Menu

donderdag 8 augustus 2013

De leesclub voor het einde van het leven – Will Schwalbe


Als je een tijdje met boeken bezig bent ga je vanzelf in de term “synchroniciteit” (een begrip dat werd bedacht door de Zwitserse psycholoog en psychiater Carl Gustav Jung en dat letterlijk “gelijktijdigheid” betekent) geloven. Terwijl ik met het vorige boek, “Een weeffout in onze sterren”, bezig was stootte ik op “De leesclub voor het einde van het leven”: ook een boek over ongeneeslijke kanker en de troost van boeken. Ik zeg er maar gelijk even bij dat Will Schwalbe (New York 1962; voormalig uitgever en journalist) geen John Green is. Dat hoeft ook niet: er kan er maar één de beste zijn – en Schwalbe is op zijn eigen manier mooi. Zijn hoofdpersoon is geen fictief meisje van zestien, maar een vrouw van vlees en bloed, in de zeventig en met een rijk leven achter de rug: Mary Anne - zijn eigen moeder.

Lezen
In het gezin waar Will Schwalbe opgroeide werd altijd al veel gelezen. Als zijn moeder te horen krijgt dat ze een te behandelen, maar niet te genezen vorm van pancreaskanker heeft, wisselen moeder en zoon ontelbare boeken aan elkaar uit waarover ze praten terwijl ze wachten tijdens de doktersbezoeken en ziekenhuisbehandelingen. Zo vormen ze hun eigen boekenclubje. Via boeken raken ze aan de praat over voordien onbespreekbare onderwerpen als godsdienst (Will is niet gelovig – zijn moeder wel) en sterfelijkheid, legt zijn moeder haar leven en de keuzes die ze maakte uit, praten ze over wereldproblemen en wat je er aan zou kunnen doen, verdiepen ze hun inzicht in het gedrag van mensen en hebben ze het over dingen waarover ze misschien wel nooit zouden hebben nagedacht als ze er niet over hadden gelezen. En wij ook niet.
Gaat het in “Een weeffout in onze sterren” om één boek, in dit boek komen er maar liefst ruim 140 (!) voorbij schuiven. Ik heb ze even geteld: het boek bevat een lijstje met alle titels die in het verhaal worden genoemd. Niet over ieder boek wordt uitgebreid geschreven. De meesten worden zomaar even aangestipt. Wat dat betreft is dit boek vooral een verslag over het verloop van een slopende ziekte en veel minder over literatuur. Toch vond ik het enorm inspirerend. Misschien niet in de laatste plaats omdat Will Schwabe van mijn generatie is en ik ook een moeder van in de zeventig heb.

Het einde van de psychologie

Zo kwam ik te weten dat “Crossing to Safety”, dat Wallace Stegner op zevenentachtig jarige leeftijd schreef, het vaakst wordt genoemd als Will Schwalbe, die eenentwintig jaar in het boekenvak heeft gezeten, aan boekhandelaren vraagt wat ze het mooiste boek vinden: “… Ik ging kopje-onder, werd erdoor opgeslokt en kwam in de toestand: ‘Zie je niet dat ik aan het lezen ben?’ …”. Een aanrader dus.
Hij vertelt tot mijn verrassing over de avonturenboeken van MacLean, die ik zelf niet las (volgens mij heb ik maar één razendspannende thriller in mijn jeugd gelezen: “Het Kennedy-complot” van Jeffrey Archer: ik heb het nog steeds), maar waarvan ik mij herinner dat mijn broertjes ze stuk lazen: “… Als kind ging ik ook door een Alistair MacLean-fase: ‘De genadelozen’, ‘De kanonnen van Navarone’, ‘Poppen aan een touwtje’…”.
Over “Joseph und Seine Brüder” van Thomas Mann, een boek van bijna vijftienhonderd (!) bladzijden zegt Mary Anne: “… Het is lastig lezen, maar het is een ongelooflijk boek. Het is een soort studiegids voor elk dilemma en elke gedragsvorm die je maar kunt bedenken. En het is ook best grappig…”. Waarop ik bedacht dat je als je de moed kunt opbrengen deze pil te lezen, je dus alle psychologie-boeken uit het raam kunt gooien.

Christelijk

Over de schrijvers Lewis en Tolkien, waarvan ik ook heel veel heb gelezen, en de meesten in ieder geval de films zullen kennen: “… Toen ik negen jaar oud was, werd ik halsoverkop verliefd op ‘De Hobbit’ van J.R.R. Tolkien…”. Will las ook ‘In de ban van de ring’: “… Mijn broer las in dezelfde periode ‘De kronieken van Narnia’, terwijl ik verrukkelijk opging in Tolkiens Midden-Aarde. We discussieerden erover welke serie boeken het beste was, zoals we ook discussieerden – soms heftig – over Bob Dylan (mijn broer) versus John Denver (ik), of gedurende het jaar dat we in Engeland woonden Liverpool (Doug) versus Manchester United (ik, voornamelijk omdat ik voetballer Georg Best leuk vond) – Will Schwabe is homo. Als gevolg daarvan dacht ik altijd dat een voorkeur voor Tolkien dan wel Lewis wees op een tegengestelde smaak en rivaliteit. (We hadden geen idee dat Tolkien en Lewis in Oxford collega’s en goede vrienden waren geweest.) Mam dacht daar anders over. ‘Ik heb het altijd boeiend gevonden dat je broer de Narnia-boeken het mooist vond en jij Tolkien. Ik denk dat de christelijke symboliek je broer aansprak in de Narnia-boeken en dat jij daar helemaal niet in geïnteresseerd was.’ Grappig genoeg kwam ik er onlangs achter dat Lewis in alle toonaarden ontkende dat zijn boeken christelijke verzinnebeeldingen waren, terwijl Tolkien als belijdend rooms-katholiek benadrukte dat zijn boeken in wezen religieus waren. Op mij maakten Tolkiens boeken altijd een prachtige en zuiver heidense indruk…”. Mary Anne: “…’In feite,’ vervolgde mam, ‘heb ik nog nooit iemand meegemaakt die zowel van Tolkien als van Lewis houdt. Iedereen schijnt of het een of het ander mooi te vinden.' ‘En wat vind jij het mooist?’ ‘Lewis. Maar volgens mij benijdden je broer en ik jou allebei om jouw liefde voor Tolkien. Wij vonden de Narnia-boeken erg mooi, maar jij was bezeten van Tolkien. Je had het zo vaak over Bilbo Balings dat hij voor mij bijna een lid van het gezin werd. Je ging alles, inclusief je eigen naam, opschrijven in runen. Ik trok de grens toen je een stenen pijp wilde gaan roken. Je was negen jaar oud…”. Schitterend toch? Ik heb er nooit zo over nagedacht; maar ik houd ook meer van Tolkien dan Lewis, wat dan wat zegt over mijn blijkbaar heidense aard, ondanks dat ik mij christen noem.
Een episode waar ik breed om moest grijnzen gaat over een kerstavond waarop Mary Anne haar kinderen bij de open haard het kerstverhaal voorleest: “… En opeens begon een van ons te giechelen. Toen begon nog iemand van ons te giechelen, en toen de derde. We wisten dat het ongepast was, maar we konden er niets aan doen. We lachten om niets…”. Anne Mary wordt zo boos dat ze de Bijbel dichtklapt en de kinderen allemaal naar bed stuurt. Ik ben ook opgegroeid met de gewoonte dat er iedere avond na het eten een stukje uit de Bijbel werd gelezen, en af en toe barstten wij ook wel eens zo ongeveer uit elkaar van het lachen om, … ja wat, eigenlijk? Mijn moeder begon dan uiteindelijk mee te doen en hikte: “Hou maar op Albert; dit is echt spotten...”. Maar mijn vader deed net alsof hij niets hoorde, en bleef stug doorlezen.
Fascinerend is een stuk over “Gilead”, een boek waarin het christelijke geloof een belangrijke rol speelt(“… Ze – mam - was dol op de Heilige Schrift en de preken en de muziek. Maar het belangrijkste was dat ze geloofde. Ze geloofde dat Jezus Christus haar verlosser was. Ze geloofde in de wederopstanding en het eeuwige leven. Dat waren geen loze kreten voor haar. Haar geloof schonk haar oprecht plezier en troost. Dat wenste ze mij ook…”), van Marilynne Robinson, die in 2005 de Pulitzerprijs won. Er zijn niet veel goede christelijke auteurs. “… Een van mams lievelingspassages uit ‘Gilead’ was: ‘Dit is belangrijk, ik heb het al aan veel mensen verteld, en mijn vader heeft het aan mij verteld en zijn vader aan hem. Wanneer je een ander mens ontmoet, als je met een medemens te maken hebt, dan is het alsof jou een vraag wordt gesteld. En dan moet je denken: wat vraagt de Heer van mij op dit moment, in deze situatie?’ Ze dacht zo vaak mogelijk aan deze vraag, zei ze, of ze nu vluchtelingen, buschauffeurs of nieuwe collega’s ontmoette...". Dat klinkt misschien mierzoet, maar is het niet. Mary Anne had leidinggevende functies in het onderwijs en werkte bij een organisatie die zich inzette voor vrouwen en kinderen in oorlogsgebieden. Ze reisde onder de allererbarmelijkste omstandigheden de hele wereld af, en kwam terecht in vluchtelingenkampen in Thailand en Afrika, trad op als waarneemster bij verkiezingen in Joegoslavië en werd neergeschoten in Afghanistan. Ze was niet de eerste de beste...

Wreedheid
Will laat haar “Mannen die vrouwen haten” van Stieg Larsson lezen, dat ik ken, maar zo wreed is dat ik eigenlijk niet zo goed wist wat ik ermee moest. Maar “… Toen mam aan Larsson begon, was ze er meteen aan verslingerd. Ze zei dat Lisbeth Salander haar deed denken aan een aantal van haar grilligste en interessantste leerlingen – de middelbare-schoolmeisjes die ze les had gegeven en had toegelaten tot de universiteit, die een eenzame en ellendige jeugd achter de rug hadden en er desondanks in waren geslaagd om met behulp van hun intelligentie en vasthoudendheid carrière te maken. Lisbeth beschikte over dezelfde moed en hetzelfde doorzettingsvermogen dat mam bij veel vluchtelingenvrouwen had gezien, gekoppeld aan wantrouwen jegens de autoriteiten die hun gezag ontleenden aan corruptie, onvoorspelbaarheid en wreedheid. Het is een boek met een sterk feministische ondertoon; het roept weerzin op tegen de misselijkmakende manier waarop vrouwen over de hele wereld worden geïntimideerd, gemarteld en misbruikt. Volgens mam deed het haar denken aan alle bijzondere vrouwen die ze in vluchtelingenkampen had ontmoet, die ondanks het stigma en de mogelijke risico’s de hulpverleners en elkaar openlijk vertelden over de verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld waarmee ze te maken hadden…”. Volgens Mary Anne moeten we veel over wreedheid lezen: “… Dus je vindt het niet erg om sombere boeken te lezen?' ‘Nee, helemaal niet. Wreedheid, daar kan ik niet tegen. En toch is het belangrijk om over wreedheid te lezen.’ ‘Waarom is het belangrijk?’ ‘Omdat je het dan gemakkelijker herkent als je erover hebt gelezen. Dat was altijd het zwaarste in de vluchtelingenkampen, om te luisteren naar de verhalen van de mensen die verkracht of verminkt waren of gedwongen waren om toe te kijken terwijl hun moeder of zuster of kind werd verkracht. Het is zwaar om met dergelijke wreedheden geconfronteerd te worden. Maar mensen kunnen op vele manieren wreed zijn, soms heel subtiel. Ik denk dat we er daarom allemaal over moeten lezen. Ik denk dat het een van de beste dingen is in de toneelstukken van Tenessee Williams. Hij wist wreedheid te typeren, bijvoorbeeld de manier waarop Stanley Blanche behandelt in ‘Tramlijn Begeerte’. Het begint met terloopse opmerkingen en blikken en kleineren. Er zijn vele voorbeelden van Shakespeare, bijvoorbeeld wanneer Goneril King Lear kwelt, of de manier waarop Iago tegen Othello praat. En wat ik van Dickens mooi vind is de manier waarop hij allerlei soorten van wreedheid beschrijft. Je moet deze dingen leren herkennen, meteen al. Het onheil begint bijna altijd met kleine pesterijen.’…”.
Misschien is het meest indrukwekkende boek op dit gebied wel “De smaak van mango” van Mariatu Kamara, dat ik zeker nog eens wil bespreken. De schrijfster heeft geen handen, omdat die zijn afgehakt door kindsoldaten. Als ze na de slachtpartij iemand tegen komt die wil helpen en haar een mango voorhoudt, pakt ze de vrucht tussen haar verminkte armen, omdat ze zelf wil eten: “… ‘Ik kon me niet door hem laten voeren. Het voelde verkeerd om als een klein kind gevoed te worden.’ …”. Ze wil het per se zelf doen. Dat betekent alles voor haar. Als ze dat kan, zal ze het misschien overleven. Het is ook een boek over de immense kracht van vergeving. Ze beseft dat de kindsoldaten eveneens slachtoffer zijn van hun situatie.

Moeder-zoon verhouding

Will Schwalbe idealiseert zijn moeder. Ze is de meest fantastische, geweldige, weergaloze vrouw die er ooit bestaan heeft – volgens hem. De enige keer dat hij haar in paniek heeft gezien was toen ze haar anticonceptiepil aan de hond had gegeven en zelf een ontwormingstablet inslikte (sic!), vertelt hij.
Ze is zeker een sterke vrouw; maar ze zal zich – net als iedereen - heus wel eens somber en alleen en wanhopig hebben gevoeld, denk ik. Het is dat hij er zelf over begint (anders zou ik het er niet over hebben) als hij het heeft over boeken die gaan over een hechte band tussen moeder en zoon: ze zijn vaak een beetje “… nichterig…”, en “… je hebt te maken met het stigma dat je niet wilt worden gezien als een moederskindje…”. Die indruk maakt dit boek wel een beetje – wat m.i. helemaal niet erg is.
Het zou wel leuk zijn als zijn zus Nina, die trouwens ook lesbisch is, een boek over haar moeder zou schrijven. Of als Mary Anne een boek over haarzelf had geschreven. Of als de broer van Will, Doug, een boek zou schrijven over hoe het is als je broer en zus allebei homoseksueel zijn. Waarschijnlijk zou het gezin Schwalbe dan vanuit heel andere invalshoeken worden belicht, wat Will in het begin dan ook aanroert: “… Wat nu volgt is mijn verhaal. Dat gaat grotendeels over mam en mij, en niet zozeer over mijn vader, broer en zus, omdat ik vind dat zij hun eigen verhaal moeten vertellen als en wanneer zij dat willen…”.
Vooralsnog is dit boek vooral een ontroerend requiem.

Uitgave: Ambo/Anthos - 2013, ISBN 978 902 632 762 9, €12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen