Menu

vrijdag 2 oktober 2026

Kafka op het strand – Haruki Murakami

 


 “De meester en zijn afgezant” van Iain McGilchrist heeft mij enorm geholpen om het werk van Haruki Murakami te begrijpen, dat bijna een genre op zich is. Murakami heeft er zelf veelvuldig op gehamerd dat hij ‘easy to read, but hard to understand’ is. Zijn personages pendelen voortdurend tussen de echte en de spirituele wereld. In de visie van McGilchrist balanceren ze tussen de linker- en rechterhersenhelft. De geest van de protagonist is verdeeld tussen deze twee dimensies. Hij kan niet kiezen. Er is doorlopend sprake van tweespalt. Het verschil met het realistische “Norwegian Wood” (zie mijn vorige blog) is dat Murakami’s tiende boek, “Kafka op het strand” (2002), honderd procent surrealistisch is. In interviews voert Murakami aan dat wij, westerlingen, ook grotendeels in een virtuele ‘nepwereld’ leven (zie de YouTube-video ‘The Mystery of Murakami's Kafka on the Shore’). Murakami’s leidmotief: “… Al mijn personages zijn op zoek naar iets belangrijks. En die zoektocht is als een avontuur, een proef die ze moeten afleggen. Let wel, het belang ligt niet in wat ze zoeken, maar in het eigenlijke zoekproces. Dat werpt hen terug op zichzelf en hun eigen eenzaamheid…” (De Groene Amsterdammer, 03.03.10). In “Kafka op het strand” lopen twee ingewikkelde en mysterieuze verhalen door elkaar heen, die aan het eind samenkomen. Het geeft je een beetje steun te bedenken dat de roman onder andere is gebaseerd op “Oedipus Rex”, de tragedie van Sophocles. Zie Freud, die de naam Oedipus verbindt aan de seksuele verlangens van het kind voor de ouder van het andere geslacht en de vijandige gevoelens voor de ouder van hetzelfde geslacht. Murakami lezen is een ‘andere wereld’ betreden, zonder traditionele moraal. Murakami schrijft zich het onbewuste in en komt bij toeval dezelfde dingen als Jung tegen, ook al zegt hij die nooit gelezen te hebben. Dat vind ik fascinerend.

 

Een duivels spelletje mikado

“Kafka op het strand” is zo’n dik en rijk boek dat het bijna niet valt samen te vatten (De Groene Amsterdammer heeft het niet voor niets over ‘een duivels spelletje mikado’), dus doe ik het heel globaal, met aandacht voor de krenten in de pap. De roman gaat over een vijftienjarige boekenwurm, Kafka Tamura, die van huis wegloopt. Hij bezit een dubbele persoonlijkheid. ‘De jongen die Kraai wordt genoemd’ is zijn andere, wijzere helft, die zijn onderneming een ‘loeiende, metafysische, abstracte zandstorm’ noemt, waar hij zich een weg doorheen moet banen: “… Eén ding staat echter vast: wanneer je eruit komt, ben je niet dezelfde meer als toen je erin stapte. Want dat is de betekenis van de zandstorm…”. De jongen heeft ook iets van het geïsoleerde van de échte Kafka. Hij bemoeit zich met niemand: “… Natuurlijk liet iedereen me links liggen. Ik had een hoge muur om mezelf heen gebouwd, waar ik niemand binnenlaat, en ik pas goed op dat ik zelf niet naar buiten stap…” (Watanabe in “Norwegian Wood” is eenzelfde soort personage). Kafka betekent in het Japans iets als ‘kraai’, of eigenlijk ‘kauw’ – kraaien komen in Japan niet voor. Kafka heeft een moeder en een zusje die hem op zijn vierde bij zijn vader, een beeldhouwer, hebben achtergelaten. Hij zegt het niet zo rechtstreeks, maar het lijkt erop dat hij naar hen op zoek gaat, of, misschien beter gezegd, alsof een magnetische kracht hem naar hen toetrekt – zoals ook het eiland waar hij met de nachtbus naartoe gaat hem als het ware ‘roept’. Verder heeft hij nog te dealen met een ‘voorspelling’, dan wel ‘vloek’, die zijn vader over hem heeft uitgesproken (zie de profetie in “Oedipus Rex”, volgens welke Oedipus zijn vader zal doden en met zijn moeder zal trouwen).

 

Defensierapport

De tweede verhaallijn begint met een spannend defensierapport over een mysterieus voorval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een lerares was met haar klas op een beboste heuvel eetbare paddenstoelen aan het zoeken toen alle kinderen flauwvielen. Niemand is ooit achter de oorzaak gekomen. Na enige tijd kwamen ze allemaal vanzelf weer bij, behalve één jongetje, Satoru Nakata, dat in een militair ziekenhuis werd opgenomen. Het voorval doet enigszins denken aan de Japanse folklore, waarin een traditie van verhalen bestaat over mensen die een bos of berg binnengaan, verdwalen en vervolgens gedesoriënteerd of veranderd terugkeren. Hiervoor worden ‘kami’ verantwoordelijk gehouden: spirituele wezens of krachten uit het Japanse shintoïsme. Zie ook “Het verhaal van Genji”, de eerste roman uit de wereldliteratuur, waarin ‘ikiryô’, oftewel ‘levende geesten’, optreden die in verband worden gebracht met ‘zielsuittredingen’. In oude Japanse legenden kunnen niet alleen de zielen van doden, maar ook die van levende mensen het lichaam verlaten om soms duizenden mijlen verderop een belangrijke taak te verrichten en daarna weer terug te keren.

 

Ze zou zijn zusje kunnen zijn, ze zou zijn moeder kunnen zijn

In de nachtbus komt een meisje naast Kafka zitten, Sakura, met wie hij telefoonnummers uitwisselt. Ze lijkt op Midori uit “NorwegianWood”: een actief, komisch, schaamteloos, nuchter en positief karakter. Ze zou zijn zusje kunnen zijn. Wanneer Kafka in de plaats Takamatsu uitstapt, gaat hij op zoek naar een particuliere bibliotheek waarover hij in een tijdschrift heeft gelezen. Aan de balie staat een mooie jongeman die zich voorstelt als Ōshima. Hij vertelt dat er om twee uur een rondleiding door het gebouw is. Kafka gaat in een fauteuil zitten en leest “De verhalen van 1001 nacht” totdat het zover is. Hij voelt zich heerlijk, geborgen en op zijn plaats. De gids blijkt de elegante directrice van de zogeheten Kōmura-bibliotheek te zijn: mevrouw Saeki. Ze lijkt op Naoko uit “Norwegian Wood”: een stil, intelligent, bescheiden, wijs, vluchtig en moeilijk te bereiken karakter. Ze zou zijn moeder kunnen zijn.

 

De goedheid zelve

We komen Nakata in verhaal twee weer tegen, als hij een zestiger is en ‘de goedheid zelve’. Hij blijkt na drie weken uit zijn bewusteloosheid te zijn ontwaakt, maar is zijn geheugen kwijtgeraakt. Hij praat als een klein kind over zichzelf in de derde persoon. Hij heeft nooit leren lezen en schrijven, maar kan wel met katten praten. Hij leeft van de bijstand en verdient wat bij met het opsporen van weggelopen katten. Volgens een kat is zijn ‘schaduw een beetje te dun’: de helft lijkt te ontbreken. Gaat het hier om de Jungiaanse schaduw?

 

Kafka’s linkerhersenhelftwereld

In het hotel waar hij heeft geboekt, maakt Kafka het meisje achter de balie wijs dat hij een arme student is die voor zijn eindexamenscriptie onderzoek doet in de Kōmura-bibliotheek. Hij bedingt zelfs de nodige korting op zijn overnachtingen. Tegen Ōshima vertelt hij eerlijk dat hij nooit meer terug wil naar school. “… Dan is een bibliotheek geen slecht alternatief…”, zegt Ōshima. Ze praten over Franz Kafka’s verhaal “In de strafkolonie”, waarin de schrijver een zuiver mechanische beschrijving geeft van een merkwaardige executiemachine. “… Dat gecompliceerde executieapparaat met zijn mysterieuze doel ís geen gelijkenis of allegorie. Het bestaat echt – ‘hier om mij heen’. Maar dat kan ik waarschijnlijk op geen enkele manier uitleggen…”, aldus Kafka. Kom maar eens om een betere metafoor voor McGilchrist’s linkerhersenhelftwereld…

 

Eichmann: iemand zonder fantasie

Daarna gebeuren er een aantal dingen tegelijk. Kafka komt op een avond tegen half twaalf in het pikkedonker bij een Shintoschrijn terecht. Hij is vier uur buiten westen geweest en zijn kleren zitten onder het bloed. Hij is doodsbang en weet niets beters te verzinnen dan Sakuru, die zijn zusje zou kunnen zijn, op te bellen. Hij brengt de nacht bij haar door. De volgende dag wordt er in het nieuws of in de krant geen misdaad vermeld, maar toch lijkt het Kafka beter om hoe dan ook uit handen van de politie te blijven. Ōshima brengt hem daarom naar een houthakkershut diep in de bergen, waar hij vier dagen in zijn eentje doorbrengt. Alsof hij een soort inwijding ondergaat: “… wat zou het fijn zijn als ik hier altijd kon blijven, denk ik. Plankenvol boeken die ik wil lezen, en een kast boordevol levensmiddelen. Maar ik begrijp zelf ook wel dat deze hut voor mij niet meer is dan een doorgangspunt …”. Hij verdiept zich in een boek over het proces tegen Adolf Eichmann, de kille bureaucraat die de Endlösung van de Joden tot in het kleinste detail uitdacht. “… Het is allemaal een probleem van de fantasie. Verantwoordelijkheid begint in ons voorstellingsvermogen. Het is precies zoals Yeats zegt: ‘In dreams begins responsibility’. Anders gesteld: wie niet bij machte is zich ergens een voorstelling van te maken, is waarschijnlijk ook niet in staat zich ergens verantwoordelijk voor te voelen …”, heeft Ōshima op het achterschutblad geschreven. Oftewel: zonder invloed van de rechterhersenhelft worden wij robots. Eichmann haat alle onzekere factoren die het lef hebben om alle mooie plannen die op zijn bureau zijn geboren in het honderd te laten lopen: “… Eichmanns leven bestaat bijna geheel uit praktische details …”.

 

Bezielde natuur

Kafka ervaart aan den lijve hoe gevaarlijk het bos is wanneer hij bijna het pad kwijtraakt: “… De enige planten die ik tot nu toe heb gezien of aangeraakt, zijn tamme, gemanicuurde soorten die je in de grote steden vindt. Maar de planten die hier staan – nee, ‘leven’ – dat is iets heel anders! Deze bezitten lichamelijke kracht, adem die ze een man in zijn gezicht spuwen, een scherpe blik waarmee ze op hun prooi loeren. Ze beschikken over iets dat aan oeroude magie doet denken…”. Het bos lijkt hierdoor bijna ‘bezield’ te zijn: “… Als het woud dat nodig acht, kan het me ijskoud de toegang weigeren. Of het kan me verzwelgen. Ik zal deze bomen moeten bejegenen met het respect en de vrees die ze toekomen…”.

 

De geschiedenis der mensheid

Tegelijkertijd wordt Nakata, de kattenspeurder, door een monsterlijke hond gesommeerd hem te volgen naar een huis in een buitenwijk, waar een rare knakker kattenzielen verzamelt om er een onhoorbare ‘fluit’ van te maken. Alleen is hij het doden van katten beu, dus moet Nakata hém vermoorden. Nakata moet maar doen alsof het oorlog is: “… Als er oorlog uitbreekt, moet je in het leger, als soldaat. Als je soldaat bent, moet je met je geweer over de schouder naar het front om soldaten van de tegenstander dood te schieten. En liefst zoveel mogelijk. Niemand vraagt zich ook maar een moment af of jij mensen doodschieten leuk vindt. Het is iets dat je doen móét. Want doe je het niet, dan ga je er zelf aan…”. Hij richt zijn vinger op Nakata’s borst: “… ‘Pang!’ zei hij. ‘Dat is, heel beknopt, de geschiedenis der mensheid.’…”. Als hij ziet hoe de kattendoder met de beestjes tekeergaat, komt er ‘iets’ over Nakata waardoor hij zichzelf niet meer is (zie “Oorlogsroes” van Ernst Jünger), en vermoordt hij de kwelgeest. Het allergekste is dat de kattendoder zichzelf Johnny Walker noemt, wat verwijst naar een Amerikaans whiskymerk. Een eindje verder komt ook kolonel Sanders van de KFC het verhaal binnen wandelen: het ultieme uithangbord van het Amerikaanse kapitalisme. Volgens Marukani hebben deze Amerikaanse merken de Japanse folkloregeesten vervangen. Het Japanse geheugen is gewist en overgenomen door het Westen.

 

Holle mensen

Ondertussen heeft Ōshima met mevrouw Saeki geregeld dat Kafka een ongebruikte kamer in de bibliotheek kan betrekken en als zijn assistent mag optreden. Een prachtig fragment, waar we in onze gepolariseerde tijden heel veel van kunnen leren, gaat over twee fanatieke feministen die de bibliotheek komen doorspitten op vrouwonvriendelijkheid. Als ze Ōshima ijzig meedelen dat hij ‘een pathetisch, seksistisch, historisch achterhaald exemplaar van het mannelijk geslacht’ is, laat hij hun zijn rijbewijs zien en vertelt hij dat hij biologisch, en voor de burgerlijke stand, ontegenzeggelijk een vrouw is. Ook Kafka staat met zijn oren te klapperen. Als de dames afdruipen, vertelt Ōshima dat hij geen borstontwikkeling heeft en nooit ongesteld is geweest, waardoor hij soms ook niet meer weet wie hij is: “… Ik ben geen monster of gedrocht. Ik ben een normaal menselijk wezen. Ik heb dezelfde gevoelens als anderen en ik gedraag me op dezelfde manier. Maar soms voelt dat ene tikje verschil aan als een bodemloze afgrond. Al kan ik daar, goed beschouwd, weinig aan doen…”. Hij zegt dat hij vooral afknapt op mensen ‘zonder verbeelding’: linkerhersenhelftmensen die vastzitten in hun starre ideologieën en lege terminologie. T.S. Eliot noemt ze ‘holle mensen’: “… Mensen die het lef hebben om hun afgestompte gevoelens in dorre woorden om te zetten en die aan anderen op te dringen. Met andere woorden, mensen zoals dat tweetal van daarnet…”. Even verder: “… Homo’s, lesbiennes, hetero’s, feministen, fascisten, communisten, Hare Krishna’s – het zal me een zorg zijn wat iemand is. Het kan me niet schelen onder welke vlag ze varen. Maar waar ik absoluut niet tegen kan, zijn de ‘holle’ mensen…”. Hij vertelt dat de grote liefde van mevrouw Saeki is vermoord door ‘holle mensen’ tijdens een studentenprotest: hij werd in het donker voor een vijand aangezien en doodgeschopt. “… Bekrompen, intolerante zielen zonder de minste verbeeldingskracht. Onverdraagbare politieke stellingen, abstract vocabulaire, gestolen idealen, onbuigzame systemen – dat zijn de dingen die me écht met angst vervullen…”. Zowel ter rechter- als ter linkerzijde gaat het om eendimensionale mensen die niet in staat zijn zich in de ander te verplaatsen.

 

Op zoek naar de ‘sluitsteen’

Nakata gaat zichzelf na zijn daad aangeven bij de politie, maar de agent die hem te woord staat, gelooft hem niet. Daarop voorspelt Nakata dat het de volgende dag haringen en sardines zal gaan regenen, wat ook echt gebeurt. Bovendien wordt Kafka’s vader gevonden, in een plas bloed, vermoord. Maar dan is Nakata al liftend de stad uit, op weg naar het westen dat hem roept. Hij moet en zal – evenals Kafka – naar het eiland Shikoku. Op een parkeerplaats waar een troep Hells Angels een jongen in elkaar staat te schoppen, laat hij ook nog bloedzuigers regenen. Soms moet je Murakami maar gewoon lezen zonder te trachten zijn verhaal in je hoofd rond te breien. Nakata wordt opgepikt door een jonge vrachtwagenchauffeur, Hoshino, die hem in de rest van het boek op zijn speurtocht zal bijstaan. Het enige wat Nakata hem kan vertellen, is dat hij op zoek moet naar een raadselachtige ‘sluitsteen’, die waarschijnlijk de doorgang naar de spirituele wereld verspert dan wel opent.

 

Franz Kafka

Wanneer Kafka in de krant leest over de dood van zijn vader, is hij bang dat hij door een ‘speciaal droomcircuit’ is gereisd om eigenhandig zijn vader te vermoorden. Hij beseft dat hij eens te meer moet onderduiken. Ondertussen komen we er onder andere achter dat de boektitel verwijst naar een schilderij van de geliefde van mevrouw Saeki, dat aan de wand in de logeerkamer van Kafka hangt. “… Ik durf te wedden dat de mysterieuze eenzaamheid van de jongen op het schilderij haar deed denken aan de verhalen van Franz Kafka. Daarom noemde ze hem ‘Kafka op het strand’ – een eenzame ziel die rondzwerft op de branding van het Absurde…”. Het schilderij lijkt als twee druppels water op de enige foto die Kafka van zichzelf en zijn zusje op een strand heeft. Mevrouw Saeki blijkt op haar negentiende bovendien een wereldhit te hebben gemaakt met een lied dat ‘Kafka op het strand’ heet. Kafka ziet haar ’s nachts als een vijftienjarig spook door zijn kamer zweven en wordt langzaam maar zeker steeds verliefder op haar, alsof hij verdwaalt in het labyrint van de tijd. Iedereen die verliefd wordt, zoekt naar iets wat bij hemzelf ontbreekt, aldus Ōshima.

 

De rechte en ronde wereld

Murakami heeft het even als McGilchrist over de ‘rechte’ en ‘ronde’ wereld. “… ‘Er zit een kink in de wereld’. ‘Hè?’ ‘Jij weet dat natuurlijk niet, maar daar hebben we de drie dimensies aan te danken – aan die kink. Dus als je wil dat alles altijd recht is, moet je in een wereld gaan wonen die met een driehoek is aangelegd…”. Mevrouw Saeki over haar geliefde: “… We leefden in het midden van een perfecte cirkel waarin alles volmaakt was. Maar dat kon natuurlijk niet altijd zo doorgaan. Wij groeiden op, en de tijden veranderden. De cirkel werd op allerlei punten doorbroken. De buitenwereld drong ons paradijs binnen, en wat zich in de cirkel bevond, wilde ook naar buiten. Zoets spreekt vanzelf…”. Aan de hand van de muziek van Beethoven komt zelfs de Romantiek aan bod, die Murakami beschrijft als een bevrijding van het ‘zelf’.

 

Eenheid in verscheidenheid

De les die Kafka gaandeweg leert, is: “… Ik wil niet langer door van alles en nog wat worden gemanipuleerd…”. De jongen die Kraai wordt genoemd, betrekt dat onder andere op oorlogvoering: “… Waarom vechten mensen? Waarom moeten honderdduizenden, miljoenen mensen elkaar in groepen afmaken? Waardoor wordt oorlog veroorzaakt? Door woede? Vrees? Of zijn woede en vrees niet meer dan twee verschillende gezichten van dezelfde emotie?...”. De jongen die Kraai wordt genoemd, zegt ook: “… Luister nou eens goed: een oorlog om een eind te maken aan de oorlog – die vind je nergens!...”. Dat geldt ook voor de oorlog in jezelf: “… ‘Je moet proberen de vrees en woede in je hart te overwinnen,’ zegt de jongen die Kraai wordt genoemd. ‘Laat er een helder licht in schijnen, om de kou te verdrijven die daar heerst’…”. Zo kun je je echte ‘zelf’ terugvinden (zie ook “Eva” van Carry van Bruggen). Als Kafka teruggaat naar de houthakkershut, trekt hij voor de tweede keer het bos in, waar hij een Dante-achtige beproeving ondergaat, met twee kami-soldaten als gidsen: “… Mijn weg voert me naar een speciale plek in mezelf. Naar de lichtbron die ook de duisternis spint, naar de plaats waar de echo’s van de stilte ontstaan…”. Hij moet leren zijn moeder te begrijpen en te vergeven. Alleen zo kan hij weer één geheel worden.

 

Uitgave: Atlas Contact – 2021, vertaling Jaques Westerhoven, 640 blz., ISBN 978 902 547 091 3, € 21,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zaterdag 26 september 2026

Norwegian Wood – Haruki Murakami

 


Wij leven in ‘collaptische’ tijden, stelt Wouter van Noort in een prachtig artikel in het NRC van 20.09.26: “… Als het voelt alsof alles aan het verschuiven en kantelen is, komt dat misschien wel omdat dat zo is…”. Wat is een goed en betekenisvol antwoord op een ‘tijd van collapse’? Eigenlijk vindt hij ‘hoop’ te blij voor deze nieuwe fase: “… Hoop is de laatste jaren te veel verzand in ‘hopium’: verdovend, kalmerend, terwijl dat evident niet genoeg was…” (zie de feelgoodliteratuur die rond 2010 aan een enorme opmars begon, zou ik zeggen). Misschien moeten we de pijn aankijken: ‘Staying with the Trouble’. Als we dat aandurven, zijn we mogelijk in staat eroverheen te groeien. Komt er wellicht ruimte voor iets “… symbiotischer, gezelliger en wijzer (…) dan de extractieve en exploitatieve shit van het oude systeem die zo in ons gezicht ontploft de laatste jaren…”. Is het niet net alsof hij de rechterhersenhelftwereld van McGilchrist beschrijft (zie mijn vorige blog)? “… In plaats van voortdurend te denken in termen van transitie naar iets anders – waardoor we maar blijven rennen – zouden we ons moeten afvragen: wat is er al?...”, meent hij. Wat er al is, zijn de (post)moderne klassieken. Daarom lees ik ze zo graag. Misschien zijn daar wel antwoorden te vinden op de vele vragen van nu. “Norwegian Wood” van Haruki Murakami (Kyoto, 1949) is een indringende, melancholieke bildungsroman over romantiek en volwassenheid, over de onmogelijke en dappere liefde van een jongeman. Ter gelegenheid van een drievoudig jubileum (40 jaar “Noruuei no mori”, 20 jaar “Norwegian Wood” en de 50e Nederlandse druk) verschijnt dit vroege hoogtepunt in het oeuvre van Murakami in oktober bij Atlas Contact eenmalig in een gelimiteerde luxe-editie.

 

Donker

De Britse YouTuber die onder de naam ‘Nick Reads’ een interessant videokanaal beheert — ‘for people who think books still matter’ — vestigde mijn aandacht op “Norwegian Wood”. Het kwam uit in 1987. Er werden maar liefst twaalf miljoen exemplaren van verkocht. Het succes was zo groot dat Murakami zich genoodzaakt zag Japan een tijdje te verlaten. Het betekende zijn doorbraak. Best bijzonder, want het boek heeft níéts met de tegenwoordig populaire, manische linkerhersenhelftwereld waarin alles ‘superleuk’ en ‘megaspannend’ moet zijn (zie mijn vorige blog). Eigenlijk is het een nogal ‘traag’ en ‘donker’ boek, waarin veel wordt gerefereerd aan depressie (rechterhersenhelftwereld) en zelfmoord. Tegelijk is het verhaal vaak hilarisch. Misschien werd het destijds meer geaccepteerd dat neerslachtigheid en zwaarmoedigheid eigen zijn aan de puberteit? Zou de hedendaagse problematiek rond het psychische welzijn van jongeren te maken kunnen hebben met de blindheid daarvoor en de vervolgens torenhoge eisen die dat in onze hijgerige prestatiemaatschappij met zich meebrengt (zie “Gij zult gelukkig zijn!” van Pascal Bruckner)? Ik noem maar wat? In ieder geval is de protagonist in “Norwegian Wood”, Toru Watanabe, een eenzame, stille, ernstige, onopvallende en nogal passieve student in Tokio, die het leven maar zo’n beetje over zich heen laat komen (‘Toru’ betekent iets als ‘doorgang’, 'passage': naar de volwassenheid?). Hij houdt zich verre van de studentenacties tegen de gevestigde orde die, net als in veel andere landen, eind jaren zestig en begin jaren zeventig — de tijd waarin het verhaal zich afspeelt — losgaan. Laten ze de boel maar afbreken als ze dat willen; hij doet er niet aan mee. Er komt heel veel seks voor in het verhaal, wat helemaal bij de seksuele revolutie van toen past en nu misschien als seksistisch zou worden bestempeld: manosfeer enzo. Gek genoeg wordt het nergens echt plat of vulgair — het is geen Jan Wolkers. “Norwegian Wood” is een realistisch verhaal, in tegenstelling tot het veelvoorkomende surrealisme in de rest van Murakami’s oeuvre (zie mijn bespreking van “De moord op Commendatore – deel 2” en “De stad met de onvaste muren”).

 

Het Systeem

Misschien zou je kunnen zeggen dat Murakami de linkerhersenhelftwereld (zie mijn vorige blog) aanduidt met ‘het Systeem’. “… Ieder van ons bezit een tastbare, levende ziel. Het systeem heeft zoiets niet. We mogen niet toestaan dat het systeem ons uitbuit…”, aldus Murakami in een speech tijdens het in ontvangst nemen van de Jerusalem Prize in 2009. Zijn toespraak staat bekend als ‘Always on the Side of the Egg’ (Aan de kant van het ei). Murakami gebruikt daarin de metafoor van het breekbare ei tegenover de harde muur, waarbij de muur staat voor ‘het Systeem’. In “Norwegian Wood” gebeurt er niet veel opzienbarends. Wat voor Murakami belangrijk is, zijn de personages: de ‘levende zielen’. Misschien zou je kunnen zeggen dat zij nauwelijks zijn opgewassen tegen ‘het Systeem’.

 

Een drassig moeras

Het boek speelt zich af in het hoofd van Watanabe. Wanneer hij op zevenendertigjarige leeftijd in een vliegtuig landt op het vliegveld van Hamburg, brengt de zachte achtergrondmuziek – ‘Norwegian Wood’ van The Beatles – hem terug naar het jaar 1969, dat hij zich uitsluitend herinnert als een hopeloos moeras. En daar is alle reden toe: na zijn vriend heeft ook zijn vriendin een einde aan haar leven gemaakt. “...Een drassig moeras dat zo diep en zo zwaar aan mijn schoenen zoog dat ik bij elke stap vreesde ze te verliezen. Ik probeerde uit alle macht vooruit te komen midden in deze drab. Voor me of achter me was niets te zien. Alleen dit donkere moeras strekte zich uit zo ver het oog reikte. Ook de tijd verliep strompelend. Hij hield gelijke tred met mijn stappen. De mensen om me heen gingen wel degelijk vooruit, alleen ik en mijn tijd bleven in dit moeras voortploeteren. De wereld om me heen maakte grote veranderingen door. John Coltrane ging dood, en nog veel meer mensen. Er was een roep om verandering. Die leken vrijwel binnen handbereik. Maar die gebeurtenissen waren niet meer dan een betekenisloze, substantieloze achtergrond. Ik sleet mijn dagen zonder op of om te kijken. Het enige in mijn blikveld was dat oneindig uitgestrekte moeras. Ik zette een stap met mijn rechterbeen, tilde mijn linkerbeen op, dan weer mijn rechterbeen. Zonder enige zekerheid waar ik me bevond en zonder enig vertrouwen dat ik de goede kant op ging. Ik bleef gewoonweg de ene stap na de andere zetten omdat ik toch ergens heen moest...”. In ieder geval kun je zeggen dat Watanabe zijn pijn onder ogen ziet.

 

De hel

Het genie van Murakami is dat hij heel heldere woorden weet te gebruiken voor een sfeer die bijna niet uit te drukken is: “… De bladeren van de boomtoppen ritselden, in de verte blafte een hond. Het klonk zo ver weg dat het leek alsof het geluid van een ingang tot een andere wereld kwam…”. Naoko, de vriendin van Watanabe, kijkt hem diep in de ogen: “… Alsof ze op zoek is naar de schaduw van een klein visje dat toevallig de bodem van een heldere bron oversteekt…”. En andersom: “… Achter in haar ogen beschreef een zware, zwarte vloeistof vreemd gevormde draaikolken…”. Watanabe herinnert zich hoe ze over een grasveld lopen en Naoko hem een verhaal vertelt over een onzichtbare veldput, waar je zomaar in kunt vallen als je niet op de paden blijft: “… als je vooroverleunde en in het gat keek, kon je niets zien. Het enige wat je kon vaststellen, was dat het angstaanjagend diep was. Zo diep dat je er geen voorstelling van kon maken. Dat gat zat volgepropt met duisternis – zo’n intense duisternis alsof alle soorten duisternis van de wereld samen waren ingekookt…”. Als je erin valt, ben je verloren. Eens in de twee, drie jaar verdwijnt er iemand, en zeggen de mensen: ‘O, die is vast in de veldput gevallen’, aldus Naoko. Niemand kan die put vinden, maar hij moet in de buurt zijn. “… Het is geen kwestie van logica…”. Het verhaal doet me onmiddellijk denken aan Arnold Huijgen, die het in “Inferno” heeft over de moderne installatie ‘Descent into Limbo’ van Anish Kapoor uit 1992: de hel als een peilloos diep gat, dat een oneindige val suggereert in de pure leegte, het absolute nulpunt, of mogelijk zelfs een poort naar een andere dimensie. Het werk bestond nog niet toen Murakami “Norwegian Wood” schreef. Naoko zegt erbij dat ze ‘veel meer in het duister en in de kou en in de war’ is dan Watanabe denkt.

 

De greep van de dood

Watanabe blijft best wel een vaag figuur, al houd ik onmiddellijk van hem omdat hij steeds boeken leest: Truman Capote, John Updike, Scott Fitzgerald, Raymond Chandler, Joseph Conrad. “… Het kwam weleens voor dat ik al gelukkig werd als ik alleen een boek rook, of het in mijn handen voelde…”. Een jaar na het overlijden van zijn vriend Kizuki komt hij onverwacht Naoko tegen. Het ging om een zelfmoord uit het niets: “… toen de dood op die avond in mei Kizuki op zijn zeventiende greep, had hij tegelijkertijd mij gegrepen…”. Even verder: “… Nu ik erop terugkijk, was het zeker een vreemde tijd. Midden in het leven draaide alles om de dood…”. Watanabe: “… Sindsdien was er een verstijvende, koude lucht tussen mij en de wereld gekropen…”. Op de middelbare school trokken ze constant met z’n drieën op. Naoko was het vriendinnetje van Kizuki. In het begin had ze wel meisjes voor Watanabe uitgenodigd, maar dat werkte niet: “… Zodra er een vierde bij kwam, werd de sfeer ongemakkelijk. Als we met z’n drieën waren, leken we net een talkshow waarin ik de gast was, Kizuki de talentvolle presentator en Naoko de assistente…”. Naoko is een stille, mysterieuze, etherische schoonheid die zo weggelopen kan zijn uit de rechterhersenhelftwereld: “… ‘Ik kan me niet zo goed uitdrukken’, zei Naoko. ‘Dat is al een hele tijd zo. Als ik iets wil zeggen, komen steeds alleen de verkeerde woorden in me op. Of soms het tegenovergestelde. Als ik dat dan probeer te herstellen, wordt het alleen maar erger. Het is net of ik in twee lichamen ben opgesplitst die tikkertje spelen. We rennen elkaar achterna rond een dikke pilaar. De andere ik heeft altijd de goede woorden en deze ik krijg ik nooit te pakken.’…”.

 

Leidsvrouw

Ze spreken steeds vaker met elkaar af. Naoko lijkt een soort leidsvrouw, achter wie Watanabe urenlang aanloopt: “… Alsof het lopen op zich een soort ritueel was om kwade geesten uit te drijven…”. Ze praten ‘in flarden’, fragmentarisch en van de hak op de tak. Ook Watanabe kan geen woorden vinden voor zijn innerlijke leegte. Hij vertelt haar over zijn veroveringen, die hem niet echt raken: “… Ik denk weleens dat er misschien een harde schil om mijn hart zit en dat daar maar weinig doorheen kan dringen. Wie weet kan ik daarom moeilijk van iemand houden…”. Om haar op te vrolijken, vertelt hij haar gekke verhalen over zijn kamergenoot, die een ‘schoonmaakmanie’ heeft. Daardoor hebben ze de enige kamer op de campus die er picobello uitziet. De kamergenoot vertelt Watanabe wanneer hij naar de kapper moet, zijn neusharen moet knippen en een bad moet nemen als hij begint te stinken. Ze noemen hem ‘de Marinier’. 

 

In een oogwenk heb je ze plat

De enige studiegenoot met wie hij verder nog banden heeft, is Nagasawa, een interessant figuur die zo voor zichzelf gaat dat hij rechtstreeks uit de boeken van Ayn Rand lijkt te zijn weggelopen. Hij leest uit principe alleen romans van schrijvers die minstens dertig jaar dood zijn – Balzac, Dante, Dickens – omdat hij geen seconde wil verspillen aan prullen die de tand des tijds nog niet hebben doorstaan. “... Als je hetzelfde leest als iedereen, dan denk je ook hetzelfde als iedereen. Dat is de wereld van de boeren en het plebs...”. Nagasawa imponeert tegelijk door zijn behulpzame vriendelijkheid en extreme egoïsme. Een heer doet niet waar hij zin in heeft, maar wat hem te doen staat, volgens hem. Hij ziet het bestaan als een ratrace. Hij wil het gevecht met de grote, harde buitenwereld aangaan via een baan bij Buitenlandse Zaken: “... Als ik toch mijn krachten ga meten, wil ik ze beproeven in de grootste arena. Met andere woorden, de overheid. Hoe ver ik kan opklimmen in die idiote bureaucratische organisatie...”. Dat is natuurlijk ook een manier van in het leven staan. Volgens Watanabe leeft Nagasawa in zijn eigen (linkerhersenhelft-)hel. Hij is rijk en ziet er zo goed uit dat hij elk meisje dat hij wil zijn bed in weet te kletsen (ook al heeft hij een vaste vriendin: Hatsumi). Het gaat hem zo goed af dat het bijna weer vervelend wordt: “... In een oogwenk heb je ze plat...”. Willoos laat Watanabe zich meevoeren in Nagasawa’s vrouwenjacht, zonder er echt van te genieten. Ondertussen vindt hij een baantje in een platenzaak. Murakami was, voordat hij groot werd als schrijver, platenverkoper en uitbater van een eigen jazzbar in Tokio. Zijn enorme deskundigheid op muziekgebied spat van de bladzijden..

 

Zenuwinzinking

Wanneer zijn kamergenoot Watanabe een potje met een vuurvliegje geeft, laat hij het op het dak van het campusgebouw los: “… Nog lang nadat het vuurvliegje was verdwenen, bleef het spoor van zijn licht op mijn netvlies staan. Dit vage licht danste in de dikke duisternis van mijn gesloten ogen een hele tijd door, als een ziel die zijn doel kwijt is…”. Het beeld is bijna exemplarisch voor zijn relatie met Naoko, die na haar twintigste verjaardag — waarop ze voor het eerst uren achter elkaar praat, aan één stuk door huilt en met hem naar bed gaat — volledig uit zijn leven verdwijnt. Pas na drie maanden krijgt hij een brief waarin ze vertelt dat ze zich heeft laten opnemen in een ‘van de wereld afgesloten plek’ om haar ‘zenuwen tot rust’ te laten komen.

 

Heen en weer geslingerd

Als Watanabe in zijn eentje in een tentje zit te eten, komt er een vrijgevochten tante naar hem toe, Midori, die hem brutaal om zijn aantekeningen van het vak Theatergeschiedenis vraagt. Wanneer hij ze niet terugkrijgt, zoekt hij haar telefoonnummer op in de studentenadministratie en krijgt hij een boekhandel aan de telefoon. Midori zou je kunnen zien als een meisje dat uit de linkerhersenwereld is ontsnapt, als we in het jargon van McGilchrist blijven. Ze is grappig, uitdagend, vrolijk, bijdehand, wispelturig, down-to-earth, een beetje een tomboy met haar korte haar, en een beetje een trickster met haar gelieg. Ook met haar loopt hij door Tokio. Steeds kreeg ik het gevoel dat er allerlei mythen achter Murakami's verhaal schuilgaan. Alsof hij veel meer bedoelt dan hij schrijft. Als Watanabe op bezoek gaat bij Midori, koopt hij een bosje narcissen voor haar: “… Het was wel vreemd om narcissen te kopen in de herfst, maar ik had van jongs af aan een zwak voor narcissen gehad…”. Of Narcissus? “… In de trein zaten die zondagochtend drie oude vrouwen. Toen ik instapte, keken ze naar mij en mijn bloemen. Een van de drie lachte naar me. Ik lachte terug…”. De drie schikgodinnen? In het vervolg van het boek wordt Watanabe tussen de beide hemisfeervrouwen heen en weer geslingerd.

 

Wat is ‘normaal’?

Wanneer Naoko vraagt of Watanabe een paar dagen op bezoek komt, vertrekt hij naar de instelling waar ze verblijft, diep in de bergen. Het lijkt alsof hij in een andere wereld terechtkomt. Er is geen radio of tv. De dagen worden doorgebracht met werken op het land en het verzorgen van dieren. Het verschil tussen artsen en patiënten is niet te zien, omdat iedereen er gelijk is. De kliniek heeft nog het meest weg van een zelfvoorzienende commune. Naoko deelt haar appartement met een vrouw van een jaar of veertig, Reiko – want niemand mag in zijn eentje aan zijn lot worden overgelaten. De stelregel is dat iedereen elkaar helpt en alles kan zeggen wat hij of zij op zijn hart heeft, want ‘je hart spuien’ betekent genezing. Heel toepasselijk leest Watanabe in deze ‘tussentijd’ “De Toverberg” van Thomas Mann, dat zich ook in een van de boze buitenwereld afgezonderd sanatorium afspeelt. Voor het eerst hoort hij dat er ‘gekte’ in de familie van Naoko zit: haar zusje heeft ook zelfmoord gepleegd. Reiko, die al zeven jaar op de plek is vastgeroest, vertelt dat ze begon door te draaien toen haar droom om concertpianiste te worden in duigen viel door een verlamming in haar pink. Daarna werd ze ook nog eens beschadigd door een psychopathische leerlinge aan wie ze pianoles gaf. Het is een heel vreemd verhaal over een engelachtig mooi meisje, wier haast beangstigende schoonheid iedereen sprakeloos maakte: “… Als zij tegenover me zat, verdween mijn gezonde oordeel…”. Ze bleek een pathologische leugenaar. Ze verleidde de drieëndertigjarige Reiko zoals de vrouw van Potifar Jozef verleidde, maar deed het voorkomen alsof Reiko háár had aangerand. Ze vertelde overal rond dat Reiko lesbisch was. Edoch: het meisje was pas dertien… Wanneer Watanabe weer terug is in de bewoonde wereld, voelt het alsof hij op ‘een planeet met een afwijkende zwaartekracht’ is terechtgekomen en heeft hij uren nodig om zich weer aan te passen aan alle chaos en het rumoer om zich heen. Steeds is het de vraag wat de ‘normale’ wereld is: de instelling in de bergen of het bestaan in Tokio. Hetzelfde geldt voor mensen: “… ‘Hoe komt het dat je altijd naar dit soort mensen trekt?’ vroeg Naoko. ‘Ik bedoel, mensen als wij, waar een steekje aan loszit, die gestoord zijn, die niet kunnen zwemmen, die geleidelijk aan verdrinken? Ik, Kizuki, Reiko. Waarom trek je niet naar normalere mensen?’ ‘Omdat ik het zo niet zie,’ antwoordde ik na enig nadenken. ‘Ik vind jou en Kizuki en Reiko helemaal niet gestoord. De mensen die ik gestoord vind, lopen allemaal vrolijk buiten rond.’ ‘Maar wíj zijn gestoord hoor. Ik kan het weten,’ zei Naoko…”.

 

Over verbinding

Hoezeer McGilchrist gelijk heeft als hij zegt dat geluk op de allereerste plaats te maken heeft met warme sociale contacten, laat Murakami ook zien wanneer hij beschrijft hoe Watanabe volkomen vereenzaamt wanneer hij de campus verlaat, omdat hij elders een huisje vindt. Naoko trekt zich steeds meer terug en laat zijn brieven onbeantwoord. Midori weet niet hoe ze tot Watanabe moet doordringen: “… Je lijkt de hele tijd opgesloten te zitten in je eigen wereld, en als ik aanklop – ‘Watanabe, hier ben ik!’ – doe je even één oog open en dan keer je weer terug naar je eigen wereld…”. Ze wil lange tijd niets van hem weten, pissig omdat hij niet genoeg aandacht voor haar heeft. Hij krijgt verontrustende brieven van Reiko waarin ze schrijft dat Naoko stemmen hoort en steeds verder wegzakt. Watanabe's depressie kleurt al zijn waarnemingen. Als hij op zijn veranda zit: “… In het donker leken de kersenbloesems op ontstoken vlees waarvan de bladderende huid was opengesprongen. De geur van dit rottende vlees hing zoet en zwaar in de tuin…”. Hij ‘haat’ de lente. “… Vervolgens had ik drie dagen lang het vreemde gevoel dat ik op de bodem van de oceaan liep. Ik kon nauwelijks verstaan wat mensen tegen me zeiden en als ik zelf iets tegen iemand zei, kon diegene mij ook niet verstaan. Het voelde alsof er om mijn lichaam een vlies geplakt zat waardoor ik niet in contact kon komen met de buitenwereld…”. Even verder: “… Mijn bewustzijn was zo slap en opgezwollen als de wortels van een plant in het donker…”. Als een engel op de achtergrond is daar steeds Reiko. “… Als het donker is om je heen, zit er niets anders op dan een poosje te wachten tot je ogen aan de duisternis zijn gewend…”, schrijft ze. “… Als je niet in een psychiatrische inrichting wilt belanden, open dan je hart een beetje en geef je over aan de stroom…”, schrijft ze. Uiteindelijk moet Naoko worden opgenomen in een regulier ziekenhuis. Een herinnerde uitspraak van Nagasawa maakt dat Watanabe zich bij elkaar raapt: “… Je moet geen medelijden met jezelf hebben. Zelfmedelijden is voor sukkels…”. Wanneer Watanabe ten langen leste bewust besluit voor Midori te kiezen, pleegt Naoko – zonder dat ze daarvan op de hoogte is – zelfmoord: alsof ze voor altijd bij Kizuki wil zijn. Daarna is het wederom Reiko die Watanabe zijn schuldgevoel uit het hoofd praat en terugstuurt naar de wereld van de levenden. In het werk van Murakami zijn vrouwen altijd 'boodschappers'. Ze komen naar de held van het verhaal toe, in plaats van andersom. Reiko waarschuwde Watanabe bijvoorbeeld ook voor 'afstomping' toen ze hoorde over zijn vrouwenjacht met Nagasawe. 

 

Uitgave: Atlas Contact – 2026, vertaling Elbrich Fennema, 320 blz., ISBN 978 902 547 956 5, € 29,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier