Menu

dinsdag 20 oktober 2026

Murakami en het gespleten leven – Ype de Boer

 


De boeken van Murakami die ik heb besproken – “Norwegian Wood”, “Kafka op het strand”, “De moord op Commendatore” (deel 2) en “De stad en zijn onvaste muren” – zijn niet alleen fantastische verhalen over alledaagse helden, magische figuren en droomachtige sferen, maar bevatten ook een diepgaande visie op de fundamentele gespletenheid van ons moderne leven. Murakami’s fascinerende oeuvre verbeeldt het existentiële conflict tussen autonomie en verbondenheid. Onze loyaliteiten staan maar al te vaak op gespannen voet met elkaar. Filosoof Ype de Boer (1989) laat aan de hand van Murakami’s werk zien hoe onze innerlijke verdeeldheid een opmaat kan vormen tot geestelijke groei en verandering. We hoeven niet te blijven hangen in wie en wat we zijn.

 

Burgers van twee werelden

De Boer begint zijn studie met twee veelzeggende citaten: “… De meesten van ons bewonen twee werelden, met één been in het ene of het andere, en allemaal leven we op de grens. Dat is mijn definitie van het mensenleven…” (uit een interview met Murakami) en “… Op de drempel van niet-bewustzijn moet het Ik zijn eigenschappen afleggen, moet het zich ontroeren. En passie is het gespannen koord tussen ons en Genius, waarop het koorddansende leven wandelt…” (uit "Profanaties" van Giorgio Agamben). Als gelovige leef ik sowieso in een gespleten werkelijkheid: aan de ene kant de zichtbare, materialistische dimensie en aan de andere kant de onzichtbare, spirituele dimensie. Christenen zijn ‘burgers van twee werelden’; daar ben ik mij maar al te zeer van bewust. Misschien houd ik daarom zo van Murakami’s romans. Ze vertellen me iets over mezelf. Volgens Murakami leven wij allemaal tussen twee ‘sferen’ (zie ook “De meester en zijn afgezant” van Iain McGilchrist). Wanneer Agamben ‘passie’ een ‘gespannen koord’ noemt waarop het ‘koorddansende leven wandelt’, zou ik die ‘passie’ heel graag willen verbinden met wat Esther Perel in “Erotische intelligentie” passie noemt, en niet alleen willen koppelen aan seksuele aantrekkingskracht, zoals Murakami mijns inziens wel doet. Ik zou het begrip veel breder willen trekken, omdat van alles een ‘passionele energie’ kan opwekken die je in beweging zet. Voor een gelovige staat Genius misschien wel voor God. Voor een ongelovige kan om het even wat ‘goddelijk’ worden.

 

Verdiepende interpretatie

In vrijwel alle verhalen krijgen Murakami’s personages te maken met ‘gespletenheid’. Denk bijvoorbeeld aan de zestienjarige Kafka, die in “Kafka op het strand” moet dealen met ‘de jongen die Kraai wordt genoemd’. De Boer vindt dat dit gegeven een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan tot uitdrukking brengt en daarom de moeite van een verdiepende interpretatie waard is. Het kan ons iets elementairs over het leven leren. Niet iedereen is het daarmee eens, en zeker het literaire establishment in Japan niet. Murakami’s fictie werd lange tijd afgedaan als oppervlakkig, surrealistisch entertainment. Anderen vinden dat Murakami schrijft over abnormale, want schizofrene, types: “… Zijn personages zouden individuen betreffen die, meestal als gevolg van een psychologisch trauma, meerdere persoonlijkheden ontwikkelen en hun realiteitszin verliezen …”. Murakami’s existentiële en bovendien typisch Japanse problematiek heeft niets te maken met ‘gewone westerse mensen’, aldus deze critici.

 

Onontgonnen gebied

In “De jacht op het verloren schaap” gaat een gescheiden man (Boku) op zoek naar een dame met prachtige oren, waarvan hij op zijn werk close-upfoto’s onder ogen heeft gekregen. Tijdens een etentje vertelt ze hem dat ze haar oren expres onder haar kapsel verborgen houdt, omdat ze ‘haar krachten nog niet goed de baas is’ (in het Bijbelverhaal was er ook iets met het haar van Simson). Boku vertelt haar dat hij een ongelooflijk saai iemand is die een volkomen alledaags leven leidt. Zij zegt dat het leven op zichzelf niet saai is, maar dat hij enkel wíl dat het rimpelloos verloopt. Hij prefereert de sleur. Onomwonden verklaart het meisje dat hij “… maar voor de helft leeft … De andere helft is onontgonnen gebied …”. Haar oren spelen ‘boodschapper voor iets anders’: ze doen het verlangen naar het ‘onontgonnen gebied’ van het leven in hem ontvlammen. “… De toverkracht van de oren van het meisje is het ‘gehoor’ geven aan deze tweede, door Boku zelf niet bewustgemaakte wil …”. ‘Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust’.

 

Zelfbehoud en zelftransformatie

Murakami’s protagonisten zijn bescheiden, onafhankelijke, onverstoorbare individualisten die rustige, stabiele, gewone levens leiden zonder iemand tot last te zijn. Ze bemoeien zich met niemand en willen ook niet dat anderen zich met hen bemoeien. Ze zijn wars van religie, groepsideologie en politiek. Ze mijden emotionele hechting en houden het problematische zoveel mogelijk buiten de deur. Er hangt een romantische sfeer van vrijheid en ongebondenheid in hun eenpersoonskamers, vol boeken, muziekplaten, sigaretten, whisky en pas ontmoete vrouwen. Als ze getrouwd zijn, is dat op een afstandelijke, maar vriendelijke en kalme manier. Niemand slaagt er echter in dit leven vol te houden. ‘Je kunt net zo goed in een schoenendoos gaan wonen’, zegt iemand. Onverstoorbaarheid en sereniteit werken als een magneet op degenen die bescherming en geborgenheid zoeken en schoppen de levens van de protagonisten in de war. “… De harde les die ze in Murakami’s verhalen leren, is dat het leven zich niet zomaar laat rijmen met het zelfbehoud dat ze nastreven. Buiten het domein van het 'normale leven' van de Murakami-personages bevindt zich een rijk dat even intrigerend als gevaarlijk is…”. Pas wanneer ze hun beschermende onverschilligheid opgeven, laat het leven zich opnieuw omarmen. Ze moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Het leven is dubbel in Murakami’s boeken. Er heerst altijd een spanning tussen zelfbehoud en zelftransformatie. Deze thematiek wordt in allerlei variaties uitgewerkt.

 

Niet of/of, maar en/en

Murakami’s vrijgezellen hebben vaak relaties met oudere, getrouwde vrouwen die hun geen hoofdbrekens bezorgen. Ze vragen geen zorg. De mannen hoeven zich niet verantwoordelijk voor hen te voelen. Zijn hoofdpersonages zijn anonieme ‘elckerlijcs’, zonder naam. De ik-persoon wordt aangeduid met het informele woord ‘boku’ of het formelere ‘watashi’, die in het Japans beide ‘ik’ betekenen. “… Het niet gebruiken van namen past precies in het ideaal dat Murakami’s hoofdpersonen nastreven…”. Echter: “… tegelijkertijd drukt de naamloosheid in Murakami’s fictie het ‘gevaar’ uit dat degenen lopen die zo leven: verstarring, isolatie, onvrijheid en vervangbaarheid…” Alsof ze bevroren zijn in de tijd of in slaap gevallen als Doornroosje. In één van de verhalen komt het ‘wilde deel’, het ‘vreemde’ in jezelf, aan bod in de vorm van een ‘groen monster’. In een ander verhaal haalt slapeloosheid iemand uit zijn ritme. Murakami wijst eenzijdigheid af: “… Net zoals het leven onhoudbaar is wanneer het zich beperkt tot de alledaagsheid en alles wat daaromheen bestaat negeert of verdrukt, is het ook geen reële mogelijkheid om de alledaagsheid in haar geheel af te wijzen en vervolgens het deel in jezelf dat naar orde en overzicht verlangt te onderdrukken. Noch in de alledaagse sleur, noch in de complete overgave aan het onbekende is voor Murakami’s protagonisten het werkelijke leven te vinden, misschien simpelweg omdat het leven zich op de grens en in de dynamiek tussen beide afspeelt…”.

 

Lege huls

Naarmate het verhaal vordert, ervaren Murakami’s protagonisten door een bepaalde gebeurtenis hoe hun ideale leefwijze verandert in een zelfontworpen isoleercel. Hun gekoesterde ‘zelf’ blijkt een ‘lege huls’ te zijn. “… De personages zijn bang dat ze volstrekt apathisch worden, niets kunnen betekenen voor anderen en gedoemd zijn hun verbeeldingskracht, levenslust en individualiteit te verliezen …”. Soms zijn er mensen die niets meer willen voelen, bijvoorbeeld omdat ze een traumatische ervaring hebben gehad waar ze niet overheen kunnen of willen komen. Lichamelijk leven ze door, maar geestelijk zijn ze tot stilstand gekomen. In sommige verhalen wordt de ‘lege huls’ geassocieerd met hersendood en blinde volgzaamheid. Ze zijn ‘holle mensen’ geworden: mensen zonder verbeeldingskracht of fantasie. “… De bewustwording van de angst om in een lege huls te veranderen, vormt vaak het keerpunt voor de protagonisten. Geconfronteerd met ervaringen die hun cocon doen barsten, voelen ze opeens hoezeer ze zich hebben afgesloten voor vitale mogelijkheden. Via deze weg komen de personages voor het eerst in contact met het verlangen meer van zichzelf en het leven te vragen dan hun ‘status quo’ …”.

 

Ervaringsarmoede

Murakami’s hoofdpersonen lijden aan ‘ervaringsarmoede’. De Boer maakt onderscheid tussen ‘ervaring’ en ‘beleving’. Een ervaring verandert ons; een belevenis kan ons volledig onaangedaan laten. Volgens de filosoof Giorgio Agamben is ervaringsarmoede een ziekte van de moderniteit. Mensen zijn niet meer in staat om de gebeurtenissen in hun leven om te zetten in ervaringen – laat staan in levenswijsheid. Denk aan de consumptiemedia, de sensatiejournalistiek, de reclame-industrie en Hollywoodfilms, die ons voorschrijven hoe we gecontroleerd en gemanipuleerd gelukkig kunnen worden. Persoonlijke verwerking van belevenissen heeft plaatsgemaakt voor sociale mechanismen die ons voorschrijven hoe we moeten leven en beleven. Murakami’s hoofdpersonen zeggen nog liever nee tegen ervaring dan dat ze die zich door anderen laten opleggen. Zijn personages leren langzaam maar zeker te ervaren. Een van de pijlers onder deze ontwikkeling is het ‘aanwakkeren van de verbeelding’. Via de verbeelding is werkelijke groei mogelijk. De verbeelding is ons ware strijdperk (daarom is lezen zo belangrijk, denk ik).

 

Hard-boiled Wonderland

Het door mij besproken “De stad met zijn onvaste muren” is een herbewerking van “Hard-boiled Wonderland en het einde van de wereld”, een sciencefictionachtig boek waarin de twee leefwijzen van Murakami (namelijk een geestloze en een geestrijke) volgens De Boer goed kunnen worden verkend. Het leefideaal van de protagonist (Watashi) in de eerste, realistische verhaallijn wordt in een tweede, symbolische verhaallijn weergegeven als het leven van Boku in de ‘Stad’, die wordt beschermd door een hoge, ondoordringbare muur. Alles in de ‘onverdeelde’ Stad staat in het teken van een utopische volmaaktheid. “… De symboliek is duidelijk: Watashi heeft om zijn alledaagse bestaan een muur opgetrokken die dit leventje beschermt tegen alle mogelijke inbreuk van buitenaf …”. Zijn leven begint echter steeds ‘leger’ te voelen. Zijn ‘pantser moet aan gort’. Om de Stad binnen te komen, wordt Boku geacht zijn ‘schaduw’ achter te laten. Daardoor vergeet hij zijn vroegere identiteit. Sinds hun schaduwen zijn gestorven, hebben de Stadsbewoners geen ‘geest’ meer. Geen spontane ‘eigenheid’. Liefde, verdriet, vreugde, angst, geluk, wanhoop, hoop en saamhorigheid verdwijnen wanneer de schaduw sterft. Boku verliest zelfs zijn naam. In de Stad wordt alles statisch. Verlangen, doel, richting, waarom, waartoe, toekomst en verleden zijn geen issues: de Stadsbewoners leven veilig en vredig in een eeuwig nu. Elke dynamiek en iedere onzekerheid zijn uitgebannen. Ziedaar het paradijs: de mens, genoodzaakt tot eeuwige herhaling van hetzelfde. Boku ontsnapt naar het woud buiten de Stad, maar herenigt zich daar niet met zijn schaduw — dat is te simpel voor Murakami — maar met de bibliothecaresse van de Stad, op wie hij verliefd is. Aangestoken door hem krijgt ook zij haar geest terug. Boku beseft dat zijn vroegere identiteit hem in de problemen heeft gebracht. Hij wil daarom niet terugvallen in zijn oude leven, maar veranderen. Hij wil zichzelf overstijgen. Hij moet zich verheffen boven zijn ommuurde leven. Hij “… verkiest de innerlijke verdeeldheid boven de eeuwige gemoedsrust — zijn focus verschuift van zelfbehoud naar zelftransformatie …”.

 

De dood van God

De geest is niet de ‘persoon die je eigenlijk zou moeten zijn’ of je ‘ware stem’, schrijft De Boer, maar een ‘open ruimte’ die je ‘redt van verstarring’. Zie ook McGilchrist, die de wereld van de rechterhersenhelft ‘stil’ dan wel ‘stom’ noemt. “… Innerlijke verdeeldheid, het samenleven met de geest, verschijnt hier als een levensprincipe, als de voorwaarde voor verandering, beweging en groei…”. Je moet je gespletenheid dus juist omarmen. In de Stad bevindt zich een stoffige, bedompte bibliotheek waar geen boeken, maar dierenschedels worden bewaard. In een interessant betoog stelt De Boer dat de Stad onze huidige samenleving voorstelt. De schedels symboliseren het feit dat wij onze oude historische en religieuze geschriften niet meer begrijpen. Ze zijn onleesbaar geworden. De geschiedenis als zingevende, levende en bezielende traditie is onherkenbaar geworden en levert alleen nog vervreemding op. De situatie in de Stad zou je kunnen interpreteren als de situatie na ‘de dood van God’, à la Nietzsche. De moderne westerling dwaalt rond in een ‘oneindig niets’: “… Hij streeft enkel de instandhouding van de eigen status quo na: oneindige consumptie en spektakel tot het moment van ondergang…”. Murakami wil God niet reanimeren, maar doet een dappere poging om een antwoord te vinden op de spirituele verlangens van de goddeloze moderne mens. Het gaat om een houding die zich voedt met innerlijke verdeeldheid en de mogelijkheid tot een zinvolle zelftransformatie in zich bergt.

 

Beeldendans

In het werk van Murakami kijken zijn personages via spiegels hun gespletenheid vaak recht in de ogen. Veel personages lijken afgespleten persoonlijkheden dan wel zelfbeelden te zijn waarmee de protagonisten in het reine moeten zien te komen. Zie bijvoorbeeld het ideaalbeeld van de Kraai-jongen in “Kafka op het strand”. Hij staat voor ‘de toughste vijftienjarige op de hele wereld’ die Kafka wil worden. Om te zorgen dat je niet vastroest, niet verstart (zie mevrouw Saeki, die in haar tienerversie is blijven steken), moet je dansen met je beelden. Kafka kiest ervoor de dans met zijn lot voort te zetten. In Murakami’s boeken is er geen autonoom ‘Ik’ dat het leven van bovenaf dirigeert en evalueert: “… Murakami’s fictie laat precies zien hoe het leven zelf dit ‘Ik’ beïnvloedt en steeds tot een dynamisch spel uitnodigt…”. Wij kunnen helemaal niet worden wat we maar willen, zoals ons vaak is wijsgemaakt; we zijn afhankelijk van de omstandigheden.

 

Bevrijding

De Boer: “… Murakami’s fictie toont ons zowel de hardnekkigheid waarmee identiteit zich vormt als de noodzaak om zich boven dit identiteitsverhaal te verheffen, het eigen verhaal steeds te herschrijven, te ontmantelen en opnieuw op te bouwen…” Even verder: “… Hiermee wordt uiteraard niet bedoeld dat trauma’s niet reëel zijn, dat er geen gebeurtenissen bestaan die zo verschrikkelijk zijn dat ze nauwelijks te boven kunnen worden gekomen…”. Er zijn redenen te over voor Murakami’s protagonisten om zich in hun cocon op te sluiten. “… Wat hier naar voren wordt gebracht, is echter dat de intensiteit van het trauma niets afdoet aan het feit dat er altijd maar één oplossing bestaat: afstand nemen van de identiteit die dit trauma verleent en de mens bindt aan zijn verleden…”. Het leven heeft namelijk maling aan de verhalen die we onszelf vertellen om onze huidige toestand te rechtvaardigen. Als we ons in naam van ons trauma verzetten tegen de gebeurtenissen die van ons vragen dit verhaal radicaal te wijzigen, krijgen we ook alleen maar een verstard, leeg en beperkt leven terug. “… Het doel van deze verwerking is echter niet reconstructie en acceptatie van het verleden, zoals de psychoanalyse wil, maar deconstructie en afscheid. Niet verzoening met de eigen identiteit, maar bevrijding ervan. Daar waar psychoanalytische en neurologische theorieën de oplossing zien in het stabiliseren van de identiteit, veranderen deze oplossingen in Murakami’s fictie in obstakels op de weg naar zelftransformatie. In de verhouding van de personages tot hun zelfbeelden komt een gespletenheid aan het licht, een ruimte tussen de mens en zijn beelden: dat is de ruimte van vrijheid…”. Murakami’s personages verkiezen een open toekomst boven een zogenaamd vastgelegde identiteit. “… Het is in de gespletenheid ten opzichte van hun zelfbeelden dat Murakami’s protagonisten de rijkdom van het leven ontdekken…”. Wel iets om over na te denken in een tijd waarin ‘identiteit’ zo’n belangrijke rol speelt.

 

Liefde: een ‘koppig’ avontuur

De liefdes in Murakami’s boeken floreren niet wanneer ‘veiligheid’ de boventoon voert. De eigen levensstijl en het eigen zelfbeeld komen niet op het spel te staan. Denk aan de hedendaagse datingapps, waarbij je iemand uitkiest als een meubelstuk dat niet vloekt met de huidige inrichting van je woonkamer: “… Liefde wordt in deze opvatting gepresenteerd als iets wat het individuele leven probleemloos aanvult …”. Zo wordt liefde vanzelf saai, verkleind en ontdaan van intensiteit en betekenis. Naast een liefde die in het teken staat van zelfbehoud, komt in Murakami’s verhalen ook bijna altijd een liefde voor die de minnaar vraagt een transformatie te ondergaan. Deze ‘metafysische’ liefde herschikt de structuur van ons bestaan compleet en reorganiseert de wereld volledig. In de liefdesontmoeting wordt een nieuwe wereld zichtbaar, met een nieuwe leefwijze en een nieuwe wereldervaring. Liefde staat niet toe dat de partner ondergeschikt wordt gemaakt aan het eigen levenspad of de eigen wereldbeschouwing, noch dat de ander wordt gereduceerd tot een handige functie in het eigen bestaan: “… De primaire vijand van mijn liefde, degene die ik moet overwinnen, dat ben ikzelf …”. Twee dynamische wezens trekken elkaar naar een hoger plan, tenminste als er ruimte mag zijn voor verschil. Daarvoor zijn ‘tijd’ en ‘trouw’ nodig (wat iets anders is dan ‘plicht’). Een relatie die volledig wordt gestabiliseerd in rust, veiligheid en comfort, is de dood in de pot voor de liefde. Wanneer de dynamiek verdwijnt, is het hart eruit (zie Esther Perel). De liefde is een ‘koppig’ avontuur.

 

Het volgen van een ‘schaapachtig idee’

Hebben de personages in Murakami’s fictie een vrije wil? Gaan zijn verhalen over het ontdekken van de eigen innerlijke kern en het opheffen van gespletenheid, waardoor een autonoom individu ontstaat? In “De jacht op het verloren schaap” is het ‘schaap’ een ideologie die de mens binnendringt, zijn wil overneemt en hem een paradijselijk, maar nooit volledig doorzichtig idee laat nastreven. Uiteindelijk laat het zijn volgelingen leeg, apathisch en richtingloos achter. Zonder het ‘schaap’ zijn zij ‘niets’. De protagonist voelt hoe hij gemanipuleerd en gechanteerd wordt. Dat maakt zijn situatie ingewikkeld, want in een koude kamer staat een lekker warm bed voor hem gespreid, waarin hij zo kan kruipen. Het verrassende is dat Murakami, net als Dirk De Wachter in “Wachten. Een levenshouding” en ikzelf ooit, het bestaan voorstelt als een ‘donut’. “… Het is net zoals het gat in een donut: of je iets als een leegte beschouwt of als iets dat bestaat, is uiteindelijk een metafysisch probleem dat de smaak van de donut in het geheel niet beïnvloedt…”, aldus de protagonist. Dat is natuurlijk zeer twijfelachtig. Juist door de ervaring van de leegte in zijn bestaan gaat hij op zoek naar ‘het verloren schaap’. Met andere woorden: wij willen die leegte vullen. Murakami beschrijft hoe zijn personages onder de macht komen van een ‘wil’ en een ‘idee’ die hen tot marionetten reduceren en zich boven hun leven plaatst. In eerste instantie gaat het daarbij daadwerkelijk om een zingevende en vitale wending: het biedt hun de mogelijkheid om aan hun lege levens te ontsnappen en geeft hun nieuwe energie. Het schaapachtige idee belooft het ware leven, maar in plaats van verruimend, leidt het in werkelijkheid tot een enorme inperking van het leven: “… volgt men een schaapachtig idee, dan wordt de mens een schaap…”. De personages onderwerpen zich niet maar gaan op den duur een hevige strijd aan met het schaapachtige idee. Murakami laat echter zien dat er na de bevrijding van een schaapachtig idee er altijd weer nieuwe schaapachtige ideeën opduiken die zich van je meester willen maken (zie Lucas11:24-26). Volgens Murakami is onze vrijheid nooit totaal. We dansen met de omstandigheden. Er is evenzeer sprake van een eigen ‘wil’ als van een bewuste ‘overgave’.

 

De vloek

De oedipale vloek die de vader over Kafka in “Kafka op het strand” heeft uitgesproken, ‘ligt als een mechanisme in hem begraven’. “… Zijn vader heeft het zo vaak herhaald dat hij het gevoel heeft alsof de voorspelling met een beitel in zijn hersenen (staat) gegraveerd’…”. De vloek verheft zich als een ‘idee-fixe’ boven zijn leven. Dit doet denken aan mensen die worstelen met een streng religieuze opvoeding, waarin ze van kleins af aan te horen hebben gekregen dat ze waardeloos zijn, omdat ze een en al verdorvenheid zouden zijn — ‘onbekwaam tot enig goed, geneigd tot alle kwaad’, aldus de Heidelbergse Catechismus — en die bang zijn gemaakt voor de hel (de poel die brandt van vuur en sulfer). Ook dat is een soort ‘vloek’ (zie "Mantel van angst" van Inge Bosscha). Door op pad te gaan, zoekt Kafka de confrontatie met de vloek. Via zijn verbeelding gaat hij de strijd ermee aan. Het is niet genoeg om weg te lopen van de vloek die zijn leven regeert; het idee-fixe moet worden ‘gedeconstrueerd’. “… Het is enkel in het doorleven van de vloek dat hij zich ervan verlost: hij laat zijn vaders vloek in zijn verbeelding van binnenuit exploderen. En in deze strijd met zijn vaders vloek ontwikkelt hij een ander zelfbeeld: de jongen die Kraai wordt genoemd…”. Wat hierbij van belang is, is dat de vloek niet langer ‘boven’ zijn leven staat, maar slechts een van de beelden in zijn leven is geworden, waartoe hij een gezonde afstand heeft ontwikkeld.

 

Op weg

Veel van Murakami’s hoofdpersonen lijken op zoek naar hun ‘echte zelf’, naar de ‘kiem’ van hun identiteit. Ondanks alle verwijzingen naar een waar zelf is er echter nooit een punt waarop de hoofdpersonen dit zelf bereiken. Een gefixeerde identiteit staat je leven namelijk in de weg. Een autonome individualiteit legt je leven aan banden: je kunt geen kant meer op als je zelf voor altijd en eeuwig vastligt. De protagonisten geven zich aan het einde van het verhaal altijd ‘over aan de stroom’, zonder te weten waar die toe leidt. Alleen ‘de weg’ blijft over. Leven is een oneindige activiteit. Leven is een kunst. Het leven moet geleefd worden in termen van ‘mogelijkheden’ en ‘potentialiteit’. De ‘gespletenheid’ van Murakami’s personages zou je kunnen herleiden tot ‘these + antithese = synthese’. Die synthese ontwikkelt zich echter onherroepelijk tot een nieuwe these, die weer een nieuwe antithese oproept, en zo gaat dat door tot in de oneindigheid. Op die manier gaan wij voort op ons levenspad. Murakami’s ‘ware kern’ doet mij heel erg denken aan Eric-Emmanuel Schmitt die in “Het evangelie volgens Pilatus” een kind laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik NIET mezelf …”. Dát is de essentie van de christelijke mystiek. De geestelijke kern die Murakami ‘leeg’ wil houden, kan voor een gelovige gevuld zijn met ‘het licht van God’, maar God zelf ‘zien’ wij niet (zie Exodus 33:20). Een gelovige is ook ‘op weg’ en ‘in ontwikkeling’. Zolang hij leeft, weet een gelovige evenmin ‘wat hij ooit zijn zal’ (zie 1Johannes 3:2). Ook wij kijken in ‘spiegels’, als in raadselen (1 Korintiërs 13:12). De gelovige verlangt eveneens naar ‘transformatie’ en verkiest een ‘geestrijk’ boven een ‘geesteloos’ bestaan. Je kunt de Bijbel bijna naast Murakami’s verhalen leggen.

 

Uitgave: Amsterdam University Press – 2017, 203 blz., ISBN 978 946 298 172 0, € 26,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten