Menu

donderdag 19 mei 2016

Lila – Marilynne Robinson


Met een leeskring “Lila”, het derde boek uit de Gilead-trilogie van Marilynne Robinson (Idaho -1943, gescheiden, twee zoons, filosoof, theoloog, professor Creative Writing in Iowa) besproken. Bijna iedereen vond het een moeilijk - geen hoofdstukaanduidingen, veel gedachtesprongen - maar tegelijk hartverscheurend liefdesverhaal. Tussen een jonge, geharde, ongeschoolde zwerfster en een oude, zachtaardige, broze dominee: hoe bijzonder wil je het hebben?! “Lila” deed me denken aan Stine Jensen die tijdens het laatste filmcollege van ‘Film by the Sea', dat over 'onmogelijke liefdes' handelde, zei dat hoe meer mensen verschillen, hoe minder een relatie kans van slagen heeft. "Gilead", het eerste boek van de trilogie ontving de Pulitzer Price, de belangrijkste Amerikaanse literatuurprijs, en de National Book Critics Circle Award. "Home", het tweede boek, kreeg de Orange Prize. Met “Lila” won Robinson trouwens voor de tweede keer de National Book Critics Circle Award. Haar grootste fan is misschien wel president Barack Obama uit wiens handen ze de National Humanities Medal ontving. Is dat allemaal belangrijk? Jazeker, want Marilynne Robinson is een belijdend, calvinistisch christen (ze preekt wel eens in de Congregational United Church of Christ in Iowa waar ze lid van is). Haar boeken hebben een onmiskenbaar christelijk signatuur. En dat terwijl je gerust kunt zeggen dat nergens de seculiere, ongelovige haan zo koning kraait als in de hedendaagse literatuur (zie Philip Roth, Tom Wolfe, Don DeLillo, en bij ons bijvoorbeeld Maarten ’t Hart, Connie Palmen en Arthur Japin). In een prachtig interview in het NRC van 27 november 2015 zegt Robinson dat de geschriften van Calvijn versluierd worden door het calvinistische denken:
“… Die reduceerde hem tot een strenge anti-wereldse denker. Maar wie de moeite neemt hem te lezen, staat verbaasd hoe relevant hij is. Calvijn schreef: wie in zichzelf afdaalt, treft God aan. Waarmee hij de mens heiligt en ook de menselijke verbeelding…”. Het zet me bijna aan tot het lezen van “De Institutie”, zodat ik er eindelijk eens achter kom wat Calvijn nu écht heeft gezegd. En over de rol van kunst: “… Kunst erkent de mensheid. Als mensen zich sterk aangegrepen voelen door muziek, als een toneelstuk of roman ze tot tranen roert, dan is dat omdat ze voelen dat er diep in hen iets wordt onderkend. Iets wat hun wezen raakt. De wetenschap dreigt zulke erkenning uit te sluiten…”.

We kunnen nergens heen, dus waar zullen we eens heen gaan

“Lila”: de tweede, jonge, zwijgzame vrouw van dominee John Amos.
Als meisje van een jaar of vijf wordt ze ontvoerd door een zwerfster, Doll, (naar ‘een beetje gek in je hoofd’) die haar rillend van de kou in het donker aantreft bij het huis waar ze blijkbaar thuishoort. “… Iemand had geroepen: Zorg dat dat wicht haar kop houdt of anders doe ik het! En toen had een ander haar aan haar arm onder tafel uit getrokken, de veranda op geduwd en de deur dichtgedaan…”. Doll tilt haar op en wikkelt haar in een omslagdoek. Een gebeuren dat zich voorgoed in haar geheugen grift: “… Lila sprak nooit met iemand over die tijd. Ze wist dat het een erg droevige indruk zou maken en zo was het niet, niet echt. Doll had haar in haar armen genomen en de omslagdoek om haar heen geslagen…”. Nooit voelde ze zich zo warm en veilig. “… We kunnen nergens heen, dus waar zullen we eens heen gaan?…”, orakelt Doll. Ze draagt het koortsige kind op haar heup door een regenachtig bos naar het huis van een oud vrouwtje dat “Lila” wel een mooie naam voor haar vindt. Samen wassen ze het spichtige meisje en knippen haar hoofd kaal omdat ze onder de neten zit: “… Het water en sop dropen in haar ogen en ze worstelde en schreeuwde zo hard als ze kon. Ze liet hun weten dat ze allebei naar de hel konden lopen. De oude vrouw zei: ‘Daar moet je het een keer met haar over hebben.’ Doll veegde met de zoom van haar schort de zeep en de tranen van het gezicht van het kind. ‘Ik heb nooit de moed gehad om haar op haar donder te geven. Dit zijn zo’n beetje de enige woorden die ik haar ooit heb horen zeggen.’…”. Als de zoon van het omaatje thuiskomt met een echtgenote en er geen werk meer is voor Doll trekken ze verder en sluiten zich aan bij een groep landlopers, die net als de personages in de boeken van John Steinbeck (“De druiven der gramschap”, “Van muizen en mensen”) als dagloners aan de kost proberen te komen. Het is de tijd van de Grote Depressie en de Dust Bowl. Over haar voorkeur voor schooierstypen zegt Robinson in het voornoemde interview: “… Ik ben in mijn personages op zoek naar het ‘essential self’. Wil je een vrouw neerzetten die niet afhangt van haar sociale status en familieleven, dan beland je bij vrouwen die zwerven. Die zelf niet weten waar ze vandaan komen, die niet weten wie hun moeder is noch wat hun plaats is of wat ze in de wereld doen. Ze bepalen zichzelf…”.

Waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren
Voordat Doll ‘een gewoon kind’ van haar maakte ging Lila altijd met haar ogen stijf dicht in een zo’n klein mogelijk rolletje liggen tegen mogelijk gevaar, praatte ze niet en beet ze haar handen stuk. Iedere nacht laat Doll het meisje in de holte van haar lichaam slapen. Ze eet met haar op schoot samen van hetzelfde bord. Met haar ene hand is ze altijd bezig terwijl ze met de andere hand Lila vasthoudt. ‘De koe en haar kalf’, spot de rest van de groep. Doll blijft zelfs een jaar in hetzelfde plaatsje hangen, zodat Lila naar school kan om wat lezen en rekenen te leren. Ze breken op als Doll bang is dat iemand haar heeft herkend – haar gezicht is verminkt door een grote rode moedervlek. Op een dag wordt ze opgepakt nadat ze iemand heeft doodgestoken tijdens een messengevecht – Lila’s vermoedelijke vader? Dan moet Lila alleen verder. Ze werkt in een bordeel – ze is een beroerde hoer – en een hotel. Ze raakt weer aan de zwerf, en uiteindelijk belandt ze in een tochtige, lekkende bouwkeet vlakbij het plaatsje Gilead. Uit eenzaamheid gaat ze de huizen bekijken, vraagt om werk, en loopt tijdens een plensbui de kerk binnen waar een ‘mooie, oude, zilverachtige’ dominee twee kleine baby’s doopt: “… Eéntje droeg een witte jurk die helemaal over zijn arm heen viel en toen het een beetje huilde vanwege het water dat hij op zijn voorhoofdje deed, zei hij: ‘Ik wed dat je de eerste keer dat je geboren werd ook huilde. Dat betekent dat je leeft.’ En de gedachte kwam bij haar op dat ze de tweede keer geboren was, op de nacht dat Doll haar op de veranda opgepakt had, de doek om haar heen geslagen had en haar had meegenomen door de regen…”. Ze steelt een kerkbijbel. Niet omdat ze uit is op geloof, maar ze voelt zich beter als ze zich ergens voor interesseert. Om haar handschrift te verbeteren schaft ze pen en papier aan en schrijft teksten over: ze wil niet als een kluns overkomen. Ze steelt ook nog een trui van de dominee, die zo lekker naar hem ruikt dat ze hem als hoofdkussen gebruikt. Op een ochtend, voor dag en dauw, staat ze op zijn stoep om hem de brandende vraag te stellen waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren. De dominee weet het niet, zegt dat hij daar ook al zijn hele leven over aan het prakkiseren is. Je zou kunnen zeggen dat ze samen op zoek gaan naar een antwoord en dat daaruit één van de meest kwetsbare, aarzelende, intieme, verlegen, eerbiedige, en respectvolle relaties ontstaat waarover ik ooit heb gelezen. De meeste tijd durven ze amper een woord tegen elkaar te zeggen.

Een kind dat iemand zou willen hebben
De dominee schrikt zich rot als hij merkt dat Lila vooral gecharmeerd is door de profeet Ezechiël: bepaald niet het makkelijkste Bijbelboek. Ze kan beter de evangeliën lezen. Maar Lila houdt van de ‘wildheid van dingen’, en van ‘de wildheid van Ezechiël’: “… En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en waart gij niet met water gewassen, toen ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Geen oog had medelijden over u, om een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen, maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart. Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide in uw bloed: ‘Leef, ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!’...”. Doll had tegen haar gezegd: Leef. “… Niet één keer, maar elke keer dat ze voor haar waste en verstelde, haar bemoederde alsof ze een kind was dat iemand zou willen hebben…”. Ezechiël heeft het tenminste over waarom dingen gebeuren: “… Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van dengene, die voorbijgaat. Zo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting den heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer ik over u gerichten in toorn, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal…”. Lila herkent zichzelf en Doll in de woorden 'woestheid' en 'smaadheid'. De mensen moesten hen niet: “… In die dagen had Lila het gevoel gehad dat ze helemaal niets waren, zij met z’n tweeën, maar hier waren ze, precies op deze plek in de Bijbel…”. De dominee zegt dat het belangrijk is dat ze begrijpt dat God van Israël houdt, het volk in deze boeken. Dat hun trouw van invloed is op de geschiedenis van de hele wereld. Dat alles daarvan af hangt. Het zal wel. Misschien had Ezechiël het over een prairiebrand in een jaar van grote droogte: “… Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs…”. Niets is te gek voor Lila: “… En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren: en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens; en elkeen had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen…”. Toen Doll haar met een zwaai had opgetild en meegenomen, had dat het gevoel gegeven alsof ze vleugels had. Lila laat zich dopen, maar ‘ontdoopt’ zich heimelijk weer als ze hoort dat Doll en de andere landlopers naar de hel gaan omdat ze niets met God hebben. Een dilemma waar iedere serieuze christen mee klaar zal moeten komen, denk ik.

Genade
Als de dominee zegt dat hij meer voor haar zou willen betekenen, oppert Lila gedachteloos dat hij dan maar met haar moet trouwen. Dat zal ik doen, antwoordt hij eenvoudig. Voor hij het weet is ze zijn vrouw, kruipt bij hem in bed - alleen als zíj dat wil -, en komt er tot zijn nameloze vreugde een kind. Hij vraagt zich af of Calvijn gelijk heeft dat mensen moeten lijden om de genade te herkennen als die hen ten deel valt, maar dát het zo werkt weet hij wél. De oude Amos blijft bang dat Lila op een dag een jongere man zal tegenkomen bij wie ze liever wil zijn dan bij hem. Hij zou dat begrijpen. En de gedachte aan een vrij zwerversleven blijft in Lila’s hoofd rondspoken, een uitweg die altijd lonkt:
“… Wanneer je je gebrand hebt doet elke aanraking zeer, ongeacht of die aardig bedoeld is…”. Maar voorlopig – voorlopig is alles goed zo.
Je kunt honderd psychologieboeken lezen over aantrekkingskracht en hechtingsproblemen, en dat héb ik gedaan; je kunt ook “Lila” lezen…

Uitgave: De Arbeiderspers – 2015, vertaling Janine van der Kooij, 272 blz., ISBN 978 902 953 874 9, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen