Menu

maandag 27 maart 2017

Zijde – Alessandro Baricco


Ik ben ontzettend blij dat er af en toe herdrukken komen van bijzondere boeken: dat geeft mij een reden om ze te herlezen. Neem “Zijde” dat in 1998 uitgeroepen werd tot Booksellers International Book of the Year. Alessandro Baricco (Turijn, 1958) over de sprookjesachtige novelle waarmee hij voorgoed zijn naam als internationale bestsellerauteur vestigde: “… Dit is geen roman. En ook geen verhaal. Dit is een geschiedenis…”. En even verder: “… Je zou kunnen zeggen dat het een liefdesgeschiedenis is. Maar als het niet meer was dan dat, zou het niet de moeite waard zijn haar te vertellen. Er komen verlangens in voor, en pijnen, die je heel goed kent, maar je hebt er geen echte naam voor om ze mee aan te duiden. Maar het is in ieder geval niet ‘liefde’. (Dat is al van oudsher zo. Als je geen naam hebt om de dingen mee te benoemen, dan gebruik je er een geschiedenis voor. Zo werkt dat. Al eeuwenlang.)…”. Bovendien heeft iedere geschiedenis haar eigen muziek - zie mijn vorige blog over “We hadden liefde, we hadden wapens”: ”… Deze geschiedenis heeft een witte muziek. Dit is belangrijk om te zeggen, want witte muziek is vreemde muziek, soms raak je ervan in de war: zij wordt zachtjes gespeeld, en er wordt langzaam op gedanst. Als ze haar goed spelen, is het alsof je hoort hoe de stilte gespeeld wordt, en als je kijkt naar degenen die erop dansen alsof hun leven ervan afhangt, lijkt het wel of ze stilstaan. Het is verdomd lastig, witte muziek…”. En, oh ja, “… Misschien is het goed om te verduidelijken dat het om een negentiende-eeuwse geschiedenis gaat: dan hoeft niemand vliegtuigen, wasmachines en psychoanalisten te verwachten. Die komen er namelijk niet in voor. Misschien een volgende keer…”.
Wat deze heruitgave zo ongelooflijk mooi maakt zijn de tekeningen van Rébecca Dautremer. Ik heb er een paar van in mijn verhaal gezet: ik weet niet of dat mag, maar dat hoor ik ongetwijfeld vanzelf wel.


Mannenzaken

Baldabiou is de man die het leven van Hervé Joncour totaal verandert. Op een dag was hij het dorp Lavilledieu (Zuid-Frankrijk) in komen struinen, had zich rechtstreeks naar het kantoor van de burgermeester begeven, een avondrode sjaal van zijde op zijn bureau uitgespreid en hem gevraagd: “… ‘Weet u wat dat is?’ ‘Vrouwenzaken.’ ‘Mis. Mannenzaken: geld.’…”. De burgermeester liet hem eruit gooien. Na zeven maanden waarin hij een goedlopende zijdespinnerij op poten wist te zetten kwam hij weer bij de burgermeester langs en legde hij dertigduizend franc in coupurus op zijn bureau:
“… ‘Weet u wat dit is?’ ‘Geld.’ ‘Mis. Het is het bewijs dat u een grote sukkel bent.’…”. Zo’n vent dus. Helaas begon een epidemie de Europese productie van zijderupseneieren aan te tasten. Baldabiou was niet van mening dat het probleem moest worden ‘opgelost’, maar ‘omzeild’. Zijn oog viel op de zoon van de burgemeester, Hervé Joncour, die werd klaargestoomd voor een briljante carrière in het leger, “… ‘als God en Sint Agnes het willen’…”, aldus de burgemeester. “… ‘Precies. Alleen is God al ergens anders bezig en Sint Agnes verafschuwt militairen.’…”, aldus Baldabiou. Een maand later vertrok Hervé Joncour op een boot naar Egypte om zijderupseieren te kopen. En een tijd daarna - het is 1861 om precies te zijn, Hervé Joncour is inmiddels getrouwd met Hélène, een lange, zich traag bewegende vrouw die haar zwarte haar nooit op haar hoofd bijeenbindt en een prachtige stem heeft, ze hebben geen kinderen – vertrekt hij op expeditie naar het geheimzinnige land van de zijderups: Japan.


Kostbaar dier
De zich vier maal herhalende tocht wordt steeds in dezelfde bezwerende cadans van woorden omschreven: “… Hij stak de grens over bij Metz, reisde dwars door Württemberg en Beieren, kwam aan in Oostenrijk, bereikte per trein Wenen en Boedapest om zijn reis direct door te zetten naar Kiev. Hij doorkruiste te paard tweeduizend kilometer Russische steppe, stak het Oeralgebergte over, kwam in Siberië, reisde veertig dagen lang totdat hij het Bajkalmeer bereikte…”. Alleen noemen de mensen die plek telkens anders: ‘de zee’, ‘de duivel, ‘de laatste’ en ‘de heilige’. Dan gaat het in een betoverend ritme aldus verder: “… Hij volgde de loop van de rivier de Amoer stroomafwaarts, waarbij hij tot aan de Oceaan langs de Chinese grens reisde, en toen hij bij de Oceaan aankwam bleef hij elf dagen in de haven van Sabirk, totdat een schip van Hollandse smokkelaars hem naar Kaap Teraya voerde, aan de westkust van Japan. Te voet, over kleine weggetjes, reisde hij door de provincies Ishikawa, Toyama, Niigata, kwam aan in Fukushima en bereikte de stad Shirakawa, trok er langs de oostkant omheen…”, om vervolgens twee dagen op een in het zwart geklede man te wachten die hem blinddoekt en hem naar een dorpje brengt waar hij onderhandelt met zwijgzame types over de aankoop van zijderupseieren. Als hij voor de eerste keer met zijn bemachtigde schat huiswaarts wil keren wordt hij tegen gehouden door iemand die hem naar een zeer machtig heerschap brengt: ‘de meest ongrijpbare man van Japan’, ‘de meester van alles wat de wereld kon wegslepen van dat eiland’. Een roerloze vrouw ligt languit naast hem, met haar hoofd in zijn schoot, haar ogen gesloten, haar armen verborgen onder haar wijde rode jurk die als een vlam om haar heen ligt. “… Hij streek langzaam met zijn hand over haar haren: het leek of hij de vacht van een kostbaar dier aaide, dat lag te slapen…”. Terwijl Hervé Joncour probeert te vertellen wie hij is en wat hij doet, opent de dame haar ogen ‘die geen oosterse tint hebben’ en staart ze hem met een blik vol ‘verwarrende intensiteit’ aan. Voor hij het weet is het kwaad geschied: hij is voor altijd in haar ban. De heer laat hem gaan met de uitnodiging nog eens terug te keren. Steeds zal Hervé Joncour op de eerste zondag van april thuis aankomen, precies op tijd voor de hoogmis: “… Voor zijn vrouw Hélène bracht hij een zijden gewaad mee, dat zij uit schaamte nooit aandeed. Als je het tussen je vingers hield, was het alsof je niets vasthad…”.


Er bestaan geen blanke vrouwen in Japan
Op zijn volgende reis ontmoet hij de machtige heer bij een meer. Naast hem ligt een oranje japon en twee strooien sandalen. In het water miniscule golfjes. Even tevoren had Hervé Joncour tussen de struiken door nog een glimp opgevangen van de vrouw die naast hem zat. Onmerkbaar laat Hervé Joncour zijn handschoen naast de japon vallen. Aan tafel vraagt hij een andere gast, een Engelse wapenhandelaar, naar de jonge, Europese vrouw: “… De Engelsman at onverstoorbaar door. 'Er bestaan geen blanke vrouwen in Japan. Er is geen enkele blanke vrouw in Japan.'…”. Op zijn laatste avond, tijdens het badritueel, wordt er een natte doek op zijn ogen gelegd. Het zijn geen oude vrouwen die zoals gewoonlijk met hem bezig gaan, maar jonge handen die hem subtiel en delicaat aanraken en uiteindelijk een opgevouwen briefje toestoppen (zie ook “1984” van George Orwell). Hij kan de tekst niet lezen. Als hij thuis is gaat Hervé Joncour op aanraden van Baldabiou op zoek naar een stoffenwinkel annex bordeel in Nîmes dat van een rijke Japanse zou zijn. Ze vertaalt voor hem: ‘Kom terug, of ik ga dood’. Als hij wat bankbiljetten op tafel legt om haar te bedanken zegt ze kil: “… ‘Laat toch zitten.’ Hervé Joncour aarzelde een ogenblik. ‘Ik heb het niet over het geld. Ik heb het over die vrouw. Laat toch zitten. Ze gaat heus niet dood, en dat weet u ook.’…”.
Ondanks dat de jonge bioloog Louis Pasteur buitengewone resultaten boekt op het gebied van het bestrijden van zijderupsziektes en er verontrustende berichten uit Japan de kop op steken over een op handen zijnde burgeroorlog, gaat Hervé Jancour voor de derde keer op reis. Hij ontmoet de vrouw en even later haar heer bij een reusachtige volière (de Japanse uitdrukkingsvorm voor waanzinnige liefde), waarvan de deuren openstaan en alle exotische vogels ontsnappen. “… Ze komen wel weer terug. Het is altijd moeilijk om weerstand te bieden aan de verleiding terug te keren, nietwaar?’…”, zegt de heer. Hij wordt uitgenodigd op een feest, waar de vrouw en Hervé Joncour elkaar ieder vanuit een tegenovergestelde hoek van de kamer duizend keer zoeken met droevige ogen. Uiteindelijk loopt hij weg, zwerft een tijd door het dorp, en brengt de vrouw hem een mooi meisje met wie hij plaatsvervangend het bed deelt: het is toch donker. De volgende dag zijn de vrouw en haar heer verdwenen, zitten de tropische vogels weer achter slot en grendel, besluit Hervé Joncourt huiswaarts te keren, lost hij in het bos ten lange leste nog zes schoten waardoor een zwerm zwarte vogels zich als een rookwolk verschrikt in de lucht oplost, en bij terugkomst is zijn wettige echtgenote zoals altijd zielsgelukkig hem weer te zien.


Liefdesbetuiging
Even later koopt hij een afschuwelijk huis van een inmiddels dode man die hem altijd heeft gefascineerd omdat hij op een gegeven moment ophield met praten. Waarom doe je zoiets? “… Misschien is het omdat het leven je soms op zo’n manier draait dat er gewoon niks meer te zeggen valt…”. Dat doet de schrijver wel vaker: mysterieuze personen opvoeren waarover later weinig tot niets wordt gezegd. Bijvoorbeeld: “… Hervé Joncour verkocht de twee spinnerijen voor een belachelijke prijs aan Michel Lariot, een goede man die twintig jaar lang domino had gespeeld, elke zaterdagavond, met Baldabiou, en altijd verloor, met bikkelharde standvastigheid. Hij had drie dochters. De eerste twee heetten Florence en Sylvie. Maar de derde: Agnes…”. En dan verder niets meer. Hervé Joncour ontwerpt een park met een volière. De uitleg aan zijn vrouw: “… Je stopt hem vol vogels, zo veel als je kunt, en dan, op een dag als je iets gelukkigs is overkomen zet je hem wijd open en kijk je hoe ze wegvliegen…”. Tijdens een plechtig diner wegens de zestigste verjaardag van een baron ziet Hervé Joncour zijn vrouw flirten met een knappe Engelsman. Dronken zegt hij tegen een Duitse kalverhandelaar die nauwelijks Frans spreekt: “… Ik moet u iets heel belangrijks mededelen, monsieur. We zijn allemaal walgelijk. We doen het allemaal fantastisch en we zijn allemaal walgelijk…”. En toch: “… Hervé Joncour en zijn vrouw vertoefden tot begin september aan de Rivièra. Ze verlieten de kleine villa met spijt, want tussen die muren was het lot om van elkaar te houden hen licht gevallen…”.
Dan begint hij aan zijn vierde reis. Als hij in het dorp aankomt waar de mooie vrouw met haar meester woont is alles plat gebrand. Een jongetje toont hem zijn ooit weggegooide handschoen en lokt hem naar een karavaan. Twee gewapende mannen brengen hem naar de meester die gevolgd wordt door een draagstoel waarin zijn droomvrouw moet zitten. De dag daarop vindt hij het jongetje terug, opgeknoopt aan een tak. De meester: “… ‘Japan is een oud land, weet u? Haar wet is oud: die zegt dat er twaalf misdaden zijn waarvoor het geoorloofd is iemand ter dood te veroordelen. En een daarvan is een liefdesbetuiging overbrengen van je meesteres.’ Hervé haalde zijn ogen niet van dat vermoorde jongetje af. ‘Hij had geen liefdesbetuiging bij zich.’ ‘Hij WAS een liefdesbetuiging.’…”. Of hij maar op wilde zouten en nooit meer terug komen…


Ze zeiden dat hij een oplichter was. Ze zeiden dat hij een heilige was.
Als Hervé Joncour thuis komt heeft hij geen rupseneieren bij zich. Hij schakelt het hele dorp in om zijn park aan te leggen: “… Ze werkten vier maanden lang. Eind september was het park klaar. Niemand in Lavilledieu had ooit iets dergelijks gezien. Ze zeiden dat Hervé Joncour er zijn hele kapitaal aan had gespendeerd. Ze zeiden dat hij anders was teruggekeerd, misschien wel ziek, uit Japan. Ze zeiden dat hij de eieren aan de Italianen had verkocht en dat er nu een vermogen aan goud op hem lag te wachten in de banken van Parijs. Ze zeiden dat het aan het park te danken was geweest dat ze niet waren gestorven van de honger, dat jaar. Ze zeiden dat hij een oplichter was. Ze zeiden dat hij een heilige was. Iemand zei: ‘Hij heeft iets over zich, als een soort ongelukkigheid.’…”. Zes maanden na zijn terugkeer ontvangt Hervé Joncour een brief met de post. Zeven blaadjes die eruit zien als een “… catalogus vol pootafdrukken van kleine vogeltjes, samengesteld met nauwgezette waanzin…”. Weer gaat hij naar de courtisane in Nîmes, om zich de brief te laten voorlezen. Nu wil natuurlijk iedereen weten wat er in staat, maar dat vertel ik niet. Echter, “… In de jaren die volgden koos Hervé Joncour voor zichzelf het zuivere leven van een man die geen behoeften meer had…”. Hervé Joncour lijkt me zo bij zo een nogal introvert mannetje. Al direct in het begin vermeldt de schrijver: “… Hij was overigens een van die mensen die hun eigen leven graag ‘bijwonen’, en elke ambitie om het te ‘leven’ oneigenlijk achten. Het zij opgemerkt dat dat soort mensen naar hun lot kijkt op de manier waarop de meesten gewoonlijk naar een regenachtige dag kijken…”. Hij leeft rustig verder met Hélène die uiteindelijk sterft aan een hersenontsteking. Een jaar na haar dood trekt hij zich dagenlang terug in zijn studeerkamer om na te denken over dingen die hij langzaam begint te begrijpen…


Uitgave: Davisfonds / Infodok – 2016, vertaling Manon Smits, 208 blz., ISBN 978 905 908 826 9, € 29,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen