De Britse YouTuber die onder de naam ‘Nick Reads’ een enerverend videokanaal beheert — ‘for people who think books still matter’ — en daar tot mijn grote vreugde de écht grote (post)moderne klassiekers bespreekt, bestempelt “Witte ruis“ van Don DeLillo (New York, 1936), voor het eerst gepubliceerd in 1985, met stip als nummer 1. Het is een satirische, hilarische familieroman over een ogenschijnlijk maatschappelijk geslaagd Amerikaans gezin dat verzeild raakt in een wilde jacht op een pilletje tegen doodsangst. Het is ook een beetje een campusroman: de hoofdpersoon, Jack Gladney, de pater familias, doceert aan de universiteit het door hemzelf verzonnen vak Hitlerkunde. Vijftig jaar geleden worstelden Amerikanen blijkbaar ook al met de dood, informatiestress en de wegwerpmaatschappij, die de personages nauwkeurig analyseren. “… De (post)moderne Amerikaanse consumptiecultuur stroomt door deze belangrijke roman als een fatale suikerstoot…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!). In het verhaal zijn duidelijk de ideeën te ontwaren van, in mijn ogen, profetische denkers als Marshall McLuhan en Jean Baudrillard.
Marshall McLuhan
Volgens Marshall McLuhan (1911-1980) moet je, om de huidige wereld te begrijpen, de media begrijpen. Hij had het al over de term ‘global village’, ver voordat het internet en het World Wide Web hun intrede deden. McLuhan werd beroemd, zo niet berucht, door zijn stelling ‘The medium is the message’: niet wát je vertelt heeft de meeste invloed, maar hóe en via welk kanaal je het vertelt. Zie heden ten dage het ontelbare leger communicatiewetenschappers, zou ik zeggen. Ook McLuhans gelanceerde woordspeling ‘The medium is the massage’, waarmee hij doelde op de doordringende, knedende, ‘masserende’ werking van de media, zorgde voor de nodige ophef. Zie de hedendaagse kritiek op de eenzijdig beleefde ‘mainstream media’. McLuhan beweerde dat de media een verlenging van de menselijke zintuigen zijn: een halve eeuw later valt bijna niet meer te leven zonder smartphone.
Jean Braudillard
Ook Jean Baudrillard (1929-2007) voorzag dat door de macht van de opkomende massamedia en hun niet-aflatende behoefte om nieuws te maken, de werkelijkheid steeds verder vervormd zou worden. Het vertrouwen in het nieuws is nog nooit zo laag geweest als nu (NOS, 16-06-2026). Braudillard schreef dat de communicatiemiddelen die in een samenleving worden gebruikt, de sociale relaties zullen bepalen. Lees Jonathan Haidt! De massamedia spiegelen een utopie voor die buiten de werkelijkheid staat, waarvoor Baudrillard het begrip ‘hyperrealiteit’ hanteert. Inmiddels leven we grotendeels in een virtuele werkelijkheid. Wij hebben het contact met de echte wereld verloren. Wij leven in een ‘simulatie’. Zie de hedendaagse oorlogsvoering, die ervaren wordt als een videogame. Wij baden via de media in een alomtegenwoordigheid en grenzeloze aanwezigheid van communicatie, die Don DeLillo aanduidt als ‘witte ruis’. Verder voorspelde Baudrillard dat het kapitalisme steeds meer zal gaan drijven op consumptie, waarbij de ideologische opwekking van behoeftes voorafgaat aan de productie van goederen die deze behoeftes moeten bevredigen. Zie de grote mediabedrijven die anno 2026 enorme boetes aan hun kont hebben hangen vanwege het bewust verslaafd maken van kinderen. Eind jaren zeventig zag Baudrillard al aankomen dat de ‘symboolwaarde’ van producten al het andere ondergeschikt zou maken. Zie de maatschappelijke en criminele problematiek waarbij peperdure designerkleding, luxe jassen en exclusieve sneakers een extreme statusrol spelen onder (vaak jonge) criminelen en jongerengroepen. De persoon heeft geen inhoud meer; hij is slechts uiterlijke schijn. Wikipedia: “… Baudrillards uitspraak ‘We leven na de orgie’ ontstemde velen. ‘Alles kan en alles mag, alles is bevrijd en er zijn geen taboes meer, maar in de plaats van een opwindend feest levert dit een geweldig gevoel van leegte op. We leven in de hel van hetzelfde’, dixit Baudrillard …”. Zie onze verslechterende mentale toestand.
Simulatie
De hel van hetzelfde: het verhaal start met hoe Jack Gladney voor de eenentwintigste keer in september de studenten op de campus ziet arriveren, gebracht door kwieke mama’s, ‘gewetensvol gebruind’ en in ‘dieetconditie’, en voldane papa’s, die doen denken aan ‘grootschalige verzekeringpolissen’: “… Wat ze in de loop van het verdere jaar ook nog zouden doen, die bijeenkomst van stationcars vertelt de ouders meer dan formele liturgieën of wetten dat ze een verzameling gelijkgestemden en geestelijk verwanten zijn…”. Een economische klasse die een element van oververfijning en inteelt tentoonspreidt, aldus Jack. Ten bate van zijn ‘wetenschappelijk gewicht’ heeft hij zijn achternaam voorzien van de intitalen J.A.K., een variatie op J.F.K., en draagt hij een zwarte toga en een donkere bril: “… Ik ben het valse personage dat achter de naam aan loopt…”. Hij probeert het feit te verbergen dat hij als Hitler-expert geen Duits spreekt: “… Ik leef kortom aan het randje van een landschap van immense schande…”. In het geheim neemt hij Duitse les. Als hij op het eind van het boek gewond in een ziekenhuis belandt waar hij verzorgd wordt door nonnen vraagt hij naar hun geloof, dat ze niet blijken te hebben. Zelfs zij doen maar alsof: “… Denkt u dat we achterlijk zijn?...”. Ze lopen rond in habijten omdat de ongelovigen wanhopig iemand nodig hebben die gelooft. “… Wij zijn jullie krankzinnigen. Wij doen afstand van ons leven om jullie ongeloof mogelijk te maken. Jullie weten zeker dat je gelijk hebt maar wilt niet dat iedereen zo denkt als jullie. Er bestaat geen waarheid zonder dwazen. Wij zijn jullie dwazen, jullie gekke vrouwen, die in alle vroegte opstaan om te bidden, kaarsen aan te steken, standbeelden vragen om een goede gezondheid, een lang leven…”. De hel, dat is als er niemand meer gelooft. Als zij niet doen alsof ze geloven, zal de wereld in elkaar storten. Kortom, ze voorzien simpel in een behoefte (zie ook: “San Manuel Bueno. Mártir” van Miguel de Unamuno).
Hitte
Jacks vakgroep volkscultuur bestaat “… vrijwel uitsluitend uit Newyorkse import, gehaaid, gewiekst, filmgek, bezeten van nutteloze informatie…”. Ze houden zich bezig met “… een aristotelisme van kauwgumwikkels en waspoederreclame…”. De grote uitzondering is Murray, een Elvis-specialist, die voor een kleine universiteit heeft gekozen omdat hij genoeg heeft van de hitte. Jawel (zie mijn vorige blog). “… Hitte. Dat is wat grote steden voor me betekenen. Je stapt uit de trein en loopt het station uit en je krijgt de volle laag. De hitte van lucht, verkeer en mensen. De hitte van eten en seks. De hitte van hoge gebouwen. De hitte die uit de metro en de tunnels komt drijven. Het is er altijd tien graden heter in de grote stad. Hitte stijgt op van de trottoirs en daalt uit de vergiftigde hemel. De bussen ademen hitte. Hitte straalt af van drommen winkelpubliek en kantoorpersoneel. Heel de infrastructuur is gebaseerd op hitte, verbruikt vertwijfeld hitte, verwekt hitte. De uiteindelijke verhittingsdood van het heelal waar geleerden graag over praten is al een flink eind op streek, en in elke grote of middelgrote stad kun je voelen hoe hij zich overal om je heen voltrekt. Hitte en vocht…”. Samen rijden ze naar ‘de meest gefotografeerde schuur van Amerika’, waar een zee van mensen foto’s staat te nemen van een doodgewone schuur. Als je het hebt over ‘leven in de hyperrealiteit’.
Samengesteld gezin
Jack is de vader van een druk samengesteld gezin. Zelf heeft hij vier kinderen uit evenzoveel vorige huwelijken. Zijn vrouw Babette, ‘Baba’ — een rots van stabiliteit, dénkt hij, in tegenstelling tot het egocentrische stelletje zenuwpezen van vroeger, die gek genoeg allemaal banden hadden met spionagekringen — heeft drie kinderen. Zij is dan ook pas voor de derde keer getrouwd. Vier van die kinderen wonen bij hen in huis: Wilder, een peuter die gefascineerd is door alles wat beweegt (hij zit uren voor de draaiende trommel van de wasmachine); de stronteigenwijze Steffie van 11; de iets oudere Denise ("... een volkscommissie in het klein die ons tot hoger bewustzijn leuterde..."); en wijsneus Heinrich van 14, een soort moderne incel: “… Babette is bang dat hij zal eindigen in een gebarricadeerde kamer, waaruit hij honderden salvo’s automatisch vuur rondsproeit over een verlaten winkelgalerij voordat de oproerteams op hem afkomen met hun dikgelopte wapens, hun megafoons en kogelvrije vesten…”. Heinrichs haar begint al uit te vallen en hij speelt schaak op de computer met een moordenaar in de gevangenis. “… Kinderen, stelt DeLillo, snappen meer van de moderne cultuur dan volwassenen; ze zijn er beter aan aangepast maar ook meer gedesillusioneerd over…” (1001 boeken die je gelezen moet hebben!).
Swingende tekst
Jack piekert aan één stuk door over wie er het eerst dood zal gaan: hij of Babette. Hij is doodsbang voor het einde. Is er meer tussen hemel en aarde? “… Hitler noemde zichzelf de eenzame zwerver uit het niets. Hij zoog op hoesttabletjes, sprak tegen mensen in eindeloze monologen waarin hij vrij associeerde, alsof de taal uit een onmetelijk reservoir buiten de wereld kwam en hij niet meer was dan een middel tot openbaring…” (zie “Het ultieme geheim” van Dan Brown). Fenomenaal is een fragment waarin Jack en Murray elkaar tijdens een college afwisselen in een analoge speech over Hitler en Elvis. Alsof het gaat om een ter plekke bedachte improvisatie tussen twee jazzmusici. Zelfs in vertaling ‘swingt’ de tekst: als je zoiets leest, ervaar je weer wat grote literatuur vermag. Tijdens het betoog cirkelen de heren ook nog eens om elkaar heen, alsof ze dansen. De collegezaal loopt “… wellicht aangetrokken door een prikkelende magnetische golf, een werveling in de atmosfeer…” steeds voller.
Golven en straling
Vrijdags zit het volledige gezin met het bord op schoot voor de tv, waar ze zwijgend kijken naar het nieuws over overstromingen, aardbevingen, modderverschuivingen, huizen die in zee glijden, hele dorpen die vergruizelen en in een massa oprukkende lava in brand vliegen: “… Elke ramp deed ons verlangen naar meer, naar iets nog groter, grootser, overweldigender…”. Murray zegt dat je je daar niet schuldig over hoeft te voelen. Onze ogen, oren, hersenen en zenuwstelsel zijn oververmoeid: “… we lijden aan hersenvervaging. We hebben af en toe een ramp nodig om het onafgebroken informatiebombardement te doorbreken…”. Even verder: “… Volgens Murray zijn we broze figuren omringd door een wereld van vijandige feiten. Feiten bedreigen ons geluk en onze veiligheid…”. Zie het groeiende aantal mensen dat niet meer naar het journaal kijkt. Het gezin gaat vaak naar een immense supermarkt van tien verdiepingen, waar ze ‘geestelijk worden opgeladen’. Een centrum van ‘welbehagen’. Een letterlijk ‘koopparadijs’: “… Alles was goed en zou goed blijven, zou uiteindelijk nog beter worden zolang de supermarkt het maar niet af liet weten…”. Even verder: “… Hier gaan we niet dood, hier doen we boodschappen…”. Twee vermiste oudjes worden er pas na vier dagen teruggevonden. Wanneer Jack met de meisjes en Wilder weer eens in het winkelcentrum rond struint omdat de lagere school wordt ontruimd (“… Kinderen kregen hoofdpijn en geïrriteerde ogen, een metaalsmaak in hun mond. Een onderwijzeres rolde over de grond en sprak vreemde talen. Niemand wist wat er mis was. Onderzoekers zeiden dat het kon liggen aan het ventilatiesysteem, de verf of vernis, de schuimisolatie, de elektrische isolatie, het kantine-eten, de straling van microcomputers, de asbestbrandbeveiliging, de tape op verzendtrommels, de dampen uit het gechloreerde zwembad, of misschien iets nog diepers, verfijnders, nauwer verweven met de grondtoestand der dingen…”), hoort hij voor het eerst van Steffie dat Denise erachter is gekomen dat hun moeder ‘iets’ slikt.
Het zwevende gifgebeuren
De ontruiming van de school is de voorbode van een veel grotere ramp: uit een ontspoorde tankwagen ontsnapt een gifwolk vol Nyodeen D, waardoor het stadje van de Gladney’s ontruimd moet worden. Het gezin wordt in hun auto naar een verlaten padvinderskamp gedirigeerd. Griezelig genoeg vond een jaar na de uitgave van “Witte Ruis” de kernramp van Tsjernobyl plaats: alsof DeLillo het voelde aankomen. Nyodeen D veroorzaakt ook nog eens hartkloppingen en ‘een gevoel van déjà vu’. Volgens Murray gaat het om voorkennis, die we normaal verdringen. Als de dood in het vizier komt, bevrijdt dat het onderdrukte materiaal. Tijdens de rit ziet Jack uit zijn ooghoek dat Babette iets in haar mond stopt en doorslikt. Een snoepje, beweert ze. Jack en Babette proberen te voorkomen dat de meisjes iets horen over de symptomen van het gif, omdat ze die prompt gaan vertonen. Zie het resignatiesyndroom onder asielzoekerskinderen. Sommige denkers vrezen ook dat het hoge aantal transgenders onder jonge autistische meisjes op sociale besmetting zou kunnen wijzen. Over het gif: “… Het oorspronkelijke spul doodt kakkerlakken, de bijprodukten doden alles wat overblijft…”. Omdat Jack moet tanken, staat hij er tweeënhalve minuut middenin, waardoor een vrijwilliger hem na het combineren van dit gegeven met alle onlinedata die er over hem bekend is, weet te vertellen dat de computer uitwijst dat hij niet direct vandaag of morgen, maar in de toekomst waarschijnlijk dood zal gaan aan de opgelopen rotzooi. “… De Grieken wisten dat de belangrijkste gebeurtenissen in het heelal niet te zien zijn met het menselijk oog. Het gaat om golven, om stralen, om deeltjes…”.
Nutteloze kennis
Bij een ramp zijn we nergens, aldus Heinrich, we kunnen niets. Onze kennis verandert en groeit elke seconde van de dag. Ze gaat van computer naar computer. Maar wat heb je aan kennis die alleen maar in de lucht zweeft? Intussen laten specialisten vanuit legerhelikopters micro-organismen los in de wolk, die het gif letterlijk “… verorberen, opeten, afbreken, verteren…”. Een man loopt met een klein tv’tje rond en windt zich op omdat er amper nieuws is over wat hun overkomt. Zijn toespraak loopt feilloos in de maat met Nietzsches parabel over de dwaas: “… Willen ze beweren dat het beduidend was, dat het niets voorstelde? Zijn ze zo meedogenloos? Hebben ze hun buik zo vol van giflekkages en verontreiniging en afvalproblemen? Denken ze soms dat dit maar televisie is? ‘Er is al te veel televisie – waarom nog meer laten zien?’ Weten ze niet dat het echt is? Horen de straten niet te krioelen van de cameramensen en de geluidsmensen en de verslaggevers?...”. Enzovoort, enzoverder. Na negen dagen mogen ze eindelijk naar huis. Vanaf die tijd gaat iedereen kijken naar de door gifresten in de atmosfeer veroorzaakte spectaculair mooie zonsondergangen.
De dood voorblijven
De dood laat Jack niet meer los sinds hij weet dat hij besmet is: “… Het grootste verdriet is de dood. Het enige om het hoofd te bieden is de dood. Dat is alles waar ik aan denk. Er is maar één thema aan de orde. Ik wil leven…”. Volgens de psychologie is alle angst per saldo doodsangst. Het verschil tussen dieren en mensen is dat de mens weet dat hij sterfelijk is. Met Murray voert Jack diepgaande gesprekken over het ten dode opgeschreven zijn. Al ons handelen komt voort uit de behoefte de dood voor te blijven, stelt antropoloog Ernest Becker. Murray vraagt derhalve waar Jack zijn hele leven mee bezig is geweest: “… Mezelf betoveren, denk ik…”. Murray stelt dat je je over de dood heen kunt zetten door je op het leven erna te richten: “… reïncarnatie, zielsverhuizing, de meerdimensionale ruimte, de wederopstanding van de doden, enzovoorts. Er zijn een paar grandioze stelsels voortgekomen uit die overtuigingen…”. Of Murray ergens in gelooft? “… Miljoenen mensen geloven al duizenden jaren. Sluit je bij hen aan. Het geloof in een wedergeboorte, een tweede leven, is vrijwel universeel. Dat moet iets betekenen…”.
Fake nieuws
De extinctie, het grote uitsterven, is allang begonnen, maar gaat zo langzaam dat wij ons eraan aanpassen, aldus Arnold Huijgen in “Inferno”. Daar gaat het ook over tijdens het eten, wanneer het gezin probeert uit te vissen welke informatie wel en niet fake is. Het zijn de kleine, alledaagse, onopgemerkte hoeveelheden gif die ons op den duur ondermijnen, aldus een langzamerhand aan ernstig geheugenverlies lijdende Babette. Heinrich: “… Het werkelijke vraagstuk is het soort straling dat ons elke dag omringt. Je radio, je tv, je magnetronoven, je energieleidingen vlak voor de deur, je radarcontrole op de snelweg. Jarenlang hebben ze ons voorgehouden dat die lage doses niet gevaarlijk waren…”. Vergeet de radioactieve neerslag. Wat denk je van de elektrische en magnetische velden? “… Wie in deze kamer zou me geloven als ik zei dat het zelfmoordcijfer een ongeëvenaard record bereikt onder mensen die vlak bij hoogspanningsleidingen wonen? Hoe komen die mensen zo treurig en depressief? Alleen maar door het zien van lelijke draden en elektriciteitsmasten? Of gebeurt er iets met hun hersencellen doordat ze blootstaan aan constante straling?...”. Heinrich: “… ‘Vergeet maar die hoofdpijn en vermoeidheid,’ zei hij al kauwend. ‘Wat dacht je van zenuwstoornissen, vreemd en gewelddadig gedrag in het gezin?’…”. Volgens Jack zijn angstaanjagende gegevens “… tegenwoordig een industrie op zichzelf. Verschillende bedrijven concurreren om te zien hoe erg ze ons bang kunnen maken’. ‘Ik heb een nieuwtje voor je,’ zei hij (Heinrich). ‘De hersens van een witte rat geven calciumionen af als ze worden blootgesteld aan hoogfrequente golven. Weet iemand hier aan tafel wat dat wil zeggen?’…”.
Onbekend psychofarmacon
“… De avond daarop ontdekte ik de Dylar. Een geelbruin flesje van lichtgewichtplastic. Het zat met plakband tegen de onderkant van de radiatorkap in de badkamer. Ik vond het toen de radiator begon te tikken, en ik de kap eraf haalde om me serieus en systematisch te verdiepen in de afsluitkraan…”. Jack sluit een bondje met dochter Denise om erachter te komen wat Dylar voor een medicijn is. Ze gaan de apotheken langs en bellen dokters op, maar niemand kent het. Jack laat een pil analyseren door een scheikundige aan de universiteit. Het enige wat zij kan zeggen, is dat het een onbekend psychofarmacon gaat: “… De bedoeling is waarschijnlijk een wisselwerking met een afgelegen deel van de menselijke hersenschors…”. De scheikundige: “… Je brein heeft een biljoen neuronen en elk neuron heeft tienduizend dendrieten. Het interne communicatiesysteem is ontzagwekkend. Het is als een melkwegstelsel dat je in je hand kunt houden, alleen gecompliceerder, geheimzinniger…”. Ze is daarom ‘trots’ dat ze een Amerikaanse is. Want: “… Het kinderbrein ontwikkelt zich in antwoord op prikkels. Wat prikkels betreft zijn we nog altijd nummer één in de wereld…”.
Witte ruis
Uiteindelijk zet Jack Babette voor het blok, vertelt haar dat hij het flesje Dylar heeft gevonden en eist een verklaring. Babette barst in huilen uit, legt uit dat ze zich als proefpersoon heeft gemeld bij een instituut dat een medicijn probeert te fabriceren tegen doodsangst, en bekent Jack, die totaal in shock is, schaamtevol dat een en ander gepaard is gegaan met een ‘misstap’. Zonder dat ze het van elkaar wisten, blijken beide echtelieden geobsedeerd door de dood. “… ‘Stel, de dood is alleen maar geluid?’ ‘Een elektrische ruis.’ ‘Die je hoort tot in de eeuwigheid. Overal geluid. Wat afschuwelijk.’ ‘Uniform, wit.’ …”. Babette:“… Ze hebben het hersendeel geïsoleerd waar de doodsangst zetelt. Dylar stuurt verlichting naar die sector …”. Elke emotie of gewaarwording heeft haar eigen neurotransmitters. Het gaat om chemicaliën die de hersenen aansporen hun eigen remstoffen te maken. Alles in het leven heeft te maken met moleculen die rondrazen in je hersenen, legt Babette uit. Heinrichs hersentheorieën zijn allemaal waar. “… We zijn de som van onze chemische impulsen …”. Jack vindt dat een ondraaglijk idee. “… Wat gebeurt er met goed en kwaad in dat systeem? Hartstocht, afgunst en haat? Wordt dat allemaal een wirwar van neuronen? Wou je me vertellen dat er nu een einde is gekomen aan een hele traditie van menselijke tekortkomingen, dat lafheid, sadisme, mishandeling nietszeggende termen zijn? Wordt ons gevraagd dat alles nostalgisch te bekijken? Hoe zit het met moordzuchtige razernij? …”. En als Dylar verlichting brengt, waarom zit ze dan de laatste dagen zo triest voor zich uit te kijken? “… Simpel. Het middel werkt niet …”.
Bezeten
Vanaf dan raakt Jack bezeten van het middel, gaat tot het uiterste om het te pakken te krijgen, maar Babette weigert hem te vertellen hoe hij eraan kan komen.
Uitgave: De Bezige Bij – 1986, vertaling Rien Verhoef, 373 blz., ISBN 978 902 340 9533
Alleen nog tweedehands verkrijgbaar
