Menu

maandag 17 augustus 2026

De broers Karamazov – F.M. Dostojevski

 


Op alle boekenlijsten die je maar kunt bedenken, komt de laatste grote roman van de geniale Russische verteller Fjodor Dostojevski (1821–1881) voor: “De broers Karamazov” (1879/1880) – en eindelijk heb ik hem gelezen. Je moet er wel even voor gaan zitten: zijn meesterwerk beslaat bijna duizend bladzijden. Het is een misdaadroman waarin de meest uitzinnige karakters de revue passeren. Het is evengoed een familieroman waarin een liederlijke, wellustige, hebzuchtige, leugenachtige vader het leven van zijn soms bijna karikaturale zonen onmogelijk maakt. En het is ook nog een diepreligieuze c.q. filosofische klassieker, met zinderende debatten en een vleugje horror. Iemand noemde Dostojevski ooit 'de Shakespeare van het gekkenhuis'; daar kan ik volledig mee instemmen. Je kunt er maar beter een papiertje bijhouden om de namen van de personages te noteren, want het zijn er veel en ze worden ook nog steeds anders genoemd (afhankelijk van wie iemand aanspreekt en in welke situatie). Eerder recenseerde ik van Dostojevski: “De speler”, “Misdaad en straf”, “De dubbelganger” en “Witte nachten / Ondergrondse notitie”.

 

Gezinsachtergrond

Ik ga snel door de familieomstandigheden van de Karamazovs, om wat langer stil te staan bij de drie theologische discussies die voor mij de hoogtepunten van het boek vormden. Dostojevski , die zichzelf nadrukkelijk in het verhaal schrijft, vertelt dat hij het wil hebben over een achterbakse, verlopen landheer die precies dertien jaar geleden op een tragische en duistere manier aan zijn einde kwam: Fjodor Pavlovitsj. Hij heeft drie zonen: Dmitri/Mitja/Mitjenka van zijn eerste vrouw, een heetgebakerde tante die haar ontuchtige man zo nodig om de oren sloeg, en Ivan/Vanja plus Aljosja/Aleksej van zijn tweede vrouw, een geestelijk kwetsbare schoonheid die aan de ‘gilziekte’ leed, dat wil zeggen: af en toe hysterische buien had. Beide echtgenotes overleden jong. De jongens werden door anderen opgevoed, omdat hun meestal dronken vader al gauw vergat dat ze bestonden, druk als hij was met ‘achter de wijven aanzitten’. Dmitri is inmiddels 28 en een heetgebakerde ex-militair annex onverbeterlijke boemelaar. Ivan is 24 en een hautaine atheïstische geleerde. Aljosja (volgens Dostojevski zelf de hoofdpersoon van het verhaal)  is 20 en heeft zich bij het klooster gemeld om onder de hoede van starets Zosima monnik te worden. Zijn enige verlangen is om uit de duisternis van de wereld op te stijgen naar het licht. Er zit geen greintje kwaad in die jongen – hij doet mij vooral aan Francesco denken (zie mijn vorige blog). Eigenlijk is het Grigori, de ‘eeuwige’ bediende, die het huishouden nog een beetje bij elkaar houdt: een chagrijnige, domme en halsstarrige zedenprediker. Omdat Dmitri, die geld nodig heeft, zijn deel van de erfenis opeist, en de heren Karamazov niet in staat zijn over financiën te praten zonder elkaar de hersens in te slaan, stelt Aljosja voor om dat onder het toeziend oog van de starets te doen. Iedereen stemt daarmee in.

 

Over het overwinnen van ongeloof

Tijdens het bezoek van de Karamazovs aan de starets schaamt Aljosja zich dood voor zijn vader, die geen ogenblik zijn grote waffel kan houden en zich aanstelt als een pias. Papa definieert zichzelf als ‘bijna net zoiets als een heilige idioot’: “… ik wil niet ontkennen dat er een onreine geest in me huist, eentje van een klein kaliber trouwens, een grotere had wel een andere behuizing gekozen, alleen zeker niet bij u, Pjotr Aleksandrovitsj, want u stelt ook niet veel voor…”. Uitgebreid vertelt Dostojevski over de mensen die bij de starets om raad komen vragen. Een dame bekent dat ze niet in de onsterfelijkheid (en dus ook niet in God) gelooft: “… Hoe kun je het bewijzen, hoe moet ik overtuigd raken?...”. Daar zijn door de eeuwen heen talloze antwoorden op gegeven. Te bewijzen valt er natuurlijk niets, zegt de starets, maar het is wel mogelijk om overtuigd te raken. En wel door de liefde: door te proberen de naaste actief en onvermoeibaar lief te hebben. “… Als u in de naastenliefde het stadium van de volledige zelfopoffering hebt bereikt, dan gelooft u pas echt, en dan zal er nooit meer enige twijfel uw hart binnensluipen. Dat is bewezen, dat is waar…”. Wel iets om over na te denken, en misschien zelfs uit te proberen, toch?!

 

Het eerste debat

Ondanks dat Ivan niet gelooft, schrijft hij ‘voor de grap’ artikelen over theologie. Het eerste debat gaat, naar aanleiding van een boek inzake kerkelijk recht, over de vraag of de kerk staat moet worden, of de staat kerk. Dat klinkt in deze context misschien wat abstract, maar als de kerk opgaat in de staat, zal ze zo verwateren dat er niets van haar overblijft. Wordt de staat daarentegen kerk, dan is dat zoiets als dat de paus het voor het zeggen krijgt. In feite gaat de discussie dus over de scheiding tussen staat en kerk. Dostojevski zelf zag het laatste als de grootste voorbestemming van het Russisch-Orthodoxe geloof op aarde: “… Vanuit het oosten zal die ster gaan stralen…”. Mensen als Beatrice de Graaf denken dat deze religieuze gedachte ook achter Poetins veroveringstechniek van Oekraïne zit: 'Moskou als het derde Rome'. Ivan gaat door met zijn stokpaardje: wanneer het geloof in de onsterfelijkheid verdwijnt, zal niet alleen de liefde opdrogen (als goddelijke opdracht), maar ook elke drijvende kracht om het leven op aarde voort te zetten. Zie de tegenwoordige ‘baarschaamte’ bijvoorbeeld. Zonder geloof is een ‘schurkachtig egoïsme’ niet alleen geoorloofd, volgens hem, maar zelfs noodzakelijk: het recht van de sterkste. Dan zal niets meer amoreel zijn. Goede literatuur roept altijd meer vragen op dan ze beantwoordt. Heeft Ivan in ieder geval niet ‘een beetje’ gelijk? Zijn wij zonder God niet overgeleverd aan onze 'hartstochten'?

 

Is er schoonheid in Sodom?

Enfin, papa wordt er niet alleen van beschuldigd dat hij geld van zijn kinderen achterover heeft gedrukt; hij blijkt ook nog eens op dezelfde sloerie verliefd te zijn als zijn zoon Dmitri, die zijn officiële verloofde zelfs de bons wil geven – en het lijkt erop dat Ivan klaarstaat om haar in te pikken zodra ze weer vrij is. Drama, drama. Daar kan alleen maar moord en doodslag uit volgen, voorspelt een vriend van Aljosja, want een Rus die verliefd wordt, is in staat zijn vader en moeder voor zijn duifje te verkopen. Dmitri: “… ik weet nog steeds niet of ik in de stront en de schande ben beland of in het licht en de vreugde. Dat is de ellende juist, want alles op de wereld is een raadsel! …”. Even verder: “… Een hoogstaand mens begint met het ideaal van de Madonna en eindigt met het ideaal van Sodom. Wat zich aan de geest voordoet als schandalig, dat is voor het hart pure schoonheid. Is er schoonheid in Sodom? Reken maar van wel, voor de overgrote meerderheid der mensen – kende je dat geheim soms niet? …”.

 

Stinkermans

Thuis loopt er nog een vierde jongeman rond, van wie gedacht wordt dat hij ook weleens een zoon van de oude Karamazov zou kunnen zijn. Hij blijkt het kind van een verwilderd, zwakzinnig vrouwtje dat als ‘dwaas van God’ in het hele stadje geen kwaad kon doen. Op een dag werd het duidelijk dat ze zwanger was, dus moest ze wel verkracht zijn (ze kon het niet vertellen, want ze kon niet eens praten). De meesten wisten maar één iemand te bedenken die tot zo’n schurkendaad in staat was: Fjodor Karamazov. Bij hoog en bij laag bleef hij ontkennen de vader te zijn. Ze kreeg haar baby evenwel op zijn erf en liet daarbij het leven. Grigori en zijn vrouw namen de vondeling in huis. Ze noemden hem Pavel en leidden hem op tot kok. Later kreeg Pavel ook een achternaam: Smerdjakov (‘Stinkermans’), misschien wel juist omdat hij zich heeft ontwikkeld tot een norse fat die drie keer per dag zijn pak afborstelt en rondloopt op blinkend gepoetste schoenen. Hij deed me vooral aan Gollem (‘Sméagol’) denken. In zijn puberteit krijgt hij last van de 'vallende ziekte' (Dostojevski leed zelf aan epilepsie). Af en toe kan hij wel tien minuten ergens stil gaan staan (zie het schilderij van Kramskoj), diep in contemplatie verzonken (sommige epileptici ervaren hun aanvallen als spiritueel).

 

Hysterisch vrouwvolk

Dostojevski, die een geweldige psycholoog is, beschrijft hoe Aljosja zich door iedereen laat gebruiken als praatpaal en klaagmuur. Broertje Dmitri stuurt hem zelfs met een brief naar diens angstaanjagende, bazige, zich aan iedereen superieur wanende, steenrijke verloofde, Katarina Ivanovna, oftewel Katja. Ze gelooft zo in haar eigen deugdzaamheid dat ze het in haar hoofd heeft gehaald Dmitri te ‘redden’: hij is niet te min voor haar. Aljosja schrikt zich te pletter als hij in haar huis ook nog eens haar rivale aantreft, Groesjenka, een echte tokkie, en meemaakt dat beide dames elkaar als duivelinnen in de haren vliegen. De voorname Katja woont bij mevrouw Chochlakova en haar dochter Lise; een hysterische puber die in een rolstoel zit en haar kalverliefde op Aljosja botviert. Ze hoeft hem maar te zien en ze krijgt oncontroleerbaar de slappe lach, zoals alleen tieners zich dat straffeloos kunnen permitteren. Dostojevski beschrijft met enorm veel humor hoe moeder en dochter met elkaar omgaan. Als Aljosja bij hen op bezoek is, zit Lise het gesprek achter een deur af te luisteren en kwettert ze allerlei commentaar door een kier. Wanneer er gepraat wordt over iets wat er staat te ‘gebeuren’: “… Met wie, met wie? riep Lise. Mama, u wilt me zeker dood hebben. Ik vraag u wat en u geeft geen antwoord…”. Op dat moment stormt het dienstmeisje binnen met de mededeling dat Katja vanwege haar liefdesperikelen, die door de achter haar rug konkelende vrouwen in haar omgeving natuurlijk watertandend worden gevolgd, over haar toeren zit te huilen in haar kamer: “ … Wat! schreeuwde Lise, ditmaal met bezorgdheid in haar stem. Mama, ik word dadelijk hysterisch, en niet zij! – Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo, heb mededogen met me. Je bent nog op een leeftijd waarop je niet alles hoeft te weten wat de volwassenen weten, ik vlieg erheen – ik zal je alles vertellen wat ik je zeggen kan. O, lieve hemel! Ik vlieg, ik vlieg… Hysterie, dat is een goed teken, Aleksej Fjodorovitsj, dat is uitmuntend, dat ze hysterisch is. Dat is precies wat ze nodig heeft. In zo’n geval ben ik altijd tegen de vrouwen, tegen al die hysterie en vrouwentranen. Julia, ga eens gauw zeggen dat ik vlieg…”. En als een tegenstrijdig vat vol ontploffend vuurwerk: “… Lise, om Gods wil, schreeuw niet zo! Ach ja, jij schreeuwt niet, ik schreeuw, vergeet je lieve moeder, maar ik ben zo opgewonden, zo opgewonden, zo ontzettend opgewonden!...”. Als haar moeder eindelijk weg is, wil Aljosja de deur opendoen waarachter Lise zich verborgen houdt: “… Geen denken aan, schreeuwde Lise, geen denken aan! Praat maar door de deur heen. Waarom vinden ze u opeens zo’n engel? Dat is het enige wat ik nog wil weten. – Door een ontzettende stommiteit, Lise! Vergeef me. – Heb niet het hart zo weg te gaan! schreeuwde Lise weer…”.

 

Het tweede debat

Tegelijk loopt er een ongelooflijk sentimenteel verhaal door het boek over een jongetje dat gepest wordt en voor wie Aljosja het opneemt, zodat zijn aartsvijanden, wanneer hij doodgaat, zijn beste vriendjes zijn geworden. Dat is óók Dostojevski. Wat je verder van de Karamazovs vindt, ze blijken wel heel erg van kinderen te houden. Ivan wil God het toegangskaartje tot het leven teruggeven omdat hij niet kan aanzien hoe onschuldige kinderen lijden. Hij somt een serie door mensen veroorzaakte monsterlijke gruwelen op (Dostojevski verzamelde bizarre krantenberichten). De mens is de mens een wolf: er bestaat geen gewelddadiger wezen. Hij vertelt Aljosja tijdens het tweede grote debat het wereldberoemde — mag ik wel zeggen — verhaal van ‘De grootinquisiteur’, dat zich afspeelt “… in Spanje, in Sevilla, in de ergste tijd van de inquisitie toen er in het land dagelijks ter ere van God brandstapels vlamden en in schitterende autodafé’s de boze ketters brandden…”. Christus komt een ogenblik terug op aarde om de kathedraal te bezoeken. Het is alsof het volk Hem woordeloos herkent. De uitstraling van Zijn liefde doet de harten van de mensen ontwaken en ze antwoorden met wederliefde. Dat is in één zin de hele religie van Dostojevski. De grootinquisiteur is ‘not amused’, neemt Jezus gevangen en gooit Hem in een kerker. ’s Nachts gaat de grootinquisiteur met Hem in gesprek. Waarom loopt Hij de kerk voor de voeten? Waarom komt Hij de christenen storen? Hij heeft zelf het gezag aan de paus overgedragen, dus Hij moet niet denken dat Hij dat terugkrijgt. Voortaan heeft de clerus het voor het zeggen en dat vindt het volk alleen maar fijn, want dan hoeft het zelf niet na te denken. De mensen kunnen de vrijheid Gods helemaal niet behappen: “… zodra de mens vrij is geworden, is zijn eerste en dringendste zorg zo gauw mogelijk iets vinden waarvoor hij kan knielen…”. En het liefst allemaal samen. Daarom bestrijden ze elkaar te vuur en te zwaard. Als de goden uit de wereld zijn verdwenen, zullen ze voor idolen vallen. Verander stenen in brood en de hele mensheid rent achter je aan. Tegelijk moet je zijn geweten sussen, want hij wil ergens vóór leven. Zie de hedendaagse zingevingscrisis, zou ik zeggen. “… Jij verlangde de vrije liefde van de mens, dat hij jou uit vrije wil volgde, door jou betoverd, in jouw ban…”. Volgens de grootinquisiteur zijn er drie voor de mens onweerstaanbare krachten die Jezus willens en wetens heeft verworpen: het wonder, het mysterie en de autoriteit. Tijdens de verzoeking in de woestijn had Hij van het dak van de tempel moeten springen om zich door engelen op te laten vangen. De mens zoekt niet zozeer God als wel wonderen, aldus de grootinquisiteur. Jezus wees alle koninkrijken van de aarde af, maar de kerk niet: “… wij hebben Rome van hem (de duivel) aangenomen en het zwaard van de Caesar en hebben onszelf tot koningen der aarde verklaard, tot de enige koningen, hoewel er tot op heden nog steeds niet in zijn geslaagd ons werk te voltooien…”. De behoefte om de hele wereld te verenigen is de derde en laatste kwelling van de mensen, zegt de grootinquisiteur. Utopia: “… Altijd heeft de mensheid in haar geheel gestreefd naar een de gehele wereldomspannende orde…”. Zie de huidige globaliseringsgedachte. Als de grootinquisiteur uitgepraat is en wacht op het antwoord van Jezus, loopt deze naar hem toe en kust hem “… op diens bloedeloze negentigjarige lippen…”.

 

Over het individualisme

Voordat de starets overlijdt, houdt hij Aljosja en zijn medebroeders voor dat het paradijs verborgen ligt in hun hart. Diep het op en leef het uit, adviseert hij. “… Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf niet ook echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken…”. Het paradijs zal komen, maar eerst moeten we nog door een periode van ‘vereenzaming’ heen, profeteert de starets: “… een ieder streeft er nu naar zijn persoon zoveel mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot…”. Maar uiteindelijk komt alles goed: “… het zal zo geschieden dat zelfs onze meest verdorven rijkaard zich uiteindelijk tegenover de armen voor zijn rijkdom zal schamen, en als de arme die nederigheid ziet, zal hij hem begrijpen en hem zijn rijkdom gunnen, en hij zal met vriendelijkheid antwoorden op de terechte schaamte van de ander…”. De oplossing is ‘liefde’. Altijd ‘nog meer liefde’.

 

De verschrikkelijke kracht van de liefde

Het mysterie van de liefde kan ontsloten worden door te beginnen met een heel klein dingetje lief te hebben en dat elke dag uit te breiden, tot je tenslotte de hele wereld liefhebt met een totale, wereldwijde, alomvattende liefde. De starets begrijpt heel goed dat de soms onbeschrijflijke zonden van de mensheid je woest kunnen maken. Maar je hebt een keus: tussen geweld en liefde. Neem een weloverwogen besluit, zegt hij. Neem je voor altijd voor ‘nederige liefde’ te gaan: “… Nederigheid en liefde vormen een verschrikkelijke kracht, de sterkste van allemaal, die zijn gelijke niet kent…”. De monniken moeten hun licht laten schijnen. Een ander had zijn schurkenstreek wellicht niet gepleegd als hij jouw licht had gezien. Wij zijn verantwoordelijk voor elkaar en voor elkaars zonden. Ook degenen die het christendom verwerpen zijn tot op de huidige dag niet in staat gebleken om een hoger beeld van de mens en zijn waardigheid te scheppen dan het beeld dat van oudsher door Christus is gegeven, aldus de starets. Hem moeten we navolgen. Je kunt geen rechtvaardige wereld scheppen en tegelijk Christus verwerpen. Het zal uitlopen op een bloedbad, waarschuwt hij: “… want bloed roept bloed op, en allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen…”. Tevens moeten wij God om ‘vrolijkheid’ vragen, aldus de starets: “… Kus de grond, heb onvermoeibaar, onverzadigbaar lief, heb allen lief, heb alles lief, zoek die vervoering en verrukking…”. De hel is het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben. Het is geen uiterlijke, maar een innerlijke kwelling. Je vernietigt jezelf. De hel is eeuwig branden in het vuur van je eigen haat.

 

Extase

Direct na deze ernstige preek maakt Dostojevski al het voorgaande weer belachelijk door te beschrijven hoe het lijk van de dode starets begint te stinken. Volgens de gelovigen kan dat helemaal niet, want heiligen zijn niet aan bederf onderhevig. De ongelovigen verheugen zich, en sommige gelovigen zelfs nog meer, want “… de mensen houden van de val eens rechtschapene en van zijn ongenade…” (wijlen de starets). In het begin durft niemand er iets over te zeggen, maar uiteindelijk is de geur niet meer te harden. Zelfs Aljosja raakt in de war. Die nacht loopt hij naar buiten en valt hij in extase op de aarde, als in een omhelzing: “… hij huilde in zijn vervoering zelfs om de sterren die vanuit het uitspansel naar hem straalden…”. Het is alsof de draden van al die talloze werelden Gods tegelijk in zijn ziel samenkomen. Zijn ziel beeft bij de aanraking met die andere dimensies. Hij lijkt een soort Paulus-ervaring te ondergaan. “… Als een zwakke jongeling was hij ter aarde gevallen, als een voor de rest van zijn leven onverzettelijk strijder stond hij op…”. Even verder: “… ‘Toen is mijn ziel door iemand bezocht’, zei hij later, vast overtuigd van zijn eigen woorden…”. Drie dagen later verlaat hij het klooster voorgoed, “… wat in overeenstemming was met de woorden van wijlen de starets, die hem had opgedragen ‘in de wereld te verkeren’…”.

 

Moordverdachte

Op een nacht wordt Fjodor Pavlovitsj morsdood vanwege een gespleten schedel aangetroffen in zijn kamer. Op de grond liggen een verdwaalde roze strik en een opengescheurde, lege envelop waar drieduizend roebel in gezeten moet hebben, gericht aan zijn ‘kuikentje’ Groesjenka. Wie, o wie, is de moordenaar? In eerste instantie krijgt Dmitri de schuld, want hij is diezelfde nacht over de schutting van zijn ouderlijk huis geklommen, met een koperen stamper waarmee hij de bediende Grigori bewusteloos heeft geslagen, nadat die hem tijdens zijn actie betrapte. Bovendien is hij daarna door ettelijke personen gezien, onder het bloed en met een pakket geldflappen in zijn hand. Daarnaast heeft hij de week ervoor tegen iedereen die het maar horen wilde verkondigd dat hij zijn vader ging vermoorden. Dmitri wordt opgepakt en belandt in de gevangenis om zijn rechtszaak af te wachten.

 

De dubbelganger

Er zijn heel veel commentaren over “De gebroeders Karamazov” geschreven. Een van de mooiste vind ik die van de filosofen K.J. Popma en H.E.S. Woldring uit 1979: “Monniken en moordenaars”. Zij gebruiken het dubbelgangersmotief om Dostojevski’s mensbeeld te begrijpen: de mens die in zijn dubbelganger zichzelf ontmoet en tegelijk een figuur die zijn identiteit bedreigt en vernietigt. In de mens huist zowel de hemel als de hel, leeft een witte en een zwarte wolf. Wie geef je te eten? (Zie ook Jung en zijn visie op de ‘schaduw’, of Prediker 7:20) Als je erop gaat letten, zie je inderdaad hoe het wemelt van de in zichzelf verdeelde personages. Zelfs Aljosja’s vriendinnetje Lise zit op zeker moment ‘bleekgeel’ en compleet gestoord in haar rolstoel wanneer hij haar opzoekt. Ze wil dat iemand haar ‘kwelt’. Ze wil kwaad doen. Ze heeft zin om het huis in brand te steken. Ze wil een echtgenoot die ze haar leven lang met de zweep kan geven. Ze leest slechte boeken. Ze vindt het prachtig dat Dmitri zijn vader heeft vermoord. Ze haat iedereen. Ze wil zichzelf vernietigen. Ze droomt van duivels: “… ontzettend grappig, doodeng…”. Ze heeft erg genoten van een verhaal over een gemartelde Joodse kleuter. Ze heeft een brief aan Ivan geschreven die Aljosja vlug-vlug naar zijn broer moet brengen. Als Aljosja vertrekt en je net denkt dat hij met een wel héél aanstellerig wicht van doen heeft, beschrijft Dostojevski doodgemoedereerd hoe Lise de klink van de deur weer opent, haar vinger in de spleet stopt en de deur zo hard mogelijk dicht knalt. Vervolgens gaat ze aandachtig zitten kijken naar het bloed dat van onder haar nagel drupt, terwijl ze met trillende lippen heel snel fluistert: “… gemeen kreng, gemeen, gemeen, gemeen kreng!…”

 

Schuldvraag

Dmitri blijft ondertussen volhouden dat hij de moord niet heeft gepleegd, maar er desondanks voor wil boeten, omdat hij het wél gedaan had kunnen hébben. Smerdjakov, die op het moment suprême in bed lag vanwege een epileptische aanval, en Ivan, die onverwachts blijkt te zijn teruggekeerd van een reis naar Moskou, zijn net zo goed verdachten. Het is mij een raadsel waarom criticus Karel van het Reve schrijft dat de lezer, wanneer het boek uit is, nog steeds niet weet wie het gedaan heeft: “… Dus net omgekeerd als bij ‘Misdaad en straf’: daar weet de lezer juist van het begin af aan wie de dader is…”. Als Ivan op een zeker moment verhaal gaat halen bij Smerdjakov, bekent die namelijk onomwonden dat hij de dader is en haalt hij ook nog eens het gejatte geld uit zijn kous. Zijn toeval was fake. Goed, Smerdjakov is dan misschien een krankzinnig en volkomen onbetrouwbaar figuur, maar dat gaat voor bijna alle personages op, gevangen als ze zijn in zichzelf. Het is iets anders dat Smerdjakov niet wordt veroordeeld, omdat hij, voordat het zover is, zelfmoord pleegt. Het is ook iets anders dat Smerdjakov Ivan ervan beschuldigt dat hij op diens initiatief heeft gehandeld. Ivan maakte hem wijs dat alles geoorloofd was omdat God niet bestond. Ivan gaf hem de opdracht en ging er zelf vandoor. Dostojevski maakt de moord feitelijk steeds duidelijker, terwijl hij de schuldvraag steeds onduidelijker maakt. Als geen ander laat hij zien dat juridische waarheid en morele waarheid niet noodzakelijk hetzelfde zijn.

 

Het derde debat

De derde grote discussie speelt zich af tussen Ivan en de duivel. Hij zit als een gentleman à retour thuis op hem te wachten. De dubbelganger bij uitstek: “… Nog geen moment houd ik je voor de realiteit, schreeuwde Ivan opeens, razend van woede. Jij bent een leugen, jij bent mijn ziekte, jij bent een spook. Ik weet alleen niet hoe ik je moet uitdrijven en ik denk dat ik je enige tijd moet verdragen. Jij bent een hallucinatie van me. Jij bent de belichaming van mijzelf, maar dan van slechts één kant van me… van het slechtste en domste uit mijn gedachten en gevoelens. Van die kant zou je zelfs nog interessant voor me kunnen zijn, als ik wat meer tijd had om me in je te verdiepen…”. Even verder: “… Door jou uit te schelden, scheld ik mezelf uit! lachte Ivan weer. Jij bent mij, mijzelf, alleen met een ander smoelwerk…”. De duivel over zichzelf: “… In God geloven, zeg ik, ja, dat is reactionair in onze tijd, maar ik ben de duivel, daar kun je rustig in geloven…”. Hij voelt zich nergens verantwoordelijk voor; hij heeft de wereld niet geschapen. Evenals Arnold Grunberg in “Mogen we nog een beetje leven?” legt hij uit dat de wereld zou stilstaan zonder ‘problemen’ – die sommigen dan ook typeren als ‘uitdagingen’ (Grunberg heeft dat idee dus zeker niet van zichzelf): “… Als alles op aarde koek en ei is, dan zou er niets meer gebeuren…”. De duivel schept op bevel wanorde. Jawel. Het is pas een tragedie dat de mensen die hele komedie serieus nemen, al zijn ze nog zo slim. Voor Ivan bestaat alleen het verstand: daarom is hij altijd boos. De duivel weet ook niet of God bestaat dan wel alleen maar een consequente ontwikkeling van het ‘ik’ is. De sjofele duivel vindt de moderne straffen die in het kader van de ‘gewetenswroeging’ staan maar niks. De gewetenlozen hebben natuurlijk helemaal geen wroeging. Het ouderwetse vuur (van de hel) is volgens hem veel beter. Zodra de mensheid God verloochent, voorspelt de duivel, zullen de mensen zich verenigen om alles uit het leven te halen wat het kan geven, maar uitsluitend voor het geluk en de vreugde in déze wereld. De mens zal zich zélf God wanen (zie "Het lege ik" van Jeffrey Satinover): “… De mens zal zichzelf verheffen tot een staat van goddelijke, titanische trots en de mensgod zal verschijnen. Door zijn voortdurende en grenzeloze overwinningen op de natuur, dankzij zijn wilskracht en de wetenschap, zal de mens voortdurend een genot ervaren dat zo groot is dat het alle vroegere verlangens naar hemelse extase zal vervangen…” (zie “Heerlijke Nieuwe Wereld” van Aldous Huxley).

 

De rechtszaak

Met verve en ongelooflijke humor beschrijft Dostojevski het spektakel van de rechtszaak waar “… heel Rusland over spreekt …”. Mensen komen er van heinde en verre op af. Bijna alle ondervraagden raken zo’n beetje buiten zinnen. “… Het was een rijk schouwspel …”, concludeert Dostojevski droogjes. De openbaar aanklager zet alles wat er is gebeurd in een ellenlang betoog nog eens op een rijtje en geeft er zo’n meeslepende psychologische draai aan dat het er op lijkt dat Dmitri wel de dader móét zijn. De lezer weet dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Dmitri’s advocaat maakt dan ook gehakt van zijn verhaal. Hoe het afloopt, moet je zelf maar lezen.

 

Uitgave: Van Oorschot – 2020, vertaling Arthur Langeveld, 966 blz.; ISBN 978 902 822 009 6, € 39,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

vrijdag 31 juli 2026

Francesco – Jean Dulieu

 


Subtitel: Het leven van Franciscus van Assisi

 

Franciscus van Assisi (1181/1182–1226), de stichter van de kloosterorde van de franciscanen, of minderbroeders, was zo ongeveer het tegenovergestelde van Bentinho Massaro – zie mijn vorige blog. Het boek dat Jean Dulieu (1921–2006), de bedenker en tekenaar van “Paulus de boskabouter”, over hem schreef, is een verademing na de druk die alleen al het lézen van “In de greep van de goeroe” uitoefende. Je zou kunnen zeggen dat Franciscus in zekere zin ook een ‘cult’ begon. Zijn persoon is omgeven door verhalen en legenden. Het grote verschil is dat Massaro alleen maar ‘neemt’ (zoals alle narcisten) en Franciscus alleen maar ‘geeft’ (zoals alle heiligen). Dulieu stuitte begin jaren vijftig, tijdens een zwerftocht op zijn bromfiets door Zuid-Europa, onverwachts op Francesco’s  roots. Op doorreis naar Napels zag hij op een berghelling Assisi liggen. “… Het stadje trok mij als een magneet en ik gehoorzaamde vrijwel onmiddellijk aan wat mij toen nog een redeloze afwijking van mijn reisroute leek. Een uur later stond ik in de crypte voor het graf van Franciscus… Ik wist dat dit mijn doel moest zijn geweest. Ik keerde terug, jaar na jaar. Ik reisde naar alle plaatsen in Italië waar Francesco was geweest en overal voelde ik dezelfde geheimzinnige, magnetische kracht. Vier jaar lang verdiepte ik mij in de literatuur over hem, maakte ik aantekeningen en voorstudies. De bekroningen bevestigden later mijn overtuiging dat de reis naar Napels niet nodeloos was afgebroken…”. Het boek verscheen in 1956, maar wordt nog steeds beschouwd als een van de toegankelijkste Nederlandstalige biografieën van Franciscus. Sinds 2025 behoren de Sint-Franciscuswegen tot de Europese Culturele Routes van de Raad van Europa.

 

Gouden toekomst

Francesco, ‘de kleine Fransman’, is het kleine, magere, hyperactieve zoontje van de stinkend rijke lakenkoopman Pietro Bernardone uit Assisi, die zijn voorraden én zijn diepgelovige vrouw, Donna Pica, uit Frankrijk haalde. Het grootste trauma van Francesco's vader is dat hij niet van adel is. Daarom mag zijn zoontje alleen omgaan met kinderen uit de hoogste kringen. De rondscharrelende bedelaars en melaatsen zijn geen mensen, leert papa zijn zoon. Het zijn de meest beklagenswaardige schepsels die er bestaan, leert mama haar zoon. Uit het beeld dat Dulieu van Francesco schetst, komt een jongetje met veelbelovende soft skills naar voren: "… Onder zijn vrienden was hij de grootste druktemaker, altijd haantje de voorste, altijd vol dwaze invallen, altijd vrolijk. Het duurde dan ook niet lang of hij werd beschouwd als de leider van hun troepje …". De paters van de eliteschool van San Giorgio leren hem lezen, schrijven en een beetje Latijn, de taal van de kerk. Pietro droomt van een gouden toekomst voor zijn zoon.

 

Wilde haren

Francesco ontwikkelt zich tot een fuifnummer dat smijt met geld en 's nachts in gezelschap van zijn vrienden de stad onveilig maakt, terwijl hij overdag zijn vader helpt in de zaak. Papa laat het goedmoedig gebeuren; zoonlief moet zijn wilde haren kwijt. Er komt een kink in de kabel als een ‘dwaas van God’ op zekere dag zijn mantel voor de voeten van Francesco legt en onder het toeziend oog van diens spottende kameraden eerbiedig gebaart dat hij eroverheen moet lopen, terwijl hij hem met vooruitziende blik toeroept: ‘Pax et bonum’ (‘Vrede en heil’). Verward keert Francesco terug achter de toonbank. Wanneer een bedelaar de winkel binnen schuifelt en zacht fluistert: “… Om de liefde Gods, geef mij een aalmoes …”, stuurt Francesco hem nors weg. Als het tot hem doordringt dat hij in feite God heeft afgewezen, stormt hij de deur uit, rent de bedelaar achterna en overhandigt hem zijn beurs: “… Toen boog hij zich neer in het stof en stamelde: “Vergeef mij” …”. Zijn vader is laaiend.

 

De onsterfelijke ridder

Francesco is twintig als Assisi wordt aangevallen door een naburige stadstaat. Vol geestdrift gooit hij zich in de strijd, maar wordt gevangengenomen en brengt samen met andere edelen een jaar door in een vochtige, koude, donkere kerker. Hij beurt zijn medegevangenen op met zelfverzonnen troubadoursliederen, want hij kan prachtig zingen. Wanneer hij vrij komt, gaat hij onmiddellijk weer aan de boemel en wordt prompt doodziek. Eenmaal opgeknapt wil hij zich als onverschrokken ridder aansluiten bij het leger van de koene krijgsman Walter van Briënne, die in Zuid-Italië onder de banieren van paus Innocentius III vecht. Hij droomt van een engel die zegt dat al het fantastische wapentuig dat in zijn huis ligt opgestapeld, versierd met een groot kruis, bestemd is voor hem en zijn soldaten. Stralend van geluk wordt hij wakker. Gestoken in de schitterendste uitrusting van allemaal gaat hij met een horde vrijwilligers op weg. De melkmuil wordt door hen echter meewarig aangekeken. Als hij merkt dat hij wordt bespot, vraagt hij een oude kerel met een vale, versleten mantel en een kreupel paard om van kleding en strijdros te ruilen. Maar 's avonds in het kamp wordt hij nog steeds uitgelachen. Niemand neemt hem serieus. In zijn tent ligt hij zich dood te schamen, wordt opnieuw overvallen door hevige koorts en krijgt van God de opdracht terug naar huis te gaan. Als een haveloze schooier komt hij in Assisi aan. Het is voorgoed gedaan met zijn krijgszuchtige dromen.

 

Vrouwe Armoede

Francesco voelt zich eenzaam. Door een ongelooflijk vreetfestijn te organiseren hoopt zijn vader de vrienden van Francesco nog eenmaal voor zijn zoon in te palmen. Na afloop gaan ze met z'n allen de stad in, waar ze Francesco kwijtraken. Hij wordt teruggevonden op een afgelegen plekje, waar hij diep in gedachten naar de sterren zit te staren. Ze denken dat hij verliefd is. Dat is hij ook, zegt hij: op Vrouwe Armoede. Zijn vrienden weten genoeg: Francesco is knettergek geworden. Hij kondigt aan een bedevaart naar Rome te willen maken. Zijn moeder weet zijn vader over te halen hem daarvoor toestemming te geven. Francesco sluit zich aan bij een groep pelgrims en ziet hoe armen en rijken zorgvuldig van elkaar gescheiden blijven. Zijn weelderige kleding bestempelt hem tot een rijke. Hij neemt de overdaad rond het graf van Sint Petrus in zich op en krijgt het gevoel dat er iets niet klopt. Het strookt niet met het feit dat Jezus het steeds opnam voor de armen en misdeelden. Francesco ziet dat de armen meer geld achterlaten bij het graf dan de rijken en schudt met plaatsvervangende schaamte zijn beurs met goud leeg. Het gevolg is dat hij de schare bedelaars buiten niets meer kan geven, waarop zij hem beginnen uit te schelden. Opnieuw zoekt hij een arme sloeber uit en fluistert hem toe dat hij zijn kleding wil ruilen voor diens lompen. Vervolgens gaat hij tussen de bedelaars op de trappen van de Sint-Pieter zitten en steekt zijn hand uit. Het maakt hem dronken van geluk. Wanneer Francesco als een landloper terugkeert naar Assisi, zijn alle stadsgenoten ervan overtuigd dat hij zijn geld heeft verbrast. Zijn vader is 'not amused' – daar gaat zijn goede naam – en slaat zijn zoon hardhandig om de oren.

 

Wat gij de minsten van allen doet, dat hebt gij aan Mij gedaan

Vanaf dan is Francesco nog zelden thuis. Hij zwerft rond in de bossen en wacht op een duidelijke opdracht van God. Veel uren brengt hij door in vergeten en verwaarloosde kapelletjes, waar hij bidt.Wanneer hij onderweg op een mismaakte melaatse stuit, weet hij niet hoe snel hij zijn paard de sporen moet geven. Dan klinkt de stem van God in zijn hart: “… Hebt uw naaste lief als uzelve …”. Hij wendt de teugels, rijdt aarzelend terug naar het levende lijk, zet zijn afschuw opzij en kust het rottende gezicht. Enkele dagen later rijdt hij naar de melaatsenkolonie, diep in het dal van Spoleto. Hij heeft zijn broeders gevonden.

 

Ridder van Christus

Francesco kan het goed vinden met een oude kluizenaar die in alle eenzaamheid de mis opdraagt in het kleine, vervallen kerkje van San Damiano. Urenlang zit hij in stilte voor het oude kruisbeeld. Dan gebeurt er een wonder. Christus aan het kruis komt op geheimzinnige wijze tot leven. Hij buigt het hoofd, kijkt Francesco liefdevol aan en zegt: “… Mijn huis is in verval, Francesco. Ga heen en bouw het weer op…”. Hij snelt naar huis, zadelt zijn paard, steelt een grote rol laken, rijdt naar de markt en verkoopt alles, inclusief zijn rijdier. Met zijn welgevulde beurs gaat hij naar de kluizenaar, die het geld niet durft aan te nemen. En terecht, want de volgende morgen staat een woedende vader op de deur te beuken, vergezeld door een stel potige kerels. Ze zoeken de hele kerk af, maar missen een geheime nis bij het altaar waarin Francesco zich heeft verborgen. Het duurt een maand voordat Francesco zich weer in Assisi durft te vertonen. Zijn stadsgenoten schelden hem uit en gooien stenen en modder naar hem. Papa slaat hem met een knuppel bewusteloos, bindt hem met touwen vast en sluit hem op in een donkere kast. Wanneer zijn vader vertrokken is, laat zijn moeder hem weer vrij. Francesco keert ijlings terug naar San Damiano, waar zijn razende vader enige tijd later ook aankomt. “… Bernardone zei dat hij voortaan verbannen was en onmiddellijk moest vertrekken, en Francesco antwoordde dat hij in dienst stond van Christus en van niemand anders bevelen had te aanvaarden. Bernardone riep dat hij schatten had uitgegeven om van zijn zoon een edelman te maken, en Francesco zei dat hij nu een ridder van Christus was geworden. Bernardone tierde dat hij zijn naam had vergooid, zijn geld had verkwist en dat hij zijn vader had bestolen. Francesco haalde zwijgend de beurs met goud uit de vensternis en wierp die zijn vader voor de voeten…”. Bernardone is geen man die zich op zijn kop laat zitten en geeft zijn zoon aan bij de rechtbank. Francesco laat weten dat hij als dienaar van God niet voor een wereldlijke rechtbank gedaagd kan worden. Daarop schakelt Bernardone de kerkelijke rechtbank in. Daar doet Francesco afstand van al zijn rechten en trekt hij zelfs de kleren uit die hij aanheeft.

 

Mijn schaamte overwinnen

Allereerst zorgt Francesco ervoor dat rijke mensen elke ochtend eten neerzetten in de buurt van de melaatsenkolonie. Daarna restaureert hij, zingend, de San Damiano, die onmiddellijk weer mensen begint aan te trekken. Vervolgens gaat hij verder met een overwoekerd kapelletje in de dichte eikenwouden van Assisi, dat de Santa Maria degli Angeli wordt genoemd (de tegenwoordige Portiuncula), omdat daar in een ver verleden ooit de zang van engelen is gehoord. De brandnetels groeien tot aan het altaar. “… De vleermuizen die aan de gewelven hingen, droeg hij stuk voor stuk naar een holle boom en sprak hen vermanend toe. ‘Broeders,’ zei hij, ‘dit huis is van God en daarom kunnen jullie hier niet wonen.’ De vleermuizen keken hem met slaperige oogjes aan en waren heel gedwee…”. Hij bedelt zijn eten bij elkaar. Wanneer hij een zaal binnengaat waar zijn vroegere vrienden feestvieren, laat hij zich uitlachen tot ze erbij neervallen. Als hun wordt gevraagd wat hij eigenlijk komt doen, antwoordt hij: “… Mijn schaamte overwinnen…”.

 

De geboorte van een nieuwe beweging

Tijdens het feest van de heilige Matthias, op 24 februari 1209, slaat een dienst waarin de priester een fragment uit de Bijbel voorleest over Christus die zegt: “… Gaat heen en predikt het evangelie, zeggende: het koninkrijk der hemelen is nabij …”, bij Francesco in als een bom. Prompt begint ‘il Poverello’, ‘de kleine arme’, zoals hij inmiddels wordt genoemd, op straat te prediken. Met veel succes. “… Als men de woorden van Christus wilde horen, dan moest men naar de kerk, want alleen daar werden zij door de priesters uitgesproken, en dan ook nog uitsluitend in het Latijn. De manier waarop Francesco predikte, met eenvoudige woorden en in een taal die iedereen kon verstaan, gaf de heilsboodschap een nieuwe glans. Kort en duidelijk verklaarde hij aan het volk wat Christus bedoeld had en wat Hij ook nu nog van hen verlangde. En men begreep dat. Voor het eerst begreep men de schone woorden van Christus weer, die door het eeuwenlang opdreunen in een maar half verstaanbare taal tot een sleur waren geworden. Francesco leerde de mensen opnieuw dat de leer van Christus niet alleen in het verleden geldig was geweest, maar ook in het heden en in de toekomst, en dat deze voor altijd nagevolgd diende te worden …”. Zijn boodschap slaat zo aan dat twee aanzienlijke heren uit Assisi, de rijke edelman Bernardo van Quintavalle en de rechtsgeleerde Pietro di Catania, hun bezit verkopen om de opbrengst onder de armen te verdelen en Francesco te gaan volgen. Een nieuwe beweging is geboren.

 

De droom van de paus

Francesco en zijn vrolijke lekenbroeders helpen zonder een cent aan te nemen de boeren op de akkers, verzorgen de zieken en prediken het evangelie van de naastenliefde. Ze trekken twee aan twee – want steeds meer mannen sluiten zich bij hen aan – op blote voeten door het land, zelfs als het sneeuwt. De elfde volger is bijvoorbeeld ridder Angelo Tancredi uit Riëti. Het centrum van de ‘troubadours van God’ wordt een lekkend schuurtje: de Rivo Torto. Beroemd is het verhaal waarin broeder Egidius, in opdracht van Francesco, keizer Otto IV toeroept dat de populariteit van deze wereld even vergankelijk is als het lichaam, wanneer deze met een pompeus gevolg langs trekt. De keizer wordt lijkbleek en rijdt haastig door, zonder antwoord te geven. “... Francesco’s waarschuwing zou al gauw als een profetie worden beschouwd, want reeds een jaar later kwam keizer Otto in oorlog met de paus. Hij verloor zijn keizerskroon en werd zelfs uit de kerk gestoten. Hij stierf in 1218 als een verslagen man...”. Ondertussen beginnen de kerkelijke gezagsdragers luidruchtig bezwaar te maken tegen Francesco en zijn volgelingen. Zij worden immers steeds geliefder bij het volk en maaien het gras onder de voeten van de clerus vandaan. Daarop besluit Francesco officieel toestemming voor zijn werk te gaan vragen aan de paus. De machtige Innocentius III en zijn kardinalen en prelaten zitten nogal met Francesco’s verzoek in hun maag. Zou dit niet betekenen dat zij zelf ook afstand moeten doen van hun protserige weelde? Die nacht krijgt paus Innocentius echter een vreemde droom. Hij ziet zijn prachtige Lateraanse kerk langzaam voorover hellen. Dan komt Francesco naderbij, zet zijn smalle schouders onder de kerk en drukt het kolossale bouwwerk terug op zijn fundamenten. De paus begrijpt direct de betekenis van zijn droom. De kerk van Christus is in gevaar, en de man die haar kan redden is Francesco.

 

Het eerste Franciscaanse klooster

In Assisi dreigt ondertussen een burgeroorlog uit te breken tussen de ‘majores’ en ‘minores’: de edelen en het klootjesvolk. Terug in Assisi neemt Francesco het natuurlijk op voor de armen en preekt hij in de grote San Rufinokathedraal over de liefde en hoe weinig daarvan terechtkomt. De mensen kunnen nauwelijks een plaats vinden. De wapens worden opgeborgen. Nu pas begrijpt Francesco ten volle wat Christus bedoelde met zijn opdracht om zijn vervallen huis weer op te bouwen: "... En met bovenmenselijke ijver zette hij zich aan die zoveel zwaardere taak: een nieuw fundament voor Gods liefde te metselen in de harten der mensen!...". Vanaf dat moment worden de franciscanen 'minderbroeders' genoemd. De eigenaar van het schuurtje jaagt de steeds grotere groep die zich om Francesco verzamelt weg, maar de benedictijner monniken geven hem in ruil daarvoor de Portiuncula. Daar wordt het eerste echte franciscaanse klooster gesticht: een nederzetting van armzalige hutjes, gemaakt van takken en leem.

 

Het geweld van water

Francesco krijgt het ontzettend druk. Af en toe trekt hij zich terug in de Carceri, een van de natuurlijke holen in de rotsen halverwege de helling van de Monte Subasio. De woeste bergstroom raast zo hard door de diepte dat hij de woorden van zijn eigen gebeden niet kan horen. Daarom vraagt hij de beek een andere weg te kiezen, waarna de bedding tot op heden droog is gebleven. Dulieu schrijft dat hij, toen hij op deze plek een geweldig noodweer meemaakte, met eigen ogen zag hoe alle bergwegen in bruisende beekjes veranderden, terwijl het ravijn droog bleef. De monniken die er nu wonen, vertelden hem dat het water zich alleen met geweld in het ravijn stort als er een groot gevaar Italië bedreigt. Dit is onder andere gebeurd vlak vóór beide wereldoorlogen.

 

Zuster Clara

Wanneer Francesco weer eens in de San Rufino preekt, zit de zeventienjarige dochter van graaf Faverone dei Sciffi, Chiara (Clara), onder zijn gehoor. Zijn woorden raken de blonde schoonheid tot in het diepst van haar ziel. Die nacht vermomt ze zich als een oud bedelvrouwtje, sluipt het huis uit en gaat op zoek naar Francesco. Ze maakt hem duidelijk dat ze hem wil volgen. Francesco stuurt haar echter weer naar huis en zegt dat ze op een teken van hem moet wachten. Hij staat voor een moeilijk dilemma: het is onmogelijk een vrouw tot zijn orde toe te laten. Hij zal een nonnenklooster moeten stichten. Wederom verdwijnt Chiara op een nacht in het duistere woud, maar dit keer om niet meer terug te keren. Tijdens een middernachtmis in de Portiuncula wijdt Francesco haar tot bruid van Christus en knipt hij in ademloze stilte haar prachtige haar af. Vervolgens brengt hij haar naar het klooster van San Paolo en vertrouwt haar toe aan de benedictijner nonnen.De volgende dag staat haar woedende vader met zijn gevolg voor de deur. Wat denken die broeders wel niet? Ze kunnen zijn dochter toch niet zomaar schaken! Zodra ze ontdekken dat Chiara zich in San Paolo bevindt, gaan ze daarheen. Maar dochterlief weigert resoluut met haar vader mee te gaan, zodat hij onverrichter zake terugkeert. De nonnen zijn zo geschrokken dat ze Chiara haastig naar het klooster van Sant'Angelo in Panzo sturen. Daar voegt zich een nog veel jonger meisje bij haar: de veertienjarige Agnes. Wanneer een hele schare gewapende mannen haar komt terughalen, wordt haar lichaam zo zwaar als lood. Niemand kan haar optillen. Opnieuw moet een vader erkennen dat hij verslagen is. Uiteindelijk schenkt bisschop Guido de vrouwen het kloostertje van San Damiano.

 

Heilige vreugde

Francesco leeft in de tijd van de kruistochten. Hij maakt zich gereed om zich in de strijd te storten. Hij wil een apostel van de heidenen worden. Hij scheept zich in, maar onderweg raakt hij verzeild in een geweldige storm en lijdt schipbreuk. In zijn eigen land boekt hij echter steeds meer succes. Uiteindelijk raakt hij uitgeput en laat hij zich naar een onbewoond eilandje roeien om veertig dagen en nachten te vasten. Hij preekt zelfs tot de vogeltjes, die aandachtig naar hem lijken te luisteren. "… Broeders, vergeet nooit dat ons leven een voorbeeld moet zijn voor allen …", houdt Francesco zijn volgelingen voor. "… Iedereen die ons gadeslaat, moet uit zichzelf de behoefte voelen om God te prijzen. Wilt gij de vrede verkondigen, draag haar dan in uw hart. Een vrolijk gezicht zal niemand ergeren en zachtmoedigheid overwint alles …". Volgens Francesco ligt de grootste vreugde in ‘het overwinnen van jezelf’, in het ‘jezelf vergeten’.

 

Dierendag

De orde der minderbroeders ontwikkelt zich tot een geweldige beweging, die haar invloed door heel Europa laat gelden. De broederschap van de naastenliefde krijgt steeds meer leden en er worden steeds meer kloostertjes gesticht. "… Dat laatste ging heel eenvoudig in zijn werk. Als er ergens maar drie broeders bijeen waren en er stond een kapelletje of een kluis, dan groeide die plaats als vanzelf uit tot een klooster…". De pinksterbijeenkomsten van de franciscanen, kapittels genaamd, veranderen in invloedrijke geestelijke evenementen. Francesco krijgt het voor elkaar een aflaat van de paus te bemachtigen, waardoor het tot op de dag van vandaag op 2 augustus mogelijk is voor gelovigen kwijtschelding van tijdelijke straffen te verkrijgen (eerlijk gezegd weet ik niet zo goed wat ik me daarbij moet voorstellen – ik ben van huis uit protestant). Zeven kerkvorsten die zich tijdens een vergadering tegen Francesco keren, raken stuk voor stuk de draad van hun betoog kwijt. Francesco is nogal hard voor zijn lijf, dat hij aanspreekt als 'broeder Ezel' (volgens protestanten moet je juist goed voor je lichaam zorgen, omdat het de 'tempel van God' is). Hij is vooral beroemd geworden om zijn liefde voor dieren (Dierendag valt op zijn sterfdag). Verhalen doen de ronde over hoe hij gevangen vissen teruggooit in het water, eigenhandig nestjes bouwt voor duiven - die hij vergelijkt met 'kleine engelen', een haas uit een strik bevrijdt, 'broeder' rups over de weg zet zodat hij niet vertrapt wordt, en aan zijn 'zustertjes', de zwaluwen, vraagt of ze even kunnen zwijgen omdat hij ook wat wil zeggen.

 

Ontmoeting met de sultan

Wanneer de paus op een zeker moment vraagt of Francesco voor hem wil komen preken, steken hoogopgeleide vrienden een uiterst elitaire lezing voor hem in elkaar, die hij uit zijn hoofd leert. Maar eenmaal voor de paus staat hij met een lege geest: hij is ieder woord vergeten. Hij biedt de paus zijn excuses aan, begint recht uit zijn hart te spreken en wordt zo overweldigd door de liefde van God dat hij niet meer stil kan blijven staan. Hij danst voor de troon van de paus. Bij het ‘amen’ lopen de tranen over de wangen van de kardinalen en bisschoppen. Wanneer de inwoners van Assisi tijdens zijn afwezigheid een stenen huis voor hem hebben gebouwd bij de Portiuncula, klimt hij woedend op het dak en breekt het hele onderkomen weer af. Hij wil Vrouwe Armoede niet kwijt. In juni 1219 vertrekt Francesco opnieuw naar de Saracenen om te proberen hen te bekeren. De sultan heeft een gouden dukaat uitgeloofd voor ieder christenhoofd dat hem wordt gebracht. Hoe hij het voor elkaar krijgt, weet niemand, maar Francesco trekt barrevoets dwars door de islamitische gelederen, terwijl hij roept dat hij de sultan wil spreken. Deze verleent hem, uit bewondering voor zijn durf, die eer. De sultan laat een oosters tapijt met een patroon van kruisen in zijn tent leggen. Eens kijken of die christen het kruis zal vertrappen. Doodgemoedereerd stapt Francesco eroverheen. Wanneer de sultan zegt dat hij daarmee zijn God heeft verraden, protesteert Francesco gevat. Alleen aan het middelste kruis was de Verlosser genageld. Aan de andere twee kruisen op Golgotha hingen misdadigers; die heeft Christus aan de Saracenen overgelaten. De sultan bewondert Francesco zozeer dat hij hem een vrijgeleide meegeeft om het graf van zijn Meester in Jeruzalem en Bethlehem te bezoeken. Enkele afgezanten van de minderbroeders vinden de door een oogziekte halfblinde Francesco en zijn metgezel uiteindelijk terug in Syrië.

 

Macht

Francesco’s vervangers dachten dat ze hem nooit meer terug zouden zien. De uitgeputte en zieke Francesco verneemt met afgrijzen dat zijn minderbroeders, die hij de wereld in heeft gezonden als ‘vreemdelingen en pelgrims’, zoals Christus hem dat beval, in huizen wonen, kloosters en universiteiten stichten en plannen maken voor de bouw van kerken. Francesco treedt teleurgesteld terug en geeft de leiding over aan kardinaal Ugolino, de latere paus Gregorius IX. Kardinaal Ugolino wijst broeder Pietro di Catani als opvolger van Francesco aan. Wanneer Pietro al snel overlijdt, krijgt broeder Elias de verantwoordelijkheid. Hij gaat echter dwars tegen de beginselen van Francesco in. Hij zorgt ervoor dat de minderbroeders grote invloed krijgen in Europa. Hij overvleugelt met zijn leger Gods alle andere monnikenorden. Hij wordt Vrouwe Armoede ontrouw en zit in mooie kleren op zijden kussens. Ooit zal hij het lichaam van Francesco begraven in de reusachtige kerk in Assisi: de San Francesco.

 

De derde orde

Francesco gaat weer aan de zwerf, slaapt in bossen, holen en grotten, en vertelt iedereen die hij tegenkomt — van rovers tot kleine kinderen — over God. “… Ik zal niet proberen zijn woorden te herhalen,” schrijft Dulieu, “want woorden zijn hol en leeg. De woorden komen er niet op aan, maar de mens die ze spreekt. Zijn stem was liefde, zijn ogen zagen God…”. De mensen die hem willen volgen, zegt Francesco, moeten een ‘derde orde’ stichten - een gemeenschap van burgers die, op de plek waar zij gesteld zijn, vrijwillig zijn regels volgen: armen en zieken helpen, onrechtmatig verkregen bezit teruggeven en nooit meer wapens dragen, laat staan ze gebruiken. Miljoenen worden lid en veranderen de geschiedenis. Bij de stad Gubbio temt Francesco ook nog een woeste wolf. Wat zou er gebeuren als er in onze tijd een Francesco opstond?

 

Gods stem

Op de berg Monte Rainerio herschrijft Francesco in een grot de regel van de Franciscanen, omdat het leven dat hij zijn minderbroeders voorschreef te streng bleek en de vrijheid die hij hun gaf te groot was. Zijn medebroeder getuigt van de indrukwekkende stem uit de hemel die daar werd gehoord: “… Francesco, alles wat in de regel staat, is niet van jou, maar alleen van Mij afkomstig. Ik wil niet dat je er nog iets aan verandert …”. Monniken wijzen op die plek nog steeds naar een deuk in de rotsen die Francesco’s metgezel met zijn hoofd zou hebben veroorzaakt toen hij verschrikt overeind sprong. In 1223 viert Francesco het kerstfeest op een uitzonderlijke wijze in het dal van Riëti. In een kleine grot hoog in de rotsen laat hij een echte kribbe met hooi en een echte os en ezel neerzetten. Hij nodigt alle boeren en boerinnen uit de omgeving uit om in de kerstnacht zingend in processie naar boven te klimmen. Francesco is halfblind, maar heeft tijdens de dienst het gevoel dat hij iets levends aanraakt in de kribbe. Ook anderen menen bij het flakkerende kaarslicht iets te zien bewegen. Vanaf dat moment worden in de eeuwen die volgen ontelbare kerststalletjes neergezet tijdens Kerstmis.

 

Stigmata

Op zijn tweeënveertigste sleept Francesco zich eenzaam en kapot van maagpijn door de bossen, gevolgd door mensen die niet te dicht in zijn buurt durven komen. In zijn lijden herkent hij een nieuwe en laatste opdracht van God. Een laatste offer. Op de berg La Verna wil Francesco wachten tot zijn Heer hem komt halen. Hij trekt zich terug in de sombere stilte van de Sasso Spico waar hij dagenlang vast. Tijdens een vreemd natuurverschijnsel waarbij La Verna omgeven wordt door een onaardse gloed en er geweldige vlammen naar de hemel schieten die de aarde tot in de verre omtrek verlichten, ontvangt Francesco de stigmata. Op 30 september 1224 verlaat Francesco de heilige berg. Op een ezeltje keert hij terug naar het klooster in Portiuncula. Hij merkt niet eens dat de zieken die hij onderweg de handen oplegt, genezen. De minderbroeders brengen hem uiteindelijk doodziek naar het klooster San Damiano van zuster Chiara, waar hij liefdevol wordt opgevangen. Daar dicht de troubadour van God zijn beroemde ‘Zonnelied’. Op het laatst van zijn leven wordt Francesco van het ene kloostertje naar het andere gebracht, naar alle heilige plaatsen, waar hij zo vaak en zo graag kwam, om te eindigen in Assisi. Een afdeling zwaargewapende mannen moet voorkomen dat mensen delen van zijn kleding of bij leven zijn lichaam stelen om als heilig relikwie in een van hun kerken te bewaren. Voor hij sterft legt Francesco zich zonder pij neer op de grond van zijn lemen hutje achter de Santa Maria de Portuncula. “… Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!...”.

 

Meer over Franciscus van Assisi: zie het tweeluik dat Antoine Bodar over hem maakte

 

Uitgave: Christofoor – 1995, 190 blz., ISBN 978 906 038 373 5, 21,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier