Menu

donderdag 25 februari 2016

Oorlogszone Zoo – Kevin Prenger


Subtitel: De Berlijnse dierentuin en de 2e Wereldoorlog

Dierentuinen hebben iets magisch. Misschien is het eerste verhaal over een dierentuin voor ongeveer ons allemaal wel het verhaal over de ark van Noach, een oeroude mythe die volgens Tjarko Evenboer in “De grote vloed” op de een of andere manier in bijna alle culturen over de hele wereld voorkomt. Een modern Ark-van-Noach-verhaal is de bestseller “Het leven van Pi” van Yann Martel, verfilmd door Ang Lee, waarin een hele dierentuin per boot verhuist en schipbreuk lijdt. Een jongen overleeft de tocht in een reddingssloep, samen met een Bengaalse tijger. Ik herinner mij “Lotje”, een personage van Jaap ter Haar, die spannende avonturen beleeft in de dierentuin waar haar vader dierenarts is. Ik heb urenlang met mijn dochter naar “Zoop” zitten kijken, een jeugdserie over acht jongeren die een opleiding voor dierenverzorger volgen in het Ouwehands Dierenpark. In "Albrecht en wij" van Lodewijk van Oord blijkt een dierentuin (waarin duidelijk Artis te herkennen is) de laatste levende neushoorn te herbergen, wat allerlei gewetensvragen oproept. Vorig jaar verscheen "Het huis van de leeuwen", een roman van Tania Hermans over de echtgenote van de eerste directeur van Diergaarde Blijdorp: Corry Kuiper. Onlangs kreeg ik een buitengewoon interessant en aangrijpend boekje toegestuurd van Kevin Prenger over de geschiedenis van de Berlijnse dierentuin, en dan met name rond de Tweede Wereldoorlog.

Oorsprong

Kevin Prenger (1980) is projectleider van Go2War2.nl, het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de 20ste eeuw, in het bijzonder de geschiedenis van de Holocaust en nazi-Duitsland. Persoonlijke verhalen over de oorlog hebben ook zijn belangstelling. Behalve voor Go2War2.nl schrijft hij voor Historiek.net en het magazine Wereld in Oorlog.
Oorspronkelijk was het park Tiergarten, waarvan de geschiedenis nauw verbonden is met de Zoologischer Garten Berlin, een jachtgebied van de Brandenburgse keurvorsten, schrijft hij. Frederik de Grote (1712 – 1786) had echter een hekel aan jagen, en veranderde het terrein in een lusthof, waar ook zijn onderdanen van mochten profiteren. Op de plek van de huidige zoo werd een fazanterie ingericht om het hof vers gevogelte te kunnen voorschotelen. Ook waren er op het Pfaueninsel, een eiland in de Havel, exotische dieren te bewonderen: lama’s, apen, leeuwen, kangoeroes en verschillende vogelsoorten. Heel bijzonder, want wilde je in die tijd met eigen ogen exotische dieren zien, dan was je voornamelijk aangewezen op reizende tentoonstellingen. Dierentuinen waren het particuliere bezit van vorsten die er hun macht en rijkdom mee etaleerden. Niet iedere keurvorst was behept met dierenliefde, soms werd de Berlijnse menagerie ook weer verwaarloosd. In het begin van de 19e eeuw kwam er meer belangstelling voor de wetenschappelijke studie van dieren en begonnen zoölogen in grote wereldsteden als Parijs en Londen parken in te richten die het algemeen belang dienden. Berlijn kon niet achterblijven: op 1 augustus 1844 opende de Zoologischer Garten Berlin de poorten voor bezoekers.

Ook mensen tentoongesteld
Apen en beren – de beer is het symbool van Berlijn – waren in eerste instantie de grootste publiektrekkers. Het eerste grote roofdier dat werd aangeschaft was een luipaard, gevolgd door een ijsbeer. Van een Duitse Egyptoloog kreeg de dierentuin een leeuw die het jaar daarop het loodje legde. In het begin was het moeilijk om uitheemse dieren in leven te houden: koude winters, warme zomers, vochtige bodem, schaduwrijke bomen. De dierentuin breidde zich gestaag uit. Men kwam op het idee vijvers aan te leggen waar overtollig water in gepompt kon worden, wat de bodemproblemen oploste. Er kwam een antilopenhuis in Arabische stijl met imposante zuilengangen en gouden minaretten als in Duizend-en-een-nacht. Binnenin bevond zich onder een glazen dak een overdekte wintertuin met palmbomen en allerhande exotische planten. Er volgden een olifantenhuis in Indische stijl en een struisvogelverblijf dat door Egyptologen werd versierd met karakteristieke Egyptische muurschilderingen. Er kwam een aquariumgebouw. Er werd een concertzaal gebouwd. Het bleef niet alleen bij dieren, rond de één na laatste eeuwwisseling werden er ook mensen tentoongesteld: Eskimo’s, Nubiërs, Lappen en Zuid-Amerikaanse indianen. Een enorme publiekstrekker vormden de zogenoemde ‘lippennegers’, leden van de Sara-Kabastam uit Midden-Afrika, waarvan de vrouwen opvielen vanwege hun met een lipschotel uitgerekte lippen. Heel racistisch allemaal, maar toentertijd geen punt. Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1883 kon je in Amsterdam eveneens naar oorspronkelijke Surinamers gaan kijken.

Blut und Boden
Het nazitijdperk had grote invloed. De directeur van de zoo verkreeg faam met een opgestart ‘terugfokprogramma’, waarbij geprobeerd werd het uitgestorven oerrund en –paard (de tarpan) terug te laten keren. Het paste in de Blut-und-Boden-ideologie van een van vreemde smetten vrije Germaanse agrarische samenleving. Zoals de Ariërs moesten terugkeren naar hun rurale oorsprong, zo moest ook het vee weer een oorspronkelijk, primitief uiterlijk aannemen – bijvoorbeeld een grove bouw. Genetisch gezien had dat geen enkele wetenschappelijke basis. Een paradepaardje werd de ‘Deutsche Zoo’: een afdeling met inheemse dieren, zoals beren, wolven, roofvogels en bevers. Een nagebouwde Nedersaksische boerenhoeve maakte het plaatje compleet. De toenmalige zoodirecteur had nauwe banden met patijbons Hermann Göring, de tweede man na Hitler binnen het nazibestuur, en een fervent jager. Thuis hield hij een paar leeuwenwelpjes, die toen ze te groot werden, in de dierentuin terecht kwamen. Joodse toezicht- en aandeelhouders werden gaandeweg geloosd. De dierentuin was één van de eerste openbare plekken waar Joodse bezoekers door middel van bordjes bij alle ingangen met daarop “Juden unerwünscht” de toegang werd ontzegd. De zoo was goed voorbereid op luchtbombardementen. Een team dierenverzorgers ving ontsnapte dieren. Er was een brandweerbrigade en een bewakingsploeg. Men bouwde ondergrondse schuilkelders en aan de noordkant van de dierentuin verrees een enorme luchtafweergeschuttoren. Het personeel dat het leger in moest, werd vervangen door Franse krijgsgevangenen. Tot in details vertelt Prenger over de vernietiging van de dierentuin tijdens de bombardementen op Berlijn en de beschietingen van Stalins Rode Leger. De mensen in de omgeving maakten elkaar bang voor losgebroken giftige slangen, hongerige krokodillen, door de puinhopen sluipende tijgers en over straten stampende olifanten. In werkelijkheid ontsnapten er naast een dingo, die werd teruggebracht, alleen maar wat kleine dieren als aapjes en vogels. De gevaarlijkste dieren waren bij voorbaat al doodgeschoten. Bovendien had de directeur veel dieren naar dierentuinen elders laten evacueren. In de betere oorlogsjaren zorgde hij trouwens voor de nodige aanwinst door dieren uit dierentuinen in bezet Europa te roven. Volgens een telling overleefden slechts 91 dieren de oorlog, waarvan er verschillenden alsnog door hongerige burgers en soldaten werden geslacht, of stierven vanwege voedselgebrek. Direct na de oorlog gingen - bij gebrek aan mannen - de zogeheten Trümmenfrauen aan de slag om het puin te ruimen, dikwijls met een schort aan en een hoofddoek om. In de dierentuin heerste een rattenplaag, dus eerst werden alle rottende kadavers opgeruimd. Zogenaamde Schalentanten - schillentantes - gingen in de stad langs de deur om aardappelschillen op te halen voor de overgebleven zoo-dieren. Uiteindelijk namen de Britten het bestuur van de wijk Tiergarten en de zoo over.

Knut
Tijdens de Koude Oorlog verrees de dierentuin als een feniks uit zijn as. Zowel Berlijn als de zoo fungeerden als baken van het vrije westen. Amerika gaf een symbolische adelaar cadeau - die het helaas maar twee jaar volhield - Willy, naar de burgemeester en latere kanselier van de Bondsrepubliek Willy Brandt genoemd. “Willy Brandt achter tralies. Hij eet ratten en muizen”, spotte de DDR-pers. India schonk twee keer over een olifant. Om de betrekkingen met het Westen wat op te vijzelen kreeg de zoo in 1980 twee pandaberen van China: ‘Pandadiplomatie’. Waarschijnlijk herinnert iedereen zich het beroemdst geworden dier van de zoo nog wel: Knut, een verstoten ijsbeertje. Per 31 december 2013 telde de dierentuin in totaal 20.365 dieren van 1.504 soorten, waaronder 1.044 zoogdieren van 169 soorten en 2.092 vogels van 319 soorten. Daarmee heeft de Berlijnse Zoo de grootste verzameling diersoorten ter wereld.
In het laatste hoofdstuk beschrijft Prenger summier het lot van andere dierentuinen in oorlogstijd. Naast een uitgebreid bronnenbestand is er kleine dertig bladzijden aan indrukwekkend fotomateriaal aan deze reportage toegevoegd.

Uitgave: Brave New Books – 2015, 103 blz., ISBN 978 940 213 857 3, € 15,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen