Menu

donderdag 11 juni 2026

Het menselijk tekort – André Malraux

 


Ik kwam op YouTube een interview tegen met Arnold Huijgen, waarin hij werd bevraagd over de drie boeken die het meest voor hem betekenen. Als hij niet voor André  Malraux had gekozen, was hij voor Michel Houellebecq gegaan, zei hij. Je moet het beest in de bek kijken, volgens hem. Dat zette mij aan tot het lezen van “Het menselijk tekort”, want een theoloog die Houellebecq waardeert, kan voor mij niet meer stuk, hoor. “La Condition humaine” uit 1933 van de Franse schrijver André Malraux (1901-1976) speelt zich af tijdens de Chinese burgeroorlog en heeft ons daarom, alleen al vanwege onze gepolariseerde tijden, zeker iets te zeggen. De roman onderzoekt hoe mensen handelen in extreme politieke situaties en wat dat betekent voor hun persoonlijke waarden en identiteit. Hoe te lijden, en voor wie of wat? Als historische achtergrond fungeert de mislukte revolutionaire opstand tegen de regering van Chiang Kai-Shek in Shanghai (1927). Malraux baseerde zijn verhaal op zijn eigen ervaringen als activist en sympathisant van linkse revolutionaire bewegingen in Azië. Zijn diepgaande psychologische en filosofische reflecties tonen dat idealisme tot bijzonder ambigue situaties kan leiden, om nog maar te zwijgen over de gruwel van geweld die er vaak mee gepaard gaat. De titel verwijst naar de inherente beperkingen en zwakheden van de mens: angst, twijfel, morele conflicten en de onmogelijkheid om volmaakte heldendaden te verrichten. Misschien zoeken niet alleen christenen, maar wij allemaal, linksom of rechtsom, naar verlossing – van onszelf, van het leven: “… Men moet zich altijd bedwelmen: dit land heeft opium, de Islam hasjisch, het Westen de vrouw… Misschien is de liefde voornamelijk het middel dat de westerling gebruikt om zich te bevrijden van zijn tekort van mens…”. Zie de Epstein-elite, zou ik zeggen. Donna Tartt schrijft in “De verborgen geschiedenis” over hetzelfde thema.

 

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Vermoorden is niet alleen doden

Het boek heeft meerdere hoofdpersonen. Het begint heel heftig: we zitten meteen in het hoofd van een moordenaar. Hij staat, met zijn zenuwen tot het uiterste gespannen, om half één ‘s nachts helemaal alleen in de kamer van een man die onder een muskietennet ligt te slapen. “… Met knipperende oogleden ontdekte Tsjen in zichzelf, tot misselijkwordens toe, niet den strijder die hij verwacht had, maar een offerpriester…”. Hij luistert naar de golf van rumoer buiten: “… er waren nog opstoppingen van voertuigen daarginds, in de wereld der mensen…”. Hij heeft duidelijk een inhumane dimensie betreden: “… van onder zijn offer aan de revolutie kwam een wereld van diepten boven, waarbij deze nacht, murw van angst, nog lichtend scheen. ‘Vermoorden is niet alleen doden, helaas…’…”. Tsjen passeert een grens waardoor hij zich voor altijd in het isolement stort. Na zijn daad is er niets dan stilte en “… een verpletterende dronkenschap waarin hij onder ging, los van de wereld der levenden, aan zijn wapen vastgeklampt…”. Hij begint helemaal te trillen. “… Het was geen vrees, het was een verschrikking, gruwelijk en plechtig tegelijk…”. Even verder: “… hij was alleen met de dood, alleen in een oord zonder mensen, week overstelpt door afgrijzen en bloedlust tegelijk…”.  Tsjen zal nooit meer echte verbinding voelen met wie dan ook: “… Er was een wereld van de moord, en hij bleef daarin als in de warmte…”. Hij vermoordt niet alleen de ander, hij snijdt ook zichzelf af van de levenden.

 

Dubbel

En dat allemaal om een factuur voor wapenleveranties aan de regering te bemachtigen, die de dode in een portefeuille onder zijn hoofdkussen bewaart. Tsjen loopt met het begeerde formulier naar een louche grammofoonplatenwinkel, waar hij vier kameraden ontmoet. Kyo, de tweede hoofpersoon, één van de leiders van de ondergrondse opstand, leest de kleine lettertjes onder het contract: ‘betaalbaar bij levering’. Alles zit tegen. Hij begeeft zich naar een nachtclub, ‘Black Cat’, om een dronken nar met een zwart ooglapje, baron Clappique, de derde hoofdpersoon, te vragen te bemiddelen. De smokkelaar - “… Voor hem was de politie een mengsel van rekensommetjes en chantage, een instelling voor het innen van geheime belasting op opium en speelhuizen. Altijd waren de politiemannen met wie hij van doen had (vooral Sjpilewski) tegelijk tegenstander en halve medeplichtigen. Daarentegen had hij vrees en afkeer van verklikkerswerk…” - kent de kapitein van het schip dat vol wapens in de haven ligt. Natuurlijk komt het helemaal in orde. De baron verdwijnt in de nacht. Vervolgens loopt Kyo even bij zijn slapeloze vader naar binnen, Gisors - een om zijn marxistische standpunten verjaagde professor in de sociologie aan de Universiteit van Peking en inmiddels een oude, wijze goeroe voor de jongere generatie. De vierde hoofdpersoon. Maar zelfs aan hem is alles dubbel: “… Gedurende twintig jaar wendde hij zijn intelligentie aan om zich te laten liefhebben door de mensen die hij rechtvaardigde, en zij waren hem dankbaar voor de goedheid die, zonder dat zij het konden vermoeden, in de opium wortelde. Men dacht dat hij het geduld had van de boeddhisten: het was dat van wie verdovende middelen nemen…”.

 

Geluk

Kyo’s echtgenote blijkt een vrijgevochten arts die zich inzet voor revolutionaire vrouwen: May. Als ze die nacht thuiskomt: “… ‘Altijd weer hetzelfde, weet je: ik kom van een kind van achttien, dat geprobeerd heeft zelfmoord te plegen met een Gilette-mesje, in de trouwpalankijn. Ze werd gedwongen te trouwen met een edelachtbare bruut… Ze werd binnengebracht in haar rode bruisjurk, vol bloed. De moeder erachter, een kleine mismaakte schim die snikte, natuurlijk… Toen ik haar zei dat het kind niet dood zou gaan, zei ze tegen mij: ‘Arme kleine! Ze heeft toch bijna het geluk gehad dood te gaan…’ Het geluk… Zoiets zegt meer dan al onze toespraken over de toestand van de vrouwen hier…”. Zonder omwegen vertelt ze erachter aan dat ze met iemand naar bed is geweest. Ze hebben een ‘vrij’ huwelijk. Toch doet haar ‘eerlijkheid’ Kyo ongelooflijk zeer. Het voelt alsof hij haar ziet sterven. Alsof ze ineen zijgt. Alsof zijn geluk op een absurde wijze verdwijnt. May zegt dat ze dacht dat het hem niets schelen kon. “… De wonden van de diepste liefde zijn genoeg voor het ontstaan van een stevige haat…”.

 

Bezeten

Weer gaat Kyo op pad, terwijl hij ervaart hoe alleen ieder mens is: “… Eerst is er de eenzaamheid, de onveranderlijke eenzaamheid achter de sterfelijke menigte, als de grote oernacht achter deze dichte en lage nacht waaronder de verlaten stad loerde, vol hoop en haat…”. Uiteindelijk ben je enkel overgeleverd aan jezelf: “… aan de gek, aan het onvergelijkbare monster, verkieselijk boven alles, dat ieder wezen voor zichzelf is en dat hij in zijn hart koestert…”. Ondertussen gaat Tsjen met de vader van Kyo, die hij beschouwt als zijn leermeester, in gesprek over hoe de moord hem isoleert van de rest van de wereld. Samen komen ze tot de conclusie dat hij vooral degenen veracht die niet doden: de ‘mietjes’. Gaandeweg het gesprek begint Gisors “… klaar te zien: de actie in de stormtroepen was den jongen man niet meer genoeg, het terrorisme werd hem een betovering…”. De oude man weet hoe het af zal lopen: “… Die dus had zich geworpen in de wereld van de moord, en zou er niet meer uit komen: met zijn verwoedheid ging men het terroristenbestaan in als een gevangenis. Binnen tien jaar zou hij gegrepen zijn – gefolterd of gedood; tot daartoe zou hij leven als een bezetene met wilskracht, in een wereld van beslissingen en dood. Zijn ideeën hadden hem doen leven; van nu af gingen zij hem doden…”.

 

We’re all alone

Gisors over Tsjen: “… Zodra hij Tsjen had bestudeerd, was hem duidelijk geworden dat de jongen niet leven kon met een ideologie die zich niet onmiddellijk in daden omzette…”. Tsjen was als weesjongen door zijn oom bij de zendelingen gebracht. Daar kon hij Engels en Frans leren. Gisors had hem met argumenten het christendom weer afgeleerd: “… Door het geloof van China losgemaakt, daardoor gewoon zich van de wereld af te scheiden in plaats van zich eraan te onderwerpen, had hij onder Gisors’ invloed begrepen dat alles zich had afgespeeld alsof dit tijdperk van zijn leven enkel een inwijding geweest was in de heroïsche zin: wat te doen met een ziel, als er geen God is of Christus?...”. Gisors’ zoon Kyo, in Japan opgevoed, was ook tot de overtuiging gekomen dat ideeën niet gedacht, maar geleefd moeten worden. Alhoewel Kyo, op een ernstige en bedachtzame manier tot actie kwam en geen moordenaar was. Gisors staat juist voor de contemplatieve - en mij meest sympathieke - mens: “… Dat in ieder wezen, en in hem allereerst, een lijder aan hoogmoedswaanzin school, hij was er sinds lang van overtuigd…”. Zijn morfineverslaving werpt hem eveneens op zichzelf terug: “… Zijn zo zuiver gevoel voor Chinese kunst, voor deze blauwachtige schilderwerken die zijn lamp nauwelijks bescheen, voor heel deze beschaving van suggesties waarmee China hem omgaf en waarmee hij dertig jaar geleden zo subtiel zijn voordeel had weten te doen – zijn gevoel voor geluk – was niet meer dan een dun dekkleed waaronder, als onrustige honden die zich schudden na hun slaap, angst en doodobsessie ontwaakten…”. Niemand deelt zijn ervaring: “… Met gesloten ogen, gedragen door grote roerloze vleugelen, aanschouwde Gisors zijn eenzaamheid: een wanhoop die het goddelijke bereikte, terwijl zich dat spoor van kalmte verbreedde tot in het eindeloze en stil de diepten overdekte van de dood…”.

 

Voedingsbodem voor geweld

Diepzinnige filosofie wisselt af met jongensboekachtige spanning. De wapens worden met veel branie en bluf van het in no time overmeesterde schip gehaald, want de revolutionairen hebben natuurlijk geen cent te makken. Prachtig wordt een in het geheim georganiseerde massale staking beschreven. De tekst maakt de voedingsbodem voor terrorisme duidelijk: “… Rechts, onder de verticale banieren met karakters overdekt: ‘Niet meer dan twaalf uren werk per dag’ – ‘Geen werk meer voor kinderen beneden acht jaar’ – duizenden arbeiders van de spinnerijen, staande, gehurkt, liggend op het trottoir in een gespannen wanorde. De auto reed een groep vrouwen voorbij, verenigd onder de banier: ‘Recht om te zitten voor de arbeidsters.’ Het arsenaal zelf was leeg: de metaalbewerksters staakten. Links wachtten duizenden zeelieden in blauwe lompen, zonder banieren, gehurkt langs de stroom. De menigte der manifestanten verloor zich aan de kadekant tot diep in de steile straten; aan de rivierkant haakte ze zich aan de steigers vast, maakte de grens van het water onzichtbaar…”.

 

Het archetype van de eenzame held

De strijd is de sterkste van alle banden. Tsjen en zijn kameraden overvallen in de algehele chaos politieposten om aan wapens te komen. Dat gaat vrij gemakkelijk: de agenten worden zo slecht betaald dat ze meestal niet hun leven te wagen. Een aangrijpend fragment beschrijft hoe Tsjen midden in een granatenregen naar een geknevelde vijand kruipt wiens been is afgerukt, om met zijn mes de touwen door te snijden. Niemand mag geboeid sterven. Het doet onwillekeurig denken aan de dood van Henry Nowak. En weer dat individualistische: “… Het idee van de tweehonderd groepen die hetzelfde deden als de zijne, verrukte Tsjen, maar hinderde hem ook. Ondanks het schieten dat de zoele wind uit heel de stad aanbracht, gaf het geweld hem de sensatie van een afzonderlijk optreden…”. Ook als hij zich tijdens een straatgevecht aan de nok van een dak vastklampt terwijl er drie mannen die uitglijden aan zijn arm hangen, “… ontsnapte hij niet aan zijn eenzaamheid…”. Malraux: “… Tsjen was één van de zijnen, maar niet genoeg…”. Even verder: “… ondanks het gewicht van broeders dat hem uiteen trok, was hij niet een van de hunnen…”.

 

Spelletjes

De vijfde hoofdpersoon is Ferral, een Europese handelsattaché, die zich natuurlijk zorgen maakt over zijn economische belangen nu de communisten een greep naar de macht doen. “… De hinderpalen waaruit zijn tegenwoordige leven bestond, joegen hem naar de erotiek, niet naar de liefde…”. Hij minacht de vrouwen waar hij toch niet buiten kan. “… Ferral hield van dieren, als allen wier trots te groot is om het met mensen te kunnen vinden; van katten vooral…”. Even verder: “… Vrijheid van zeden, bij een vrouw, sleepte Ferral mee, maar vrijheid van geest ergerde hem…”. Zijn minnares weet dat hij haar verlangen om hem te verleiden zal aanzien voor overgave. Vrouwen die zich ‘geven’, mannen die ‘bezitten’ - het zijn allemaal gewiekste spelletje, volgens haar: “… Ik heb even weinig zin om een lichaam te zijn, als jij een chèqueboek…”. Even verder: “… Je zult doodgaan, lieve, zonder te hebben gemerkt dat een vrouw ook een menselijk wezen is…”. Iemand houdt Ferral voor dat het Romeinse Rijk te gronde is gegaan aan het bederf van de zeden (zie Jonathan Sacks in “Leviticus”: “… Niets verstoort op lange termijn de sociale orde meer dan seksuele anomalie…”).

 

Moorddadige insecten

Wanneer Tsjen en Kyo samen oplopen, gaat het op een gegeven moment over de mystiek van de dood. Christelijke mystiek richt zich op het apollinische licht, waarbij de ziel ‘omhoog’ wordt getrokken. Maar er bestaat ook een dionysische mystiek die gericht is op de duisternis, waarbij je jezelf in de afgrond stort. Tsjen heeft het over een ‘extase’: “… Maar dik. Diep. Niet licht. Een extase… naar beneden…”. Alsof het gaat om het in de ogen kijken van de dood. “… ‘Mijn vader denkt’, zei langzaam Kyo, ‘dat het diepste van de mens uit angst bestaat, uit het besef van zijn eigen noodlot, waaruit alle vrezen geboren worden, zelfs die voor de dood… maar dat opium daarvan bevrijdt, en dat daarin zijn betekenis ligt.’ …”. Tsjen: “… Je kan altijd de verschrikking in jezelf vinden. Als je maar diep genoeg zoekt…”. Terwijl Kyo Tsjen nakijkt, weet hij dat Tsjen een extremist is geworden: “… Hij kende de terroristen. Zij stelden zich geen vragen. Zij maakten deel uit van een groep: als moorddadige insecten teerden zij op hun band met een kleine tragische gemeenschap…”.

 

Vrede

Als Tsjen met een bom in zijn aktentas over straat gaat, loopt hij nota bene de dominee uit zijn jeugdjaren tegen het lijf. Volgens Tsjen is de eerwaarde evenwel iets anders dan “… een inhalig vod…”. De dominee vormt een goede vermomming, dus Tsjen loopt met hem op. “… Ik bid iedere dag voor je, Tsjen. Wat heb je gevonden in plaats van het geloof dat je verlaten hebt?...”. Hij hoort niet tot degenen met wie het geluk zich bezighoudt, antwoordt Tsjen. “… Daar is niet alleen het geluk, Tsjen, daar is ook nog de vrede…”. Niet voor hem, zegt Tsjen. “… Ik zoek de vrede niet. Ik zoek… het tegendeel…”. De dominee waarschuwt hem voor ‘hoogmoed’. “… ‘Wie zegt u dat ik mijn geloof niet gevonden heb?’ ‘Welk politiek geloof kan een verklaring geven voor het leed op de wereld?’…”. Tsjen zegt dat hij niet houdt van mensenliefde die bestaat uit bespiegelingen over het leed. Is er een ander soort mensenliefde, vraagt de dominee. Welk politiek geloof kan de dood overwinnen? Uiteindelijk zegt Tsjen hem de waarheid: “… ‘Luister goed’, zegt hij. ‘Over twee uur zal ik een moord doen’…”. De dominee blijft stokstijf staan: “… ‘Het is een afschuwelijke leugen’, zei de dominee…”. Dan holt Tsjen weg.

 

Pech

Tsjen en twee kameraden maken zich op om een bom onder de auto van Chiang Kai-Sjek te gooien. De eerste poging mislukt jammerlijk. Tsjen verschuilt zich in een antiquiteitenzaak tot de auto voorbijkomt, maar de verkoper houdt hem zo bezig dat hij geen kans ziet op tijd de straat op te rennen. Wanneer de drie terroristen onverrichter zaken samenkomen in de grammofoonplatenzaak, wil de eigenaar hun geen onderdak bieden. Boven gilt zijn doodzieke zoontje van de oorpijn: “… er was meer pijn op de wereld dan er sterren waren aan de hemel…”. Ze zullen zijn vrouw en kind doodschieten als ze merken dat hij zich inlaat met terrorisme. Het ergste wat hij zijn vrouw kan aandoen, is haar achterlaten door te sterven. “… Ik voel mezelf als een lantarenpaal waar alles wat vrij is in de wereld tegen komt pissen…”.

 

Lone wolf

Wanneer ze de volgende aanslag bespreken, komt Tsjen tot de conclusie dat de enige manier waarop deze zeker zal slagen een vorm van hara-kiri is. Iemand zal zich met de bom onder de auto moeten werpen. Dat is andere koek: “… bommen gooien, zelfs met het grootste gevaar voor zichzelf, was het avontuur; het besluit te sterven was iets anders; het tegendeel misschien…”.  Tsjen ontwikkelt zichtbaar van revolutionair tot iemand die het terrorisme een bijna religieuze betekenis geeft. Zijn bereidheid tot zelfopoffering en zijn nadruk op absolute eenzaamheid laten zien hoe hij zichzelf steeds meer als een geïsoleerde, uitverkoren ‘ras van wrekers’ beschouwt. “… ‘Je wilt van het terrorisme een soort godsdienst maken?’ De vervoering van Tsjen werd sterker. Alle woorden waren hol, ongerijmd, te zwak om uit te drukken wat hij van hen wilde. ‘Niet een godsdienst. De zin van het leven. Het…’…”. Als een soort ‘Übermensch’ stamelt hij woorden over wat hij ervaart als de ultieme  vorm van zelfbeschikking. Hij ontpopt zich als een ‘lone wolf’: “… Deze geboorte voltrok zich in hem, als alle geboorten, door hem te verscheuren en te verheffen – zonder dat hij er meester over was. Hij kon geen enkele aanwezigheid meer verdragen. Hij stond op…”. Tsjen: “… ‘Ik zal alleen gaan’, zei hij. ‘En ik alleen ben ook wel genoeg, vanavond’…”. Even verder: “… De oudste Chinese legende drong zich aan hen op: mensen zijn het ongedierte van de aarde. Het terrorisme moest een mystiek worden. Eenzaamheid vóór alles: de terrorist moest alléén beslissen, alléén optreden; heel de kracht van de politie lag in het verklikken, de moordenaar die alléén handelde liep de kans niet zichzelf aan te geven. Uiterste eenzaamheid…”.

 

De wil tot macht

De mens wil God worden, aldus de altijd serene Gisors. “… De macht van den koning is om te regeren, nietwaar? Maar de mens heeft geen lust om te regeren: hij heeft lust om te dwingen, u hebt het zelf gezegd. Om meer dan een mens te zijn, in een wereld van mensen. Te ontsnappen aan de menselijke staat, zei ik u. Niet machtig: almachtig. De hersenschimmige kwaal waarvan de wil tot macht alleen maar de intellectuele rechtvaardiging uitmaakt, is de wil tot goddelijkheid: elk mens droomt een god te zijn…”. Zie alleen al het arsenaal aan ‘deskundigen’ en opiniemakers in de media die voorschrijven hoe wij ‘moeten’ denken, om te constateren hoe waar het is wat Gisors beweert. Geen wonder dat veel mensen moe worden van de constante meningen-carrousel.  

 

Lucht en leegte

Tsjen wordt gedood als hij zich met zijn bom onder de auto van Chiang Kai-Sjek werpt, terwijl later blijkt dat die er niet eens in zat. De communistische cel wordt opgerold. Kyro komt in een hal met tweehonderd opstandelingen terecht die gefusilleerd zullen worden. Voodat het zover is, vergiftigt hij zichzelf met cyaankali. Zijn heldhaftige kameraad Katov breekt zijn cyaankalitablet doormidden, die hij aan twee hele jonge Chinezen geeft die naast hem liggen. Misschien is dat wel de grootste gift die hij ooit heeft gedaan. Zelf wordt hij levend verbrand in de vuurkist van een stoomlocomotief. Voor Ferral zijn alleen het Franse kapitaal belangrijk, verder niets. De oude Gisors verhuist naar zijn broer, de kunstschilder Kama, in Japan. Ooit zei de laatste dat hoe meer westerse kunstenaars lijnen gingen schilderen die geen dingen weergaven, des te meer zij over zichzelf gingen praten. Wanneer May haar schoonvader vraagt mee te gaan naar Moskou weigert hij. Hij heeft niets meer met het marxisme. “… De mensen moeten weten dat er geen werkelijkheid bestaat, dat er alleen maar werelden zijn van beschouwing – met of zonder opium – waarin alles ijdel is…”.  Bedoelt hij dat iedereen zijn eigen bubbel voor de werkelijkheid aanziet? Gisors: “… en als zovelen hun ouderdom leeg zien, is het omdat zovelen leeg waren en het wisten te verbergen…”. Voor zichzelf? “… May, luister: er zijn niet negen maanden, er zijn vijftig jaar nodig om een mens te maken, vijftig jaar van opoffering, van wilskracht, van… zoveel dingen! En als die mens gemaakt is, als in hem niets meer over is van de kindsheid, noch van de overgangstijd, als hij werkelijk een mens is geworden, is hij alleen nog maar goed om te sterven…”. Lucht en leegte, alles is leegte.

 

Les

De ‘les’ van Malraux is uiteindelijk een heroïsche, in de zin van Nietzsche. Zoals Nietzsche Schopenhauer nazegt, is een gelukkig leven niet mogelijk; een heroïsch leven is het hoogst denkbare.

 

Uitgave: Contact (Kaderreeks) - 1972, vertaling E. du Perron, 260 blz., ISBN 978 902 546 250 5

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar