Onlangs ontdekte ik op YouTube “De boekentafel van Godert Walter”, een leeskring waar ik helemaal vrolijk van wordt, die wekelijks samenkomt op de zolder van een boekhandel in Groningen. Daar werd de nodige aandacht besteed aan de jongstleden 11 februari overleden schrijver/dichter/reisjournalist Cees Nootenboom (1933-2026). Ik had nog nooit wat van hem gelezen: ik vind zijn werk fantastisch. Het heeft iets on-Nederlands, iets filosofisch, iets ongrijpbaars, precies dát wat de denker Buying-Chul Han de ‘narratieve toverkracht’ noemt. Wat die tent op de omslag van de nieuwste uitgave doet is mij trouwens een compleet raadsel: in het hele verhaal komt geen enkele tent voor.
Inieminie Epsteintje
Na zeventien jaar ‘romanstilte’ werd “Rituelen” van Cees Nooteboom eind 1980 begin 1981, op een enkele uitzondering na, met groot enthousiasme ontvangen. Op de eerste bladzijde staat de zin waarmee Nootenboom beroemd werd: “… Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil…”. Het verhaal begint met de boodschap dat de protagonist, Inni Wintrop, zelfmoord pleegt (dronken en aan de plafondbuizen in de wc), wat natuurlijk mislukt, anders hadden er niet nog eens zo’n tweehonderd bladzijden kunnen volgen waarin hij achterom kijkt en voort ploetert in zijn ontuchtige doch wonderlijke leven. Inni (hij vindt zijn naam belachelijk, zijn ouders noemden hem naar een belangrijke architect, misschien dachten ze dat hij het genie er vanzelf bij zou krijgen) is een ieniemienie Epsteintje: ‘hij kan de nacht niet goed alleen doorbrengen’. Een charlatan die zijn kost verdient met alles wat geld oplevert plus het bij elkaar fantaseren van de horoscoop in Het Parool. Hij beschouwt zichzelf als een ‘vampier’ die alleen maar kan leven door ‘licht’ te zuigen uit vrouwen. Ze ‘geven hem het gevoel dat hij leeft’. Soms gaat hij ‘als een hond de straat op’, soms voelt hij zich ‘extatisch, als iemand die kan vliegen’ en ‘schenkt hij zich weg aan iedereen die aanspraak maakt op het kortstondig bezit van Inni Wintrop’. Zijn prachtige Namibische vrouw (een fotomodel, jawel), wil niet weten wat hij allemaal uitspookt, “… omdat ze anders verplicht zou zijn hem te doden, en daar was niemand bij gebaat…”. Na zes jaar, waarin hij zich bij gelegenheid en waar hij maar kon, inliet met hoeren en ‘tieners in spijkerbroek’ plus vrouwlief het bevel gaf het kind dat ze samen maakten ‘de toegang tot de wereld te versperren’ omdat hij ‘zijn angst voor veranderingen’ niet in de hand zou hebben, verlaat ze hem voor een ander. Niet zonder hem kaal te plukken overigens. Als ze langs een etalage met kinderkleertjes komt ‘huivert ze van verborgen wraakzucht’. Vind je het gek? “… Zelfs de eindeloze reserves van Namibië raken uitgeput…”. Even verder: “… ‘Inni leeft in twee werelden,’ zeiden zijn zeer verschillende geaarde vrienden die zelf maar in één wereld leefden…”. Inni beschrijft zichzelf als een ‘gat’, een ‘afwezige’, ‘iemand die niet bestaat’, dat wil in zijn geval zeggen een ‘kameleon’ die zijn rol aanpast aan alles en iedereen. “… ‘Jij leeft niet,’ had zijn vriend de schrijver een keer gezegd, ‘jij laat je afleiden,’ en Inni had dat als een compliment beschouwd…”.
Amsterdam 1963
Voorgaand intermezzo speelt zich af op de dag voordat Kennedy wordt vermoord: “… De foto was duidelijk geweest: er waren verwarde tijden op komst…”. De wereld is in de ban van de Koude Oorlog. Onze hoofdstad is in een ondergangsstemming (toen ook al): “… Vissen begonnen te sterven aan dingen waar vissen vroeger niet aan stierven en de gezichten in de steeds langere rijen auto’s op de grachten vertoonden soms dat mengsel van frustratie en agressie dat de zeventiger jaren zo uniek zou maken, maar nog bijna niemand scheen te weten dat de natuur, moeder van alles, het weldra zou begeven en dat het einde van de vervuilde tijden nabij was, en ditmaal voorgoed. Toch broeide onder al die uiterlijke onwetendheid de zachte brand van onrust, wanhoop en kwaadaardigheid. De wereld stonk allang, Amsterdam begon zachtjes te smeulen…”. In feite buigt Nooteboom zich evenals Lena Bril in “In therapie. Een persoonlijke zoektocht naar houvast” over de vraag of mensen in het in rap tempo ontkerkelijkte Nederland wel zonder enige vorm van geloof (dan wel rite) of ander collectief verhaal kunnen. Zie ook “De crisis van het narratieve” van filosoof Buying-Chul Han en zijn essay “Over het verdwijnen van rituelen”, waarin hij aantoont hoe we met de gedeelde rituelen ook onze band met de gemeenschap zijn kwijtgeraakt. Wat rest is een cultus van authenticiteit en narcisme volledig gedreven door commercie.
Een echte Wintrop
In het tweede deel buigt het verhaal van Nooteboom zich naar tien jaar daarvoor: 1953. Inni Wintrop bewoont een kamertje in een pension waar hij zijn kont niet kan keren, als op een vrije zaterdag zijn tante Thérèse binnen komt stuiven. Moeilijk, moeilijk, omdat er eigenlijk geen plaats is voor “… twee mensen en zij was op zichzelf al bijna twee…”. Ze oogt wat hysterisch, “… alsof er voortdurend een pannetje bloed op een innerlijk fornuis stond te koken…”. Ze ziet direct dat hij een ‘echte Wintrop’ is: “… Alle Wintrops zijn gek, slecht, ijdel, hebben geen discipline, leven in verwarring, scheiden aan een stuk door. Ze behandelen hun vrouwen als vee, en die vrouwen blijven verliefd op ze. Ze zijn fout in de oorlog of verdienen eraan, ze zijn slim in zaken maar ze vergokken hun geld of gooien het in de lucht, en ze verkopen elkaar voor een gulden. Heb je je vader gekend?...”. Amper. Hij kwam om tijdens een bombardement in de oorlog toen Inni tien was (hij is daarom wel trots op hem). Zijn ouders waren gescheiden toen papa vreemdging met het dienstmeisje. Hij had ook nogal losse handjes. Inni was eerst bij zijn vader gebleven maar tijdens de hongerwinter naar zijn moeder gestuurd die in Gelderland woonde. Ze was met zijn gehate stiefvader ergens in Europa neergestreken. Kortom: “… Hij hoorde nergens bij, en dat beviel hem uitstekend…”.
De verdwenen God achterna
Tante zit goed in de slappe was en sommeert Inni in haar witte Lincoln met chauffeur te stappen om een bezoekje te brengen aan haar ‘vroegere minnaar’ Arnold Taads, een notaris in ruste, die moet zorgen dat Inni het geld waar hij recht op heeft terugkrijgt van zijn foute voogd, waar hij mee in de clinch ligt. Taads blijkt zich met zijn reusachtige hond als een bejaarde monnik te hebben teruggetrokken in de bossen van Doorn. Zijn glazen oog, zijn voor zijn schriele gestalte veel te luide, blaffende stem, zijn krampachtige, dwingende gezicht en zijn woudlopers-outfit à la Old Shatterhand, bezorgen Inni de schrik van zijn leven. Ze worden weggestuurd omdat ze tien minuten te vroeg zijn. Na een eindje wandelen ‘dalen ze wederom af in het schimmenrijk’. Taads vindt houvast in het leven door zich te houden aan een angstaanjagende, verstikkende, maniakale orde. Hij is het vleesgeworden protocol. Een regeerder van zijn eigen lot, met ‘versterving’ als hobby. Alles is bij hem ritueel geworden. Zijn woonkamer is een ‘wiskundesom’ met witte, glanzende meubels van een ‘calvinistische, haatdragende moderniteit’. Taads vraagt wat Inni wil ‘worden’, want hij kan toch niet eeuwig een loonslaafje op een stom kantoor blijven? Inni heeft geen idee: “… De wereld was al boordevol met mensen die iets waren, en de meesten waren er duidelijk niet gelukkig mee…”. Taads beveelt tante Thérèse haar neefje geld te geven zodat hij zijn baantje op kan zeggen. Een Wintrop werkt niet. Daarna stuurt hij haar weg. Inni krijgt de opdracht zich van vijf tot kwart voor zes zelf te vermaken, want dan moet meneer lezen. Tijd is ‘de vader van alle dingen’, leert Inni. Van zes tot zeven gaan ze met de hond het bos in en stort Taads zijn intense mensenhaat over Inni uit. Hij koestert zijn fanatieke eenzaamheid. Hij is het gelukkigst in de Rocky Mountains waar hij ooit zes maanden in zijn dooie eentje op een bergtop zat als brandwacht. Hij brengt als voormalig skikampioen nog steeds de wintermaanden in een verlaten vakantiehuisje in de Zwitserse Alpen door. Zijn hoofd zit vol met het atheïstisch existentialisme van Sartre. Dat van Inni met ‘niets’. Taads “… keek niet op of om en had dezelfde weg waarschijnlijk ook blind kunnen afleggen met dezelfde ritmische, mechanische bewegingen. Een opgewonden soldaatje op mars…”. Hij oreert maar door over het bestaan waar je in bent geworpen en dat niets betekent behalve door wat je het zelf liet betekenen, terwijl hij refereert aan de ‘grote vallers’: Icarus, Ixion, Phaeton, Tantalus. “… Ga skiën!…”, denkt Inni, “… Suis van de helling af, je verdwenen God achterna…”.
Ter kerke
Taads neemt Inni op zekere dag mee voor een bezoek aan tante Thérèse in Tilburg, waar ze verrast worden met een uitgebreide Brabantse koffietafel. Inni voelt zich heerlijk te midden van alle weelde. “… Kussenkasten, chesterfields, schilderijen van de Hollandse school, een wellustig renaissance crucifix van ivoor, hele families Sèvres en Limoges, Perzische tapijten, personeel, als een warme doek werd het om hem heen gewikkeld…”. Taads duidt het allemaal als ‘stront’. Antiek stinkt. “… Dit is alleen maar vol te houden als je van binnen ook een uitdragerij bent…”. Wanneer je dit verachtelijk vindt moet er iets mis met je zijn, concludeert Inni. “… Hij vond het buitengewoon behaaglijk, en tegelijkertijd drukte het macht uit, en daardoor afzondering van de buitenwereld…”. Taads bezorgt tante Thérèse een zenuwinzinking door te vragen of ze ook ham heeft: het enige wat er aan de dis ontbreekt. Eén vraag brandt op tante Thérèses lippen. Gaat Inni nog ter kerke? Er schuift een ‘heeroom’ aan bij het diner die priester en ‘geheimheer van de paus’ is en een theologische discussie begint met Taads, wat eindigt in een verhit handgemeen. Inni, de eeuwige buitenstaander, mengt zich er niet in.
Een stil geloof in engelen
Intussen wordt Inni onopvallend verleid door het dienstmeisje, dat hem meeneemt naar het bos, waar ze hem ter wille is, ook al zal ze over een paar weken, wanneer haar verloofde terugkomt uit de Koreaoorlog, trouwen (Taads heeft hem uitgelegd dat als je geen vader hebt je tenminste geen superego hoeft mee te torsen: “… Geen vader op je rug, geen dwingende regulerende factor in je leven. Niets om je tegen af te zetten, om te haten, om aan te refereren in je gedrag…”). Ze sluipt ook nog zijn logeerkamer in. Toch is er ook weer geen sprake van platte Epsteinseks, waar de minachting en haat richting vrouwen van afdruipt. Zie het NRC van 21 februari: “… De Epstein-files bieden een ongefilterde blik in de denkwereld van bepaalde mannen. Jonge vrouwen zijn ‘jong pussy vlees’, oudere vrouwen hebben ‘kwark tussen de benen’, hun eigen echtgenote is een ‘miserable cunt‘…”. Misschien bestaat Inni’s ‘geloof’ uit vrouwen. ”… Een grote verslaving was begonnen…”, in ieder geval. Inni zet zijn dames op een voetstuk: “… Vrouwen waren de meesters van de wereld, eenvoudig omdat ze hem in beheer hadden. Nooit zou hij gevoel hebben dat hij iemand ‘nam’, of ‘veroverde’ of wat er dan nog meer aan stupide terminologie bedacht was om de waarheid te verhullen: dat men zich, dat hij zich aan vrouwen uitleverde met een absolute overgave die altijd misverstanden wekte…”. Zielig toch? “… Als de wereld een raadsel was dan waren vrouwen de kracht die dat pulserende raadsel op gang hielden, zij, en zij alleen hadden toegang tot het raadsel. Als er al iets te begrijpen viel op de wereld moest dat via vrouwen gebeuren. Vriendschap met mannen kon heel ver gaan, maar het bleef de rationale kant van de dingen, iets wat sommige vrouwen erbij hadden, een extra…”. Met andere woorden, niet alle vrouwen zijn zo stom als ze er uit zien. “… Vrouwen waren eerlijker, directer, dan woorden, het waren media…”. Niet voor niets moet hij steeds trappen opklimmen naar hun onderkomens. Alsof het een soort ‘Jacobsladders’ zijn. Zijn vrouwen zijn engelen, moeder Maria’s, die hem over zijn bol aaien, lekker instoppen en ook nog zijn biologische functies helemaal snappen. Ze halen ‘de zachte kant’ in hem naar boven: “… Vaak had hij het gevoel dat vrouwen hem toestonden om zoveel als dat mogelijk is een vrouw te zijn – en dat hij zonder dat niet zou kunnen overleven. Niet dat hij ooit fysiek een vrouw had willen zijn, juist zo, met die vrouw in zijn mannenlichaam onderging hij een raadselachtige sensatie van dupliciteit. Hij was wat men dan noemde een vrouwenman, maar dan zoals in de mythologie een vogelman kan zijn…”. Als je je maar genoeg in elkaar kunt verplaatsen zijn we misschien allemaal wel een beetje trans. Ik geloof eerlijk gezegd helemaal niet dat er zoiets bestaat als honderd procent mannelijkheid tegenover honderd procent vrouwelijkheid. Zie de Duitse wetenschapper Magnus Hirschfeld die rond 1900 tot de conclusie kwam dat er welgeteld 40.046.721 seksuele types bestonden. Daar staan we dan met onze miserabele LHBTIQA+ labeltjes. We kunnen nog effe. “… Hij haatte de houding van de meeste mannen tegenover vrouwen, want ook al deed hij dezelfde dingen, de beweegredenen waren anders. Hij wist wat hij zocht. Seks was nooit waar het echt om ging, seks was alleen maar het verrukkelijke vervoermiddel. Vrouwen, alleen vrouwen, waren een middel om dichterbij te komen, in de buurt, in de straling van het geheim waarvan ze de beheersters waren en mannen niet. Door mannen, maar dat zou hij pas veel later zo kunnen zeggen, leer je hoe de wereld is – door vrouwen wát hij is…”. Tuurlijk joh. “… En deze nacht, waar duizend andere nachten, kamers en lichamen overheen geschoven zouden worden, was de onvergetelijkste van alle…”. Hier wordt een religie geboren.
Het lichaam als gadget
Het derde deel verspringt naar 1973. Inni is inmiddels veertig, “… de leeftijd waarop je alles voor de derde keer moet doen of gaan studeren voor kwaadaardige oude man…”. Die dag ziet hij drie duiven, zoals hij op andere dagen te veel blinden, of kreupelen of linkerschoenen langs de weg ziet liggen, wat hem een ‘vaag gevoel van onbehagen’ bezorgt: ‘alsof er ergens toch nog een duister plan omtrent de wereld bestaat’. De eerste duif is een dode duif die hij gaat begraven in het Westerpark met een meisje die de vogel ook ziet. Langs zijn neus weg deelt Nooteboom nog gauw een geweldige sneer uit naar Jan Wolkers, van wie het meisje een boek in een plastic tas heeft zitten. Daar kan de dode duif wel bij, dat geeft niks, zegt Inni (als je bedenkt dat de duif een symbool is voor de Heilige Geest: die is bij Wolkers wel dood ja). De tweede duif laat zich meevoeren op de rand van een omhoog bewegende ophaalbrug. Vervolgens duikt Inni natuurlijk met het meisje in bed. Als je niet in het ‘hogere’ gelooft, ben je blijkbaar overgeleverd aan het ‘lagere’ oftewel je driften en instincten. Zie Rom. 1:24. Zie “Compassie” van Karen Armstrong. Het meisje vrijt mechanisch. Ze trekken je tegenwoordig aan en uit als een handschoen, denkt hij. “… Het leek soms nog het meest op een vorm van werken…”. Terwijl hij haar aankijkt: “… Ze had nog niet geleden, en dat was niet per ongeluk. Lijden, had hij geleerd, kon je ook weigeren, en dat werd tegenwoordig op grote schaal gedaan…” (zie de intro van mijn vorige blog). Als het achter de rug is: “… ‘Zie ik je nog eens?’ vroeg hij. ‘Nee. Ik heb een vriend.’…”. Pas als hij twee straten verder is bedenkt hij dat ze geen van tweeën elkaars naam gevraagd hebben. Wat maakt het uit? “… Niets, en toch kwam het hem voor dat er iets mis was met een tijd waarin je naamloos met elkaar naar bed kon gaan…”. Hij besluit haar ‘Duifje’ te noemen.
Het numineuze
Inni was in feite net op weg naar een kunsthandel met een paar platen die hij op de kop heeft getikt. Als Nooteboom het over kunst heeft, is hij echt op zijn best. Prachtig beschrijft hij de ‘Lybische Sibylle’ een copy van een ets van Baldini, die Inni bij zich heeft. “… ‘Ze broedt een boosaardige voorspelling uit,’ zei Bernard. ‘En ze heeft konijnenoren, maar dat is waarschijnlijk het Lybische aan haar.’…”. De kunsthandelaar stuurt hem met een Japanse prent naar iemand anders die er meer verstand van heeft: “… Je kunt alleen maar wezenlijk mooi vinden waar je echt iets van weet…”. Onderweg ziet Inni een derde duif zich te pletter vliegen tegen een winkelruit. Hij fladdert toch weer van de grond. “… Duiven, orakelspreeksters, predikers, dit was duidelijk een dag dat het hogere het op hem voorzien had…”. Als hij bij het opgegeven adres aankomt, ziet hij een magere, oriëntaals uitziende man als in trance naar een zwarte kom in de etalage staren. “… Sommige dingen drukken rust uit, andere zijn machtig. Maar het is niet altijd zeker waar die macht op berust…”. Even verder: “… Het beste kon je misschien nog zeggen dat die pot, kom, of hoe je het eenzame voorwerp dan ook noemde, eruitzag alsof hij ontstaan was, spontaan, niet door mensen gemaakt. Hij was letterlijk sui generis, hij had zichzelf gecreëerd en heerste over zichzelf en over wie naar hem keek. Men zou voor deze kom gerust bang mogen zijn…”. De man stapt na hem naar binnen, gevolgd door twee Japanners, met wie de winkeleigenaar een gesprek aangaat. “… Ik zag dat u belangstelling had voor de raku-kom…”, zegt de man plotseling. Inni zegt dat hij er geen verstand van heeft, maar dat er voor zijn gevoel een soort van dreiging uitgaat van de kom. “… Samen liepen ze de kant van de etalage op. De kom stond nu beneden hen zodat hij erin kon kijken, en het was alsof hij in de diepte van een oog keek, of in een tot het oneindige verkleinde diepe zwarte poel. De kom staarde terug, hol, zwart glanzend, de afgezant van een universum waar een oningewijde niets te zoeken had. ‘Kuroraku,’ zei de man naast hem. Het klonk als een bezweringsformule, alsof door het uitspreken van die woorden de geheimzinnige kracht van de kom beteugeld kon worden…”. Met een klein sleuteltje opent de kunsthandelaar vervolgens de etalage, om de kom aan de Japanners te laten zien. “… Nu gaat er iets vreselijks gebeuren, dacht Inni. Zo’n kom laat zich niet straffeloos weghalen. Hij zag hoe het gezicht van de man naast hem grauw was geworden onder het bruin…”. Nu ziet Inni de kom pas goed: “… Als een grauwe melkweg dreef een baan van lichtere, ruwe punten door de diepe duisternis van de zwarte binnenkant. Wie zou hier uit durven drinken?...”. Uiteindelijk verkoopt de winkelier de kom aan de Japanners. Als ze de deur uit zijn biedt hij zijn excuses aan de oriëntaalse man aan die hij tot Inni’s verrassing Taads noemt. Hij vraagt hem of ene Arnold Taads soms familie van hem is. “… Ja, dat was mijn vader…”. Inne vraagt direct of hij wat met hem wil dringen. Taads junior heeft het niet zo op café’s, maar vraagt Inne mee naar zijn huis in de Pijp.
Verlossing
Taads junior blijkt met zijn kaalgeschoren kop ook al een monnik: een zenboeddhist. Zijn enge kamer is helemaal wit en zo goed als leeg. “… De zeventiger jaren. Nog hadden ze de deur van de Kerk niet achter zich dichtgeslagen of ze kropen als bedelaars naar de blote voeten van guru’s en swami’s. Eindelijk waren ze alleen in een mooi leeg universum dat over zijn zelfgemaakte rails zoefde als een trein zonder bestuurder en er werd weer uit alle ramen om hulp geroepen…”. Ze drinken groene thee. “… ‘Ik bereid me ergens op voor,’ zei Philips Taads. ‘Waarop?’ ‘Op mijn verlossing.’…”. Inni vraagt zich af of alle Taadsen niet gewoon knettergek zijn. “… Zij leefden één meter boven de grond, waar die woorden hun natuurlijke domein hadden. Misschien konden ze ook wel vliegen…”. Even verder: “… ‘Verlossing is een katholiek begrip,’ zei Inni. ‘Niet zoals ik het bedoel. Bij de katholieken is het een ander die jou verlost. Je kunt aan die verlossing deelachtig worden, maar dat zegt me niets. Ik verlos mezelf.’ ‘Waarvan?’ ‘Eerst van de wereld. Dat is me erg meegevallen, het is niet moeilijk. En dan van mezelf.’ ‘Waarom?’ ‘Het leven hindert me. Het hoeft niet.’ ‘Dan moet je zelfmoord plegen.’ Taads antwoordde een tijdlang niet. Toen zij hij zacht: ‘Ik wil af van het ding dat ik ben.’…”. Zie “Mijn weg van Boeddha naar Christus” van Esther Baker die zich ook bijna dood heeft gemediteerd. “… ‘Wat ik bedoelde te zeggen is dat ik het onverdraaglijk vind om een lichaam nodig te hebben om te bestaan,’ zei Taads. Toch katholiek, dacht Inni. Het smerige lichaam als hinderpaal op weg naar het heil…”. Hij vlucht bijna het huis uit.
Omgekeerde schedels
Buiten is het heiig. Er komt een onweerslucht ‘als een leger’ opzetten. Inni gaat de prent ophalen die hij bij de oosterse kunsthandelaar heeft laten liggen. De laatste vertelt dat hij Taads moet waarschuwen als hij een onbetaalbare raku-kom tegenkomt: “… Hij leeft in zijn eigen Japan, onze vriend…”. Hij heeft Taads ontmoet tijdens yogales, waar hij mee gestopt is omdat hij bang was zichzelf te verliezen: “… het verandert geleidelijk je wezen, tenminste zo voelde ik het – je verandert, je staat anders in de wereld, het is niet alleen maar een beetje gymnastiek…”. Hij was zich rot geschrokken van de heftige reacties van Taads, die na een sessie een enorme huilbui kreeg, “… alsof hij zichzelf uit wou kotsen, zo sterk. Een andere keer kon hij zijn handen niet meer uit een kramp krijgen…”. Het is allemaal niet zo onschuldig als het lijkt. “… Ik zit al de hele dag tussen het verhevene, al heb ik daar dan een vrij perverse band mee. Plat gezegd, ik durfde niet meer…”. De handelaar laat hem een boek vol Japanse theekommen zien: “… Wat was er nu precies zo mysterieus aan kommen, of, als je het er dan toch over had, aan kelken? Omgekeerde schedels die niet langer iets bedekten, niet meer naar de aarde gericht waren maar naar de hemel, dingen waar iets in kon, maar alleen iets wat van boven kwam, uit de bovenwereld van zonnen, manen, goden en sterren…”. Het goud van de kelk die bij de mis wordt gebruikt roept bloed en wijn op. Bij de theeceremonie gaat het niet zozeer om de thee, maar om ‘hoe’ je drinkt: “… De vorm van de ceremonie moest uiteindelijk tot een innerlijke ervaring leiden die de weg wees naar de gesloten tuinen van de mystiek…”. Inne: “… Wat een eigenaardig ras was de mensheid toch dat er, hoe dan ook, altijd voorwerpen aan te pas moesten komen, gemaakte dingen die de passage naar de schemergebieden van het hoge gemakkelijk moesten maken…”. Samen luisteren ze naar de auto’s buiten die beginnen te toeteren omdat er een vrachtwagen vastzit: ‘woedekreten van een orang-oetan die geen banaan kan vinden’. “… ‘In 1480,’ zei Riezenkamp, ‘maar niemand weet het, heeft een heks deze plek vervloekt en gezegd dat Amsterdam in chaos en hels lawaai ten onder zou gaan.’…”. Of Inne zich kon voorstellen hoe onvoorstelbaar stil de wereld was waarin de oosterse asceten hun gedachten uitbroedden. “… Wij zijn andere mensen geworden. We zien er nog net zo uit, maar we hebben er niets meer mee te maken. Anders geprogrammeerd. Wie nu nog zo wil worden moet een behoorlijke portie gekte meebrengen om het hier dan nog uit te houden. We zijn er niet meer op gebouwd…”. Die nacht leest Inni de roman die Taads junior hem heeft meegegeven: “Thousands Cranes” van Kawabata, over “… een uit ragfijne woorden gesponnen levensgevaarlijk web waarin mensen gevangen zaten en theekommen het voor het zeggen hadden, kommen die de geest van hun vorige eigenaars bewaarden en die vernietigden, of, zoals in dit verhaal, vernietigd werden…”.
Requiemmis voor drie heren
Na vijf jaar belt de kunsthandelaar dat hij eindelijk een klassieke akaraku-kom voor Taads junior heeft gevonden. Of Inni komt kijken. Een kom uit de onbenoembare voortijd met de kleur van dode bladeren: “… Was de zwarte kom nog dreigend, deze was aan dergelijke interpretaties voorbij…”. Taads betaalt contant een onmogelijk bedrag. Eindelijk heeft hij wat hij wil: “… Nu heeft hij niets meer te willen…”. Een paar weken later worden Inni en de kunsthandelaar uitgenodigd voor een theeceremonie bij Taads thuis. Dat wordt geen grapje…
Uitgave: De Bezige Bij – 2024, 200 blz., ISBN 978 940 313 505 2, € 21,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten