Menu

donderdag 12 januari 2017

Boud – Eva Rovers


Subtitel: Het verzamelde leven van Boudewijn Büch (1948-2002)

Als je een biografie van bijna vijfhonderd bladzijden kunt schrijven - en dan tel ik het bronnen- en literatuuroverzicht niet mee - zonder ook maar ergens te verslappen of saai te worden, dan is dat groots. Eva Rovers nam het leven van Boudewijn Büch onder de loep. De zelfbenoemde drugsprofessor, muziekexpert en boekenfanaat die ook nog eens jarenlang half Nederland aan de buis gekluisterd hield met onder andere excentrieke reisprogramma’s. Hij beweerde dat hij Nederlands, Duits en Filosofie had gestudeerd. In feite kwam hij nooit verder dan de plaatselijke Mulo. Wat maar weer eens bewijst dat als je maar kan lullen… Hij beweerde nog heel veel meer waar niets van klopte. Was hij een pathologische leugenaar? Was hij een pathologische fantast? Rovers waagt zich niet aan een beoordeling. Ze is dan ook geen gedragsdeskundige (ik zou anders best wel eens de mening van een doorgewinterde psychiater willen horen). Enfin; Büch hield van boeken – en ík houd van iedereen die van boeken houdt…

Kwijnende start

Het leven van dichter-schrijver-journalist Büch is performance, is theater. Rovers begint haar verhaal met hoe Boudewijn als kwijnend negenjarig jongetje - hij wilde niet groeien - in een druk katholiek gezin met uiteindelijk vijf broers, naar een vakantiekolonie wordt gestuurd om aan te sterken. Een belangrijk gegeven, want later zal hij niet alleen in zijn romans (zie "Het dolhuis") maar ook in interviews beweren dat hij in een jeugdpsychiatrische instelling heeft gezeten. Hij komt er in zichzelf gekeerd en dwars uit terug. Hij moet het er vreselijk hebben gevonden. Vanwege een buikvliesontsteking belandt hij een tijdje daarop ook nog eens in het ziekenhuis, wat hem op het randje van de dood brengt. Heeft dat hem getriggerd om later een zoontje te verzinnen dat in het ziekenhuis overlijdt (zie “De kleine blonde dood”)? In ieder geval komt uit Büchs’ schoolverleden een beeld naar voren van een ongelooflijk druk en slim ventje dat tegenwoordig waarschijnlijk met het etiket ADHD en een herhaalrecept voor Ritalin de wereld in zou zijn gestuurd. Büch kan alleen maar belangstelling opbrengen voor de vakken die hem interesseren. Daarom loopt zijn omgekeerde schoolcarrière van gymnasium naar mulo. Zijn vader is een overgodsdienstige, autoritaire tiran die zijn moeder mishandelt. Als zijn oudste broers, die drie keer in de week naar de mis worden gestuurd, hun vader terug beginnen te slaan, gaat het stel uit elkaar. Büch is verguld met zijn rol als misdienaar. Maar als hij vanwege zogenaamde verkeerde schoenen wordt ontslagen - de werkelijke reden is dat een zoon van gescheiden ouders natuurlijk niet kan - zal hij zijn leven lang furieus op de kerk reageren. Ook al trapt zijn vader zijn eerste, met auto’s wassen zuur verdiende radiootje kapot, toch zal Büch hem blijvend adoreren. Hij zou een gevluchte Duitse Jood zijn die als piloot bij de RAF heeft gediend. Hij zou zelfmoord hebben gepleegd vanwege zijn oorlogstrauma’s en een miljoenenerfenis hebben achtergelaten. In werkelijkheid was zijn vader een onbetekenende gemeenteambtenaar die overleed aan een hartkwaal. Hij liet zijn zoon precies 944 gulden na.

Koekoeksjong
Op het gymnasium komen Büchs’ ontegenzeglijke talenten boven water. Hij begint zijn eerste gedichten te publiceren in de schoolkrant. Er staat een prachtige foto in het boek van twee langharige puberale hippie’s, gebogen over een boek van Goethe: Büchs’ levenslange fascinatie (kom daar nog maar eens om). Met stip gevolgd door Bilderdijk oftewel ‘Billy’, Achterberg en rockster Mick Jagger. Steeds krijgt Büch het voor elkaar zich als een koekoeksjong in de gezinnen van zijn vriendjes te wurmen, waar hij het geestelijk voedsel dat er geboden wordt en thuis node mist, onverzadigbaar opslurpt. Hij mag mee op vakanties. Hij wordt verliefd op onbereikbare zussen. Hij leert net zo begeesterd naar klassieke muziek te luisteren als naar popmuziek: Beethoven, Mozart, Bach. Later de modernere Stravinsky, Prokovjef, Bartók en wat hem betreft de grootste componist aller tijden: Maurice Ravel. Een vader stuurt hem met zijn zoon naar concerten in het Kurhaus. Ze wagen zich zelfs aan het zestien uur durende “Ring des Nibelungen” van Wagner in het Circustheater. Een andere specialiteit is zijn geestdrift voor chemicaliën. Zijn slaapkamertje bouwt hij om tot gifmuseum. In ruil voor het rondbrengen van recepten geeft een drogist hem af en toe wat uit zijn voorraadje arsenicum en cyaankali – of in ieder geval gelooft Büch dat. Een druppeltje van dat spul zou genoeg zijn ‘om heel Wassenaar plat te leggen’. Zijn spreekbeurten worden op elke school legendarisch. Een leraar is zo enthousiast dat hij zelfs geen protest aantekent als Büch op de proppen komt met een paar verdachte flesjes om het verschil tussen hasj en wiet uit te leggen, en welke geestverruimende effecten de paddenstoelen hebben die hij voor de gelegenheid ook maar heeft meegebracht. Steeds vindt Büch buiten de schoolmuren mensen die zijn artistieke ambities stimuleren. De meest verrassende is voor mij wel dominee en kinderboekenschrijver Sipke van der Land, die een paar straten verder woont. Daar heb ik namelijk ook nog wel wat ‘verdachte’ titels van in mijn boekenkast staan: “Tussen geloof en bijgeloof. Ervaringen met spiritisme, reïncarnatie, astrologie”, “Wat bezielt ze? Het handboek van sekten, stille krachten en bewegingen” en “De hersenspoelers. Over de gevaren van sekten en kulten, hoe hersenspoeling werkt, hoe jongeren plotseling robots worden, wat er tegen gedaan kan worden, onthullingen over deprogrammeren”. Vond de ene romanticus de andere?

Blue days, black nights
In de zomer van 1968 vertrekt Büch met zijn spullen op een bakfiets naar zo’n klein Leids kamertje dat één van zijn vrienden opmerkt dat de Drie van Breda waarschijnlijk nog meer ruimte hebben. Vijf uur per dag staat hij als afwasser in de spoelkeuken van V&D. Ondertussen vindt hij zichzelf terug in het cultboek van destijds: “The Romantic Agony” van Mario Praz. A là Goethe begint hij te werken aan een extreem imago waar hij op den duur zelf nauwelijks waan en werkelijkheid van lijkt te kunnen onderscheiden. Hij vertelt overal rond dat hij studeert, bezig is aan een proefschrift over literators en roesmiddelengebruik en maakt faam als drugsvoorlichter. Hij koketteert met de dood. Hij doet zich voor als homo, later zelfs als pedo (waar hij onder invloed van Jan Hanlo en Willem de Mérode, dichters waarbij de onderhuidse seksuele spanning bijna voélbaar is, soms ronduit onbenullige gedichtjes over schrijft) terwijl hij ondertussen toch echt alleen maar met vriendinnetjes naar bed gaat. Muzen die hij niet aan zich weet te binden. Is hij bang om volwassen te worden? Hij vertelt aan zijn vrienden dat het zoontje van een getrouwde, tien jaar oudere tekenlerares de zijne is. Later verzint hij erbij dat ze hem vanwege alcoholisme verwaarloost waardoor het jongetje in het ziekenhuis terecht komt en overlijdt. En hij kan niet eens de begrafeniskosten betalen - een leugen die hem een extra bonus van de Sociale Dienst oplevert. Pikant detail: ze heeft het kind insuline en valium toegediend – waarvoor iedere andere moeder als moordenares in de gevangenis zou zijn beland. Büchs’ lijden is volgens eigen zeggen mateloos: somberheid, slaapstoornissen, dwangneuroses, onrust, paniekaanvallen, geldgebrek. Hij bijt constant op zijn nagels van de zenuwen, gaat gebukt onder schulden, en niemand-niemand die hem begrijpt. Verlichting zoekt hij in excessief gebruik van koffie, sigaretten, alcohol, slaappillen, valium, hasj, lsd en psychiaters. Niets helpt. Hij houdt er als uitgekotst genie enkel ‘tremor-klauwtjes’ aan over. De enige anti-depressiva waar hij écht aan verslaafd raakt zijn: boeken. Hij koopt ze in onbegrensde hoeveelheden en op de pof. Sylvia Plath, Frederik van Eeden, Franz Kafka, Gerard Reve, Astère-Michel Dhondt, Charles Baudelaire, Thomas de Quincy, Oscar Wilde, Arthur Rimbaud, Honoré de Balzac, George Sand en natuurlijk van Novalis “De blauwe bloem” dat ook nog eens een ‘caeruleofiel’, een ‘minnaar van blauw’, van hem maakt. Het lijkt wel of hij uit iedere roman iets oppikt wat hij gebruikt om zijn rol als ‘paria die hunkert naar liefde’ op te schroeven. Hoe langer hoe meer vervreemdt hij van zichzelf en zijn omgeving. Zijn onverzadigbare verlangens kan ik als gelovige ziel, eigenlijk toch wel enigszins verbijsterd, alleen maar duiden als ronduit religieus: “… Ik mis iemand, maar ik weet niet wie…” en “… Zijn poging om mensen te laten samensmelten in zijn gedichten kwam voort uit de wens iemand te vinden die als bij toverslag zijn depressies, angsten en eenzaamheid zou laten verdwijnen, hem gelukkig zou maken zonder dat hij daar zelf iets voor hoefde te doen. Omdat de ander hem volkomen zou begrijpen. Zonder geliefde voelde hij zich verloren, waardoor hij constant op zoek was naar die ene reddende ontmoeting die Bryan Ferry had bezongen: I remember just before we met / When every night and day / I had to live the life / Of a lonely one…”.

Enfant terrible
Büch krijgt het voor elkaar om Harry Prick, de conservator van het Letterkundig museum, met zijn gedichten in te palmen. Die krijgt het vervolgens weer voor elkaar om de legendarische Martin Ros van de Arbeiderspers voor Büch te interesseren. Zijn gedichten worden gepubliceerd terwijl hij ondertussen ook naam weet te maken als provocerend boekrecensent, hoewel Büch absoluut niet de kunst verstaat zijn bewondering voor zijn helden te onderbouwen of hun kwaliteiten te analyseren. Volgens critici stijgt zijn verskunst, die opvallend veel citaten uit popsongs bevat, ook al niet uit boven ‘de lucht is blauw, ik hou van jou’: “… Büch zou hoesteksten moeten gaan schrijven voor langspeelplaten. Dan zou hij beter tot zijn recht komen en ook meer verdienen…”. Later zal hij zijn gedichten vooral uitgeven in beperkte bibliofiele uitgaven (dan gaat het veeleer om de zeldzame druk in plaats van de inhoud). Zijn gekte werkt aanstekelijk en zijn ster is rijzende. Zijn spetterende artikelen bestaan voornamelijk uit bizarre anekdotes waarbij hij vooral zichzelf als ‘enfant terrible’ in de schijnwerpers plaatst. En dat werkt: het ‘gewone volk’ vindt hem leuk. Hij genereert zijn eigen werk. Dat zal wel moeten ook, want hij koopt aan één stuk door, vaak peperdure antiquarische, boeken. Hij gaat failliet omdat hij niets heeft met geldzaken en alle post wat daarmee te maken heeft ongeopend in een hoek gooit. Een waardeloze curator dwingt hem nergens toe zodat hij zich zwart en cash laat uitbetalen of vraagt om cheques: hij veinst geen bankrekening te hebben. Uiteindelijk zullen vaderlijke beschermers hem uit de brand helpen, en verdient hij zoveel dat hij zich een enorm appartement in de Amsterdamse binnenstad kan veroorloven: “De koning van Zweden” – overigens niet na nog eens flink belazerd te worden door een aannemer (zie "De rekening"). Hij richt het in als bibliotheek annex museum. Hij schrijft duizelingwekkende hoeveelheden enthousiaste reportages, columns en interviews voor Mare (Leids universiteitsblad), Folio (Amsterdams universiteitsblad), Oor (muziekkrant), Rolling Stone (Muziekkrant), Elsevier, Vrij Nederland, Nieuwe Revue, Penthouse, de NRC, Het Parool, de Volkskrant, Maatstaf en Bzzletin. Hij houdt lezingen, vaak in bibliotheken, en doet mee in discussiepanels. Het reformatorische publiek krijgt hij tijdens een betoog over Bilderdijk (refo’s hebben zo hun eigen helden) op de kast door te argumenteren dat het aan hem te danken is dat tweehonderd jaar na dato strenggelovigen nog steeds hun kroost weigeren in te enten, met alle risico’s van dien –zodat de dichter verantwoordelijk is voor duizenden gestorven en verminkte kinderen, terwijl Bilderdijk notabene zelf verslaafd was aan opium. Hij schrijft - in mijn ogen prut - romans waarvan “De kleine blonde dood” 30 keer is herdrukt en verfilmd (met onder andere Anthonie Kamerling als acteur). Zijn non-fictie boeken zijn veel leuker. Zie zijn vijf boeken over eilanden en “Bibliotheken”.

Houd dan effe je botte harses
Büch blijkt met name een magnetische podiumpersoonlijkheid. Daar legt hij zich meer en meer op toe. Hij lijkt zelf ook wel in de gaten te hebben dat hij geen literair hoogstandje is. Hij maakt radioreportages voor de VPRO, zit aan bij “De ronde tafel van Pam” en beleeft zijn televisiedebuut in “Het verschijnsel B” naar aanleiding van de Boekenweek in 1982. In een interview ontlokt hij zijn idool Gerard Reve in 1983 zulke politiek incorrecte uitspraken dat Wilders erbij vergeleken een engeltje is. Over dat mensenrechtenactiviste Joke Swiebel opgeveegd en in een concentratiekamp doodgeknuppeld dient te worden. Over dat de Amsterdamse burgermeester Wim Polak voor de Jodenvervolging in Rusland is. Over dat hij Wolkers en Mulisch van harte een communistisch concentratiekamp gunt. Over dat er in Nederland niemand voor de zwarten is. Enzovoorts. Het wordt een geweldige rel. Rond afgelopen kerst vertelde priester Antoine Bodar aan Pauw dat hij van plan is ooit nog een boek over Reve te schrijven. Ik ben benieuwd wat hij met dit soort zogezegd ‘ironische’ commentaren gaat doen. Ondertussen wordt Büch in het praatprogramma van Sonja Barend door het VARA-publiek verkozen tot de ‘pissigste recensent’. In haar programma haalt hij het bloed onder de nagels van actrice Adelheid Roosen vandaan. Woest schreeuwt ze hem toe als hij haar niet laat uitpraten: “…Je wilt toch antwoord, houd dan effe je botte harses, Büch! Schrijf dat vileine gezever in die nare stukjes van je…”. Waarop Sonja Barend moedeloos verzucht: “… Dit is echt verschrikkelijk, ik wou dat ik naar huis kon…”. In de boekenrubriek “De verbeelding” valt zijn enorme improvisatietalent op. Hij laat zijn publiek boektitels raden door ze zelf uit te beelden. Hij loopt bijvoorbeeld in een rode jurk over de bühne: “Opwaaiende zomerjurken” van Oek de Jong. In 1984 krijgt hij zijn eigen programma “Büch’s boeken”. Hij schopt het tot presentator van het benefietconsert “Live Aid”. Hij neemt opdrachten aan voor televisiereclames (Lassie-rijst). Hij rolt als Mick Jagger over de vloer in de sterrenplaybackshow van Henny Huisman. Voor de gein prijst hij met steeds verschillend gekleurde archiefhandschoentjes kostbare boeken aan. Hij wordt een typetje bij “Van Kooten en de Bie”, die als hypomane, prettig gestoorde boekengek toevallige voorbijgangers aanklampt met de vraag wat ze lezen: “…‘Ludlum? Dat is toch een raar boek. Dat is toch niet zo mooi als Keute.’ (…) ‘Kent u Keute?’ ‘Wat?’ ‘Keute!’…”. Hij wordt gevraagd voor een kunstprogramma. Hij maakt 332 afleveringen van het reisprogramma “De wereld van Boudewijn Büch” waarin hij zijn fascinaties en idolen achterna gaat – waarvan nog veel te zien is op Youtube. Hij maakt een uitzending met de zo mogelijk nog freakeriger Engelse schrijver en ontdekkingsreiziger Redmond O’Hanlon die in de negentiende eeuw lijkt te zijn blijven hangen, waarvan een paar jaar geleden ook nogal wat reportages op de Nederlandse tv zijn uitgezonden (zie bijvoorbeeld zijn boeken "Naar het hart van Borneo" en “Tussen Orinoco en Amazone”). Hij schuift aan bij “Barend & Van Dorp”. Doet mee aan allerlei spelletjesprogramma’s, zoals “Waku Waku”, waarin hij altijd wint. Musea vragen hem als adviseur. Uiteindelijk bereikt hij een cultstatus en heeft hij van 1995 -2002 zijn eigen theaterprogramma “Büch denkt hardop”. En dat alles terwijl hij ook nog zogenaamd aan slopende keelkanker lijdt.

Leegte. Alles is leegte.
Naarmate de middelbare leeftijd nadert verbreekt Büch steeds vaker zijn contacten en wordt hij hoe langer hoe eenzamer. Is hij bang voor ontmaskering? De dood boezemt hem angst in. Hij gaat gedegen medisch onderzoek uit de weg als hij lichamelijke klachten krijgt: benauwdheid, vermoeidheid, hartproblemen. Zaterdagmiddag 23 november 2002 valt hij, terwijl hij uit bed stapt, dood neer - 53 jaar oud.
Tegenwoordig loopt iedere schrijver met zichzelf te koop, maar Büch gooide zichzelf in de ring in een tijd waarin dat 'not done' was. Hij wist de muur tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur te slopen. Hij was één van de populairste leraren van Nederland getuige de vele condoleanceberichtjes: “… ‘Hij was de enige die geschiedenis en wetenswaardigheden op zo’n fantastische wijze aan de man kon brengen.’ ‘Je hebt me laten zien dat literatuur leuk kan zijn.’ ‘Dank voor het overdragen van je kennis via alle mogelijke media.’ ‘Mijn vader had Pierre Jansen, ik jou als verteller.’ ‘Wijsheid zo toegankelijk maken; dat is kunst. Ook ik kwam zo dingen te weten en raakte geïnteresseerd, in een wereld zo onbekend.’ ‘Hij leerde mij reizen zonder te bewegen.’ ‘Dank je voor je schitterende woorden en de vele leerzame dingen die je me hebt bijgebracht.’ ‘Had ik vroeger maar zo’n leraar geschiedenis, dan zou ik nooit hebben gespijbeld tijdens zijn lesuur.’ …”. Zijn familie heeft jarenlang gesteggeld over zijn nalatenschap. Rovers: “… Theo van Gogh was al ver voordat Büch overleed, geïntrigeerd door zijn gefabuleer, zoals Van Gogh überhaupt geboeid was door de menselijke impuls om te liegen – en dat ten koste van alles te verhullen. Toen hij in oktober 2004 Joost Zwagerman tegenkwam op de Amsterdamse Ceintuurbaan, sprong hij van zijn fiets en riep dat hij een idee had voor een nieuwe film: 'Büch. Fenomenaal dat kasteel van leugens dat Boudewijn Büch heeft gebouwd!' Zwagerman, met wie hij eerder een film had gemaakt, moest het scenario schrijven. De dood van Van Gogh een maand later voorkwam dat het plan verder zou ontkiemen…”. Ondertussen is Zwagerman er ook al niet meer.
Büch heeft al zijn passies uitgeleefd. Deed wat hij wilde. Niets hield hem tegen. Was dat bevredigend? Nee. Keer op keer benadrukte hij de schaduwkanten van de roem, versterkte hij het beeld van de noodlottige held die achter de façade van het succes doodongelukkig was: “… Ik heb nog liever vijanden dan fans…”. Eén van zijn vrienden: “… Natuurlijk cultiveerde hij zijn depressies, maar zijn persoonlijkheid was ook werkelijk te complex om van zijn succes te kunnen genieten…”. En even verder: “… Hij wist dat het allemaal onzin was. Hij was op een gegeven moment echt heel groot, hij had zijn eigen boeken, zijn eigen geld, zijn eigen programma. En dan zie je wat voor onzin het eigenlijk allemaal is. Het is niets…”. In zijn dagboek gebruikt Büch ongeveer dezelfde woorden: “… Ik vind ‘het leven’ regelrechte onzin. Er is voor mij niets meer om naar te verlangen…”. Eva Rovers: “… Rijk en beroemd of niet – hij bleef, zoals Bob Dylan zong, ‘tangled in blue’…”. Voor mij bewaarheidt Büch als geen ander de onderhand bijna clichématige uitspraak van Augustinus: “… Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U, oh God…”. Hier beneden is het niet.

Uitgave: Prometheus – 2016, 574 blz., ISBN 978 903 513 742 4, € 29,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen