterlijk Jezusje: pas bij Rembrandt werd het Christuskind normaal. ‘You’re on fire, darling’ – juicht zijn agente. Wát een comeback. Ook de beeldende kunst is een opwindingsmachine geworden, draaiend om rankings en veilingrecords.

 

Wie vuur eet, schijt vonken

Terwijl hij zijn eigen waanzinnige tentoonstelling bij elkaar schildert, ontvangt hij een uitnodiging van zijn ex voor haar expositie in het fotomuseum van Amsterdam. Argeloos gaat hij er naartoe en wordt ‘kermend als een hond’ geconfronteerd met bewerkte foto’s van zichzelf, in de meest compromitterende houdingen die je je maar kunt voorstellen, waarmee ze hem als een seksueel roofdier uitlevert aan het publiek. Toxische mannelijkheid - ‘Grab ‘em by the pussy’. “… Foto na foto doodde ze hem, haar antimuze. Komkommer. Augurk. Haha, arme klootzak…”. Zes kleine foto’s samengebracht waarop een hoofdloze naakte mansfiguur te zien is. Hijzelf. Op elk ervan zijn geslachtsdeel overgeschilderd met bizarre structuren die er uit zien als weerhaken, vlijmscherpe dolken, speldenkussens. “… ‘Aedagus’ heette het werk, wat volgens het opschrift ‘insectenpenis’ betekende…”. Daar sta je dan met je anarchistische vrijheidsliefde. Later die avond belt haar manager aan. ‘Rustig cowboy’. “… Jij hebt alles, vergeet dat niet: succes, the life of plenty. Voor jou is dat vanzelfsprekend maar voor haar is het dat nooit geweest. Een geleend leven, zo ziet ze dat nu. Mensen nemen vroeg of laat altijd wraak op afhankelijkheidsrelaties. Het brengt de balans in evenwicht. Hoe pijnlijk ook…”.

 

Uitdoving

Nog één keer vlamt Hugo met een expositie in het Van Beuningen rond zijn 'nazi-heilige', waarop hij natuurlijk door zijn familie wordt uitgekotst. Daarna dooft hij uit, wat ook weer een verhaal apart is.

 

Uitgave: De Bezige Bij -2026, 488 blz., ISBN 978 940 313 945 6, 17,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

dinsdag 25 augustus 2026

Inferno – Arnold Huijgen

 


Subtitel: De ontdekking van de hel

 

De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat, aldus de starets in “De broers Karamazov” van Dostojevski (zie mijn vorige blog). Theoloog Arnold Huijgen, wiens boek over “Maria” ik eerder besprak, schreef een cultuurgeschiedenis over het meest beladen onderwerp uit het christendom: de hel.

 

Mysterie

Eeuwig vuur. Marteling. Demonen: wie aan de hel denkt, krijgt direct allerlei beelden op het netvlies. Eeuwenlang was de hel voor gelovigen een afschrikwekkend visioen van het hiernamaals. Tegenwoordig is dit visioen bij de meeste mensen naar de achtergrond verdwenen. Dat moet anders, zegt Arnold Huijgen: we hebben de hel nodig. Daar zou een dieptepsycholoog als Jung het helemaal mee eens zijn, denk ik. Zie zijn “Herinneringen Dromen Gedachten”, waarin hij stelt dat als wij het ‘huiveringwekkende’ van God opzijzetten, het christendom zal verwateren – en dat is dan ook gebeurd. Godsdienstfilosoof Rudolf Otto muntte in dit verband de uitdrukking ‘mysterium tremendum et fascinans’. Het zoete, lieve en aardige verveelt snel. Zie hoe Gerard Reve in “Moeder en zoon” met verbijstering de katholieke afbeeldingen bekijkt van de kitscherige “… Mariaas zonder tieten, in nachtpon en met kersrood pruilmondje…”. Hij komt tot de conclusie dat het niet anders kan of zoveel bijna godslasterlijke onbenulligheid moet een dekmantel zijn voor iets anders, iets diepers. Een tijd geleden was ik in een gigantische loods vol tweedehandsboeken. Bij de afdeling christelijke theologie vóélde je gewoon de versuffing intreden. Hoe komt dat toch, dacht ik. Welnu, wij leven in tegenstellingen, aldus Jung. Wij kunnen niet buiten die tweeheid. Wij gedijen onder spanning. Het mysterie geeft ons energie. De hel is een sinister raadsel. Huijgen vertelt waar ons beeld van de hel vandaan komt, wat Jezus er werkelijk over zegt en waarom we de hel opnieuw moeten leren omarmen. Is de hel een werkelijkheid, een metafoor of allebei? En wat betekent het dat Christus volgens de geloofsbelijdenis ‘is nedergedaald ter helle’?

 

De hel: prominent aanwezig buiten de kerk

Het gekke is dat anno 2026 de hel prominenter buiten dan binnen de kerk te vinden is. Zie de hitte en de bosbranden van deze zomer. Terwijl geestelijken verlegen zijn met de hel, gaat het in het nieuws onbekommerd over de ‘klimaathel’, de ‘hel’ van oorlogen, aardbevingen en de bio-industrie. De uitbuiting van arbeidsmigranten maakt het leven tot een ‘hel’ en de drugsmaffia verandert landen in ‘de hel op aarde’. “… De hel is de metafoor bij uitstek voor het summum van uitzichtloze ellende. Dat geldt niet alleen voor de buitenwereld, maar ook voor het mentale leven …”. Zie de zanger Stromae en zijn nummer ‘L’enfer’, over zijn eenzaamheid en zelfmoordgedachten. Zie de zangeres Billie Eilish en haar nummer ‘All the Good Girls Go to Hell’: “… De videoclip toont hoe een engel vleugels aangemeten krijgt om vervolgens van de hemel naar de aarde te vliegen. Zij komt in een berg olie terecht, waardoor haar vleugels niet meer functioneren. Als ze zich uit de smurrie weet los te maken, sleept ze de vleugels vol teer achter zich aan. Intussen breekt op de achtergrond een verzengende brand uit. Billie Eilish heeft gezegd dat het nummer verwijst naar klimaatverandering en naar haar frustratie over de mensheid die de planeet verwoest. De Californische heuvels branden vanwege de slechtheid van de mensheid. Proberen het goede te doen heeft geen enkele zin meer; daarom is het geen probleem om je aan geen enkele regel meer te houden. De videoclip eindigt met een grote brand, een inferno.‘There’s nothing left to save now’: er is niets meer over om te redden …”. Zie daarentegen de komische serie ‘The Good Place’, waarin wordt verkend wat hemel en hel eigenlijk zijn. De hoofdpersonen denken dat ze na hun overlijden in de hemel zijn, maar dat wordt hun wijsgemaakt door de demon Michael. De plaats is zo ingericht dat ze elkaars leven tot een hel maken.

 

Plato

De hel bestond al in voorchristelijke tijden. De Griekse filosoof Plato schrijft dat zijn leermeester Socrates onderwees dat mensen die vroom en rechtvaardig hadden geleefd, na hun dood op de ‘eilanden der gelukzaligen’ terechtkwamen. De goddelozen en onrechtvaardigen werden naar de ‘Tartaros’ (onderwereld) gestuurd. De meest onverbeterlijke zondaars zijn tirannen, koningen en machthebbers. Hun straf is eindeloos. Zie Sisyfos: tot in der eeuwigheid moet hij een zwaar rotsblok een steile helling op duwen, dat steeds weer naar beneden dendert. Zie Tantalos: tot zijn kin staat hij in water dat aldoor wegvloeit als hij een slok wil nemen, terwijl boven hem een boom staat waarvan de takken steeds wegwaaien wanneer hij er fruit van wil plukken. Zie Tityos: dagelijks verslinden twee gieren zijn lever; elke nacht groeit het orgaan weer aan. De middelmatige mensen krijgen in de onderwereld evenwel de gelegenheid om zich te reinigen en boete te doen. Zie de overeenkomst met het rooms-katholieke ‘vagevuur’. “… Gewone mensen zijn volgens Plato enkel te motiveren tot gehoorzaamheid en het goede door de gedachte aan beloning of bestraffing in het hiernamaals …”. Zie ook het verhaal over de soldaat Er.

 

Rondzwervende apocalypsen

In de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis doen zogeheten ‘apocalypsen’ de ronde, waarin de helse kwellingen met wel heel lugubere verbeeldingskracht worden beschreven. De “Apocalyps van Petrus” weet te vertellen dat wie God lastert, aan zijn tong wordt opgehangen boven een onuitblusbaar vuur en ook nog met gloeiend ijzer wordt bestraft. Valse getuigen worden de lippen afgesneden; vuur verspreidt zich in hun monden en ingewanden. Vrouwen die mannen verleiden, worden aan hun haren opgehangen boven eeuwige vlammen; mannen die op hun avances zijn ingegaan, aan hun genitaliën. Vrouwen die een abortus hebben ondergaan, komen tot hun nek in de drek te staan. Degenen die de armen negeren, gaan gekleed in vieze lompen. Maar er is wel een mogelijkheid tot bekering na de dood. Ook in de “Apocalyps van Paulus” is er sprake van gruwelijke straffen en verzachting op verzoek. Wanneer de zondaren God aanroepen om erbarmen, krijgen ze voortaan op zondag vrijaf. Volgens de koptische traditie zou ook de tijd tussen Pasen en Pinksteren vrij zijn van helse straffen. Een en ander is eerder in de geest van Plato dan van de Bijbel, die juist erg terughoudend is inzake eeuwige straffen.

 

Augustinus

De grootste kerkvader aller tijden, Augustinus, weet het zeker: de hel is een plaats van altijddurende pijniging. Wie meent dat de hel een ‘doorgangshuis’ is, ondermijnt daarmee de betrouwbaarheid en rechtvaardigheid van God. Over ‘de eeuwige heerlijkheid’ is Augustinus een stuk bescheidener: steeds benadrukt hij dat het menselijk verstand dit mysterie niet kan doorgronden. Ooit was Augustinus lid van de sekte van de manicheeërs, waarin de werkelijkheid werd opgedeeld in het rijk van de duisternis en het rijk van het licht, die eeuwig met elkaar streden. De vraag is of zijn rigoureuze visie geen laat effect is van zijn persoonlijke worsteling met dit manicheïsche dualisme.

 

Dante

Van alle middeleeuwse teksten over de hel (zie bijvoorbeeld “De reis van Brandaan” of de “Belijdenis” van St.Patrick) heeft Dante’s populaire “Commedia” de beeldvorming het meest bepaald. In zijn gedicht beschrijft hij de negen kringen van de hel, elk bewaakt door een mythisch monster, waar zijn gids Vergilius hem doorheen leidt. Vanaf de poort van het paradijs volgt hij Beatrice, zijn overleden muze. “… In Dantes hel komen vuur, duisternis en duivels veel voor. Het regent er vuur, ‘in grote vlokken, als sneeuw in bergland bij geen zuchtje wind’. Er is een rivier van kokend bloed, mensen branden in het vuur, terwijl Lucifer vastgevroren zit in het ijs. De hel is het laagste, de ‘mono basso’, een donkere put. De duivels zijn geen anonieme straffunctionarissen, maar komen tot leven. In canto 22 wordt de strijd tussen de duivels onderling geschetst. Ze dragen fantasierijke namen als Barbariccia (Baardaap), Graffiacane (Spiesma), Rubicante (Roskaak), Libicocco (Slokop), Draghinazzo (Draakgebroed), Farfarello (Fladderbeen), Alichino (Vlerkmans) en Calcabrina (Flitsvoet). Samen zijn zij de ‘Malebranche’ (Kwaaie Klauwaards) in de ‘Malebolge’…”. Zie ook “Brieven uit de hel” van C.S. Lewis.

 

Helletocht

De held die halverwege zijn queeste de onderwereld betreedt, is een mythisch thema. Ilja Leonard Pfeijffer heeft het in een interview in NRC van 19-05-2023 over de term ‘mesohadie’, die hij voor de helletocht uitvond. Zie: “… Odysseus, Aeneas, Dante. Hans Castorp in 'De Toverberg' van Thomas Mann. Alfred Issendorp in 'Nooit meer slapen' van W.F. Hermans. En, kun je zeggen, het personage Ilja Pfeijffer in Grand Hotel Europa’: na een nacht met een minderjarig meisje verdwaalt hij in een donker bos. In zijn streven naar roem en eer zinkt de held naar een dieptepunt, waar zich een wending voordoet en hij de weg naar boven weer vindt …”. Pfeijffer overleefde als legendarische zuipschuit zijn eigen helletocht ook dankzij een vrouw. De hellevaart is een geestelijke reis, een spirituele tocht. In feite is zij ingebed in de levensreis van ieder mens. Zie de eerste regels van de 'Commedia': “… Op ’t midden van ons levenspad gekomen / trof ik mijzelf in ’n donker woud: ik had / de rechte weg geheel uit ’t oog verloren …”. Dante moet de confrontatie aangaan met de diepte om zo de weg omhoog te vinden: “… De weg door de hel functioneert als een boetedoening en inkeer, bedoeld om tot transformatie te komen …”. Zie Jesaja 38:10. “… Wie in de hel afdaalt, daalt daarmee ook in de krochten van zijn eigen ziel af. Spreken over de hel is een exercitie in zelfkennis …”. Zie ook “Spiritualiteit van beneden” van Anselm Grün en Meinrad Dufner. Tot de verschrikkingen van de hel behoort dat er ‘geen Heilig Aanschijn’ te zien valt. “… Door dat gebrek heerst er duisternis en chaos. Voor Dante is Christus allereerst toonbeeld van zuiverheid, ‘de doorbraak van puur goddelijk licht’ …”. Zie het evangelie van Johannes. “… Als de 'Commediagelezen wordt in het licht van de existentiële crisis van ieder mens, is Christus degene wiens levensweg gevolgd wordt naar het licht …”.

 

Poena damni en poena sensus

Huijgen: “… De protestantse traditie nam nadrukkelijk afstand van de gedachte van een vagevuur, maar behield de augustiaanse visie op de hel …”. Huijgen bespreekt de belangrijkste belijdenisgeschriften in de gereformeerde traditie: de “Nederlandse Geloofsbelijdenis”, de “Dordtse Leerregels” en de “Heidelbergse Catechismus”. Daarbij maakt hij onderscheid tussen ‘poena damni’ en ‘poena sensus’. De eerste term wijst op de uitsluiting van het aanschouwen van God, en daarmee op de hel als innerlijke toestand van de mens. De tweede term verwijst naar de daadwerkelijke kwellingen van vuur en martelingen die de verdoemden ondergaan. In de moderne theologie wordt vrijwel uitsluitend uitgegaan van de ‘poena damni’. De eeuwige straf zou draaien om het verlies van Gods aanwezigheid, om het niet-bij-God-zijn, omdat de christelijke traditie de dreiging van pijniging in het hiernamaals onmiskenbaar van Plato heeft overgenomen. God straft niet actief, maar laat de mens aan zichzelf over: het kwaad straft zichzelf. De straf uit zich in existentieel en geestelijk verlies. De leer van eeuwige pijniging stuit dan ook op twee morele bezwaren. Is de eindeloze duur van de straf wel rechtvaardig ten opzichte van de per definitie tijdelijke menselijke overtredingen? En God is toch geen sadist?

 

Het Oude Testament

Wat zegt de Bijbel? Het Oude Testament kent geen straf na de dood. In het hier en nu komt wel vaak een drievoudige straf voor: het zwaard (oorlog), de honger en de pest (ziekte). Vaak vallen de straffen milder uit dan God had aangekondigd. Adam en Eva zouden sterven als ze van de verboden vrucht aten, maar mochten toch blijven leven, zij het buiten de tuin van Eden. God beschermt de moordenaar Kaïn wanneer hij zijn straf te zwaar vindt. Wanneer Jozef door zijn broers als slaaf wordt verkocht, keert God het kwaad ten goede. Na een gesprek met Mozes besluit God, nadat het volk het gouden stierkalf heeft gemaakt, tóch met het volk Israël mee te trekken. Als de profeet Hosea verkondigt dat de maat vol is vanwege de ontrouw van het volk, kan God het evenwel niet over Zijn hart verkrijgen om Zijn uitverkorenen te vernietigen. Ook de inwoners van Nineve worden gespaard.

 

Het Nieuwe Testament

In de gelijkenis van Jezus over ‘de rijke man en de arme Lazarus’ lijkt de lezer wél een inkijkje in de hel te krijgen. Huijgen vergelijkt de parabel met het Egyptische verhaal van Setme en zijn zoonSi-Osiris. De gelijkenis is spannend voor rijke westerlingen. “… Lazarus vormt Gods appel op de rijke. De hel die de rijke na het sterven ervaart, spiegelt de hel die Lazarus zijn leven lang ervaren heeft…”. Zijn armoede brengt hem in de hemel. “… Wie die armoede enkel vergeestelijkt tot een innerlijke houding, haalt uit elkaar wat het Nieuwe Testament bijeenhoudt. De Bijbel is een verontrustend boek voor rijken. De gelijkenis van de rijke en Lazarus leert namelijk: de beste manier om te voorkomen dat je je ogen opendoet in de hel, is je ervoor inzetten dat het leven van anderen niet tot een hel wordt…”. Steeds valt de meedogende aandacht op 'de geringsten'. Matteüs heeft het over de scheiding tussen schapen en bokken (Matt. 25:31-46). De laatsten zijn bestemd voor het ‘eeuwige vuur’, maar wat daar precies mee wordt bedoeld, wordt niet uitgelegd. Uit zijn verhalen blijkt vooral dat je het leven zelf verliest wanneer je uit het blikveld van de Mensenzoon raakt. Bij Paulus en in Openbaring begint het ‘gericht’ met Jezus’ verschijning en openbaring ‘vanuit de hemel’ (2 Tes.1:8). Zijn oordeel gaat kennelijk met ‘vuur’ gepaard (1 Kor. 3:13; Jes. 66:15). Ook bij Paulus vindt een ‘omkering’ plaats: wie nu onderdrukt, zal straks onderdrukt worden, en andersom. De straf van een eeuwige ondergang duidt vooral op het definitieve karakter ervan: er is geen mogelijkheid tot herstel meer. Het heil voor de gelovigen bestaat uit het altijd bij Hem zijn (1 Tes. 4:17). Het onheil bestaat in de ruimtelijke afstand die ontstaat tussen Jezus en de ongelovigen. Wie Jezus afwijst, zal ver bij Hem vandaan terechtkomen: “… Ver weg van Jezus zijn: dat is de hel…”.

 

Hanna Arendt

Filosofe Hannah Arendt (1906-1975) stelt dat de hel bij Plato een politiek doel diende, dat via de Romeinen door de westerse kerk werd overgenomen. Het idee van een afrekening na de dood hield mensen in het gareel. In de moderniteit werden autoriteit, traditie en religie afgeschaft en de dreigende functie van de hel in het hiernamaals geseculariseerd tot fantasierijke vormen van de hel op aarde. Zie de vele vormen van terreur. Zie de concentratiekampen. De rol van de hel is in de westerse geschiedenis alleen maar verschoven.

 

Michel Foucault

Het denken over straf in het hiernamaals lijkt analoog aan het denken over straf in het hier en nu. De Franse filosoof Michel Foucault (1926–1984) laat in zijn boek “Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis” zien hoe vanaf de Franse Revolutie, voorbereid door de Verlichting, de focus op lijfstraffen verschuift naar het psychische. Met de doorbraak van de guillotine werd de doodstraf een schone, mechanische en bijna administratieve handeling. Zonder het uitzicht op een hiernamaals is de dood evenwel de zwaarste straf die er bestaat. De gevangenis geeft de gestrafte via heropvoeding en disciplinering een kans op rehabilitatie. De moderne mens heeft God misschien niet meer nodig om te straffen; in Zijn plaats zijn intussen wel de oordelende blikken van anderen gekomen. Wanneer je buiten de lijntjes kleurt, is de kans niet gering dat je op de nieuwe media wordt gecanceld. Onze tijd wordt gekenmerkt door standaardisatie, normalisatie en surveillance. Om te voldoen aan de hoge eisen van de buitenwereld zijn ‘deugmensen’ constant bezig met zelfverbetering. Dat leidt weer tot verlies aan individualiteit, want het ‘betere zelf’ wordt collectief gedefinieerd, bijvoorbeeld in gestandaardiseerde termen van gezondheid, maar ook als de juiste mening, schoolprestaties, BMI of Cito-score. “… Doorgaande disciplinering leidt tot gestandaardiseerde mensen, waarbij creatieve paradijsvogels niet meer mogen voorkomen…’ (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley). Wie God afschaft, brengt de hel dichterbij. Zie Hannah Arendt.

 

Oliver O’Donovan

Volgens de anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan (geb. 1945) hebben de Bijbelse straffen niet betrekking op een uitwisseling, transactie of betaling (exchange), maar op een passend antwoord op gedaan kwaad. Gods straf is geen wraak en evenmin slechts een middel om toekomstig kwaad te voorkomen; zij is een publieke daad van rechtvaardig oordeel die het gepleegde kwaad serieus neemt.

 

Onsterfelijkheid: gave van God

Er is in de kerkgeschiedenis enorm veel gespeculeerd over het leven na de dood. Het ‘annihilationisme’ is het geloof in de definitieve vernietiging – mogelijk door vuur – van de goddelozen (vandaar het woord ‘nihil’ in de aanduiding). “… De gelovigen ontvangen hun onsterfelijkheid als een gave, de ongelovigen niet …”. In de vroege christelijke geschriften, zoals de ‘Didachè’, wordt gesproken over twee wegen: één van het leven en één van de dood. Wie zich afwendt van het licht, kan alleen zichzelf beschuldigen van het duister waarin hij zich bevindt. “… Annihilationisme kwam op als een loot aan de humanistische stam. Een altijddurende straf zou inhumaan zijn en daarom niet passen bij Gods goedheid …”.

 

De sjeol

In het Oude Testament komen alle doden in het dodenrijk, de sjeol, terecht: “… Bij andere volken in de antieke wereld werd de onderwereld bevolkt door een of meer goden, dus bleef de geest van de dode op de een of andere manier met de godenwereld verbonden. Zo niet onder Israël, dat de ene God belijdt. Hij woont in de hemel …”. Aan de andere kant wijzen enkele teksten erop dat God zelfs in het dodenrijk kan ingrijpen: “ … Niemand die vlucht zal ontsnappen; niemand die ontsnapt zal ontkomen. Al kruipen ze de onderwereld in, Ik breng ze naar boven; al klimmen ze op naar de hemel, Ik haal ze naar beneden …” (Amos 9:1-4). “… Vergelijk Psalm 139:8, waarbij de vraag is of het voor de dichter goed of slecht nieuws is dat JHWH hem overal ziet …”. In het Nieuwe Testament is er sprake van het dal van Hinnom, in het Grieks aangeduid als Gehenna, bij Jeruzalem, waar het laatste oordeel zal plaatsvinden. Het wordt aangeduid als ‘Moorddal’ omdat het verbonden is met de dood vanwege de Molochcultus en de daarbij behorende kinderoffers (Jer. 7:31-32). Vroegjoodse rabbijnen lokaliseerden hier ‘de poorten van Gehenna’, ofwel de ingang tot de onderwereld. De gnostische geschriften leggen eveneens expliciet een verbinding tussen de Olijfberg en Gehenna, evenals de islam, die de hel situeert tussen de Olijfberg en de Tempelberg, Haram al-Sharif. Nieuwtestamentische teksten over de Gehenna wijzen eerder op de dood als straf dan op een straf ná de dood. Zie Mat. 10:28. Veel nieuwtestamentische teksten wijzen op de straf van vernietiging en verloren gaan in een vuur dat niet kan worden uitgeblust, maar niet op eeuwigdurende pijniging. Zie Mat. 3:12 en Mat. 13:30. De straf is de dood. De wormen die ‘blijven knagen’ (Marc. 9:44, 48) zijn de wormen die zich tegoed doen aan de lijken.

 

De grote scheiding

Uit diverse gelijkenissen blijkt dat engelen bij het eindoordeel een scheiding zullen voltrekken tussen ‘kwaadwilligen’ en ‘rechtvaardigen’. De kwaadwilligen kijken ‘jammerend en knarsetandend’ toe hoe de rechtvaardigen het koninkrijk van hun Vader mogen binnengaan, waar zij zullen stralen als de zon (Mat. 13:42). Steeds gaat het over de ‘afwijzing’ en het ‘buiten blijven staan’ van de onrechtvaardigen. Zie bijvoorbeeld de gelijkenis van de wijze en dwaze meisjes. De olie in de lamp wijst volgens Huijgen op de ‘gehoorzaamheid’, en wel aan de Bergrede - die gehoorzaamheid is niet overdraagbaar. Zie ook de gelijkenis van de koninklijke bruiloft: de man zonder ‘bruiloftskleed’ wordt uit de feestzaal gegooid. Denk ten slotte aan Petrus, die na zijn verraad ‘bitterlijk huilde’, maar later toch weer wordt aangenomen.

 

Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch

Het ‘annihilationisme’ gelooft in ‘de totale vernietiging’ van zondaren in het hiernamaals. De hel betekent: dood is dood. Maar in de filosofisch sterk onderbouwde tv-serie ‘The Good Place’ is de hemel ook niet alles, want onnoemelijk saai: “… eindeloze perfectie levert eindeloze verveling op…”. Eveneens is het op aarde niet altijd even leuk. Wat als ‘het grote niets’ al in dit leven begint? Denk aan het apocalyptische schrikbeeld van klimaatverandering of, vanwege de oorlogen, aan een wereldomvattende nucleaire ramp. Dreigende catastrofes duiden erop dat de mens God niet nodig heeft om vernietigd te worden; we kunnen dat heel goed zelf. “… Paradoxaal genoeg roept de ultieme catastrofe de neiging op er spektakel van te maken om deze op afstand te plaatsen…”. Zie de films 'Don't Look Up' (2021) en Lars von Triers ‘Melancholia’ (2011). De apocalyps is allang gaande. Filosoof Walter Benjamin: “… juist het feit dat alles zo doorgaat maakt de catastrofe. Het is geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar juist een continuering van de status quo…”. De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen. Sterker nog, de geschiedenis is een aaneenschakeling van catastrofes. Elk menselijk bestaan is in feite post-apocalyptisch. “… De fossiele brandstoffen die massaal worden opgepompt en verbrand, zijn getuigen van eerdere catastrofes die de aarde troffen. De stichting van de staat Israël in 1948 kwam mede tot stand vanwege de gruwelijke moord op de Joden in de Shoah. Veel Palestijnen duiden die stichting aan als de Nakba, de ramp…”. Even verder: “… In het verleden zorgden enorme vulkaanuitbarstingen voor misoogsten en zorgde de ‘kleine ijstijd’ voor lagere productie. Bovendien leven we na de enorme ontbossing van het Amazonegebied en daarvoor van Europa. Mensen zijn bij uitstek in staat rampen te accepteren en zelfs als kansen te zien: nu Siberië heel andere temperaturen kent, wordt de grond misschien wel geschikt voor landbouw…”. Vernietiging is de standaardoptie in dit leven, aldus Huigen. Redding is door de vernietiging heen komen, aan het verderf ontheven worden. Zie het evangelie van Johannes. “… Daarin zijn oordeel en verderf geen toekomstige, maar huidige realiteiten: wie niet gelooft, is reeds veroordeeld (Joh. 3:18)…”. Wanneer God mensen aan zichzelf overlaat, storten ze zich uit zichzelf in het verderf. Verloren-zijn is onze huidige staat, geen toekomstige toestand. “… Verloren is niet wie later veroordeeld wordt, maar wie nu niet gelooft…”.

 

Tommy Wieringa

De wereld zal volgens Petrus vergaan door vuur. Uitgebreid analyseert Huijgen het thema ‘vuur’ in “Nirwana” van Tommy Wieringa, een roman over ‘hittestress’. Vuur is ‘een goede knecht, maar een slechte meester’. Het omvat zowel de kachel als Armageddon. Kunstenaars zijn vol vuur, mensen hebben vurig lief en de economische vuren mogen nooit doven. Het fascisme wordt beschreven als een onuitblusbaar vuur. Begeerte is een vuur dat niet te controleren valt. Met vuur vernietigen we alles wat we ons toe-eigenen, volgens de filosoof Giorgio Agamben. De ergste vorm daarvan is wanneer mensen zichzelf andere mensen toe-eigenen en hen zo ‘ontmenselijken’. “… Enerzijds moet het vuur blijven branden, anderzijds moet het worden getemd – en uiteindelijk dooft het uit…”, aldus Wieringa. Een personage raakt gefascineerd door de ‘Sokunshinbutsu’, de ‘levende boeddha’s’: oosterse monniken die tijdens een extreem proces van meditatie hun lichaam uitdroogden als een krent, tot de dood erop volgde. Wieringa toont de hel als een soort zelfontbranding van de mens.

 

Friedrich Nietzsche

Nietzsche zag het nihilisme als een onvermijdelijke dreiging aankomen rollen. Het gaat om een nieuwe fase in de Europese cultuur, na de afrekening met de christelijke moraal en met God, waarin de mens er alleen voorstaat in een volstrekt zinloze wereld, waarvoor geen alternatief bestaat. Het menselijke verlangen naar een andere wereld verdwijnt daarentegen niet. De enige drijvende kracht is volgens Nietzsche ‘de wil tot macht’, ook wanneer deze verpakt wordt als (christelijke) moraal. Er zal onvermijdelijk een strijd ontstaan tussen verschillende motieven, want er bestaat geen gedeeld ‘goed en kwaad’ meer. Wat goed en fout is, wordt een kwestie van opinie. De grootste schreeuwerd wint. De plaats van God is leeg, dus zal de mens die plaats innemen (zie “Het lege ik” van Jeffrey Satinover). Alles wat eerder tegen God in stelling werd gebracht, zal tegen de mens worden aangewend. De afschaffing van God leidt uiteindelijk tot de afschaffing van de mens. Nietzsches nihilisme betekent de hel op aarde. Huijgen: “… Wie het christelijke spreken over de hel gruwelijk vindt, moet onder ogen zien dat het nihilisme in alle opzichten net zo erg is…” Even verder: “… Het is veelzeggend dat hel en het toekomstig verderf in de paulinische brieven een marginale plek hebben en in het evangelie van Johannes zelfs geen enkele. Het verderf is de huidige realiteit van ellende en zonde waarin mensen zichzelf hebben vastgedraaid en waaruit Gods ingrijpen in Christus redt…”.

 

Vagevuur en universalisme

Huijgen bespreekt vervolgens diepgaand de geschiedenis van het vagevuur en het universalisme: de gedachte dat alle mensen uiteindelijk gered worden (zie bijvoorbeeld Rom. 5:18). “… De Reformatie werd geboren uit verzet tegen het vagevuur, specifiek tegen de zogenaamde aflaten, de mogelijkheid om door gebeden en financiële bijdragen de tijd in het vagevuur voor geliefden te bekorten …”. Hij concludeert dat de gedachte aan een ‘reinigingsvuur’ in een tussentijd na de dood vreemd is aan het Nieuwe Testament. “… Reiniging en zuiverheid zijn wel belangrijke thema’s in de Schriften, maar in het leven hier en nu, niet in een tussentoestand hiernamaals …”. Ook het universalisme kan zich niet overtuigend op het geheel van het Nieuwe Testament beroepen. Alle drie de visies op de hel — de traditionele leer, het annihilationisme en het universalisme — kunnen met Bijbelteksten worden onderbouwd, zowel pro als contra. Wat weten wij, kleine mensen, nu helemaal? - dacht ik. Voor een leek als ik is het vooral verbijsterend hoe theologen in de loop der eeuwen de leer van de hel tot in het minutieuze hebben uitgeplozen en afgekloven. Ik begon me werkelijk af te vragen wat we eigenlijk opschieten met zoveel uitputtende muggenzifterij. Misschien is het commentaar van H. Berkhof nog wel het meest aansprekend: “… In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn …”

 

‘Nederdaling ter helle’ in de kunst

Alle bla-bla verstomt gelukkig in de kunst die Huijgen erbij betrekt. Prachtig is zijn uitleg over de paasicoon van de Sienese schilder Duccio di Buoninsegna, de zogenaamde ‘Maestà’, het dubbelzijdige altaarstuk dat hij tussen 1308 en 1311 schilderde voor het hoofdaltaar van de Duomo van Siena (zie de omslag van het boek). Afgebeeld is Christus’ ‘nederdaling ter helle’. Huijgen vergelijkt dit altaarstuk met de moderne installatie ‘Descent into Limbo’ van Anish Kapoor uit 1992: de hel als een peilloos diep gat, dat een oneindige val suggereert in de pure leegte, het absolute nulpunt, of mogelijk zelfs een poort naar een andere dimensie.

 

Michel Houellebecq

Voor Huijgen is de hel allereerst de ervaring van eenzaamheid en godverlatenheid, als de hel van het niets en de dood. Dát is de hel waarvan Christus bevrijdt: “… Zonde maakt de mens eenzaam: deze begint namelijk bij de mens die als God wil zijn en daarom Gods God-zijn niet kan verdragen. Daardoor vervreemdt de mens niet alleen God van zich, maar ook andere mensen, die immers concurrenten zijn voor de vacant geachte positie van God. De zondige mens is, zo stelt Luther, ‘incurvatus in se’: ‘in zichzelf gekromd’, egoïstisch en eenzaam…”. Nog erger is het als je zelfs voor jezelf niets meer betekent – zie de moderne literatuur na WO II. “… Het typisch moderne accent op eenzaamheid en op het niets wordt scherp verwoord door de Franse literator Michel Houellebecq…”. Zijn laatste boek, “Anéantir”, lijkt wat slap na zijn heftige oeuvre, maar misschien is het uitdoven ernstiger dan het opvlammen. De hoofdpersoon wordt opgevreten door kanker. “… Hoe dan ook gaat het bijbels en theologisch om veel meer dan alleen een ‘hiernamaals’…”.

 

Leven en dood

Volgens de Bijbel is Jezus ‘de opstanding in persoon’. Jezus is ‘het leven zelf’. Jezus geeft het ‘eeuwige leven’. Dit leven ‘heeft’ ieder die gelooft. Opstanding betekent niet dat mensen uit de wereld worden weggeroepen, want die wereld is van God, maar dat mensen worden bevrijd ‘uit de vervreemding van God’. De dood is de ultieme vervreemding: “… Gods tegenstander, de duivel, knijpt mensen het leven af door hen in bezit te nemen, te isoleren van de gemeenschap en zich onmenselijk te laten gedragen. Jezus bevrijdt van deze bezetenheid door mensen hun waardigheid en hun sociale context terug te geven…”. Even verder: “… De hel is de vernietiging waar de macht van de dood toe leidt, het gebrek aan leven dat zich nu al aandient, bijvoorbeeld in de vorm van wat de christelijke traditie ‘acedia’ noemt: de zonde van de traagheid. Daarmee wordt een gevoel van onlust aangeduid, ennui, verlies van zin, aandacht en liefde, een compleet gebrek aan vreugde. Zoals geloof in Jezus Christus nu vreugde geeft in Hem, als voorsmaak van de volle vreugde die komt, zo smaakt acedia naar de hel: zelfs wat je voorheen vreugde gaf, wordt dof. Alles raakt uitgedoofd en uitgeblust in een alomvattende lethargie. Als geestestoestand manifesteert de hel zich nu al in de vorm van deze onlust…”. Huijgen: “… De mogelijkheid van ondergaan in het niets is huiveringwekkend. Intussen is deze gedachte niet aan het christelijk geloof voorbehouden. Ze komt ook voor in nihilistische manieren van denken die in westerse culturen voorkomen: uiteindelijk heeft het leven geen andere zin dan de zin die mensen eraan geven, maar daaronder en daarachter dreigt het grote niets…”. De hel is dan ook niet het tegendeel van de hemel, maar van het paradijs. In de middeleeuwen lag de gelukzaligheid in het zien van God. “… Wie denkt dat hij beter af is zonder God, staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het definitieve verlies van het zien van God…”.

 

C.S. Lewis

Huijgen bespreekt de scherpe en geestige allegorie “De grote scheiding” van C.S. Lewis. Zelf heeft de laatste het over ‘een theologische fantasie’. Ook bij Lewis is de hel een ‘state of mind’. Een engel biedt een schim aan om de rode hagedis, die als symbool van het kwaad op zijn schouder zit, te doden. Hij moet wel ‘ja’ zeggen. Zie ook de Amerikaanse theoloog William MacDonald die stelt "... dat er uiteindelijk slechts twee soorten mensen bestaan: ‘zij die tot God zeggen: “Uw wil geschiede”, én zij tot wie God uiteindelijk zegt: “Uw wil geschiede”. God geeft de mens vrijheid…”. Ieder mens krijgt wat hij of zij wil. De mens kiest zelf voor de hel. Huijgen vindt dat veel te kort door de bocht: het maakt de mens zelf tot een soort god. De mens overziet zijn leven en zijn toekomst immers niet.

 

Licht in de duisternis

Degene die je door en uit de hel redt, is Jezus Christus: “… De hel blijkt het negatieve te zijn van de realiteit die Christus presenteert. Christus is de weg, de waarheid en het leven; de hel is de dwaalweg, de leugen en de dood…”. Hij is ‘het licht in de duisternis’ – zie Joh. 8:12. “… Dat Jezus het licht voor de wereld is, sluit aan bij wat Genesis 1 zegt over Gods roepen van het licht als begin van zijn scheppingsactiviteit…”. Zie ook het verhaal over de genezing van de blinde, waarbij zowel de ogen van zijn lichaam als die van zijn hart worden geopend (Joh. 9:5). De schellen vallen hem van de ogen. Je kunt simpel de verbinding met Christus zoeken door middel van gebed. Wie het licht volgt, loopt nooit meer in duisternis (Joh. 8:12). In de Bijbel staat ‘waarheid’ tegenover ‘leugen’. “… De hel betekent overgelaten zijn aan de leugens van deze wereld…”. Aan verhalen die als zeepbellen uit elkaar spatten: de pot goud aan het eind van de regenboog. Als waarheid niet bestaat, kan wit ook zwart zijn en goed ook fout, verschillend van moment tot moment. Er is namelijk geen vast punt waaraan de werkelijkheid refereert.

 

The Waste Land

Als laatste bespreekt Huijgen het gedicht “The Waste Land” (Het barre land) van T.S. Eliot – een symbool van de hedendaagse hel. Het schildert Londen als een moderne hellestad. “… De Theems geeft Londen niet langer leven, maar is de hellerivier waarop afval drijft. Een zielloze mensenmassa stroomt als zombies over London Bridge, op weg naar hun kantoorbanen die geregeerd worden door de klok. Het is koud en mistig. Alle kleur is uit de stad gezogen, behalve een viezig bruin…”. Apathische mensen worden overladen met data, gestuurd door techniek en verliezen de lust tot leven. De eindeloze stroom aan lege informatie maakt dat de onzinradar tot vermoeiends toe geactiveerd is. Tegen deze barre achtergrond verhaalt het gedicht van een zoektocht naar vruchtbaarheid en nieuw leven, naar geestelijk water in een desolaat berglandschap van rotsen en zand. “… De hoofdpersoon gaat uiteindelijk de confrontatie met de dood zelf aan bij een verlaten kapel zonder ramen, die de vervallen staat van het christendom verbeeldt…”. Waar het eerst windstil was, begint zomaar ineens de deur van de kapel te klapperen.  “… Het christelijk geloof is geen kalmerend of juist stimulerend middel, maar een manier van hopen om het in een hopeloze wereld uit te houden…”.

 

Uitgave: Kok Boekencentrum – 2026, 384 blz., ISBN 978 904 354 341 5, € 32,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier