“De meester en zijn afgezant” van Iain McGilchrist heeft mij enorm geholpen om het werk van Haruki Murakami te begrijpen, dat bijna een genre op zich is. Murakami heeft er zelf veelvuldig op gehamerd dat hij ‘easy to read, but hard to understand’ is. Zijn personages pendelen voortdurend tussen de echte en de spirituele wereld. In de visie van McGilchrist balanceren ze tussen de linker- en rechterhersenhelft. De geest van de protagonist is verdeeld tussen deze twee dimensies. Hij kan niet kiezen. Er is doorlopend sprake van tweespalt. Het verschil met het realistische “Norwegian Wood” (zie mijn vorige blog) is dat Murakami’s tiende boek, “Kafka op het strand” (2002), honderd procent surrealistisch is. In interviews voert Murakami aan dat wij, westerlingen, ook grotendeels in een virtuele ‘nepwereld’ leven (zie de YouTube-video ‘The Mystery of Murakami's Kafka on the Shore’). Murakami’s leidmotief: “… Al mijn personages zijn op zoek naar iets belangrijks. En die zoektocht is als een avontuur, een proef die ze moeten afleggen. Let wel, het belang ligt niet in wat ze zoeken, maar in het eigenlijke zoekproces. Dat werpt hen terug op zichzelf en hun eigen eenzaamheid…” (De Groene Amsterdammer, 03.03.10). In “Kafka op het strand” lopen twee ingewikkelde en mysterieuze verhalen door elkaar heen, die aan het eind samenkomen. Het geeft je een beetje steun te bedenken dat de roman onder andere is gebaseerd op “Oedipus Rex”, de tragedie van Sophocles. Zie Freud, die de naam Oedipus verbindt aan de seksuele verlangens van het kind voor de ouder van het andere geslacht en de vijandige gevoelens voor de ouder van hetzelfde geslacht. Murakami lezen is een ‘andere wereld’ betreden, zonder traditionele moraal. Murakami schrijft zich het onbewuste in en komt bij toeval dezelfde dingen als Jung tegen, ook al zegt hij die nooit gelezen te hebben. Dat vind ik fascinerend.
Een duivels spelletje mikado
“Kafka op het strand” is zo’n dik en rijk boek dat het bijna niet valt samen te vatten (De Groene Amsterdammer heeft het niet voor niets over ‘een duivels spelletje mikado’), dus doe ik het heel globaal, met aandacht voor de krenten in de pap. De roman gaat over een vijftienjarige boekenwurm, Kafka Tamura, die van huis wegloopt. Hij bezit een dubbele persoonlijkheid. ‘De jongen die Kraai wordt genoemd’ is zijn andere, wijzere helft, die zijn onderneming een ‘loeiende, metafysische, abstracte zandstorm’ noemt, waar hij zich een weg doorheen moet banen: “… Eén ding staat echter vast: wanneer je eruit komt, ben je niet dezelfde meer als toen je erin stapte. Want dat is de betekenis van de zandstorm…”. De jongen heeft ook iets van het geïsoleerde van de échte Kafka. Hij bemoeit zich met niemand: “… Natuurlijk liet iedereen me links liggen. Ik had een hoge muur om mezelf heen gebouwd, waar ik niemand binnenlaat, en ik pas goed op dat ik zelf niet naar buiten stap…” (Watanabe in “Norwegian Wood” is eenzelfde soort personage). Kafka betekent in het Japans iets als ‘kraai’, of eigenlijk ‘kauw’ – kraaien komen in Japan niet voor. Kafka heeft een moeder en een zusje die hem op zijn vierde bij zijn vader, een beeldhouwer, hebben achtergelaten. Hij zegt het niet zo rechtstreeks, maar het lijkt erop dat hij naar hen op zoek gaat, of, misschien beter gezegd, alsof een magnetische kracht hem naar hen toetrekt – zoals ook het eiland waar hij met de nachtbus naartoe gaat hem als het ware ‘roept’. Verder heeft hij nog te dealen met een ‘voorspelling’, dan wel ‘vloek’, die zijn vader over hem heeft uitgesproken (zie de profetie in “Oedipus Rex”, volgens welke Oedipus zijn vader zal doden en met zijn moeder zal trouwen).
Defensierapport
De tweede verhaallijn begint met een spannend defensierapport over een mysterieus voorval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een lerares was met haar klas op een beboste heuvel eetbare paddenstoelen aan het zoeken toen alle kinderen flauwvielen. Niemand is ooit achter de oorzaak gekomen. Na enige tijd kwamen ze allemaal vanzelf weer bij, behalve één jongetje, Satoru Nakata, dat in een militair ziekenhuis werd opgenomen. Het voorval doet enigszins denken aan de Japanse folklore, waarin een traditie van verhalen bestaat over mensen die een bos of berg binnengaan, verdwalen en vervolgens gedesoriënteerd of veranderd terugkeren. Hiervoor worden ‘kami’ verantwoordelijk gehouden: spirituele wezens of krachten uit het Japanse shintoïsme. Zie ook “Het verhaal van Genji”, de eerste roman uit de wereldliteratuur, waarin ‘ikiryô’, oftewel ‘levende geesten’, optreden die in verband worden gebracht met ‘zielsuittredingen’. In oude Japanse legenden kunnen niet alleen de zielen van doden, maar ook die van levende mensen het lichaam verlaten om soms duizenden mijlen verderop een belangrijke taak te verrichten en daarna weer terug te keren.
Ze zou zijn zusje kunnen zijn, ze zou zijn moeder kunnen zijn
In de nachtbus komt een meisje naast Kafka zitten, Sakura, met wie hij telefoonnummers uitwisselt. Ze lijkt op Midori uit “NorwegianWood”: een actief, komisch, schaamteloos, nuchter en positief karakter. Ze zou zijn zusje kunnen zijn. Wanneer Kafka in de plaats Takamatsu uitstapt, gaat hij op zoek naar een particuliere bibliotheek waarover hij in een tijdschrift heeft gelezen. Aan de balie staat een mooie jongeman die zich voorstelt als Ōshima. Hij vertelt dat er om twee uur een rondleiding door het gebouw is. Kafka gaat in een fauteuil zitten en leest “De verhalen van 1001 nacht” totdat het zover is. Hij voelt zich heerlijk, geborgen en op zijn plaats. De gids blijkt de elegante directrice van de zogeheten Kōmura-bibliotheek te zijn: mevrouw Saeki. Ze lijkt op Naoko uit “Norwegian Wood”: een stil, intelligent, bescheiden, wijs, vluchtig en moeilijk te bereiken karakter. Ze zou zijn moeder kunnen zijn.
De goedheid zelve
We komen Nakata in verhaal twee weer tegen, als hij een zestiger is en ‘de goedheid zelve’. Hij blijkt na drie weken uit zijn bewusteloosheid te zijn ontwaakt, maar is zijn geheugen kwijtgeraakt. Hij praat als een klein kind over zichzelf in de derde persoon. Hij heeft nooit leren lezen en schrijven, maar kan wel met katten praten. Hij leeft van de bijstand en verdient wat bij met het opsporen van weggelopen katten. Volgens een kat is zijn ‘schaduw een beetje te dun’: de helft lijkt te ontbreken. Gaat het hier om de Jungiaanse schaduw?
Kafka’s linkerhersenhelftwereld
In het hotel waar hij heeft geboekt, maakt Kafka het meisje achter de balie wijs dat hij een arme student is die voor zijn eindexamenscriptie onderzoek doet in de Kōmura-bibliotheek. Hij bedingt zelfs de nodige korting op zijn overnachtingen. Tegen Ōshima vertelt hij eerlijk dat hij nooit meer terug wil naar school. “… Dan is een bibliotheek geen slecht alternatief…”, zegt Ōshima. Ze praten over Franz Kafka’s verhaal “In de strafkolonie”, waarin de schrijver een zuiver mechanische beschrijving geeft van een merkwaardige executiemachine. “… Dat gecompliceerde executieapparaat met zijn mysterieuze doel ís geen gelijkenis of allegorie. Het bestaat echt – ‘hier om mij heen’. Maar dat kan ik waarschijnlijk op geen enkele manier uitleggen…”, aldus Kafka. Kom maar eens om een betere metafoor voor McGilchrist’s linkerhersenhelftwereld…
Eichmann: iemand zonder fantasie
Daarna gebeuren er een aantal dingen tegelijk. Kafka komt op een avond tegen half twaalf in het pikkedonker bij een Shintoschrijn terecht. Hij is vier uur buiten westen geweest en zijn kleren zitten onder het bloed. Hij is doodsbang en weet niets beters te verzinnen dan Sakuru, die zijn zusje zou kunnen zijn, op te bellen. Hij brengt de nacht bij haar door. De volgende dag wordt er in het nieuws of in de krant geen misdaad vermeld, maar toch lijkt het Kafka beter om hoe dan ook uit handen van de politie te blijven. Ōshima brengt hem daarom naar een houthakkershut diep in de bergen, waar hij vier dagen in zijn eentje doorbrengt. Alsof hij een soort inwijding ondergaat: “… wat zou het fijn zijn als ik hier altijd kon blijven, denk ik. Plankenvol boeken die ik wil lezen, en een kast boordevol levensmiddelen. Maar ik begrijp zelf ook wel dat deze hut voor mij niet meer is dan een doorgangspunt …”. Hij verdiept zich in een boek over het proces tegen Adolf Eichmann, de kille bureaucraat die de Endlösung van de Joden tot in het kleinste detail uitdacht. “… Het is allemaal een probleem van de fantasie. Verantwoordelijkheid begint in ons voorstellingsvermogen. Het is precies zoals Yeats zegt: ‘In dreams begins responsibility’. Anders gesteld: wie niet bij machte is zich ergens een voorstelling van te maken, is waarschijnlijk ook niet in staat zich ergens verantwoordelijk voor te voelen …”, heeft Ōshima op het achterschutblad geschreven. Oftewel: zonder invloed van de rechterhersenhelft worden wij robots. Eichmann haat alle onzekere factoren die het lef hebben om alle mooie plannen die op zijn bureau zijn geboren in het honderd te laten lopen: “… Eichmanns leven bestaat bijna geheel uit praktische details …”.
Bezielde natuur
Kafka ervaart aan den lijve hoe gevaarlijk het bos is wanneer hij bijna het pad kwijtraakt: “… De enige planten die ik tot nu toe heb gezien of aangeraakt, zijn tamme, gemanicuurde soorten die je in de grote steden vindt. Maar de planten die hier staan – nee, ‘leven’ – dat is iets heel anders! Deze bezitten lichamelijke kracht, adem die ze een man in zijn gezicht spuwen, een scherpe blik waarmee ze op hun prooi loeren. Ze beschikken over iets dat aan oeroude magie doet denken…”. Het bos lijkt hierdoor bijna ‘bezield’ te zijn: “… Als het woud dat nodig acht, kan het me ijskoud de toegang weigeren. Of het kan me verzwelgen. Ik zal deze bomen moeten bejegenen met het respect en de vrees die ze toekomen…”.
De geschiedenis der mensheid
Tegelijkertijd wordt Nakata, de kattenspeurder, door een monsterlijke hond gesommeerd hem te volgen naar een huis in een buitenwijk, waar een rare knakker kattenzielen verzamelt om er een onhoorbare ‘fluit’ van te maken. Alleen is hij het doden van katten beu, dus moet Nakata hém vermoorden. Nakata moet maar doen alsof het oorlog is: “… Als er oorlog uitbreekt, moet je in het leger, als soldaat. Als je soldaat bent, moet je met je geweer over de schouder naar het front om soldaten van de tegenstander dood te schieten. En liefst zoveel mogelijk. Niemand vraagt zich ook maar een moment af of jij mensen doodschieten leuk vindt. Het is iets dat je doen móét. Want doe je het niet, dan ga je er zelf aan…”. Hij richt zijn vinger op Nakata’s borst: “… ‘Pang!’ zei hij. ‘Dat is, heel beknopt, de geschiedenis der mensheid.’…”. Als hij ziet hoe de kattendoder met de beestjes tekeergaat, komt er ‘iets’ over Nakata waardoor hij zichzelf niet meer is (zie “Oorlogsroes” van Ernst Jünger), en vermoordt hij de kwelgeest. Het allergekste is dat de kattendoder zichzelf Johnny Walker noemt, wat verwijst naar een Amerikaans whiskymerk. Een eindje verder komt ook kolonel Sanders van de KFC het verhaal binnen wandelen: het ultieme uithangbord van het Amerikaanse kapitalisme. Volgens Marukani hebben deze Amerikaanse merken de Japanse folkloregeesten vervangen. Het Japanse geheugen is gewist en overgenomen door het Westen.
Holle mensen
Ondertussen heeft Ōshima met mevrouw Saeki geregeld dat Kafka een ongebruikte kamer in de bibliotheek kan betrekken en als zijn assistent mag optreden. Een prachtig fragment, waar we in onze gepolariseerde tijden heel veel van kunnen leren, gaat over twee fanatieke feministen die de bibliotheek komen doorspitten op vrouwonvriendelijkheid. Als ze Ōshima ijzig meedelen dat hij ‘een pathetisch, seksistisch, historisch achterhaald exemplaar van het mannelijk geslacht’ is, laat hij hun zijn rijbewijs zien en vertelt hij dat hij biologisch, en voor de burgerlijke stand, ontegenzeggelijk een vrouw is. Ook Kafka staat met zijn oren te klapperen. Als de dames afdruipen, vertelt Ōshima dat hij geen borstontwikkeling heeft en nooit ongesteld is geweest, waardoor hij soms ook niet meer weet wie hij is: “… Ik ben geen monster of gedrocht. Ik ben een normaal menselijk wezen. Ik heb dezelfde gevoelens als anderen en ik gedraag me op dezelfde manier. Maar soms voelt dat ene tikje verschil aan als een bodemloze afgrond. Al kan ik daar, goed beschouwd, weinig aan doen…”. Hij zegt dat hij vooral afknapt op mensen ‘zonder verbeelding’: linkerhersenhelftmensen die vastzitten in hun starre ideologieën en lege terminologie. T.S. Eliot noemt ze ‘holle mensen’: “… Mensen die het lef hebben om hun afgestompte gevoelens in dorre woorden om te zetten en die aan anderen op te dringen. Met andere woorden, mensen zoals dat tweetal van daarnet…”. Even verder: “… Homo’s, lesbiennes, hetero’s, feministen, fascisten, communisten, Hare Krishna’s – het zal me een zorg zijn wat iemand is. Het kan me niet schelen onder welke vlag ze varen. Maar waar ik absoluut niet tegen kan, zijn de ‘holle’ mensen…”. Hij vertelt dat de grote liefde van mevrouw Saeki is vermoord door ‘holle mensen’ tijdens een studentenprotest: hij werd in het donker voor een vijand aangezien en doodgeschopt. “… Bekrompen, intolerante zielen zonder de minste verbeeldingskracht. Onverdraagbare politieke stellingen, abstract vocabulaire, gestolen idealen, onbuigzame systemen – dat zijn de dingen die me écht met angst vervullen…”. Zowel ter rechter- als ter linkerzijde gaat het om eendimensionale mensen die niet in staat zijn zich in de ander te verplaatsen.
Op zoek naar de ‘sluitsteen’
Nakata gaat zichzelf na zijn daad aangeven bij de politie, maar de agent die hem te woord staat, gelooft hem niet. Daarop voorspelt Nakata dat het de volgende dag haringen en sardines zal gaan regenen, wat ook echt gebeurt. Bovendien wordt Kafka’s vader gevonden, in een plas bloed, vermoord. Maar dan is Nakata al liftend de stad uit, op weg naar het westen dat hem roept. Hij moet en zal – evenals Kafka – naar het eiland Shikoku. Op een parkeerplaats waar een troep Hells Angels een jongen in elkaar staat te schoppen, laat hij ook nog bloedzuigers regenen. Soms moet je Murakami maar gewoon lezen zonder te trachten zijn verhaal in je hoofd rond te breien. Nakata wordt opgepikt door een jonge vrachtwagenchauffeur, Hoshino, die hem in de rest van het boek op zijn speurtocht zal bijstaan. Het enige wat Nakata hem kan vertellen, is dat hij op zoek moet naar een raadselachtige ‘sluitsteen’, die waarschijnlijk de doorgang naar de spirituele wereld verspert dan wel opent.
Franz Kafka
Wanneer Kafka in de krant leest over de dood van zijn vader, is hij bang dat hij door een ‘speciaal droomcircuit’ is gereisd om eigenhandig zijn vader te vermoorden. Hij beseft dat hij eens te meer moet onderduiken. Ondertussen komen we er onder andere achter dat de boektitel verwijst naar een schilderij van de geliefde van mevrouw Saeki, dat aan de wand in de logeerkamer van Kafka hangt. “… Ik durf te wedden dat de mysterieuze eenzaamheid van de jongen op het schilderij haar deed denken aan de verhalen van Franz Kafka. Daarom noemde ze hem ‘Kafka op het strand’ – een eenzame ziel die rondzwerft op de branding van het Absurde…”. Het schilderij lijkt als twee druppels water op de enige foto die Kafka van zichzelf en zijn zusje op een strand heeft. Mevrouw Saeki blijkt op haar negentiende bovendien een wereldhit te hebben gemaakt met een lied dat ‘Kafka op het strand’ heet. Kafka ziet haar ’s nachts als een vijftienjarig spook door zijn kamer zweven en wordt langzaam maar zeker steeds verliefder op haar, alsof hij verdwaalt in het labyrint van de tijd. Iedereen die verliefd wordt, zoekt naar iets wat bij hemzelf ontbreekt, aldus Ōshima.
De rechte en ronde wereld
Murakami heeft het even als McGilchrist over de ‘rechte’ en ‘ronde’ wereld. “… ‘Er zit een kink in de wereld’. ‘Hè?’ ‘Jij weet dat natuurlijk niet, maar daar hebben we de drie dimensies aan te danken – aan die kink. Dus als je wil dat alles altijd recht is, moet je in een wereld gaan wonen die met een driehoek is aangelegd…”. Mevrouw Saeki over haar geliefde: “… We leefden in het midden van een perfecte cirkel waarin alles volmaakt was. Maar dat kon natuurlijk niet altijd zo doorgaan. Wij groeiden op, en de tijden veranderden. De cirkel werd op allerlei punten doorbroken. De buitenwereld drong ons paradijs binnen, en wat zich in de cirkel bevond, wilde ook naar buiten. Zoets spreekt vanzelf…”. Aan de hand van de muziek van Beethoven komt zelfs de Romantiek aan bod, die Murakami beschrijft als een bevrijding van het ‘zelf’.
Eenheid in verscheidenheid
De les die Kafka gaandeweg leert, is: “… Ik wil niet langer door van alles en nog wat worden gemanipuleerd…”. De jongen die Kraai wordt genoemd, betrekt dat onder andere op oorlogvoering: “… Waarom vechten mensen? Waarom moeten honderdduizenden, miljoenen mensen elkaar in groepen afmaken? Waardoor wordt oorlog veroorzaakt? Door woede? Vrees? Of zijn woede en vrees niet meer dan twee verschillende gezichten van dezelfde emotie?...”. De jongen die Kraai wordt genoemd, zegt ook: “… Luister nou eens goed: een oorlog om een eind te maken aan de oorlog – die vind je nergens!...”. Dat geldt ook voor de oorlog in jezelf: “… ‘Je moet proberen de vrees en woede in je hart te overwinnen,’ zegt de jongen die Kraai wordt genoemd. ‘Laat er een helder licht in schijnen, om de kou te verdrijven die daar heerst’…”. Zo kun je je echte ‘zelf’ terugvinden (zie ook “Eva” van Carry van Bruggen). Als Kafka teruggaat naar de houthakkershut, trekt hij voor de tweede keer het bos in, waar hij een Dante-achtige beproeving ondergaat, met twee kami-soldaten als gidsen: “… Mijn weg voert me naar een speciale plek in mezelf. Naar de lichtbron die ook de duisternis spint, naar de plaats waar de echo’s van de stilte ontstaan…”. Hij moet leren zijn moeder te begrijpen en te vergeven. Alleen zo kan hij weer één geheel worden.
Uitgave: Atlas Contact – 2021, vertaling Jaques Westerhoven, 640 blz., ISBN 978 902 547 091 3, € 21,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

