Menu

dinsdag 19 juni 2018

Gloed – Sándor Márai


Volgens Adrian Raine in “Het gewelddadige brein” (zie mijn vorige blog) koestert 76 procent van de ‘normale’ mannen wel eens een moordfantasie. Voor ‘normale’ vrouwen ligt dat percentage iets lager: 62. “… Wie wil je vermoorden? Mannen denken daarbij aan collega’s, terwijl vrouwen hun familieleden willen ombrengen, vooral hun stiefouders…”. Het komt vrijwel nooit zover. ‘Iets’ houdt ons tegen: “… Datgene wat we een geweten noemen, komt tussenbeide. Dat geweten bestaat uit instinctieve reacties en gevoelens die deels door ons autonome zenuwstelsel worden opgeroepen en die ons bij de afgrond vandaan trekken…”. En even verder: “… We hebben het hier over een concert van klassieke conditionering en autonome reacties die ons inspireren tot, dan wel weerhouden van, het begaan van antisociale daden…”. Met de leeskring bespraken we “Gloed”, een prachtige, zware roman die draait om een níet gepleegde moord. “Gloed” verscheen voor het eerst in 1942 in Boedapest, maar werd pas een wereldwijde bestseller nadat het in 2001 in het Engels was vertaald. Sándor Márai (Hongarije 1900 – VS 1989), die zijn land vanwege het communisme in 1948 ontvluchtte, heeft het allemaal niet meer mee mogen maken. Hij pleegde tijdens zijn vrijwillige ballingschap in Amerika, nadat zijn vrouw en dochter waren overleden, vereenzaamd zelfmoord.

Sprookjesachtig

“Gloed” gaat over een oude generaal (73), die met zijn nog oudere min en huishoudster Nini (91), in een afgelegen kasteel in de donkere wouden aan de voet van de Karpaten woont. Iedereen houdt hij op afstand. Bezoekers worden ontvangen door zijn rentmeester in het jachthuis. Zelf blijft hij onzichtbaar, maar daar zijn de mensen inmiddels aan gewend. Bijna sprookjesachtig: “… In het kasteel kwam alleen de pastoor, eens per jaar, in de winter, om met krijt de namen Caspar, Melchior en Balthasar op de lateibalk boven de deur te schrijven…”. Op een dag verandert dit protocol. Een verloren vriend kondigt na eenenveertig jaar zijn komst aan: Konrád. Een pijnlijke geschiedenis vol hartzeer moet opgerakeld, uitgepraat en bijgelegd worden. Tijdens een diner voor twee. Of Nini de grote zaal in orde kan maken. De hoezen van de meubels wil trekken. Belegen wijnen kan laten aanrukken. De blauwe tafelkaarsen in de kandelabers wil laten branden. Voor het schilderij van zijn moeder laat de generaal zijn gedachten teruggaan naar het verleden. Hoe zijn vader en zijn moeder noodlottig verliefd op elkaar werden tijdens een dansavond van de Franse koning in de ambassade van Parijs. Zijn moeder die zijn vader volgde naar zijn stille kasteel in de van beren en wolven vergeven bossen, ver van de bewoonde wereld, waar ze bijna dood ging van eenzaamheid. Hoe ze haar zoon op een gegeven moment mee had genomen op haar jaarlijkse tocht naar haar familie in het mondaine Parijs. Hij werd ziek van heimwee. Riep om Nini. Geen dokter die het jongetje kon genezen dus werd er een telegram naar Nini gestuurd: “… Het duurde vier dagen voordat de min in Parijs aankwam. De majordomus, die grote bakkebaarden had, herkende haar niet op het station, en Nini kwam te voet in het paleis aan, met een gehaakte tas in haar hand. Ze kwam zoals de trekvogels; ze kende geen woord Frans, ze kende de straten niet, ze kon nooit antwoord geven op de vraag hoe ze in die vreemde stad het huis had kunnen vinden dat het zieke kind verborg…”.

Anders
Op tienjarige leeftijd wordt de generaal naar een militair opleidingsinstituut bij Wenen gestuurd waar vierhonderd aristocraatjes in de dop hun opvoeding krijgen: sommigen zijn zo vermoeid dat ze in het niets kijken alsof hun voorouders alles al voor hen hebben gezien. Daar ontmoet hij de straatarme, zwijgzame, trotse Konràd. In alles zijn tegenpool. Een bijna onaardse vriendschap bloeit tussen hen op. Alleen vergelijkbaar met de band tussen een eeneiige tweeling. Zo ongemakkelijk als Konràd zich in de wereld beweegt, zo gracieus gaat de generaal zijn gang. Op één punt blijft Konràd echter een vreemde voor de generaal: hij verstaat de taal van de muziek. Samen met de moeder van de generaal speelt hij de Polonaise-Fantasie van Schubert op de piano: “… als een span sprookjespaarden…”. Daarop zegt de vader van de generaal peinzend tegen zijn zoon dat Konràd nooit een échte soldaat zal worden. Waarom niet? Omdat Konràd ‘anders’ is. Daar kan de generaal het mee doen. Als ze ouder worden heeft Konràd geen geld om uit te gaan en begraaft zich in boeken. De generaal struint de restaurants en balzalen van Wenen af. Altijd wacht Konràd tot zijn vriend thuiskomt, geamuseerd door zijn verhalen vol avonturen met vrouwen. Het is zijn eer te na om ook maar een rooie cent van de generaal aan te nemen.

Wat belangrijk is weten de mensen gewoon
De schrijver wekt de nieuwsgierigheid van de lezer door te vertellen dat de oude generaal onbewogen langs de portrettengalerij met een leeg vierkant in een lange kasteelgang loopt. Aan het eind van de gang vraagt zijn min of ze het portret dat daar hoort terug moet hangen. Dat hoeft niet van de generaal. Eindelijk staat de gast tegenover de generaal en inspecteren ze elkaar: “… In deze ogenblikken voelden ze beiden dat het wachten in de voorbije tientallen jaren hun kracht had gegeven om te leven. Alsof iemand zich een leven lang oefent voor één taak…”. Terwijl ze zich als vanouds in de stoelen nestelen, vertelt Konràd dat hij in de tropen heeft gezeten. Of hij daar was om iets in zichzelf te doden? Ja, zegt hij rustig. Hij vertelt dat de inlanders zonder telefoon en radio, midden in het oerwoud, wisten dat in 1917 de Russische Revolutie was uitgebroken. Dat er op een dag een staking uitbrak: “… Vierduizend koelies waren daar voor mijn ogen veranderd in vierduizend gele en bruine duivels…”. En geheimzinnig: “… Later heb ik het begrepen. Wat belangrijk is voor de mensen, weten ze gewoon, zonder apparaten en telefoons…”. Daarop vraagt hij abrupt wanneer ‘Krisztina’ gestorven is. Even sterk als Couperus vertelt Konràd over de gekmakende tropische regen die als een machinegeweer maandenlang op het golfplatendak ratelt: “… Alles is vochtig, het beddengoed, het ondergoed, de boeken, het tabak in het metalen doosje, het brood. Alles kleeft als stijfsel…”. Hij vertelt over de ondoorgrondelijke blik van de eeuwig glimlachende vrouwen: “… Je voelt dit kijken alsof iemand je met een boze straal achtervolgt…”. De tropen verandert je vanbinnen, vertelt hij. Door de tropen raak je besmet. Als je terug komt word je behandeld als een verdachte. Of Konràd wil vertellen wat er dan binnenin hem zit? Nee, dat wil hij niet. Hij wil wel vertellen over het bezoek dat hij aan Wenen heeft gebracht, de ‘stemvork van de wereld’. Ze eten als “… stamoudsten aan een feestmaal: ernstig alsof ze het noodlot gehoorzamen…”. Na het diner gaan ze met een dikke sigaar, koffie en brandewijn bij de van haardhout knetterende kachel zitten. Buiten onweert het spookachtig.

Wie ben jij echt?
Dan begint de generaal te praten over de kracht van het geheim dat tussen hen schuilt: “… Het verschroeit het weefsel van het leven, als een kwaadaardige straling, maar geeft tegelijk een spanning, een verhoogde temperatuur aan het leven…” (het valt me ineens op dat Màrai het nogal eens over ‘stralen’ heeft). Hij vertelt wat hij in de eenzaamheid heeft geleerd over onbaatzuchtige vriendschap: “… de meest edele vorm van contact tussen mensenkinderen…”. David en Jonathan zijn er niets bij, al noemt hij die niet. Hij denkt niet dat je onvoorwaardelijke eerlijkheid en trouw terug mag eisen als je eenmaal iemand als vriend hebt aangenomen, ook niet als de gebeurtenissen hebben uitgewezen dat die vriend ontrouw is geweest. Of de generaal zeker weet dat deze vriend bedrog heeft gepleegd? Nee, dat weet de generaal niet, dat is het hem nu juist. En daarom zijn ze hier. De feiten zijn niet de waarheid. De feiten zijn slechts de schamele gevolgen. Het draait om de intentie van de zaak. Alle oude religieuze rechtssystemen weten dat. Welnu, waarom is Konràd op een zeker moment, na een jachtpartij, zonder afscheid gevlucht? De generaal vertelt hoe hij naar hem op zoek ging. Voor het eerst zijn huis, waarin Konràd hem nooit had uitgenodigd, van binnen zag en paf stond van de aankleding. Besefte dat zijn vriend een kunstenaar in zich verborg: “… Die woning was als een vermomming. Of was het uniform een vermomming voor je? Jij bent de enige die hierop antwoord kan geven, en nu alles voorbij is, heb je dat ook gedaan, met jouw leven. Op de belangrijkste vragen geeft de mens uiteindelijk met zijn hele leven antwoord. Het maakt niet uit wat hij tussendoor zegt, welke woorden en argumenten hij aanvoert om zich te verdedigen. Aan het eind, als alles voorbij is, geeft hij met de feiten van zijn leven antwoord op de vragen die de wereld zo hardnekkig aan hem blijft stellen. Die vragen luiden: Wie ben jij? Wat wilde je echt? Waartoe was je werkelijk in staat? Waaraan was je trouw en ontrouw? Waarvoor of voor wie was je moedig genoeg of te laf?...”. Het is alsof de vragen bij jou zelf op je bordje worden gelegd…

Bloedoffer
Dan gaat de generaal verder over de passie voor killen: “… Voor jou was de jacht een plicht, iets wat je aan je stand en je beroep verplicht was, zoals paardrijden of het gezelschapsleven. Jij ging jagen, maar alleen met minachting op je gezicht. Ook het geweer droeg je achteloos, als een wandelstok. Jij kende deze bijzondere passie niet, het grootste geheim in het leven van een man, de hartstocht achter al zijn rollen, kleren en beschaving leeft in de zenuwen van elke man, zo diep als het eeuwige vuur in de aarde. Deze passie is het verlangen om te doden. We zijn mensen, het is een bevel van het leven om te doden. Het kan niet anders… We doden om iets te beschermen, om iets te verwerken, om iets te wreken. Je glimlacht? Je lacht minachtend? Je bent kunstenaar geweest, in jouw ziel zijn zulke lage, grove instincten getransformeerd tot iets subtiels? Jij denkt dat je nog nooit een levend wezen hebt gedood? Dat is in het geheel niet zo zeker…”. Volgens de generaal is de jacht het overblijfsel van een religieus ritueel: “… Maar is bloed vuil? Ik denk het niet. Het is de edelste stof ter wereld, en als de mens iets groots, iets onzegbaars wilde zeggen aan zijn God, bracht hij hem in alle tijden een bloedoffer…”. Hij haalt er Abram en Izak bij. En het afgehakte hoofd van Johannes de Doper. Dan beschuldigt hij Konràd dat hij tijdens hun laatste gezamenlijke jacht zijn wapen op hem heeft gericht. Hij wilde hem doden. De generaal trekt de conclusie dat Konràd hem moet hebben gehaat: “… Waarom haatte je me? Ik heb de tijd gehad, ik heb geprobeerd om dat gevoel te begrijpen. Je nam nooit geld of geschenken van me aan, je liet niet toe dat deze vriendschap een broederschap werd, en als ik in die tijd niet te jong was geweest, dan had ik moeten weten dat dit een teken aan de wand was. Wie geen stukjes accepteert, wil waarschijnlijk alles, het geheel…”. Volgens de generaal was Konràd niet zichzelf: “… Het verlangen om anders te zijn dan wie of wat we zijn is het pijnlijkste verlangen dat in een mensenhart kan gloeien…”. We moeten berusten in wie we zijn: “… We moeten het verdragen, dat is het geheim. We moeten ons karakter, onze geaardheid verdragen, met onze fouten, ons egoïsme en onze hebzucht, waaraan ervaring noch inzicht iets kan veranderen. We moeten verdragen dat onze verlangens geen volledige weerklank vinden in de wereld. We moeten verdragen dat degenen van wie we houden niet van ons houden of niet op de manier die we hopen. We moeten ook verraad en ontrouw verdragen, en, wat het moeilijkst is van alle opgaven van de mens: we moeten voortreffelijkheid in karakter of verstandelijke vermogens van een ander mens verdragen…”. Maar dat deed Konràd niet…

De mens en zijn noodlot
De generaal verhaalt tot in alle details wat er tijdens die noodlottige jacht gebeurde. Konràd had hem in het vizier toen hij op een hert richtte. De generaal hoorde een zachte klik en besefte dat zijn laatste ogenblik had geslagen. Toen sprong het hert weg en liet Konràd zijn arm zakken. Die avond kwam Konràd, zoals zo vaak, op bezoek en praatte met de vrouw van de generaal, Krisztina, over een boek dat ze aan het lezen was over de tropen. De volgende dag ging de generaal naar de woning van zijn vriend en merkte dat de vogel was gevlogen. Ook Krisztina kwam op eigen houtje langs. Langzaam drong de waarheid tot de generaal door: Krisztina en zijn vriend moesten wat met elkaar hebben. Toen ze hem achterliet vroeg hij aan een bediende of Krisztina vaker bij zijn vriend op bezoek was geweest. Diens medelijdende blik maakte hem woedend. Dan vraagt de generaal aan de nog steeds zwiigende Konràd wat zijn eigen schuld in het drama is geweest, want: “… De mens doet het ook zelf, wat hem overkomt. Hij maakt datgene wat er moet gebeuren, roept het naar zich toe en laat het niet los. Zo is de mens. Hij doet het ook als hij meteen vanaf het allereerste ogenblik weet dat het fataal is wat hij doet. Ze houden elkaar vast, de mens en zijn lot, ze roepen elkaar op en scheppen elkaar. Het is niet waar dat het noodlot ons leven blind binnentreedt. Nee. Het noodlot komt door de deur naar binnen, die we zelf geopend hebben, terwijl we het noodlot beleefd voor hebben laten gaan …”. De generaal zegt dat hij had gevoeld dat Krisztina ook ‘anders’ was. En mensen kunnen elkaar alleen helpen als hun visie, hun ‘geheime werkelijkheid’, die dieper gaat dan overtuiging, overeenstemt. Tegelijk houden we altijd van degene die ‘anders’ is. Die spanning, die wisselstroom is nodig voor het leven. Krisztina was vrij en onafhankelijk en soeverein. Diep in haar hart een ‘wild dier’, dat voor geen meter bij hem paste. De generaal gelooft ook niet meer dat ze verliefd op hem was. Ze was eerder dankbaar. Omdat hij haar uit de goot had gered. Haar bejaarde vader was een behoeftige (jawel) muziekleraar.

Je weet dat het zo is
Na wat er was gebeurd hebben de generaal en zijn vrouw nooit meer met elkaar gepraat. Kristzina leefde nog acht jaar. Op het kasteel, en hij in het jachthuis. Ze werd ziek. Van liefde? Hadden Konràd en hij haar vermoord door haar te overleven? “… Ik ben oud, ik heb hierover ook veel nagedacht. Is trouw niet een vorm van egoïsme, een verschrikkelijk egoïsme, en ijdelheid, zoals het merendeel van menselijke dingen en behoeften in het leven? Willen we, als we trouw eisen, dat de ander gelukkig wordt? En als de ander in de subtiele gevangenschap van trouw niet gelukkig kan zijn, houden we dan wel van degene van wie we trouw eisen? En als onze liefde de ander niet gelukkig maakt, hebben we dan wel het recht om iets te eisen, trouw of opoffering? …”. De generaal heeft maar twee vragen. Wist zijn vrouw dat Konràd hem ging vermoorden? Was het een complot? Hij houdt het dagboekje van Krisztina omhoog waarin het antwoord zou kunnen staan. Maar hij heeft het niet gelezen, zegt hij, en werpt het in het vuur. Dan beantwoord ik die vraag ook niet, zegt de Konràd. En de laatste vraag: “… Denk jij ook dat het leven geen andere zin heeft dan de passie, die op een dag ons hart, onze ziel en ons lichaam doordringt, en dan eeuwig blijft branden, tot de dood? Wat er intussen ook gebeurt? En dat we, als we dat hebben beleefd, niet voor niets geleefd hebben? Is passie zo diep, zo wreed, zo groots, zo onmenselijk? En geldt zij misschien niet eens voor een persoon, maar voor het verlangen zelf? Dat is de vraag. Of geldt zij toch voor een persoon, eeuwig en altijd voor die ene geheimzinnige persoon, die goed kan zijn of slecht, want de intensiteit van de passie hangt niet af van de daden en eigenschappen van het object van onze passie? Geef antwoord, als je kunt…”. Wat Konràd betreft: “… ‘Waarom vraag je het mij?’ zei de ander rustig. ‘Je weet dat het zo is.’…”.
Zo; denk daar maar eens over na...

Why I love this book: zie hier

Uitgave: Wereldbibliotheek – 2004, vertaling Mari Alföldy, 156 blz., ISBN 978 902 842 100 4, € 17,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten