Menu

maandag 24 oktober 2016

Kitchen – Banana Yoshimoto


Ik heb de nieuwe Dorrestein gelezen, "Zeven soorten honger", maar het viel zo tegen dat ik er niet toe kon komen er een blog over te schrijven. Als je het hebt over een ‘voorgekookt’ verhaal: alsof ze alle clichés over dik en dun uit alle damestijdschriften van de afgelopen vijf jaar bij elkaar heeft geschraapt en daar een verhaal uit heeft gedistilleerd. Voor mij moet literatuur iets van een ‘innerlijke noodzaak’ hebben: iets wat nog niet is verteld móet de wereld in. Een doorgewinterde lezer herkent dat ‘iets’ en titels als “Echt sexy” en “Weerwater” van Renate Dorrestein hebben dat zeker. De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto (pseudoniem voor Mahoko Yoshimoto, studeerde kunst aan de Nihon Universiteit in Tokyo, dochter van de bekende linkse filosoof uit de jaren zestig Takaaki Yoshimoto en zus van de populaire striptekenares Haruno Yoiko) hierover in het nawoord van “Kitchen” – ook een boek over ‘eten’: “… Ik schrijf, omdat ik altijd al iets wou zeggen dat ik koste wat kost zal blijven zeggen tot deze wens niet meer bestaat. Dit boek is een resultaat van deze hardnekkige poging. Overwinning en ontwikkeling bepalen, geloof ik, de geestelijke weg van een mens met al zijn hoop en mogelijkheden. Als ik, die dagelijks heftig, dan weer wat kalmer vocht, daar beter van geworden ben, dan is dat te danken aan al mijn vrienden en bekenden, die mij zonder bedenken hebben ondersteund. Aan hen zou ik dit boek, mijn eersteling, willen opdragen…”. “Kitchen” bestaat uit twee ongelooflijk fijnzinnige novellen die draaien om dood en verlangen, om jonge mensen die ondanks hun diepe rouw verder moeten. Yoshimoto was pas 23 toen ze het schreef, terwijl ze ondertussen werkte als serveerster. Bij verschijning (1987) ontketende het een ware Banana-mania onder jongeren. Het werd in meer dan twintig talen vertaald, ging twee miljoen keer over de toonbank, en won twee prestigieuze Japanse prijzen.

De duisternis van het universum

De eerste novelle bestaat uit twee hoofdstukken: ‘Kitchen’ en ‘Volle maan (kitchen 2)’.
De lievelingsplek van de ik-figuur, Mikage Sakurai, een jonge studente die grootgebracht is door haar grootouders omdat haar ouders jong zijn overleden, is de keuken. Daar slaapt ze het beste. Naast een zoemende koelkast. Haar grootvader stierf toen ze op de middelbare school zat, en uiteindelijk overlijdt ook haar oma. De schok is gigantisch: “… Je reinste sciencefiction. De duisternis van het universum. Na de begrafenis was ik drie dagen volkomen buiten mezelf…”. Terwijl ze zich zorgen maakt over een nieuw onderkomen – het huis van haar oma is veel te duur voor haar alleen – wordt er aan de deur gebeld, en staat Yūichi Tanabe op de stoep, met de vraag of ze niet een poosje bij hem en zijn moeder wil komen wonen. Yūichi is een vriendelijke medestudent die haar met de uitvaart heeft geholpen. Hij was gek met de oma van Mikage, die vaak in het bloemenzaakje kwam waar hij een bijbaantje had. Mikage weet weinig tot niets van hem: “… Ook nadat ik hem een beetje had leren kennen, veranderde er niets aan de eigenaardige afstandelijke indruk die hij op mij maakte. Hoe aangenaam hij ook was in de omgang, je kreeg altijd het gevoel dat hij helemaal voor zich alleen leefde. Onze relatie was tamelijk oppervlakkig en zo bleef hij uiteindelijk een vreemde voor mij…”. Toch vertrouwt ze Yūichi: “… Het was eigenlijk altijd al zo geweest: met de duivel voor ogen, doemde in de duisternis een eenzame weg op, absoluut veilig en badend in helder licht. Daarom zal ik wel toegestemd hebben…”. Yūichi woont op de tiende verdieping van een flat, met een schitterend uitzicht over Tokyo. Zijn moeder, Eriko, de mooiste vrouw die Mikage ooit in haar leven heeft gezien, blijkt tot haar verbijstering eigenlijk zijn vader te zijn. Yūichi vertelt dat zijn échte moeder is gestorven toen hij nog klein was, en dat zijn vader zich daarna heeft laten ombouwen. En dat is een verhaal wat ik eerder heb gehoord – zie “Moedervlekken” van Arnold Grunberg. Haalde Grunberg hier zijn inspiratie vandaan?

Vader / moeder
Yūichi’s vader /moeder runt een nachtclub waar ze goed van kunnen leven. Mikage mag op het enige meubelstuk in de woonruimte slapen: een gigantische sofa. Verder is de flat gevuld met tropische planten en snijbloemen. Al gauw slaat Mikage aan het koken in de van alle gemakken voorziene keuken, terwijl de vrouw die eigenlijk een man is haar van alles toevertrouwt. Over Yūichi: “… ‘Wat zijn emoties betreft,’ zei Eriko met een moederlijke glimlach, ‘is hij tamelijk verward, en in relaties met andere mensen is hij zo terughoudend. Ik weet dat ik fouten gemaakt heb… maar ik wou hem bovenal opvoeden tot een meevoelend mens, en ik heb er alles aan gedaan, wat je daarvoor doen kunt. Geloof me, die jongen heeft echt geen idee van de gevoelens van andere mensen…”. Wilde ze daarom dat Mikage bij hen kwam wonen? Mikage: “… Mijn grootmoeder ging me boven alles, zelfs als ik tot over m’n oren verliefd was of als ik eens een beetje te veel gedronken had. Tenslotte was zij de enige die nog van mijn familie over was. De in de hoeken van de kamer loerende, altijd als in golven aanrollende, genadeloze stilte, de onoverbrugbare kloof tussen een kind en een oud mens, ook al gaan ze nog zo ongedwongen met elkaar om, was iets wat ik al vroeg ontdekt had, maar waar ik nooit met iemand over sprak. Ik stel me zo voor dat het voor Yūichi net zo geweest moet zijn. Hoe oud was ik, toen ik me realiseerde dat ik dit duistere, eenzame bergpad alleen verlichten kon met het licht dat uit mezelf kwam? Hoewel ik heel liefdevol opgevoed ben, heb ik me altijd eenzaam gevoeld…”. Yūichi lijkt zich eerder vanwege óvergevoeiligheid, dan óngevoeligheid, in zichzelf terug te trekken. Op een gegeven moment heeft hij zelfs, op het enge af, dezelfde droom als Mikage. Ze snapt wel dat Yūichi zich moeilijk aan iemand kan hechten. Iedereen verdwijnt immers op een zeker moment. Eriko over het verlies dat ons overkomt: “… Maar wie nooit echt wanhopig was, weet niet welke dingen werkelijk van belang zijn, weet niet wat geluk eigenlijk is…”. Het leven is kort, dus je kunt meer beter kiezen voor wat je hart je ingeeft. Wil Eriko vader en moeder tegelijk zijn? Later in het verhaal neemt Eriko een glas met een bananenmotief voor Mikage mee: om haar verhuizing te vieren. Yoshimoto schrijft in een blog dat ze van bananenplanten houdt omdat ze iets tweeslachtigs hebben. Ze heeft zelfs een paar bananentatoeages. Vandaar haar pseudoniem?

Met een flauwe bocht
In ‘Volle maan (kitchen 2)’ is Mikage gestopt met haar studie, op zichzelf gaan wonen en assistente van de chef van een kookstudio geworden. Dan belt Yūichi op en vertelt dat Eriko is doodgestoken door een geobsedeerde gek, die niet kon verkroppen dat ze eigenlijk een man was. Mikage: “… Het was alsof een stuk vlees uit mijn borst gerukt werd. Dus zij was niet meer. Vanaf nu was zij nergens meer te vinden…”. Ze gaat gelijk naar Yūichi toe. Hij verontschuldigt zich bangig voor het feit dat Eriko ook al begraven is. Hij kon niet meer normaal denken: “… Tot aan de begrafenis heb ik helemaal niet begrepen wat er gebeurd was. Mijn hoofd was leeg, en pikzwart…”. Hij dacht steeds aan Mikage, maar hij durfde haar niet te bellen, omdat hij dan onder ogen moest zien dat het allemaal écht waar is. Of ze niet boos is. Nee, dat is ze niet, ze begrijpt het maar al te goed. Later blijkt dat hij constant dronken is geweest. Mikage weet niets beters te verzinnen dan zo lekker mogelijk voor hem te koken, en is blij dat ze met goed fatsoen weg kan komen als haar cheffin vraagt of ze een paar dagen mee op reis gaat om een kookreportage te maken. Zonder woorden weten Mikage en Yūighi te goed van elkaar wat ze meemaken: “… Woorden zijn altijd te direct, ze doven een zo teer maar betekenisvol licht…”. Mikage: “… Yūichi en ik beklimmen door pikzwarte duisternis een smalle ladder, om van daarboven in de diepe afgrond van de hel te kijken. De hete luchtstroom trotserend, kijken wij met gloeiende wangen neer in die vlammende, ziedende vuurzee. Hoewel we beiden weten dat de ander een onvervangbare vriend is, en hem nader is dan wie ook op deze wereld, nemen we elkaar niet bij de hand. Hoe bang we ook zijn, elk probeert op eigen benen te staan…”. Mikage wordt op haar nummer gezet door een wildvreemd meisje dat verliefd is op Yūichi. Ze zou met de gevoelens van Yūichi spelen. Ook een collega van Eriko zegt dat Yūichi verliefd op haar is, en dat hij op zijn aanraden zijn intrek heeft genomen in een pension, omdat hij het thuis niet meer uithoudt. Op een avond belt Mikago hem op en weet ze één ding zeker: “… in het door dood omgeven duister waren onze gevoelens bezig elkaar met een flauwe bocht te naderen. Als ze elkaar nu misten, zouden onze wegen zich weer scheiden, en zouden we voor altijd niet meer dan goede vrienden zijn…”. Midden in de nacht laat ze zich met iets lekkers in een taxi naar zijn pension rijden. Een urenlange rit. Het pension is gesloten, maar via de achterkant krijgt ze het met veel moeite voor elkaar op een afdak naar een raam te klimmen waarvan ze zeker weet dat Yūichi er achter verblijft. Eind goed, al goed.

Fabel

De tweede novelle, ‘Moonlight shadow’ (naar het bekende lied van Mike Oldfield – zie hier), is een mysterieus verhaal over een meisje, Satsuki, die haar vriend heeft verloren door een auto-ongeluk: “… Men zegt weliswaar dat je pas lijdt als je een geliefde na een lang mensenleven verliest, maar ik was zo rond de twintig, toen ik dit meemaakte en ik dacht dat ik niet meer kon ademen van verdriet. Sinds de nacht dat Hitoshi stierf was het alsof mijn hart naar een andere wereld was gevlucht, en de weg terug niet meer kon vinden…”. Ze hadden vier jaar verkering, die ze omschrijft als vier jaar waarin ze elkaar stap voor stap waren genaderd. “… Nu alles voorbij is kan ik het uitschreeuwen: die afschuwelijke, onrechtvaardige God! Ik heb meer van Hitoshi gehouden dan van het leven…”. Aan het begin van hun relatie had ze Hitoshi een belletje gegeven dat losgegaan was van de halsband van haar kat. Sindsdien droeg hij het altijd bij zich, en had het zachte klingelgeluid hen overal begeleid, bij alles wat ze deden: “… Bij de eerste zoen, bij de eerste grote ruzie, op mooie dagen, bij regen en sneeuw, in de allereerste nacht, als we lachten en huilden, als we naar onze lievelingsmuziek luisterden, en als we samen televisie keken…”. Om toch een beetje te ‘aarden’, zoals psychologen dat noemen, gaat ze iedere ochtend een eind joggen. Bij een brug over een rivier drinkt ze wat hete thee uit een speciaal daarvoor aangeschafte thermosfles en maakt ze rechtsomkeer. Op een morgen wordt ze vanuit het niets aangesproken door een vreemde vrouw. Van schrik laat ze de thermosfles in het water vallen. De vrouw zegt dat het voorval aan een fabel van Grimm doet denken. Of is het Aesopus? Over een hond die zijn bot laat vallen als hij zijn eigen spiegelbeeld in het water ziet. Dan zegt de geheimzinnige vrouw dat er binnenkort iets op deze plek te zien zal zijn wat maar één keer in de honderd jaar gebeurt. Als alle voorwaarden tenminste kloppen. Ze zegt dat ze het later zal uitleggen, als dank voor de thee, die Satsuki met haar deelt. Daarna verdwijnt ze.

Klein licht in mijn hart
Hitoshi heeft een excentriek broertje, die er eigenlijk nog erger aan toe is dan Satsuki. Hij heeft niet alleen zijn broer verloren, maar ook zijn vriendinnetje. Ze zat bij bij Hitoshi in de auto toen het ongeluk gebeurde. Ook in dit verhaal komt transseksualiteit om de hoek kijken. Het broertje van Hitoshi kleedt zich, ter herinnering aan zijn dode vriendin, in een schooluniform voor meisjes: “… Zojuist was me iets duidelijk geworden. De meisjeskleren van Hiiragi waren hetzelfde als mijn joggen. Ze hadden dezelfde functie…”. En wel, volgens Satsuki: nieuwe kracht in vermoeide harten brengen, de geest afleiden en tijd winnen. Tot alles weer een beetje ‘normaal’ wordt. Als Satsuki ziek is belt de geheimzinnige vrouw haar uit bed. Ze wil met haar afspreken om een nieuwe thermosfles te kopen. Satsuki vraagt hoe ze aan haar telefoonnummer is gekomen: “… ‘Als je per se iets wilt weten en eraan denkt, dan kom je het vanzelf te weten,’ zei Urara alsof het een toverspreuk was. Het klonk zo vanzelfsprekend zoals ze dat zei dat ik haar geloofde…”. Eigenlijk zou het beter zijn om in bed te blijven, ze heeft koorts: “… Misschien was al het getob en gepieker zich als gif in mijn lijf aan het verspreiden…”. Maar “… Diep in mijn binnenste was een instinct wakker geroepen, en niet één ogenblik hoefde ik mezelf te dwingen op weg te gaan…”. De vrouw maakt dat het voelt alsof ze weer een beetje leeft: “… Wat me op de been hield, was een klein licht in mijn hart, dat al aan het sterven was…”. Ze krijgt niet alleen een thermosfles maar ook verschillende pakjes thee van de vrouw die haar opdraagt overmorgen in alle vroegte naar de brug te komen. De plek waar ze voor het laatst afscheid nam van Hitoshi. Daar zal het ‘misschien’ gebeuren: dat ligt aan haar en aan het weer. Als Satsuki aankomt staat de mysterieuze vrouw al te wachten en ziet Satsuki aan de overkant van de rivier Hitoshi naar haar zwaaien. Terwijl het langzaam dag wordt verdwijnt zijn beeld in het licht. Als ze later zijn broertje tegen komt - dit keer in gewone jongenskleren - vertelt hij dat zijn vriendin in een droom haar schooluniform is komen halen. Ze kan het geloven of niet, maar het uniform ligt niet meer in de kast…

Uitgave: Rainbow Pocket 485 – 2000, vertaling E. Kaneshiro-Jager, 173 blz., ISBN 978 904 170 199 0
Rechtstreeks bestellen (alleen tweedehands): klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen