Menu

dinsdag 7 april 2026

Wond – Oksana Vasjakina

 


Michel Krielaars haalt in “Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga” (zie mijn vorige blog) queerschrijfster en feministe Oksana Vasjakina (1989) aan. In “Wond” gaat het onder andere over ‘het grote zwijgen’ in Stalins Sovjet-Unie. Niemand vertrouwde elkaar. De pijn en boosheid die niet mochten worden geuit, werkten door in de volgende generaties. Rusland is een getraumatiseerd land, aldus Vasjakina: “… Op een bepaalde manier waren we allemaal verwond en ervoeren het leven als ondraaglijk…”. “Wond” is een deels autobiografisch verhaal over een jonge vrouw die een rituele reis door Rusland maakt om de as van haar overleden moeder terug te brengen naar haar geboortestreek in Siberië, waar de urn wordt begraven. Vasjakina verweeft verschillende genres: jeugdherinneringen, notities, gedachten, gedichten, essays, brieven en dagboekaantekeningen. Met behulp van haar fantasie probeert ze in het hoofd van haar stervende moeder te kruipen, te voelen wat zij voelt. Naast rouw is ook de ontdekking van haar lesbische identiteit een groot thema. Juist daarom mag haar boek in Rusland officieel niet verkocht worden. Met alle gekte die daarbij komt kijken, en een moeder die de mentale worstelingen van haar dochter niet begrijpt, deed “Wond” me een beetje denken aan “De glazen stolp” van Sylvia Plath.

 

Het Westen

In Rusland bestaan allerlei rituelen rond een overlijden. Vasjakina vertelt dat de vroegere buurvrouw haar moeder een maand lang wijwater heeft laten drinken: drie eetlepels met een gebed in de ochtend en drie eetlepels met een gebed in de avond. Er kwam een priester opdagen om haar biecht aan te horen, ook al had ze niets met de orthodoxe kerk. Mensen zeggen dat het een goed voorteken is als het regent wanneer iemand wordt begraven: dan huilt de natuur. De vriend van haar moeder beweert dat je niets mag weggooien van een rouwmaaltijd en dat je alleen met een lepel mag eten. Er wordt iemand geregeld die Vasjakina over de grauwe steppe naar een crematorium rijdt om de as van haar moeder op te halen. De man achter het stuur begint direct te foeteren: “… waar zijn ze daar in het Westen nou eigenlijk mee bezig, vroeg hij. Een beetje lopen dansen in rare glimmende broekjes, die flikkers, maar wat doen ze als het oorlog wordt? Ja, wat nou als het oorlog wordt? Seksuele voorlichting, wat een pervers gedoe, zei-ie. Een kind moet op de kleuterschool leren hoe je een Kalasjnikov vasthoudt…”. Hij zegt dat hij met een Duitse vriend heeft geskypet die zeker weet dat er een derde wereldoorlog aan zit te komen (maar zij hebben atoomwapens). “… Zelf gaat hij zijn kleinzoon leren hoe je een automatisch geweer uit elkaar haalt en weer in elkaar zet, dan weet die jongen tenminste hoe dat moet. Dat is wat je nodig hebt, die viezerikken in Amerika kunnen als ze drie zijn niks anders dan een condoom vasthouden. Maar onze kindertjes, die kunnen een mitrailleur vasthouden vóór ze uit de luiers zijn. En als de oorlog begint, zal iedereen het vaderland verdedigen, jong en oud, iedereen verdedigt het vaderland. Een wip maken kan iedereen, daar heb je niet veel verstand voor nodig, maar liefde voor het vaderland – dat is een serieuze zaak…”. Vasjakina vraagt of hij alstublieft zijn mond wil houden. Ze gaan wél de as van haar moeder ophalen. Eerbiedig zwijgen is op zijn plaats.

 

Zij is mijn wond

Ze herinnert zich hoe ze als tienjarige met haar moeder een hele week in een derdeklas-slaapwagon door Rusland reisde en dat ze bijna stikten van het lachen om een coupégenoot die luid lag te snurken op de bovenste slaapplaats: “… het zorgde voor een soort extatische toenadering tot mijn moeder…”. Die was meestal ver te zoeken. Het doet me denken aan Dirk De Wachter, die als psychiater op zoek gaat naar de ‘hechtingspunten’ in iemands leven, onder de lagen van 'lastigheid en ongemak': “… ‘Under fifteen feet of pure white snow’, zou Nick Cave zeggen’…” (zie: “Wachten. Een levenshouding”). Haar moeder is overleden aan kanker: “… Een jaar lang wachten op de dood – dat is wachten op verdriet en opluchting tegelijkertijd. Een jaar wachten op de dood - dat is lang en pijnlijk…”. Haar moeder wilde niet praten. Ze keek zwijgend tv met nietsziende ogen. “… Zij is mijn wond, onlosmakelijk met mij verbonden…”

 

Bijgeloof

Een nicht denkt serieus dat de vrouwen in hun familie vervloekt zijn. Ze zijn allemaal mooi, maar niet gelukkig. Stuk voor stuk zitten ze opgescheept met mannen die zuipen, hen mishandelen, en vreemdgaan. Oksana Vasjakina heeft het idee dat haar nicht denkt dat zij aan de vloek probeert te ontkomen: “… Ik ben immers lesbisch en dat betekent dat ik geen vrouw ben, ik ben een soortement half man of half vrouw, of half kind. Of half mens…”. De moeder van Vasjakina mag dan niet gélovig zijn, ze is wel bijzonder bíjgelovig. Een tante neemt een foto van haar mee naar een helderziende, diep in de provincie. “… Die bekeek de foto en was meteen compleet van slag. Ze zei dat mijn moeder meer dan één keer vervloekt was. Haar armen en benen waren in zoveel zwarte draden gewikkeld dat het leek of ze in rook was gehuld. Ze zag er zwart uit en zou spoedig sterven…”. Er is helemaal geen vloek – het zijn de armoede, het beroerde milieu, de alcohol en het slechte leefpatroon, aldus Vasjakina. Maar in werkelijkheid is ze zelf eveneens doodsbang: “… Het voelt alsof die zware, zwarte smet ook op mijn leven drukt…”. Ze denkt dat allerlei vogels haar boodschappen overbrengen “… Iets heel ouds, iets van het platteland komt in mij naar boven als er vogels in de buurt zijn…” (zie ook: “Het vogelhuis” van Eva Meijer). Alle versies van haar moeder over het ontstaan van kanker zijn nogal esoterisch: “… Zo zei ze bijvoorbeeld dat iemand haar met kanker had besmet. Ze probeerde zich met soda en Joost mag weten wat voor kruiden van een vriendin uit Siberië te genezen. Ze had zelfs het idee gehad naar een sjamaan af te reizen, maar die nam haar niet aan als patiënt, met als reden dat hij mensen die een operatie hadden ondergaan niet kon genezen…”. Als Vasjakina haar moeder vertelt dat ze niet met een vriendin maar met een geliefde samenwoont, vraagt haar moeder wie haar met het boze oog heeft behekst. “… Ik kon me er niet toe brengen eenvoudigweg te zeggen dat je niet gedwongen wordt lesbisch te zijn. Dus zei ik maar dat ik met een vrouw samenleefde omdat ik met mannen geen geluk in de liefde had. Ik schaam me er nog voor. Dat was erg laf van me…”.

 

Lesbisch

Ze houdt van vrouwen - en heeft dat altijd gedaan: “… Mijn vriendinnen waren allemaal geen vriendinnen in de gebruikelijke betekenis van het woord. Ik koesterde bepaalde gevoelens voor ze…”. Pas veel later begrijpt ze dat dat bij anderen niet zo is. “… Ik voelde verdriet als mijn vriendinnen vriendjes kregen, een doffe pijn waar ik geen woorden voor kon vinden. Ik brandde van jaloezie en werd verscheurd door een gevoel van onrechtvaardigheid…”. Even verder: “… Ik had romances met jongens en mannen die niets te betekenen hadden, want ik koesterde geen gevoelens voor ze…”. Hun harde lijven stoten haar af. ’s Nachts ligt ze in bed te huilen omdat ze niet weet wat ze met haar stomme verkeringen aan moet, maar ze gaat er toch mee door, omdat dat nu eenmaal normaal is. Terwijl ze de lichamen van haar vriendinnen in stilte aanbidt, iets wat ze niet aan zichzelf kan toegeven. Hun vriendschap is niet te vergelijken met haar passie. “… De kloof van mijn onbevredigde gevoelens werd almaar dieper…”. Na een reeks ingewikkelde en ongezonde relaties beseft ze op een zeker moment dat als ze van zichzelf niet accepteert dat ze lesbisch is, ze haar hele verdere leven diepongelukkig zal blijven. “… Ook daarvoor was ik een lesbienne geweest, maar één die de weg kwijt was. Iemand die dacht iedereen, zichzelf incluis, om de tuin te kunnen leiden…”. Ze verwijst naar het Zweedse spreekwoord ‘achter de berg ligt nog een berg’. “… Toen ik besefte dat ik lesbisch was, zag ik een berg voor me die stukken hoger was dan de bergen die ik eerder bedwongen had…”. Hoe leer je met een vrouw samen te leven, elkaar te begrijpen in het dagelijks leven? Met mannen heb je de geijkte rolmodellen van een gezin voor ogen. “… Maar met vrouwen liep ik altijd tegen het levensgrote probleem aan dat je nergens een lesbische manier van leven voorgeschoteld krijgt…”. En hoe ga je om met de buitenwereld? Op een feestje doet haar eerste partner net alsof ze elkaar niet kennen. De relaties in haar studententijd aan het literatuurinstituut mislukken keer op keer: “… Ik dacht dat ik een verdorven, gebroken type was met een gebrekkig ontwikkeld gevoel zonder ervaring met het leven…”.

 

Een echte vrouw

Over haar moeder: “… Mama was een echte vrouw. Een vrouw in het kwadraat. Een vrouwelijke vrouw. EEN VROUW….”. Hoe moet je je als dochter sowieso verhouden tot zo een perfect wezen? De borstamputatie van haar moeder doet haar denken aan de kunstwerken van de heilige Agatha, die een dienblad met haar afgesneden borsten vasthoudt. Zie Donna Tartt in “De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. “… De afbeeldingen zijn even afschuwelijk als onweerstaanbaar. Als je iets verschrikkelijks ziet dan kun je je ogen er niet van afhouden. Je moet wel kijken en ervaart tegelijkertijd een groeiende fysieke afkeer…”. Zelfs oog in oog met de dood wil haar moeder haar drie kilo zware siliconenborstprothese omdoen voordat de dokter komt. “… Omdat het in Volsjski heel warm was kon ze geen pruik verdragen en droeg ze alleen een hoofddoek om haar kale hoofd. Ze zag eruit als een waarzegster, een piraat of een olifantendompteur. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat de amazones zichzelf een borst afsneden om gemakkelijker hun wapenriem over hun schouder te kunnen dragen. Maar mama was geen amazone; zij was een vrouwelijke vrouw, die zich schaamde voor haar ziekte, die zich schaamde dat ze de belangrijkste attributen van een vrouw kwijt was: haar haar en haar borst…”. Haar moeder sterft op 18 februari, de dag van Sint Agatha. “… Zij wordt op Sicilië vereerd vanwege haar vermogen vuur te weren. Bij een uitbarsting van de Etna droeg men haar relikwieën naar buiten en de bevolking werd gespaard. Ik heb mijn moeder twee dagen na haar dood laten cremeren…”.

 

Onzinnige gedachten

De periode vóór de dood van haar moeder raakt Vasjakina geobsedeerd door de gedachte dat iedere minuut in haar nabijheid kostbaar en belangrijk is en de mogelijkheid biedt om haar iets te zeggen, iets van haar te horen of gewoon in de buurt te zijn en haar gevoelens te tonen. In plaats daarvan zwijgen ze en kijken ze naar stomme misdaadseries. Ze heeft niet in de gaten dat haar wegkwijnende moeder het al moeilijk genoeg heeft om er nog een beetje te ‘zijn’. Ze gaat naar een boekhandel omdat ze denkt dat boeken kunnen helpen dingen te verwerken. Ze komt thuis met “Het steile pad” van Jevgina Ginzburg en “Kankerpaviljoen” van Alexander Solzjenitsyn, schrijvers waar Michel Krielaars het ook over heeft – zie mijn vorige blog. “… Wie zei dat lectuur vlak voor de dood makkelijk of hoopgevend moet zijn? Moet je überhaupt lezen vlak voor de dood? Wat is de zin van boeken lezen op dat moment? Ik stelde me voor dat het niet mijn moeder was die doodging, maar ikzelf. Wat zou ik dan willen lezen? Zou ik ertoe in staat zijn, of zou ik een vriend of familielid vragen me hardop voor te lezen? Waarom krijg ik zulke onzinnige gedachten?...”.

 

Een vrouw in een lastig parket

Ze schrijft dat haar moeder treintickets vervalste waarvoor ze op haar werk een reisvergoeding kreeg: “… Mijn moeder was geen oplichtster, gewoon een vrouw in een lastig parket. Een alleenstaande moeder die te veel dronk, met een vent die van haar centen leefde. Alles wat ze kocht moest gebruikt worden, al het eten dat ze klaarmaakte moest opgegeten. Ik schaam me nog steeds wanneer ik iets niet opeet en dagenlang in de koelkast laat staan, terwijl ik alweer iets nieuws, iets anders zit te eten…”. Ze vertelt over de mannen met wie haar moeder leefde en een kwelling voor haar waren. Ze brachten haar zwaar aan de drank. Ze herinnert zich dat haar moeder opmerkte dat bloemen sterker ruiken wanneer er ruzie wordt gemaakt: “… De plant voedt zich met kwade energie, zei ze…”. Ze heeft het ook over de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang die in “De vegetariër” stelt dat je een plant moet worden.

 

Wachten

Vasjakina ervaart het wachten heel anders dan Dirk De Wachter: zie mijn blog over “Wachten. Een levenshouding”. “… Op iets wachten betekent dat de tijd je van je stuk brengt, vanbinnen aan je vreet, innerlijke ruimte biedt aan angst en onrust. Maar hoe wacht je de dood af? Wat is de innerlijke monoloog van een stervende?...”. De lange, logge, stroperige tijd kan oneindig lang duren. “… Komt er ooit een eind aan? Als de dood intreedt, dan is het voorbij. Iedere grens is de dood, je beurt afwachten voor de kassa in de supermarkt, het wachten op een pakje, het wachten op een vriendin die te laat is…”. Het flatje van haar moeder is zo klein dat haar lief in de keuken slaapt “… met zijn benen tegen de wasmachine en zijn hoofd tegen een kastdeur…”. Vasjakina slaapt zelf bij haar stervende moeder op een slaapbank in de woonkamer, met haar hoofd aan haar voeteneinde. Ze probeert te beschrijven hoe dat voelt maar ze is “… met stomheid geslagen…”.  Ze moet zichzelf dwingen te beseffen wat er gebeurt: “… Ik voelde niets, net als je verhemelte na de prik bij de tandarts. In gedachten betastte ik mezelf en praatte tegen mezelf als door dik melkglas…”.

 

Tomeloze onbeantwoorde liefde

Tussendoor schrijft Vasjakina over de dichteres Anna Barkova, die tijdens haar verbanning de liefde voor een medegevangene zo sterk ervoer dat de donkere gevangenisbarak erdoor werd verlicht: “… Het geheugen wijzigt de kleur, het licht en de geur van de ruimte…”. Het is hartverscheurend als ze schrijft dat haar moeder niet van haar hield: “… Terwijl ik haar verafgoodde met alle vezels in mijn lijf. Maar mettertijd ging die liefde over in doffe pijn en gekrenktheid die heel diep zaten. Temeer omdat ze wel van mannen kon en wilde houden, maar niet van mij…”. Ze was de enige die ze had, haar vader overleed aan aids na lang aan heroīne verslaafd te zijn geweest. Ze heeft het over de koude blik van haar moeder: “… Een paar dagen voor haar dood hadden we een gesprek. Ze keek dwars door me heen, haar blik was als het ware niet op mij, maar op alles om ons heen gericht, alsof ik onderdeel van het meubilair was, een krukje of een televisiemeubel…”. Haar lief mag nog tien jaar in haar flat wonen. “… Ze twijfelde er kennelijk niet aan dat ik, net als onkruid, overal wel zou overleven. Maar die hulpeloze kerel van haar zou het zonder haar postume zorg niet redden. Typisch mijn moeder. Ze koos voor haar mannen, niet voor mij…”. Het maakt Vasjakina dodelijk jaloers, verbitterd en boos: “… Zij was van mij en toch behoorde ze mij niet toe…”. Geen hechting. Geen verbinding. Ze heeft het over haar eigen eeuwige narcistische gedraai, waarmee ze in haar eenzaamheid zichzelf probeert te vinden, hopend dat de leegte een tikkeltje minder wordt. Vasjakina: “… Na haar dood jubelde ik vanbinnen. Mama was nu van mij…”. Ze kan met haar lichaam doen wat ze wil. Ze kan haar zelfgekozen woorden in de mond leggen. Wanneer ze met de urn naar haar appartement in Moskou reist, duikt het enorme Moederland-standbeeld achter de heuvels op. Haar moeder was een trotse vrouw, schrijft ze. Even sterk als ongelukkig. Een koningin. Een tsaritsa.

 

Genderhemel

In de lesboscene in Moskou accepteren de verschillende types elkaar nauwelijks. Androgyne ‘dykes’ worden erg gewaardeerd. Feminiene meisjes, ‘femmes’, worden met een zeker dedain bekeken. Maar over masculiene vrouwen, ‘butches’, wordt ronduit denigrerend gedaan. Ze zouden mannen imiteren en vechten op feestjes. De tweede golf feministes strijdt voor ‘oervrouwelijkheid’. Butches zouden ‘agentes van het patriarchaat’ zijn: “… Hoewel die essentialistische visie vrouwen vrouwelijkheid opdringt en hun het recht andere gedragsvarianten te vertonen onthoudt…”. Geen ‘regenboog’ te zien: “… alles wat de radicale uitersten van het genderspectrum benaderde was eng en werd afgekeurd. Met beide benen terug op de grond uit de hemel van de gendertheorie, kan ik zeggen dat masculiene vrouwen de feministen nog meer angst aanjoegen dan mannen…”. Vasjakina valt juist op dit soort vrouwen. Over de blik van een van hen: “… Een monsterende blik, een blik waaronder ik me kon ontspannen en me blootgeven, alsof ik mijn pantser kon afwerpen en mijn zachte kant tonen, me geheel aan haar onderwerpen. Haar blik was de sleutel die mij opende…”.

 

Matrix

Pas als ze dat over zichzelf heeft geleerd, ontmoet ze haar grote liefde, die ze later definieert als haar ‘steun en toeverlaat’: “… Alina was een paar jaar jonger dan ik, maar ik voelde aan dat zij iets had waar ik altijd dol op was geweest maar wat ik zelf niet voldoende had. Zij was autonoom, ze had haar eigen mening en gaf die niet op. Maar het punt was niet hoe ze zich gedroeg – ik zag dat haar blik de ruimte veranderde in een warme, veilige plek. In die ruimte kon ik lang verblijven zonder ergens aan te denken…”. Vasjakina heeft het vaak over de onveilige ‘matrix’ rond haar moeder. Met de matrix bedoelt ze iets als iemands uitstraling, denk ik. Het 'thuis-voelen' bij iemand bij wie je onvoorwaardelijk kunt zijn die je bent. Bij wie je niet op je qui-vive hoeft te zijn. Als haar moeder haar als kleuter bij haar vader achterliet wanneer ze moest werken, werd het een chaos: “… Mijn moeder was de matrix, zij structureerde tijd en ruimte. Mijn vader voerde me plakkerige macaroni en zijn vrienden hingen rond in onze flat. Hij bracht me niet naar de kleuterschool, ik was helemaal alleen. Op tv kon ik maar twee zenders kijken, waar niets op te zien was wat ik interessant vond. Ik moest het als vijfjarige zelf maar uitzoeken…”. Even verder: “… Ik zou veel dingen willen vergeten – het geweld, mijn gevoel van vervreemding, de armoede…”. Alina biedt die matrix wel: “… Alina’s donkere, grote, warme ogen keken mij aan en ik kwam tot rust als zij in de buurt was…”. Vasjakina: … De dood van een vrouw verwoest de wereld van de mensen om haar heen. Die wereld schrompelt ineen…”. De dood van een vrouw, zelfs van een hardvochtige vrouw, is anders dan de dood van een man: “… Een vrouw is degene die je wereld omsluit en waarborgt. Zij is degene die je de toekomst geeft en voor jou een plek bewaart in het verleden. Zij is het uitgangspunt van je ervaringen en de interpretatie ervan. Toen zij dood was, stond ik ineens naakt op de weg…”. Even verder: “… Een vrouw is niet te scheiden van de ruimte…” en “… Als een vrouw doodgaat implodeert de ruimte…”.

 

Depressief

Af en toe blijkt dat ze veel last heeft van depressies. Ze komt tijden niet buiten. Ze kan nauwelijks van de kamer naar de keuken lopen om haar notebook te pakken: “… De artsen bedachten het ene na het andere medicatieplan voor me, maar geen ervan sloeg aan. Door al die pillen ging het alleen maar slechter. Ik werkte op afstand…”. Even verder: “… Er liggen zoveel dingen in het verleden, dat ik het gevoel heb dat ik door een gaas naar de wereld kijk. Die dingen zijn als een net over mijn hoofd gegooid…”. Op een gegeven moment denkt ze dat iedereen gedichten kan schrijven, behalve zij: “… Gedichten schrijven is als aan de huid van een steen likken. Of als luisteren naar het geritsel van het afzetlint in een speeltuin…”. Haar moeder leidde een losbandig leven, schrijft Vasjakina. Ze zag veel dat een kind niet hoort te zien: “… Mijn moeder stelde me regelmatig aan gevaar bloot. Op momenten dat een dronken minnaar haar achtervolgde en over het balkon het appartement binnen klom, vluchtte zij het huis uit naar een vriendin. En mij liet ze alleen achter, alleen met die vreselijke kerel. Waarom nam ze me niet mee?...”. Het voortdurende gevoel van gevaar waar ze jaren mee moest dealen, maakt dat ze niet tegen open ramen kan en niet op een benedenverdieping wil wonen: “… als ik in het trapportaal geluid hoor, breekt het zweet me uit en krijg ik een paniekaanval…”.

 

Over de liefde schrijven

Ik dacht aan Camilla Paglia die in “Het seksuele masker” schrijft dat lesbische seksualiteit anders is dan mannelijke homoseksualiteit. Vasjakina: “… Ik wil niet in de ketel van hete, kleffe anonimiteit springen. Ik heb verstand, karakter, ervaring en ik wil kijken naar wat boven de buik is…”. Ze weigert een ‘vagina op pootjes’ te zijn. Ze wil over ‘de ruimte van een kamer’ schrijven, waar elkaar ontmoetende blikken in de schemering warmte en verbinding voortbrengen. Weer die matrix. Schrijven betekent ‘langzaam dichterbij komen’. “… Wat wilde ik zeggen?...”. Schrijven is een weg. Soms eindigt een weg in een lus: “… Ik wilde eigenlijk alleen over de liefde schrijven. Schrijven is dichterbij de liefde komen…”.

 

Dodenmaal

Twee maanden lang heeft Vasjakina de as van haar moeder in huis: “… Ik keek er vaak naar en praatte er ook mee…”. Ze organiseert een ‘dodenmaal’: “… ik wilde een avondlijk treffen met wijn, bloemen, hummus, gesprekken over de dood, het stervensproces en rouw. Ik las gedichten over mijn moeder. Ik schoot vol en eindelijk voelde ik verdriet. Ik geloof dat dat het moment was dat ik begreep wat de zin is van rituelen rond een begrafenis. Het medeleven van anderen rond de dood is onmisbaar. Rond het sterven zie je wie tot jouw gemeenschap behoort. Ik had het medelevenmechanisme in gang gezet…” (zie ook “Door de sneeuw” van Tommie Goerz). 

 

Weven

Vasjakina beschrijft schrijven als ‘weven’ en brengt dit in verband met de enge vrouwtjesspin in de werken van kunstenares Louise Bourgeois, die symbool staat voor het moederlijk huis. Bourgeois herinnerde zich haar verschrikkelijke moeder zittend achter een weefgetouw. Haar giftige, kleverige, verstikkende draad is een metafoor voor de controlefreak die ze was. Haar huis was een kooi. “… Niet de vader houdt de weefster in de gaten, maar de moeder…” (zie ook Lisette Thooft in “De onverzadigbare vrouw”). Vasjakina: “… Zij is de seniore weefster, de ijzeren spin die een nauwsluitend web van zwijgen en geheimzinnigheid heeft gesponnen over de ruimte van het huis…”.

 

Tot in het derde en vierde geslacht

Per vliegtuig reist Vasjakina met de urn terug naar de taigastad waar ze vandaan komt: “… Ik geloof erin dat de mens lijkt op de plek waar hij is geboren en is opgegroeid. Vanbinnen lijk ik op een wild bos. Zelfs Alina merkt dat…”. Ze wordt opgevangen door haar peettante, eigenlijk een vriendin van haar moeder die veel voor haar heeft gezorgd. Het boek is niet alleen maar zwaar; sporadisch komt er ook wat humor om de hoek kijken. Ze vertelt hoe haar moeder haar naar het zeilkamp van haar peettante stuurde met een T-shirt van de Titanic. Bij een kampvuur bekijkt ze met een groep oude vriendinnen van haar moeder stoffige fotoalbums, waarbij de nodige verhalen worden opgedist. Vasjakina beschouwt haar schrijven als het belichten van duistere zaken met een kleine zaklantaarn. Ze vertelt over haar grimmige overgrootmoeder Olga, die te bang was om Stalin openlijk te beschimpen, ook al had hij de man van wie ze waanzinnig veel hield gefusilleerd. Het kind dat ze van haar geliefde kreeg ging dood in de door Stalin veroorzaakte hongersnood (zie mijn vorige blog). Daarna wachtte haar een ondraaglijk zwaar werk voor het leger. Met een etter van een kerel kreeg ze nog eens zes kinderen: “… Als je je kinderen niet kunt voeden, is het ook ingewikkeld van ze te houden…”. Als kringen in het water vloeit de pijn en boosheid door naar volgende generaties. Alsof een ondergrondse rivier de grond onder haar voeten wegspoelt, schrijft Vajakina, en voortdurend haar krachten ondermijnt.

 

Taal

Ze heeft last van achtervolgingswanen en hallucinaties. Het schrijven van haar boek functioneert als therapie. Langzaam heelt haar wond: “… Ik had het idee dat afscheid nemen van die wond betekende dat ik afstand doe van mijzelf, dat ik een deel van mezelf verlies…”. Ze rekt de tijd daarom zoveel ze kan. De relatie met haar moeder was misschien niet ideaal, maar ze gaf Vasjakina wél haar taal. Misschien is haar boodschap vooral dat we moeten wachten met oordelen over de ander – tot we in zijn schoenen staan.

 

Uitgave: Van Oorschot – 2024, vertaling Yolanda Bloemen & Seijo Epema, 264 blz., ISBN 978 902 821 404 0, 25,-

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

donderdag 2 april 2026

Rivier van bloed – Michel Krielaars

 


Subtitel: Een cultuurgeschiedenis van de Wolga 

 

Een minstens zo elegante, erudiete en belezen schrijver als Dirk De Wachter (zie mijn vorige blog) is Ruslanddeskundige Michel Krielaars (Amsterdam, 1961). Hij zakte met een cruiseschip de Wolga af en vertelt haar geschiedenis. Rusland blijkt even fascinerend als verschrikkelijk. ‘Beauty is terror’.  Als het citaat van Donna Tartt uit “De verborgen geschiedenis” érgens tot zijn recht komt, is het hier. Eerder besprak ik van Krielaars: “Het brilletje van Tsjechov”, “Alles voor het moederland” en “Oorlog met Rusland”.

 

De bron van de Wolga

De slagader van Rusland is de 3500 kilometer lange Wolga. Het land is gevormd rond haar rijke mythes en kan nog steeds niet accepteren dat het eind 1991 uiteen is gevallen. In wezen is Rusland de eeuwen door nauwelijks veranderd. Krielaars tuft met een oude Kia van de krant naar de bron van de Wolga in Volgoverchoje, een dorpje op een heuvel in de Valdajmoerassen. Er staat een houten kapelletje boven de plek waar het water sinds 1990 jaarlijks op 29 mei een zegen ontvangt: “… De tijd wordt dan even stilgezet om het eeuwige Rusland te benadrukken…”. Na zo’n driehonderd meter verschijnt de eerste brug over het stroompje waar op een monumentale steen de tekst is te lezen: “… Reiziger! Richt je ogen op de bron van de Wolga! Het is hier dat de pure grote Russische landen worden geboren. Hier ligt de oorsprong van de ziel van het Russische volk…”. Met de actualiteit van nu in het achterhoofd, zegt het alles over de aanspraken van het Kremlin op Oekraïne dat ooit tot deze Russische landen behoorde. Na zo’n drie kilometer doorklieft de Wolga een merengebied en wordt ze een echte rivier. 

 

Onder de knoet

De eerste stad die Krielaars aandoet is ‘de gele stad’ Tver, waar de satirische schrijver Michail Saltykov naar verbannen werd. Door Saltykovs “De geschiedenis van een stad” (1869-1870) begrijp je waarom Russen in de provincie zijn zoals ze zijn: zwijgzame passievelingen die zich kritiekloos onderwerpen aan de machthebbers van het moment, hoe idioot, contraproductief en destructief de afgedwongen maatregelen ook zijn. Patriottisme is het enige wat de bevolking doet opveren. Hier zijn de meeste aanhangers van de oorlog tegen Oekraïne te vinden. Saltykov beschrijft hoe mensen zonder leiding en zonder de knoet waar ze aan gewend zijn, niet weten wat ze met hun leven aan moeten. Een nieuwe bestuurder krijgt te horen dat ‘wet en waarheid bij hen niet bestaan’. Volk en leider houden elkaar in evenwicht, waardoor het land blijft zwabberen tussen straffe orde, chaos en anarchie. De nieuwe elite binnen de communistische heilstaat liet in Tver het ene na het andere schitterende gebouw verrijzen. Het stadspaleis van Catharina II de Grote bevat een schilderijengalerij met werk van de Russische grote schilders Konstantin Korovin, Isaak Levitan en Ilja Repin. De tsarina was een verwoed kunstverzamelaar: een vorm van machtsvertoon. Ze wilde de Russische steden moderniseren, maar het drong niet tot haar door dat dat streven niet strookte met haar autocratische opvattingen. In plaats van de geest van vrijheid te bevorderen, verleende ze de adel juist absolute macht over hun lijfeigenen.

 

Herrieschoppers

De lijdensweg van de Russische intelligentsia begint met Aleksandr Radissjtsjvev die in “Reis van Petersburg naar Moskou” (1790) de wantoestanden en het onrecht hekelde die hij tijdens zijn tocht door het barbaarse en primitieve Rusland van Catharina de Grote tegenkwam: “… Ik keek om me heen, mijn ziel werd gewond door het lijden van de mensheid...”. Zie Anna Achmatova. Zie Aleksandr Solzjenitsyn. Zie Varlam Sjalamov. Zijn roman bezorgde Radissjjtsjvev een verbanning naar Siberië, waar hij het niet uithield; hij verkoos de gifbeker. Tot op de dag van vandaag worden de intelligentsia door de meerderheid als herrieschoppers beschouwd. Het aantal getalenteerde intellectuelen, schrijvers en kunstenaars dat onder Lenin en Stalin omkwam, loopt in de duizenden. Krielaars beschrijft de grafkuilen van Mednoye, een historisch rivierdorp, waar tweeëntwintigduizend Poolse officieren en leden van de Poolse elite hun einde vonden. De reden: Lenin wilde de onafhankelijkheid van Polen en de Baltische landen ongedaan maken. Moskou schoof de slachtpartij in de schoenen van de nazi’s. Pas in 1990 gaf Gorbatsjov, die niet bang was voor de waarheid, toe dat de NKVD verantwoordelijk was voor het bloedbad. In 2023 werden er op de herdenkingsplaats ineens bustes van Stalin, Lenin, Kalinin en Feliks Dzerzjinski (bijgenaamd ‘IJzeren Feliks’, de oprichter van Lenins geheime politie) geplaatst. Dat zegt genoeg over het Poetinregime.

 

Jagersverhalen

Tijdens het verstikkende regime van tsaar Nicolaas I groeide op een landgoed bij het dorp Prjamoechino de anarchistische denker Bakoenin op. “… De geheime politie was overal. Er was geen officier, schrijver, geleerde of student die niet in de gaten werd gehouden…”. Toergenjev ging bij hem op de thee en gaf in zijn “Notities van een jager” (1852) een beeld van de wantoestanden onder de lijfeigenen. Mede door dit boek schafte de liberale tsaar Alexander II de lijfeigenschap af. Ivan Krylov (1768-1844) slenterde langs de oevers van de Wolga rond, luisterend naar de gesprekken van vissers, schippers en slepers. Hij deed er ongetwijfeld inspiratie op voor de bijna tweehonderd fabels die hij tijdens zijn leven zou schrijven, waarin hij vooral de overdaad aan luie, incompetente ambtenaren aan de kaak stelt – opnieuw zo’n constante in de Russische geschiedenis. Onderweg doet Krielaars ook nog het stadje Klin aan, waar Tsjaikovski het laatste jaar van zijn leven woonde.

 

Het grote zwijgen

In Moskou boekt Krielaars een passage op Wolgakruiser ‘Het Zwanenmeer’. Het schip ligt te wachten in een schitterende rivierterminal, gebouwd op het hoogtepunt van de Stalinterreur in 1937. Zie Svetlana Alexijevits in haar boek "Het einde van de rode mens". De meeste Sovjetburgers geloofden eenvoudig dat het socialisme tot een betere wereld zou leiden, ook al executeerde de staat tussen augustus 1936 en 1938 zo’n achthonderdduizend mensen vanwege ‘contrarevolutionaire activiteiten’. Krielaars heeft bejaarde Russen gekend die beweerden dat 1937 en 1938 de gelukkigste jaren van hun leven waren. Terwijl ze elke dag feestvierden, beschermde de grote leider hen tegen het boze buitenland - althans, zo werd het ervaren. Hij beschrijft de dromerige schoonheid van de neoclassicistische bouwwerken die Stalin overal liet neerzetten. Tegelijk heerste wijd en zijd ‘het grote zwijgen’: niemand vertrouwde elkaar. Zie queerschrijfster en feministe Oksana Vasjakina die in “Wond” over haar overgrootmoeder vertelt, wier grote liefde ter dood werd veroordeeld. Na zijn executie bracht ze een kind ter wereld dat binnen een jaar van de honger stierf. De verzwegen pijn en boosheid vloeiden door naar de volgende generaties. Het zwijgen vormde de achtergrond waartegen hun levens zich afspeelden: “… Op een bepaalde manier waren we allemaal verwond en ervoeren het leven als ondraaglijk…”. Zou dat automatische zwijgen de verklaring kunnen zijn voor de hardheid en meedogenloosheid van de Russische samenleving? Heeft een en ander te maken met het, van Dostojevski overgenomen, verlangen om door lijden een Christus te worden? Actrice Ljoebov Orlova beleefde haar gloriejaren als musicalster tijdens het schrikbewind van Stalin en veroorzaakte een ware rage. Ze kon niet eens goed zingen, maar voerde een aria op terwijl ze op haar handen liep. Hoe kon het dat er in de Sovjet-Unie zoveel grote kunst en schoonheid werd voortgebracht, terwijl er tegelijk een straatterreur woedde die miljoenen mensen het leven kostte? Wat merkten de sterren daarvan? Werkten ze mee aan de propaganda omdat ze geen andere keus hadden? Voor rationele westerlingen blijft deze dubbelmentaliteit moeilijk te doorgronden.

 

Ivan de Verschrikkelijke

Aan de hand van een oude Baedeker uit 1892, die Krielaars in een antiquariaat vond, herontdekt hij de geschiedenis van de plaatsen die hij bezoekt. Hij beschrijft hoe Ivan de Verschrikkelijke in de zestiende eeuw een machtssysteem van verdeel en heers opbouwde, met een nieuwe terreurelite van geüniformeerde ridder-monniken: de ‘opritsjniks’. Dit was een politieke politie die te paard het land doortrok, gehuld in zwarte pijen met capuchons. Aan hun zadels bungelden bezems en hondenkoppen. “… Ze gingen ongekend tekeer, plunderden landgoederen van lokale edelen, verkrachtten hun vrouwen en vermoordden hun families, vrienden en bedienden…”. Aan boord zegt een piepjonge reisleidster dat het overal in Rusland chaos is: “… Daarom hebben we weer een leider als Stalin nodig, die orde en rust brengt…”. Ook al ging dat gepaard met miljoenen doden. Het uitgegraven Moskoukanaal naar de Wolga vormde het beginpunt van Stalins eerste vijfjarenplan, waarvoor al het graan op het platteland in beslag werd genomen. “… Daardoor zouden in totaal zeven miljoen boeren en hun gezinnen van de honger omkomen – nog eens miljoenen werden naar het oosten gedeporteerd. Voor Stalin en zijn handlangers was dat een bijkomstigheid…”. Rusland moest naar een nieuwe tijd worden gebracht.

 

Het Derde Rome

De Mongoolse nomadenvorst Dzjengis Khan stichtte aan het begin van de dertiende eeuw het grootste imperium dat Eurazië ooit heeft gekend. Rusland werd geregeerd door vorsten die belasting moesten betalen aan deze Mongolen. Moskou groeide evenwel uit tot een steeds machtiger vorstendom. De stad werd bovendien de zetel van de metropoliet van de Russisch-orthodoxe kerk. Wetten deden er niet toe; alleen de wil van de vorst gold. Krielaars vertelt een absurd verhaal over ene graaf Benckendorff, “… iemand die zijn eigen naam niet kon onthouden en deze altijd van zijn visitekaartje moest aflezen…”. Vorst Ivan III begon zich ‘tsaar’ te noemen, een verbastering van ‘caesar’. Hij voerde ook de dubbelkoppige adelaar in en startte de bouw van het Kremlin. Ivan claimde dat hij alleen verantwoording verschuldigd was aan God; zijn onderdanen dienden zich als zijn slaven te beschouwen. “… In 1453 viel Constantinopel en kwam er een einde aan het Oost-Romeinse Rijk. Vanaf dat moment beschouwde Moskou zich als het Derde Rome en daarmee als het centrum van zowel het orthodoxe christendom als van de westerse beschaving. De heerser van dat rijk gold als de belangrijkste man ter wereld…” (zie ook: “Poetins filosoof. Alexander Doegin” van Victor Kal). Poetin probeert dat imago eveneens hoog te houden: Rusland is de enige authentieke christelijke natie - in het decadente Westen bestaat het ware christendom niet meer.

 

Wat te doen?

Er wordt afgemeerd bij het (gedeeltelijk) verdronken stadje Kaljazin: het Russische Atlantis. Stalin liet het onder water lopen vanwege de bouw van een waterkrachtcentrale. De toren van de Nicolaaskerk steekt nog boven de waterspiegel uit. De onmenselijke hardvochtigheid van Stalin en zijn kameraden valt volgens sommigen te herleiden tot de opruiende roman “Wat te doen?” (1863) van Nikolaj Tsjernysjevski. Het verhaal gaat over een zestienjarig meisje dat haar ouderlijk huis ontvlucht uit verzet tegen een gedwongen huwelijk, wat haar tot een van de eerste feministische figuren in de Russische literatuur maakt. Het meisje sticht een gemeenschap van gelijkgestemde ‘nieuwe mensen’. Een bijfiguur is de asceet Rachmetov, die zich opoffert voor zijn volk: hij slaapt op een spijkerbed en geeft alle lichamelijke genoegens op om zich volledig aan de revolutie te wijden. Lenin herkende zichzelf en zijn bolsjewieken hierin. Hij schreef een pamflet met dezelfde titel, waarin kille machtspolitiek de boventoon voert. Nabokov zou in “De gave” de draak steken met de esthetische en literaire opvattingen van Tsjernysjevski.

 

Veroordeelde klok

In Oeglitsj is de belangrijkste bezienswaardigheid de ‘Bloedkerk’, opgedragen aan de heilige tsarevitsj Dmitri, die op achtjarige leeftijd de keel werd doorgesneden. Daarna kwam de stad in opstand tegen de opvolgende heerser Boris Godoenov. Het stadswapen bevat, toepasselijk, de tsarenzoon met een mes in de hand. Boris strafte niet alleen de opstandelingen, maar ook de stormklok die de dood van de tsarevitsj had verkondigd. De tong - oftewel de klepel - werd uitgerukt, en in plaats van oren werd het ophangmechanisme afgehakt. Beiden kregen twaalf zweepslagen op de centrale marktplaats en werden samen met de mismaakten naar Siberië verbannen. Daar werd de klok opgesloten in een houten huis, waarop een bord werd gespijkerd met de tekst: ‘Eerste verbannen levenloze uit Oeglitsj’. In de anarchistische tijden die volgden diende zich trouwens de ene na de andere wonderlijk ‘opgestane’, valse Dmitri aan.

 

Alcoholisme

De tweede aanlegplaats is Mysjkin, oftewel ‘Muizenstad’, met zijn muizenmuseum. Hier bevindt zich ook het Smirnovmuseum, gewijd aan wodkamagnaat Pjotr Smirnov (1832-1898), ‘de Wodkakoning van Rusland’. Volgens de overlevering dronk hij zelf geen druppel. Waarschijnlijk heeft hij nooit geweten dat zijn uitvinding in de loop der jaren een nationale ramp zou worden. Zie ook het sarcastische “Moskou op sterk water” (1969) van Venedikt Jerofejev. De protagonist drinkt om te ontsnappen aan de beklemmende Sovjetsamenleving: zuipen als overlevingsstrategie in een dictatuur. Volgens veel vrouwen is er bijna geen gezonde man van middelbare leeftijd meer te vinden in Rusland. Zie Aleksandr Volodin, die het nationale liefdesleed krachtig en eenvoudig verwoordt in het toneelstuk ‘Geliefden laten zich niet van elkaar scheiden’.

 

Rivier van slavernij

Krielaars vertelt over Valeria Kapoestina, die veertien verhalen- en dichtbundels schreef over het door Stalins industrialisatie verdronken stadje Mologa. Hij heeft haar persoonlijk gekend. Volgens Kapoestina was iedereen als de dood voor Stalin. “… Gelukkig hebben we tegenwoordig een goede leider, Vladimir Vladimirovitsj Poetin, die door God is gezonden en van zijn volk houdt…”. Door de klimaatcrisis rijst het stadje soms ineens als een wonder boven de waterspiegel uit. Nikolay Nekrasov beschrijft de Wolga als een rivier van slavernij, vanwege de ‘Wolgaslepers’ die de volgeladen koopvaardijschepen stroomopwaarts moesten trekken. Zie het beroemde schilderij van Ilja Repin. In zijn tijd waren er zeshonderdduizend slepers actief op de rivier. Desondanks verkiest Fjodor Glinka in zijn “Brieven van een Russische officier” (1816) de woestheid van het Wolgagebied boven het pastorale Europese landschap. Voor Sergej Aksakov in “Een jeugd in Rusland” (1858) en Ivan Gontsjarov in “Oblomov” (1858) is de Wolga vooral lieflijk en mooi. De Tsjechische schrijver Jiří Weil beschrijft in “De hartslag van Moskou” (1937) het uitputtende leven in een staalfabriek aan de Wolga: arbeiders werkten er in ploegendiensten als hamsters in een tredmolen.

 

Jevgenia Ginzburg

Vergeleken met de rest van Rusland is de prachtige koopmansstad Jaroslavl relatief welvarend, ontwikkeld en vrij. De stad is gegroeid uit de handelspost de ‘Berenhoek’, die grootvorst Jaroslav de Wijze er in 1010 stichtte. Volgens de legende doodde hij met een bijl de beer die de bevolking als een god vereerde - vandaar de beer en de bijl in het stadswapen. Stalin maakte van de leegstaande kerken en kloosters in zijn land gevangenissen. Schrijfster Jevgenia Ginzburg zat in eenzame opsluiting in een kloostercel in Jaroslavl (zie haar memoires). Zestien uur per dag was ze veroordeeld tot gedwongen niets doen. Boeken, gymnastiek of liggen was verboden. Ze trainde haar geheugen door zich alles van Poesjkin te herinneren. Afgesneden van alle indrukken van buitenaf kwam haar geheugen ineens tot bloei, vertelt ze. Iemand anders reciteerde en vertaalde Byrons “Don Juan”. Het was de enige manier om te overleven (zie ook “De zin van het bestaan” van Viktor Frankl). Ginzburg en haar medegevangenen waren opgelucht toen ze naar Siberië werden gedeporteerd: ze hoopten op een beetje zonneschijn en frisse lucht. De helft van het jaar was het echter donker en winter in Kolyma. Weinigen overleefden deze erbarmelijke streek. Veel ouderen denken nog steeds dat alle verschrikkingen verzonnen zijn: Stalin zou van niets hebben geweten.

 

Oudgelovigen

Na Jaroslavl zijn er steeds meer bossen, meren en moerassen te zien - het domein van de waternimfen uit de Russische mythologie, de roesalka’s, die jonge meisjes en knapen de diepte in lokken. Zelfs de botterik Peter de Grote was bang voor hen. De naar een vruchtbaarheidsgodin vernoemde stad Kostroma is beroemd vanwege de geniale iconenschilder Roebljov (1360-1430). De ‘Drie-eenheid’ met zijn magisch oranjerode kleuren brengt zelfs een ongelovige als Krielaars in hogere sferen. Sinds de val van het communisme is de Russisch-orthodoxe kerk weer even machtig als daarvoor. In plaats van hun ellende te analyseren, moeten de gelovigen aannemen dat het lijden een mysterie is. De radicale Russisch-orthodoxe geestelijkheid zegent de tanks, raketten en soldaten van Poetin. Bisschop Tichon Sjevkoenov, de spirituele leidsman van Poetin, wordt daarom wel vergeleken met Raspoetin. De zogeheten ‘oudgelovigen’ verzetten zich in zeventiende eeuw tegen de hervormingen van de Russisch-orthodoxe staatskerk. Ze werden meedogenloos vervolgd. Hun ethiek van eerlijkheid, oprechtheid, zuiverheid, discipline en vlijt maakte hen populair onder intellectuelen en kooplieden. Socioloog Max Weber zag dit als een variant van de protestantse ethiek. Zie het schilderij 'De bojarin Morozova' (1870) van Vasili Soerikov: let op de twee, in plaats van drie gekruiste vingers waarmee de oudgelovigen het kruisteken maken. Krielaars komt ook een wassen beeld tegen van de immens populaire romanheld Ostap Bender uit "De twaalf stoelen", die God noch gebod vreest. Zijn gevleugelde uitspraak ‘De zitting wordt voortgezet’ is inmiddels spreekwoordelijk geworden wanneer er iets mis dreigt te gaan in Rusland.

 

Rondlopen in een Dostojevski-roman

Het kleinste maar mooiste stadje aan de Wolga, Pljos, een centrum voor edelsmeden, is beroemd geworden door de schilderijen van Isaak Levitan. De inwoners vertellen Krielaars dat het er na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie alleen maar slechter op is geworden. Het wilde kapitalisme is vooral goed voor de voormalige communistische elite, die de weg in de jungle weet te vinden. Gewone Russen hebben het nakijken. Nu zakenmannen en zeker oligarchen het in Rusland voor het zeggen hebben en alles om winst lijkt te draaien, zijn de toneelstukken van Aleksndr Ostrovski, een slavofiel uit Kinesjma, actueler dan ooit. Ze gaan vooral over geldwolven in koopmansmilieus. Zie ook Dostojevski en zijn met orthodoxe mystiek omgeven oud-Russische beginselen. Volgens de schrijver kan de verlossing alleen maar voortkomen uit ‘het genie van de Slaven’. Zie ‘De legende van de grootinquisiteur’ uit “De gebroeders Karamazov”, waarin de mensheid de vrijheid die Christus aanbiedt verwerpt om, in ruil voor ‘brood en spelen’ - oftewel het socialisme - slaaf te blijven. Krielaars was ooit aspirant-lid van Karel van het Reves, ‘anti-Dostojevski-club’, totdat hij naar Moskou verhuisde en Dostojevski’s bordkartonnen personages, met hun woeste koppen en hysterische gedrag, dagelijks tegenkwam. “… Voortdurend bekroop me zelfs het gevoel in een van Dostojevski’s romans rond te lopen…”. Hij vertelt hoe hij ooit door een maniak met een bijl werd achtervolgd, die vond dat alle verdorven westerlingen dood moesten (een priester wist de gek tot bedaren te brengen).

 

Cinema

Het dorpje Zavraje is de geboorteplaats van regisseur Andrej Tarkovski (1932-1986). Zijn films behoren volgens kenners tot het beste uit de geschiedenis van de cinema. Het Sovjetregime was niet bepaald dol op hem, maar door zijn groeiende status in het Westen werd hij met rust gelaten. “… De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een enorme opleving van de oorlogsfilm, waarin het Rode Leger als een bijna messianistische organisatie werd voorgesteld die alleen helden telde. Tot op de dag van vandaag worden die films op de Russische televisie herhaald en houden ze de mythe in stand van een onoverwinnelijk land, dat tussen 1941 en 1945 28 miljoen burgers verloor in de strijd tegen de vijand uit het Westen…”. Het feit dat Oekraïners worden neergezet als ‘fascisten’ en Oekraïne als een land dat ‘gedenazificeerd’ moet worden, voedt het patriottisme voor Poetins ‘heilige’ zaak.

 

Gorki

In Pravdinsk staat de gigantische cellulose- en papierfabriek waar ooit de ‘Pravda’ werd gedrukt. De meest aansprekende hoofredacteur was Nikolaj Boecharin, die tot de goelag werd veroordeeld. Zijn weduwe schreef “De revolutie ging in het rood gekleed” over het showproces. Krielaars vertelt dat sommigen hun blik afwenden zodra hij bij het buffet zegt dat hij uit Nederland komt. “… Sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne zijn Russen veel minder dan vroeger geneigd om een praatje met westerlingen te maken…”. Sint-Petersburg is het hoofd van Rusland, Moskou het hart, maar Nizjni Novgorod (Gorki), de geboorteplaats van Maksim Gorki, de geldbuidel. Zie zijn roman “De moeder”. De stad werd wereldberoemd omdat de dissident Andrej Sacharov (de vader van de Russische waterstofbom) en zijn vrouw Jelena Bonner er regelmatig in hongerstaking gingen vanwege de wrede oorlog in Afghanistan. Karel van het Reve smokkelde een pamflet van de kernfysicus naar het Westen, waarin hij waarschuwt voor een kernoorlog. Maxim Gorki verkocht zijn ziel min of meer aan de duivel door de nieuwe ‘homo sovieticus’ in zijn boeken aan te prijzen. Hij stierf echter in verdachte omstandigheden. Was het regime bang dat de populaire Gorki uiteindelijk kritiek zou gaan leveren op de buitenissige showprocessen? Nisjni Novogorod werd groot door de oudgelovigen. Een van de opmerkelijkste figuren was de industrieel Nikolaj Borgrov, die zo uit een roman van Dickens weggelopen kan zijn. De helft van zijn vermogen schonk de miljonair aan goede doelen, zoals tehuizen voor alleenstaande moeders en weeskinderen. Jules Verne kreeg er in 2015 een standbeeld vanwege zijn boek “Michael Strogoff. De koerier van de tsaar”.

 

Tsjapajev

In Tsjeboksary bewondert Krielaars het enorme standbeeld van Vasili Tsjapajev, een legendarische volksheld van de bolsjewieken: “… Voor veel Russische kinderen is hij wat in het Westen Batman of Robin Hood is. Dat komt vooral doordat hij vereeuwigd is in de roman ‘Tsjapajev’ van Dmitri Foermanov en de daarop gebaseerde speelfilm uit 1934, die een cultstatus zou bereiken. Maar tegelijk is Tsjapajev een Russische Don Quichot, die met zijn knecht Petka voor menige anekdote zorgt…”. In 1996 maakte bestsellerauteur Viktor Pelevin Tsjapajev tot onderwerp van zijn sciencefictionroman “Tsjapajev en de leegte”. In de inleiding benadrukt hij ten stelligste dat hij dit keer de waarheid over Tsjapajev gaat vertellen, om vervolgens zijn pijlen op de leugenachtige ideologie van het communisme te richten.

 

Hongersnood

Kazan vormt de grens tussen Europees Rusland en Azië. De helft van de gelovige bewoners zijn Tartaars-islamitisch, de andere helft Russisch-orthodox. In de dorpen aan de Wolga lukte het de Communistische Partij om veel fanatieke jonge aanhangers voor haar zaak te winnen, vooral omdat moderniteit betekende: elektriciteit, kranten, boeken, de radio, de schrijfmachine, de bioscoop en het theater. De Tsjoevasjen waren nog altijd heidenen die afgoden vereerden. Krielaars stapt in de schoenen van de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth, die Kazan in 1926 ook bezocht. Hij vertelt over de massale hongersnood die het gebied tussen 1921 en 1923 teisterde. Veertig miljoen mensen hadden geen eten. In 1932 en 1933 braken er als gevolg van de collectivisatie opnieuw hongersnoden uit, vooral in Oekraïne. Roth: “… Ze aten katten, honden, raven, ratten en verhongerde kinderen. Ze beten hun handen open en dronken hun eigen bloed. Ze krabden in de aarde op zoek naar vette wormen en witte kalk, die het oog voor kaas aanzag. Twee uur nadat ze gegeten hadden stierven ze in grote pijn…”. Om de honger te bestrijden kwam er internationale hulp van de Amerikanen onder leiding van politicus Herbert Hoover en de Noorse Noordpoolonderzoeker Fridtjof Nansen. De doopsgezinde student theologie Frits Kuiper uit Amsterdam trok hoogstpersoonlijk naar Kazan. Uit zijn brieven blijkt dat de bolsjewieken hun eigen politieke doeleinden veel belangrijker vonden dan de nood onder de bevolking. Ook de Tartaarse Guzel Jachina schreef over de gruwel van de honger in “De trein naar Samarkand” (2021). Op de straten van de Russische steden en dorpen lagen overal hongerlijders die niet meer op hun benen konden staan. Mensen vermoordden elkaar om aan eten te komen: “… Ze aten leem en takken, werden letterlijk gek van de honger, moeders wierpen hun pasgeboren baby’s voor vertrekkende treinen om ze op die manier de hongerdood te besparen…”.

 

Getraumatiseerde samenleving

De erfenis van angsten, traumatische complexen en overlevingsmechanismen vormt een grote hindernis om een normale samenleving op te bouwen. Wegkijken is een manier om je psychisch te beschermen tegen de harde werkelijkheid van een dictatuur. Volgens de Moskouse psychoanalytica Marina Aroetjoenjan is heel Rusland een getraumatiseerde samenleving die gegijzeld wordt door een gewelddadig, verzwegen verleden. Toen Poetin aan de macht kwam, noemde ze Rusland zelfs een suïcidaal land: depressief en zonder levenskracht. Aroetjoenjan is een van de zeven hoofdpersonen in “De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland” (2018) van Masha Gessen. Anderen zijn de extreemrechtse, nationalistische filosoof Aleksandr Doegin, over wie ik eerder een blog schreef, en zijn tegenpool, de westers georiënteerde socioloog Lev Gudkov, die het huidige Rusland duidt als een pseudo-totalitaire staat. 

 

De Tempel voor Alle Religies

Het gekste wat Krielaars in Kazan tegenkomt is de ‘Tempel van Alle Religies’, een naam die inmiddels is veranderd in ‘Centrum voor Tolerantie’, van de in 2013 overleden kunstenaar Ildar Chanov. Hij zag het als zijn taak alle religies te verenigen. Christus zou hem in een droom zijn verschenen om hem op te dragen een ‘Kerk voor de Kosmos’ te bouwen. Het gebouw lijkt nog het meest op een sprookjespaleis uit de Efteling. De gebedsruimtes van negen van de zestien religies werden voltooid. Chanov verleende bovendien medische en psychische hulp met bio-energetica en massage. Na een brand is het complex geopend voor toeristen, die er massaal op af komen - alsof het een pretpark is.

 

Kiev en Moskou

Krielaars gaat bij de Mari langs, een Fins-Oegrische stam die bekendstaat als ‘de laatste heidenen van Europa’. De ‘kart’, de priester, bidt bij een gewijde berkenboom of een gewijde roos. Er zijn negen goden, met aan het hoofd de Grote Witte God. Alles staat in het teken van de vruchtbaarheid. Historici in Kiev en Moskou verdedigen vandaag ieder hun eigen oorsprongsgeschiedenis. Volgens de Oekraïners kwamen de Roes uit Scandinavië. Het eerste echte Russische vorstendom noemde zich Moskovië en had volgens hen niets met het Kievse Roes van doen. Toch zouden de Moskouse heersers later beweren dat het Kievse Roes de bakermat van Rusland was. Zie hier het drama dat tot de dag van vandaag door het regime van Poetin wordt voortgezet. Door de renaissance en de reformatie werd in Europa het humanistische denken gestimuleerd. In Rusland ontstond door de met geweld opgedrongen orthodoxie een autocratie. Als het ‘Derde Rome’ begon Rusland zijn buren als minderwaardige vijanden te beschouwen, met wie het in een permanente staat van oorlog verkeerde. Zie de Tweede Wereldoorlog. Zie de Koude Oorlog. Zie hoe Poetin de Russische economie in een oorlogseconomie heeft veranderd om, zo nodig, in de nabije toekomst een oorlog tegen de NAVO te beginnen.

 

De Vader des Vaderlands

Krielaars kent zelfs de Russische smartlappen uit zijn hoofd. ’s Avonds op het dek zingt hij ze luidkeels mee. Hij kan niet meer stuk. Ze meren af in Oeljanovsk, de geboortestad van Vladimir Iljitsj Oeljanov oftewel Lenin. De communistische heilige die ‘mensen met een ijzeren vuist naar het geluk leidde’. Lenin werd niet in de ban gedaan zoals Stalin (inmiddels heeft Poetin die ban opgeheven), alhoewel onder hem ook zeker anderhalf miljoen Russen de dood vonden. Zonder de hulp van de Duitse keizer Wilhelm II, een fanatiek tegenstander van de tsaar, was Lenin misschien wel nooit aan de macht gekomen (zie “Het duivelspact” van Sebastian Haffner). Hoe zou Rusland zich dan hebben ontwikkeld? In het ouderlijk huis van Lenin klinkt de Mondscheinsonate van Beethoven, waar hij van hield. “… Maar eenmaal aan de macht weigerde hij om nog naar muziek te luisteren, omdat die hem in verwarring zou kunnen brengen. Volgens de nieuwe heilsleer moesten alle wezenlijke emoties worden onderdrukt…”. Bij de kamer van Lenins oudere broer Aleksandr, die vanwege een aanslag op de tsaar werd geëxecuteerd: “… Zou Vladimir zonder die executie, een trauma dat hem liet radicaliseren, ooit de leider van de revolutie zijn geworden?...”. Oeljanovsk is ook de stad van de Dichter des Vaderlands: Poesjkin. En de geboortestad van Ivan Gontsjarov, de schrijver die de aartsluie held “Oblomov” (1859) op de wereld zette. Plus de stad van historicus Nikolaj Karamzin (1766-1826). Hij betoogde dat het verkeerd was om het Westen te imiteren en dat Rusland zijn eigen weg moest gaan.

 

De eindeloze, verlaten steppen

In het Zjigoeligebergte, beroemd door de legendarische zeerover Stenka Razin (1630-1671), doemt de autostad Toljatti op, de bakermat van de Lada. Inmiddels worden er vooral wapens geproduceerd. Het berglandschap verandert in heuvels en vervolgens in steppen. Krielaars doet de bierstad Samara aan. “… Burgers van alle leeftijden staan er te dringen om voor nog geen euro per liter hun jerrycans te vullen…”. Lisette Lewin noemt de stad ook in “Van Gorkistraat naar Beer-Sheva” (1984) dat gaat over de discriminatie van Joden die vanuit de Sovjet-Unie naar Israël wilden emigreren. Vervolgens wordt er richting Saratov gevaren. Het is alsof “… hier het enige echte eeuwige Rusland begint, het Rusland uit de mythes van de eindeloze, verlaten steppen. Die leegte heeft iets lugubers, omdat je je nergens kunt verschuilen…”. Ze passeren Syzran en Chvalynsk, de stad van de beroemde schilder Koezma Petrov-Vodkin (1878-1939). Zie ‘Het baden van het rode paard’ (1912) waarin sommigen een hymne voor Apollo zagen en anderen een voorbode van de aanstaande vernietiging van de wereld. Petrov-Vodkin geloofde dat de revolutie een geweldloze en menslievende gebeurtenis kon zijn: zie zijn ‘Madonna van Petrograd’ (1920). Zie ook de geïdealiseerde portretten van de dichteres Anna Achmatova en Lenin. Rond de stad Marx werd een Wolga-Duitse kolonie gesticht. Zie de roman “Wolgakinderen” (2019) van de Tartaarse schrijfster Guzel Jachina. De stad Saratov komt ook voor in de romans van Konstantin Fedin, die promotie maakte als secretaris-generaal van de Schrijversbond nadat hij de publicatie van Solzjenitsyns “Kankerpaviljoen” had verboden. In het boek worden de kwalen van de patiënten in een ziekenhuis vergeleken met de ‘kanker’ van de Sovjetdictatuur. Tijdens de Sovjet-Unie was Saratov een gesloten stad, omdat er een grote militaire vliegtuigfabriek stond. Saratov bracht ook de eerste ruimtevaarder, Joeri Gagarin, voort. Tot genoegen van de antireligieuze propaganda legde Nikita Chroesjtsov hem de woorden in de mond dat hij nergens in het heelal God was tegengekomen. In werkelijkheid zei Gagarin tegen zijn goede vriend Anton Pervoesjin dat een astronaut niet in de ruimte kon zweven zonder God in zijn hoofd en zijn hart. Maar deze overtuiging kon hij maar beter geheimhouden in het atheïstische regime.

 

Tweede Wereldoorlog

Krielaars’ reis nadert zijn finish in Wolgograd. “…Nu Rusland in oorlog is met Oekraïne en iedereen Stalin zijn misdaden tegen de menselijkheid lijkt te hebben vergeven, klinkt steeds vaker de roep om de stad zijn oude strijdnaam, Stalingrad, terug te geven…”. Hij bezoekt de gedenkplaats ‘Aan de Helden van de Slag bij Stalingrad’ met het reusachtige standbeeld van de Moeder van Rusland. Op de wanden van het pantheon staan de namen van 7.200 kameraden die, vaak in man-tegen-mangevechten, sneuvelden: “… De dood maakt hier een onuitwisbare indruk…”. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen er in de Sovjet-Unie meer dan zevenentwintig miljoen mannen, vrouwen en kinderen om. Niemand schreef zo begripvol en waarheidsgetrouw over de gewone soldaat als oorlogsverslaggever Vasili Grossman. Om herhaling van het schandaal rond Pasternaks “Dokter Zjivago” te voorkomen nam de KGB het script van zijn magnum opus “Leven en lot”, waaraan Grossman tien jaar had gewerkt, in beslag. Dirk De Wachter noemt het ‘het belangrijkste boek van de twintigste eeuw’ (zie mijn vorige blog). Het werd als een bedreiging voor de Sovjetstaat beschouwd. De kritiek gold voornamelijk Grossmans bewering dat nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie in feite elkaars spiegelbeeld waren en daarom allebei moreel falen vertoonden. Als een gebroken man schreef hij daarna nog de roman “Alles stroomt” – zie de blog die ik hier eerder over schreef. “Leven en lot” verscheen alsnog, zestien jaar na zijn dood, in Zwitserland. Vrienden van de schrijver hadden het manuscript verstopt. Onder Gorbatsjov werd het in de Sovjet-Unie gepubliceerd. Bijna even meeslepend is “De vuurtoren van Stalingrad” (2022) van de Britse historicus Ian MacGregor. De oorlog maakte honderdduizenden kinderen wees. Over hun lot schreef SvetlanaAlexijevitsj “De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog”. “… Rode draad daarin zijn kleine, vrolijke kinderen, die door een oorlog in getraumatiseerde zombies zijn veranderd…”.

 

Nachttrein naar Astrachan

De tocht eindigt in de nachttrein naar Astrachan, de poort Van Rusland, waar honderdvijftig nationaliteiten in vrede samenleven. Overal lopen Roma rond. Krielaars beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de Wolgadelta, die uitmondt in de Kaspische Zee. Om iets van de sfeer te proeven, kun je terecht bij Alexandre Dumas père. Legendarisch is de rebellenleider Jemeljan Poegatsjov. Krielaars behandelt het eurazianisme van historicus Lev Goemiljov (1886-1980), de futuristische, epische dichter Velimir Chlebnikov (1885-1922) en Andrej Palatonov in zijn roman “Dzjan” (1935). “… Vladimir Poetin heeft zich sinds de Majdan-opstand in 2014 opgeworpen als hun grote roerganger…”. Over de prelude van Modest Moessorgski’s opera ‘Chovansjitsjna’ die over het water schalt: “… Deze mythische klanken zijn verbonden met het Russische verleden en hebben zich onomkeerbaar genesteld in de mentaliteit van het Russische volk. Ze vertolken de vreselijkste wreedheden en zijn tegelijkertijd van een ongekende schoonheid en een diepreligieus gevoel dat zelfs bij ongelovigen bewondering afdwingt. Je hoort slechts een enkele keer een vrolijke noot, die klinkt alsof de zon na een lange duisternis weer even op volle kracht gaat schijnen…”.

 

Uitgave: Pluim – 2026, 336 blz., ISBN 978 949 342 050 2, 26,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier