Menu

donderdag 21 december 2017

Sneeuw – Orhan Pamuk


Terwijl ik bij sneeuw vanzelf zachtjes zilveren klokjes hoor klingelen die ik associeer met een dromerig winter-wonderland schijnen er, volgens een grappig krantenartikel in het ND van zaterdag 16 december, ook sneeuwhaters te zijn. Die beginnen al te rillen als ze alleen nog maar naar buiten kijken. Volgens ene Karin de Korte, een psycholoog, zijn dromen over sneeuw vaak geen goed teken: “… Sneeuw en ijs symboliseren in het algemeen remmingen en verdrongen emoties…”. De Korte wil mensen uit een ‘dwaaltoestand’ halen: “… Het kan zijn dat mensen zeggen dat ze lekker gedroomd hebben over sneeuw. Bijvoorbeeld over dat ze naast een sloot liepen in een eindeloos wit landschap. Je denkt rationeel misschien dat je een goede, mooie droom hebt gehad, maar ik zal je, terwijl je die droom vertelt, altijd vragen wat je er nou bij voelt. Vaak zeggen mensen dan: ik heb het eigenlijk heel koud. Een droom is vaak de klop op de deur…”. Een lezer tipte mij: ‘Als je “Sneeuw” van Orhan Pamuk hebt gelezen begrijp je Turkije’. Ik las het terwijl buiten de sneeuw gestaag uit de hemel viel. De vrijgezelle, tweeënveertigjarige hoofdpersoon in het boek is een dichter, Ka, die al vrij snel meedeelt dat hij in een gedicht dat weinig bekendheid geniet, schrijft dat “… de sneeuw één keer in ons leven ook in dromen valt…” – en wel “… langdurig en geluidloos…”. De sneeuw in het boek verbergt inderdaad een hoop narigheid, daar heeft De Korte gelijk in…

Begrip

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen, de boodschap van deze vrij taaie, maar prachtige roman uit 2003, ligt wat mij betreft voor het oprapen in een fragment iets voorbij het midden: “… Misschien zijn we nu aangeland bij de kern van ons verhaal. In hoeverre is het mogelijk de pijn en liefde van een ander te begrijpen? In hoeverre zijn we in staat te bevroeden wat anderen doormaken, van wie de pijn heviger is, het gemis, de gekweldheid intenser? Als begrip betekent dat men in staat is zich in een ander, die van ons verschilt, in te leven, hebben dan alle rijkaards en rechters van deze wereld, ooit de miljarden sloebers in de marge kunnen begrijpen? In hoeverre is Orban, de romanschrijver, in staat de duisternis in het moeilijke en verdrietige leven van zijn vriend, de dichter, te zien? …”. Het doet me denken aan een filmpje over verzetsstrijder Hebe Kohlbrugge, zie hier. Goed, het verhaal. Ka, die als politiek vluchteling twaalf jaar in Duitsland verbleef, is terug in Turkije en op weg naar het godvergeten grensstadje Kars, om er als journalist de gemeenteraadsverkiezingen te verslaan (de burgemeester is onlangs doodgeschoten, maar je zou er wel veilig over straat kunnen) en de zelfmoordepidemie onder vrouwen te onderzoeken. Terwijl hij in de bus zit gaat het steeds harder sneeuwen. Tegen de tijd dat hij zijn intrek neemt in hotel ‘Sneeuwzicht’ - asjemenou! - is de desolate stad vol kaartende werklozen hermetisch afgesloten van de buitenwereld.

Sommige boeken verjaren nooit
Een driedaagse helletocht vangt aan, uitgesmeerd over bijna 600 bladzijden. De zelfmoordverhalen zijn verbijsterend: “… De haken die in het plafond waren geslagen, de wapens die van tevoren al waren geladen, de flessen gif die van de zijkamer waren gesmokkeld, bewezen dat de meisjes die zelfmoord hadden gepleegd al een hele tijd met dit idee speelden…”. En waarom? Natuurlijk voelden de meisjes zich extreem ongelukkig, “… Maar als je ongelukkig voelen reden genoeg is voor zelfmoord, dan zou de helft van de vrouwen in Turkije zich van het leven beroven…”. Een van de dode meisjes moest zich op korte termijn verloven met de bejaarde eigenaar van een theehuis. Een ander sloeg, na een paar flinke tikken van haar vader, een fles van het landbouwgif Mortaline achterover alsof het een flesje prik was. En eentje nam twee dozen slaappillen in nadat een leraar op school de klas had verteld dat ze geen maagd meer was. Haar aanstaande zag daarop af van een huwelijk, haar oma zei dat ze ‘toch wel niet zou trouwen’, en haar vader barstte in tranen uit bij iedere bruiloftscene op televisie. Bij sectie bleek ze wel degelijk maagd te zijn. Ik dacht aan het acht-uur-journaal van vanavond. Wat is er veranderd? Sommige boeken verjaren nooit. Waar Ka zich echter vooral op concentreert zijn de godvruchtige meisjes die zelfmoord plegen omdat ze van de seculiere onderwijsinstellingen worden gestuurd omdat ze weigeren hun hoofddoek af te doen.

Orde op zaken
Het verhaal krijgt absurdistische trekjes als Ka ontdekt dat in de plaatselijke krant berichtjes over hem staan die nog niet eens hebben plaatsgevonden. Bijvoorbeeld dat hij een gedicht zou hebben voorgedragen tijdens een komende toneeluitvoering: “… ‘Ik heb geen gedicht dat ‘Sneeuw’ heet, en ik ben niet van plan naar het theater te gaan. Dit bericht zal dus niet kloppen.’ ‘Daar zou ik maar niet al te zeker van zijn. Er zijn zoveel personen geweest die ons hebben veracht omdat wij nieuws brachten voor het gebeurd was, en die de mening waren toegedaan dat wij geen journalistiek maar koffiedikkijkerij bedreven. Toch hebben ze menigmaal paf gestaan als de gebeurtenissen zich precies zo ontwikkelden als wij ze beschreven hadden. Heel veel incidenten zijn louter en alleen gebeurd omdat wij er van tevoren over geschreven hadden. Zo gaat dat in de moderne journalistiek. Ik ben ervan overtuigd dat u niet van zins bent om Kars het recht te ontnemen modern te zijn, dat u ons niet wilt teleurstellen, en dat u dus eerst een gedicht zult schrijven dat ‘Sneeuw’ heet, en dat vervolgens voor zult komen dragen’…”. En dan is er nog dat artikel dat gaat over de wegen die zijn afgesloten vanwege sneeuwval: “… Kars zal drie dagen lang aan zijn eigen lot overgelaten zijn, zoals in de strenge winters van weleer. Dit biedt ons de gelegenheid orde op zaken te stellen…”. Na een jarenlange writersblock wordt Ka, terwijl hij door de sneeuw baggert, op de meest onverwachte momenten overvallen door de engel van inspiratie: “… Bij nauwkeurige lezing van de notities blijkt namelijk dat Ka het idee had dat de gedichten die in Kars tot hem kwamen niet geheel van zijn eigen hand waren. Hij geloofde dat die gedichten van ergens buiten hemzelf ‘Kwamen’, en dat hij alleen als medium diende om ze op te schrijven – en in één geval voor te dragen…”.

Overgeleverd aan de dierlijke lust van de man
“… Ka was doodsbang verliefd te worden, gedreven door dat heftige instinct van hen die hun beperkte liefdesleven ervaren hebben als een aaneenschakeling van pijn en schaamte…”, maar dat gebeurt toch. En wel op de onwezenlijk mooie Ipek, een gescheiden dochter van de hoteleigenaar, die hij nog kent van de universiteit. Haar ex, met wie ze geen kinderen kon krijgen, heeft zich, verbitterd door het lot, op de godsdienst gestort en zich kandidaat gesteld als burgemeester van een conservatieve, islamitische partij: “… Om te beginnen zijn die vrome mensen bescheiden, zachtaardig, begripvol. Ze halen niet meteen hun neus op voor het volk, waar die verwesterse types zo’n handje van hebben; ze zijn liefdevol en gekwetst…”. De politieke islam paait de mensen met geld en kadootjes. Toch wordt er voor de ogen van Ipek en Ka zonder pardon een seculiere schooldirecteur neergeknald in een lunchroom. Later zal Pamuk, die zich nadrukkelijk in het verhaal schrijft, het bandje in handen krijgen uit het afluisterapparaat dat op het lijf van de directeur is geplakt. Een heel hoofdstuk verwoordt het gesprek tussen de moordenaar en de vermoorde. Eerst zou de directeur op last van Ankara de namen van de gesluierde meisjes hebben doorgestreept, daarna negeerde hij de meisjes door ze geen kopje thee te geven, toen werden ze gedwongen op de gang te gaan zitten in plaats van in de klas, en op het laatst mochten ze helemaal niet meer naar binnen, werden ze opgepakt door de politie en afgeranseld. Volgens de moordenaar betekent de sluier voor de vrouw dat zij niet meer overgeleverd is aan de dierlijke lusten van de man: “… De zwarte islamitische professor Marvin King uit Amerika heeft onderzoek gedaan waaruit blijkt dat in islamitische landen, waar de vrouwen zich bedekken, verkrachtingen vrijwel niet voorkomen, en aanrandingen uiterst zeldzaam zijn. Want een volgens de voorschriften gesluierde vrouw geeft met haar kleding in de eerste plaats te kennen dat ze haar niet lastig moeten vallen. Mag ik alstublieft iets vragen? Als je meisjes die hun hoofd bedekken verstoken laat van onderwijs, en meisjes in onbeschaamde kledij de boventoon laat voeren, gooi je dan de eer van onze vrouwen niet te grabbel, net als in Europa gebeurd is na de seksuele revolutie? En worden wij mannen dan niet – permitteert u mij de formulering – gedegradeerd tot pooier? Daar zijn we dan toch op uit?...”.

De sneeuw doet mij aan God denken
Ka maakt kennis met een levende legende: de ondergedoken terrorist Indigo. Tot zijn verbazing een mooie jongen die er absoluut niet uitziet als één van de in de westerse media afgetekende baardapen. Verder komt Ka in een geheime loge van een charismatische sjeik terecht, wiens goeroekwaliteiten alleen al maken dat je je verlicht voelt en bekeert tot de islam. Hij knoopt een gesprek aan met een stel jonge moslimfundamentalisten die elkaar het hoofd op hol brengen met de gekste verhalen. Zo zou de leider van een imamschool zijn geloof hebben verloren, alleen door in een lift van een wolkenkrabber besmet te worden door een man met een atheïstisch boek. Hij geeft zich over aan alle mogelijk denkbare zonden. Hij steelt, hij verkracht, en: “… Hij ging de straten op en verkondigde – bewaar me – dat God niet bestond, dat er van de moskeeën discotheken gemaakt moesten worden, en dat iedereen christen moest worden omdat je dan pas net zo rijk kon worden als de westerlingen…”. Ondertussen wordt de beste man overvallen door zelfmoordneigingen en wanhoop. Tenslotte gaat hij terug naar de lift waar hij dezelfde meneer van eerst tegen komt: “… Hij liet de omslag van het boek dat hij in zijn handen had zien, want daarin lag het medicijn tegen atheïsme besloten. De directeur reikte met trillende hand naar het boek, maar de lange man trok een briefopener met parelmoeren heft te voorschijn en, voor de lift stopte, stak hij hem in ’s mans hart…”. Ka kent het verhaal want het doet ook in Duitsland de ronde. Of Ka ook atheïst is? En of Ka soms ook zelfmoord wil plegen? “… ‘De sneeuw doet mij aan God denken,’ zei Ka…”.

Solidariteit
Ipek heeft een zus die religieus is geworden en als geen ander duidelijk maakt dat de secularisten net zo erg zijn als de islamisten: “... die meisjes, die hun hele leven te horen hebben gekregen dat ze hun hoofd moesten bedekken, kregen nu opeens de opdracht hun hoofd te ontbloten, omdat de staat dat wilde…”. En even verder: “… Voor een meisje dat weet dat haar hoofddoek een bevel van God is en dat hem draagt als een banier, is het heel moeilijk om zich later zonder hoofddoek tussen de mensen te begeven…”. Uit pure solidariteit heeft ze op een goede dag ook een hoofddoek omgedaan, is hen gaan opzoeken, en toen ze gearresteerd werd, gelovig geworden. Inmiddels is ze de leidster van de sluierdraagsters. Christenen zeggen dan: het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Haar atheïstische vader beschouwt het allemaal als een opstandige gril. Een vriendin van haar vertelt dat de staat een ‘ompraatster’ op gesluierde meisjes afstuurt en dat ze bang is dat ze een wellustige vrouw wordt als ze haar hoofddoek afdoet. Volgens haar is zelfmoord de enige manier om over je eigen lichaam te beschikken. De zus van Ipek heeft het over ‘trots’ als motief: de vrouwen willen zich niet langer laten koeioneren door mannen. En als je het toch hebt over boter op je hoofd: “… Nadat de Azeri-journalist, die eerder om de haverklap had gevraagd ‘over welke natie het nu eigenlijk ging’, had geroepen dat men vooral het ‘Turkendom en de religie’ trouw moest blijven, en een uitgebreid overzicht begon te geven van de kruistochten, de Holocaust, de indianen die in Noord-Amerika waren uitgeroeid, de moslims die in Algerije door de Fransen over de kling waren gejaagd, stelde een defaitist in het gezelschap spitsvondig de vraag waar dan al die miljoenen Armeniërs gebleven waren die ooit in Kars, en in heel Anatolië, hebben gewoond…” (expliciete uitspraken over de Armeense genocide hebben van de nobelprijswinnaar Orhan Pamuk nog net geen persona non grata gemaakt).

Mannen
Als tijdens een toneelstuk in het plaatselijke theater die avond een chador wordt verbrand en de aanwezige moslimscholieren onrustig worden, komen er schietende soldaten het podium op. Eerst denkt het publiek nog dat het om een geintje gaat. Maar de kogels zijn echt, en de militaire coup is ook echt. Er vallen doden en gewonden. Er volgen arrestaties vanwege separatisme en Koerdisch nationalisme. Twee tanks rijden als trage, duistere schimmen rond in de sneeuw. Ook Ka wordt opgepakt. De hele tijd heeft er een politiespion op zijn hielen gezeten. Hij heeft zoveel gearresteerde geloofsgekken gezien en gesproken, hij kan er vast wel een paar identificeren. De putsch lijkt niets met Ankara te maken te hebben, maar alles met het eigenmachtige optreden van de linkse theatermaker, die Ka gevraagd heeft een gedicht voor te komen dragen in zijn programma. Hij wil koste wat kost voorkomen dat de islamisten de lokale verkiezingen winnen. De pot verwijt de ketel: “… Immers, als de mensen niet bang zijn voor godsdienstfanaten en hun heil niet zoeken bij de staat en het leger, dan vallen ze in handen van achterlijkheid en anarchie, zoals dat ook gebeurt in bepaalde stammenrepubliekjes in het Midden-Oosten en Azië…”. Ook Indigo weet Ka weer stiekem te ontbieden. Hij heeft een boodschap voor ‘de hele wereld’: “… Dat wij zo arm zijn is niet, zoals westerlingen denken, de reden dat wij hier zo gehecht zijn aan onze God, de reden is dat wij meer dan wie ook benieuwd zijn naar wat onze taak op deze wereld is en naar wat er in die andere wereld te gebeuren staat…”. De zus van Ipek blijkt zijn geheime minnares. Ze pikt echter niet álles uit naam van de islam: “… ‘Van geen van de vrouwen die vanwege hun hoofddoek zijn gemaltraiteerd en van school gestuurd staat de naam in de krant,’ zei Kadife met diezelfde blinde woede. ‘Niet die vrouwen die hun leven geruïneerd zagen door hun hoofddoek staan met hun foto in de krant, maar die provincaalse, angsvallige slome islamisten die voor hen spreken’…”. Zoals bijna altijd, óók in mijn godsdienst als die maar extreem genoeg is, brengen de vrouwen de grootste offers. Er wordt een clandestiene vergadering bijeen geroepen in een hotelkamer waar alle tegenstanders van de geënsceneerde staatsgreep hun zegje mogen doen, zodat er een democratische verklaring kan worden opgesteld voor de Duitse media waar Ka voor zegt te werken (zogenaamd). Als de bijeenkomst hoe langer, hoe gezelliger wordt, en eindigt in schuine praatjes over westerse blondjes, wordt de zus van Ipek zo boos dat ze haar hoofddoek afrukt, en roept dat ze van de aanwezigen walgt: “… U geneert zich kennelijk niet, maar ik moet blozen, als ik dat allemaal aanhoor. Ik doe dit hier om mijn hoofd, zodat u mijn haar niet kunt zien, en ik onderga dit omwille van jullie, maar…”. Mannen zijn ook overal hetzelfde…

Kwaaie pier
Weer verschijnt er een kafkaësk bericht in de krant: “… Een Goddeloze in Kars. IEDEREEN VRAAGT ZICH AF WAT DE ZOGENAAMDE DICHTER KA IN DEZE ROERIGE TIJDEN PRECIES IN KARS UITVOERT. Heftige Reacties Inwoners Kars op Introductie Zogenaamde Dichter in Directe Uitzending van Gisteren…”. Zo wordt Ka de kwaaie pier, de aanstichter van alle kwaad. Hij durft de deur niet meer uit zonder politiebegeleiding. Nog een verontrustend toekomstbericht luidt: “… Dood op de planken. VOORAANSTAANDE ACTEUR SUNAY ZAIM TIJDENS DE VOORSTELLING VAN GISTERAVOND DOODGESCHOTEN. Tijdens Het Historische Optreden Gisteravond In Het Gewestelijk Theater, Heeft Sluierdraagster Kadife In Het Vuur Van De Verlichting Haar Hoofddoek Afgeworpen Om Vervolgens Kogels Af te vuren Op Sunay Zaim, In De Rol Van Slechterik. De Inwoners Van Kars, Die Het Incident Via De Rechtstreekse Uitzending Op Televisie Volgden, Waren Ontzet…”. Uiteindelijk eindigt het verhaal in een ongelooflijke soap, waarin Indigo gevangen wordt genomen, en zijn gesluierde minnares onder druk wordt gezet om mee te spelen in een nieuw toneelstuk waarin ze haar hoofddoek afgooit, om hem vrij te krijgen. Ka bemiddelt in alle toestanden, maar verraadt de schuilplaats waarin Indigo zich, nadat hij op vrije voeten is gesteld, heeft teruggetrokken. Hij wordt vermoord. Als Ipek ervan hoort weigert ze met Ka mee te gaan naar Duitsland om samen een nieuw leven te beginnen, zoals ze hem had beloofd, en haar zuster schiet inderdaad tot haar eigen verbijstering haar tegenspeler, de verlichte theatermaker dood, met een pistool waarvan het publiek even daarvoor nog was aangetoond dat het ongeladen was. Trouwens, een ordinaire soap, iedere middag om vijf uur op televisie, is het enige middel dat het hele volk samenbindt. Zelfs de politie vergeet dat ze Ka net aan het martelen zijn als er een aflevering begint. Orhan Pamuk vertelt over het onderzoek dat hij heeft gepleegd naar de wederwaardigheden van zijn vriend die vier jaar na het gebeurde in Kars midden op straat in Frankfurt is doodgeschoten. Waarschijnlijk uit wraak, maar dat weet niemand precies.

Vrouwen
Aan de ene kant baadt het verhaal in een W.G. van der Hulst-sfeer: “… Het sneeuwde zo mooi! Het sneeuwde met zulke grote vlokken, zo gestaag, alsof het nooit meer op zou houden, zo stil! De omhooglopende brede Karadaglaan, kniehoog bedekt met sneeuw, verdween in de duisternis van de nacht. Zo wit en geheimzinnig!...”. Aan de andere kant barst het van de gruwelen. Terecht vraagt de gesluierde zus van Ipek zich af waarom jan en alleman zich eigenlijk druk maakt om de zelfmoord van een paar meisjes, als de mannen elkaar onderling vanwege hun politieke overtuigingen om het minste of geringste afslachten. Misschien verwoordt Pamuk zijn frustraties over Turkije wel op zijn allerhevigst en allermooist in een tirade die hij de verlichte theatermaker in de mond legt. Alsof hij zijn volksgenoten een geweldige trap onder hun indolente achterste wil geven: “… ‘Ze geven elkaar allemaal aan,’ zei hij. Hij vertelde dat hij in al die jaren dat hij toneelstukken had opgevoerd in afgelegen Anatolische provincieplaatsjes gezien had dat in dit land alle mannen verlamd waren door zwaarmoedigheid.‘Dagen en nachten achtereen hangen ze maar in theehuizen en voeren geen klap uit,’ vertelde hij. ‘In iedere provincieplaats honderden, over heel Turkije zijn dat honderdduizenden, miljoenen zielige kerels zonder werk, zonder hoop, zonder initiatief, zonder ook maar iets te presteren. Mijn broeders hebben niet de moed meer om te zorgen dat ze er fatsoenlijk bij lopen, geen wilskracht om hun vettige, smoezelige jasjes dicht te knopen, geen energie om nog een vin te verroeren, geen concentratie om tot het eind toe naar een verhaal te luisteren, geen puf om te lachen om een grap.’ Hij vertelde dat de meesten zo ongelukkig waren dat ze geen oog meer dichtdeden, dat ze graag rookten omdat ze daaraan doodgingen, dat de meesten hun zinnen niet afmaakten omdat ze halverwege er de zinloosheid al van inzagen, dat ze niet naar de televisie keken omdat ze de programma’s zo leuk en amusant vonden, maar omdat ze die andere zwaarmoedigen niet konden verdragen, dat ze eigenlijk dood wilden maar dat ze zichzelf geen zelfmoord waard vonden, dat ze bij de verkiezingen stemden op de waardelooste kandidaat van de armetierigste partij zodat ze hun hun verdiende straf konden geven, dat ze liever de plegers van een militaire coup hadden, die voortdurend straf beloofden, dan politici, die almaar hoop in het vooruitzicht stelden…”. Zijn vrouw “… zei dat ze allemaal een ongelukkige vrouw thuis hadden zitten, die voor de kinderen zorgde, waarvan ze er trouwens veel meer op de wereld hadden gezet dan nodig was, en die een paar centen probeerde te verdienen door ergens, zelfs hun man wist niet waar, aan de slag te gaan als dienster, tabaksarbeidster, tapijtknoopster of verpleegster. Het was dat die vrouwen er waren, die zich - huilend en schreeuwend tegen de kinderen – aan het leven vastklampten, want zonder hen zouden miljoenen mannen, die heel Anatolië in hun greep hadden en die met hun ongewassen hemden, hun ongeschoren kaken, hun vreugdeloze, werkloze, vruchteloze bestaan allemaal op elkaar leken, stuk voor stuk ten onder gaan zoals bedelaars die in vriesnachten op de hoek van de straat doodvriezen, zoals dronkaards die de kroeg uitkomen, in een openstaande put van de riolering donderen en verdwijnen, of zoals demente opa’s die in pyama en op pantoffels voor een brood naar de kruidenier gestuurd worden en onderweg verdwalen. Maar ze waren, zoals we in dit meelijwekkende Kars wel zagen, met veel te veel en het enige waar ze plezier aan beleefden was hun vrouw, aan wie ze hun leven te danken hadden en van wie ze hielden met een liefde waar ze zich voor schaamden, onder de plak te houden…”. Zó is het ook nog eens een keertje…

Uitgave: De Bezige Bij – 2012, vertaling Margreet Dorleijn & Hanneke van der Heijden, 576 blz., ISBN 978 902 347 648 1, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten