Menu

dinsdag 4 juli 2017

Reizen zonder John – Geert Mak


Subtitel: Op zoek naar Amerika

Nu ik toch met de legendarische schrijver John Steinbeck bezig was (zie mijn vorige blog) besloot ik “Reizen zonder John” te lezen waarin Geert Mak, precies vijftig jaar na dato, een remake maakt van een tocht die de ouder wordende Steinbeck, in een opgeknapte camper en op de nodige amfetamine, dwars door Amerika voerde. Steinbeck schreef er zijn zogenaamde non-fictie boek - in werkelijkheid maakte hij het allemaal een stuk mooier dan het was, maar ach, daar maalde indertijd niemand om - "Reizen met Charley" (1962) over. Charley was de Franse poedel die hem vergezelde. Wat veranderde er allemaal in de V.S.?

Amerika!

Eind jaren vijftig begint Maks’ Amerikaanse geschiedenis: “… Het jaar 1960 vormt het hoogtepunt van dit zoevende, lichtblauwe decennium…”. Nooit zijn de Amerikanen zó gelukkig geweest. Nooit zouden ze ook meer zó gelukkig worden. Het is het jaar van de eerste weersatelliet, het eerste commerciële fotokopieerapparaat, de eerste anticonceptiepil, de komst van airconditioning, een nieuwe dansmanie, de twist, en de eerste vliegmaatschappij die je voor 55 dollar in een jet binnen drie uur van New York naar Miami vliegt: National Airlines. De sluimerende Koude Oorlog barst in volle hevigheid los. De verkiezingscampagne tussen de volksjongen Richard Nixon en het rijkeluiszoontje Jack Kennedy wordt een nek-aan-nekrace. Op lege velden langs de net aangelegde Interstatesnelwegen buiten de stad ontstaat een explosie van suburbs, waar jonge gezinnen in goedkope, van allerlei gemakken voorziene, massaal geprefabriceerde Levitt-woningen, de babyboomgeneratie op de wereld zet. De staartvinnen op de pastelkleurige Cadillac’s zijn de grootste en scherpste ooit. De katoenplukmachines jagen de zwarten in het Zuiden naar de fabrieken in het Noorden. De televisie zorgt dat de mensen verdwijnen achter hun voordeur (uitgebreid doet Mak het enorme quizschandaal - rond ‘The $ 64 000 Question’ - dat eind 1959 heel Amerika op zijn kop zette uit de doeken: van begin tot eind bleek het in scene te zijn gezet, van te voren stond al vast wie de winnaars en verliezers zouden worden). De maatschappij is van een overlevingssamenleving veranderd in een consumptiesamenleving, van een wereld van zwoegers in een wereld van genieters. Ondertussen droomt in de Hollandse provincie de kleine Geert Mak weg boven een gratis Donald Duck terwijl hij op een roze plak bubblegum kauwt: “… Lionel Hampton komt naar Nederland, in september 1953, de saxofonist speelt liggend op zijn rug. Hampton zelf verlaat de vibrafoon om een potje te gaan drummen en een dansje te maken op de tekst: ‘Hey Ba Ba Re Bop’. Het commentaar van het dagblad ‘De Gelderlander’: ‘Mateloos moet die leegheid des harten zijn waarin de hang naar hogere waarden dan die van negergekreun zoek is.’ Maar het publiek, niets gewend, is door het dolle heen. Amerika!...”.

Een Europees, indiaans en Afro-Amerikaans verhaal
Mak begint zijn reis in Sag Harbur, een klein havenstadje, waar de ruige en tegelijk verlegen Steinbeck met zijn derde vrouw, de gedistingeerde Texaanse Elaine Anderson woonde, toen hij de lawaaierige groene MMC truck aanschafte waarmee hij de U.S.A. wilde doorkruisen. Hij doopte hem ‘Rocinante’, naar het paard van Don Quichot. Zijn vrouw had het al gauw over ‘Operation Windmills’. Het ging slecht met Steinbeck’s gezondheid tengevolge van een attaque. Volgens Mak wilde Steinbeck vooral ontsnappen aan de betutteling van zijn eega: “… Het hele project was een ultieme poging zijn verval, zijn ouderdom en het toenemen van zijn afhankelijkheid te overschreeuwen…”. Met de pont varen Mak en zijn vrouw over naar het oude stadje New London, en dan gaat het noordwaarts. Mak beschrijft het oude pioniersdorp Deerfeld, waar Steinbeck eerst nog een bezoek bracht aan zijn jongste zoon die hij gedumpt had op een kostschool voor rijke kinderen. Mak heeft het over de ‘vrome en moedige’ Pilgrims in de 17e en 18e eeuw die ziektes als pokken en mazelen overbrachten: “… Van de naar schatting vijf tot tien miljoen indianen die ooit ten noorden van Mexico een bestaan vonden waren er rond 1830 nog zo’n driehonderdduizend in leven…”. Volgens een verslag van een kolonist uit 1620 stierven de indianen “… bij hopen, zoals ze in hun huizen lagen; en de levenden die daartoe in staat waren, vluchtten weg en lieten hen sterven, en lieten hun karkassen boven de grond liggen, zonder begrafenis (…) En toen ik in deze streken was aangekomen, boden de botten en schedels rond hun verschillende nederzettingen zo’n aanblik dat ik het gevoel kreeg in die wouden bij de Masachusettes Bay, waar ik doorheen reisde, een nieuw Golgotha te hebben gevonden…”. De geschiedenis van de indianen is gecompliceerd. Ze zagen de kolonisten niet als indringers en veroveraars, maar als een nieuwe stam die grond nodig had. Indianen kenden bezit nog diefstal wat regelmatig tot misverstanden leidde. Zo ‘wild’ waren ze niet: vaak spraken ze een aardig mondje Engels. En zo ‘maagdelijk’ waren ze ook niet: een 17e eeuwse Britse visser heeft het over een indiaan die al twee keer in Engeland was geweest - onder andere als ontvluchte slaaf. Bepaalde indiaanse stammen vochten mee aan de Engelse, sommige aan de Franse en nog weer andere aan de Spaanse kant, en daardoor dus ook tegen elkaar. Om de weggevallen indiaanse arbeidskrachten te compenseren werden er massaal zwarte slaven uit Afrika aangevoerd. Er zijn dan ook drie Amerikaanse verhalen te vertellen: een Europees, een indiaans en een Afro-Amerikaans.

Framing

Terwijl Mak door de kleine, beboste tweelingstaten Vermont en New Hampshire rijdt vertelt hij over de communistenjager Joseph McCarthy: ‘de meest begaafde demagoog uit de Amerikaanse geschiedenis’, een ‘meester in framing’. Als je het hebt over ‘populisten’: “… De verslaggevers waren dol op hem, hij gooide ze dag na dag nieuws en hapklare citaten toe, en ze vraten alles, al wisten ze wel beter. ‘McCarthy was een droomverhaal,’ zou een van hen zich herinneren. ‘Mijn verhalen waren niet van de voorpagina te branden, vier jaar lang.’…”. Steinbeck stond er dubbel in maar was de enige die het voor Arthur Miller opnam, die vierkant weigerde met McCarthy mee te werken. Achteraf bleek alles vooral een rondreizend circus, maar het maatschappelijk effect was langdurig en desastreus: “… Jarenlang konden, bijvoorbeeld, bijeenkomsten van de internationale schrijversorganisatie PEN niet in de Verenigde Staten plaatsvinden omdat sommige auteurs geen visum kregen, enkel vanwege controversiële politieke overtuigingen. Graham Greene werd ettelijke malen geweigerd, net als Iris Murdoch en, later, Gabriel Garcia Márquez…”. Mak verslaat de presidentsverkiezingen tussen Kennedy en Nixon, waar Steinbeck niet van wist wat hij er over moest denken, als een televisiewedstrijd vol vuile trucs: “… het beeld, het imago, won het op alle fronten van de inhoud…”. Nog steeds spelen show- en theatertechnieken een doorslaggevende rol: “… Niet de publieke zaak of de democratische discussie staat daarbij voorop, maar de ‘rating’ van het programma, het enige waar de sponsors (…) op letten. Vooroordelen worden bevestigd en versterkt, persoon en emotie staan centraal, de kijker moet tegen elke prijs worden geprikkeld en behaagd…”. Alles wordt gebruikt om het adrenalinepeil hoog te houden: “… Voor Fox is de waarheid – of, beter, het zoeken naar waarheid – volstrekt irrelevant…”.

God’s own country
In het oude Amerika stond godsdienst naast godsdienst en sekte naast sekte, in een tolerantie tegen wil en dank, want geen enkele religie had de overhand: “… Nadat de Pilgrims de oversteek hadden gewaagd volgde de ene groep religieuze kolonisten na de andere: Schotse presbyterianen, Engelse anglicanen, puriteinen en quakers, Nederlandse calvinisten, Noorse, Zweedse en Duitse lutheranen, Nederlandse en Duitse doopsgezinden, Ierse katholieken, joden uit de Lage Landen, en daarbij nog eens de aanhangers van talloze kleine sektes die onverschrokken, als ‘kinderkens Israëls’, dit nieuwe Zion binnentrokken. Rond 1750 was er in New England één kerk op iedere zeshonderd zielen, en elders lag dat cijfer zelfs onder de vijfhonderd…”. Hieruit ontstond de Anglo-Amerikaanse cultuur die zowel buitengewoon ondernemend als uitgesproken vroom was. Hier komt het concept van ‘God’s own country’ vandaan. Zowel Steinbeck als Mak gaan naar de kerk om het land te leren kennen, wat een goed idee is: “… Volgens laatste onderzoeken gelooft bijna twee derde van de Amerikanen in de duivel en de hel, bijna driekwart in de hemel en vier vijfde in een persoonlijke God die actief in hun levens aanwezig is…”. Als er geen kerk voor handen is zapt Mak op de Dag des Heren langs de televisiekanalen: “… Eerst maar eens een halfuurtje luisteren naar Joyce Meyer, een dragonder van een dominee met scherp gesneden mondhoeken die maar één boodschap uitstraalt: ‘Maak nooit, nooit, nooit ruzie met mij.’…”. Volgens hem is de heilsboodschap puur materialistisch geworden. De hel- en verdoemenispredikers die Steinbeck tegenkwam zijn nagenoeg verdwenen. Er is amper meer een kruis te bekennen. Het stinkt naar handel en magie: “… Om vergeving en genade wordt in die positieve megakerken niet meer gebeden, de gebedsdienst doet soms eerder denken aan drenzende kinderen op een verjaardagspartijtje; ‘I want my stuff – RIGHT NOW!’ en dan een koor van stemmen: ‘YEAH, I WANT MIJ STUFF RIGHT NOW, TOO'…”. Een groot deel van Amerika laat zich er iedere zondag opnieuw door bedwelmen. Dit voorspoedevangelie gaat trouwens naadloos over in de zakelijke ‘motivation industrie’ van het moderne managementdenken: ‘smile or die’. Als het niet goed met je gaat is dat je eigen schuld…

Have and have not’s
Terwijl Mak door het ontvolkte, natte en modderige aardappelland Maine tuft, vertelt hij over de armoede die hij overal (en Steinbeck nergens) aantreft: “… Eén op de acht Amerikanen – en één op de vier kinderen – moet leven van ‘food stamps’, een overheidsvoorziening die ervoor zorgt dat armen voldoende te eten hebben. Bijna niemand kan zich meer dan twee weken vakantie veroorloven. En altijd blijft er de zorg over ziektekosten, en de onzekerheid van de oude dag. Ik zal nooit de cassière van Walmart vergeten die ik ooit in Phoenix zag. Ze pakte onze boodschappen in, ik zag haar rimpelige, wat bevende handen, keek omhoog naar haar gezicht: ze liep vrijwel zeker tegen de tachtig…” (zie de romans van Willy Vlautin). Als hij het armste deel van een stad wil zien moet hij de trailercourts opzoeken, zeggen zijn vrienden, waar de mobil homes staan: “… De luxe exemplaren worden bewoond door ‘grijze nomaden’, welvarende gepensioneerden die alleen of in clusters door het land rijden, ’s zomers in het noorden, ’s winters in Florida en Californië, genietend tot ze erbij neervallen. Voor de meeste anderen betekent zo’n RV de laatste halte voor de goot…”. Volgens de verkiezingsbordjes komt de favoriete Republikeinse gouverneurskandidaat Paul LePage de staat Maine redden: “… de zakenman die verklaarde dat de NAAPC, de organisatie voor zwarte burgerrechten, ‘zijn reet kon kussen’, dat Obama ‘naar de hel kon lopen’ en dat het enige nadeel van de giftige uitwaseming van een bepaald soort plastic kon zijn dat ‘sommige vrouwen misschien baardjes zouden krijgen, en dat willen we niet.’ …”. Aan de andere kant: in Maine zit er niet één buitendeur op slot en iedereen helpt elkaar. Mak maakt even een uitstapje naar Canada om de Niagara Falls te zien: “…Imposant is het zeker: met bulderend geraas stort de inhoud van drie enorme meren zestig meter naar benden, het is alsof Onze-Lieve-Heer eigenhandig de wc doortrekt…”. En: “… Nooit zag ik een onderdeel van de schepping zo uitputtend geëxploiteerd…”. Een en ander is reden tot een stevige uiteenzetting over de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en vervolgens de Burgeroorlog. Ondertussen is het gelijkwaardigheidsideaal van de Amerikaanse Revolutie volkomen uitgehold: “… tussen 1980 en 2005 ging meer dan 80 procent van de toename van het nationale inkomen naar de allerrijkste 1 procent van de bevolking. In 1960 verwierf diezelfde rijkste 1 procent één dollar van iedere tien dollar die er in het land werd verdiend. Tegenwoordig is dat één op iedere vier dollar…”. En even verder: “… Volgens het Unicef-rapport ‘The Children Left Behind’ staat, van alle vierentwintig ontwikkelde OESO-landen, de Verenigde Staten onderaan op de ranglijst wat betreft gelijke kansen en mogelijkheden voor ieder kind, arm of rijk. Eén op de dertig Amerikanen zit bovendien in de gevangenis, of loopt rond met een opgeschorte of voorwaardelijke vrijheidsstraf…”. Amerika glijdt af naar een samenleving van haves en have not’s.

Weggegooid geld
Toen Steinbeck langs Detroit reed, hoorde de stad van de legendarische autopionier en antisemiet Henry Ford met z’n twee miljoen inwoners, tot de vijf rijkste steden van Amerika. Een halve eeuw later is het de armste spookstad van het land met een begrotingstekort van 200 miljoen dollar. Wie traumachirurg wil worden moet in het Henry Ford Hospital zijn: “… Bijna niemand ziet zoveel verwondingen door messen en geweren als wij…”. Detroit is, met het recordaantal van ruim tienduizend onopgeloste moorden, ‘murder capital’ van Amerika. Toch vertelt Mak tegelijk hoopgevend over de kleine, slimme initiatieven die overal de kop op steken en weer leven proberen te brengen in deze ‘postapocalyptische stad’(restaurantjes, kunstprojecten, stadstuintjes en -boerderijen). Dan gaat het naar Chicago, de derde stad van Amerika, vol mensenpakhuizen, emplacementen en vleesfabrieken. De stad van Al Capone, de gangs, de ongekend gewelddadige stakingen en rassenrellen. Mak vertelt over de mythische pleidooien van advocaat Darrow waarin hij opkwam voor de underdog: “… Ze duurden soms twee, drie dagen, en ze waren zo emotioneel dat tot slot bij hemzelf de tranen over de wangen liepen, een groot deel van het publiek zat te snikken en zelfs de rechter de ogen moest wissen…”. Vervolgens gaat het naar de boerenstaat Minnesota. Het ‘small town America’ dat Steinbeck beschrijft heeft plaatsgemaakt voor eindeloze soja- en maïsvelden. De oogst wordt omgezet in de biobrandstof ethanol: “… Het is lobbyland, waar lobbygeld wordt gezaaid en geoogst. De Amerikaanse ethanollobby heeft voor zichzelf stevige subsidies weten te regelen, en de oliemaatschappijen zijn verplicht enorme hoeveelheden ethanol af te nemen: sinds 2010 moet iedere liter benzine 10 procent ethanol bevatten. Dat tikt lekker aan, in grote hoeveelheden. Zuinigheid ligt niet zo in hun aard. Bovendien bestonden er tot voor kort tariefsbarrières om de import van met name goedkope Braziliaanse suikerethanol te weren. Het effect is bizar: ethanol levert slechts 8 procent van de Amerikaanse energiebehoefte, maar de productie ervan kost maar liefst 40 procent van de Amerikaanse maïsoogst. Van de 400 miljoen ton Amerikaans graan gaat 120 miljoen naar de destilleerderijen van ethanol. Op efficiëntie wordt nauwelijks gelet: Braziliaanse ethanol levert acht eenheden energie voor iedere eenheid energie die erin wordt geïnvesteerd, bij de Amerikaanse ethanol is dat maar anderhalve eenheid…”.

‘This is Armageddon’
Dan gaat het over de verlaten klassiek Amerikaanse prairies in de Midwest; het geruïneerde land van de Dust Bowl. Volgens Mak vertaalt ieder landschap zich in bepaalde religieuze gevoelens: dit past bij de eindtijdpredikers. Geanimeerd vertelt hij over ‘the rapture’ aan de hand van de christelijke sciencefictionserie Left Behind. De radiocommentatoren hebben het steevast over “This is Armageddon” als ze verslag doen van de bankencrises, een fikse portie winterse neerslag dan wel de duivelse plannen van de Verenigde Naties. Vroeger verpersoonlijkte Stalin, Hitler, en zelfs Franklin Roosevelt de antichrist, nu is dat de ‘moslim’-president Barach Obama himself. Dan duiken de getemde ‘Badlands’ op, waar ooit de immense kuddes bizons graasden (zie “Butcher’s Crossing” van John Williams), en waar volgens Mak de wortels van de Amerikaanse buitenlandse politiek liggen: “… In 1884 trok Theodore Roosevelt – Republikeins president van 1901 tot 1909 – zich in deze streken terug om tot zichzelf te komen na het verlies van zijn eerste vrouw. Hij begon er een ranch, de Elkhorn…”. Vervolgens weidt Mak uitgebreid uit over zijn opvolgers, hun macho-image, en de grenzeloze Messiaanse zelfoverschatting: Amerika als politieagent van de wereld. Aansluitend ontrolt zich Montana in al zijn lieflijkheid en vertelt Mak hoe de indianen in hun reservaten terecht kwamen, met de epische slag bij de Little Bighorn en opperhoofd Sitting Bull als hoogtepunt. Ondertussen staat Mak versteld van de bergen voedsel die de Amerikanen, in de motels waar hij onderweg eet, op de een of andere manier in hun mond weten te proppen: obesitas is een teer punt.

Leven in een plastic zak
Verder. De majestueuze Rocky Mountains. North-Dakota. Overal de ‘public poverty’. De Amerikanen haten belastingmaatregelen met als gevolg een zichtbaar desastreuze infrastructuur. Slechte wegen, op instorten staande bruggen, lekke waterleidingen, verkeersopstoppingen, slechte straatverlichting, ontregelde vliegvelden en geen geld voor de brandweer. Tegelijk laat de individuele levensstijl van de babyboomers die van hun ouders verbleken. Dan Seattle, Oregon, en Steinbeck’s geliefde Californië: San Francisco, Los Angeles en Hollywood. De indrukwekkende sequioabossen, reuzenbomen van 1000, soms 2000 jaar oud. Door de opwarming van de aarde kan het wel eens de laatste eeuw voor deze giganten zijn omdat de bekende Californische ochtendmist aan het verdwijnen is. Ze kunnen niet zonder deze kustnevel. Mak vertelt over de veranderde rol van vrouwen en kinderen. Betty Friedan die in 1963 de feministische knuppel in het hoenderhok gooide met “The Feminine Mytique”, over de gefrustreerde, door Benjamin Spock beïvloedde huisvrouwen, die zich met hun verwende potzakken van kinderen weggestopt voelden in de fraaie suburbs. Alfred Kinsey die gehakt maakte van de Amerikaanse moraal; duizenden interviews maakten duidelijk dat 80 procent van de succesvolle zakenlieden vreemd ging. Jack Kerouac die “On the Road’ publiceerde, een los verslag over de zwerftocht van twee wilde jongens. De beatniks en hippies die schijt hadden aan alles. Opgroeien in een hemel op aarde bleek als ‘leven in een plastic zak’, volgens journalist Lawrence Wright.

Dog- and car syndrome

Mak over het militair-industriële complex dat de helft van het belastinggeld opslurpt: voor één militair in het Midden-Oosten kun je twintig scholen neerzetten. Amerika zou aan het ‘dog and car syndrome’ lijden: “… een hond heeft eindeloze fantasieën over het najagen van auto’s, maar als het eenmaal zijn tanden in een achterbumper heeft gezet weet hij niet meer wat hij er verder mee aan moet…” (zie Vietnam, Afghanistan, Irak). Wat de politiek betreft is één ding duidelijk: Obama is niet langer cool. De Amerikanen hebben genoeg van zijn pappen en nathouden-beleid. De indeling op het staatkundige slagveld is simpel: “… aan de ene kant staan, in de onnavolgbare termen van humorist Dave Barry, de ‘ignorant racist fascist knuckle-dragging NASCAR-obsessed cousin-marrying roadkill-eating tobacco-juice-dribbling gun-fondling religious fanatic rednecks’, aan de andere kant de ‘godless unpatriotic pierced-nose Volvo-driving France-loving left-wing communist latte-sucking tofu-chomping holistic-wacko neurotic vegan weenie perverts’…”. De goedlachse columniste Molly Ivans van de ‘Texas Observer’ en de ‘Dallas Times-Herald’ blijkt een profetische blik te hebben: “… Onderschat nooit, nooit de macht van de Republikeinse machine, onderschat nooit hun politieke kwaliteiten, hun immense netwerk, hun campagnetechnieken, hun vermogen om de meest onwaarschijnlijke trucs uit de kast te trekken. Je lacht om hun show, je gelooft geen moment dat dit soort mensen ooit de wereld kan regeren, nou, vergeet het maar. Onderschat ze niet…”. Verder gaat het via de Mojave-woestijn richting het door de orkaan Katrina gehavende New Orleans. Ondertussen weer lange uitweidingen over de Amerikaanse presidenten, hoe Johnson het veld moest ruimen vanwege Vietman - ‘Hey, hey, LBJ, how many kids did you kill today’ - , de geschiedenis van Route 66, de zwarten in het diepe Zuiden (zie Paul Theroux), de Burgerrechtenbeweging (zie Christine Otten) en dan eindelijk ‘home’. Hèhè, wat een reis heb ik gemaakt. Even bijkomen, hoor…

Uitgave: Atlas Contact – 2014, ISBN 978 904 502 708 1, 575 blz., € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen