Menu

zondag 16 januari 2011

De Nederlandse maagd – Marente de Moor


Ik ben veel meer ondersteboven van de vorm, dan van de inhoud, van deze roman. Op een weergaloze manier een verhaal van niks vertellen: dat is nog eens virtuoos schrijverschap!

Wel gooit Marente de Moor in ‘De Nederlandse maagd’ een bijzondere wereld open, namelijk: die van het schermen.
Ze doet dat in ongelooflijk goede teksten:
“…  Verbeelding is hardnekkiger dan werkelijkheid, dat weet elke gek die zijn heldere momenten heeft. Een hersenschim komt tevoorschijn zodra het origineel uit beeld is. Als een minnaar uit de kast, en minstens zo aantrekkelijk…”.
En een gedachte tijdens een marktbezoek: “…In een kraam stond een slager die zelf zo aan het spit kon worden geregen…”.
Dat noopt toch tot grijnzend verder lezen?!

Zomer 1938. Janna, 18 jaar, en “behept met een hartstocht voor vechten”, wordt door haar vader, die meedeelt dat ze “zo’n meisje is dat er niet op zit te wachten volwassen te worden”, naar het afgelegen Duitse landgoed “Het Raeren” gestuurd, waar een oud-patiënt van hem,  Herr Egon von Bötticher, een soort van schermsportschool drijft. Ze stelt zich heel wat van deze nieuwe maître voor, maar als ze eindelijk voor hem staat, blijkt hij een  botte, zwijgzame,  verminkte oorlogsveteraan te zijn:
“…’We zijn er,’ was de derde zin die hij tot me richtte, na een tocht van zeker een uur. Voor de poort remde hij zo abrupt dat ik van de zitting schoot. Hij smeet het portier achter zich dicht, beende naar de hekken, duwde ze grommend open, sprong terug in de auto, scheurde de oprijlaan op en stapte weer uit om de poort te sluiten. De geluiden van die handelingen maakten duidelijk dat ik voorlopig niet meer buiten zou komen…”.

De voordeur van de uitgewoonde villa waar Janna weggestopt wordt “als een vod op zolder”, lijkt op “een deksel van een doodskist”,  en als die open gaat verschijnt er ook nog eens een lijkwit mannetje op de drempel die niets zegt. “Hij zag eruit als op een daguerreotype, uit een tijd waarin mensen nog ontzag hadden voor hun plotselinge bestendiging: wit weggetrokken, aan de grond genageld, blik op oneindig.” Het is Heinz, de tuinman, een type dat, vooral als hij gedronken heeft, zijn nazi-sympathieën niet onder stoelen of banken steekt (en daardoor voortdurend in de clinch ligt met Egon, die een afkeer heeft van Hitler), echtgenoot van schat-van-een-huishoudster Leni.
“…Als Leni lachte, schudde alles mee – wangen, borsten, buik, onderarmen uit opgestroopte mouwen. Waarschijnlijk hadden zelfs haar billen gelachen als ze er niet op gezeten had… ‘De baas is een rare kwibus,’ zei ze plompverloren. ‘Kijk me niet zo aan, dat heb je heus wel gemerkt’…”

Maar ja, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: Janna wordt, ondanks zijn gehavende uiterlijk, hopeloos verliefd op de oude heer des huizes. Ze belandt bij hem in bed, maar Egon blijft even lomp als altijd,  en kan alleen liefde opbrengen voor zijn dieren. Er wordt dan ook vrij veel over het buitenleven geschreven: “ …Zijn buitenissige baas behandelde beesten beter dan zijn personeel, maar negeerde hun stront zoals bakvissen de puisten van hun vrijers (dat mag Heinz opruimen)…”, en ergens gaat het over een boer die “…altijd in een zwerm vliegen gehuld ging, net als zijn vee…”.
Op een gegeven moment valt Heinz van een hooizolder, en verstuikt zijn enkel, waarop zijn vrouw als volgt reageert: “…’Allemensen,’ hijgde ze toen ze voor ons stond, ‘da’s me ook wat! Heinzi’s voet, wat moet ik nu, Heinzi’s voet! Wie brengt me nu naar de markt?’ Ze bleef maar schudden, met haar buik, wangen, hoofd en handen, ‘Heinzi’s voet!’ roepend. Ze kon er niet over uit dat dit groezelige onderdeel van haar man opeens het fundament bleek van haar huishouden…”.

Janna ontmoet meer schermleerlingen: de bloedmooie, maar alleen oog voor elkaar hebbende, tweelingbroers Siegbert en Friedrich, en groepen Duitse studenten, die komen schermen vanwege de Mensur: eeuwenoude traditionele duels waarin het er niet om gaat elkaar uit te schakelen, maar om elkaar op een duidelijk zichtbare plek te verwonden, zodat het litteken dat daaruit ontstaat de dapperheid van de drager tentoonstelt. Schermers dragen een masker. Op een dag komt Janna tegenover een onbekende vrouw te staan: “… Wie was ze in hemelsnaam, wat was ze – de snelheid die haar lichaam ontrolde was zo onmenselijk dat het me niet had verbaasd als er uit haar ruggengraat een staart groeide…”.
Ze blijkt de moeder van de tweeling, en rivale in de liefde om Egon, te zijn. Janna haat haar, natuurlijk.
Enfin: het bloed vloeit af en toe rijkelijk, en op het eind van het boek zelfs dodelijk. Er zijn plastische beschrijvingen van de slagvelden in WO I. Het verbaast mij altijd weer dat schoonheden als Marente de Moor, die er met haar golvende haardos zo’n beetje uitziet als een weggelopen engel uit een schilderij van Da Vinci, scènes van een dermate kaliber wreedheid uit hun pen laten vloeien, dat je maag er van omdraait. Wat dacht je bijvoorbeeld van “Wolfsroedel” van Floortje Zwigtman?!

Marente de Moor schrijft prachtig over de steeds meer in het straatbeeld opduikende swastika: “… ‘Dat teken is vervloekt,’ zei hij. ‘Je weet toch hoe vloeken uit tombes ontsnappen? Sinds Schliemann het graf van Agamemnon schond (en daar een swastika vond), rust er een vloek op het Duitse volk. Ze hebben een zwaai gegeven aan die swastika, hem een achtste slag gedraaid nog wel. Dat verdomde hakenkruis blijft draaien, sleurt ons mee in een neerwaartse spiraal, tot we onszelf opvreten bij de staart…”.

Op de allerlaatste pagina (blz. 298) van dit boek staat een tekening van de vijf verschillende schermwapens, zoals daar zijn: de Floret, de Sabel, de Degen, de Pariser, en de Rapier.
Dat maakt het helemaal: af.

Marente de Moor (1972) is slaviste en woonde in de jaren negentig in Rusland, waar ze onder meer werkte als correspondent voor ‘De Groene Amsterdammer’. In 1999 publiceerde ze ‘Petersburgse vertellingen’, in 2007 verscheen haar veelgeprezen debuut ‘De overtreder’, die in 2010 in Duitse vertaling verscheen bij uitgeverij Suhrkamp. Sinds 2009 is ze vaste columniste voor ‘Vrij Nederland’.

Ik heb ‘De Nederlandse maagd’ met buitengewoon veel plezier gelezen.

Uitgave: Querido - 2010


Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen