Menu

zondag 3 juli 2016

In de ban van Jung – Tjeu van den Berk


Ondertitel: Nederlanders ontdekken de analytische psychologie

Des zomers wordt het minder druk op de boekenvloer en komt de tijd om mijn eigen specifieke interesses uit te leven. De dieptepsychologie bijvoorbeeld. Ik kwam “In de ban van Jung” van Tjeu van den Berk tegen, een imponerend boek over de Zwitserse psychiater en cultuurfilosoof Carl Gustaf Jung (1875-1961), de grondlegger van de analytische psychologie. Ik snap natuurlijk geen hout van Jung: veel te vaag en te zweverig – maar de verketterde leerling van Freud boeit mij mateloos. En, zoals iemand in het boek zegt: ‘Tot Jung gaat men niet als zieke, maar als zoeker.’ Alleen al het feit dat hij, in tegenstelling tot Freud, verkondigt dat er méér is dan seks in het leven – ook al zou je dat anno 2016 niet zeggen – doet mij opgelucht ademhalen. Bovendien serveert Jung religie niet af als kletskoek. Vroeger werd hij door veel christenen aan de kant gezet als ‘occult’ – maar daar lijkt een kentering in te zijn gekomen. Veel hedendaagse theologen citeren hem onbekommerd, en zelfs iemand als de orthodoxe Bijbelleraar Willem Ouweneel heeft een droomboek op hem gebaseerd: "Nachtboek van de ziel". Veel jungiaanse thema’s, als het collectief onbewuste, introvert-extravert, de schaduw, archetypen, het individuatieproces, synchroniciteit, alchemie, gnostiek, zijn inmiddels volkomen ingeburgerd. Het werk van Van den Berk gaat over zijn ontvangst in Nederland. Sommige aanhangers zijn al lang en breed in de vergetelheid weggezakt, maar bepaalde schrijvers doen er nog steeds toe, zoals Etty Hillesum, Gilles Quispel, Gerard Reve, Marten Toonder, Augusta de Wit, Simon Vestdijk en Harry Mulisch.

Freud dacht psychologisch, Jung mythologisch

Mulisch heeft geen enkele behoefte de twee grootmeesters tegen elkaar uit te spelen en zegt eenvoudig: Jung is artistieker. “… Freud dacht psychologisch, Jung mythologisch…”. En dat is precies waarom ik Jung zo leuk vind. Mulisch: “… Over de therapeutische waarde van Jungs methode kan ik niet oordelen, - al betwijfel ik of een impotente kantoorbediende door toepassing van alchemistische classificatie van zijn dromen weer overeind kan worden geholpen. Zelfs bij een impotente cultuurfilosoof zal het vermoedelijk niet lukken, want ook bij hem zal men voor het vereiste doel analytisch-reductionistisch terug moeten keren naar ‘la mama’, in plaats van synthetisch verder te gaan naar Cybele of de Sphinx. Gelukkig ben ik geen therapeut, en ook geen impotente kantoorbediende of cultuurfilosoof; maar als de schrijver die ik ben, is mijn instelling natuurlijk veel eerder die van beeldendienaar dan die van beeldenbestormer. Wat mij betreft zit achter de Sphinx niet mijn moeder, maar achter mijn moeder de Sphinx…”. Nietzsche zei het al:
“… Derselbe Tat erlaubt unzählige Auslegungen – es gibt keine richtige Auslegung…”. Even terzijde, nog een leuk citaat van Mulisch: “… Men moet Napoleon zijn om te kunnen zeggen ‘Ik ben Karel de Grote’, en dan moet ook nog de zon van Austerlitz doorbreken; wie verder nog zegt dat hij Karel de Grote is, of Napoleon, wordt afgevoerd naar het gekkenhuis…”. Hah. De altijd ironische Mulisch wijst erop hoezeer Freud gelijk heeft wat betreft zijn concept van het zogeheten ‘Oedipuscomplex’ als je kijkt naar de breuk met Jung; waarbij het een gegeven is dat voor kort zo ongeveer alle kunstenaars op de schouders van hun voorgangers gingen staan teneinde ze een kopje kleiner te maken – denk ik dan (zie bijvoorbeeld mijn blog over “Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur”). Behalve in onze postmoderne tijden, waarin álles kan, omdat de vader - met kleine v dan wel grote V - vaak in geen velden of wegen meer te bekennen is.

Esoterisch
In de inleiding beschrijft Van den Berk kort de voorgeschiedenis van Jung: zijn afkomst en de manier waarop zijn ideeën tot stand komen. De ongewone uitingen van zijn nichtje tijdens spiritistische seances (wat toen nogal in de mode was) in zijn ouderlijk huis, of terwijl ze slaapwandelt, brengen Jung op de gedachte dat zich achter ons normale bewustzijn een verborgen wereld moet schuilhouden. Hij lanceert het begrip ‘cryptomnesie’ wat zoveel betekend als ‘verborgen herinnering’ (ik moest denken aan de moeder van Adriaan van Dis die in “Ik kom terug” tijdens een seance met de zware stem van een Japanner gaat praten – ze heeft in een jappenkamp gezeten). Op 17 juli 1902 promoveert Jung, inmiddels assistent-arts aan de beroemde psychiatrische kliniek Burghölzli in Zürich, op “Zur Psychologie und Pathologie sogenannter okkulter Phänomene”. In wetenschappelijke kringen vindt men het te esoterisch en in esoterische kringen te wetenschappelijk. Daarna ontwikkelt hij het ‘woordassociatieonderzoek’ waarmee hij zogeheten ‘complexen’ op het spoor kan komen. Een mooi verhaal gaat over hoe hij een dief tegen zijn wil moeiteloos zijn vergrijp laat bekennen door gebruik te maken van enkele verborgen prikkelwoorden. Jung ontvangt er een eredoctoraat in de rechten van de Clark Universiteit in de Verenigde Staten voor (hieruit ontwikkelt zich trouwens de leugendetector). Als Jung merkt dat Freud ook bezig is met het onbewuste, zoekt hij contact, slaan ze de handen ineen, en wordt Jung de stuwende kracht naar buiten toe wat betreft de psychoanalyse. Eigenlijk laat de twintig jaar oudere Freud, die openbare debatten uit de weg gaat zoveel hij kan, Jung de kastanjes uit het vuur halen, want in eerste instantie worden de heren compleet uitgelachen om hun wilde ideeën. Ongetwijfeld zullen veel van Freuds’ hysterische victoriaanse Weense patiënten te maken hebben gehad met seksuele trauma’s, maar Jung begint al gauw aan de pijlers van de leer van Freud te knagen, door zijn toehoorders op het hart te drukken niet al te beducht te zijn voor de demon van de seksuele drift. Seks is weliswaar een belangrijk onderdeel van het leven; maar om dat nu te reduceren tot het één en al… Het droge commentaar van Karl Jaspers: “… Freud sieht was durch Verdrängung der Sexualität entsteht oft ausserordentlich treffend. Aber er fragt nicht einmal was durch Verdrängung des Geistes entsteht…”. Na het uitgebreide voorwoord vertelt Tjeu van den Berk aan de hand van de biografie van een keur Nederlandse adepten wat Jung voor hen betekende, en wel in min of meer chronologische volgorde, wat een mooi totaalbeeld oplevert. Ik ga ze kort langs.

1) Maria Moltzer (1874-1944), dochter van de eigenaar van de Hollandse likeurfabriek Bols, die uit protest tegen alcoholmisbruik verpleegster wordt. Acht jaar lang is ze Jungs’ belangrijkste assistente – daarna raken ze gebrouilleerd. Moltzer ontpopt zich tot een gewaardeerd kindertherapeute. Zij reikt Jung het inzicht dat intuïtie de basis van creativiteit vormt. Met alleen denken en voelen bereik je niks. Over het christendom als individuatieproces: “… Pas het christendom reikt ons, volgens haar, de beelden om deze duistere tocht van de ziel mogelijk te maken. Beginnend met ‘de goddelijke geboorte van Christus tussen de dieren’ en eindigend met ‘het mysterie van Christus op Golgotha en zijn verrijzenis’, wordt hier symbolisch de weg geschetst…”. Volgens mij is de verandering die de gelovige op zijn geestelijke weg ondergaat hetzelfde als wat de Tsjechische priester Tomáš Halík, die Jung herhaaldelijk aanhaalt in “De nacht van de biechtvader”, ‘de tweede adem van het geloof’ noemt.

2) Albert Willem van Renterghem (1874-1944), 'de nestor van de psychische geneeswijze in Nederland'. Op zijn oude dag gaat Van Renterghem enthousiast in analyse bij Jung, maakt van dichtbij de breuk tussen Freud en Jung mee, en zal uiteindelijk – zoals de meeste psychiaters in Nederland – voor Freud kiezen. In eerste instantie is Van Renterghem vooral bekend als ‘wonderdokter’ in Goes omdat hij als huisarts hypnose gebruikt. De bekende tachtiger Frederik van Eeden wil dat wel eens met eigen ogen zien: “… Frederik van Eeden was stomverbaasd. In de slaapkamer lag languit op de vloer met een kussen onder zijn hoofd een boer te slapen. In de kinderkamer werden twee stoelen door slapende mensen bezet. Een oudere juffrouw rustte wat, nadat Van Renterghem haar hoofdpijn had ‘weggesuggereerd’. Tegenover haar lag een achttienjarig meisje te sluimeren. Haar was door de arts ingeprent dat ze geen last meer zou hebben bij het urineren. In de bedstee sliepen vier kinderen. In de hoek van de studeerkamer stond een man die aan een oogziekte leed, rechtop te dromen. Een bont gezelschap van mannen en vrouwen uit de kleine burgerij en van het platteland wachtte om behandeld te worden…”. Van Renterghem: “…De suggestie-methode, een denkbeeld vervangende door een ander, voert iets in; de analytische, een denkbeeld verjagende, voert iets uit… “.

3) Johan Rudolf Katz (1880-1938), een moeilijke maar geniale psychiater en natuurkundige die de leer van Jung ontzettend helder weet uit te leggen: “… Terecht meent Jung, dat de diepere oorzaak der meeste neurosen niet gelegen is in een seksueel conflict, maar in vele gevallen in een conflict tusschen bewust denken en onbewust voelen of in een conflict tusschen bewust voelen en onbewust denken. Dit conflict is vaak aan den patiënt zelf geheel onbewust…”. Als geen ander lijkt hij aan het adagium van Jung te voldoen dat ‘hoe meer licht iemand verspreidt des te groter zijn schaduw is’.

4) Jan Herman van der Hoop (1887-1950), arts en een van de grootste Nederlandse jungiaanse denkers. Hij was vooral gegrepen door Jungs’ zogeheten ‘typenleer’ - denken, voelen, gewaarworden, intuïtie – waardoor mensen hun problemen verschillend oplossen en sommigen elkaar gewoon niet liggen. Via zijn verhaal gaat Van den Berk diep in op Jungs’ laveren in de Tweede Wereldoorlog, waarin velen hem verdacht hebben van nazi-sympathieën. Als Hitler in het rampjaar 1933 bondskanselier wordt, treedt de voorzitter van de internationale vereniging van psychotherapie, de prominente Duitse psychiater Ernst Kretschmer, af. Hij weigert nazi’s te helpen de discipline van de psychiatrie voor propagandistische doeleinden in te zetten: “… Er is iets geks met psychopaten. In normale tijden schrijven we gedegen evaluatierapporten over hen, maar in tijden van politieke onrust regeren ze ons…”. Men verwacht dat Jung als vice-voorzitter het ook wel voor gezien zal houden, maar hij neemt het stokje over. Hij denkt dat hij daardoor beter Joodse collega’s kan helpen. Op het eind van de oorlog belandt Jung weliswaar op de ‘zwarte lijst’ en worden zijn boeken verbrand.

5) Augusta de Wit (1864-1939), schrijfster van de bekende novelle "Orpheus in de dessa", waarin het om twee levensbeschouwingen gaat: “… die van de zakenman Bake (waarin de mens de natuur dienstbaar aan hemzelf maakt) en van de fluitspeler Si-Benkok (waarin de mens in harmonie leeft met de natuur). Aan het einde van het verhaal doodt de zakenman de fluitspeler, zij het ‘per ongeluk’. Wie de mythe van Orpheus kende, kon uit de titel opmaken dat hier een drama beschreven werd. Het is een symbolisch verhaal. De Wit lijkt te zeggen: in ons dienen die twee levensbeschouwingen een dialoog aan te gaan, een strijd desnoods. En wie er oren voor heeft, zal op bepaalde momenten de ijle fluittoon van de geest horen in het jachtige materiële bestaan…”. Haar leven en werk draait om de relatie tussen verbeelding en werkelijkheid. Tijdens een sabbatsjaar volgt ze werkcolleges bij Jung, waar ze wat dat betreft aan het juiste adres is.

6) Olga Fröbe-Kapteyn (1881-1962) is degene die de beroemde jaarlijkse Eranos-lezingen organiseert, waar Jung vaak aan deelneemt. Ze bieden een soort platform waar allerlei geleerden en denkers elkaar ontmoeten. Wat namen: Heinrich Zimmer (Indologie), Károly Kerényi (Griekse mythologie), Mircea Eliade (Godsdienstgeschiedenis), Gilles Quispel (Gnostiek), Gershom Scholem (Joodse mystiek), Martin Buber (Chassidisme), Henri Corbin (Islam), Adolf Portmann (Biologie), Herbert Read (Kunstgeschiedenis), Max Knoll (Natuurkunde), Erwin Schrödinger (Kwantumfysica), Joseph Campbell (Vergelijkende mythologie), Hugo Rahner (Kerkgeschiedenis), Daisetz Teitaro Suzuki (Zenboeddhisme), Paul Tillich (Theologie), Laurens van der Post (Journalistiek), Frederik Buytendijk (Psychologie), Gerardus van der Leeuw (Vergelijkende godsdienstwetenschappen), Erich Neumann (Psychologie). Daar worden Jungs’ ogen geopend voor het Oosten. De bijzondere sfeer tijdens deze bijeenkomsten duiden sommigen als ‘het samengaan van Mythos en Logos’ - die elkaar volmaakt in evenwicht houden. Later zal Olga de wereld over struinen op zoek naar afbeeldingen van archetypen. Verrassend is dat een buitengewoon geïnteresseerde koningin Juliana in bezit blijkt van de hele serie Eranos-Jahrbücher.

7) Jan Hondius (1900-1977), niemand kent hem meer, maar ooit was hij archeoloog, filosoof, dichter, beeldhouwer, vergelijkend godsdienstwetenschapper en bioloog. Hij schrijft vier boeken over Jung, vertaalt twee kapitale werken van Jung in het Nederlands en brengt een opmerkelijke jungiaanse roman uit: “Ontmoetingen met vorige levens”(1957).

8) Etty Hillesum (1914-1943), wordt bekend door de publicatie van haar dagboeken, 38 jaar nadat ze als Jodin in Auschwitz is vermoord. Ze beschrijft daarin haar spirituele ontwikkeling waarin, naast Rilke, Jung een grote rol speelt. In haar diepste zelf vindt zij God: “… Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden...”. En even verder: “… En mijn gevecht wordt nu eenmaal gestreden op innerlijk terrein met mijn eigen demonen…”. Over het proces dat ze doormaakt: “… De Kosmos is uit mijn hoofd verhuisd naar mijn hart, of voor mijnentwege naar het middenrif, in ieder geval uit mijn hoofd naar andere regionen…”. Het is zeker niet zo dat Jung bedoelt dat wij zélf God zijn, zoals soms wordt beweerd: “… Deze bovengeschikte totaliteit wordt door het bewustzijn als numineus ervaren, als een tremendum et fascinosum. Als empericus interesseert mij slechts het belevingskarakter van deze bovengeschikte totaliteit, die op zichzelf, ontisch beschouwd, iets onbeschrijflijks is. Dit ‘zelf’ staat nooit of te nimmer in de plaats van God, maar is wellicht een vat van de goddelijke genade…”. Wat mij betreft kan het niet mooier worden gezegd. Ik noem dit 'zelf' mijn 'ziel'. Van de week had de schrijfster Marilynne Robinson het in het tv-programma “De Nieuwe Wereld” (op zondagochtend) in dit verband over ‘een reservoir van goedheid’. Maarten Wisse omschrijft de ziel in "Zo zou je kunnen geloven", dat ik toevallig net aan het lezen ben, prikkelend down-to-earth als ‘een surplus batterij', waar je door middel van Jezus Christus op aangesloten kunt zijn (en dat is precies waarom ik christen ben).

9) De oprichters van de eerste Jung-vereniging in 1946 worden in dit hoofdstuk doorgelicht. Dat zijn: Marguerita Hofstede Crull (1897-1972), Annie Blits (1903-1975), Elisabeth Camerling (1901-1969), Victor Westhoff (1961-2001) en Jacques Noordzij (1920-2006). Het laat mooi zien hoe er na de Tweede Wereldoorlog wat meer belangstelling komt voor Jung, alhoewel de nuchtere Hollanders Freud toch op zijn voetstuk laten staan.

10) Tom van Waveren (1899-1959), een ‘deftige’ bloembollenboer uit Bennebroek, blijkt een persoonlijke vriend van Jung te zijn geweest.

11) Eugène Antoine Désiré Emile Carp (1895-1983), hoogleraar psychiatrie, is de eerste die een monografie over Jung schrijft, erg dapper, want in zijn tijd is Jung ‘not done’: “… De belangrijkste verdienste van Jung was volgens Carp dat hij de psychologie (weer) personalistisch heeft gemaakt. De weg die het ik van de mens aflegt (dient af te leggen) naar zijn diepste Zelf, sprak Carp zeer aan…”. Na zijn dood valt de nadruk weer op de hersenen – vooral vanwege het op de markt komen van psychofarmaca. In een interview hekelt hij de felle aanhangers van Freud: “… Het had iets van geloof. Het had een onwetenschappelijke kant: je kon nauwelijks kritiek hebben, dat werd als weerstand gezien, of als onbegrip. Het was een geloof waartoe ze je wilden bekeren…”. Veel freudianen vinden dat Carp het hoogleraarschap niet toekomt omdat hij een gelovige rooms-katholiek is.

12) René Jaques van Helsdingen (1915-2013), eveneens psychiater. Hij publiceert een boek met fascinerende tekeningen van een kunstenares die ‘Claire’ wordt genoemd en in analyse is geweest bij Jung: “Beelden uit het onbewuste. Een geval van Jung”. Vier daarvan zijn in dit hoofdstuk opgenomen en van commentaar voorzien. Ook komen er onder andere prachtige fragmenten in voor over Van Helsdingens’ visie op de films “Dood in Venetië” en “Rosemary’s baby”.

13) Gilles Quispel (1916-2006), de legendarische gnosiskenner, die gefinancierd door het C.G. Jung-instituut in het bezit komt van de zogeheten ‘Jung Codex’ en later het enig bewaard gebleven ‘Evangelie van Thomas’. Van den Berk vertelt het razend spannende verhaal over zijn speurtocht vanaf het moment van de toevallige ontdekking van de Nag Hammadi-geschriften in een hoge kruik onder een rots door een Egyptische boer. Quispel betitelt Jung als een gnosticus.

14) Marten Toonder (1912-2005), de bekende striptekenaar en bedenker van Tom Poes en Heer Bommel, vindt in Jung een verwante ziel. Niet Toonder maakt het verhaal maar Bommel: “… Al na een paar maanden begon deze figurant zich te ontplooien. Het bleek dat hij niet Ollie heette, zoals hij zich aanvankelijk liet noemen. Zijn naam was Olivier B. Bommel en hij stelde er prijs op om als heer te worden aangesproken. Hij beschikte over ruime middelen, waarmee hij een voorvaderlijk kasteel kocht en een grote staat ging voeren. Dat waren allemaal dingen die ik niet verzonnen had maar die er vanzelf inkwamen terwijl ik bezig was met het verhaal…”. Tom Poes staat voor de ratio: “… Heer Bommel heeft zich de rol toegeëigend van de heer, die zijn eenzame onbegrepen gang gaat, terwijl Tom Poes er als een gek achteraan moet hollen om de zaken op orde te houden. Hij komt nu eenmaal uit de wereld van het verstand en dat zal hij weten ook…”. En even verder: “… Magister in de Zwarte Kunsten, Hocus P. Pas, is de kwade genius in de Bommel-verhalen. Wat met name in hem huist, om het jungiaans te zeggen, is het archetype van de Schaduw. Zijn begroeting is steeds: ‘Duister op uw pad’, ‘Schaduw op uw pad’, ‘Slangen op uw pad’ of ‘Padden op uw pad’…”.

15) Gerard Reve (1923-2006). Volgens Van den Berk is Reve van alle beschreven personen het meest jungiaan geweest. Hij gaat diep in op de figuur van de maagd Maria in zijn werk. Het aparte is dat Reve, net als Jung, een primitief eigen onderkomen bouwt. In Frankrijk. Beiden zien dat als een soort religieuze activiteit, en ervaren de plek als ‘moederlijk’, een soort baarmoeder. De schrijver Erwin Mortier gaat er een keer logeren, maar heeft zijn buik al gauw vol van het bezoek (Reve kan bij tijd en wijle onuitstaanbaar zijn, vooral als hij dronken is) en vindt de plek naargeestig: “… De stijl van het geheel is meer autistisch dan Provençaals. (…) Het landgoed is een tijdelijk tot buitenverblijf omgebouwde tombe. Het sluit de wereld niet buiten. Het beschut niet. Het is de kerker van een obsessief verlangen, dat er tegen de muren opgiert; het graf van een moederloos kind van drieënzeventig. (…) Het landgoed is de isoleercel van een volstrekt voor het leven onaangepast mens. Het is Betondorp in de bergen…”. Reve: “… Of Freud dichter bij de waarheid is dan Jung doet weinig terzake, zo lang ik aan Jung onnoemlijk veel heb, en aan Freud niets. (…) Maar wat heeft een kunstenaar of een religieus mens aan Freud? Ik zoek niet naar wetenschappelijke werkelijkheid, maar naar formuleringen, die aan het woordloze en onzegbare de eer en plaats geven die het toekomt…”. Reve klampt zich aan Jung, Arthur Schopenhauer en katholieke dogma’s vast om niet ten onder te gaan in de chaos: “… Bij dit alles is mijn werk niet op hinderlijke wijze stichtend of belerend, noch bevat het iets dat naar apologie zweemt: het vertolkt de gewaarwordingen en gevoelens van een gewoon mens, zij het van iemand die niet geheel goed bij zijn hoofd is. Maar bestaan er mensen die dat wel zijn?...”.

Inspirerend
Vervolgens komt er nog een bijlage (waarin wat minder uitgesproken Jung-volgers de revue passeren), een slotbeschouwing, een bronnenlijst, een begrippenlijst en een personenregister. Tjeu van den Berk reikt ontzagwekkend veel aan; zelden heb ik zo’n inspirerend boek gelezen...

Uitgave: Meinema – 2014, 544 blz., ISBN 978 902 114 367 5, € 44,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten