Menu

dinsdag 12 juli 2016

Moedervlekken – Arnon Grunberg


Na “Ik kom terug” van Adriaan van Dis en “Magdalena” van Maarten ’t Hart de derde aangekondigde moederroman. Arnon Grunberg. Van Dis en ’t Hart zijn fantastische schrijvers, maar Grunberg slaat echt álles, vind ik persoonlijk. “Moedervlekken” is een boek waarin het allemaal naast elkaar bestaat: menselijkheid en absurditeit, slapstick en tragiek, tederheid en onverschilligheid, opofferingsvermogen en obsceniteit, humor en verdriet, liefde en eenzaamheid, warmte en wanhoop, mededogen en tevergeefsheid, overlevingsdrift en doodswensen. Aan het woord is Kadoke, een ‘grensoverschrijdende’ psychiater die niet meer gelooft in de psychiatrie. Welkom op het slachtveld dat leven heet.

Kolonialisme

Kadoke, een bedaarde veertiger, gescheiden, gelukkig geen kinderen, meestal genoeg hebbend aan zijn sigaret en werkzaam als ambulante hulpverlener in de suïcidepreventie – wat het verhaal verrassend actueel maakt (zie de verontrustende nieuwsberichten over het naar recordhoogte gestegen aantal zelfmoorden van de laatste tijd): “… het hopeloze geval waarop hij veelal stuit, brengt hopeloos werk met zich mee - , maar daar heeft hij zich bij neergelegd. De menselijke waardigheid schuilt in de volharding waarmee het hopeloze werk wordt verricht…”. En met een link naar de gebruikelijke clichés over dat je lichamelijke aandoeningen tenminste kunt zien terwijl geestelijke pijn verborgen blijft: “… Een botbreuk kun je genezen, leukemie in sommige gevallen, maar wie doet wat Kadoke doet, weet wat er te verwachten valt; hij stabiliseert. Meer dan dat zit er dikwijls niet in. En zelfs stabiliseren lukt niet altijd…”. Keurig volgens het boekje der moderne Nederlandse letterkunde penetreert hij al in het derde van de in totaal zesentwintig hoofdstukken in alle geuren en kleuren, een - in dit geval – buitenlands meisje, wat vaag een bel bij hem doet luiden die herinnert aan ‘kolonialisme’. En wel in de badkamer van zijn ouderlijk huis. Terwijl zijn bejaarde moeder, een Joodse kampoverlever, met een bloedend been voor de deur staat te schreeuwen. In zijn blootje en met zijn condoom nog om buigt hij zich over haar heen. Eigenaardig genoeg zijgt la mama niet naar adem happend ineen, valt niet flauw, belandt niet in shock, nee; in haar ogen ontmoet hij enkel ‘overweldigende jaloezie’: “… Wat deed je met dat meisje. Je weet dat ze van mij is…”. Toch lag seks totaal niet in de bedoeling. Kadoke was even van het padje af, waarschijnlijk bevangen door de hitte en doordat de engel van een au pair annex bejaardenverzorgster (“… Er was voor haar geen toekomst in Nepal. Voor wie wel? … In Nepal was ze begonnen aan een opleiding tot verpleegkundige maar het Westen riep, of misschien moet je het anders zeggen. De armoede riep: ‘Ga weg’…”) toevallig net gedoucht en enkel gehuld in een oude badhanddoek - dus als het ware voor het grijpen - door het huis liep. En bij Grunberg draaien alle banale situaties ook altijd minstens een kwartslag: de volgende dag wordt Kadoke opgewacht door het vriendje van de au pair die hem compleet in elkaar slaat. Met opgeheven hoofd en doof voor zijn lokroep wat betreft geldige paspoorten, loopt het illegale stel trots zijn leven uit, om nooit meer terug te keren. Hoe moet dat nu met moeder?

Waarheid
In de wachtkamer van de eerste hulp post rationaliseert Kadoke zijn bestaan, zijn professie, en de zorg in het algemeen en tot in het oneindige, terwijl hij lijdzaam de dwingende protocollen van een ongeïnteresseerde arts in opleiding (“… Je moet afstand bewaren tot de patiënt maar de patiënt moet er op kunnen vertrouwen dat hij zijn leven in handen legt van iemand voor wie dat leven ook enige waarde heeft…”) en een maatschappelijk werker (“… ‘Zijn er dingen die ik zou moeten weten?’ vraagt de maatschappelijk werker. ‘Is er iets wat u me wilt vertellen?’ Kadoke kijkt naar het plafond, er zijn scheuren zichtbaar. ‘Dat de geestelijke gezondheidszorg in Nederland op een moreel en praktisch faillissement afstevent. Ik zou als ik u was een ander beroep kiezen.’…”) ondergaat. Kadoke veroordeelt zijn eigen harteloosheid evenzeer, maar “… Wie dagelijks met het lijden van anderen wordt geconfronteerd, of beter gezegd: wie dagelijks met de doodswens van anderen wordt geconfronteerd, moet hard worden, een zekere ongevoeligheid ontwikkelen om niet mee te worden gesleurd in andermans wanhoop. Daarbij zou hij het narcisme van de hulpverlener nooit willen onderschatten. Als er iets is wat de hulpverlener onder ogen dient te zien is het zijn onvermogen, zijn eigen machteloosheid. Hij moet begrijpen dat hij niet veel kan doen, dat hij de situatie door zijn aanwezigheid soms erger maakt in plaats van beter, dat hij zich dan terug moet trekken en de narcistische wens om te helpen moet leren onderdrukken…”. De patiënt heeft niet alleen de psychiater nodig, de psychiater ook de patiënt. Omgekeerde hulpbehoevendheid: “… Kadoke drijft op het noodgeval. De crisisdienst is meer dan zijn werkgever, de crisisdienst is een aanzienlijk deel van zijn leven; in andermans crisis vindt hij zijn bestaansrecht…”. Volgens Kadoke creëert iedere beroepsgroep zijn eigen perpetuum mobile: “… Is dat niet de kern van de psychiatrie, dat de patiënt verleid moet worden tot leven, al was het maar dat psychiaters anders overbodig zouden worden?...” – een thema dat me gelijk aan “Winter in Gloster Huis” van Vonne van der Meer doet denken, al verzon zij heel wat verhevener doelen. Over de vraag waarom Kadoke psychiater is geworden onder andere: “… Omdat de ziekte ons dichter bij de waarheid brengt, omdat de ziekte in sommige gevallen misschien de waarheid is…”. Gekken en dronkaards… Maar waarom moeten patiënten dan genezen? “… Ze moeten niet, ze mógen, of in elk geval in theorie. Omdat de waarheid van de ziekte onleefbaar is, in veel gevallen…”, en even verder: “… Het is geen individueel vraagstuk, het is een maatschappelijke kwestie. De maatschappij kan zich zelfmoord niet veroorloven. Stel je voor, als suïcide gewoon zou worden, dat zou subversief zijn, het diepste wezen van de maatschappij aantasten, het zou alles ontregelen. Het zou ons ontregelen…”. En over ‘het vieze geheimpje van veel depressies’: “… Eigenlijk is er een ander die gepijnigd en gestraft moet worden, maar omdat die ander onvindbaar is of omdat men beschaafd genoeg is om de ander met rust te laten, straft men zichzelf…”.

De geruststellende zekerheid van de ondergang
Zolang hij geen andere bejaardenverzorgster vindt besluit Kadoke bij zijn geadoreerde moeder in te trekken. Er komt een sollicitant, maar voor hij het kan tegen houden helpt ze moeder naar de wc, waarop ze gillend het huis uit rent. Grunberg in de bocht: moeder heeft een piemel! En dan is daar weer die schrijnende kanteling. Vader belandde na het sterven van zijn vrouw in een zware depressie die hij, tot opluchting van alle betrokken deskundigen, alleen maar bleek te kunnen overwinnen door middel van een verrassend creatieve oplossing. Langzaam maar zeker ‘werd’ hij moeder. “… Ook merkwaardige genezingen blijven genezingen...”. Moeder weigert echter vierkant door haar zoon gewassen te worden, dus gaat deze op zoek naar zijn ex-vrouw die hij, inmiddels hoogzwanger van haar tweede echtgenoot, in een synagoge vindt. Als moeder halverwege de trap naar de douche niet meer kan, gaat ze er onder het toeziend oog van het bakkeleiende ex-stel (“… De laatste maanden van zijn huwelijk verlangde hij naar zijn patiënten, omdat hij bij hen even tot rust kwam. Zij boden hem de geruststellende zekerheid van de ondergang…”) bij zitten. Echter: “… Voordat moeder omhoog kan worden gehesen komt ze zelf in actie. Ze draait zich om en op handen en knieën klimt ze zonder al te veel zichtbare moeite naar boven, alsof ze een jong hondje is dat het traplopen nog niet onder de knie heeft. Maar ook als ze boven is staat ze niet op, ze blijft op handen en knieën lopen. ‘Moeder, je bent geen hond,’ zegt Kadoke. ‘Kom overeind, het is genoeg geweest.’ Moeder kruipt op handen en knieën in de richting van haar bed. ‘Mevrouw Kadoke,’ zegt de ex, en ze hurkt naast moeder neer. ‘Vindt u het prettig om op handen en knieën door uw eigen huis te lopen?’ ‘Ja,’ zegt moeder, ‘dat vind ik heel prettig, ik had er eerder mee moeten beginnen.’ ‘Uw zoon wordt er zenuwachtig van. Hij vindt het niet fijn als u zo door uw huis loopt. Hij wil graag dat u op twee benen door de kamers wandelt. Kunt u dat begrijpen?’ ‘Mijn zoon,’ zegt moeder, en Kadoke hoort hoe honend haar stem klinkt, ‘hij is zo conventioneel. Hij is saai. Ik kan me niet voorstellen dat ik zo’n saai iemand op de wereld heb gezet, want zelf ben ik helemaal niet saai.’ Ze doet als een hond nog een paar passen, en als ze bij het bureau is aangekomen waaraan ze s’ ochtends haar ontbijt verorbert, lijkt het alsof moeder haar achterpoot omhoog doet om tegen het bureau te plassen. Maar misschien is dat iets dat Kadoke zich verbeeldt…”. Ik heb me tranen gelachen om dit vreselijke boek.

Misstap
Kadoke beschouwt zich vol tevredenheid als een veteraan in de psychiatrie (“… Je moet zelf een beetje een noodgeval zijn om de echte noodgevallen te kunnen herkennen…”), maar er passeert genoeg om vraagtekens bij te zetten. Tijdens de wekelijkse casuïstiek, waar alle noodgevallen met collega’s worden doorgesproken, twijfelt men openlijk aan zijn deskundigheid. Hij heeft een gedwongen opname geweigerd van een man die drie dagen later toch zelfmoord pleegt. Kadokes’ verweer: hij heeft nu eenmaal geen glazen bol. Zijn beoordelingen hangen af van ervaring en intuïtie, en zijn dus eigenlijk natte vingerwerk (wat psycholoog Léonie Holtes ook al zeer ongemakkelijk toegeeft in “Ervaring niet vereist”). Er zit een ‘schepseltje’ van veertien - “… het is waar, ze beginnen vroeg met suïcide. Ze beginnen met alles eerder…” - op het politiebureau. Gevonden met een overdosis pillen in een park. Ze hoort stemmen die boos op haar worden als ze de opdrachten die ze haar geven niet uitvoert. Kadoke weet heel goed dat als iemand op zo’n jonge leeftijd interne behandelingen ondergaat, waarschijnlijk altijd een borderliner zal blijven, die de psychiatrie nooit meer uit komt. Ze wil niemand spreken, ook haar ontredderde vader niet, die al zes uur op haar zit te wachten in de gang. Hij smeekt Kadoke om uitleg. Maar dat is zijn taak niet. Kadoke laat hem in zijn sop gaar koken. Hij is er voor de patiënt, niet om het handje van een papa vast te houden. Dat heet: professionaliteit.
“… De ziekte vernietigt zelden alleen de patiënt, maar dikwijls ook de omgeving…”.
En dan is er nog een hoogfunctionerende jongedame (fotograaf) van eind twintig, Michette, die hij juist wél laat opnemen, zelfs onder politiebegeleiding, omdat ze automutileert. Een tijdje later blijkt de kliniek haar stante pede te hebben ontslagen. Ze snijdt zichzelf en drinkt bleekwater en andere schoonmaakmiddelen omdat ze juist gek wordt in een inrichting. Dan loopt het uit de hand: Kadoke besluit haar op te zoeken om uit te leggen waarom hij haar verkeerd heeft ingeschat. Michette heeft al zoveel hulpverleners en behandelplannen gezien dat ze feilloos in de gaten heeft dat hij daarmee alle regels met voeten treedt. Ze ontfutselt hem zijn telefoonnnummer, en als ze op een zeker moment belt dat het echt niet meer lukt, begaat Kadoke zijn zoveelste misstap. Hij neemt haar mee naar huis om voor zijn moeder te zorgen. De vrouwen doen in eerste instantie nog het meest denken aan twee blazende katten die aan elkaar moeten wennen, maar uiteindelijk verdraagt de een de ander wonderwel. Ze houden elkaar overeind. Ze zijn elkaars reden om te leven. Het gaat zelfs zo goed dat ze, op het nogal abrupte eind van de roman, Kadoke min of meer overbodig maken: therapie geslaagd zou je kunnen zeggen.

God wakker roepen
Ik waardeer Grunberg vooral vanwege zijn oeverloze gefilosofeer. Camus zei het al: “… Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden…”. Als je in niets of niemand gelooft, waarom zou je er dan geen punt achter zetten als het tegen zit? En soms, à la Grunberg, zelfs heel érg tegen zit? Kadoke: “… Wanneer is het leven niet meer leefbaar? Ik geloof niet dat je als mens op dat soort vragen antwoord moet willen geven. Wij leven niet omdat het leven leefbaar is. Wij leven ondanks het vermoeden dat het niet leefbaar is. Je leeft niet dankzij iets, je leeft ondanks iets…”. En bovendien: “… Ieder mens heeft een lijdende kern…”. Of gelooft Kadoke toch nog ergens in? De rabbijn is zijn moeder vergeten of misschien kan hij niet accepteren dat ze verandert is van een man in een vrouw. Zijn moeder noemt hem een ‘kotsmiddel’, maar zou wel graag willen dat er op Rosj Hosjana (Joods Nieuwjaar) voor haar op de sjofar (ramshoorn) wordt gespeeld: om God wakker te roepen. Als vervanging neemt Kadoke Michette, een menselijke ramshoorn, mee voor haar. Wat een metafoor. “… Zoals een kat een vogel voor zijn baasje heeft gevangen en op het tapijt achterlaat, zo brengt hij een noodgeval voor zijn moeder mee…”. Ze wordt haar ‘mitswe’. Weet Kadoke hoe je moet leven? “… Nee dat weet hij niet. Kadoke weet hoe je niet moet sterven en dat is misschien genoeg. Genoeg voor nu, genoeg voor Michette…”.
En toch blijft Grunberg mij met al zijn diepgang het gevoel geven dat hij maar wat aan zwetst - al moet ik ook verschrikkelijk om hem lachen. Het is alsof hij duidelijk wil hebben dat het geen fluit uitmaakt welke draai je geeft aan de verhalen over gebeurtenissen, gevoelens, gedachten, gedragingen en gevolgen. Het kan net zo goed helemaal anders zijn. Waarheid bestaat niet. Als dat verhaal er maar komt. Even serieus Grunberg: dan blijf je wel met lege handen achter…

Uitgave: Lebowski – 2016, 400 blz., ISBN 978 904 881 913 3, € 22,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen