Menu

maandag 2 juni 2014

Ik zal leven – Henry Orenstein


Subtitel: Hoe ik als Poolse jood de Holocaust overleefde

Afgelopen dinsdag hield minister Frans Timmermans van Buitenlandse zaken in de Tweede Kamer een fel betoog tegen antisemitisme, racisme, discriminatie en islamofobie. De bewindsman noemde antisemitisme ‘een van de grootste bedreigingen voor Europa’, ‘een uiting van de donkerste delen van de Europese ziel’ en ‘een van de demonen die ons Europeanen al jarenlang achtervolgt’:
“… ‘Als het slecht gaat, zoeken we naar een zondebok. Joden, zigeuners en tegenwoordig ook moslims. Als iets het Europese project bedreigt, is het dit. Die neiging moeten we gezamenlijk onderdrukken.’ ‘Het zit in ieder mens om de ander weg te zetten’, vervolgde Timmermans, ‘maar het is de triomf van de menselijkheid om dat te overwinnen, om dat niet toe te laten…” (N.D. 28.05.14).


Een van de demonen die ons Europeanen al jarenlang achtervolgt
Ik moest hieraan denken toen ik “Ik zal leven” dicht sloeg. Want het meest wrange aan heel het verhaal van Henry Orenstein, die als Poolse jongen - hij was 16 toen de oorlog begon - maar liefst, en voor zover ik goed heb geteld, vijf (!) concentratiekampen overleefde, is dat toen hij eindelijk terug keerde naar zijn oude woonplaats, het advies kreeg de stad te verlaten. De Polen die hun intrek in het huis van zijn vader hadden genomen waren van plan hem te vermoorden: “… Hoewel er van de 3,3 miljoen Joden die het land vóór de oorlog rijk was nog maar zo’n vijftigduizend over waren, was dat voor veel Polen nog steeds te veel. Op een dag zat ik in een park in Łódź een krant te lezen. Ik ving een gesprek op van twee Poolse vrouwen die aan de andere kant van de bank hun lunch aten. ‘Eén ding heeft Hitler in ieder geval goed gedaan: hij heeft ons van de Joden verlost,’ merkte één van hen op. De ander zei: ‘Ja, maar hij had het werk moeten afmaken.’…”. Wat hem betrof was de maat vol. Er van overtuigd dat ondanks al het oorlogsleed de meerderheid van het Poolse volk niet was veranderd en altijd antisemitisch zou blijven, emigreerde Orenstein naar Amerika: “… De Verenigde Staten openden hun deuren voor meer dan honderdduizend overlevenden van de Holocaust…”.
Al vanaf de middeleeuwen woonden er Joden in zijn geboortestad Hrubieszó. Ze maakten deel uit van een Joodse migratie van West-Europa naar het oosten die, onder druk van slachtingen door de kruisvaders en veel andere religieuze vervolgingen, in de elfde eeuw was begonnen en honderden jaren doorging. Ze integreerden niet: “… Veel Joden spraken geen of hooguit gebroken Pools. Thuis spraken ze Jiddisch en ook hun cultuur en gewoonten waren anders, net als hun uiterlijk: de meesten hadden een baard en lange bakkebaarden, en droegen een keppeltje en een zwarte kaftan…”. Op allerlei burgerrechten, privileges en inkomstenbronnen konden ze geen aanspraak maken. Alleen met ambachtswerk en handel drijven viel wat te verdienen. Het was armoe troef. Daarom zochten sommige Joden hun heil in twijfelachtige zakenpraktijken; waardoor de hele groep met argusogen werd bekeken.
Overal ontmoette Henry Orenstein antisemitisme. Op jaarmarkten en braderieën hadden boeren bij voorbaat al lege zakken en dozen bij zich, in de hoop op een escalatie van geweld of een regelrechte pogrom, waarbij ze Joodse huizen en winkels konden plunderen. Op school werd hij getreiterd en uitgescholden. Op het gymnasium was het normaal dat de beste leerling aan het eind van het jaar een prijs kreeg. Toen zijn klas aan de beurt was zei de directeur doodleuk dat niemand het vereiste niveau had gehaald, om te voorkomen dat de prijs naar Henry ging, die alleen maar negens en tienen binnen sleepte. Hierdoor liet hij een tijdje de moed zakken, leerde niet meer, maar uiteindelijk wist hij zich te herpakken. En toen brak de oorlog uit…

Obsessie
Het levensverhaal van Henry Orenstein - voor het eerst uitgegeven in 1987, en eindelijk prachtig vertaald door Richard Kettmann - leest als een avontuurlijke jongensroman, waardoor het een breed lezerspubliek zal aanspreken, denk ik. Orenstein vertelt dat boeken een obsessie voor hem werden nadat hij zichzelf op zijn vierde (!) had leren lezen. Eerst las hij alle westerns die hij in de bibliotheek kon vinden, en daarna stapte hij over op misdaadverhalen – wat misschien zijn spannende stijl verklaart: “… Op een avond toen ik een jaar of zes was, zat ik aan mijn tafel met een thriller waarvan de Poolse titel ongeveer luidde: ‘De broederschap van de grote kikker’. Het ging over een moorddadig en geheim Engels genootschap en ik zat er helemaal in, toen mijn moeder binnenkwam om te vertellen dat ik naar bed moest. Ik beloofde haar dat ik dat binnen enkele minuten zou doen, zodra ik het hoofdstuk uit had. Maar ik zat zo diep in het verhaal dat ik niet meer kon stoppen. Het was zo spannend dat ik me zelfs niet durfde te bewegen, en bovendien kon ik me niet van het boek weg rukken. Het was midden in de nacht toen ik het uit had. Ik was zo bevangen van angst dat ik alleen recht voor me uit kon staren. Ik durfde noch naar links, noch naar rechts te kijken. Zelfs mijn ademhaling was oppervlakkig, uit vrees dat de slechterik me te grazen zou nemen. Ik bleef tot een uur of vier ’s morgens in die versteende houding zitten, tot mijn moeder wakker werd en zag dat het licht in mijn kamer brandde…”.
Later vertelt hij hoe hij tijdens een razzia acht dagen en nachten overleefde in een zogeheten skrytka, een geheime schuilplaats achter een dubbele wand in een woonhuis, die zo nauw was dat hij zich amper kon bewegen, door zich te verliezen in “Gejaagd door de wind”. Alleen de laatste twintig bladzijden ontbraken - hoe het afliep: daar kwam hij niet achter.

Overgave
Toen Hitler Polen onder de voet liep besloten de mannelijke leden van het gezin Orenstein – vader met vier zonen – richting Rusland te vluchten. Ze dachten dat vrouwen en oude mensen nog wel betrekkelijk veilig zouden zijn, dus de vrouwen – moeder en dochter – bleven thuis. Ze vielen van de regen in de drup: Stalin stuurde veel vluchtelingen naar Siberische werkkampen. Bovendien viel Hitler Rusland binnen. Na drie jaar lukte het de mannen ongezien terug te keren naar hun voormalige woonplaats. Steeds weer glipten ze door de mazen van het net als er op Joden werd gejaagd. Op een gegeven moment waren ze het onderduiken en constant op hun hoede zijn zo moe dat ze besloten zichzelf aan te geven. De kinderen kregen het voor elkaar om door de Gestapo te werk gesteld te worden, maar hun ouders, die toen beiden al in de zestig waren, werden in een vrachtauto gedreven, en naar een executiekuil gereden: “… Na de bevrijding heb ik me nog jarenlang schuldig gevoeld over het feit dat ik niet met mijn ouders was meegegaan. Maar met het verstrijken van de tijd ging ik inzien dat het een grote fout zou zijn geweest als we bij hen waren gebleven. Ze kwamen op een vreselijke manier aan hun einde, maar ze stierven in de wetenschap dat wij waren ontsnapt en nog een levenskans hadden gekregen. Uit mijn moeders laatste oproep aan Fred, ‘Red de kinderen!’, bleek dat ze geloofde dat er nog hoop voor ons was. Ook mijn vader maakte zich de laatste maanden van zijn leven alleen maar zorgen om ons en totaal niet om zichzelf. Het zou voor hen ondraaglijk zijn geweest om getuige te moeten zijn van de moord op hun vijf kinderen…”.
Toen het werk dat o.a. bestond uit het leeghalen van de huizen van gedeporteerde Joden zo’n beetje gedaan was, begon Orenstein’s tocht langs verschillende concentratiekampen: Budzyń, Majdanek, Plaszów, Ravensbrück, Sachsenhausen.

De harde werkelijkheid
Orenstein vertelt over het sadisme waarmee – soms zelfs Joodse - bewakers te keer gingen, en dat zo gruwelijk was, dat ik het niet kan navertellen. Hij vertelt over de ‘muzelmannen’, de ‘levende lijken’, de mensen die op sterven na dood waren, en rondschuifelden als zombies omdat ze niet meer in staat waren hun voeten op te tillen. Eigenlijk viel er alleen te overleven als je op de een of andere manier geld had weten mee te smokkelen en ‘zaken’ kon doen. Corruptie tierde welig. Over de kampbewoners: “… Omdat Ravensbrück mijn vierde concentratiekamp was, zag ik bepaalde overeenkomsten in het gedrag van gevangenen. Ik verdeelde hen in vier hoofdgroepen. Een klein aantal gevangenen was gewoon wreed van nature. Veel van hen werden Kapo of Stubenälteste. Het overgrote deel van de rest leefde vooral voor zichzelf. Binnen enkele dagen na aankomst in het kamp begonnen ze te stelen, te bedelen en voor te dringen, zonder met anderen rekening te houden. De derde groep bestond uit mensen die eerlijk waren en niemand wilde kwetsen, maar ook niets deden om een ander te helpen. Hun houding was: val mij niet lastig, dan val ik jou niet lastig. Ten slotte waren er enkelen, zoals Richie en Bencio, die altijd vriendelijk en waar mogelijk behulpzaam waren en nooit misbruik maakten van andere gevangenen. Zij waren de morele elite en gedroegen zich altijd op een manier die hun ‘klasse’ verraadde, hoe beroerd de omstandigheden ook waren. Ze stonden zichzelf niet toe te verwilderen en gedemoraliseerd te raken. In de harde werkelijkheid van het concentratiekamp was het onmogelijk je anders voor te doen dan je was. Je ware natuur viel niet te verbergen. Ze was voor iedereen zichtbaar…”. Ik bedacht dat de verhoudingen in de ‘gewone’ maatschappij waarschijnlijk minder anders zijn.
Het is aangrijpend hoe Orenstein over vrouwenkampen schrijft. Als jonge jongen hoopte hij dat vrouwen minder wreed waren dan mannen, maar sommige vrouwen overtroffen
hun mannelijke collega’s in kwaadaardigheid.

Geloof
Veel oprecht gelovige gevangenen vonden het moeilijk in God te blijven geloven: “… Nadat ze de moord op hun kinderen, hun ouders, hun broers en zussen hadden meegemaakt, vroegen ze zich af: ‘Als er een God is, hoe kan Hij dit dan laten gebeuren?’ Maar sommigen bleven rotsvast vertrouwen. Ze stierven met een lied op hun lippen: ‘Sjima Israël, Adonai Elohenoe, Adonai Echad’ (Hoor, o Israël, de Heer onze God, de Heer is één). Een man in het Jatkowakamp, Velvele, bleef elke dag bidden, met gebessjaal en al. Toen we een keer samen aan het nieuwe Gestapogebouw werkten, vroeg ik hem: ‘Velvele, ze hebben je vrouw en je kinderen vermoord, hoe kun je nou nog steeds bidden?’ Velvele dacht een moment na, haalde zijn schouders op en zei: ‘Tomer’ (Voor het geval dat). Als zou blijken dat God toch bestond, wilde Velvele in elk geval aan zijn kant staan. Maar de meeste jonge mensen dachten er niet over om zich in deze tijd van dood en wanhoop tot God te keren…”.
Orenstein vertelt dat hij zelf voor en tijdens de Holocaust niet speciaal gelovig was, maar dat na een lange tijd wel is geworden: “… Ik geloof dat de Schepper van dit universum, dat zo complex en toch volmaakt harmonieus is en waarbij de prestaties van de mens in het niet vallen, in wezen niet wreed kan zijn. Dus wat we op aarde ook moeten doormaken en hoe bar ons individuele lot ook is, de verklaring moet wel zijn dat ons bestaan deel uitmaakt van een groot mysterie. Een mysterie dat we, althans tijdens dit leven, nooit zullen begrijpen. Omdat we met logica niet verder komen, zullen we moeten geloven dat God, die de macht had om het universum en zijn ontzagwekkende verschijnselen te scheppen, ook wijs en rechtvaardig is. Het volmaakte van zijn grote ontwerp strookt niet met wreedheid en moord. Het antwoord is alleen te vinden in het mysterie, dat in ons aardse leven ongrijpbaar en onbegrijpelijk zal blijven. Het enige wat we kunnen doen, is proberen zijn wil te doen, voor zover we daar zicht op hebben. En dat betekent dat we onze medemens rechtvaardig behandelen en proberen te helpen…”. Ik vind het heel bijzonder dat iemand, na zoveel ellende te hebben gezien, toch kan geloven in een goede God.

Joodse superbreinen
Orenstein vertelt hoe hij de kampen overleefde door zich als zogenaamde wetenschapper, bij een ‘Chemiker Kommando’ aan te sluiten, dat aan een bijzondere wetenschappelijke uitvinding zou gaan werken : “… Een gas dat in staat zou zijn om alle motoren tot stilstand te brengen. Dit gas zou vooral worden ingezet tegen vliegtuigen, tanks en vrachtwagens, zodat het vijandelijke leger doeltreffend geïmmobiliseerd kon worden…”. Vanaf het begin was duidelijk dat het plan zo nep was als maar kon, maar van hogerhand werd het wel geslikt. Waarschijnlijk probeerden Duitse hoogopgeleiden op deze manier te voorkomen dat ze alsnog het leger in werden gestuurd. Alleen wie in de wapenindustrie werkte, of de concentratiekampen moest bewaken, kwam daar onderuit. Vandaar dat de kampopzichters op het eind van de oorlog ook probeerden de kampen vol te houden, en minder lukraak gevangenen fusilleerden.
Op het einde van de oorlog, tijdens de zogeheten ‘dodenmars’ (iedereen die niet mee kon komen werd zonder pardon neergeschoten; de weg lag bezaaid met lijken en paardenkadavers) waarbij concentratiekampbewoners van Sachsenhausen naar Rostock werden gedreven, opende Orenstein op een ochtend zijn ogen en merkte dat zijn bewakers waren verdwenen.
Wat "Ik zal leven" zo bijzonder maakt is dat Henry Orenstein zijn persoonlijke lot op een ongelooflijk heldere manier op het verloop en de geschiedenis van WO II betrekt.

Uitgave: de Barbaar – 2014, vertaling Richard Kettmann, 346 blz., ISBN 978 905 999 040 1, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier



Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen