Menu

woensdag 4 november 2026

De gang naar Canossa – Tom Holland

 


Subtitel: De westerse revolutie rond het jaar 1000

 

Zelden heb ik zo’n ‘mind-blowing’ boek gelezen als “Anno Domini 1000 – Anno Domini 2000. De duizend jaren bij de gratie van de dode god” (1977) van de hervormde theoloog, predikant en cultuurfilosoof Frank de Graaff (1918–1993). Het boek is opgehangen aan het leven van de Rooms-Duitse keizer Otto III (980–1002). Wat was dat voor een ‘vreemde vogel’? Eerder heb ik al uitgebreid over hem geschreven naar aanleiding van mijn blog over “Otto III, de verduisteraar van de middeleeuwen” van Marco van Burken. Ineens kwam “De gang naar Canossa” (2008) op mijn pad, waarin Otto III eveneens opduikt. Bij F. de Graaff kun je zo je vraagtekens plaatsen, en bij Marco van Burken al helemaal. Maar de Britse historicus en radio- en televisiepresentator Tom Holland (1968) is toch echt wel een serieuze schrijver. Eerder besprak ik van hem "Heerschappij. Hoe het christendom het Westen vormde".

 

Untergang des Abenslandes

Heel in het kort komt mijn fascinatie voor Otto III hierop neer: F. de Graaff stelde dat de jonge keizer zichzelf rond het jaar 1000 heeft opgeofferd om het goddelijke oordeel over de westerse cultuur te voorkomen. Dit heeft een geweldige cesuur in onze geschiedenis betekend. Iedereen was er namelijk van overtuigd dat het Avondland ten onder zou gaan. Uit pure opluchting en vreugde ontstond de Renaissance. Het ging echter slechts om een uitstel van duizend jaar. Daarom verwachtte F. de Graaff dat er omstreeks het jaar 2000 een nog grotere crisis in (West-)Europa zou ontstaan. In 1969 constateerde hij al een proces van neergang: van christendom naar secularisatie. Als ze F. de Graaff al niet voor gek verklaarden, dan vonden theologen en predikanten hem op zijn minst een cultuurpessimist. Toch zat zijn kerk op zondag bomvol, heb ik mij laten vertellen, en dan ook nog eens met mensen uit alle lagen van de samenleving: van hippies tot refo's. Heeft hij niet heel erg gelijk gehad? Leven we niet opnieuw in apocalyptische tijden? Staan we voor een nieuwe cesuur?

 

Is er vernieuwing mogelijk?

Gisteren zag ik een YouTubevideo waarin een Britse en een Amerikaanse literator met elkaar in gesprek gingen over het feit dat zelfs de literatuur heden ten dage ‘absoluut dood’ lijkt, net zoals de neergang ook merkbaar is in de muziek en op televisie. Onze cultuur is geëindigd in ‘ultracommercieel, ultraslap gedoe’. Wanneer je geen ‘wokie’ bent, tel je artistiek niet mee. We zijn niet meer bij machte om de binaire links-rechtstegenstelling te overstijgen. Het lijkt erop dat het ‘wanhopige’ Westen ‘uitgeput’ is en ‘de moed op elk creatief vakgebied heeft opgegeven’, alsof we ‘in de eindtijd leven’. ‘Iedereen lijkt het gevoel te hebben dat alles voorbij is.’ Is er nog ‘vernieuwing’ mogelijk?

 

Zwarte magie

F. de Graaff beschrijft hoe paus Silvester II, de leermeester van Otto III, de moderne wetenschap, waarmee hij in de islamitische wereld in aanraking was gekomen, omstreeks het jaar 1000 in het Westen introduceerde. Hij bracht de Arabische cijfers mee, hoewel hij het gebruik van de nul lange tijd heeft tegengehouden. Op zijn sterfbed bestempelde hij de nieuwe mathematische zienswijze echter als ‘zwarte magie’. En moet je nu eens zien: onze digitale wereld bestaat in de basis volledig uit enen en nullen. Het mogelijke doemscenario waarin AI ons binnen tien jaar zal uitroeien, wordt tegenwoordig gewoon in het nieuws besproken. De visie van F. de Graaff komt bovendien sterk overeen met de ideeën van psychiater Iain McGilchrist. De laatste waarschuwt voor een eenzijdige overontwikkeling van ons gefragmenteerde, op de linkerhersenhelft gebaseerde denken, ten koste van ons holistische rechterhersenhelftdenken. Zie ook mijn bespreking van “De meester en zijn afgezant”. F. de Graaff wijst eveneens op het feit dat wij vanaf het jaar 1000 op een andere, voorstellende, theoretische, abstracte, rationele manier naar de ontgoddelijkte schepping zijn gaan kijken, waardoor onze spirituele vermogens langzaam uitdoven. Zie de huidige zingevingscrisis. Sommige denkers wijzen op de parallellen tussen onze tijd en de periode voorafgaand aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog. F. de Graaff gaat echter nog veel verder terug in de geschiedenis om de wereld van vandaag te begrijpen.

 

Scheiding tussen kerk en staat

Tom Holland, wel getypeerd als ‘de Engelse Geert Mak’, doet dat ook. Alleen situeert hij de eerste westerse cesuur niet rond het jaar 1000, maar in de ijskoude winter van 1077, toen de middeleeuwse koning van het Heilige Roomse Rijk, Hendrik IV, te voet een pelgrimage door de Alpen maakte naar de burcht van Canossa (Noord-Italië), om zich daar met de aanwezige paus te verzoenen. Paus Gregorius VII had de koning namelijk geëxcommuniceerd, omdat de vorst lak had aan alle pauselijke decreten. Dat betekende dat de koning geen sacramenten meer mocht ontvangen, waardoor hij de hemel na zijn dood wel kon vergeten. Bovendien verklaarde de paus ook de eed van trouw die alle Duitse edellieden aan Hendrik hadden gezworen, nietig. De eerste tekenen van zijn tanende populariteit waren al zichtbaar. Pas na drie dagen werden de poorten geopend voor de koning, die in een boetekleed en op blote voeten stond te wachten op een pauselijke audiëntie, smekend om vergiffenis. Het was het hoogtepunt van de zogeheten Investituurstrijd. 'Investituur' betekent het aanstellen in een ambt. De kern van het conflict was dat de koning/keizer zelf bisschoppen wilde benoemen (lekeninvestituur), omdat zij vaak grote stukken land en wereldlijke macht bestuurden. De paus wilde dit recht voor de kerk behouden om de geestelijkheid los te maken van wereldlijke invloed. “De gang naar Canossa” is een verhaal over keizers en pausen die eindeloos met elkaar overhoopliggen om de macht, in een samenleving die tot geweld is vervallen. Tijdens het lezen moest ik herhaaldelijk denken aan de rare kattendoder in “Kafka op het strand” van Haruki Murakami, die op een gegeven moment een schietgebaar naar Nakata maakt, ‘Pang’ roept en zegt dat dat, ‘heel beknopt, de geschiedenis der mensheid is’. Hoe waar is dat. Homo homini lupus. Het is vreten of gevreten worden. Uiteindelijk leidde een en ander tot de beroemde scheiding tussen kerk en staat. Volgens Tom Holland is het hele idee van een seculiere samenleving, met haar Verlichting, het homohuwelijk en wat niet al, daarom uiteindelijk te danken aan het pausdom.

 

Chrisma

Tom Holland beschrijft hoe het christendom zich ontwikkelde nadat het einde van de wereld, waarop de eerste generatie gelovigen tevergeefs had gewacht (‘Zie, Ik kom spoedig’), uitbleef. Het gaat van het uitgebreide christenrijk onder keizer Constantijn naar de verbrokkeling en verpulvering ervan door allerlei heidense invallen, totdat keizer Karel de Grote weer een ‘correctio’ tot stand bracht. Vroeger werden rivieren en bomen als heilig vereerd, konden leken visioenen krijgen, lazen profeten de toekomst in koeienmest en zetten rouwenden offerandes van eten en drinken bij graftomben. Maar de clerus was er steeds beter in geslaagd het terrein van het bovennatuurlijke voor zichzelf op te eisen. Rond de achtste eeuw achtten gewone gelovigen zich nauwelijks nog in staat om met het onzichtbare in contact te treden. De geestelijkheid patrouilleerde langs de toegangsweg naar het dodenrijk, waar engelen of duivelen, hemel of hel de ziel wachtten. De leken vertrouwden die laatste, zo gevreesde reis enkel toe aan de priesters, die door het opdragen van de heilige mis de zielen in de andere wereld konden bijstaan. Zelfs de nederigste priester deelde in de magie van de door heilige wijolie – chrisma – gezalfde bisschop, die hem immers de handen had opgelegd. “… Het bezat zulke bijzondere krachten dat het maar op een zee uitgegoten hoefde te worden of de diepten werden gezuiverd van demonen, of op een akker en de grond werd met vruchtbaarheid gezegend. Ook op het vlees en bloed miste het zijn uitwerking niet, want als het door de huid het lichaam van een mens binnendrong, trok het diep door tot in de ziel en werd de gezalfde doordrongen van een mysterieuze, bovennatuurlijke kracht…”. Net als zijn vader Pepijn, die ervoor koos te regeren bij de gratie Gods, was ook Karel de Grote met de vreeswekkende kracht van het chrisma gezalfd. “… De Franken mochten dan inmiddels christelijker zijn, hun traditionele opvatting dat koningen geen gewone stervelingen waren, speelde nog altijd mee…”.

 

Wat is dat toch met dat haar?

Interessant is dat Pepijn in 751 een coup pleegde tegen de onfortuinlijke koning der Franken, Childerik III, die beweerde van een zeemonster af te stammen. En wel met de kappersschaar. “… De Franken geloofden van oudsher dat de koning een mysterieuze band met het bovennatuurlijke bezat, die mannen de zege op het slagveld, vrouwen vruchtbaarheid en de akkers een rijke oogst kon opleveren: een magische kracht die afhing van ’s konings weelderige haardos…”. Pepijn liet Childerik en diens zoon opsluiten in een klooster, nadat hij eerst de luisterrijke lokken van de koning had laten afknippen. Wat is dat toch met dat haar? Denk aan het Bijbelverhaal van Simson en Delila. Of aan het voorschrift binnen de fundamentalistische islam dat vrouwen hun haar moeten bedekken.

 

De paus, en niemand anders

Tijdens de mis op eerste kerstdag A.D. 800 zette de paus, en niemand anders, onverhoeds (of was het toch in scène gezet?) de keizerlijke kroon op het Frankische hoofd van Karel de Grote. Toch had Karel de bisschop van Rome onomwonden laten weten hoe hij de onderlinge taakverdeling zag. Zijn eigen rol was de kerk tegen heidenen en ketters te verdedigen en de ganse christenwereld vooruit te helpen. De rol van de paus: bidden en laten bidden voor Karels succes. Even leek de droom over een hersteld Romeins Rijk te herleven. Honderd jaar later stond het alweer op instorten: het rijk werd als een lappendeken verdeeld tussen zijn nazaten, die heersten als machteloze schimmen, omdat de trouw aan het huis van Karel de Grote nog maar flauwtjes werd beleden. Met andere woorden: de adel ging zijn eigen gang. De hoge heren maakten van het Westen een grabbelton vol chaos en geweld. En aan de grenzen kwamen de heidense Wenden en Hongaren uit hun duistere wouden tevoorschijn, gesierd met afgodsbeelden en dierenhoorns, om te plunderen en te brandschatten. De geschiedenis werd een nachtmerrie waaruit men maar niet kon ontwaken. Naderde met het jaar duizend het wereldeinde? Stond de antichrist voor de deur? Zag men aan de hemel niet allerlei vreemde tekens: sterren en kometen (zie de UFO-mania van nu)?

 

Heilige lans

De Almachtige begunstigde de Saksen, uit wier midden Hendrik de Vogelaar voortkwam. Via landruil wist hij een ‘oneindig kostbare’ schat te bemachtigen: een speer met vreeswekkende macht, die ooit Constantijn aan zijn wereldrijk had geholpen. Op de punt van de speer zaten kruisen, gemaakt van de spijkers waarmee ooit de handen en voeten van Jezus waren doorboord en die daarmee ‘het rijk van het sterfelijke met het hemelse hadden verbonden’. “… De Saksen, wier voorvaderen zich in hun primitieve bijgeloof Wodan hadden voorgesteld als heerser over de wereld, gewapend met een speer, konden zich nu vergapen aan een authentiek wereldschokkend relikwie …”. Het maakte Hendrik onoverwinnelijk.

 

De Ottonen

Na zijn dood volgde zijn zoon Otto de Grote hem op, waarbij de traditionele opvatting van het koningschap als iets uniek verhevens, ja, zelfs heiligs, in ere werd hersteld. De krijgerkoning en de heilige lans, zijn in het bloed van Christus geheiligde talisman, vormden samen een niet te kloppen duo. In 962 kwam hij aan in Rome en liet zich door de verdorven Johannes XII tot keizer kronen. Vervolgens klaagde hij de paus subiet aan, zette hem af en verving hem door iemand die zich beter naar zijn wensen voegde. De heilige tienervader had het er dan ook wel naar gemaakt. “… Het gerucht ging dat hij een hele vleugel van het Lateraan tot bordeel had omgebouwd, dat hij de priesters wijdde in de stallen (als hij ze tenminste niet aan het ontmannen of blindsteken was) en dat hij in beschonken staat een dronk placht uit te brengen op Satan…”. Otto's woeste zoon Otto II werd aan de verfijnde Byzantijnse prinses Theophanu gekoppeld, wat de westerse en oosterse christenheid met elkaar verbond, hoewel sommige zuurpruimen fluisterden dat ze niet de dochter, maar het nichtje van de Byzantijnse keizer Johannes Tzimiskes was.

 

Huis van Oorlog

Otto II trok op tegen de plunderende en brandstichtende Saraceense zeerovers, die het in 846 zelfs gewaagd hadden de Tiber op te varen om de Sint-Pieter te ontwijden. Men zei dat er onmiddellijk bloed uit een wond van een Christusicoon was gestroomd toen er een speer naar werd geworpen, “… maar de piraten hadden slechts gesnoefd dat ze de God van de christenen hadden laten bloeden…”. Hun ‘Mahomet’ (Mohammed) werd als een heuse ‘voorganger van de antichrist’ gezien. Hele stroken van het Italiaanse platteland hadden de Saracenen tot op het bot kaalgevreten. De bewoners werden onder het mom van de ‘jihad’ bij duizenden tot slaaf gemaakt en naar de slavenmarkten in Afrika getransporteerd. De omvang van de islamitische slavenhandel was gigantisch. Weliswaar werden de slaven op den duur weer vrijgelaten als ze zich tot de islam bekeerden. “… Rechtsgeleerden in het kalifaat konden de wereld buiten hun grenzen met reden een ‘Huis van Oorlog’ noemen…’”. Allah beloonde blijkbaar met mensenvee.

 

Duizend-en-een-nacht

De Byzantijnen vonden de Ottoonse boerenpummels, die uit de modderige en stenige wouden kwamen zetten, maar primitieve wezens. Wilde beesten. In Constantinopel kwam een waarheid boven tafel die even verwarrend als aanstootgevend was: hun eeuwige tegenstrevers, de Saracenen, waren in feite ook hun spiegelbeeld. Hun elegante vorstenhoven weerspiegelden de allure, pracht en beschaving van het Romeinse Byzantium. “… Hoven met sieraden, edelstenen en zijdezachte weelde, immense, krioelende steden, badhuizen en spuitende fonteinen, ambtenarenapparaten, permanent parate legers: de Saracenen hadden het allemaal…”. Ze beschikten over een verbijsterend uitgestrekt en florerend grondgebied. “… Er zijn twee rijken,’ had een patriarch van Constantinopel vroeg in de tiende eeuw geschreven (aan de kalief van Bagdad), ‘dat van de Saracenen en dat van de Romeinen, die samen over alle macht in deze wereld beschikken en als een tweelingpaar van toortsen stralen aan het hemelse firmament…”. Het wemelde er echter net zo goed van de ruziënde emirs die elkaar de macht betwistten. De diplomaten in Constantinopel volgden de ontwikkelingen gretig en hadden het tegen elkaar opzetten van hun tegenstanders tot een ware kunst verheven. Enfin, Otto werd zelf in de pan gehakt en strompelde, ternauwernood gered door een passerende Jood – waarin F. de Graaff een diepere godsbeschikking zag – met zijn gehavende leger weer terug naar Rome (het Westen werd ‘gezegend’ door de Joden: zie de Gouden Eeuw).

 

Het genie van Gerbert van Reims

Vervolgens vertelt Tom Holland over de boerenzoon Gerbert van Reims uit de christelijke mythe van F. de Graaff, die zich in een Spaans klooster zulke exotische takken van wetenschap eigen maakte dat latere generaties hem als een magiër zouden betitelen – wat hij natuurlijk niet was. Zijn genie trok de aandacht van koningen en keizers. Hij onderwees in Rome de jonge Otto II. In een formeel debat veegde hij de vloer aan met het hoofd van de domschool in Maagdenburg. Hij schreef alle vorsten en bisschoppen van het rijk aan met het verzoek het driejarige zoontje van Otto II na diens dood als wettige koning te erkennen: een campagne met uitzonderlijk succes – de rivaal van Otto III had het nakijken. Zijn moeder Theophanu bleek als regentes verbluffend effectief. Als wis- en geschiedkundige en astronoom was Gerbert zich ten volle bewust van de naderende datum: het jaar 1000. “… In 991 had hij al de opzienbarende uitspraak gedaan: “Blijkbaar is de antichrist nabij”…”. Ook wist hij “… dat er als voorteken van het einde der tijden een grote omwenteling in de zaken van het Roomse Rijk zou plaatsvinden. En nu was er, vier jaar voor de duizendste verjaardag van Christus’ geboorte, een vorst naar Rome gereisd, een keizerszoon met in zijn aderen het bloed van zowel het westen als het oosten, die tweelinghelften van het oude rijk dat al zo lang verdeeld was, tot oneer van alle christenen op aarde en tot voordeel van de vijand…”.

 

Een innerlijk verscheurde keizer

Tom Holland noemt de vijftienjarige ‘diep-ernstige’ Otto III ‘voorlijk’ en ‘visionair’. Met ongekende brutaliteit drong Otto Rome een nieuwe paus op: zijn neef Bruno. “… Op 21 mei, Hemelvaartsdag, werd Otto in de Sint-Pieter formeel gekroond, ‘toegejuichd door heel Europa’. Nadat hij door zijn neef was gezalfd, kreeg hij van hem een zwaard in handen. Aan de vinger van de nieuwe keizer werd een ring geschoven als symbool van de eenheid met het christelijke volk. Om zijn schouders hing een mantel met daarop, ‘afgezet met goud’, taferelen uit het Bijbelboek Openbaring, Johannes’ visioen van het wereldeinde…”. Met het mes op de keel had Otto geprobeerd de Wenden te winnen voor de christelijke Vredevorst. Volgens Tom Holland had hij het daar vreselijk moeilijk mee: “… Terwijl hij de christelijke wereld en de buitengebieden probeerde te kneden naar Gods wil, kon hij niet vergeten wat Jezus zelf zijn volgelingen had geleerd: heb uw vijanden lief, keer de andere wang toe, berg uw zwaard in de schede. Otto was even doordrongen van zijn zedelijke tekortkomingen als van zijn goddelijke waardigheid als keizer en bleef altijd onder de spanning van die tegenstelling lijden. ‘Naar buiten toe toonde hij een opgewekt gezicht, maar vanbinnen ging zijn geweten gebukt onder de last van talloze vergrijpen, waarvan hij zich in de stilte van de nacht voortdurend probeerde schoon te wassen door middel van waken, vurig gebed en menige tranenvloed.’ …” (aldus de geschiedschrijver Thietmar).

 

Mysteries

Tom Holland vertelt hoe Otto III zich samen met zijn geestelijke leidsmannen, de monnik Adelbert en Gerbert, een maand lang ‘dag en nacht’ in Italië ‘opsloot’: “… Welk onderwerp zo boeiend was geweest dat het de grootste heerser van de christenwereld al die tijd met twee geestelijken van zijn staatszaken had afgehouden, werd niet onthuld…”. Ondanks de ellendige toestand waarin de wereld verkeerde, werd het zegelstempel van Otto voorzien van het woord ‘renovatio’: vernieuwing. Tom Holland: “… Gerbert noch Otto zelf lieten iets los over de feitelijke inhoud van de vernieuwing, laat staan over hoe die tot stand moest komen. Maar dat stilzwijgen wees niet op doelloosheid en verhulde vrijwel zeker juist het omgekeerde: het besef van mysteries die te wereldschokkend en te geheim waren om in het openbaar te bespreken, van een missie van letterlijk kosmische proporties en een plicht die vorm kreeg door de patronen van de voortgolvende eeuwen…”.

 

Het jaar dat alle andere jaren te boven gaat

Volgens Gerbert was het mogelijk Gods schepping door middel van mathematica te doorgronden, “… want in getallen ligt zowel de code van de oorsprong van het heelal als de verklaring van zijn werking…”, schrijft hij in een brief. “… Welke betekenis zag hij dan, nu in de lengende schaduw van het millennium, in het magische getal duizend, ‘het jaar dat alle andere jaren te boven gaat’? Ergerlijk en enerverend genoeg moeten we het precieze antwoord daarop schuldig blijven…”, aldus Tom Holland. Vervolgens speculeert hij over de mogelijkheid dat de briljante geleerde op de hoogte moet zijn geweest van Augustinus’ leer over de eindtijd, die ten strengste verbood te gissen naar het precieze tijdstip. Dacht hij misschien dat Augustinus zich had vergist, “… en dat de duizend jaar waarvan Johannes gewag maakt, de duizend jaar waarna het kwaad over de hele wereld zou zegevieren, misschien, heel misschien, toch letterlijk waren bedoeld? Als iemand een vrijbrief had voor zulke riskante vragen, was dat dan niet Otto III, keizer van het Romeinse Rijk, wiens domein als enige bolwerk tegen de komst van de antichrist overeind kon blijven en wiens lot het was aan de macht te zijn op het moment dat de duizendste verjaardag van de menswording van Christus nog maar een paar jaar in het verschiet lag? Zeker is dat Otto, naarmate het jaar 1000 naderde, steeds sterker gebukt ging onder het gevoel van urgentie, alsof het verstrijken van de tijd zelf een vloedgolf was waartegen hij zich schrap moest zetten…”. De tijd liep ten einde.

 

De laatste Romeinse keizer

Na de dood van zijn pauselijke neef zette Otto II zijn leermeester Gerbert van Reims op de heilige stoel. Zijn nieuwe naam: Silvester II. Samen zouden ze de christenheid hoeden. En doen groeien. “… Volgens oeroude voorspellingen die in Italië reeds lang de ronde deden, zou de laatste Romeinse keizer aan het einde der tijden alle heidenen ter wereld tot het doopsel noden. En precies nu het beslissende jaar 1000 naderde, maakte een Roomse keizer zich op om juist dát te doen…”. Echter, niet langer met geweld, maar op een vredelievende, mystieke manier. Er speelden dimensies mee die het aardse heden ver overstegen, aldus Tom Holland. Otto zou heilig hebben geloofd dat de draden van de geschiedenis in zijn handen waren gelegd. Evenals F. de Graaff vertelt hij over Otto's bedevaarten naar de tombe van de heilige Adalbert en het graf van Karel de Grote in Aken. “… Het gedrag van de keizer werd met enigszins gemengde gevoelens ontvangen…”, schrijft een kroniekschrijver diplomatiek. Otto moet hebben beseft dat zijn onderdanen veel van wat hij deed bizar en verwarrend vonden. Maar met de missie waarmee hij zich door God belast zag, kon hij niet te koop lopen.

 

Het tegenhouden van het godsgericht

Ondanks alle inspanningen die Otto zich getroostte, bleef de christelijke wereld verdeeld. Daarom verzocht hij Constantinopel om een prinses. “… Het leek er dus op dat de twee helften van het Romeinse Rijk eindelijk herenigd zouden worden. Maar zelfs dat duizelingwekkende vooruitzicht schijnt voor de jonge keizer niet genoeg te zijn geweest. Want als hem nu eens een grootser en tegelijk vreeswekkender bestemming wachtte, een die al eeuwen werd voorspeld en die de hele wereld zou doen beven? In het jaar 1001 leken die vermoedens van nabij te worden bevestigd…”. Otto toog naar de beroemdste heremiet van heel Italië, die in het zompige drasland achter Ravenna woonde: Romuald. “… De heiligheid was zelfs af te lezen aan zijn huid, die na een langdurige onderdompeling in het moeras haarloos was geworden en felgroen ‘als die van een salamander’…”. Zijn vuile badwater zou zieken genezen. Er werd zelfs een moord op hem beraamd om zijn lichaam tot relieken te kunnen zagen. Daaraan ontkwam hij door waanzin voor te wenden. Beide mannen geloofden hartstochtelijk dat de wederkomst van Christus op handen was, waarop Hij de aarde zou oordelen. “… Het leven zoals Romuald dat bij Ravenna leidde, was een welbewuste heroïsche poging om dat vreselijke godsgericht verre te houden. Een bestaan van genadeloze, kwellende ontbering, hetzij in een moeras, hetzij diep in het woud, hetzij ingemetseld in een cel, met alleen vogels als gezelschap en het krioelend ongedierte dat zich te goed doet aan lompen: dat, zo beweerde de heilige, was de enige dienstige voorbereiding op het einde der dagen…”. De keizer onthulde dat hij na drie jaar afstand wilde doen van zijn koningschap om het aan iemand aan te bieden die beter was dan hij. Romuald begreep direct dat de koning zijn kroon wilde overhandigen aan Christus en gaf hem zijn zegen. “… Als de wereld eenmaal klaar was voor de dag des oordeels, zou de keizer de heuvel Golgotha beklimmen, daar neerknielen, zijn ziel bevelen aan God en zo de eindtijd inluiden…”.

 

Verblindende dromen

Toen de kluizenaar in 1002 naast de keizer optrok naar Rome, zagen ze boven hun hoofd, fel glanzend tegen de winterhemel, een reusachtige draak. Iedereen wist dat zoiets een gewisse ondergang aanduidde. Weldra werd Otto door malaria geveld en nog voordat de maand januari om was, was hij dood. Zijn prinses werd teruggestuurd naar Constantinopel. Gerbert overleed een jaar later. Zijn briljante loopbaan werd zo angstaanjagend gevonden dat zijn tijdgenoten in hem iets van de ‘antichrist’ dan wel ‘het beest’ zagen, “… oprijzend uit de afgrond kort nadat de duizend jaar ten einde waren…”. De dromen van de allerlaatste Romeinse keizer waren te verblindend geweest, en zijn mislukking te volledig, aldus Tom Holland. Daar dacht F. de Graaff dus duidelijk anders over.

 

De god van het Avondland

Volgens de laatste was Otto III niemand minder dan een reïncarnatie van ‘de god van het Avondland’, die, in navolging van het offer van Christus, zijn leven had gegeven om het Westen nog duizend jaar respijt te geven. Immers, in de Bijbel hadden alle zeventig volken een eigen engelvorst: zie Daniël 10. Zie ook Psalm 82, waarin God deze goden bestraft omdat ze ‘de barmhartigheid hebben verzaakt’: ‘ze zullen als mensen sterven’. Daarom verschijnt het crucifix pas na het jaar 1000, waarop de dode god is afgebeeld en niet Christus, die immers is opgevaren naar de hemel. Het echte kruis hoort leeg te zijn. Had het Westen het goddelijk oordeel verdiend? Zeker, meent F. de Graaff. Kijk maar met welk een onvoorstelbare wreedheid het christendom aan de heidenen is opgedrongen. Denk aan Karel de Grote, die op één dag 5000 vrije Saksen liet ombrengen. Tom Holland over die dagen: “… Na een uitzonderlijk heftige opstand waren in één klap duizenden gevangenen onthoofd, waren de bewoners van hele streken gedwongen te verhuizen en werd de doodstraf ingevoerd voor wie de doop weigerde of aan de oude riten vasthield; zelfs vlees eten tijdens de vasten werd met de dood bestraft. Sinds de tijd van de Romeinse keizers waren er niet meer zulke grootschalige gruwelen gepleegd – en nooit eerder met het doel de liefde van Christus af te dwingen…”.

 

De onoverwinnelijke Christus

En toch. “… De Christus van de zegevierende Franken had zich onoverwinnelijk betoond. Zich aan zó’n god onderwerpen kon geen schande zijn. Dat hadden de Saksen dan ook gedaan. De van zijn troon gestoten Wodan was uit Midgard, Midden-aarde, verbannen. Er werd gezegd dat hij soms, als de schemering viel, nog terugkwam met zijn gevolg van wolvinnen, zwarte kraaien en geesten van doden, omringd door zwarte wolken, om dan zijn oude domein weer binnen te dringen, krakend door het woud en zeilend op de ijskoude wind – maar dat alles was bijgeloof, waar de Saksische elite zich niet door van de wijs liet brengen. Het boerenvolk en de pioniers die aan de rand van de wijkende wildernis woonden, bogen soms nog het hoofd als het duivelse jachtgevolg voorbijtrok, maar de grote heren wisten wel beter…”. Hoe dan ook: de apocalyps bleef uit. Zelfs in 1033, het sterfjaar van de Heer, ging de wereld niet ten onder.

 

De bloedstollende geschiedenis van de vroege middeleeuwen

Tom Holland bespreekt uitgebreid de bloedstollende geschiedenis van het middeleeuwse Westen, vanaf het jaar 1000 tot aan de verovering van Jeruzalem door de kruisvaarders in 1095. Het gaat onder andere over de abdij van Cluny, een belangrijk centrum van religieuze, culturele en politieke vernieuwing. Vanuit het streven zo dicht mogelijk bij de engelen te komen, moesten voortaan alle priesters zich, net als de monniken, aan het celibaat houden. Het gaat over het zero-tolerancebeleid van een Poolse bisschop, die gelovigen die zich niet aan de vasten hielden simpelweg de tanden uit de mond liet slaan en verkrachters met hun scrotum aan een brug liet spijkeren. Ze kregen overigens wel een mes om zichzelf los te snijden of er een eind aan te maken. De christenen waren geen lieverdjes. Het gaat over velden waar de godsvrede werd uitgeroepen, te midden van de anarchie die werd veroorzaakt door de wandaden van een intimiderende penoze. Daaruit ontstond gaandeweg een ridderklasse die brutaalweg kastelen begon te bouwen en de bevolking meedogenloos uitzoog. Het gaat over ‘de stoottroepen van de antichrist’: de Vikingen, die overal huishielden, tot in het huidige Rusland toe, waar ze ‘Roes’ of ‘Rus’ werden genoemd. Jawel. Maar uiteindelijk lieten ze zich wel dopen, want ‘Ragnarök’ betekende de definitieve ondergang, terwijl de ‘wederkomst’ nog altijd ‘een nieuwe aarde en een nieuwe hemel’ beloofde. Ik ga er niet meer over zeggen. Het is veel te veel – ik heb gevonden wat ik wilde weten over mijn wonderbaarlijke Otto III.

 

Uitgave: Athenaeum – 2009, vertaling Christien Jonkheer, 474 blz., ISBN 978 902 536 403 803, € 29,40

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 25 oktober 2026

Dracula - Bram Stoker


Toen ik een YouTube-filmpje zag met de titel ‘10 Classic Novels Every Christian Should Read’, gepresenteerd door Trent Horn, een deskundige op het gebied van het katholicisme, was ik toch wel verbaasd “Dracula” (1897), het beroemde griezelverhaal over een vampier, op zijn lijst aan te treffen. Vampiers hebben voor mijn gevoel te maken met horror en satanisme, waar gelovigen ver vandaan moeten blijven, toch? Nou, zegt Horn, je zou “Dracula” van de Ierse schrijver Bram Stoker (1847-1912) ook kunnen zien als een verbeelding van de antichrist. Een vampier 'neemt' bloed; Jezus ‘gaf’ zijn bloed. Een interessante visie. Ik zag dat het label Rainbow een mooie, gebonden editie van literaire meesterwerken op de markt brengt, waaronder ook een nieuwe uitgave van de genoemde gotische klassieker. Gek genoeg kon ik er niet achter komen wie de vertaler is. Nooit geweten, maar “Dracula” blijkt een expliciet katholiek verhaal te zijn: het stikt van de hosties en de kruisen. De protagonisten roepen om de haverklap de Almachtige aan. In de Katholieke Kerk is een exorcisme (of duivelbezwering) dan ook een officieel religieus ritueel dat behoort tot de sacramentalia. Met Halloween in aantocht vond ik “Dracula” wel het juiste boek op het juiste moment.

 

Hoe enger, hoe mooier

Het eeuwenoude Keltische overgangsfeest van de herfst naar de winter, dat in de nacht van 31 oktober op 1 november werd gevierd, wordt ‘Samhain’ genoemd. Het was een magisch moment dat gepaard ging met grote rituelen. Rond begin november stond de deur naar de andere wereld op een kier en werd de dunne wand die de levenden van de doden scheidt, doorzichtig, zo geloofden zowel de Kelten als de Germanen. Het lukte de kerk niet om de heidense dodenfeesten en de voorouderverering uit te roeien. In het oersterke volksgeloof bleven de doden aan het begin van de wintertijd gewoon terugkeren. Als ze werden genegeerd of geminacht, konden ze boos worden en de levenden dwarszitten. Gemaskerde dansers beeldden tijdens het feest de levende doden uit. De heiligenverering moest binnen de kerk de aloude voorouderverering en het contact met de doden vervangen. In het jaar 835 stelde paus Gregorius IV daarom op 1 november het feest van ‘Allerheiligen’ in: de heiligen van de kerk moesten de doden in toom houden. Henk Vreekamp in “Het jaar van Vivaldi”: “… In Engeland en Ierland werd het winterfeest ‘All Hallow’s Eve’ genoemd, de vooravond van Allerheiligen, afgekort tot ‘Halloween’. Vanuit Ierland werd het feest in de negentiende eeuw door kolonisten meegenomen naar Amerika, na een hongersnood als gevolg van de mislukte aardappeloogst. In de tweede helft van de twintigste eeuw waaide het feest vanuit Amerika weer over naar Europa. Sinds de jaren tachtig heeft het, vooral onder invloed van de commercie, een zegetocht gemaakt in verschillende Europese landen, waaronder Nederland…”. In het jaar 1006 werd door paus Johannes XIV bovendien op 2 november de dag van ‘Allerzielen’ ingesteld, een door de kerk goedgekeurde manier om de doden te vereren. “… Hun graven werden versierd, er werd een lampje op het graf ontstoken en, ondanks het kerkelijke verbod, werden er eten en drinken op het graf achtergelaten…”. Vreekamp: “… Protestanten die zeggen van dit alles niet te willen weten, vieren de gedenkdag van de Reformatie op 31 oktober. Dat is de dag voorafgaand aan het feest van Allerheiligen, waarop Maarten Luther met zijn 95 stellingen de kerk uitdaagde tot een debat over de misstanden in zijn tijd. Op die dag waren er immers veel mensen op de been die hij met zijn stellingen zou kunnen bereiken. Ook protestanten kunnen dus niet voorbijgaan aan Allerheiligen en Allerzielen, aan Halloween…”. Het is het mysterie van de dood dat ons met Samhain, Halloween, Allerheiligen en Allerzielen in de greep houdt. Oude gebruiken keren terug in nieuwe vormen. Halloween heeft het griezelelement uit het geheel van het winterfeest gelicht. Hoe enger, hoe mooier.

 

Bloedarmoede

Er bestaat een historische en medische link tussen vampierlegendes en bloedarmoede (anemie). Een mogelijke medische verklaring die vaak in verband wordt gebracht met het ontstaan van de vampiermythe is porfyrie: een groep zeldzame aandoeningen waarbij de aanmaak van heem, een essentieel onderdeel van hemoglobine in ons bloed, verstoord is. Sommige symptomen van porfyrie komen overeen met de klassieke kenmerken van vampiers, namelijk extreme bleekheid en vermoeidheid: door chronische bloedarmoede (anemie) zien patiënten er lijkbleek uit en hebben ze weinig energie. Lichtgevoeligheid: blootstelling aan zonlicht veroorzaakt pijnlijke blaren, zwellingen en ernstige brandwonden op de huid. Patiënten leefden noodgedwongen alleen 's nachts. Vlijmscherpe tanden: de ziekte kan ervoor zorgen dat het tandvlees zich terugtrekt, waardoor de tanden – en met name de hoektanden – veel langer en spitser lijken. Afkeer van knoflook: knoflook bevat stoffen die de symptomen van porfyrie drastisch kunnen verergeren en daardoor hevige pijnen veroorzaken.

 

Over de connectie tussen graaf Dracula en Vlad de Spietser

Er zijn eigenlijk twee betekenissen van Dracula, vertelt ChatGPT me. ‘Graaf Dracula’ is een fictieve vampier die ’s nachts actief is, bloed drinkt en volgens het verhaal in een kasteel in Transsylvanië woont. Hij kan in een vleermuis veranderen en beschikt over bovennatuurlijke krachten. ‘Vlad Dracula’ (Vlad de Spietser) was een echte vorst uit de 15e eeuw die over Walachije regeerde, in het huidige Roemenië. Hij stond bekend om zijn wrede straffen. Zijn naam en reputatie worden vaak in verband gebracht met de vampier Dracula. Schrijver Bram Stoker gebruikte verschillende overleveringen en vampierlegendes om zijn beroemde personage te creëren. Lees en huiver!

 

Denn die Toten reiten schnell

De griezelroman “Dracula” is geen rechttoe-rechtaanverhaal, maar bestaat uit dagboekaantekeningen, brieven, telegrammen en krantenartikelen, zodat je het hele gebeuren als het ware zelf bij elkaar moet puzzelen. Daaruit wordt duidelijk dat de jonge advocaat Jonathan Harker per trein en diligence naar de Karpaten reist voor een onderhoud met graaf Dracula inzake de aankoop van een landgoed nabij Londen. Wanneer Jonathan de steeds zwijgzamer wordende eigenaar van het hotel in Bistritz, waar hij overnacht, naar de graaf vraagt, doet deze net alsof hij hem niet verstaat. Zijn vrouw probeert de reiziger, die slecht heeft geslapen omdat er de hele nacht een hond onder zijn raam heeft zitten janken, zelfs tegen te houden. Of hij wel weet wat voor dag het is: 4 mei, de avond vóór Sint-Jorisdag, waarop alle boze machten heer en meester zijn (het verhaal eindigt op 7 november, na Samhain). Ze geeft hem het crucifix dat om haar hals hangt en slingert hem ook nog een rozenkrans om zijn nek. Wanneer zijn koets vertrekt, slaan de mensen die hem nakijken een kruis en steken twee vingers naar hem uit. Een medepassagier vertelt hem dat het gebaar bedoeld is als bescherming tegen het boze oog. Ze ‘vliegen met koortsachtige haast’ door donkere wouden en langs machtige bergketens. “… Een van mijn reisgezellen fluisterde de ander de regel in van Bürgers Lenore: “Denn die Toten reiten schnell” (Want de doden rijden vlug) …”. Wanneer de steenkoude nacht invalt, komt er een calèche naast hen rijden. De zonderlinge koetsier blijkt een tengere man met een lange bruine baard en een grote zwarte hoed, waardoor alleen de onderkant van zijn gezicht te zien is, gekenmerkt door vuurrode lippen en scherpe, ivoorwitte tanden. Jonathan wordt als de wiedeweerga overgeheveld en voor hij het weet, is de postkoets alweer verdwenen in de duisternis. De vreemde voerman gooit een mantel om Jonathans schouders, legt een deken over zijn knieën en vervolgens gaat het weer verder. De passagier ontwaart aan zijn linkerkant een zwak flikkerend, blauw vlammetje (later zal graaf Dracula beweren dat dergelijke lichtjes een teken zijn van een verborgen schat). Overal klinkt wolvengehuil. Af en toe stopt de koetsier om de angstige paarden gerust te stellen en met vreemde gebaren de wolven weg te jagen, die inderdaad afdruipen. Plotseling staan ze op de binnenplaats van een groot, verduisterd kasteel.

 

Luguber

Het duurt even voordat Jonathan wordt binnengelaten. Graaf Dracula geeft hem een ijskoude hand, maar is verder ouderwets galant. Hij biedt Jonathan een warme maaltijd aan bij een knetterend haardvuur en installeert hem in een gerieflijke logeerkamer, waar hij na de vermoeiende rit 24 uur achter elkaar slaapt. De volgende dagen komt Jonathan erachter dat de graaf waarschijnlijk de enige bewoner van het kasteel is (was hij ook de geheimzinnige koetsier?). Bij daglicht is hij nergens te bekennen en eten doen ze nooit samen, hoewel hij wel graag met Jonathan blijft kletsen tijdens het diner. De graaf wil alles weten over Londen. Jonathan mag zijn tijd verdoen in de bibliotheek; de rest van het kasteel lijkt niet pluis. Wanneer Jonathan tijdens zijn ochtendritueel in zijn scheerspiegel geen spiegelbeeld van graaf Dracula ziet, die plotseling achter hem staat, slaat de schrik hem om het hart. De graaf grijpt de spiegel beet en flikkert hem uit het raam: géén spiegels in zijn kasteel! De doodenge graaf, met zijn wasachtige gezicht, hoge haakneus, slechte adem en vlijmscherpe tanden, zegt dat hij Jonathan minstens een maand nodig heeft. De deuren naar buiten zitten op slot. Jonathan begint te beseffen dat hij gevangen zit. Wanneer hij uit het raam kijkt, ziet hij op een gegeven moment de graaf vanuit diens kamer over het kozijn klimmen en als een hagedis in zijn zwarte vleermuizenmantel langs de muur naar beneden glippen, om in een hol te verdwijnen. Jonathan probeert brieven mee te geven aan zigeuners die vierkante kisten bij het kasteel komen afleveren, maar de graaf onderschept de post. Wanneer Jonathan op onderzoek uitgaat in de onbewoonde ruimtes van het kasteel, wordt hij belaagd door drie spookvrouwen, die net op tijd door de graaf worden weggestuurd. Op een dag brengt een van Jonathans heimelijke verkenningstochten hem naar een vervallen kapel, waar de graaf als verlamd in een open geklapte doodskist op een laag aarde ligt. Zijn rode ogen stralen vuur. Zijn lichaam lijkt verjongd en te barsten van het bloed. Jonathan weet niet hoe gauw hij weg moet komen. Op een goede dag ontsnapt hij uit het lugubere kasteel.

 

Leven-etende maniak

Vervolgens komt er een briefwisseling op gang tussen Mina Murray, de verloofde van Jonathan, en haar vriendin Lucy Westenra. Lucy vertelt dat ze op één dag maar liefst drie (mierzoete) huwelijksaanzoeken heeft gekregen van aanbidders die elkaar kennen: dokter John Seward, geneesheer-directeur van een krankzinnigengesticht; Mr. Quincy P. Morris, een opgeruimde Amerikaanse avonturier uit Texas; en Lord Arthur Holmwood, een jonge Engelse edelman. Het wordt Arthur. In juli gaat Mina met Lucy, die bij haar ziekelijke moeder woont, op vakantie naar de havenstad Whitby. In augustus heeft Mina nog steeds niets van haar verloofde gehoord en begint ze zich zorgen te maken. Is er iets gebeurd? Ondertussen blijkt Lucy te slaapwandelen en heeft dr. Seward zijn handen vol aan een patiënt die vliegen aan spinnen voert, spinnen aan mussen en ten slotte een kat eist, die hij natuurlijk niet krijgt. De volgende dag zijn de vogels verdwenen en braakt de patiënt veren uit: “… Ik zal voor deze waanzinnige een nieuwe classificatie moeten maken en hem een ‘zoöfaag (leven-etende) maniak’ moeten noemen …”. Wanneer de patiënt weer wat tot rust is gekomen, begint hij ineens over de ‘meester’, die ‘nabij’ zou zijn.

 

Spookschip

In de krant verschijnt een bericht dat na een hevige zomerstorm een Russische schoener de haven van Whitby is binnengezeild, met een aan het stuurrad vastgebonden dode zeeman. De enige overlevende lijkt een reusachtige hond te zijn, die van het dek springt en in de duisternis verdwijnt. De lading bestaat uitsluitend uit een groot aantal met aarde gevulde kisten (daar heb je ze weer). In een met een kurk afgesloten fles wordt een rolletje papier gevonden, waarop de kapitein beschrijft hoe zijn bemanning gek is geworden door een griezel die op het schip rondspookte…

 

Zenuwen

Wanneer Mina op een nacht wakker wordt, is Lucy verdwenen. Ze zit in haar nachtpon op een bankje bij de ruïne van de abdij. Mina krijgt het gevoel dat er ‘iets’ over haar slaapwandelende vriendin heen gebogen staat. Twee rode ogen kijken haar aan. Ze slaat een warme das om Lucy heen, die ze vastmaakt met een stevige veiligheidsspeld, en neemt haar mee naar huis. De volgende ochtend heeft Lucy twee gaatjes in haar hals en een bloedvlek op haar pon. Mina wijt dit aan haar eigen onhandige gepruts met de speld. Ze merkt dat Lucy vermoeid en bleek is, alsof ze iets onder de leden heeft. Iedere avond sluit Mina de huisdeur af met een sleutel die ze aan haar pols bindt. Echter, nu gaat Lucy in haar slaap vaak uit het open slaapkamerraam hangen, waar een enorme vleermuis rondvliegt. Moet ze dáár weer op letten. Eindelijk krijgt Mina een brief waarin haar wordt meegedeeld dat haar verloofde met hevige zenuwkoorts is opgenomen in een ziekenhuis in Boedapest. Terwijl Arthur de zorg voor Lucy en haar moeder op zich neemt, reist Mina stante pede naar Jonathan, die beweert zich niets meer te herinneren van wat hem is overkomen. Beiden besluiten zijn dagboek voorlopig dicht te laten. Ondertussen weet de patiënt van dr. Seward te ontsnappen. De oppassers treffen hem op een naastgelegen landgoed aan, waar hij met een onzichtbaar figuur staat te praten. Hij verzet zich hevig wanneer hij in een dwangbuis wordt opgesloten in een gecapitonneerde kamer.

 

Bloedtransfusie

Het gaat steeds slechter met Lucy, waardoor Arthur dr. Seward inschakelt. Deze haalt op zijn beurt een bevriende professor uit Amsterdam erbij: Van Helsing. Ook de laatste snapt er niets van. Ze heeft duidelijk veel te weinig bloed en toch geen bloedziekte — integendeel, ze is kerngezond. Als Arthur binnen komt vallen, wordt hem gesommeerd om via een bloedtransfusie bloed te geven aan zijn geliefde (later doen dr. Seward, professor Van Helsing en Quincy Morris dat ook). Van bloedgroepen heeft de schrijver waarschijnlijk nog nooit gehoord. Wanneer de dokter na afloop het kussen van zijn slapende patiënte een beetje opport, verschuift haar fluwelen halslint met diamant een beetje en ontdekken de beide artsen de kleine prikjes bij haar keelader. Professor Van Helsing vertrekt weer naar Amsterdam om eens goed over de zaak na te denken en zijn boeken te raadplegen. Wanneer de prof terugkomt, smeert hij de deurpost en de raamkozijnen van Lucy’s kamer in met knoflook en bindt hij een knoflookkrans om haar hals als de nacht invalt. Het mag allemaal niet baten. Lucy verandert zélf in een doodziek, vampierachtig wezen en sterft: het vampirisme lijkt besmettelijk.

 

Vampierjacht

Daarop verschijnt er een krantenartikel over vermiste kinderen die zijn aangesproken door een ‘lieve dame’ en met wondjes aan de keel worden teruggevonden in de omgeving van Hampstead. Als Jonathan tijdens een wandeling in Hyde Park bijna flauwvalt omdat hij graaf Dracula meent te zien, besluit Mina toch maar eens zijn dagboek te lezen. Ze weet niet zo goed wat ze ervan moet denken. Tot professor Van Helsing contact met haar opneemt, omdat hij de zaak verder wil onderzoeken. Hij blijkt een ware Sherlock Holmes. Hij bezweert haar dat het Jonathan niet in zijn bol is geslagen: alles wat hij schrijft, is wáár. Hij wendt zich tot de drie adoreerders van Lucy en houdt hun voor dat ze moeten ‘geloven in dingen die ze niet geloven kunnen’: “… We zijn zo gewend ons aan het kleine bekende strookje waarheid te houden en dat is goed, in zoverre we niet menen dat dit kleine eindje de volledige waarheid van het heelal is…”. Hij neemt de heren midden in de nacht mee naar de familietombe waar Lucy is bijgezet: haar kist blijkt leeg. Overdag neemt hij de mannen opnieuw mee: ze ligt (mooier dan ooit) in de kist. Hij barricadeert het graf met ouwels en een crucifix. Het heeft even tijd nodig voordat het tot Lucy’s geschokte vrienden doordringt dat ze een 'ondode' is geworden die klaarblijkelijk in de weer is met onschuldige kindertjes. Om haar ziel van de helse vlammen te redden, zullen ze het onzalige wezen waarin ze is veranderd moeten vernietigen, want ‘alleen zo zal zij haar plaats kunnen innemen bij de andere engelen’. Arthur, haar lief, krijgt de eer om met een hamer een staak door haar hart te slaan: “… En zal het later voor hem, in slapeloze nachten, geen heerlijk denkbeeld zijn te kunnen zeggen: ‘Het was míjn hand die haar deed stijgen tot de sterren?’…”. Terwijl professor Van Helsing voorleest uit zijn gebedenboek en Quincy en Seward eerbiedig toekijken, wordt de klus geklaard. Na afloop snijden de artsen voor de zekerheid ook nog met chirurgische precisie Lucy's hoofd af en vullen ze haar mond met knoflook. Ziezo. Hun taak zit er echter nog niet op: het écht grote werk begint pas.

 

Vijftig kisten gevuld met aarde

Het hele gezelschap, inclusief Mina en Jonathan, steekt de koppen bij elkaar en opent als een groep moderne kruisridders de jacht op graaf Dracula. Avonturen die je de haren te berge doen rijzen, zijn hun deel. Harry Potter is er niets bij. Ze beginnen met het opsporen van de vijftig kisten gevuld met aarde uit Transsylvanië, die in Londen zijn verdwenen. Eerst snapte ik niet zo goed wat die kisten in het verhaal deden, maar langzamerhand kwam ik erachter dat ze overdag dienden als rustplaats voor Dracula, die zijn dunbevolkte thuisland verliet om in het drukke Londen nieuwe slachtoffers te vinden. Hij verdeelde de kisten over verschillende aangekochte panden. In de vampierfolklore waarop Stoker zich baseerde, bestond het idee dat vampiers verbonden waren met hun geboortestreek en hun grafgrond. Jonathan en zijn kornuiten sporen de kisten op en schuiven er een hostie in, zodat ze ‘onbewoonbaar’ worden voor de vampier. Echter, één kist ontbreekt. Die sleept Dracula na zijn mislukte avontuur mee op zijn terugreis…

 

Koning Lach

Hoewel Dracula ruim een eeuw geleden is geschreven, kluistert het boek je nog steeds aan je stoel. Bovendien is het een door en door Victoriaans verhaal (al breekt de morgenstond van de moderniteit al wel door), waarin de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan ‘wokies’ bijna blasfemisch in de oren moet klinken, denk ik, maar waar ik me best wel om heb verkneukeld. Een gentleman die een en al verbazing veinst over een toch best schrander ‘mevrouwtje’: “… Zij is een van Gods begenadigde schepselen, door Zijn hand gewrocht, om ons, de stervelingen, te tonen dat er een hemel is, waar we nu al binnen kunnen treden, en welks licht op aarde schijnt. Zo trouw, zo edel, zo lief, zo weinig egoīst, dat is iets zeldzaams in deze sceptische, zelfzuchtige wereld…”. Toe maar! Even verder een lady: “… O, wat deed het me goed om te zien, hoe deze dappere mannen werkten. Is het een wonder, dat wij vrouwen hen zo moeten liefhebben, als zij zo ernstig, zo dapper en zo trouw zijn!...”. Hear, hear! De conclusie uit dit alles: “… Het is een vreemde wereld hier, een treurige wereld, een wereld vol ellende, verdriet en zorg, en toch, als Koning Lach binnenkomt laat hij iedereen dansen op de wijs, die hij speelt. En, geloof mij, vriend John, dat het goed en vriendelijk van hem is om te komen. Wij, mannen en vrouwen, zijn gelijk aan strakgespannen lijnen, en we worden verschillende kanten uitgetrokken. Dan komen de tranen, als regen op de lijnen, om ons te verfrissen. Soms echter is de spanning te groot, dan breken we. Maar Koning Lach komt als de zonneschijn en vrolijkt ons op, maakt de spanning lichter, en we dragen onze last verder en gaan aan het werk…”. Chapeau!

 

Uitgave: Rainbow (1642) – 2025, 320 blz., ISBN 978 904 171 672 9, € 17, 50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

dinsdag 20 oktober 2026

Murakami en het gespleten leven – Ype de Boer

 


De boeken van Murakami die ik heb besproken – “Norwegian Wood”, “Kafka op het strand”, “De moord op Commendatore” (deel 2) en “De stad en zijn onvaste muren” – zijn niet alleen fascinerende verhalen over alledaagse helden, magische figuren en droomachtige sferen, maar bevatten ook een diepgaande visie op de fundamentele gespletenheid van ons moderne leven. Murakami’s fantastische oeuvre verbeeldt het existentiële conflict tussen autonomie en verbondenheid. Onze loyaliteiten liggen maar al te vaak met elkaar overhoop. Filosoof Ype de Boer (1989) laat aan de hand van Murakami’s werk zien hoe onze innerlijke verdeeldheid een opmaat kan vormen tot geestelijke groei en verandering. We hoeven niet te blijven hangen in wie en wat we zijn.

 

Burgers van twee werelden

De Boer begint zijn studie met twee veelzeggende citaten: “… De meesten van ons bewonen twee werelden, met één been in het ene of het andere, en allemaal leven we op de grens. Dat is mijn definitie van het mensenleven…” (uit een interview met Murakami) en “… Op de drempel van niet-bewustzijn moet het Ik zijn eigenschappen afleggen, moet het zich ontroeren. En passie is het gespannen koord tussen ons en Genius, waarop het koorddansende leven wandelt…” (uit "Profanaties" van Giorgio Agamben). Als gelovige leef ik sowieso in een gespleten werkelijkheid: aan de ene kant de zichtbare, materialistische dimensie en aan de andere kant de onzichtbare, spirituele dimensie. Christenen zijn ‘burgers van twee werelden’; daar ben ik mij maar al te zeer van bewust. Misschien houd ik daarom zo van Murakami’s romans. Ze vertellen me iets over mezelf. Volgens Murakami leven wij allemaal tussen twee ‘sferen’ (zie ook “De meester en zijn afgezant” van Iain McGilchrist). Wanneer Agamben ‘passie’ een ‘gespannen koord’ noemt waarop het ‘koorddansende leven wandelt’, zou ik die ‘passie’ heel graag willen verbinden met wat Esther Perel in “Erotische intelligentie” passie noemt, en niet alleen willen koppelen aan seksuele aantrekkingskracht, zoals Murakami mijns inziens wel doet. Ik zou het begrip veel breder willen trekken, omdat van alles een ‘passionele energie’ kan opwekken die je in beweging zet. Voor een gelovige staat Genius misschien wel voor God. Voor een ongelovige kan om het even wat ‘goddelijk’ worden.

 

Verdiepende interpretatie

In vrijwel alle verhalen krijgen Murakami’s personages te maken met ‘gespletenheid’. Denk bijvoorbeeld aan de zestienjarige Kafka, die in “Kafka op het strand” moet dealen met ‘de jongen die Kraai wordt genoemd’. De Boer vindt dat dit gegeven een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan tot uitdrukking brengt en daarom de moeite van een verdiepende interpretatie waard is. Het kan ons iets elementairs over het leven leren. Niet iedereen is het daarmee eens, en zeker het literaire establishment in Japan niet. Murakami’s fictie werd lange tijd afgedaan als oppervlakkig, surrealistisch entertainment. Anderen vinden dat Murakami schrijft over abnormale, want schizofrene, types: “… Zijn personages zouden individuen betreffen die, meestal als gevolg van een psychologisch trauma, meerdere persoonlijkheden ontwikkelen en hun realiteitszin verliezen …”. Murakami’s existentiële en bovendien typisch Japanse problematiek heeft niets te maken met ‘gewone westerse mensen’, aldus deze critici.

 

Onontgonnen gebied

In “De jacht op het verloren schaap” gaat een gescheiden man (Boku) op zoek naar een dame met prachtige oren, waarvan hij op zijn werk close-upfoto’s onder ogen heeft gekregen. Tijdens een etentje vertelt ze hem dat ze haar oren expres onder haar kapsel verborgen houdt, omdat ze ‘haar krachten nog niet goed de baas is’ (in een Bijbelverhaal was er ook iets met het haar van Simson). Boku vertelt haar dat hij een ongelooflijk saai iemand is die een volkomen alledaags leven leidt. Zij zegt dat het leven op zichzelf niet saai is, maar dat hij enkel wíl dat het rimpelloos verloopt. Hij prefereert de sleur. Onomwonden verklaart het meisje dat hij “… maar voor de helft leeft … De andere helft is onontgonnen gebied …”. Haar oren spelen ‘boodschapper voor iets anders’: ze doen het verlangen naar het ‘onontgonnen gebied’ van het leven in hem ontvlammen. “… De toverkracht van de oren van het meisje is het ‘gehoor’ geven aan deze tweede, door Boku zelf niet bewustgemaakte wil …”. ‘Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust’.

 

Zelfbehoud en zelftransformatie

Murakami’s protagonisten zijn bescheiden, onafhankelijke, onverstoorbare individualisten die rustige, stabiele, gewone levens leiden zonder iemand tot last te zijn. Ze bemoeien zich met niemand en willen ook niet dat anderen zich met hen bemoeien. Ze zijn wars van religie, groepsideologie en politiek. Ze mijden emotionele hechting en houden het problematische zoveel mogelijk buiten de deur. Er hangt een romantische sfeer van vrijheid en ongebondenheid in hun eenpersoonskamers, vol boeken, muziekplaten, sigaretten, whisky en pas ontmoete vrouwen. Als ze getrouwd zijn, is dat op een afstandelijke, maar vriendelijke en kalme manier. Niemand slaagt er echter in dat leven vol te houden. ‘Je kunt net zo goed in een schoenendoos gaan wonen’, zegt iemand. Onverstoorbaarheid en sereniteit werken als een magneet op degenen die bescherming en geborgenheid zoeken en schoppen de levens van de protagonisten in de war. “… De harde les die ze in Murakami’s verhalen leren, is dat het leven zich niet zomaar laat rijmen met het zelfbehoud dat ze nastreven. Buiten het domein van het 'normale leven' van de Murakami-personages bevindt zich een rijk dat even intrigerend als gevaarlijk is…”. Pas wanneer ze hun beschermende onverschilligheid opgeven, laat het leven zich opnieuw omarmen. Ze moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Het leven is dubbel in Murakami’s boeken. Er heerst altijd een spanning tussen zelfbehoud en zelftransformatie. Deze thematiek wordt in allerlei variaties uitgewerkt.

 

Niet of/of, maar en/en

Murakami’s vrijgezellen hebben vaak relaties met oudere, getrouwde vrouwen die hun geen hoofdbrekens bezorgen. Ze vragen geen zorg. De mannen hoeven zich niet verantwoordelijk voor hun minnaressen te voelen. De heren zijn anonieme ‘elckerlijcs’, zonder naam. De ik-persoon wordt aangeduid met het informele woord ‘boku’ of het formelere ‘watashi’, die in het Japans beiden ‘ik’ betekenen. “… Het niet gebruiken van namen past precies in het ideaal dat Murakami’s hoofdpersonen nastreven…”. Echter: “… tegelijkertijd drukt de naamloosheid in Murakami’s fictie het ‘gevaar’ uit dat degenen lopen die zo leven: verstarring, isolatie, onvrijheid en vervangbaarheid…” Alsof ze bevroren zijn in de tijd of slapen als Doornroosje. In één van de verhalen komt het ‘wilde deel’, het ‘vreemde’ in jezelf, aan bod in de vorm van een ‘groen monster’. In een ander verhaal haalt slapeloosheid iemand uit zijn ritme. Murakami wijst eenzijdigheid af: “… Net zoals het leven onhoudbaar is wanneer het zich beperkt tot de alledaagsheid en alles wat daaromheen bestaat negeert of verdrukt, is het ook geen reële mogelijkheid om de alledaagsheid in haar geheel af te wijzen en vervolgens het deel in jezelf dat naar orde en overzicht verlangt te onderdrukken. Noch in de alledaagse sleur, noch in de complete overgave aan het onbekende is voor Murakami’s protagonisten het werkelijke leven te vinden, misschien simpelweg omdat het leven zich op de grens en in de dynamiek tussen beide afspeelt…”.

 

Lege huls

Naarmate het verhaal vordert, ervaren Murakami’s protagonisten door een bepaalde gebeurtenis hoe hun ideale leefwijze verandert in een zelfontworpen isoleercel. Hun gekoesterde ‘zelf’ blijkt een ‘lege huls’ te zijn. “… De personages zijn bang dat ze volstrekt apathisch worden, niets kunnen betekenen voor anderen en gedoemd zijn hun verbeeldingskracht, levenslust en individualiteit te verliezen …”. Soms zijn er mensen die niets meer willen voelen, bijvoorbeeld omdat ze een traumatische ervaring hebben gehad waar ze niet overheen kunnen of willen komen. Lichamelijk leven ze door, maar geestelijk zijn ze tot stilstand gekomen. In sommige verhalen wordt de ‘lege huls’ geassocieerd met hersendood en blinde volgzaamheid. Ze zijn ‘holle mensen’ geworden: mensen zonder verbeeldingskracht of fantasie. “… De bewustwording van de angst om in een lege huls te veranderen, vormt vaak het keerpunt voor de protagonisten. Geconfronteerd met ervaringen die hun cocon doen barsten, voelen ze opeens hoezeer ze zich hebben afgesloten voor vitale mogelijkheden. Via deze weg komen de personages voor het eerst in contact met het verlangen meer van zichzelf en het leven te vragen dan hun ‘status quo’ …”.

 

Ervaringsarmoede

Murakami’s hoofdpersonen lijden aan ‘ervaringsarmoede’. De Boer maakt onderscheid tussen ‘ervaring’ en ‘beleving’. Een ervaring verandert ons; een beleving kan ons volledig onaangedaan laten. Volgens de filosoof Giorgio Agamben is ervaringsarmoede een ziekte van de moderniteit. Mensen zijn niet meer in staat om de gebeurtenissen in hun leven om te zetten in ervaringen – laat staan in levenswijsheid. Denk aan de consumptiemedia, de sensatiejournalistiek, de reclame-industrie en Hollywoodfilms, die ons voorschrijven hoe we gecontroleerd en gemanipuleerd gelukkig kunnen worden. Zie ons digitale bestaan. Persoonlijke verwerking van belevenissen heeft plaatsgemaakt voor sociale mechanismen die ons voorschrijven hoe we moeten leven en beleven. Murakami’s hoofdpersonen zeggen nog liever nee tegen ervaring dan dat ze die zich door anderen laten opleggen. Zijn personages leren langzaam maar zeker te ervaren. Een van de pijlers onder deze ontwikkeling is het ‘aanwakkeren van de verbeelding’. Via de verbeelding is werkelijke groei mogelijk. De verbeelding is ons ware strijdperk (daarom is lezen zo belangrijk, denk ik).

 

Hard-boiled Wonderland

Het door mij besproken “De stad met zijn onvaste muren” is een herbewerking van “Hard-boiled Wonderland en het einde van de wereld”, een sciencefictionachtig boek waarin de twee leefwijzen van Murakami (namelijk een geestloze en een geestrijke) volgens De Boer goed kunnen worden verkend. Het leefideaal van de protagonist (Watashi) in de eerste, realistische verhaallijn wordt in een tweede, symbolische verhaallijn weergegeven als het leven van Boku in de ‘Stad’, die wordt beschermd door een hoge, ondoordringbare muur. Alles in de ‘onverdeelde’ Stad staat in het teken van een utopische volmaaktheid. “… De symboliek is duidelijk: Watashi heeft om zijn alledaagse bestaan een muur opgetrokken die dit leventje beschermt tegen alle mogelijke inbreuk van buitenaf …”. Zijn leven begint echter steeds ‘leger’ te voelen. Zijn ‘pantser moet aan gort’. Om de Stad binnen te komen, wordt Boku geacht zijn ‘schaduw’ achter te laten. Daardoor vergeet hij zijn vroegere identiteit. Sinds hun schaduwen zijn gestorven, hebben de Stadsbewoners geen ‘geest’ meer. Geen spontane ‘eigenheid’. Liefde, verdriet, vreugde, angst, geluk, wanhoop, hoop en saamhorigheid verdwijnen wanneer de schaduw sterft. Boku verliest zelfs zijn naam. In de Stad wordt alles statisch. Verlangen, doel, richting, waarom, waartoe, toekomst en verleden zijn geen issues: de Stadsbewoners leven veilig en vredig in een eeuwig nu. Elke dynamiek en iedere onzekerheid zijn uitgebannen. Ziedaar het paradijs: de mens, genoodzaakt tot eeuwige herhaling van hetzelfde. Boku ontsnapt naar het woud buiten de Stad, maar herenigt zich daar niet met zijn schaduw — dat is te simpel voor Murakami — maar met de bibliothecaresse van de Stad, op wie hij verliefd is. Aangestoken door hem krijgt ook zij haar geest terug. Boku beseft dat zijn vroegere identiteit hem in de problemen heeft gebracht. Hij wil daarom niet terugvallen in zijn oude leven, maar veranderen. Hij wil zichzelf overstijgen. Hij moet zich verheffen boven zijn ommuurde leven. Hij “… verkiest de innerlijke verdeeldheid boven de eeuwige gemoedsrust — zijn focus verschuift van zelfbehoud naar zelftransformatie …”.

 

De dood van God

De geest is niet de ‘persoon die je eigenlijk zou moeten zijn’ of je ‘ware stem’, schrijft De Boer, maar een ‘open ruimte’ die je ‘redt van verstarring’. Zie ook McGilchrist, die de wereld van de rechterhersenhelft ‘stil’ dan wel ‘stom’ noemt. “… Innerlijke verdeeldheid, het samenleven met de geest, verschijnt hier als een levensprincipe, als de voorwaarde voor verandering, beweging en groei…”. Je moet je gespletenheid dus juist omarmen. In de Stad bevindt zich een stoffige, bedompte bibliotheek waar geen boeken, maar dierenschedels worden bewaard. In een interessant betoog stelt De Boer dat de Stad onze huidige samenleving voorstelt. De schedels symboliseren het feit dat wij onze oude historische en religieuze geschriften niet meer begrijpen. Ze zijn onleesbaar geworden. De geschiedenis als zingevende, levende en bezielende traditie is onherkenbaar geworden en levert alleen nog vervreemding op. De situatie in de Stad zou je kunnen interpreteren als de situatie na ‘de dood van God’, à la Nietzsche. De moderne westerling dwaalt rond in een ‘oneindig niets’: “… Hij streeft enkel de instandhouding van de eigen status quo na: oneindige consumptie en spektakel tot het moment van ondergang…”. Murakami wil God niet reanimeren, maar doet een dappere poging om een antwoord te vinden op de spirituele verlangens van de goddeloze moderne mens. Het gaat om een houding die zich voedt met innerlijke verdeeldheid en de mogelijkheid tot een zinvolle zelftransformatie in zich bergt.

 

Beeldendans

In het werk van Murakami kijken zijn personages via spiegels hun gespletenheid vaak recht in de ogen. Veel personages lijken afgespleten persoonlijkheden dan wel zelfbeelden te zijn waarmee de protagonisten in het reine moeten zien te komen. Zie bijvoorbeeld het ideaalbeeld van de Kraai-jongen in “Kafka op het strand”. Hij staat voor ‘de toughste vijftienjarige op de hele wereld’ die Kafka wil worden. Om te zorgen dat je niet vastroest, niet verstart (zie mevrouw Saeki, die in haar tienerversie is blijven steken), moet je dansen met je beelden. Kafka kiest ervoor de dans met zijn lot voort te zetten. In Murakami’s boeken is er geen autonoom ‘Ik’ dat het leven van bovenaf dirigeert en evalueert: “… Murakami’s fictie laat precies zien hoe het leven zelf dit ‘Ik’ beïnvloedt en steeds tot een dynamisch spel uitnodigt…”. Wij kunnen helemaal niet worden wat we maar willen, zoals ons vaak is wijsgemaakt; we zijn afhankelijk van de omstandigheden.

 

Bevrijding

De Boer: “… Murakami’s fictie toont ons zowel de hardnekkigheid waarmee identiteit zich vormt als de noodzaak om zich boven dit identiteitsverhaal te verheffen, het eigen verhaal steeds te herschrijven, te ontmantelen en opnieuw op te bouwen…” Even verder: “… Hiermee wordt uiteraard niet bedoeld dat trauma’s niet reëel zijn, dat er geen gebeurtenissen bestaan die zo verschrikkelijk zijn dat ze nauwelijks te boven kunnen worden gekomen…”. Er zijn redenen te over voor Murakami’s protagonisten om zich in hun cocon op te sluiten. “… Wat hier naar voren wordt gebracht, is echter dat de intensiteit van het trauma niets afdoet aan het feit dat er altijd maar één oplossing bestaat: afstand nemen van de identiteit die dit trauma verleent en de mens bindt aan zijn verleden…”. We moeten af van onze slachtofferrol. Het leven heeft namelijk maling aan de verhalen die we onszelf vertellen om onze huidige toestand te rechtvaardigen. Als we ons in naam van ons trauma verzetten tegen de gebeurtenissen die van ons vragen dit verhaal radicaal te wijzigen, krijgen we alleen maar een verstard, leeg en beperkt leven terug. “… Het doel van deze verwerking is echter niet reconstructie en acceptatie van het verleden, zoals de psychoanalyse wil, maar deconstructie en afscheid. Niet verzoening met de eigen identiteit, maar bevrijding ervan. Daar waar psychoanalytische en neurologische theorieën de oplossing zien in het stabiliseren van de identiteit, veranderen deze oplossingen in Murakami’s fictie in obstakels op de weg naar zelftransformatie. In de verhouding van de personages tot hun zelfbeelden komt een gespletenheid aan het licht, een ruimte tussen de mens en zijn beelden: dat is de ruimte van vrijheid…”. Murakami’s personages verkiezen een open toekomst boven een zogenaamd vastgelegde identiteit. “… Het is in de gespletenheid ten opzichte van hun zelfbeelden dat Murakami’s protagonisten de rijkdom van het leven ontdekken…”. Wel iets om over na te denken in een tijd waarin ‘identiteit’ zo’n belangrijke rol speelt.

 

Liefde: een ‘koppig’ avontuur

De liefdes in Murakami’s boeken floreren niet wanneer ‘veiligheid’ de boventoon voert; wanneer de eigen levensstijl en het eigen zelfbeeld niet op het spel komen te staan. Denk aan de hedendaagse datingapps, waarbij je iemand uitkiest als een meubelstuk dat niet vloekt met de huidige inrichting van je woonkamer: “… Liefde wordt in deze opvatting gepresenteerd als iets wat het individuele leven probleemloos aanvult …”. Zo wordt liefde vanzelf saai, verkleind en ontdaan van intensiteit en betekenis. Naast een 'risicoloze' liefde die in het teken staat van zelfbehoud, komt in Murakami’s verhalen ook bijna altijd een liefde voor die de minnaar vraagt een transformatie te ondergaan. Deze ‘metafysische’ liefde herschikt de structuur van ons bestaan compleet en reorganiseert de wereld volledig. In de liefdesontmoeting wordt een nieuwe wereld zichtbaar, met een nieuwe leefwijze en een nieuwe wereldervaring. Liefde staat niet toe dat de partner ondergeschikt wordt gemaakt aan het eigen levenspad of de eigen wereldbeschouwing, noch dat de ander wordt gereduceerd tot een handige functie in het eigen bestaan: “… De primaire vijand van mijn liefde, degene die ik moet overwinnen, dat ben ikzelf …”. Twee dynamische wezens trekken elkaar naar een hoger plan, tenminste, als er ruimte voor verschil mag zijn. Daarvoor zijn ‘tijd’ en ‘trouw’ nodig (wat iets anders is dan ‘plicht’). Een liefdesrelatie die volledig wordt gestabiliseerd in rust, veiligheid en comfort, is de dood in de pot. Wanneer de dynamiek verdwijnt, is het hart eruit (zie Esther Perel). De liefde is een ‘koppig’ avontuur.

 

Het volgen van een ‘schaapachtig idee’

Hebben de personages in Murakami’s fictie een vrije wil? Gaan zijn verhalen over het ontdekken van de eigen innerlijke kern en het opheffen van gespletenheid, waardoor een autonoom individu ontstaat? In “De jacht op het verloren schaap” is het ‘schaap’ een ideologie die de mens binnendringt, zijn wil overneemt en hem een paradijselijk, maar nooit volledig doorzichtig idee laat nastreven. Uiteindelijk blijven zijn volgelingen leeg, apathisch en richtingloos achter. Zonder het ‘schaap’ zijn zij ‘niets’. De protagonist voelt hoe hij gemanipuleerd en gechanteerd wordt. Dat maakt zijn situatie ingewikkeld. In een koude kamer staat een lekker warm bed voor hem gespreid, waar hij zo in kan kruipen. Wat mij het meest verraste, is dat Murakami, net als Dirk De Wachter in “Wachten. Een levenshouding” en ikzelf ooit, de mens - vanwege het gat in zijn ziel - heeft gesymboliseerd als een ‘donut’. “… Het is net zoals het gat in een donut: of je iets als een leegte beschouwt of als iets dat bestaat, is uiteindelijk een metafysisch probleem dat de smaak van de donut in het geheel niet beïnvloedt…”, aldus de protagonist. Dat is natuurlijk zeer twijfelachtig. Juist door de ervaring van de leegte in zijn bestaan gaat hij op zoek naar ‘het verloren schaap’. Met andere woorden: wij willen die leegte vullen. Murakami beschrijft hoe zijn personages onder de macht komen van een ‘wil’ en een ‘idee’ die hen tot marionetten reduceert en zich boven hun leven plaatst. In eerste instantie gaat het daarbij daadwerkelijk om een zingevende en vitale wending: het biedt hun de mogelijkheid om aan hun lege levens te ontsnappen en geeft hun nieuwe energie. Het schaapachtige idee belooft het ware leven, maar in plaats van verruimend, leidt het in werkelijkheid tot een enorme inperking van het leven: “… volgt men een schaapachtig idee, dan wordt de mens een schaap…”. De personages onderwerpen zich niet, maar gaan op den duur een hevige strijd aan met het schaapachtige idee. Murakami laat echter zien dat er na de bevrijding van een schaapachtig idee altijd weer nieuwe schaapachtige ideeën opduiken die zich van je meester willen maken (zie Lucas 11:24-26). Volgens Murakami is onze vrijheid nooit totaal. We dansen met de omstandigheden. Er is evenzeer sprake van een eigen ‘wil’ als van een bewuste ‘overgave’.

 

De vloek

De oedipale vloek die de vader over Kafka in “Kafka op het strand” heeft uitgesproken, ‘ligt als een mechanisme in hem begraven’. “… Zijn vader heeft het zo vaak herhaald dat hij het gevoel heeft alsof de voorspelling met een beitel in zijn hersenen (staat) gegraveerd’…”. De vloek verheft zich als een ‘idee-fixe’ boven zijn leven. Dit doet denken aan mensen die worstelen met een streng religieuze opvoeding, waarin ze van kleins af aan te horen hebben gekregen dat ze waardeloos en totaal verdorven zouden zijn — ‘onbekwaam tot enig goed, geneigd tot alle kwaad’, aldus de Heidelbergse Catechismus — en bang zijn voor de hel (de poel die brandt van vuur en sulfer). Ook dat is een soort ‘vloek’ (zie "Mantel van angst" van Inge Bosscha). Door op pad te gaan, zoekt Kafka de confrontatie met de vloek. Via zijn verbeelding gaat hij de strijd ermee aan. Het is niet genoeg om weg te lopen van de vloek die zijn leven regeert; het idee-fixe moet worden ‘gedeconstrueerd’. “… Het is enkel in het doorleven van de vloek dat hij zich ervan verlost: hij laat zijn vaders vloek in zijn verbeelding van binnenuit exploderen. En in deze strijd met zijn vaders vloek ontwikkelt hij een ander zelfbeeld: de jongen die Kraai wordt genoemd…”. Wat hierbij van belang is, is dat de vloek niet langer ‘boven’ zijn leven staat, maar slechts een van de beelden in zijn leven is geworden, waartoe hij een gezonde afstand heeft ontwikkeld.

 

Op weg

Veel van Murakami’s hoofdpersonen lijken op zoek naar hun ‘echte zelf’, naar de ‘kiem’ van hun identiteit. Ondanks alle verwijzingen naar een waar zelf is er echter nooit een punt waarop de hoofdpersonen dit zelf bereiken. Zolang je bestaat ben je 'on tour'. Een gefixeerde identiteit staat je leven namelijk in de weg. Een autonome individualiteit legt je leven aan banden: je kunt geen kant meer op als je zelf voor altijd en eeuwig vastligt. De protagonisten geven zich aan het einde van het verhaal altijd ‘over aan de stroom’, zonder te weten waar die toe leidt. Alleen ‘de weg’ blijft over. Leven is een oneindige activiteit. Leven is een kunst. Het leven moet geleefd worden in termen van ‘mogelijkheden’ en ‘potentialiteit’. De ‘gespletenheid’ van Murakami’s personages zou je kunnen herleiden tot ‘these + antithese = synthese’. Die synthese ontwikkelt zich echter onherroepelijk tot een nieuwe these, die weer een nieuwe antithese oproept, en zo gaat dat door tot in de oneindigheid. Op die manier gaan wij 'van kracht tot kracht steeds voort', zoals de Bijbel het uitdrukt (zie De Psalmen 84:8). Murakami’s ‘ware kern’ doet mij heel erg denken aan Eric-Emmanuel Schmitt die in “Het evangelie volgens Pilatus” een kind laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik NIET mezelf …”. Dát is de essentie van de christelijke mystiek. De geestelijke kern die Murakami ‘leeg’ wil houden, kan voor een gelovige gevuld zijn met ‘het licht van God’, maar God zelf ‘zien’ wij niet (zie Exodus 33:20). Een gelovige is ook ‘op weg’ en ‘in ontwikkeling’. Zolang hij leeft, weet een gelovige evenmin ‘wat hij ooit zijn zal’ (zie 1 Johannes 3:2). Ook wij kijken in ‘spiegels’, als in raadselen (1 Korintiërs 13:12). De gelovige verlangt eveneens naar ‘transformatie’ en verkiest een ‘geestrijk’ boven een ‘geesteloos’ bestaan. Je kunt de Bijbel bijna naast Murakami’s verhalen leggen.

 

Uitgave: Amsterdam University Press – 2017, 203 blz., ISBN 978 946 298 172 0, € 26,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier