Michel Krielaars haalt in “Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga” (zie mijn vorige blog) queerschrijfster en feministe Oksana Vasjakina (1989) aan. In “Wond” gaat het onder andere over ‘het grote zwijgen’ in Stalins Sovjet-Unie. Niemand vertrouwde elkaar. De pijn en boosheid die niet mochten worden geuit, werkten door in de volgende generaties. Rusland is een getraumatiseerd land, aldus Vasjakina: “… Op een bepaalde manier waren we allemaal verwond en ervoeren het leven als ondraaglijk…”. “Wond” is een deels autobiografisch verhaal over een jonge vrouw die een rituele reis door Rusland maakt om de as van haar overleden moeder terug te brengen naar haar geboortestreek in Siberië, waar de urn wordt begraven. Vasjakina verweeft verschillende genres: jeugdherinneringen, notities, gedachten, gedichten, essays, brieven en dagboekaantekeningen. Met behulp van haar fantasie probeert ze in het hoofd van haar stervende moeder te kruipen, te voelen wat zij voelt. Naast rouw is ook de ontdekking van haar lesbische identiteit een groot thema. Juist daarom mag haar boek in Rusland officieel niet verkocht worden. Met alle gekte die daarbij komt kijken, en een moeder die de mentale worstelingen van haar dochter niet begrijpt, deed “Wond” me enigszins denken aan “De glazen stolp” van Sylvia Plath.
Het Westen
In Rusland bestaan allerlei rituelen rond een overlijden. Vasjakina vertelt dat de vroegere buurvrouw haar moeder een maand lang wijwater heeft laten drinken: drie eetlepels met een gebed in de ochtend en drie eetlepels met een gebed in de avond. Er kwam een priester opdagen om haar biecht aan te horen, ook al had ze niets met de orthodoxe kerk. Mensen zeggen dat het een goed voorteken is als het regent wanneer iemand wordt begraven: dan huilt de natuur. De vriend van haar moeder beweert dat je niets mag weggooien van een rouwmaaltijd en dat je alleen met een lepel mag eten. Er wordt iemand geregeld die Vasjakina over de grauwe steppe naar een crematorium rijdt om de as van haar moeder op te halen. De man achter het stuur begint direct te foeteren: “… waar zijn ze daar in het Westen nou eigenlijk mee bezig, vroeg hij. Een beetje lopen dansen in rare glimmende broekjes, die flikkers, maar wat doen ze als het oorlog wordt? Ja, wat nou als het oorlog wordt? Seksuele voorlichting, wat een pervers gedoe, zei-ie. Een kind moet op de kleuterschool leren hoe je een kalasjnikov vasthoudt…”. Hij zegt dat hij met een Duitse vriend heeft geskypet die zeker weet dat er een derde wereldoorlog aan zit te komen (maar zij hebben atoomwapens). “… Zelf gaat hij zijn kleinzoon leren hoe je een automatisch geweer uit elkaar haalt en weer in elkaar zet, dan weet die jongen tenminste hoe dat moet. Dat is wat je nodig hebt, die viezerikken in Amerika kunnen als ze drie zijn niks anders dan een condoom vasthouden. Maar onze kindertjes, die kunnen een mitrailleur vasthouden vóór ze uit de luiers zijn. En als de oorlog begint, zal iedereen het vaderland verdedigen, jong en oud, iedereen verdedigt het vaderland. Een wip maken kan iedereen, daar heb je niet veel verstand voor nodig, maar liefde voor het vaderland – dat is een serieuze zaak…”. Vasjakina vraagt of hij alstublieft zijn mond wil houden. Ze gaan wél de as van haar moeder ophalen. Eerbiedig zwijgen is op zijn plaats.
Zij is mijn wond
Ze herinnert zich hoe ze als tienjarige met haar moeder bijna een hele week in een derdeklas-slaapwagon door Rusland reisde en dat ze bijna stikten van het lachen om een coupégenoot die luid lag te snurken op de bovenste slaapplaats: “… het zorgde voor een soort extatische toenadering tot mijn moeder…”. Die was meestal ver te zoeken. Het doet me denken aan Dirk de Wachter, die als psychiater op zoek gaat naar de ‘hechtingspunten’ in iemands leven, onder de lagen van lastigheid en ongemak’: “… ‘Under fifteen feet of pure white snow’, zou Nick Cave zeggen’…” (zie: “Wachten. Een levenshouding”). Haar moeder is overleden aan kanker: “… Een jaar lang wachten op de dood – dat is wachten op verdriet en opluchting tegelijkertijd. Een jaar wachten op de dood - dat is lang en pijnlijk…”. Haar moeder wilde niet praten. Ze keek zwijgend tv met nietsziende ogen. “… Zij is mijn wond, onlosmakelijk met mij verbonden…”
Bijgeloof
Een nicht denkt serieus dat de vrouwen in hun familie vervloekt zijn. Ze zijn allemaal mooi, maar niet gelukkig. Stuk voor stuk zitten ze opgescheept met mannen die zuipen, hen mishandelen, en vreemdgaan. Oksana Vasjakina heeft het idee dat haar nicht denkt dat zij aan de vloek probeert te ontkomen: “… Ik ben immers lesbisch en dat betekent dat ik geen vrouw ben, ik ben een soortement half man of half vrouw, of half kind. Of half mens…”. De moeder van Vasjakina mag dan niet gelovig zijn, ze is wel bijzonder bijgelovig. Een tante neemt een foto van haar mee naar een helderziende, diep in de provincie. “… Die bekeek de foto en was meteen compleet van slag. Ze zei dat mijn moeder meer dan één keer vervloekt was. Haar armen en benen waren in zoveel zwarte draden gewikkeld dat het leek of ze in rook was gehuld. Ze zag er zwart uit en zou spoedig sterven…”. Er is helemaal geen vloek – het zijn de armoede, het slechte milieu, de alcohol en het slechte leefpatroon, aldus Vasjakina. Maar in werkelijkheid is ze zelf ook doodsbang: “… Het voelt alsof die zware, zwarte smet ook op mijn leven drukt…”. Ze denkt dat allerlei vogels haar boodschappen overbrengen “… Iets heel ouds, iets van het platteland komt in mij naar boven als er vogels in de buurt zijn…” (zie ook: “Het vogelhuis” van Eva Meijer). Alle versies van haar moeder over het ontstaan van kanker zijn nogal esoterisch: “… Zo zei ze bijvoorbeeld dat iemand haar met kanker had besmet. Ze probeerde zich met soda en Joost mag weten wat voor kruiden van een vriendin uit Siberië te genezen. Ze had zelfs het idee gehad naar een sjamaan af te reizen, maar die nam haar niet aan als patiënt, met als reden dat hij mensen die een operatie hadden ondergaan niet kon genezen…”. Als Vasjakina haar moeder vertelt dat ze niet met een vriendin maar met een geliefde samenwoont, vraagt haar moeder wie haar met het boze oog heeft behekst. “… Ik kon me er niet toe brengen eenvoudigweg te zeggen dat je niet gedwongen wordt lesbisch te zijn. Dus zei ik maar dat ik met een vrouw samenleefde omdat ik met mannen geen geluk in de liefde had. Ik schaam me er nog voor. Dat was erg laf van me…”.
Lesbisch
Ze heeft nog altijd spijt dat haar moeder nooit van haar gehoord heeft dat ze niet lesbisch is geworden omdat mannen niet van haar houden, maar omdat ze van vrouwen houdt - en dat volgens haar altijd gedaan heeft. “… Mijn vriendinnen waren allemaal geen vriendinnen in de gebruikelijke betekenis van het woord. Ik koesterde bepaalde gevoelens voor ze…”. Pas veel later begrijpt ze dat dat bij anderen niet zo is. “… Ik voelde verdriet als mijn vriendinnen vriendjes kregen, een doffe pijn waar ik geen woorden voor kon vinden. Ik brandde van jaloezie en werd verscheurd door een gevoel van onrechtvaardigheid…”. Even verder: “… Ik had romances met jongens en mannen die niets te betekenen hadden, want ik koesterde geen gevoelens voor ze…”. Hun harde lijven stoten haar af. ’s Nachts ligt ze in bed te huilen omdat ze niet weet wat ze met haar stomme verkeringen aan moet, maar ze gaat er toch mee door, omdat dat nu eenmaal normaal is. Terwijl ze de lichamen van haar vriendinnen in stilte aanbidt, iets wat ze niet aan zichzelf kan toegeven. Hun vriendschap is niet te vergelijken met haar passie. “… De kloof van mijn onbevredigde gevoelens werd almaar dieper…”. Na een reeks ingewikkelde en ongezonde relaties beseft ze op een zeker moment dat als ze van zichzelf niet accepteert dat ze een lesbienne is, ze haar hele verdere leven diepongelukkig zal blijven. “… Ook daarvoor was ik een lesbienne geweest, maar één die de weg kwijt was. Iemand die dacht iedereen, zichzelf incluis, om de tuin te kunnen leiden…”. Ze verwijst naar het Zweedse spreekwoord ‘achter de berg ligt nog een berg’. “… Toen ik besefte dat ik lesbisch was, zag ik een berg voor me die stukken hoger was dan de bergen die ik eerder bedwongen had…”. Hoe leer je met een vrouw samen te leven, elkaar te begrijpen in het dagelijks leven? Met mannen heb je de geijkte rolmodellen van een gezin voor ogen. “… Maar met vrouwen liep ik altijd tegen het levensgrote probleem aan dat je nergens een lesbische manier van leven voorgeschoteld krijgt…”. En hoe ga je om met de buitenwereld? Op een feestje doet haar eerste partner net alsof ze elkaar niet kennen. De relaties in haar studententijd aan het literatuurinstituut mislukken keer op keer: “… Ik dacht dat ik een verdorven, gebroken type was met een gebrekkig ontwikkeld gevoel zonder ervaring met het leven…”.
Een echte vrouw
Over haar moeder: “… Mama was een echte vrouw. Een vrouw in het kwadraat. Een vrouwelijke vrouw. EEN VROUW….”. Hoe moet je je als dochter sowieso verhouden met zo een perfect wezen? De borstamputatie van haar moeder doet haar denken aan de kunstwerken van de heilige Agatha, die een dienblad met haar afgesneden borsten vasthoudt. Zie Donna Tartt in “ De verborgen geschiedenis”: ‘Beauty is terror’. “… De afbeeldingen zijn even afschuwelijk als onweerstaanbaar. Als je iets verschrikkelijks ziet dan kun je je ogen er niet van afhouden. Je moet wel kijken en ervaart tegelijkertijd een groeiende fysieke afkeer…”. Zelfs oog in oog met de dood wil haar moeder haar drie kilo zware siliconenborstprothese omdoen voordat de dokter komt. “… Omdat het in Volsjski heel warm was kon ze geen pruik verdragen en droeg ze alleen een hoofddoek om haar kale hoofd. Ze zag eruit als een waarzegster, een piraat of een olifantendompteur. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat de amazones zichzelf een borst afsneden om gemakkelijker hun wapenriem over hun schouder te kunnen dragen. Maar mama was geen amazone; zij was een vrouwelijke vrouw, die zich schaamde voor haar ziekte, die zich schaamde dat ze de belangrijkste attributen van een vrouw kwijt was: haar haar en haar borst…”. Haar moeder sterft op 18 februari, de dag van Sint Agatha. “… Zij wordt op Sicilië vereerd vanwege haar vermogen vuur te weren. Bij een uitbarsting van de Etna droeg men haar relikwieën naar buiten en de bevolking werd gespaard. Ik heb mijn moeder twee dagen na haar dood laten cremeren…”.
Onzinnige gedachten
De periode vóór de dood van haar moeder raakt Vasjakina geobsedeerd door de gedachte dat iedere minuut in haar nabijheid kostbaar en belangrijk is en de mogelijkheid biedt om haar iets te zeggen, iets van haar te horen of gewoon in de buurt te zijn en haar gevoelens te tonen. In plaats daarvan zwijgen ze en kijken ze naar stomme misdaadseries. Ze heeft niet in de gaten dat haar wegkwijnende moeder het al moeilijk genoeg heeft om er nog een beetje te ‘zijn’. Ze gaat naar een boekhandel omdat ze denkt dat boeken kunnen helpen dingen te verwerken. Ze komt thuis met “Het steile pad” van Jevgina Ginzburg en “Kankerpaviljoen” van Alexander Solzjenitsyn, schrijvers waar Michel Krielaars het ook over heeft – zie mijn vorige blog. “… Wie zei dat lectuur vlak voor de dood makkelijk of hoopgevend moet zijn? Moet je überhaupt lezen vlak voor de dood? Wat is de zin van boeken lezen op dat moment? Ik stelde me voor dat het niet mijn moeder was die doodging, maar ikzelf. Wat zou ik dan willen lezen? Zou ik ertoe in staat zijn, of zou ik een vriend of familielid vragen me hardop voor te lezen? Waarom krijg ik zulke onzinnige gedachten?...”.
Een vrouw in een lastig parket
Ze schrijft dat hoe moeder treintickets vervalste waarvoor ze op haar werk een reisvergoeding kreeg: “… Mijn moeder was geen oplichtster, gewoon een vrouw in een lastig parket. Een alleenstaande moeder die te veel dronk, met een vent die van haar centen leefde. Alles wat ze kocht moest gebruikt worden, al het eten dat ze klaarmaakte moest opgegeten. Ik schaam me nog steeds wanneer ik iets niet opeet en dagenlang in de koelkast laat staan, terwijl ik alweer iets nieuws, iets anders zit te eten…”. Ze vertelt over de mannen met wie haar moeder leefde en een kwelling voor haar waren. Ze brachten haar zwaar aan de drank. Ze herinnert zich dat haar moeder opmerkte dat bloemen sterker ruiken wanneer er ruzie wordt gemaakt: “… De plant voedt zich met kwade energie, zei ze…”. Ze heeft het ook over de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang die in “De vegetariër” stelt dat je een plant moet worden.
Wachten
Vasjakina ervaart het wachten heel anders dan Dirk De Wachter: zie mijn blog over “Wachten. Een levenshouding”. “… Op iets wachten betekent dat de tijd je van je stuk brengt, vanbinnen aan je vreet, innerlijke ruimte biedt aan angst en onrust. Maar hoe wacht je de dood af? Wat is de innerlijke monoloog van een stervende?...”. De lange, logge, stroperige tijd kan oneindig lang duren. “… Komt er ooit een eind aan? Als de dood intreedt, dan is het voorbij. Iedere grens is de dood, je beurt afwachten voor de kassa in de supermarkt, het wachten op een pakje, het wachten op een vriendin die te laat is…”. Het flatje van haar moeder is zo klein dat haar lief in de keuken slaapt “… met zijn benen tegen de wasmachine en zijn hoofd tegen een kastdeur…”. Vajakina slaapt zelf bij haar moeder op een slaapbank in de woonkamer, met haar hoofd aan haar voeteneinde. Ze probeert te beschrijven hoe dat voelt maar ze is “… met stomheid geslagen…”. Ze moet zichzelf dwingen te beseffen wat er gebeurt: “… Ik voelde niets, net als je verhemelte na de prik bij de tandarts. In gedachten betastte ik mezelf en praatte tegen mezelf als door dik melkglas…”.
Tomeloze onbeantwoorde liefde
Tussendoor schrijft Vasjakina over de dichteres Anna Barkova, die tijdens haar verbanning de liefde voor een medegevangene zo sterk ervoer dat de donkere gevangenisbarak erdoor werd verlicht: “… Het geheugen wijzigt de kleur, het licht en de geur van de ruimte…”. Het is hartverscheurend als ze schrijft dat haar moeder niet van haar hield: “… Terwijl ik haar verafgoodde met alle vezels in mijn lijf. Maar mettertijd ging die liefde over in doffe pijn en gekrenktheid die heel diep zaten. Temeer omdat ze wel van mannen kon en wilde houden, maar niet van mij…”. Ze was de enige die ze had, haar vader overleed aan aids na lang aan heroīne verslaafd te zijn geweest. Ze heeft het over de koude blik van haar moeder: “… Een paar dagen voor haar dood hadden we een gesprek. Ze keek dwars door me heen, haar blik was als het ware niet op mij, maar op alles om ons heen gericht, alsof ik onderdeel van het meubilair was, een krukje of een televisiemeubel…”. Haar lief mag nog tien jaar in haar flat wonen. “… Ze twijfelde er kennelijk niet aan dat ik, net als onkruid, overal wel zou overleven. Maar die hulpeloze kerel van haar zou het zonder haar postume zorg niet redden. Typisch mijn moeder. Ze koos voor haar mannen, niet voor mij…”. Het maakt Vasjakina dodelijk jaloers, verbitterd en boos: “… Zij was van mij en toch behoorde ze mij niet toe…”. Geen hechting. Geen verbinding. Ze heeft het over haar eigen eeuwige narcistische gedraai, waarmee ze in haar eenzaamheid zichzelf probeert te vinden, hopend dat de leegte een tikkeltje minder wordt. Vasjakina: “… Na haar dood jubelde ik vanbinnen. Mama was nu van mij…”. Ze kan met haar lichaam doen wat ze wil. Ze kan haar de woorden in de mond leggen die ze zelf kiest. Wanneer ze met de urn naar haar appartement in Moskou reist, duikt het enorme Moederland-standbeeld achter de heuvels op. Haar moeder was een trotse vrouw, schrijft ze. Even sterk als ongelukkig. Een koningin. Een tsaritsa.
Genderhemel
In de lesboscene in Moskou accepteren de verschillende types elkaar nauwelijks. Androgyne ‘dykes’ worden erg gewaardeerd. Feminiene mesjes, ‘femmes’, worden met een zeker dedain bekeken. Maar over masculiene vrouwen, ‘butches’, wordt ronduit denigrerend gedaan. Ze zouden mannen imiteren en vechten op feestjes. De tweede golf feministes strijdt voor ‘oervrouwelijkheid’. Butches zouden ‘agentes van het patriarchaat’ zijn: “… Hoewel die essentialistische visie vrouwen vrouwelijkheid opdringt en hun het recht andere gedragsvarianten te vertonen onthoudt…”. Geen ‘regenboog’ te zien: “… alles wat de radicale uitersten van het genderspectrum benaderde was eng en werd afgekeurd. Met beide benen terug op de grond uit de hemel van de gendertheorie, kan ik zeggen dat masculiene vrouwen de feministen nog meer angst aanjoegen dan mannen…”. Vasjakina valt juist op dit soort. Over de blik van een van hen: “… Een monsterende blik, een blik waaronder ik me kon ontspannen en me blootgeven, alsof ik mijn pantser kon afwerpen en mijn zachte kant tonen, me geheel aan haar onderwerpen. Haar blik was de sleutel die mij opende…”.
Matrix
Pas als ze dat over zichzelf heeft geleerd, ontmoet ze haar grote liefde, die ze later definieert als haar ‘steun en toeverlaat’: “… Alina was een paar jaar jonger dan ik, maar ik voelde aan dat zij iets had waar ik altijd dol op was geweest maar wat ik zelf niet voldoende had. Zij was autonoom, ze had haar eigen mening en gaf die niet op. Maar het punt was niet hoe ze zich gedroeg – ik zag dat haar blik de ruimte veranderde in een warme, veilige plek. In die ruimte kon ik lang verblijven zonder ergens aan te denken…”. Vasjakina heeft het vaak over de onveilige ‘matrix’ rond haar moeder. Met de matrix bedoelt ze iets als de warmte van een ‘thuis’, denk ik, waar je onvoorwaardelijk kunt zijn zoals je bent. Waar je niet op je qui-vive hoeft te zijn. Als haar moeder wanneer ze moest werken haar als kleuter bij haar vader achterliet werd het een chaos: “… Mijn moeder was de matrix, zij structureerde tijd en ruimte. Mijn vader voerde me plakkerige macaroni en zijn vrienden hingen rond in onze flat. Hij bracht me niet naar de kleuterschool, ik was helemaal alleen. Op tv kon ik maar twee zenders kijken, waar niets op te zien was wat ik interessant vond, Ik moest het als vijfjarige zelf maar uitzoeken…”. Even verder: “… Ik zou veel dingen willen vergeten – het geweld, mijn gevoel van vervreemding, de armoede…”. Alina biedt die matrix wel: “… Alina’s donkere, grote, warme ogen keken mij aan en ik kwam tot rust als zij in de buurt was…”. Vasjakina: … De dood van een vrouw verwoest de wereld van de mensen om haar heen. Die wereld schrompelt ineen…”. De dood van een vrouw, zelfs van een hardvochtige vrouw, is anders dan de dood van een man: “… Een vrouw is degene die je wereld omsluit en waarborgt. Zij is degene die je de toekomst geeft en voor jou een plek bewaart in het verleden. Zij is het uitgangspunt van je ervaringen en de interpretatie ervan. Toen zij dood was, stond ik ineens naakt op de weg…”. Even verder: “… Een vrouw is niet te scheiden van de ruimte…” en “… Als een vrouw doodgaat implodeert de ruimte…”.
Depressief
Af en toe blijkt dat ze veel last heeft van depressies. Ze komt tijden niet buiten. Ze kan nauwelijks van de kamer naar de keuken lopen om haar notebook te pakken: “… De artsen bedachten het ene na het andere medicatieplan voor me, maar geen ervan sloeg aan. Door al die pillen ging het alleen maar slechter. Ik werkte op afstand…”. Even verder: “… Er liggen zoveel dingen in het verleden, dat ik het gevoel heb dat ik door een gaas naar de wereld kijk. Die dingen zijn als een net over mijn hoofd gegooid…”. Op een gegeven moment denkt ze dat iedereen gedichten kan schrijven, behalve zij: “… Gedichten schrijven is als aan de huid van een steen likken. Of als luisteren naar het geritsel van het afzetlint in een speeltuin…”. Haar moeder leidde een losbandig leven, schrijft Vasjakina. “… Thuis zag ik veel dingen die een kind niet hoort te zien: seks, vernederingen, geweld. Mijn moeder stelde me regelmatig aan gevaar bloot. Op momenten dat een dronken minnaar haar achtervolgde en over het balkon het appartement binnenklom, vluchtte zij het huis uit naar een vriendin. En mij liet ze alleen achter, alleen met die vreselijke kerel. Waarom nam ze me niet mee?...”. Het voortdurende gevoel van gevaar waar ze jaren mee leefde, maakte dat ze niet tegen open ramen kan en niet op een benedenverdieping wil wonen: “… als ik in het trapportaal geluid hoor, breekt het zweet me uit en krijg ik een paniekaanval…”.
Over de liefde schrijven
Ik dacht aan Camilla Paglia die in “Het seksuele masker” schrijft dat lesbische seksualiteit anders is dan mannelijke homoseksualiteit. Vasjakina: “… Ik wil niet in de ketel van hete, kleffe anonimiteit springen. Ik heb verstand, karakter, ervaring en ik wil kijken naar wat boven de buik is…”. Ze weigert een ‘vagina op pootjes’ te zijn. Ze wil over ‘de ruimte van een kamer’ schrijven, waar elkaar ontmoetende blikken in de schemering warmte en verbinding voortbrengen. Weer die matrix. Schrijven betekent ‘langzaam dichterbij komen’. “… Wat wilde ik zeggen?...”. Schrijven is een weg. Soms eindigt een weg in een lus: “… Ik wilde eigenlijk alleen over de liefde schrijven. Schrijven is dichterbij de liefde komen…”.
Dodenmaal
Twee maanden lang had Vasjakina de as van haar moeder in huis: “… Ik keek er vaak naar en praatte er ook mee…”. Ze organiseerde een ‘dodenmaal’: “… ik wilde een avondlijk treffen met wijn, bloemen, hummus, gesprekken over de dood, het stervensproces en rouw. Ik las gedichten over mijn moeder. Ik schoot vol en eindelijk voelde ik verdriet. Ik geloof dat dat het moment was dat ik begreep wat de zin is van rituelen rond een begrafenis. Het medeleven van anderen rond de dood is onmisbaar. Rond het sterven zie je wie tot jouw gemeenschap behoort. Ik had het medelevenmechanisme in gang gezet…” (zie ook “Door de sneeuw” van Tommie Goerz).
Weven
Vasjakina beschrijft schrijven als ‘weven’ en brengt dit in verband met de enge vrouwtjesspin in de werken van kunstenares Louise Bourgeois, die symbool staat voor het moederlijk huis. Bourgeois herinnerde zich haar verschrikkelijke moeder zittend achter een weefgetouw. Haar giftige, kleverige, verstikkende draad is een metafoor voor de controlefreak die ze was. Haar huis was een kooi. “… Niet de vader houdt de weefster in de gaten, maar de moeder…” (zie ook Lisette Thooft in “De onverzadigbare vrouw”). Vasjakina: “… Zij is de seniore weefster, de ijzeren spin die een nauwsluitend web van zwijgen en geheimzinnigheid heeft gesponnen over de ruimte van het huis…”.
Tot in het derde en vierde geslacht
Per vliegtuig reist Vasjakina met de urn terug naar de taigastad waar ze vandaan komt: “… Ik geloof erin dat de mens lijkt op de plek waar hij is geboren en is opgegroeid. Vanbinnen lijk ik op een wild bos. Zelfs Alina merkt dat…”. Ze wordt opgevangen door haar peettante, eigenlijk een vriendin van haar moeder die veel voor haar heeft gezorgd. Het boek is niet alleen maar zwaar; sporadisch komt er ook wat humor om de hoek kijken. Ze vertelt hoe haar moeder haar naar het zeilkamp van haar peettante stuurde met een T-shirt van de Titanic. Bij een kampvuur bekijken ze met een groep oude vriendinnen van haar moeder oude fotoalbums, waarbij de nodige verhalen worden opgedist. Vasjakina beschouwt haar schrijven als het belichten van duistere zaken met een kleine zaklantaarn. Ze vertelt over haar grimmige overgrootmoeder Olga, die te bang was om Stalin openlijk te beschimpen, ook al had hij de man van wie ze waanzinnig veel hield gefusilleerd. Het kind dat ze van hem kreeg ging dood in de door hem veroorzaakte hongersnood. Daarna wachtte haar een ondraaglijk zwaar werk voor het leger. Met een etter van een kerel kreeg ze nog eens zes kinderen: “… Als je je kinderen niet kunt voeden, is het ook ingewikkeld van ze te houden…”. Als kringen in het water vloeiden de pijn en boosheid door naar de volgende generaties. Alsof een ondergrondse rivier de grond onder haar voeten wegspoelt, schrijft Vajakina, en voortdurend haar krachten ondermijnt.
Taal
Ze heeft last van achtervolgingswanen en hallucinaties. Het schrijven van haar boek functioneert als therapie. Haar wond gaat langzaam dicht: “… Ik had het idee dat afscheid nemen van die wond betekende dat ik afstand doe van mijzelf, dat ik een deel van mezelf verlies…”. Ze rekt de tijd daarom zoveel ze kan. De relatie met haar moeder was misschien niet ideaal, maar ze gaf Vasjakina wél haar taal. Misschien is haar boodschap vooral dat we moeten wachten met oordelen over de ander – tot we in zijn schoenen staan.
Uitgave: Van Oorschot – 2024, vertaling Yolanda Bloemen & Seijo Epema, 264 blz., ISBN 978 902 821 404 0, € 25,-
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten