Menu

donderdag 2 juli 2026

Herinneringen Dromen Gedachten – C.G. Jung

 


Tjeu van den Berk haalt in “Ontmoetingen met Jung” (zie mijn vorige blog) nogal eens “Herinneringen Dromen Gedachten”, de autobiografie van Carl Gustav Jung, aan. Nu ik toch in de materie zit, heb ik het er maar gelijk achteraan gelezen. Het verscheen kort na Jungs dood, in 1961, en is geen klassieke autobiografie. Het boek ontstond uit gesprekken tussen Jung en zijn secretaresse Aniela Jaffé, die het materiaal samenstelde en redigeerde. Het is een gecompliceerd werk vol persoonlijke herinneringen, beschrijvingen van onvergetelijke dromen en Jungs reflecties op psychologie, religie en de betekenis van het leven. Jaffé noemde het zijn ‘religieuze belijdenis’. Met sommige stukken kon ik niets, maar ik kwam ook hele boeiende en ontroerende fragmenten tegen. Ik houd van het universum van Jung. Ik denk dat het ons kan helpen ontsnappen aan de rationele en materialistische impasse van vandaag de dag, waarin we volkomen dreigen vast te lopen. Ik heb de vertaling van Agaath van Ree gelezen, de nieuwste is voor zover ik kon nagaan van Pety De Vries-Ek.  

 

De ‘Menseneter’

Jung (1875 – 1961) was de zoon van een Zwitserse plattelandsdominee. Alles moet in zijn jeugd -stichtelijke - religie hebben geademd, want hij had maar liefst acht ooms die ook allemaal predikant waren. Het huwelijk van zijn ouders was niet al te best; hij weet nog dat ze in aparte kamers sliepen. Jung lijkt een overgevoelig, fantasierijk en eenzaam jongetje te zijn geweest. Hij herinnert zich dat de koster gaten groef op het nabijgelegen kerkhof, waar zwarte, plechtstatige mannen in geklede jassen, met ongewone hoge hoeden en blinkend gepoetste schoenen, onder het ‘geschrei’ van vrouwen zware kisten in lieten zakken. De galmende stem van zijn vader verkondigde dat de ‘Here Jezus’ de dode ‘tot zich had genomen’, een nogal sinistere boodschap voor een kind van drie of vier jaar. Als kleuter had Jung een droom die hem nooit meer heeft verlaten en die hij uitlegt als een soort ‘initiatie in de onderwereld’, een ‘oer-openbaring’, het begin van zijn ‘helletocht’. In een weiland daalt hij via een trap af in de aarde, waar hij achter een groen gordijn een enorm gedrocht van lillend vlees op een gouden troon ontwaart. ‘De Menseneter’, zegt de stem van zijn moeder. Later zal hij ontdekken dat de onderaardse god een fallus voorstelde. In het ‘rijk der duisternis’ regeren niet voor niets de driften en instincten. De link tussen Jezus en de Menseneter is snel gelegd.

 

Mysterie

Jung vindt het fijn op school, omdat hij daar kinderen ontmoet met wie hij kan spelen (hij krijgt nog een zusje als hij negen is). Tegelijkertijd heeft hij moeite om zichzelf te blijven. Als hij op een grote kei zit, slaat zijn gedachtegang zo op hol dat hij op een gegeven moment niet meer weet of hij zichzelf is of de steen. Hij merkt dat hij ‘anders’ wordt wanneer hij met vriendjes omgaat. Hij ervaart een radicale ‘gespletenheid’. Een gevoel dat hij weet te bezweren door een ‘mannetje’ uit een stukje hout te snijden en, samen met een beschilderd steentje, in een ‘bedje’ te leggen, dat hij op de voor hem verboden vliering verstopt: zijn hoogstpersoonlijke ‘geheim’. De clandestiene schuilplaats is meer dan een kinderspel: ze laat zien hoe belangrijk een afgeschermde innerlijke ruimte is. Een privégebied kan bijdragen aan een gevoel van autonomie, individualiteit en psychologische diepgang. Het is heus niet zo goed alles maar op de socials te kwakken, hoor. Jung vertelt dat hij als kind voortdurend op zoek was naar het ‘mysterie’. Voelde hij dat er ‘meer’ moest zijn? Was het ‘gewone leven’ te suf voor hem? Hij gaat met grote tegenzin naar de kerk. Kerst vormt daarop de enige uitzondering. De adventstijd associeert hij met nacht en ontij, storm en duisternis: “… Geheimzinnige geluiden, onbestemde dingen waarden rond…”. Op de tweede plaats komt oudejaarsavond.

 

Zwei Seelen wohnen, ach!, in meiner Brust

Jung brengt zijn middelbareschooltijd door op het gymnasium in Bazel. Hij omschrijft zichzelf als een hoogbegaafde, luie, verveelde, teruggetrokken, onzekere, gemelijke, met minderwaardigheidsgevoelens kampende en zelfs onsympathiek aandoende puber die met zichzelf en de ‘whole world’ in de knoop zit. Heel gewoon dus, eigenlijk. Hij voelt zich een outsider, een arme luis in een rijkeluiswereld. Hij definieert zichzelf uitdrukkelijk als christen, maar zijn omgeving gaat zo familiair en sentimenteel met de ‘lieve’ Here Jezus om dat het hem afkeer inboezemt, waardoor hij alleen nog bidt tot de onkenbare ‘God’. In deze periode begint hij sterk te ervaren dat hij uit twee personen bestaat. Nr. 1 is zijn alledaagse persoonlijkheid: degene die naar school gaat, werkt, met anderen omgaat en zich in de praktische wereld beweegt. Dit is het bewuste ego in het dagelijks leven. Nr 2. Bestaat uit de tijdloze, contemplatieve, diepere kant van zichzelf, die verbonden is met het onbewuste en de spirituele ervaring.

 

De goddelijke genade is ‘vreselijk’

Wederom overkomt hem een hallucinatie die een ontzaglijke impact op hem heeft. Wanneer hij na schooltijd naar huis gaat, wordt hij getroffen door de overweldigende schoonheid van de Dom, die ligt te glinsteren in het zonlicht. Daarop volgt het verlammende gevoel dat zich een afschuwelijke gedachte aandient, waarvan hij koste wat kost verre moet blijven. Hij is overtuigd dat hij ‘de zonde tegen de Heilige Geest’ zal begaan als hij aan zijn verbeelding toegeeft. In de derde nacht verliest hij zijn innerlijke strijd en laat hij de verboden gedachte opkomen: van onder de troon van God valt een kolossaal excrement op het dak van de prachtige Domkerk, verplettert het en verbrijzelt de muren. Wat volgt is een immense opluchting, die Jung omschrijft als een ‘goddelijke genade’. Bij Jung rijst het vermoeden dat God ook ‘iets vreselijks’ is, een aspect dat in de vroomheid van zijn tijd volledig buiten beeld blijft: “… De ‘vreze Gods’ waarover natuurlijk wel werd gerept, gold als verouderd, als ‘joods’, en was sinds lang vervangen door de christelijke boodschap van Gods liefde en goedheid…”. Dit doet me onmiddellijk denken aan Jonathan Sacks, die het heilige in zijn boek over “Leviticus” omschrijft als even gevaarlijk als iets nucleairs.

 

Ervaren en weten

Wat betekent het visioen? Dat God, blasfemisch gezegd, ‘schijt heeft aan de kerk’? Of in ieder geval aan de kerk van Jung? Hij ziet zijn vader worstelen met zijn dogmatische geloof: “… hij kende niet de levende, de rechtstreeks te beleven God, die almachtig en vrij boven Bijbel en Kerk staat, die de mens tot vrijheid roept en hem kan dwingen van eigen inzichten en overtuigingen af te zien en Gods eis onvoorwaardelijk te vervullen…”. Hij zou zijn vader willen helpen, maar weet niet hoe.  “… Mijn herinnering aan mijn vader is die van een lijdend man, die aan een Amfortaswonde leed, een ‘Visserkoning’, wiens wond niet wilde genezen…”. En hij, als ‘stomme Perceval’, kijkt zwijgend toe. Hij probeert wel met zijn vader te praten, “… maar ontmoette bij hem slechts een voor mij onbegrijpelijk ongeduld en angstige afweer. Pas enige jaren later begreep ik, dat mijn arme vader niet mócht denken, omdat hij door innerlijke twijfel werd verscheurd. Hij was op de vlucht voor zichzelf en hamerde altijd op het blinde geloof, dat hij voor zichzelf moest verwerven en zich door krampachtige inspanning trachtte eigen te maken…”.  Jung over diens gewetensnood: “… Wat hij zei klonk verschaald en hol alsof hij een verhaal vertelde dat hij zelf niet helemaal kon geloven of slechts van horen-zeggen kende…”. Zijn vader verwijt hem dat hij altijd maar wil dénken: “… Men moet niet denken maar geloven…”. Daar is Jung het niet mee eens. Volgens hem moet je “… ervaren en weten…”. Is dat wat wordt bedoeld met een ‘levend geloof’? Met ‘bevinding’? Zie de uitzending van presentatrice Annemiek Schrijver met theoloog Gilles Quispel (“Het Vermoeden”, 17.06.14).

 

De Persoon en Ik van het heelal

Jung begint te piekeren. Wat moet hij van God denken? “… Ik had die geschiedenis van God en de Domkerk niet zelf uitgedacht, veel minder nog de droom die mij had overrompeld toen ik drie jaar was. Een sterkere wil dan de mijne had mij die opgedrongen…”. Voor hem is God zowel een verterend vuur als een onzegbaar erbarmen. Hij leest alles wat hij aan theologie kan vinden. “… Ik las, dat geloof is ‘een geestelijke daad van de mens om zich met God in verbinding te stellen.’ Dit riep tegenspraak in mij op, want ik verstond onder geloof iets, dat God met mij doet…”. Voorzienigheid? Uitverkiezing? Het is hem “… volkomen duidelijk dat Jezus, de mens, wel met God te maken had gehad; hij had gewanhoopt in Gethsemane en aan het kruis, nadat hij de liefde en goedheid van God als van een goede Vader had gepredikt. Toch echter heeft hij Gods vreselijkheid gezien. Dit kon ik begrijpen…”. Voor Jung heeft God niets menselijks: “… Hij is goed én vreselijk beide, en daarom een groot gevaar waarvoor men zich natuurlijk probeert te dekken. Men klampt zich eenzijdig vast aan Zijn liefde en goedheid, om niet de Verleider en de Vernietiger in handen te vallen. Dit heeft Jezus geweten toen hij leerde: ‘Leid ons niet in verzoeking’…”. God is de ’Persoon en het Ik van het heelal’. Heel zijn leven blijft Jung overdonderd door het godslasterlijke beeld dat God hem direct of indirect (via de duivel) tegen zijn wil heeft opgedrongen. De ‘donkere kant’ van God houdt hem intens bezig: Zijn gevaarlijke toorn, Zijn onbegrijpelijke omgang met de schepselen en Zijn almacht. God heeft de wereld volgens Jung met opzet in tegenstellingen geschapen. “… Zeker, de wereld is onbeschrijflijk schoon, maar ook evenzeer gruwelijk…”. Hij omschrijft Job en Uria als voorafschaduwingen van Christus, de Godmens die door God verlaten wordt. Jung leest de filosofen en komt tot de conclusie dat God voor hen enkel een discutabele veronderstelling is. Voor hemzelf is God de 'meest vanzelfsprekende, allerzekerste en alleronmiddellijkste beleving', ook al kan men God niet bewijzen. Hij wordt gegrepen door de inzichten van Meester Eckhart en Schopenhauer. Later door Kant. Hij stort zich in de literatuur. Hij zoekt naar boeken over de duivel, maar kan die niet vinden. Zijn moeder, die eveneens duidelijk twee kanten heeft - een warme, goedhartige en een heidens, angstaanjagende - zegt uit het niets dat hij Goethe’s “Faust” moet lezen (over een man die zijn ziel aan de duivel verkoopt).

 

Studie

Het is moeilijk voor Jung om een studie te kiezen. Zijn Nr. 1 gaat voor natuurwetenschappen. Zijn Nr.2. voor geesteswetenschappen. Uiteindelijk zal hij geld moeten verdienen en legt hij zich toe op de geneeskunde, zodat hij coschappen kan lopen. Zijn vader sterft jong. Nr. 2 verdwijnt een periode uit het zicht. “… Zoals de ‘Faust’ voor mij een deur opende, sloeg ‘Zarathustra’ er een dicht en dat grondig en voor lange tijd…”. Zijn innerlijk gaat niemand iets aan: wie zit er te wachten op geestelijke vergezichten? Hij besluit zich te specialiseren in de destijds volstrekt onpopulaire psychiatrie, wanneer hij inziet dat juist daar de beide stromen van zijn belangstelling kunnen samenvloeien in één gezamenlijke bedding. “… Hier was eindelijk de plaats, waar natuur en geest elkaar ontmoetten…”.  Zijn vrienden verklaren hem voor gek.

 

Medeweter

Jung doet zijn psychiatrische opleiding in de Bürghölzli-kliniek in Zürich, waar hij in aanraking komt met het werk van Freud. Jungs brandende vraag luidt: wat gaat er in de geesteszieke om? Voor hem is niemand een stempel of etiket. Zijn aanpak is afgesteld op de persoon: “… Voor iedere patiënt is een andere taal nodig…”. Even verder: “… De analyse is een dialoog tussen twee gesprekspartners…”. De medicus is zelf een deel van het drama: “… In vele psychiatrische gevallen heeft de patiënt een geschiedenis, die niet wordt verteld en niemand weet. Voor mij begint de eigenlijke therapie pas na de ontdekking van deze persoonlijke geschiedenis. Zij vormt het geheim van de patiënt, waaraan hij is bezweken…”. Hij vertelt een aantal heftige voorvallen. Een als schizofreen bestempelde moeder gaat na veertien dagen naar huis en komt nooit meer terug, nadat zij heeft aanvaard dat zij een moordenares is. Na een liefdesdebacle raakte zij in een depressie en voorkwam niet dat haar dochtertje op een spons met verontreinigd water zoog. Haar zoontje gaf ze zelfs een glas van het vervuilde water te drinken. Het meisje overleed aan tyfus; het jongetje overleefde. Om te voorkomen dat er juridische vragen worden gesteld, houdt Jung zijn mond tegenover zijn collega’s: “… Ik achtte het zinvoller, dat zij tot het leven terugkeerde om daar haar schuld te boeten. Zij was door het lot zwaar genoeg gestraft. Toen zij ontslagen werd, ging zij met een zware last beladen. Deze moest zij dragen. Haar boetedoening was reeds begonnen met de depressie en het verblijf in de kliniek, en het verlies van het kind was voor haar een groot leed…”. Hij ontmoet nog een moordenares die haar naam niet noemt, maar wel bij hem komt ‘biechten’. Zij heeft haar vriendin vergiftigd om met haar man te kunnen trouwen. Maar de man sterft al snel, en de dochter uit haar eerdere huwelijk verdwijnt uit haar leven. Zelfs de dieren om haar heen worden onrustig. Haar lievelingspaard is schichtig en werpt haar af. Haar wolfshond wordt door een verlamming getroffen. Jung: “… wie zo’n misdaad pleegt, verwoest zijn ziel. Wie moordt, is zelfs reeds gevonnist…”. Zie André Malreux in “Het menselijk tekort”! “… Soms lijkt het alsof zelfs de dieren en planten het ‘weten’. Deze vrouw is door de begane moord zelfs voor de dieren een vreemde geworden en in een ondraaglijke eenzaamheid terechtgekomen. Om zich uit deze eenzaamheid te bevrijden, heeft zij mij tot medeweter gemaakt…”.

 

De toeschouwer

Ook geesteszieken hebben een nr. 1 en nr. 2. Jung is ervan overtuigd dat achter elke waanzin een persoon schuilgaat die als normaal dient te worden beschouwd en die als het ware ‘de toeschouwer speelt’. “… Van buiten gezien valt bij geesteszieken alleen de tragische verwoesting op, zelden echter het leven van de kant der ziel, welke van ons afgekeerd is…”. Daar wil hij op inhaken. “… Dat wij de betekenis (van een psychose) niet begrijpen, ligt aan ons…”. Meermalen maakt hij mee hoe “… uit een wolk van groteske onzin…” de menselijke gestalte tevoorschijn treedt. Een casus doet onmiddellijk denken aan “Ik heb je nooit een rozentuin beloofd” (Hannah Green). Het gaat over een incestslachtoffer dat in een mythisch rijk op de maan woont, waar ze een gevleugelde demon ontmoet die ze ‘verraadt’ door Jung over hem te vertellen. Na twee maanden komt ze tot het inzicht dat het leven op aarde onvermijdelijk is en berust ze in haar lot.

 

Verloren schapen

Wanneer je geen ‘mythologische voorstellingen’ hebt, kun je het ‘wezenlijke in jezelf’ niet uitdrukken, aldus Jung. Als je geen taal hebt, houdt het denken op. Jongeren worden “… geheel in beslag genomen door flirten, kleren en seksualiteit…”, niet omdat zij dom zijn, maar omdat zij niets anders kennen. Voor hen bestaat alleen het intellect; daarom leiden ze een zinloos leven. Iedereen moet echter de ‘geheime wil’ van God volbrengen. Daarom is het nodig dat de ‘mythologische en religieuze voorstellingen’ weer in mensen worden opgeroepen. Wat ontbreekt, is het gevoel voor het ‘numineuze’: “… Ik heb dikwijls gezien dat mensen neurotisch worden wanneer zij zich tevredenstellen met ontoereikende of verkeerde antwoorden op de problemen van het leven. Zij zoeken een positie, een huwelijk, roem en uiterlijk succes of geld, en blijven ongelukkig en neurotisch, ook nadat ze alles hebben bereikt waarnaar zij streefden. Zulke mensen zitten in een geestelijke impasse. Zodra zij zich tot een ruimere persoonlijkheid kunnen ontwikkelen, houdt meestal ook de neurose op. Daarom was van het begin af aan de ontwikkelingsidee voor mij van de grootste betekenis…”. Even verder: “… Het merendeel van mijn patiënten bestond niet uit gelovigen maar uit mensen die hun geloof hadden verloren. Bij mij kwamen de ‘verloren schapen’. De gelovige heeft tegenwoordig nog gelegenheid, in de kerk de symbolen te beleven. Men denke aan de mis, de doop, de ‘imitatio Christi’ en andere. Maar een zodanig beleven van het symbool stelt het werkelijk deel-hebben van de gelovige voorop en dat ontbreekt de moderne mens vaak. Bij neurotische mensen is het veelal geheel afwezig. In zulke gevallen blijft ons niets over dan te observeren, of het onbewuste niet spontaan symbolen voortbrengt om de ontbrekende te vervangen. Maar ook dan blijft de vraag open of een mens die symbolische dromen en visioenen heeft, in staat is hun betekenis te begrijpen en de consequenties te aanvaarden…”.

 

Wij zijn ons brein

Wij leven nog steeds in de modus van ‘wij zijn onsbrein’: “… Wanneer het de innerlijke beleving betreft, het allerpersoonlijkste, wordt het de meeste mensen ‘unheimlich’ te moede en vele gaan op de vlucht…”. De weerstand tegen iets als de ziel is groot: “… Het risico der innerlijke beleving, het geestelijk avontuur, is de meeste mensen vreemd. De mogelijkheid dat er een psychische werkelijkheid zou kunnen bestaan, is gelijk aan een banvloek…”.

 

In de clinch met Freud

Freud zag Jung aanvankelijk als zijn opvolger. Het is genoegzaam bekend hoe Freuds reductionistische visie op seksualiteit tot een breuk met Jung leidde: “… hij wilde niet horen van een andere factor dan de seksualiteit…”. Freud zwoer bij het materialisme. Hij drong Jung bijna obsessief op het hart van zijn seksuele theorie een 'dogma en onwrikbaar bolwerk' te maken tegen de 'zwarte modderstroom' van het occultisme, waaronder hij zo ongeveer alles van filosofie tot religie verstond. Precies het gebied dat Jung inspireerde dus. Volgens Jung was seksualiteit Freuds ‘god’. “… Als uitdrukking van een chtonische geest is de seksualiteit van de grootste betekenis. Deze geest is het ‘andere gezicht van God’, de donkere zijde van het godsbeeld…”. Zie zijn fallusdroom. Maar er is meer…

 

Duik in het onbewuste

Na de breuk met Freud begint Jung zich steeds meer op zijn onbewuste te richten - dat overeenkomt met het mythische dodenrijk, het land der voorouders. Hij verliest zich in dromen en fantasieën. Alles wat er bij hem opkomt, beschrijft en tekent hij in zijn ‘Zwarte Boeken’en daarna in het ‘Rode Boek’ – zie mijn vorige blog. “… Het is natuurlijk ironisch dat ik, als psychiater, bij mijn experiment zogezegd stuk voor stuk het materiaal ben tegengekomen dat de bouwstenen voor een psychose levert en dat men dus ook in de krankzinnigengestichten vindt. Het is de wereld van onbewuste beelden die de krankzinnige in noodlottige verwarring brengt, maar ook vormt zij de schoot der mythevormende fantasie, die in onze rationalistische eeuw teloor is gegaan…”. Uiteindelijk slaagt hij erin op wetenschappelijk wijze grip op zijn vreemde innerlijke wereld te krijgen: “… De jaren waarin ik mij door de innerlijke beelden liet leiden waren de belangrijkste van mijn leven, waarin al het wezenlijke werd beslist. Toen is het begonnen en de latere details zijn slechts aanvullingen en verhelderingen. Heel mijn latere activiteit werd gevormd door het uitwerken van wat zich in die jaren uit het onbewuste had baan gebroken en mij aanvankelijk overstroomde. Het was de oerstof van mijn levenswerk…”. Wat hij van zijn innerlijke queeste heeft geleerd, is dat hij “… de idee van de suprematie van het Ik volkomen moest opgeven…”. Even verder: “… eerst toen ik de Mandala’s begon te tekenen, zag ik dat alles, alle wegen die ik bewandelde, elke stap die ik verzette, steeds tot één punt leidde, namelijk tot het centrum. Ik zag het steeds scherper: de Mandala is het centrum. Het is de weg naar het midden, naar de individuatie…”. Alles wijst heen naar ‘de ‘kern’, de ‘kiem van het onsterfelijke lichaam’, de ‘zetel van het leven’, kortom ‘het Zelf’, dat in sprookjes en verhalen op allerlei manieren wordt ‘verbeeld’: het Nieuwe Jeruzalem (zie “De Christenreis” van John Bunyan), de berg Sion, de stad met de gouden poorten, de middagzon, de heilige graal, het gouden kasteel, de gouden bloem, de steen der wijzen, de Christus, enzovoort. Ik werd opgevoed in een bevindelijke traditie waar mij letterlijk geleerd werd om een ‘nieuw hartje’ te bidden. Het is bizar hoe mijn geestelijke achtergrond - tot mijn grote vreugde, kan ik wel zeggen - aansluit bij de psychologie van Jung. Zie bijvoorbeeld de overeenkomst tussen de ‘bekering’ of ‘wedergeboorte’ en Jungs ‘individuatieproces’. Zie ook de focus op de ‘donkere kant van God’: de ‘toorn Gods’ en ‘vreze Gods’. Het 'midden' is het doel. Het 'ik' is enkel het middel om daar te geraken. Het 'Zelf' is een principe en archetype van oriëntatie en zingeving. Het 'Zelf' is 'het vat voor het goddelijke'.

 

Verlossingsgedachten

Om zijn hypothesen wetenschappelijk te kunnen onderbouwen, ging Jung op zoek naar historische analogieën, die hij met name vond in de gnostiek en de alchemie. Volgens Jung was het zeker geen toeval dat Jezus, de timmermanszoon, tot ‘Salvator Mundi’, Verlosser der wereld, is geworden. Hij moet de onbewuste verwachting van zijn tijd volkomen hebben vervuld en gedragen. “… De alles verpletterende macht van Rome, belichaamd in de goddelijke caesar, had een wereld geschapen waarin niet alleen talloze enkelingen, maar ook ganse volken van hun zelfstandige levensvorm en hun geestelijke onafhankelijkheid waren beroofd…”. Jung meent dat het christendom is ‘ingeslapen’ en heeft verzuimd in de loop van de tijd zijn mythe verder uit te rollen: “… Men begrijpt niet dat een mythe dood is als ze niet meer leeft en zich verder ontwikkelt…”. Zie Gioacchino da Fiore, Meester Eckhart, Jacob Boehme en Pius XII. Opvallend is wederom hoe zijn tijd overeenkomt met onze geglobaliseerde wereld: “… Het individu en de cultuur van onze dagen worden door een soortgelijk gevaar bedreigd, nl. dat van de massificatie. Daarom wordt reeds op veel plaatsen de mogelijkheid en de hoop op de wederkomst van Christus besproken…”. De verlossingsverwachting, uitgedrukt in een andere vorm, ziet hij in de wereldwijde verbreiding van het UFO-fenomeen: “… een typisch kind van onze eeuw der techniek…” (zie ook: “Op een andere planeet kunnen ze me redden” van Lieke Marsman). Dat slaat toch alles?! 

 

Oer

Jung lijkt een enorme hang te hebben gevoeld naar wat ik maar ‘oer’ noem. Hij bouwt een primitieve ‘toren’ in Bollingen, zonder elektriciteit of stromend water, waar hij ‘helemaal zichzelf kan zijn’. Hij ervaart het bouwsel als een ‘baarmoeder’. Hij maakt reizen naar de Sahara, de Pueblo-indianen in New Mexico en Kenia en Oeganda, waar hij met een stel bavianen naar de zonsopkomst zit te kijken: “… Van oudsher hebben wij de grote god vereerd die de wereld verlost doordat hij als stralend hemellicht uit het grote duister opdoemt. Toen begreep ik dat in de ziel, van het oerbegin af, het heimwee naar het licht woont en de onhoudbare drang uit het oerduister te worden bevrijd…”. Zijn reis van Midden-Afrika naar Egypte ervaart hij als een ‘drama van de geboorte van het licht’; zie de mythe van Horus. Zijn werk brengt hem naar India. Hij vertelt over de wonderlijke gebeurtenissen in Ravenna - zie mijn vorige blog - en vermijdt Rome, omdat hij zich niet opgewassen voelt tegen de overweldigende indrukken van die stad. Na een hartinfarct maakt hij een bijna-doodervaring mee. Hij blijft waarschuwen dat de nadruk op de stoffelijke persoon een ‘demonisering’ van de mens en zijn wereld veroorzaakt. Daar komen de verschijning van dictators en alle ellende die ze meebrengen uit voort. Daar komt ook alle onbehagen in de cultuur vandaan.

 

Diep in mezelf vind ik niet mezelf

Wat ik vooral van Jung heb geleerd, is het verschil tussen het ‘Ik’ en het ‘Zelf’. “… Ik zie steeds weer dat het individuatieproces verwisseld wordt met de bewustwording van het Ik en daarmee met het Zelf wordt geïdentificeerd. Dit veroorzaakt natuurlijk een heilloze begripsverwarring. Want daarmee wordt de individuatie enkel tot egocentriciteit en auto-erotiek…”. Het ‘Ik’ is slechts het centrum van het bewustzijn. Het ‘Zelf’ is niet alleen het middelpunt, maar ook de totale omvang van het bewuste én het onbewuste: het centrum van de totaliteit. Daarom laat de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt in “He tevangelie van Pilatus” een kind zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Wie het vatten kan, vatte het…

 

Uitgave: Lemniscaat – 1991, 398 blz., ISBN 978 906 069 806 8, 19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier