Menu

dinsdag 5 mei 2026

Ik heb je nooit een rozentuin beloofd – Hannah Green

 


Rachel Aviv spreekt zich in “Vreemden voor onszelf” (zie mijn vorige blog) meerdere malen lovend uit over ‘Chestnut Lodge’, van 1901 tot 2001 een gerenommeerde particuliere psychiatrische instelling in Rockville, Maryland (VS). Het sloot voorgoed zijn deuren vanwege financiële problemen en veranderingen in de gezondheidszorg. Het instituut maakte naam met zijn intensieve psychoanalytische behandeling van ernstig psychiatrische patiënten, waaronder mensen met schizofrenie. Hier werkte de vooraanstaande psychiater Frieda Fromm-Reichmann, de therapeut van Deborah Blau, protagonist in de semi-autobiografische bestseller “I Never Promised You a Rose Garden” (1964) van de inmiddels 93-jarige Hannah Green. Na herlezing blies het ontstellend goed geschreven verhaal me nog steeds van de sokken.

 

In het hoofd van Deborah

Er zijn verhalen die ons redden en er zijn verhalen die ons afbreken, concludeert Rachel Aviv in “Vreemden voor onszelf” - zie mijn vorige blog. Schizofrenie maakt dat je gevangen zit in het ‘verkeerde verhaal’, zou je kunnen zeggen. “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” begint met een lange autorit. De bange en bezorgde ouders van de zestienjarige Deborah Blau brengen hun psychotische dochter naar het uitstekend bekendstaande Chestnut Lodge. Deborah heeft een zelfmoordpoging gedaan: “… Het knagend vermoeden dat er iets helemaal en hopeloos fout zat was daardoor eindelijk geculmineerd in een feit…”. Het is best een leuke trip, want Deborah bevindt zich geestelijk op een soort ‘neutraal gebied’, de ‘Vierde Trap’ genaamd, in het ‘koninkrijk Yr’. Dan zijn er geen emoties, verleden of toekomst. Deborah vecht namelijk een vreemde, geruisloze, vernietigende strijd uit tussen twee dimensies. De wereld zoals wij die waarnemen en de wereld die zich in haar hoofd afspeelt, met de vaak zeer veeleisende goden, demonen en instellingen van Yr. Ze voelt zich er thuis - ook wanneer de aarde er zich opent en de zon uiteenspat aan de hemel, haar sidderende lichaam er wordt verscheurd en haar tanden en beenderen er in duizend stukken breken. Er zijn gebieden vol verschrikkingen en verlatenheid, maar ook ‘gouden weilanden’.

 

Botsing tussen twee werelden

De botsing tussen beide werelden ‘verdooft’ Deborah. Bij aankomst hoort de ‘ijskoude’ hulpverlener tijdens de intake niets van ‘het geraas’ achter haar: “… In het vacuüm van de Tussenwereld waar zij stond tussen Yr en Nu, begon de Gemeenschap tot leven te komen. Weldra zouden zij haar scheldwoorden en bedreigingen naar het hoofd slingeren, en dan zou ze doof zijn voor beide werelden…”. Anterrabae, de Vallende God, met zijn vurige lokken, die golven in de wind, doemt op. “… Neem me mee, smeekte ze…”, om ‘dieper en dieper te vallen’, “… samen met hem die eeuwig dieper viel…” (zie Cees Nooteboom, die in “Rituelen” ook al refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, IxionPhaeton, Tantalus). Vervolgens belandt Deborah op een vredige, uitgestrekte vlakte waar ze rituele gezangen zingt en danst in een strelende wind die over het lange gras blaast, ‘om een paar dagen tot rust te komen’.

 

Geen aanstellerij

Nadat Deborah op school bij een proefwerk haar naam had veranderd in Januce - naar de god Janus met de beide gezichten, omdat zij immers ook naar twee werelden keek - was er een Censor naar de tussenwereld gekomen om te waken over haar woorden en daden. Zo’n fout kon ze zich geen tweede keer veroorloven. Er is sprake van het commentaar van de Gemeenschap, bestaande uit een verzameling evenbeelden van onderwijzers, familie en klasgenoten die haar voortdurend in het geheim veroordelen en vervloeken. Deborah wordt uitgenodigd door de beroemde dokter Fried, die in een huisje op het terrein van de kliniek woont. Dokter Fried gelooft dat er een gezonde kracht in haar aanwezig is, en wel om twee redenen: ten eerste de opluchting die Deborah toont wanneer dokter Fried zegt dat ze serieus ziek is. Thuis, op school en in ontelbare spreekkamers heeft ze altijd te horen gekregen dat er niets met haar aan de hand is. Ten tweede de noodkreet die ze uitzond met haar dramatische zelfmoordpoging (in feite stelde de actie weinig voor), waarmee ze liet zien dat ze de schijn niet langer kon ophouden.

 

Taboe

Begin jaren zestig rust er een enorm taboe op gekte in de overwegend patriarchale westerse samenleving. Deborah’s opa wordt woedend als hij hoort dat ze is opgenomen. Haar zusje slikt het verhaal van haar ouders dat ze in een herstellingsoord zit, waar ze gewoon naar school gaat. Haar vader heeft wroeging omdat hij heeft ingestemd met de uithuisplaatsing. Als er na een tijdje een brief komt waarin staat dat Deborah niet haar vader, maar wel haar moeder wil zien, zijn de rapen gaar. Deborah geniet van haar macht, maar vreest ook dat haar vader haar zal willen ‘bevrijden uit haar gevangenis’. Ze weet dat ze de instelling nodig heeft.

 

Schijn bedriegt

Als de moeder van Deborah tegenover dokter Fried een boekje opendoet over het gezin, komt er wat meer boven tafel. Deborah blijkt het geliefde, want ‘blonde’, kleinkind van een berooide Joodse emigrant met een klompvoet, die zich in Amerika agressief omhoog heeft gewerkt en zich vol kapsones handhaafde in de bovenklasse: alles voor de schijn. De tweede van de klas zijn was niet genoeg: ze moest de eerste zijn. En ook al ging ze dood van ellende: ‘blijven lachen als je gekwetst wordt’. “… Hij noemde vrouwen koeien en broedkippen en meesmuilde dat ze later waardeloos zou zijn omdat ze een vrouw was…”. Haar vader had maar te slikken wat de oude pater familias besliste. Zijn schaduw hing dreigend over alle takken van de familie. Deborah begon in bed te plassen: “… Hoe verbolgen was de strenge gouvernante geweest, en terecht! Maar deze ‘laksheid’ bleek niet te genezen met boze woorden, klappen en straffen…”. Deborah had een tumor in haar buik en overleefde totaal onvoorbereid twee operaties, met als gevolg ‘barbaarse pijn’. Zoals het hoort ging ze in de winter naar de allerbeste scholen en in de zomer naar de allerbeste zomerkampen. Ze sloot zich niet makkelijk aan. Pas jaren later verneemt de familie dat het eerste zomerkamp uitgesproken antisemitisch was. Op tienjarige leeftijd kwam uit een psychologische schooltest naar voren dat Deborah mentaal niet in orde was. Ze speelde niet met andere kinderen, ze at veel waardoor ze te dik werd en ze sliep nooit, volgens haar moeder. Ze werd naar een psychiater gestuurd, waar ze zo overstuur van raakte dat men ermee stopte. Toen Deborah zich helemaal liet meenemen door haar tekentalent, werden haar problemen toegeschreven aan de hooggevoeligheid van een zeldzaam begaafde geest. Toch bleef haar moeder ongerust. Ze zag hoe Deborah erbij liep, alsof ze klappen verwachtte die later zelfs leek uit te lokken. Dokter Fried ziet een “… beheerste moeder van een meisje dat doodziek was door al het bedrog…”. Even verder: “… ‘Er is maar één ding bijzonder gevaarlijk, vooral nu, omdat ze er uiterst gevoelig voor is.’ ‘En wat is dat, dokter?’ ‘Liegen, natuurlijk.’…”.

 

Grijze wereld

Tijdens haar sessies met dokter Fried uit Deborah zich voor haar leeftijd ongekend cynisch en sarcastisch. Haar scherpe, hooghartige, uitdagende opmerkingen maken de mensen om haar heen terughoudend: “… ze waren trots op haar maar ze hielden niet van haar…”. Soms uit ze zich zonder meer verbitterd, agressief en wreed: “… Het was of de vervloeking met de stem van een bezetene uit Deborah’s lichaam brak…”. Onbedoeld laat ze een woord uit het geheime koninkrijk van Yr vallen: ‘Upura’. Het staat voor ‘herinnering, compleet met alle bijbehorende emoties’ inzake de buikoperatie, waarna de wereld grijs werd. Als de dokter doorvraagt, vlucht Deborah doodsbang naar Yr ‘waar het water zich boven haar hoofd sluit zonder aanduiding van de plek waar ze naar binnen is gegaan’. “… Het oppervlak was rimpelloos en zij was verdwenen…”. Later laat ze erover los dat de taal van Yr uit beeldspraak bestaat die de dokter toch niet begrijpt. “… Dit gesprek maakte haar doodsbang. De muren begonnen zacht te kloppen als een enorm hart…”. Ze vertelt over de pestkoppen uit de buurt die haar uitscholden voor vuile Jood, en over een volwassene in het zomerkamp die had gevonden dat Hitler tenminste één ding goed deed: het ‘vuilnisbakkenvolk’ opruimen. Als ze de verontwaardiging op het gezicht van de dokter ziet om wat haar is overkomen, bedankt ze haar: “… Ik wist niet dat Aardbewoners ook gevoel hebben…”.

 

De Put

Chetsnut Lodge is voor zijn patiënten een veilige omgeving, waar ze zichzelf kunnen zijn: “… Directheid en grofheid waren twee privileges van het ziekenhuis waar iedereen zich ruimschoots van bediende. Voor degenen die uitsluitend aan zichzelf hadden durven denken als excentriek en vreemd, betekende vrijheid de vrijheid om gek, niet wijs, getikt of mesjoche te zijn en in ernstige mate, krankzinnig, waanzinnig, dement of uitzinnig…”. Er zijn drie afdelingen. Op afdeling C wonen de Ernstig Gestoorden (E.G.), waar Deborah terecht komt als ze haar arm openrijt met de deksel van een gevonden conservenblikje. “… Luister, Vogel-nummer-een; luister Wild paard…”, klinkt het uit de onderste regionen van Yr, “… jij hoort niet bij hen…”. Daarmee worden de mensen in de normale wereld bedoeld. Ze ‘speelt voortdurend met de Put’ (de dood), zegt de god Anterrabea. ‘Ze bekijkt haar ondergang van alle kanten en prikt er hier en daar met haar vinger in’.

 

Ernstig gestoord

Deborah is in eerste instantie doodsbang op de griezelige afdeling Ernstig Gestoorden, waar zelfs geen schijn van comfort en normaliteit meer valt te bespeuren: “… Er zaten vrouwen op rechte harde stoelen, en ze zaten of lagen ook op de grond – kreunend en tierend of geheel verstard – en de verpleegsters waren hard en gespierd…”. Deborah ervaart een en ander als angstwekkend en tegelijkertijd geruststellend: “… hier bestonden geen leugenachtige goede manieren, en hier hoefde men niet langer te leven volgens de onbegrijpelijke wetten van de Aarde. Als de blindheid kwam, of als de pijnlijke krampen van de niet bestaande tumor zich deden gelden, of als ze in de Put belandde, zou niemand zeggen, ‘Wat zullen de mensen daar wel van denken!’, ‘Gedraag je als een dame’ of ‘Maak alsjeblieft geen scene!’…”.

 

Beschermengelen worden kwelgeesten

Uiteindelijk begint Deborah over Yr te vertellen, wat veel verklaart: “…Hoe vreemd dat haar nu ook voorkwam, eens waren de goden van Yr kameraden geweest – geheime, prinselijke deelgenoten van haar eenzaamheid…”. Een stem had haar op zachte, warme toon verteld dat ze bij hen een vogel kon worden, “… vrij op de wind…”, of een wild paard “… dat zich niet schaamt, maar fier zijn manen schudt…”. Ze begonnen steeds meer voor haar te betekenen: “… De goden van Yr waren lachende goden, een soort beschermgeesten waar zij zich graag bij terugtrok. Maar er was iets misgegaan en Yr veranderde van een bron van schoonheid en veiligheid in een oord van angst en smart. Geleidelijk werd Deborah gedwongen om te smeken en te verzoenen, en ze viel omlaag van haar vorstelijke plaats in het schitterende vertroostende Yr en werd in donkere oorden geketend. Op de dagen van de verheven kalender was ze een koningin onder de goden, maar op de dagen van de lage kalender werd ze vernederd en gekweld. Tegenwoordig moest ze ook nog de duizelingwekkende verandering van de wereld verdragen, en de haat van de wereld die tot uiting kwam in de schimpende gezangen van de Gemeenschap. Ze was de onderworpen slaaf van de Censor, die tot taak had erop toe te zien dat het geheime zaad van Yr niet op de Aarde zou worden gestrooid, waar het zou ontkiemen, opbloeien en openbarsten in krankzinnigheid, zichtbaar voor de hele wereld die er vol afgrijzen voor zou terugdeinzen. De Censor had de rol van tiran aangenomen over beide werelden. Toen hij eenmaal haar beschermer was had de Censor zich tegen haar gekeerd…”. Precies zoals in de echte wereld, volgens Deborah. Het meest verbluffende is wel dat de evangelische wereld in allerlei brochures en traktaten waarschuwt voor de occulte wereld waarin het net zo toegaat: goede geesten worden kwade geesten. Dokter Fried wijst erop dat de wereld van Yr veel overeenkomst vertoont met Deborah’s eigen visie op de wereld. De geest past zich aan: “… al die verborgen werelden, die talen, regels en zoenoffers waren redmiddelen voor haar om niet ten onder te gaan in een wereld van oproer en verschrikkingen…”.

 

Lakenpak

Deborah’s ‘verraad’ maakt dat ze, eenmaal terug op de afdeling, langzaam haar bewustzijn verliest. Gebeurt er hetzelfde als met de oorlogsmisdadiger in “De Camino” van Anya Niewierra? Aan de hand van een spreeuwenwolk schrijft Niewierra: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Deborah heeft het eveneens over een ‘wolk’, waaruit wormen en slangen druppelen. Ze omschrijft zichzelf als “… een roerloze berg met een vulkaan in zijn binnenste…”. De beleidspsychiater maakt Deborah nog snel duidelijk dat ze haar in een ‘lakenpak’ gaan wikkelen. Het weer bij bewustzijn komen omschrijft ze als het opstijgen van “… een enorme walvis uit de diepste diepte – een volstrekt ander element met andere wetten en andere klimaten…”. Ze ligt strak in een soort, door haar verhitte lichaamstemperatuur verwarmde, ‘cocon’ van natte lakens. In haar nek een ijsklomp, onder haar voeten een warme kruik. Ingebakerd. Het werkt nog ook.

 

Wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen

Gaandeweg voelt ze zich op de E.G.-afdeling meer thuis dan waar ook. Ze is een van de gekken. Ze hoort nu bij een groep met een eigen geheimtaal, die zich te pletter verveelt: elke reuring betekent een verzetje. Veel patiënten bezitten de bijzondere gaven om in een oogopslag iemands zwakheden te zien, maar ze kunnen er niets mee. Verpleger Hobbs is steeds de pineut. Wanneer er een enorme ruzie rond hem uitbreekt, vraagt de psychiater aan Deborah waarom ze het steeds op Hobbs gemunt hebben. Deborah weet het wel, maar zegt het niet: Hobbs is bang voor zijn eigen krankzinnigheid – hij wil dat de mensen nog gekker en vreemder zijn dan hijzelf. Het herinnert aan de uitspraak: wie zichzelf niet kan helpen, gaat een ander helpen. 

 

Vechten tegen de duisternis

Dokter Fried spaart haar patiënt niet. Wanneer Deborah zegt dat ze gevaarlijk is omdat ze gif uitwasemt: “… Als je je wilt verstoppen kun je vergeten, of toneelspelen, of de zaak vertekenen. Dat zijn allemaal goede manieren om te vluchten voor de waarheid die soms heel hard kan zijn…”. En gek worden, natuurlijk. “… Een ander van alles de schuld geven, dat is ook een camouflage. Dan hoef je niet onder ogen te zien wat ze je werkelijk hebben aangedaan, en wat je jezelf hebt aangedaan en nog steeds aandoet…”. Als ze bibbert van de kou in de hete augustusmaand: “… Ik vrees dat de regen en de mist binnen in jou zijn…”. Steeds herhaalt de dokter dat de goden en demonen van Yr haar eigen scheppingen zijn: “… Zeg aan alle bewoners van Yr dat ze je niet moeten hinderen bij dit onderzoek van ons…”. Als Deborah aangeeft dat ze zwarte strepen voor haar ogen ziet, ‘tralies’ die staan voor een gevoel van verlatenheid en gemis aan liefde, blijken ze een vage herinnering te zijn aan de spijlen van haar kinderbedje, in een tijd waarin ze verzorgd werd door een kille verpleegster omdat haar moeder in het ziekenhuis lag. Waarom heeft een zo vroege gebeurtenis zo’n impact? “… De herinnering verandert wellicht niet van vorm, maar de jarenlange herbeleving verleent een enorm gewicht aan de ervaring…”. Omdat Deborah de kant van de wereld kiest (wat natuurlijk een erg positief gegeven is), noemen de goden haar een ‘verraadster’ en sluiten de weg naar Yr voor haar neus: “… Welnu, daar is de wereld. Ga je gang!...”. Volkomen in paniek verliest ze prompt haar denkvermogen. Wanneer ze misselijk ontwaakt: “… Als je de wereld weer eens bewondert, reken dan op onze duisternis…”. Het maakt wel duidelijk hoe bang ze is voor zaken als vriendschap, waarheid, liefde en vergeving, die ook deel uitmaken van de realiteit.

 

Robot

Tegenover haar ouders legt dokter Fried uit dat ze samen proberen te ontdekken wat Deborah werkelijk wil met haar leven: “… Ze heeft (van zichzelf) een robot gemaakt die alle uiterlijke formaliteiten van de realiteit vervulde, en daarachter trok de echte mens zich steeds verder terug…” (zie ook “Het drama van het begaafde kind” van Alice Miller). Haar verontrustende symptomen zijn afweermiddelen en beschermingen: “… U kunt het geloven of niet, maar haar ziekte is de enige grond die ze onder de voeten heeft. Zij en ik hakken samen de grond weg waar zij op staat…”. Even verder: “… Er wordt thans van haar gevraagd al die jaren van realiteit, althans in haar ogen, uit te wissen en in goed vertrouwen een nieuwe versie van de wereld te accepteren. Deborah’s ziekte is thans een wanhopige strijd om gezondheid geworden…”.

 

Leven in de brouwerij

De afdeling staat op zijn kop als er oud maar bijzonder gewelddadig dametje met grijs haar terugkomt: juffrouw Coral. Binnen no time smijt ze een broeder als een projectiel door de gang. Ze is zo sterk dat ze, wanneer ze ‘elektrisch geladen is’, met een bed om zich heen kan slaan, terwijl er een ‘stroom van prachtige, bloemrijke, zeer gevarieerde lasterlijke taal’ uit haar losbarst. Ze schijnt ook nog vier of vijf talen te spreken en iets wiskundigs te zijn. Geduldig wacht Deborah voor haar deur tot ze eindelijk tevoorschijn komt om te vragen of ze haar les wil geven. ‘Als ik een besluit neem, zal ik dat laten weten’, zegt juffrouw Coral, en ze slaat de kamerdeur weer achter zich dicht, waarna een hele serie ‘vloeken en kreten, dreunen en slagen’ begint. Als het stil wordt, roept ze eindelijk uitgeput door de dichte deur: “… Meisje – meisje – ben je daar nog?...”. Als Deborah met ‘ja’ antwoordt, zegt ze: ‘Morgen’.

 

Leren

“… Deborah en juffrouw Coral ontmoetten elkaar in de korte ogenblikken dat ze niet in de afzondering van hun eigen werelden leefden. Deborah was aan een dor en onvruchtbaar tijdperk begonnen. Altijd rook ze de stank van haar eigen verbrande wezen – verschroeid vlees, haar, kleren en de onaangename lucht van brandend rubber en leer van haar schoenen. Ze kon geen kleuren meer onderscheiden en de zwarte strepen voor haar ogen beperkten haar gezichtsvermogen tot een smalle verticale grijze strook. Niettemin studeerde ze…”. Ze snapt zelf ook niet dat ze allerlei dingen kan leren terwijl ze het gevoel heeft als een ‘levende dode’ in ‘absolute duisternis’ te verkeren. Feiten, stellingen of talen hebben niets te maken met zelfkennis. Je kunt blijkbaar net zoveel leren als je wilt en toch psychotisch zijn. 

 

Oermens

De hele afdeling is overstuur als er iemand terugkomt uit de buitenwereld: “… na een poosje staan ze op van de grond, schudden zich als gevloerde boksers en wankelen de wereld in, telkens en telkens weer…”. Als de dokter een lange vakantie opneemt, krijgt Deborah een zware terugval waarin ze zichzelf met de overal voor het grijpen liggende sigarettenpeuken begint te branden: “… De Moderne Mens sprong slordig om met de brandende staafjes die hij rookte en inademde en naast hem stond de oermens begerig te wachten op zijn vuur…”. In het begin is Deborah morbide en zwijgzaam, of morbide en scherpzinnig, maar er komt een dag waarop ze zich niet kan beheersen en de verschrikkelijke machten die ze in zich voelt, losbarsten: “… Heer! Ze was in de badkamer en kraamde alle mogelijke onzin uit. Ze heeft de muren volgekrast met krankzinnige tekens en ze kwam vechtend als een wilde kat naar buiten…”. Daarna volgen echter wel gevoelens van schaamte en een ‘nieuwe moraliteit’ – wat dokter Fried als ‘gunstige’ tekenen opvat. Op haar versteende gezicht zijn, ondanks de angstrazernijen, weer emoties te lezen.  

 

De weg omhoog

Misschien is het pijnlijkste wel “… dat je jarenlang gek kunt zijn zonder dat je dat aan iemand kunt vertellen, en zonder dat ze je geloven…”. Uiteindelijk krijgt de wereld opnieuw vorm en kleur voor Deborah: “… Ongeduldig en vol verlangen begon ze de ladder te bestijgen die haar naar de hoogste ziekenhuisstatus moest voeren, en ze kon de treden haast onder haar voeten horen kraken…”. Even verder: “… Toen ze eenmaal overtuigd was van het feit dat ze leefde, begon ze van de nieuwe wereld te houden…”. Met de dokter graaft ze oude geheimen op om ze een plek te geven in haar leven: “… als je de wereld in haar totaliteit verwerpt moet je daar vele redenen voor hebben…”. Ze komt erachter dat de verborgen rol die ze in het zomerkamp speelde, als gevangengenomen vijandige Japanse soldaat, een reactie was op de haat van anderen. Een poging om de werkelijkheid te begrijpen en te verklaren en een zekere waarheid op te bouwen waarmee te leven was. In het martelaarschap dat ze op zich nam, herkent ze iets van Christus, ‘de trots en vrees van iedere Jood’, maar ook van haar opa. Ze is ervan overtuigd dat ze als kleuter van zins was haar babyzusje te vermoorden. Ze had haar uit het raam willen gooien. Haar ouders kwamen net op tijd de kamer binnen kwamen en spraken er later nooit meer over. Samen met de dokter komt ze tot de conclusie dat ze veel te klein was om de baby uit de hoge wieg te tillen - waar ze op haar tenen bij moest staan om erin te kunnen kijken - laat staan over het raamkozijn. De dokter voert haar terug naar de zonneschijn in haar gelukkige kinderjaren, wat een bewijs is dat ze niet genetisch gedoemd is of onder een vloek is geboren. Stapje voor stapje vordert ze, van de hel naar het vagevuur weliswaar. Ze heeft een genezende droom van een mannenhand die in zijn vuist drie steentjes steenkool samenperst. Als de vuist zich opent liggen er drie fonkelende diamanten in: “… Een diepe stem riep haar, ‘Deborah!’, en daarna nogmaals zacht, ‘Deborah, zo zul jij zijn.’…”.

 

Onvoorwaardelijk

In de kliniek zijn de zondagen het ergst; dan is ‘het rookgordijn van de schijn’ nooit dicht genoeg. Zie wat Nietzsche schrijft over het dionysische en het apollinische. Zie Gerard Reve, die het in “Moeder en Zoon” heeft over de “… zelfmoorduren van de Zondagmiddag, van globaal half drie tot vijf uur…”. De eerste keer dat Deborah een paar dagen naar huis gaat, ervaart ze als een beklimming van de Mount Everest. Ze begint echter in te zien dat haar ouders haar wel de gelegenheid geven haar strijd te strijden, ook al is er geen enkele vooruitgang te bespeuren en kost hen dat het aanzien van anderen. Ze maakt wandelingen naar de stad in de buurt, waar ze zich aansluit bij twee kerkkoren, ondanks het feit dat de leden echt niet zitten te wachten op ‘een gek uit de inrichting’. Ze voelt zich een “… pasgeboren wereldburger…” die haar “… geboorterecht opeist…”. Ze meldt zich bij een opleidingsinstituut voor ‘uitvallers’, waar ze alsnog haar middelbareschooldiploma haalt. Het vergt wel een dagelijkse hypnotiserende busreis van twee uur heen en twee uur terug – ze volbrengt het allemaal. Een maatschappelijk werker helpt haar met het zoeken van een kamer. Ze identificeert haar ‘vallende god’ Anterrabae als de satan van Milton uit “Het verloren Paradijs”, een platenboek van haar grootvader dat ze op negenjarige leeftijd duizenden keren heeft bekeken: alles komt altijd ergens vandaan. Uiteindelijk neemt Deborah ’onvoorwaardelijk’ afscheid van haar waanwereld - het woord waarmee het boek eindigt.

 

Uitgave: Rainbow – 2015, vertaling Elisabeth Swildens, 334 blz., ISBN 9789041711540

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar