Menu

maandag 2 januari 2012

Veel gezelliger dan bij u thuis – Sylvia Witteman


Ondertitel: Breikous, bordspel en ander kosteloos vermaak

Zo, laten we dit jaar maar eens vrolijk beginnen.
Omdat ik graag op de hoogte ben van wat er zich afspeelt in christelijk Nederland - en ook daarbuiten natuurlijk - lees ik een wat linksige christelijke krant: het Nederlands Dagblad. Je hebt ook een rechtsige christelijke krant: het Reformatorisch Dagblad. Die krijg ik van mijn schoonmoeder (alleen de achtergrondbijlage hoor, “punt-komma” geheten: leuk bedacht). En dan gooit een vriend van mij ook nog eens de boekenbijlage van De Volkskrant in de brievenbus, plus de artikelen waarvan hij denkt dat ik die zou moeten lezen, omdat hij meent dat al dat christendom mij volledig indoctrineert.
Dat mag hij natuurlijk vinden, maar volgens mij stamt De Volkskrant anders ook uit een religieuze, in dit geval Rooms-Katholieke, zuil. Niet dat je daar nog wat van merkt, en zeker niet bij Sylvia Witteman, columnist in die krant (een ‘voor de zekerheid’ aangestoken kaarsje in een oude R.K.-Kerk daargelaten). Sylvia Witteman is buitengewoon on-christelijk.


Ik lig krom van het lachen om haar stukjes. Die zoek ik als eerste op, voor ik de rest tot mij neem. Wat er nu zo ongelooflijk leuk aan is kan ik eigenlijk niet precies zeggen. Ze spreekt mij gewoon aan, altijd denk ik: kon ik maar zo schrijven – ik zou alleen niet zo vloeken! Het zal wel komen doordat ik zo vaak met mijn hoofd in de wolken loop: Sylvia Witteman haalt mij naar beneden. Ze schrijft over de meest zompige huis-, tuin- en keukensituaties (verstopte gootsteenputjes ofzo - dat soort dingen - het gaat meestal nergens over), maar op zo’n hilarische manier, dat je je dag weer helemaal ziet zitten. Een introductie in een nieuw jaar begint bij haar bijvoorbeeld met:
“… Aangezien in dit tamelijk verse nieuwe jaar alweer méér is misgegaan dan ooit valt goed te maken, …”. En dan komt het.
Bovendien is het erg fijn om te lezen dat het huishouden bij een ander ook regelmatig ontaardt in een puinhoop: “… Ze (de kinderen) hadden vuurtje gestookt, in huis. Zelf zweer ik op zulke momenten bij een enorme draai om de oren, maar mijn zus, die aardigheid heeft in opvoeden, verzon een passender straf…”.
Of over ‘dik’ zijn: “… Diederik, een fervente brievenschrijver, stond me jaren geleden eens op te wachten bij mijn voordeur en voegde me vervolgens ongevraagd toe dat ik 'in het echt dikker dan op foto’s’ was. Sindsdien beantwoord ik zijn brieven niet meer; niet omdat ik in het echt niet dikker zou zijn dan op foto’s, want dat ben ik wel, maar omdat ik het eng vind dat iemand die alleen uit geschreven tekst hoort te bestaan zich opeens materialiseert tot een ongenode man van middelbare leeftijd op mijn stoep…”.
En over modellen in de Vogue: “… Die meisjes op de foto’s vielen eigenlijk nogal mee. Er zaten nog wel een paar van die uitgehongerde Oostblok-resusaapjes met vijandige oogopslag tussen, maar dat type dat je een paar jaar geleden nog deprimerend aanstaarde, lijkt toch gaandeweg plaats te maken voor een iets toeschietelijker genre…”; de enkeling die het hongerdieet niet volhoudt “… ziet zich al spoedig gedegradeerd tot een carrière als ‘plus sized model’, wat jargon is voor ‘afgeprijsde speklap’… Nee, dan heb je het beslist makkelijker als afgedankte topvoetballer; dan kun je tenminste nog gewoon een sigarenzaak beginnen en je op je gemak dooddrinken, met een gezellig tot de oksels opgehesen joggingbroek aan…”. Bovendien: “… Een leuke man draagt ook geen mode, maar gewoon kleren. Ik vind ijdele mannen uiterst onaantrekkelijk, en dat is meestal wederzijds…”.

Sylvia Witteman vertrekt uit de realiteit en maakt er een hoe langere hoe gekkere toestand van. Dat lijkt makkelijk maar is het niet. Probeer je eigen grappen en grollen van gisteren maar eens te vertellen aan anderen, vandaag. Meestal landt het helemaal niet. En terwijl je aan het vertellen bent, snap je zelf ook niet meer waarom je eigenlijk zo moest lachen, toen.

In ieder geval: die columns zijn dus gebundeld in “Veel gezelliger dan bij u thuis”. Heb ik natuurlijk gelijk aangeschaft – maar het valt een beetje tegen, eerlijk gezegd. Ik ben wel iemand die ontzettend kan lachen om flauwekul, maar al die stukjes bij elkaar in één boek: dat wordt wel héél erg flauw. Humor moet je eigenlijk doseren. Tussen al het saaie en serieuze nieuws in de krant slaat het gewoon beter aan (waarschijnlijk geldt hetzelfde verhaal voor de recensies op deze site).

Hoe dan ook, Sylvia Witteman heeft in Rusland, in Berlijn en een tijd in de Verenigde Staten gewoond, maar het Nederlands heeft ze daar niet verleerd. Wat dacht je van dit: “… ‘Fietsen verleer je nooit’ is een smerige leugen die mij na slechts drie fietsloze jaren dagelijks het leven dreigt te kosten door de combinatie van trambanen, enge vrachtwagens met dode hoeken, nat glibberig wegdek, rotscootertjes die als boze wespen om je heen zwermen en boodschappentassen die door windvlagen tussen je spaken worden geblazen, zodat je met een knal tot stilstand komt en diverse prozaïsche huishoudbehoeften (hompen jong belegen kaas, vaatwasbonbons, bossen prei) over het natte asfalt een goed heenkomen zoeken naar regenput of een hondendrol…”. Dat was dus één zin.
Voor de jongste van haar drie kinderen valt Nederlands praten nog niet mee: “… ‘Mama, tussen jou en mij is een rainbow en aan iedere kant staan buckets en buckets met love…”. Je kleuter zal het maar zeggen!
“… Maar…”, schrijft ze “… als hij boos is, dan ‘haat’ hij me. Van de week legde ik hem uit dat je zoiets in het Nederlands eigenlijk niet zomaar bij elk wissewasje zegt. ‘Ik haat je’ is veel erger dan ‘I hate you’, wat eigenlijk betekent: ‘Ik ben kwaad op je’ (moet je toch eens horen wie dat zegt, dacht ik ginnegappend). Nou, hij begreep me uitstekend. ‘Ik weet het,’ zei hij, nog nasnikkend. ‘Maar ik haat je écht. Ik haat je in het Néderlands’ …”.

Dat Sylvia Witteman van mijn generatie is merkte ik vooral uit het volgende:
“… Mit Musik geht alles besser , zoals de Duitsers dat zo aardig weten te zeggen. Het is waar: wij leren om het even welke informatie vlot uit het hoofd, mits vergezeld van een pakkend deuntje. Dat geldt helaas ook voor zinloze gegevens. ‘Leve de man van de SRV, van je hiep hiep hiep hoeree’ krijgen ze er bij mij nooit meer uit…”.

Herkenbaar voor elke moeder: “… ‘Nou? Hoe was het op school?’ vraag ik elke dag verwachtingsvol. ‘Gewoon…’ zeggen ze dan steevast, ‘Wat hebben jullie gedaan?’ ga ik voort. ‘Niks…’. Uitstekende, bemoedigende berichten. Want zo hoort dat te gaan op school: het is er ‘gewoon’ en er gebeurt ‘niks’…”, en deze: “… Toen ik twaalf jaar geleden mijn eerste baby kreeg, nam ik me vast voor om niet in de geijkte valkuilen van het moederschap te vallen. Dat kwam erop neer dat ik mijn kinderen nooit zou binnenroepen door driftig met mijn trouwring tegen de keukenruit te tikken, ik zou hun gezichten nooit schoonmaken met mijn eigen speeksel, en ik zou nooit zeggen: ‘Doe in godsnaam elke dag schoon ondergoed aan, want stel je voor dat je een ongeluk krijgt!’ Vooral dat laatste fenomeen intrigeerde me als kind mateloos. Ik zag voor me hoe ik, zojuist aangereden door een auto en hevig bloedend bij de spoedeisende hulp, uit mijn kleren werd geknipt door de dienstdoend arts, die na één blik op mijn onderbroek geschokt het voltallige ziekenhuispersoneel bijeen zou roepen, dat na geruime tijd joelend en wijzend om mij heen staand unaniem zou besluiten dat van een levensreddende operatie onder dergelijke omstandigheden uiteraard geen sprake kon zijn. De schande van een ongeval in smerig ondergoed is me gelukkig tot nu toe bespaard gebleven…”.
Even verder vertelt ze dat er in Amerika onderzoek is gedaan naar het mail-verkeer tussen moeders en (volwassen) dochters. Wat ze daarover aanhaalt; dat wil je niet weten…

Terug in Nederland, zijn het rare dingen, die haar opvallen: “… Op zich kan ik niet zo goed tegen de betutteling van die SIRE-campagnes, net als veel mede-Hollanders. Wij zijn een eigengereid, lomp en achterdochtig volk. BEMOEI JE MET JE EIGEN ZAKEN, zou in het wapen van Nederland moeten staan in plaats van JE MAINTIENDRAI…”.
Na een half jaar Nederland heeft ze nog steeds niet gezwommen, want als gewone sterveling mag je gewoon nooit het zwembad in “… omdat de gangbare zwemtijden vergeven worden aan school-, zwangerschaps-, bejaarden-, en moslima-zwemmen. Maar zwemmen zal ik, desnoods als zwangere bejaarde moslimascholier…”.

Zo, ik heb een hoop grappige fragmenten uit dit boek gelicht, maar ik geef toe, meestal gaat het er bij Sylvia Witteman een stuk grover aan toe. Alleen kan ik dat soort in deze blog niet aanhalen: dan leest niemand mij meer. Ik ken mijn grens.
Nou, eentje dan.
Ze heeft het over haar dochter die toen ze drie was een groot zwak koesterde voor teletubbie Dibsy, beslist de coolste van alle vier: “… Dipsy was tenminste een echte man, voor zover een teletubbie een echte man kan zijn. Maar goed, een kinderhand is gauw gevuld…”. En dan komt het natuurlijk: “… Voor een vierenveertigjarige vrouw ligt zoiets ingewikkelder. Mijn generatie hoort het leuk te vinden als een man met een baby in een draagzak rondloopt, maar ook een uurtje eerder vrij neemt om nieuwe beenwarmers met haar te kopen in precies de juiste kleur roze, of bloemen schuin afsnijdt en netjes rangschikt in een passende vaas in plaats van ‘zolang’ even in de wc-pot te zetten om er vervolgens later op de avond dronken overheen te pissen… Dat horen wij leuk te vinden, en dat vinden wij ook. Maar waarom zijn wij dan zo verliefd op Don Draper, de schofterige hoofdpersoon uit Mad Men?....”.
Verder ga ik niet en moet je het zelf maar lezen. Sylvia Witteman is erg. Echt heel erg. Veel erger dan ik als christen verantwoorden kan. En toch. Diep in mijn hart ben ik ervan overtuigd dat humor uiteindelijk het enige wapen is waarmee je het leven te lijf kunt. Dat meen ik serieus. “Send in the clowns”.
Nu maar hopen dat ze dit niet leest. Want dan ben ik nog niet jarig…

Uitgave: De Arbeiderspers - 2011

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen