Menu

woensdag 8 november 2017

Brief aan mijn dochter – Abelkader Benali


Tijdens het wachten op de geboorte van zijn eerste kind, een meisje, Amber genaamd, beschrijft Abelkader Benali voor haar de wereld waarin ze terecht zal komen en vindt hij het vaderschap uit. Op een indringende manier vertelt hij over de Marokkaanse familie-achtergrond van zijn vrouw en hemzelf. Naar aanleiding van zijn fijnbesnaarde vertelling “Brief aan mijn dochter” is Benali samen met harpiste Lavinia Meijer momenteel bezig met een theatertour – zie hier. Wat mij betreft kunnen er niet genoeg van dit soort verhalen verschijnen, teneinde de groeiende kloof tussen autochtoon en allochtoon te dichten (zie bijvoorbeeld ook: "Een Marokkaan in Noord" van Barbara Schouten).

Het lichaam als gereedschap

Na een aantal bladzijden over wat de zwangerschap van zijn vrouw met hem doet begint Benali over zijn eigen moeder te vertellen, die hem kreeg toen ze niet veel ouder dan een jaar of vijftien was (er zouden nog zeven kinderen volgen). Ze woonde in de heuvels van Noord-Marokko: “… Een kindbruid. In die afgelegen plattelandsgemeenten groeiden meisjes op, gaven geboorte aan nageslacht en verlieten via een zijuitgang het leven…”. Over het lot van vrouwen: “… Op weg naar de geboortegrond van je moeder afgelopen zomer reden we langs een stevige Berberse matrone die een takkenbos zo groot als haar eigen lichaam vervoerde; ze ging eenvoudig gekleed, stapte stevig voort door dat tableau van land en zee, en je moeder slaakte een kleine kreet toen ze het gezicht van die vrouw zag, onvoorstelbaar oud voor haar leeftijd. Het lichaam als gereedschap…”. Hij vertelt hoe hij als ‘wandelende vertaalmachine’, in Rotterdam, zijn moeder naar het consultatiebureau begeleidde als er weer een broertje of zusje was geboren. Ze kon geen handtekening zetten, maar ‘een kruisje was ook goed’. Zijn trotse moeder berustte daarin. Vond het wel best. Stammend uit een schaamtecultuur waarin alles draait om de eer van de familie, behoort ze tot een van die onzichtbare vrouwen “… die hun leven slijten tussen vier wanden, wier hemel het plafond van het huis is, en die de binnenkant van de keukenkastjes beter kennen dan hun eigen ziel…”.

De sensatie van het onbekende
Het fenomeen migratie noemt Benali ‘een machine met een vrolijke, destructieve kracht’ die van zijn ouders tijdreizigers maakte: “… Families die elkaar decennialang niet zien. Mannen die nooit meer terug kunnen naar hun geliefde. Kinderen die opgroeien met een taal uit een land dat niet meer bestaat…”. Over vluchtelingen: “… Waarvoor vlucht de vluchteling? Niet voor oorlog, niet voor armoede, niet voor ellende. Hij vlucht omdat hem niets anders meer rest…”. Een van de bermbommen van landverhuizing is angst die ontstaat als mensen pijn willen vermijden en te maken heeft met de sensatie van het onbekende. In plaats van die sensatie te omarmen waren zijn ouders er bang voor. Eerst verlieten de mannen (gereduceerd tot anoniem werkvee dat ook weer het eerste zal zijn dat tijdens een crisis op straat staat - meer lezen: zie "Ik, Ali" van Günter Walraff) hun vertrouwde omgeving. Als de vestigingsplaats voor gezinsvereniging veilig was gesteld werden de moeders rechtstreeks naar hun bestemming getransporteerd. Vervolgens moesten ze daar hun hele leven van bij komen. Benali’s vader was een van de eerste islamitische slagers van Nederland. Zijn schoonvader werkte in de keukens van de grote hotels in Amsterdam. Wat migrantenkinderen niet werd gegund was de vrijheid om fouten te maken, schrijft Benali. En dat is begrijpelijk want ouders willen hun kinderen beschermen. Hij vertelt dat hij dan ook ongenadig op zijn mieter kreeg toen hij voor het eerst, op zesjarige leeftijd, aan het ouderlijk gezag ontsnapte om een praatje aan te knopen met een visser bij de Mathernessersingel. Hij mocht niet aanpappen met klasgenootjes: “… Verjaardagen vierden wij niet, en het contact met de buitenwereld moest beperkt blijven…”. Niet zo heel raar, gezien de wereld buiten de deur van familie Benali indertijd vergeven was van drugs: “… de verleidingen die op de loer lagen waren sterk en giftig…”. En even verder: “… Alles zoop en naaide en dealde en ging er dood aan…”. En nog verder: “… Uit de treinen van het Centraal Station kwam de dunne diarree van de wanhoop richting de West-Kruiskade gestroomd…”. Benali zegt dat hij legio veelbelovende jongens heeft zien mislukken: “… Al die Griekse tragedies op Nikes en Adidasschoenen…”. Hij groeide op met wantrouwen en argwaan. Hoe groter het gezin, hoe beklemmender de sfeer. Hij vertelt dat hij zich kapot schaamde als hij zijn ongeïnteresseerde vader moest meevragen naar een ouderavond of zijn analfabete moeder naar een rapportbespreking. Om aan alles te ontsnappen begroef Benali zich in boeken: “… Al vroeg ontdekte ik dat lezen een welkome muur was tussen mij en de mensen om mij heen…”.

Krassen
Hij zal geen volmaakte vader zijn. Hij zegt dat hij denkt dat zijn vrouw eerder dan hij zal vertellen tot wat voor ‘botte terzijdes’ hij in staat is: “… Dat ze die altijd verdragen heeft, zie ik dan weer als een teken van liefde van haar kant – of ongevoeligheid, het is maar hoe je het bekijkt. Hoe dan ook: met de pen waarmee we schrijven zetten we ook flink wat krassen…”. Voor hij vertelt hoe hij in alle vrijheid zijn vrouw ontmoette heeft hij het over het gebruik van uithuwelijken waaraan zijn ouders waren onderworpen, omdat in de familie van oudsher een strikte scheiding der seksen bestond. De mensen in het Rifland bleven binnen, want wanneer de beruchte Barbarijse zeerovers wisten dat er in een dorpje aan de Middellandse Zee begeerlijke dochters rondliepen, kwamen ze die ophalen. De man die in de weg stond ging eraan: “… Ik weet zeker dat jij later weinig affiniteit zult hebben met het fenomeen uithuwelijken - en dat begrijp ik - , maar bezoek je het landschap waar zij hun sporen lieten, dan zie je welke moeilijke omstandigheden ze het hoofd te bieden hadden en begrijp je de kracht van familie als bescherming…”. Prachtig beschrijft Benali hoe zijn ouders hun angst en ongemak verloren als ze op vakantie waren in Marokko: “… je grootvader dook in een lang gewaad, een djellaba, om er zes weken lang niet meer uit te komen, alsof hij daarbinnen alle comfort, rust en ruimdenkendheid vond die hij nodig had. Wanneer je grootmoeder terugkwam in het huis van haar ouders ging zij op in een voor mij mysterieuze, intieme omhelzing met haar eigen moeder, die bestond uit het elkaar eerbiedwaardig kussen op de binnenkant van de armen – een omhelzing die langer duurde dan welke omhelzing ook die ik ken…”. Ik vind het wel mooi wat hij schrijft over verliefdheid: “… We worden verliefd op het tekort van de ander, want het tekort legt de kwetsbaarheid bloot. En wat kwetsbaar is bekoort, omdat het ons verbindt met onze eigen kwetsbaarheid…”. Het viel niet mee om zwanger te worden. Er was sprake van een miskraam en een hartverscheurende situatie in een echokliniek. De onderzochte baarmoeder bleek geen vruchtje te bevatten: “… We hielden ons nog sterk bij het bericht, je moeder nog wat meer dan ik, terwijl ik niets anders voelde dan een scherpe behoefte om de plaats delict zo snel mogelijk te verlaten…”.

Uitzichtloosheid

Benali noemt de vorige eeuw de eeuw van de witte westerse man: “… en wat heeft hij er een potje van gemaakt. Het leiderschap van die man was gebouwd op de absolute waarheid van de technologische vooruitgang, de kracht van genieën en creatieve destructie, wat erop neerkomt dat wanneer je uit winstbejag iets tegen de vlakte kan slaan, je dat vooral niet moet laten. Het was de eeuw van een groei waar we wellicht ooit met afgrijzen op terug zullen kijken…”. Benali hoopt dat deze eeuw de eeuw van de vrouw wordt, en zij het anders zal doen. Ik zie eerlijk gezegd voorlopig niet veel veranderen. Hij voelt zich bevoorrecht: “… Om te weten wat een privilege is, moet je gaan kijken op die plekken waar men het ontbeert, in de buitenwijken buiten de behaaglijke ring van voorspoed en dertiende maand, van wintersportvakantie en tripjes naar Toscane – de buurten van Amsterdam Nieuw-West, Charlois, Molenbeek in Brussel…”. Plekken waar niemand zich zelfs maar tekortgedaan voelt, omdat domweg de woorden ontbreken om zich daarover uit te spreken. Over discriminatie: “… Uit onderzoek is gebleken dat bij gelijke kwalificatie Nederlanders met een ‘witte’ achternaam vele malen meer kans maken op een baan dan Nederlanders met een etnische naam. Moeten we om de poort naar het volledige burgerschap binnen te gaan overgaan tot het veranderen van onze naam?...”. Met z’n allen in de achterstandswijken van grote steden gaan wonen waar de oude witte bewoners uit zijn wegtrokken helpt de integratie ook niet verder. Hij beschrijft hoe zijn schoonfamilie lijdt aan sociale uitsluiting en economische malaise. Hij vertelt over gebrek aan goede voeding, gescheiden ouders, gokverslaafden in een rolstoel, huiselijk geweld. Vaders die jointjes roken terwijl hun vrouwen de kinderen onderhouden en de eindjes aan elkaar knopen. Inwoners van een grote stad die alle instellingen binnen loopafstand hebben maar toch niet over de gapende kloof springen die hen er van scheidt. Uit puur lijfsbehoud kijkt men weg van al het ongeluk. Mensen houden elkaar gevangen in een spiraal van uitzichtloosheid en wanhoop, waarbij men het eigen falen voortdurend afschuift op anderen en in laatste instantie op God, om maar geen gezichtsverlies te lijden. Hij vraagt zich af waarom zoveel Marokkaanse jongens in de gevangenis belanden. Waarom zoveel Marokkaanse meisjes hun school niet afmaken. Hij veegt de vloer aan met hoogopgeleide Nederlanders die praten over hun zogenaamde kosmopolitische instelling en kennis van de wereld maar in wiens leven een autochtoon niets anders is dan een exotische aanwezigheid. Tegelijk is hij kritisch op zijn eigen achtergrond: “… Het defaitisme in onze groep was sterk en oppervlakkig tegelijk. Niemand die er precies het fijne van wist, en toch voelde men zich bij voorbaat al buitenspel gezet…”. Hij gelooft er heilig in dat als je je leven kunt inrichten rond schoonheid en waarheid, rond kunst en cultuur, je al met een half been buiten het getto staat.

Naastenliefde

Wat Benali vooral erg dwars zit is dat hij zonder enig excuus of enige gêne ter verantwoording wordt geroepen voor de daden van zijn groep: “… Niets voelt sterker als gevangenschap dan wanneer je om je huidskleur, je etniciteit of geloofsovertuiging door een vreemde – of zelfs door een vriend, wat het nog pijnlijker maakt – wordt ondervraagd over de daden of woorden van anderen. Dit gebeurt vaak met een directheid die overrompelt, waardoor je verwarring voor onzekerheid wordt aangezien. Wat het niet is. Het is de reactie van de mens die zijn onschuld betwijfeld ziet…”. Hij schrijft over een middelbaar schoolmeisje dat geconfronteerd werd met op- en aanmerkingen over haar religieuze achtergrond en etnische afkomst. Ze verbood haar ouders verhaal te gaan halen op school omdat dat alleen maar tot meer uitsluiting zou leiden. Ze wilde van de witte school af, “… waarmee ze al heel vroeg in haar leven haar hoofd boog voor intimidatie. Ze zag zichzelf als het probleem, en ze droeg meteen de oplossing aan door zichzelf te verwijderen van de school…”. Hij vertelt dat onbekenden hem hebben gevraagd zijn Marokkaanse paspoort in te leveren en waarom ‘zijn’ geloof geen barmhartigheid kent. Redacteuren verzochten te komen spreken over etnisch gerelateerde drugscriminaliteit, wat hij wel eens heeft gedaan. Maar hij werd onderdeel van de kwestie en riep totaal krankzinnige reacties op. Hij is aangesproken op de aanslagen op de Twin Towers. Nine eleven bracht argwaan en onbegrip in zijn leven: “… Op die dag veranderde onze aanwezigheid in de wereld. Ja, die van je moeder en mij. Het werd vanzelfsprekend om het gesprek met ons ‘nieuwkomers’ te laden met verdenking, achterdocht en kwade trouw. Het geloof, dat tot dan toe als een bijzaak werd gezien, werd van de ene op de andere dag gepromoveerd tot de dominante factor in de omgang met mensen. Omdat ik tot dat ene geloof behoorde, werd ik een gevaarlijke ander…”. De vorsende blikken. Een buurvrouw die vroeg of hij en de zijnen geen naastenliefde kenden. Op sommige vragen zijn geen antwoord: “… Wat moet het antwoord zijn op haat? Liefde?...”.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2016, 176 blz., ISBN 978 902 950 561 1, € 15, -
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 1 november 2017

Zo zijn onze manieren – Frank Viola & George Barna


Subtitel: Maar zijn onze kerkgebruiken zo bijbels als wij denken?

Degenen die niets met de kerk hebben kunnen deze blog gewoon overslaan. Ik heb dat wel, omdat ik in een kerk ben opgegroeid. Ik kreeg dit boek opgestuurd van de uitgever en vond het ontzettend boeiend om te lezen. De schrijvers zijn twee christelijke Amerikanen die nagaan waar onze religieuze kerkgebruiken eigenlijk vandaan komen. Wat blijkt: zelden uit de Bijbel. De schrijvers hebben het dan ook ronduit over ‘heidens christendom’. Met heidens bedoelen ze natuurlijk niet iets als slecht of zondig of zo, maar niet-christelijk. Uit de leegloop van de kerken kun je constateren dat de huidige manier van kerk-zijn hedendaagse mensen niet meer zo aanspreekt – zachtjes uitgedrukt. Om maar te zwijgen over al degenen die het vanwege het vele machtsmisbruik helemaal gehad hebben met het geloof. Als onze kerkelijke tradities veelal zijn overgenomen uit de historische volkscultuur zijn ze niet onaantastbaar. Wordt het daarom niet eens tijd na te denken over hoe het misschien anders kan? In twaalf hoofdstukken houden de schrijvers twaalf kerkelijke issues tegen het licht. Ik ga ze allemaal even na.

Volgens het Boek?

“Zo zijn onze manieren” begint met een grappig voorbeeld van een gezin dat zondagsmorgens al stressend en kibbelend naar de kerk sjeest, om op z’n allerkeurigst op tijd in een kerkbank te ploffen, waarop pa zich ineens van alles gaat zitten afvragen: “… Is het wel volgens het Boek om vijfenveertig minuten lang op deze harde bank te zitten met uitzicht op twaalf achterhoofden? Waarom geven we zo veel geld uit om een gebouw te onderhouden waar we maar twee keer per week een paar uur gebruik van maken? Waarom is de helft van het kerkvolk nauwelijks wakker terwijl dominee Farley preekt? Waarom hebben mijn kinderen een hekel aan zondagsschool? Waarom moeten we elke zondagochtend dit zelfde, voorspelbare en slaapverwekkende ritueel afwerken? Waarom ga ik eigenlijk naar de kerk als het me tot tranen toe verveelt en ik er geestelijk niets mee opschiet? Waarom draag ik elke zondagmorgen deze ongemakkelijke stropdas als hij alleen maar de bloedsomloop naar mijn hersenen afknelt?...”. Ik denk dat het in Nederland niet veel anders is dan in Amerika.

Tempelloos geloof
Het tweede hoofdstuk geeft een imposante verhandeling over het kerkgebouw. Voor zover wij weten zijn er voor het jaar 300 geen speciale kerkgebouwen opgetrokken. God woonde in het hart van de christen, niet in een of ander heiligdom: “… Het is frappant dat we nergens in het Nieuwe Testament de term 'kerk' (ekklesia), 'tempel' of 'huis van God' vinden met betrekking tot een gebouw. Als je tegen een christen uit de eerste eeuw zou zeggen dat een ‘ekklesia’ (kerk) een gebouw was, zou hij dat net zo merkwaardig hebben gevonden als wanneer je je vrouw een appartement noemde of je moeder een wolkenkrabber!...”. De ‘ekklesia’ was een verzameling mensen. Elke gelovige werd gezien als een priester van God en voor de Allerhoogste was iedereen gelijk. Dus bestond er ook geen ‘geestelijkheid’. Christenen kwamen samen in woonhuizen. Het Jodendom en Grieks-Romeinse heidendom hadden tempels, priesters en offers. De christenen schaften al deze zaken af. Jezus had zich zelf opgeofferd – dat was voor altijd en eeuwig genoeg. Je kunt gerust stellen dat het christendom het eerste tempelloze geloof was.

Het kerkgebouw
De geschiedenis van het kerkgebouw begon in de tijd van keizer Constantijn met dodenverering; de sterkste gemeenschapsvormende kracht in het Romeinse Rijk. Monumenten op begraafplaatsen werden kapellen. Men ging catacomben versieren met christelijke symbolen (hier zie je voor het eerst het kruisteken) en relikwieën verzamelen. Het Avondmaal gleed af naar een magische ceremonie met heilige voorwerpen als de beker en het brood. Constantijn mag dan het christendom ingevoerd hebben, het is maar de vraag of hij echt christen was. Het lijkt er meer op dat hij de zonnegod Mithras vereerde. Tijdens opgravingen in de Sint-Pieter is een mozaïek gevonden van Christus als Onoverwonnen Zon. Hij voerde de vrije ‘zon’dag in, liet de zon op zijn munten staan, en richtte een standbeeld van de zonnegod met zijn eigen beeltenis op in zijn nieuwe hoofdstad Constantinopel. Hij verfraaide de stad met schatten uit afgodentempels en gebruikte heidense toverspreuken om oogsten te beschermen en ziekten te bezweren. Hoewel een christen niet mag doden liet hij zijn oudste zoon, neef en zwager executeren. Hij begon overal basilieken te bouwen die genoemd werden naar heiligen in plaats van naar heidense goden. Martelaren zouden dezelfde krachten hebben als de goden van weleer. De heiligste plaats in zo’n gebouw was het altaar. Op het altaar stonden de benodigdheden voor de Eucharistie, die inmiddels als offer werd gezien en alleen door heilige mannen, de geestelijken, mocht worden ontvangen. Na de vijfde eeuw bevatte het altaar een relikwie dat de kerk bestaansrecht gaf. Achter het altaar stond de bisschopsstoel, naar het model van de Romeinse rechtbank omringd door twee rijen stoelen voor de oudsten en diakenen. Vanwege de keizer werd er allerlei rituele pracht en praal de kerk binnen gebracht: kaarsen, wierook, officiële muziek, ambtelijke kleding. Constantijn behield de titel Pontifex Maximus. Zo werd ook het hoofd van de heidense priesters aangesproken. Hij zag zichzelf als de dertiende en belangrijkste apostel. Na zijn dood werd hij door de senaat goddelijk verklaard. De architectuur van de Constantijnse basiliekfase ging over in een byzantijnse, romaanse en gotische fase, waarbij de torenspitsen het contact tussen hemel en aarde voorstelden (à la de obelisken en piramides van Egypte). De latere hervormers, die meestal voormalige priesters waren, maakten de preekstoel of kansel tot het dominerende middelpunt van het gebouw. Kerkbanken (veertiende, vijftiende eeuw) dwongen het kerkvolk zwijgende, passieve, apathische toeschouwers te worden. Zo werd de kerk een soort theater waarin we het dagelijks leven kunnen ontstijgen. Het gebouw veroorzaakt niet alleen een onnatuurlijke scheiding tussen profaan en heilig, het kost ook nog eens handen vol geld.

Een dichtgetimmerde liturgie
Dan volgt een hoofdstuk over de liturgie die al vijfhonderd jaar wereldwijd en wekelijks door circa 345 miljoen protestantse gelovigen op min of meer dezelfde manier wordt gevolgd. Haar voornaamste wortels liggen in de middeleeuwse, katholieke mis, die doordrenkt was van heidens-magisch denken en Grieks spektakel. De hervormers maakten de preek (in de landstaal) tot de heilige koe van het protestantisme. Het kerkvolk mocht wel meezingen en deelnemen aan het Avondmaal. Verder veranderde er weinig. Bij de puriteinen was de preek een bijna bovennatuurlijk gebeuren. Het was immers Gods voornaamste middel om tot zijn volk te spreken. Sombere eerbied was een vereiste: “… Het puriteinse New England stond bekend om het straffen van kinderen die glimlachten in de kerk! Ook werd er een ‘collecteman’ in het leven geroepen die slapende kerkgangers wakker porde met een knoestige stok…”. Gemeenteleden die de zondagse preek misten werden gestraft. Ze kregen een boete of werden in een schandblok gezet. De latere opwekkingspredikers probeerden met alle voorhanden middelen mensen individueel te ‘bekeren’, zodat ze niet naar de hel gingen. Volgens de schrijvers staat een en ander in schril contrast met het oude christendom dat informeel en vrij van rituelen was, en vooral om spontane verbondenheid draaide. De oorspronkelijke verkondiging van de christelijke boodschap was een gesprek (in twee richtingen). Mensen reageerden op elkaar. Heidense sofisten en filosofen die christen werden en van retoriek een kunstvorm hadden gemaakt veranderden deze dialoog in een monoloog. De professionals spraken ook nog eens tegen betaling. Zo kwam het functioneren van het lichaam van Christus (de gelovigen) tot stilstand, werd de dominee een geloofsspecialist en de leken monddode tweederangschristenen. Wat we volgens de schrijvers nodig hebben zijn minder kanselridders en meer geestelijke coaches, die gelovigen helpen Christus daadwerkelijk te ervaren. Recht voor z'n raap: “… De doorsneepreek is dus een zwemles op het droge! De praktische waarde is nihil…”.

De voorganger in de plaats van de Heer Zelf
Een ander hoofdstuk beschrijft hoe het ambt van ‘voorganger’ is ontstaan. Ignatius van Antiochië (35-107) voerde een verhoogde oudste in die bisschop werd genoemd. Hij had de ultieme macht, moest absoluut gehoorzaamd worden, was de beheerder van de mysterieën Gods, ja, nam zo’n beetje de plaats van de Heer Zelf in: “… De bisschop ontwikkelde zich tot de plaatselijke presbyter. In de middeleeuwen werd de presbyter een katholieke priester. En deze veranderde in de Reformatie in ‘de prediker’, ‘de dominee’ en uiteindelijk ‘de voorganger’ – de persoon aan wie het hele protestantisme is opgehangen…”. De predikant van de Reformatie werd door de kerk gezien als de ‘man Gods’: de betaalde bemiddelaar tussen God en zijn volk. De hervormers geloofden dat de voorganger een soort tussenpersoon was, behept met goddelijke kracht en goddelijk gezag. Het valt niet mee voor God te spelen; het aantal burn-outs onder Amerikaanse voorgangers is inmiddels verpletterend. De schrijvers: “… Met de zondeval ontstond bij de mens een stilzwijgend verlangen naar een fysieke leider die hem in contact met God kon brengen. Daarom hebben menselijke beschavingen door de eeuwen heen altijd een speciale elite van gerespecteerde, godsdienstige leiders gecreëerd. De medicijnman, de sjamaan, de rapsode, de wonderdoener, de toverdokter, de waarzegger, de wijze en de priester – sinds Adams blunder kennen we hen allemaal. En deze persoon wordt altijd gekenmerkt door een speciale opleiding, speciale kleding, speciaal woordgebruik (‘Tale Kanaäns!’) en een speciale levensstijl…”.

Zondagse kleren

Waar komt verder het fenomeen ‘zondagse kleren’ vandaan? “… Van de middeleeuwen tot de achttiende eeuw was kleding een duidelijk bewijs van de sociale klasse waartoe men behoorde. In landen als Engeland was het voor arme mensen zelfs verboden om de kleding van ‘betere’ mensen te dragen…”. Het heeft dus te maken met status. En met heilig en onheilig. De geestelijkheid, die zich wilde onderscheiden van de leken, bleef de verouderde Romeinse kostuums dragen. Naarmate de kleding van de geestelijken overdadiger en duurder werd, werden er mystieke en symbolische betekenissen aan toegekend. In eerste instantie was wit de kleur van de geestelijkheid. De bisschoppen droegen paars. De hervormers voerden de zwarte toga van de wetenschappers in. Veel ‘Godsmannen’ zijn tegenwoordig herkenbaar aan hun kerkelijke boord. De schrijvers wijzen nadrukkelijk op het feit dat er in de kerk geen enkel verschil tussen ras of status zou mogen bestaan. De eerste christenen zagen zichzelf als een nieuwe soort op onze planeet: mensen in wie Christus woonde. Ze waren een nieuwe schepping. Vormden een nieuwe mensheid die alle natuurlijke verschillen en barrières oversteeg.

Rockmuziek en geldbelegging
Een hoofdstuk beschrijft de geschiedenis van muziek in de kerk. Constantijn zette professionele muziek in, analoog aan de ceremonies van de Romeinse keizer. In de vierde eeuw namen de christenen het idee van een koor over van de koren die in Griekse drama’s en tempels optraden. Het christelijke jongenskoor ontwikkelde zich uit heidense jongenskoren. Ook waren begrafenisprocessies en – toespraken gebruikelijk in de Grieks-Romeinse cultuur. Sinds de jaren zestig bestaan er zogeheten ‘aanbiddingsteams’, naar het voorbeeld van seculiere rockconserten. Wat de schrijvers er op tegen hebben is dat het kerkvolk niet mee kan doen als de muziek overgelaten wordt aan deskundigen. Hoe verhoudt zich dat met de uitspraak van Paulus dat iedereen in de samenkomst wel iets bijdraagt, zoals een lied, enzovoorts (1 Korinthiërs 14:26, Efeziërs 5:19, Kolossenzen 3:16)? Dan over geld. Hoewel Paulus in 2 Korintiërs 2:17 zegt: “… Wij zijn niet als zoveel anderen, die aan het woord van God willen verdienen…”, heeft de geestelijke elite van het lichaam van Christus tóch een bedrijf gemaakt. En over het ‘geven van de tienden’: “… Tienden geven staat wel in de Bijbel. Dus ja, het tienden geven is bijbels. Maar het is niet christelijk. De tiende hoort bij het oude Israël. Het was in feite hun inkomstenbelasting. In het Nieuwe Testament kom je nergens eerste-eeuwse christenen tegen die tienden geven…”. Tegenwoordig wordt het geven van tienden soms zelfs voorgesteld als een soort geldbelegging: “… Betaal de tienden, en God zorgt dat je er meer geld voor terugkrijgt. Betaal ze niet, en God zal je straffen…”. Hoe ‘christelijk’ is dat?!

Doop en Avondmaal
In de eerste eeuw ging het aanvaarden van het evangelie gepaard met de waterdoop. In de tweede eeuw werd de doop losgekoppeld van de bekering. Het moest door een periode van onderwijs, gebed en vasten worden voorafgegaan. In de derde eeuw wachtten pasbekeerden zelfs drie (!) jaar, waarin hun leven minutieus onder de loep werd genomen. De doop veranderde in een wettisch ritueel dat je zonden zou vergeven. Het water werd gezegend, mensen moesten zich ontkleden, er werden spreuken rondgestrooid, er was oliezalving en duiveluitdrijving, en de dopeling ontving melk en honing. Om er maximaal profijt van te hebben wachtten sommigen, zoals keizer Constantijn, tot ze op sterven lagen voor ze zich lieten dopen. Het Avondmaal was voor de eerste christenen een vrolijke, gezellige, gezamenlijke maaltijd bij iemand thuis. Paulus waarschuwt wel het Avondmaal niet op ‘onwaardige wijze’ te gebruiken. Hij doelde daarmee naar alle waarschijnlijkheid op dronken worden en niet wachten op arme broeders en zusters. In de vijfde eeuw was het Avondmaal verworden tot een eng priesterritueel waar de kerkleden met ontzag naar keken. Men durfde er soms amper dichtbij te komen. Men geloofde dat het brood God werd (transsubstantiatie).

Onderwijs

Aristoteles
, Abélard en Van Aquino geloofden allemaal dat het verstand de poort opende naar de goddelijke waarheid. Deze veronderstelling ligt ten grondslag aan de hedendaagse theologieopleidingen. Het christendom werd een intellectueel geloof. De hedendaagse universiteit is voortgekomen uit de taak van de bisschoppen om kerkelijk onderwijs te geven. De zondagschool was in eerste instantie een school voor arme kinderen op zondag. Daar leerden ze lezen en schrijven zodat ze beter bestand waren tegen mishandeling en uitbuiting. Uit de zondagsschool kwam het openbaar onderwijs voort. Natuurlijk is er niets mis met kennis. Door onze ratio kunnen we veel OVER God leren. Maar het intellect is geen poort naar kennis VAN God. God is Geest en communiceert met onze menselijke geest (evenals de schrijvers geloof ik dat de allerdiepste kern in de mens van geestelijke aard is). Ene Tozer hierover: “… Goddelijke waarheid is geestelijk van aard en kan daarom alleen door geestelijke openbaring worden ontvangen… Gods gedachten horen bij de geestelijke wereld, die van de mens bij de verstandelijke wereld. En hoewel het geestelijke het verstandelijke kan omvatten, kan het menselijke verstand nooit het geestelijke begrijpen… Door te redeneren kan de mens God niet kennen; hij kan alleen (iets) over God te weten komen… ”. Tot mijn verrassing gebruiken de schrijvers hetzelfde beeld als Nicole Krauss in “Donker woud” naar aanleiding van haar beschrijving van Kafka – zie mijn vorige blog: “… Om in bijbelse taal te spreken: het huidige christelijke onderwijs, of dit nu een theologische hogeschool of een bijbelschool is, is als het aanbieden van vruchten van de verkeerde boom – namelijk de boom van de kennis van goed en kwaad, in plaats van de boom des levens…”.

Hoe moet het dan wel?
Volgens de schrijvers heeft Jezus Christus de wereld radicaal veranderd: “… Hij veranderde de manier waarop de mens naar God keek. De manier waarop mannen naar vrouwen keken. Onze Heer kwam om de oude orde op zijn kop te zetten en te vervangen door een nieuwe orde. Hij kwam om een nieuw verbond te brengen, een nieuw koninkrijk, een nieuwe geboorte, een nieuw ras, een nieuwe soort, een nieuwe cultuur en een nieuwe beschaving…”. En in de kantlijn: “… De kerk van Jezus Christus is geen samengaan van Jood en niet-Jood. Het is een nieuwe mensheid - een nieuwe schepping - die zowel Jood als niet-Jood overstijgt (Ef. 2:15). De ekklesia is een biologisch nieuw geheel op deze planeet. Het is een volk dat goddelijk leven in zich heeft (1 Kor. 10:32; 2 Kor. 5:17; Gal. 3:28; Kol. 3:11). Zelfs de christenen van de tweede eeuw noemden zichzelf ‘het nieuwe ras’ en ‘het derde ras’. Zie Clemens van Alexandrië, Stromata, of Miscellanies, boek 6, hs.5. ‘We aanbidden God op een nieuwe manier, als het derde ras, als christenen’; Brief aan Diognetus, hs. 1, ‘dit nieuwe ras’…”. Wat de schrijvers voor ogen staat is een ‘organische kerk’ die leeft vanuit de door God verlichte geest. Die bestaat uit mensen die Christus ‘ervaren’, en vanuit die ervaring een gemeenschap gaan vormen waarin iedereen gelijk is. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Maar het komt onmiskenbaar in de buurt van de bijna communeachtige beschrijving die de grote godsdienstdeskundige Karen Armstrong geeft van de eerste christengemeenten in haar boek “Paulus. Onze liefste vijand” – zie hier.

Uitgave: Gideon – 2017, vertaling Richard Kettmann, 384 blz., ISBN 978 905 999 083 8, € 24,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 21 oktober 2017

Donker woud – Nicole Krauss


Ik heb wel eens verteld dat ‘bekering’, ‘metanoia’, in de Bijbelse betekenis ‘verandering van gedachten’, mij enorm fascineert – zie hier. Je hoeft niet altijd dezelfde te blijven. Je kunt jezelf ‘herscheppen’, ‘wedergeboren worden’. Jezus stelt zelfs in een geheim, nachtelijk gesprek met de farizeeër Nicodemus dat dat de bedoeling is van het mensenleven. Ik geloof niet dat zo’n geestelijke ommezwaai alleen van toepassing is op religieuze types (zie bijvoorbeeld het verhaal van Viktor Frankl over de Duitse massamoordenaar die zich jaren later in de gevangenis van Moskou ontpopt als een dienstdoende engel). In haar vierde boek, “Donker woud”, onderzoekt Nicole Krauss dit thema op alle mogelijke manieren. Eerder besprak ik van haar “De geschiedenis van de liefde”. Krauss schrijft geen lineaire, rechttoe-rechtaan-verhalen. Als een kat sluipt ze om haar onderwerp heen om het steeds dichter te benaderen.

Metamorfose

In het boek speelt de beroemde schrijver Franz Kafka een grote rol. Wie zijn werk een beetje kent, weet dat “De gedaanteverwisseling” een van zijn bekendste verhalen is. Het gaat over een jongen, Gregor Samsa, die verandert in een enorme kakkerlak. “Donker woud” (naar de dichtregels van Dante: “… Op’t midden van ons levenspad gekomen / Kwam ik bij zinnen in een donker woud…”) start met de beschrijving van drie volwassen kinderen die de politie hebben ingeschakeld vanwege de verdwijning van hun vader. Zijn tijdelijke onderkomen in Tel Aviv wordt geïnspecteerd: “… Over de stenen vloer paradeerde een kakkerlak. Pas nadat een van de rechercheurs er met zijn schoen op had getrapt bedacht Maya, Epsteins jongste en intelligentste kind, dat haar vader misschien wel voor het laatst was gezien door een kakkerlak…”. Dan volgt een beschrijving van de man Epstein: een steenrijke advocaat die er met zijn ontzaglijk grote bek altijd voor heeft gezorgd dat de wereld om hém draaide. Inmiddels is hij eind zestig, zijn zijn ouders overleden, leeft hij nog maar sinds kort gescheiden van zijn vrouw en heeft er zich een merkwaardige verandering in hem voltrokken. Alles wat hij bijeen heeft vergaard in zijn leven is hij bezig weg te geven. Sommige mensen krijgen tranen in hun ogen als ze geraakt worden door mooie muziek; ik onderga hetzelfde als ik geraakt word door mooie citaten: “… Hij herinnerde zich hoe zijn moeder hem vroeger belde waarom het te lang geleden was dat hij had gebeld en dan met de schorre stem van een verstokte rookster God citeerde, die de gevallen Adam toeriep: ‘Ajeka?’ Waar ben je? Maar God wist best waar Adam zich fysiek bevond…”. Of dit, als Epstein aanwezig is op een vergadering georganiseerd door het Center for Middle East Peace: “… Aan de overkant van de tafel zat Madeleine Albright met de geloken ogen van een zonnebadende hagedis een naar binnen gerichte intelligentie uit te stralen…”. Als Epstein na die bijeenkomst een luchtje wil scheppen, blijkt een Palestijn trouwens zijn kasjmieren jas meegenomen te hebben. Dus heist Epstein zich in arren moede maar in het dunne exemplaar van de Palestijn (een gedaanteverwisseling op zich). In een park wordt hij bedreigd door een dakloze die zijn portemonnee wil stelen: “… Had hij, stinkend naar liefdadigheid, zoveel gegeven dat de wereld zich inmiddels vrij voelde om hem spullen te ontnemen?…”. Over één van de laatste schilderijen die Epstein nog in zijn appartement in New York heeft hangen, een 600 jaar oud altaarstuk uit Florence die de ‘annunciatie’ voorstelt: “… Maria, gebogen en bijna lichaamloos in de vaalroze plooien die van haar gewaad neervielen, en de engel Gabriël, die zonder zijn gekleurde vleugels zelf misschien voor een vrouw aangezien kon worden. Uit het kleine houten bankje dat onder Maria was geschoven kon je opmaken dat ze knielde of zou gaan knielen, als er tenminste onder het gewaad nog iets lichamelijks van haar over was – als wat Maria was niet reeds was uitgewist, zodat ze kon worden opgevuld met de zoon van God…”. Als je het hebt over ‘metamorfose’…

De pest aan Descartes
Het volgende hoofdstuk gaat over een vrouw die totaal de weg kwijt is. Even dacht ik dat ik met een verhalenboek van doen had. Ze heet Nicole, een negenendertig jarige auteur, moeder van twee jonge zoons, woonachtig in Brooklyn en haar huwelijk is een ramp: de twee echtelieden hebben elkaar niets meer te zeggen. Toch zegt Krauss in een interview dat het verhaal niet over haarzelf gaat (Nicole Krauss is inmiddels gescheiden van haar man, Jonathan Foer). Ze slaapt slecht. Ze kan niet schrijven. Als een soort dwanggedachte duikt steeds het Hilton hotel in Tel Aviv op voor haar geestesoog, de plek waar ze als kind vaak op vakantie is geweest en gelukkig was. Uiteindelijk besluit ze er een tijdje te gaan logeren. Tenslotte woont de helft van haar verwanten in Tel Aviv. Dan is er ook nog een vriend van de familie die haar wil spreken. Een gepensioneerde hoogleraar letterkunde die niet wil weten dat hij voor de Mossad heeft gewerkt. En verder heeft ze van een kennis gehoord dat er iemand vanaf een hotelbalkon van het Hilton te pletter is gevallen, maar hoe ze de kranten ook napluist, ze kan niets over het voorval vinden. Genoeg intriges voor een spannend verhaal, dus. Maar waarom ik vooral ontzettend van Nicole Krauss houd zijn de filosofische gedachtespinsels die ze bijna achteloos over de bladzijden strooit. De niet-echte Nicole beweert ronduit dat ze de pest heeft aan Descartes: “… Sinds Descartes wordt aan kennis een vrijwel onvoorstelbaar gewicht toegekend. Maar uiteindelijk heeft kennis niet geleid tot het beheersen en het bezit van de natuur die hij zich had voorgesteld, maar alleen tot de illusie van beheersing en bezit. Uiteindelijk hebben we ons ziek gemaakt met kennis…”. Door Descartes zijn we gedoemd te leven op ‘de dorre velden van de rede’: “… ik heb nooit begrepen waarom we ons moeten verlaten op zijn axioma als onwankelbare basis van wat dan ook. Hoe meer hij het heeft over het volgen van een rechte lijn om uit het bos te komen (of een donker woud natuurlijk), hoe fijner het me lijkt om te verdwalen in dat bos, waar we ooit vol verwondering hebben geleefd en hebben begrepen dat het een noodzakelijke voorwaarde was voor een authentiek bewustzijn van het zijn en van de wereld…”. Ze is zondermeer voor een ‘ontploffing van de rede’. Ze zegt dat ze zichzelf nooit heeft toegestaan in God te geloven, maar dat weerhoudt haar er niet van er metafysisch op los te redeneren: “… Vloeit niet een deel van het ontzag waarvan we vervuld worden wanneer we tegenover het onbekende komen te staan voort uit het inzicht dat het onbekende ons zou kunnen veranderen, als het ooit in ons zou stromen en bekend werd? (sommige predikanten uit mijn jeugd zagen de oorzaak van de onverbeterlijke onbekeerlijkheid van ons, zondig kerkvolk, in precies hetzelfde euvel). In onze kijk op de sterren vinden we een maatstaf voor onze eigen onvolledigheid, onze voorlopige onvoltooidheid, dat wil zeggen, ons potentieel tot verandering, transformatie zelfs. Dat onze soort zich van andere soorten onderscheidt door onze honger naar en ons vermogen tot verandering, heeft alles te maken met ons vermogen om de grenzen van ons begrip te herkennen en over het ondoorgrondelijke na te denken…”. Terwijl ze op een ligstoel bij het zwembad ligt, prozaïsch: “… De IJzeren Koepel (Israëls raketafweersyteem) had maar één raket doorgelaten, waarbij een man was omgekomen op de hoek van de Arlozorovstraat en de Ben Ezrastraat. De barrière was doorbroken, een scheur in de hemel, maar de realiteit van de andere wereld kwam niet naar binnen stromen…”. En sarcastisch over haar schoolgaande zonen: “… Uiteraard zijn ze allebei kunstenaar, mijn kinderen. Per slot van rekening is de mondiale kunstenaarspopulatie geëxplodeerd, vrijwel niemand is tegenwoordig géén kunstenaar: door onze aandacht naar binnen te richten hebben we ook al onze hoop naar binnen gericht, omdat we geloven dat daar zingeving te vinden is of kan ontstaan. Nu we ons volledig hebben losgemaakt van wat onkenbaar is en wat ons werkelijk met ontzag kan vervullen, kunnen we alleen maar verwondering vinden in onze eigen scheppende vermogens…”. Behalve in Israël, bromt de hoogleraar letterkunde een eindje verder, waar schrijvers altijd ‘Luftmenschen’ zijn geweest - onpraktisch en nutteloos: “… Ze confisqueerden zijn pen en stuurden hem de akkers op om radijsjes uit de grond te trekken…”.

Tsimtsoem
Dat Nicole wat te maken zal krijgen met Epstein wordt onder meer duidelijk doordat Epstein ook in het Hilton komt logeren. Wanneer Epstein aan een mystieke rabbijn vertelt dat een onweerstaanbaar verlangen naar lichtheid hem ertoe heeft aangezet om zoveel mogelijk weg te geven, begint de rabbijn een onwaarschijnlijk mooie verhandeling over het kabbalistische begrip ‘Tsimtsoem’. Het staat voor de ‘goddelijke samentrekking’. Om de wereld te maken trok de oneindige God zich terug, en in de leemte die achterbleef schiep Hij onze eindige planeet. Deze ontstaansgeschiedenis wordt volgens de rabbijn doorlopend herhaald, niet alleen in de Thora, maar ook in ons eigen leven. Eva wordt uit een rib van Adam gemaakt. Waarom? Omdat er eerst een lege ruimte in Adam moest zijn voor een andere ervaring: “… Om de mens te scheppen moest God Zichzelf verwijderen, en dat manco, zou je kunnen zeggen, is kenmerkend voor de mensheid. Het is een manco dat ons allemaal achtervolgt omdat wij, als Gods schepping, een herinnering aan het oneindige in ons hebben die ons vervult van verlangen. Maar hetzelfde manco is ook wat de vrije wil mogelijk maakt. De overtreding van Gods gebod om niet van de Boom der Kennis te eten kun je uitleggen als weigering om gehoorzaam te zijn, ten gunste van de vrije keuze en het verwerven van autonome kennis. Maar uiteraard is het idee om van de Boom der Kennis te eten om te beginnen al van God afkomstig. God die het idee bij Eva laat opkomen. Vandaar dat het ook opgevat kan worden als Gods manier om Adam en Eva aan te zetten tot een confrontatie met de leeggemaakte ruimte in henzelf – de ruimte waar God afwezig lijkt te zijn. Op deze manier zet Eva, wier schepping een lichamelijke leemte in Adam vereiste, Adam ook aan tot de ontdekking van de metafysische leemte in hemzelf, die hij eeuwig zal betreuren, ook al vult hij haar van onder tot boven met zijn vrijheid en zijn wil…”. En dan, oneindig troostend: “… Om die reden hoor je weleens van rabbijnen dat een gebroken hart voller is dan een tevreden hart: omdat een gebroken hart een leemte heeft, en die leemte heeft de potentie om met het oneindige gevuld te worden…”. De rabbijn nodigt Epstein uit om de sabbat te komen doorbrengen in zijn leerhuis in Safed, ‘Galgoel’ geheten: “… hij legde uit dat het woord ‘cyclus’ of ‘wiel’ betekent, maar in de kabbala op transmigratie van de ziel sloeg, zielsverhuizing. Naar een hoger geestelijk domein als je daar klaar voor bent. Maar soms ook, uiteraard, naar een hardvochtiger domein…” (ik denk onmiddellijk aan wat ik over mijn letterkundige inspirators heb geschreven in mijn blog over “Heer van de vliegen”).

Het eeuwige, onverwoestbare in ons
Langzaamaan wordt duidelijk wat de hoogleraar letterkunde van Nicole wil. Hij is op een onafgemaakt toneelstuk van Kafka gestuit dat verfilmd gaat worden. Of Nicole even een slot aan het stuk kan breien. Nog nooit heeft iemand haar zoiets krankzinnigs gevraagd. Ondertussen ontvreemdt de professor ook nog een koffer vol volgens hem ongepubliceerde manuscripten van Kafka, uit het gebarricadeerde appartementje van een paranoïde kattenvrouwtje, terwijl Nicole in zijn auto op hem zit te wachten. Ze gelooft haar ogen niet. Het levert evenwel een hoop opinies betreffende Kafka op. Bijvoorbeeld over zijn visie op de wijzen die ons steeds naar de oneindigheid trachten te dirigeren. Naar ‘de overkant’, terwijl ze zelf niet eens weten of er wel zoiets bestaat: “…Niemand heeft de drempel ooit grondiger bewoond dan Kafka. Op de drempel van het geluk, aan de overzijde, van Kanaän, van de deur die alleen voor ons open staat. Op de drempel van ontsnapping, van gedaanteverandering. Van een kolossaal en laatste begrip. Niemand heeft de drempel zo tot kunst verheven. En toch, als Kafka nooit duister of nihilistisch is, komt dat doordat zelfs het bereiken van de drempel vereist dat je openstaat voor hoop en een levendig verlangen. Er ís een deur. Er is een weg omhoog of naar de overkant. Het is alleen zo dat het je vrijwel zeker niet zal lukken om hem in dit leven te bereiken, te herkennen of te overschrijden…” (het doet me denken aan de streng gereformeerde kerk uit mijn jeugd waar maar héél weinig mensen ‘zalig’ werden). Een van de gelijkenissen van Kafka gaat over een ruiter die als antwoord op de vraag waar hij naartoe gaat, schreeuwt: “… Alleen maar weg van hier, alleen maar weg van hier!...”. Volgens de professor had dat ook gerust op Kafka’s grafsteen gebeiteld kunnen worden: “… Zijn hele leven droomde hij over ontsnappen en toch lukte het hem niet eens om bij zijn ouders weg te gaan…”. Ik herinner me een psycholoog die mij ooit vertelde dat zelfmoordenaars niet zozeer dood willen, als wel weg uit een uitzichtloos ervaren situatie. De professor: “… Niemand – niet Joseph K, Gregor Samsa, de Hongerkunstenaar of de muis die in een steeds versmallende wereld naar zijn eigen val vlucht zonder te beseffen dat hij alleen maar van richting hoeft te veranderen – niet een van hen slaagt erin aan zijn absurde bestaansomstandigheden te ontsnappen: het enige wat ze kunnen doen is eraan doodgaan…”. En misschien wel het mooiste fragment: over de zondeval. Volgens Kafka was de oorzaak van de verbanning uit het paradijs niet het eten van de Boom der Kennis. Maar het gevolg van het níét eten van die andere boom, de Boom des Levens. Als we dat hadden gedaan waren we ons bewust geworden van de aanwezigheid van het eeuwige, het ‘onverwoestbare’ in ons: “… ‘Ja, de hele zichtbare wereld,’ zei Kafka peinzend, ‘is wellicht niets anders dan de rationalisatie van een man die een ogenblik rust wil.’ Wat voor rust? Door te doen alsof kennis een doel op zich kan zijn. Intussen zien we het eeuwige, onverwoestbare in ons over het hoofd, net zoals Adam en Eva de Boom des Levens op noodlottige wijze over het hoofd hebben gezien. En blijven we het over het hoofd zien, terwijl we juist niet kunnen leven zonder de overtuiging dat het eeuwige, onverwoestbare er is, altijd binnen in ons, met takken die omhoog reiken en bladeren die zich ontvouwen in het licht. In die zin is de drempel tussen het paradijs en deze wereld misschien een illusie en hebben we het paradijs wellicht nooit verlaten, suggereerde Kafka. In die zin kunnen we daar misschien zijn zonder dat zelfs nu te weten…”. En daar geloof ik ‘heilig’ in.

Grote kunst
Door alles wat ik vertel lijkt het misschien of "Donker woud" een loodzwaar boek is. Dat is niet zo: het is af en toe ontzettend grappig en heeft hier en daar iets van een slapstick. Natuurlijk wordt de vrijgevige Epstein uitgebuit waar hij bij staat: de rabbijn heeft voor allerlei projectjes geld nodig, zijn dochter maakt een film over koning David die veel kost. Ze maken Epstein wijs dat hij een afstammeling van koning David is. Als hij op zoek is naar een wc ziet hij zelfs een glimp van de rabbijnsdochter in bad, wat dezelfde sensaties bij hem wekt als Bathseba bij David. Uiteindelijk laat Epstein zijn ‘annunciatie’ verkopen om aan geld te komen, en wel door de conciërge van zijn appartement, om alle ophef te vermijden. Omdat Sotheby’s nog niet open is gaat deze met het geval op een bankje in een park zitten, waarop hij in slaap valt, en het kostbare schilderij gepikt wordt door een zwerver. Epstein verdwijnt als Mozes in de woestijn, evenals Nicole, die er een soort van transformerende ‘donkere nacht van de ziel’ ondergaat. De titel van het boek kan op van alles slaan, niet in het minst op het bos dat Epstein laat aanplanten ter nagedachtenis aan zijn ouders. "Donker woud" benadert de absurditeit van Kafka. Het gaat met Kafka aan de haal. Het is een boek met zoveel kanten dat wat je er van vindt eigenlijk meer over jou zegt dan over de bedoeling van de schrijfster. En dat is bij alle werkelijk grote kunst het geval, denk ik. Het moet vragen oproepen, niet beantwoorden…

Uitgave: Ambo/Anthos – 2017, 300 blz., vertaling Rob van der Veer, ISBN 978 902 633 342 9, € 21,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier