Menu

vrijdag 23 december 2011

Post voor mevrouw Bromley – Stefan Brijs


Op de leeskring hebben we een tijdje geleden “De Engelenmaker” gelezen, het boek waar Stefan Brijs (Genk, 1969) beroemd mee werd. “Een groots verhaal over goddelijke zonen en torenhoge idealen”, jubelde The Independent. En inderdaad, het gaat over een doorgedraaide arts die een gekloonde drieling opvoedt. Een bizar gegeven, maar ik houd wel van bizarre toestanden: dat kan in verhalen.
Wie iets in die geest van “Post voor mevrouw Bromley” verwacht komt bedrogen uit. Dit is een totaal ander boek, meer een historische roman, die zich afspeelt tijdens de eerste wereldoorlog.


Op de vierde bladzij begint het verhaal voor een boekengek als ik helemaal goed:
“… ‘Waanzin! Waanzin!’ begon hij te roepen. ‘Zal ik jou eens vertellen wat waanzin is! Jij met je neus in de boeken altijd! Dat is waanzin! En al die boeken hier…’ – met een brede armzwaai wees hij naar de muren, die van vloer tot plafond vol boeken stonden – ‘Dat is waanzin, John! Een en al waanzin!’…”.
I love John! Direkt.

Het gaat vaak en veel over literatuur (Shakespeare, Milton, Keats, Dickens, Goethe), en gelukkig maar, want eigenlijk is het verhaal op zich, met ruim 500 bladzijden, een gebed zonder einde, dat zonder veel opwinding maar door blijft kachelen. Dat had ik niet verwacht van Stefan Brijs. Maar ja; soms valt het niet mee je eigen succes (tot in China en Rusland toe) te handhaven.

Het eerste deel, “Het thuisfront” verhaalt over twee ‘zoogbroeders’ (melk is dikker dan bloed – zegt mevrouw Bromley – het is het jaar 1914) uit Hoxton, een arbeiderswijk in Londen, die door het uitbreken van WO I uit elkaar worden gedreven.
John Patterson, een alleen opgroeiende jongen met een bibliofiele weduwnaar als vader, houdt van literatuur, en is vast van plan engels te gaan studeren aan de universiteit – oorlog of geen oorlog. “… Mijn vader verzamelt boeken en leest ze niet, ik lees boeken en verzamel ze niet…”.
Zijn vriend Martin Bromley - klein ventje, grote bek - staat te popelen om soldaat te worden. Daar is hij met 17 jaar veels te jong voor, maar door een list weet hij zich het leger in te praten. In zijn ogen is John een bange lafaard.
Als Martin het leven van John uitmarcheert, marcheert een medestudent, William Dunn, zijn leven in. William houdt van de Duitse cultuur, de Duitse schrijvers, de Duitse denkers. Hij veracht het gepeupel, dat zich kritiekloos als een stel lemmingen de oorlog in laat drijven.

Wat ik nooit heb geweten: in Engeland vonden er tijdens WO I pogroms plaats tegen Duitse emigranten die de Joodse pogroms naar de kroon staken. Voor hun eigen veiligheid heeft de engelse regering uiteindelijk de Duitse inwoners laten interneren.
Wat ik ook nooit heb geweten: de druk op jonge mannen in Engeland om zich onder de wapenen te begeven was zo enorm dat je amper over vrijwillige deelname kunt praten. John durft bijna niet de straat op omdat hij wordt uitgescholden en nagewezen. Zijn leefomgeving is vergeven van ronselaars. Zijn liefje steekt in het bijzijn van haar feministische vriendinnen een witte veer in zijn knoopsgat: het symbool voor lafheid.

Ik heb de televisieserie “In Europa” van Geert Mak gezien, en met een half oog zie ik ook wel eens wat voorbijkomen als mijn ega naar een oorlogsfilm kijkt. “Wat zijn dat voor idioten”, dacht ik altijd, als ik zag hoe lachende soldaten met bloemetjes in hun geweerlopen naar het front wandelden, waarvan ik na het lezen van het onovertroffen anti-oorlogsboek “Van het westelijk front geen nieuws” (Erich Maria Remarque, 1898 – 1970) wist, dat hun lichamen even later als vellen in de bomen zouden hangen. Alsof ze op schoolreisje waren!
Nu begrijp ik dat een beetje.

Ik vind nog steeds dat iedere puber die het in zijn hoofd haalt soldaat te willen worden verplicht “Van het westelijk front geen nieuws” zou moet lezen. Waarom dat korte poosje dat je leeft uitgerekend militair worden! Waarom niet bij de politie of ‘artsen zonder grenzen’? Er zijn zoveel heftige banen waarin je de hulpverlener uit kunt hangen. Dat geëmmer van bepaalde partijen in de kamer over soldaten die in Afghanistan geen oorlogshandelingen mogen plegen is compleet belachelijk. Soldaten worden opgeleid om te doden. Waarom dacht je dat ze anders rondlopen met machinegeweren. En laat ontwikkelingswerk maar bij de ontwikkelingswerkers; dan blijft het voor iedereen duidelijk.
Natuurlijk snap ik heus wel dat er uit veiligheidsredenen en volksbelangen legers moeten zijn; maar dat neemt niet weg dat oorlog een onverdraaglijke zaak blijft waarin schone handen niet bestaan.
Ik heb geen zoon/dochter die het leger in wil, maar als dat wel zo was, zou ik vast zo’n moeder zijn als in “De Held” van Jessica Durlacher (zie mijn blog van 24.09.’11): ik zou hemel en aarde bewegen om hem /haar op andere gedachten te brengen (wat natuurlijk niet zou lukken)…

In dit boek wordt uit de doeken gedaan hoe de oorlog wordt verheerlijkt, en deugden als vaderlandsliefde en dapperheid worden opgehemeld ten koste van waarheid. Dat laatste doet er minder toe.
Als Mary, het meisje waar John verliefd op is, hem laat zitten, zijn vriend William de pressie die zijn omgeving op hem uitoefent niet meer aankan en zelfmoord pleegt, en ook zijn vader de dood vindt, geeft John de moed op en meldt zich als soldaat. Misschien zal de oorlog ook hem snel zijn einde brengen.
Het tweede deel “Het Westfront” verhaalt over zijn soldatenleven in België en Frankrijk. Het valt allemaal best mee, hij wordt bediende van luitenant Ashwell: een luizenbaantje.
Eén van zijn taken bestaat uit het verzamelen en rondbrengen van de post. Daarmee treedt John in de voetsporen van zijn vader, die ook postbode was. Prachtig beschrijft Stefan Brijs, hoe er in een wereld zonder internet, gesjoemeld wordt met woorden op papier. Soms uit mededogen, soms uit leugenachtigheid, soms uit liefde, soms uit pure wanhoop.
Jarenlang houdt John een brief voor mevrouw Bromley achter waarin staat dat haar zoon Martin is omgekomen. Hij kan haar het verdriet van dit feit niet aandoen.
John censureert en controleert de brieven van en voor en over zijn collega's, en komt er langzaam achter dat waarheid en eerlijkheid in zijn situatie gelijk staan aan onmenselijkheid.
Gelukkig schrijft Stefan Brijs in het tweede deel net zo rauw over de gruwelen van de loopgravenoorlog als Sebastian Faulks in het prachtige “Lied van de loopgraven”, waaruit ik de periode van WO I eigenlijk een beetje leerde kennen. Met al hun energieke dapperheid kwamen duizenden naïeve jongens in ‘de hel’ terecht. En altijd zegt de mensheid dan weer dat zoiets nooit maar mag gebeuren; en toch gebeurt het daarna gewoon weer opnieuw… en opnieuw… en opnieuw…
WO II, Joegoslavië, Rwanda, enz.
“Als de keizer jeuk heeft, moet het volk krabben…”.

Oorlog doet wat met je.
Ik moest denken aan Sofie Hilbrands die ik een poosje geleden op televisie zag praten met een ex-soldaat. Hij reed standaard te hard in zijn auto omdat hij zich constant opgejaagd voelde. Dertig jaar en zo’n beetje leven als een ongeleid projectiel; een voetzoeker waar iedereen voor uit de weg gaat.
Een ander was voortdurend op zoek naar een kick omdat hij gek werd van gezapigheid (en zijn vrouw werd weer gek van hem). Niet meer rustig kunnen worden: ik denk dat ik mij maar bij het vreemdelingenlegioen zou aansluiten, als dat tenminste nog bestaat. Zolang er geen goede psychologische hulp voorhanden is voor ex-militairen…
Ik kan mij zo voorstellen dat Tanja Nijmeijer ook in een dergelijke staat verkeerd. Eigenlijk zou de Nederlandse regering haar natuurlijk gewoon moeten kidnappen van de Colombiaanse FARC en net zolang hersenspoelen tot ze weer zonder bommen en granaten kan leven.
Dat vrouwen op uniformen vallen, zoals zo vaak en ook in dit boek weer wordt beweerd, slaat nergens op.
Ik zie meer in mensen als Nelson Mandela en de vandaag begraven Tsjechoslowaakse president Václav Havel met zijn ‘fluwelen revolutie’.

Terwijl ik dit boek aan het lezen was dacht ik bij sommige woorden en uitdrukkingen (haar ‘kwinkelerende’ stem / ving ik haar kussen ‘op’ mijn wang ‘op’ / een item over ‘bakvissen’/ en ‘hup’, ga iets nuttigs doen): “wat moet dat worden met jou, Stefan Brijs?”. Het meest spetterende dat ik in dit boek kon ontdekken: “… Mevrouw Bromley greep meteen in. ‘Molly, houd je grote snavel!’ siste ze…”.

En toch; Stefan Brijs heeft mij ook maar mooi laten nadenken over 'vrede'. En dat met kerst!

"Post voor mevrouw Bromley" is voor €19,95 rechtstreeks te bestellen bij internetboekhandel IZB-Ark als je hier klikt (voor meer informatie over IZB-Ark: zie kolom hiernaast).

Uitgave: Atlas - 2011

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen