Menu

zaterdag 16 december 2017

De moord op Roger Ackroyd – Agatha Christie


In “De zesde kanteling”, een filosofieboek van mijn grote inspirator professor dr. Willem Ouweneel, worden twee types literatuur tegenover elkaar gezet: “… Kenmerkend voor het modernisme was het detectiveverhaal; kenmerkend voor het postmodernisme is het spionageverhaal. In detectiveverhalen als die van Sherlock Holmes (door Sir Arthur Conan Doyle) of Hercule Poirot (door Agatha Christie) gaat het om een speurtocht naar de verborgen waarheid die onder de verwarrende oppervlakte van de werkelijkheid ligt…”. De analyseerbare werkelijkheid blijkt tegelijk een moreel universum te zijn: “… De argeloze lezer, vaak vertegenwoordigd door een onnozele assistent van de detective (dr. Watson, kapt. Hastings), heeft alle aanwijzingen in handen en toch ziet hij de oplossing niet. Maar de grote meester weet uiteindelijk langs streng wetenschappelijke weg en waarneming en rationaliteit het mysterie op te lossen. Alle stukjes van de legpuzzel blijken een samenhangend geheel te vormen. Zo zag de ‘moderne’ wereld eruit, waarin de wetenschap alle antwoorden wist of zou vinden. In het spionageverhaal daarentegen werkt in onze ‘echte’ wereld een heel andere, sinistere wereld door. Dat is een wereld die veel op de ‘echte’ wereld lijkt, die echter berust op schijn, op illusie, maar vaak ‘echter’ lijkt dan de ‘echte’ wereld. Daardoor verkeert de lezer in voortdurende onzekerheid: zijn de figuren in het verhaal wat ze lijken? Wat is schijn en wat is werkelijkheid? En wat belangrijk is: er is vaak geen eenduidige verklaring aan het eind van het verhaal; we blijven met onzekerheden zitten…”.

Een ‘insufferable ego-centric creep’

De Queen of Crime, Agatha Christie (1890-1976), debuteerde in 1920 met “The Mysterious Affair at Styles”, schreef 80 detectiveromans, 20 toneelstukken, en schiep de superspeurders Hercule Poirot en Miss Jane Marple. “De moord op Roger Ackroyd” werd in een klap wereldberoemd vanwege het controversiële einde (waar ik verder niet teveel over zeg): een deel van de lezers noemde het geniaal, een ander deel vond het schandalig. Daarop volgde nog veel meer commotie. De schrijfster verdween zélf, met als resultaat een waar mediacircus. Na elf dagen werd Christie gevonden in een hotel in North Yorkshire. Haar eigen verklaring, dat ze aan geheugenverlies leed, werd met scepsis ontvangen. Allerlei speculaties deden de ronde. Haar verdwijning zou een publiciteitsstunt zijn dan wel een wanhopige poging om haar huwelijk te redden – wat niet lukte. Ze behield de schrijversnaam van haar eerste man en hertrouwde in 1930 met een archeoloog wiens reizen haar ondermeer inspireerden tot “Death on the Nile”. Basje de Boer in “De Groene Amsterdammer” van 7 november 2017 (in verband met de bioscoopfilm “Murder on the Orient Express” die momenteel draait): “… De aantrekkingskracht van Christie’s boeken: ze presenteert een wereld die geruststellend ordelijk is. Moord, een van de meest gruwelijke en niet te vatten daden, wordt gereduceerd tot een ongemak of in het beste geval sensatie. In haar vermakelijke stuk over Christie voor The New Yorker (‘Queen of Crime’, 2010) schrijft Joan Acocella: ‘Wanneer haar personages worden geïnformeerd over een moord zeggen ze dingen als: “Heel onprettig” of: “Wat hinderlijk voor je, Elspeth.”’ Christie lezen is je wentelen in een universum waarin moord niet méér is dan dat: onprettig, totdat de orde wordt hersteld…”. In de met bloemetjesbehang beklede wereld van Christie is klassenverschil vanzelfsprekend en moord frivool: “… De butler heeft het nooit gedaan. The great detective verdient een waardige tegenstander…”. Tegen het eind van haar leven kreeg Christie een hekel aan haar eigen personage en noemde ze Poirot een ‘insufferable ego-centric creep’. Dat is hij zeker, maar daar trekken de lezers zich niets van aan. In 2013 werd Agatha Christie door de CWA (the Crime Writers’ Association) uitgeroepen tot de beste misdaadauteur aller tijden. En haar boek “De moord op Roger Ackroyd” tot de beste detective. Alle reden om het eens te lezen.

Onplezierige geschiedenis
“De moord op Roger Ackroyd” (1926) is een vermakelijk en spannend verhaal geschreven door een ik-figuur, die zichzelf voorstelt als een vrijgezelle huisarts van middelbare leeftijd in een suf roddeldorp. Hij woont samen met zijn acht jaar oudere, aartsnieuwsgierige, doodgoeiige zuster, die voor hem zorgt alsof hij een baby is: “… ‘Je bent uit je humeur, James. Zeker door je lever. Je moet vanavond maar een blauwe pil innemen.’ Als u mij in mijn eigen huis meemaakte, zou u nooit geloven dat ik de geneesheer was. Thuis schrijft Caroline de recepten voor, zowel voor zichzelf als voor mij…”. Voor hij op visite gaat drukt hij een ‘broerlijke kus’ op haar voorhoofd. ‘s Avonds laat wacht zij hem op met warme chocolademelk. Als de dokter op een dag in de tuin bezig is krijgt hij een pompoen op zijn kop. De nieuwe buurman blijkt het verwelkte geval in zijn drift over de heg te hebben geslingerd. Zo maakt de dokter dus kennis met Hercule Poirot, meester-detective in ruste, alleen weet hij dat nog niet, want het belachelijk kleine, geschrokken, plechtige, overdreven nette, aan zijn snor draaiende mannetje deelt enkel zwaarwichtig mee dat hij ooit het ‘meest interessante werk van de wereld’ heeft gehad, inzake ‘de studie van de menselijke natuur’. De dokter gaat ervan uit dat hij kapper is. Als een stinkend-rijke vriend van de huisarts wordt vermoord, waarvan iedereen dacht dat hij als weduwnaar prima paste bij een weduwe die even daarvoor onder verdachte omstandigheden zelfmoord pleegde, roept de familie Hercule Poirot erbij, omdat zij wél op de hoogten zijn van de kwaliteiten van hun beroemde plaatsgenoot. En zo trekken de speurder en de dokter samen op in deze ‘onplezierige geschiedenis’ (je zou toch zeggen: twee doden in zo’n rotdorpje…).

Ik denk niet, ik weet!
Het verhaal loopt uit op een literair Cluedo. De spelers: jij en de schrijver. Plaats delict: een Engels landhuis. Het moordwapen: eenTunesische dolk. De verdachten: allemaal familie, personeel (butler, privé-notaris, kamermeisje, dienstbode) en vrienden die om geld verlegen zitten: “… Geld, geld… alle misère in de wereld kan aan geld worden toegeschreven of aan het gebrek aan geld…”. Mannelijke ratio neemt het op tegen vrouwelijke gevoeligheid. De domme rechercheur die met gedempte stem meedeelt dat er vingerafdrukken op het wapen zijn aangetroffen: “… Het zou wat anders zijn als de dolk teenafdrukken had vertoond…”. Meer dan ooit laat Poirot zijn ‘kleine grijze hersencellen’ werken: “… Als men de feiten maar methodisch rangschikt is alles eenvoudig…”. En even verder: “… ‘Maar dan is het tenslotte mogelijk - ja, het is zeker mogelijk - , maar dan… Ik moet mijn ideeën herzien. Methode, orde, nooit heb ik ze harder nodig gehad. Alles moet kloppen – op de plaats waar het hoort – anders ben ik op het verkeerde spoor…”. En uiteindelijk triomfantelijk: “… Ik denk niet, ik weet!...”. Zet dit tegenover zijn kijk op vrouwen: “… ‘Les femmes,’ generaliseerde Poirot. ‘Merkwaardige wezens! Ze verzinnen maar iets – en, als door een wonder, hebben ze nog gelijk ook. Of eigenlijk is het geen wonder. Vrouwen merken onbewust duizend kleinigheden op, die ze in hun onderbewustzijn bij elkaar voegen – en dan noemen ze het resultaat intuïtie. Ik ben een knap psycholoog, ik ben op de hoogte van die dingen…”. En nog een voor-de-oorlogse bijdrage aan de genderdiscussie: “… Men kan een man onder druk zetten zo lang men wil – maar bij een vrouw moet men niet te ver gaan. Want een vrouw verlangt ernaar, de waarheid te zeggen. Hoeveel mannen hebben niet hun vrouw bedrogen en zijn rustig met hun geheim het graf in gegaan. Hoeveel vrouwen die hun man hebben bedrogen hebben niet hun leven verwoest door het er in een onbewaakt ogenblik uit te gooien. Hun geweten liet hen geen rust. In een ogenblik van roekeloosheid (waar ze later spijt van hebben, bien entendu) gooien ze alle voorzichtigheid overboord en flappen de waarheid er uit. Dat geeft die vrouwen tijdelijk een enorm gevoel van opluchting…”. Op een gegeven moment zegt Poirot dat hij zijn vriend Hastings mist, die me vooral aan Smalle Lowietje uit Baantjer doet denken: “… Als ik met een belangrijke zaak bezig was stond hij me altijd bij. En hij heeft me dikwijls geholpen ook, want hij kwam vaak achter de waarheid, zonder dat hij het zelf merkte, bien entendu. Soms zei hij iets onzinnigs en juist dat malle gezegde onthulde dan voor mij de waarheid…”. Van enige eruditie is het verhaal niet gespeend: tussen neus en lippen door worden de namen van doctor Faust genoemd, die zijn ziel aan de duivel verkocht, en Mélisande, die een veel oudere man trouwde. In de jaren twintig moet deze detective supermodern hebben aangedaan. Er is sprake van een verslaafde die aan de cocaïne is, ‘witte sneeuw’, die in de Verenigde Staten wordt gesnoven maar ter plekke nog vrijwel onbekend is. Poirot is van mening dat jonge meiden niet zomaar meer van van alles en nog wat flauw vallen en iemand anders merkt op dat het tegenwoordig niet meer te zien is wie er nu wel of niet een dame is, alhoewel de heer Ackroyd de lagere klassen ‘minzaam benaderde’ maar zich terdege bewust was van zijn ‘waardigheid’.

Op het verkeerde been
Pieter Steinz in "Het web van de wereldliteratuur": “… In een Engelse televisiedocumentaire probeerden wetenschappers te verklaren waarom lezers de boeken van Agathie Christie niet weg kunnen leggen. Hun theorieën varieerden van ‘ze schrijft zo eenvoudig’ tot ‘lezers houden van vaste patronen’ tot ‘ze hypnotiseert ons met een bombardement aan details en personages, zodat we in trance raken’. Dat wisten we natuurlijk al. Niets in Christies stijl houdt het tempo van het verhaal op (Dan Brown heeft veel van haar geleerd). En o, wat is het heerlijk te weten wat je te wachten staat en vervolgens tóch verrast te worden. Zodat je na het lezen van de laatste pagina weer teruggaat naar het begin om te zien waar je op het verkeerde been bent gezet…”.

Uitgave: The House of Books – 2015, vertaling L.M.A. Vuerhard, 228 blz., ISBN 978 904 882 486 1, € 14,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 9 december 2017

De geschiedenis van de Joden – Simon Schama


Subtitel: Deel 2 . Erbij horen (1492-1900)

Wat is dat toch met die Joden? Ze zijn niet alleen bovengemiddeld intelligent, ze hebben ook altijd als zondebok gefunctioneerd . Professor dr. Willem Ouweneel in “Het Jobslijden van Israël”: “… Er zit in het lijden van Israël iets unieks; geen volk lijdt zoveel als Israël en geen volk lijdt zó als Israël…”. En tegelijk zit er in het Joodse lijden iets universeels. Het is ook een lijden waaraan iedereen kan refereren: het lijden van ‘Elckerlyc’, van ieder mens afzonderlijk. Ouweneel: “… Elk mens ontvangt zijn deel van het lijden en krijgt daarbij met dezelfde vragen te worstelen: Wat overkomt me? Waarom ik? Waaraan heb ik dit verdiend? Wat heb ik misdaan? Waar is God? Waarom merk ik zo weinig van Hem nu ik Hem juist zo nodig heb? Wéét Hij wel dat ik lijd? Waarom doet Hij er niets aan? Waar is zijn barmhartigheid? Waar is zijn gerechtigheid?...”. Vorige maand kwam het tweede deel uit van de trilogie over de Joodse geschiedenis van Simon Schama, zélf van Joodse origine. Een veel te dikke (en dan te bedenken dat hij oorspronkelijk van plan was alles in één werk te proppen), bijna hallucinerende studie. Oh, wat een stijl! Het bestaat uit zestien hoofdstukken, die ieder voor zich een boek waard zijn. Ik loop ze allemaal even langs…

1) Zou het nu kunnen zijn?

Schama begint met een verhaal over de mythische rivier de Sambation die zo Joods is dat ze de sabbat houdt. Aan de overkant moeten de verloren stammen van Israël wonen. En volgens de Joodse traditie luidt de ontdekking van deze stammen de komst van de Messias in. Rond 1500 kijken ook veel christenen uit naar een mogelijke hereniging van de stammen Israëls. Als ze zich ergens achter de islamitische wereld hebben gevestigd en christenen contact met ze kunnen leggen zullen ze met z’n allen de vermaledijde Turk aan kunnen vallen. De Laatste Dagen! Meevechten in de lang voorspelde titanenstrijd tussen Gog en Magog! Is de antichrist eenmaal verslagen dan zullen de Joden zich massaal bekeren en breekt eindelijk het christelijke gouden tijdperk aan. De koning van Portugal heeft al een stel onderdanen weggestuurd om het rijk van Pape Jan - een machtige christelijke koning - te zoeken, dat zich in de omgeving van de verloren stammen moet ophouden. Groot is dan ook de consternatie als in 1523 een exotische ambassadeur uit deze geheimzinnige contreien opduikt. In het getto van Venetië. Ene David Haroeveni. Volgens eigen zeggen niet de Messias, maar dan toch wel zijn boodschapper. Zijn ambitie is de paus te bewegen de zaken te regelen die nodig zijn om Jeruzalem te ontzetten. Hij weet zich een weg te verschaffen naar Rome, waar progressieve humanistische kardinalen af en toe aanpappen met Joodse rabbijnen, maar tegelijk - soms al bejaarde - Joden dwingen met carnaval naakt door de modderige straten te rennen, waarbij ze met rotte sinaasappels worden bekogeld. De paus stuurt David Haroeveni door naar de koning van Portugal die volgens hem meer voor Haroeveni kan doen. In Portugal dringt een ongewenste proseliet zich aan hem op die zichzelf extatisch besnijdt: Sjlomo Molcho. De koning die bang is dat alle marranen, oftewel ‘nieuwe christenen’ (gedwongen bekeerlingen), weer Joods worden, wijst beiden het land uit. Davids ster daalt, Sjlomo’s ster rijst. Is Sjlomo misschien de ware Messias en David zijn profetische voorloper? Sjlomo heeft de gave van het woord. Hij voorspelt het jaar waarin Rome geplunderd zal worden: 1527. Terwijl hij met bedelaars onder een brug over de Tiber bivakkeert, kondigt hij aan dat de rivier buiten haar oevers zal treden, wat ze in oktober 1530 braaf doet. In een synagoge zegt hij dat er een aardbeving aan zit te komen. Ook dat geschiedt. Op 26 januari 1531. De paus, die een zwak voor hem heeft, kan niet verhoeden dat de inquisitie de ex-katholieke ziener veroordeelt tot de brandstapel. Stiekem verwisselt hij Sjlomo met een arme plaatsvervanger. Na lange omzwervingen, waarin David Haroeveni onder andere de gevangenis van binnen ziet, komt hij zijn leerling Sjlomo Molcho weer tegen. Samen vatten ze het onzalige plan op de Heilige Roomse keizer Karel V in Regensburg met een bezoek te vereren. Volgens de adviseurs van de keizer zijn de twee Joden niet alleen knotsgek maar ook nog eens levensgevaarlijk. Beiden worden uiteindelijk op verschillende plaatsen levend verbrand. In de Maiselsynagoge in Praag, tegenwoordig een Joods museum, valt nog steeds een van Sjlomo’s geborduurde gewaden en vaandel te bewonderen: relieken die klaar liggen voor de Messias waar nog altijd op wordt gewacht…

2) Onderweg

In het tweede hoofdstuk vertelt Schama hoe het ongelukkige lot van de Joden verstrooid te zijn tijdens de beginnende Renaissance verandert in ongekende handelsmogelijkheden. In Lissabon en Antwerpen weten ze grootse wereldimperiums in peper en andere specerijen op poten te zetten. De Indiaanse handelaren willen klaar goud zien – en daar beschikken ze als enigen over. Ze houden de Europese vorsten in de tang door leningen aan hen te verstrekken. Tegelijk zit overal de inquisitie achter hun broek. Het is één groot kat- en muisspel. Als de koninklijke armoedzaaiers op zwart zaad zitten pakken ze Joden op vanwege judaïserende ketterij, om ze pas weer los te laten als het nodige losgeld is betaald. Karel V, druk in de weer met zijn strijd tegen aan de ene kant de schokkend antisemitische Maarten Luther en zijn protestanten en aan de andere kant de islamitische Turken, beseft maar al te goed dat als hij de Joodse geldkraan dichtdraait dat de onttakeling van zijn keizerrijk betekent. Er komt een enorm ondergronds vluchtelingennetwerk van marranen op gang, die weg willen zijn uit Portugal voor de kaken van de inquisitie dichtklappen. Net als nu worden de ontheemden leeggeschud en afgeperst. Via Londen gaat het naar Antwerpen, en over de Zwitserse Alpen soms zelfs naar Constantinopel, waar de sultan van het Oosten zich over hen ontfermt. Het is een vertelling over massale executies, volkswoede en verbanning, aan de hand van het levensverhaal van een van de destijds rijkste vrouwen van Europa, de Joodse matriarch Doña Gracia Nasi, een ‘messias in rokken’, die de ontwortelden helpt zoveel ze kan.

3) De theatermaker
Het derde hoofdstuk is opgehangen aan Leone de’Sommi, oftewel Leone Ebreo, oftewel Leone de Jood uit Mantua: de eerste theatermaker van wie we iets afweten. En dat ondanks het feit dat het rabbijnse Jodendom sinds jaar en dag fel gekant is tegen toneelspel. Behalve als het de poerimspelen betreft. Het Joodse carnaval. Een viering naar aanleiding van koningin Esther die de Joden in Perzië redt van uitroeïng. Wraak wordt genomen op de schurk Haman. Fascinerend vertelt Schama over de persoonlijke huistovenaar van keizer Rudolf II in Praag: Abraham Colorni – kunstenaar, uitvinder, wapensmid, goochelaar, alchemist, kabbalist, occultist en vrome Jood. Ondertussen gaat de pauselijke-keizerlijke bekeringsdrang gewoon door. Verdrijving en vervolging zijn in de zestiende eeuw aan de orde van de dag. Het getto van Rome wordt geboren. Joden mogen geen eten aan christenen verkopen of hen als min in dienst nemen. Joodse artsen mogen geen christelijke patiënten helpen. Landbezit en elke andere vorm van onroerend goed zijn voor hen verboden. Alleen met pandjeshuizen, leningen uitgeven en de lompenhandel valt nog wat te verdienen.

4) De tijd van de nachtegaal
Dit hoofdstuk vertelt hoe het de Joden vergaat onder de gastvrije sultans. Joden houden zich bezig met de catering waar het hele Ottomaanse rijk om draait. De verhalen die Schama vertelt zijn duizelingwekkend. Bestrating van halfedelstenen. De als standbeelden opgestelde cavalerie met tulbanden op paarden met sjabrak. Jonge page-slaven met kaalgeschoren hoofden op een ‘eekhoornstaartje’ in hun nek na. Honderd doofstommen met haviken op hun gehandschoende vuist. Honderd potige dwergen met kromzwaarden zo groot als zijzelf. Een volkomen stil, goudkleurig leger: als er iets gecommuniceerd moet worden gebeurt dat in gebarentaal. De harems waar Joodse vrouwen het contact verzorgen tussen de concubines en de buitenwereld. Suleiman de Grote verovert Jeruzalem op de mammelukken en begint in 1530 met de herbouw van wat we tegenwoordig ‘de Oude Stad’ noemen: de tijd van de nachtegaal. De mogelijkheid dat er een nieuw Joods tijdperk zal aanbreken trekt veel nieuwe Joden aan. Tevens wordt Safed in Galilea het centrum van jonge, vurige kabbalisten.

5) Muziek en rouw
Als de zeventiende eeuw aanbreekt worden de Joden in Venetië geleidelijk en gedeeltelijk ontdekt als medemensen. Al een paar generaties lang heeft de republiek de hoogste autoriteiten van de contrareformatorische pausen afgewezen, en vooral hun geïnstitutionaliseerde ontmenselijking van de Joden. Prachtig schrijft Schama over de autobiografie van rabbi Leone Modena, “Het leven van Jehoeda Arjee”, naar wiens populaire preken net zoveel christenen van buiten het getto komen luisteren als Joden. En over de briefwisseling tussen een gigantisch verliefde, jonge, mooie, slimme Jodin en een christelijke, gestreelde, literaire vijftiger, die elkaar nooit zien maar ‘de liefde bedrijven met elkaars ziel’. Eigenlijk is het één groot bekeringstheater. En over de verbouwing van de Poninte-synagoge van de Sefardim, waarvan de marmeren vloeren zó mooi zijn dat er expres een fout in het patroon wordt gelegd. Want alleen de hand van God kan perfectie creëren.

6) Joden zonder lijden?
“… Geen angst (behalve op Jom Kipoer, wanneer je verantwoording moest afleggen tegenover de Schepper). Geen schuldgevoelens. Geen moordlustige meutes om de hoek. Geen bagage die klaarstaat. Geen dienstregelingen die je in de gaten moet houden. Geen tandenknarsen, handenwringen, gejammer, gescheur of gebrul. Geen Joden, dus, want er was nog nooit een tijd geweest dat rampspoed niet aan hen kleefde als een schaduw. Waar zou zo’n plek bestaan? In je dromen…”. En in China. En ook in India en langs de Afrikaanse kust, voordat de Spaanse en Portugese imperialisten er neerstrijken.

7) Samenleven
Het zevende hoofdstuk behandelt de vestigingsmythe van de joden in Amsterdam, het ‘Nieuwe Jeruzalem’, die er in de Gouden Eeuw hun religie openlijker kunnen uitoefenen dan de katholieken: de laatsten zijn aangewezen op schuilkerken. De christenen en Joden delen de rijkste stad van de wereld op een manier die ergens anders ondenkbaar is. De gilden houden de Joden buiten de deur, daarom vind je ze voornamelijk in de diamantslijperijen, de tabaksdrogerijen, de apotheken, de drukkerijen en natuurlijk op de beurs. De keiharde geldwolven die Mokum regeren hebben goed in de gaten dat vriendschap met de Joden de economie - vanwege hun wereldwijde kennis van de handel - een boost geeft. Het Joodse stadseiland Vlooienburg wordt uit de grond gestampt. Er is een schaalmodel van de Tempel van Salomo te bewonderen dat op een gegeven moment zelfs leden van het Engelse koningshuis - die op zoek zijn naar Joodse ‘diamantmensen’ - trekt. De royals zijn, evenals de vrijmetselaars, geobsedeerd door koning Salomo. Als er bezoek langs komt bij koning James I laat hij bij voorkeur één van zijn favoriete maskerades, “Salomo’s tempel en de komst van de koningin van Seba”, opvoeren (bij een ongelukkige performance in 1606 is de koningin van Seba zo dronken dat ze overgeeft in de schoot van de koning van Denemarken). Buiten de Amsterdamse stadsmuren, in Ouderkerk, krijgen de Joden hun eigen begraafplaats: “Beth Haim”. Uitgebreid vertelt Schama hoe hotemetoten als Rembrandt van Rijn, Jacob van Ruysdael, Constantijn Huygens, P.C. Hooft, Antoon van Dyck, Hugo de Groot, Peter Paul Rubens, Hendrick Goltzius en Ferdinand Bol tegen de Joden aankijken. De uitdagingen die de Hollandse vrijheid met zich meebrengt vormt tevens de kweekvijver, en daarna het laboratorium, van de seculiere Jood, waarvan de bekendste wellicht de met de cherem - banvloek - getroffen filosoof annex lenzenslijper Baruch d’Espinoza is (zie ook mijn blog over “Het raadsel Spinoza” van Irvin D. Yalom). Hetzelfde hoofdstuk vertelt over de ontdekking van Indiaanse Joden in Amerika. En de langzame acceptatie van Joden onder de puriteinse protestant ‘lord protector’ Cromwell in Engeland. Hoe moet Londen anders concurreren met Amsterdam…

8) De kroon
Na de verschrikkelijke zeventiende eeuwse massaslachtingen in Polen en Oekraïne, waarbij naar schatting 90 procent van de Joden wordt gedood dan wel verdreven, breekt er een extatische messiasgekte uit rond de pseudo-verlosser Sjabtai Zvi. Aanhangers gaan over tot zelfkastijding door zich onder te dompelen onder ijs. Sommigen rollen een half uur naakt door de sneeuw. Het meest gewilde instrument tot boetedoening zijn brandnetels die om borst en rug worden gebonden en waarover de boetelingen vervolgens strakke kleding trekken. Het resultaat van al het enthousiasme is een tekort aan dit onkruid dat ver in velden en bossen gezocht moeten worden als je er geen hoge prijs voor wilt of kunt betalen. En passant gaat het over de bouw van de Grote Sjoel van de Asjkenazim en de concurrerende Snoge van de Sefardim in Amsterdam.

9) Ontmoeting der geesten
De achttiende eeuw. Terwijl de Beteljuden worden gezien als ongedierte dat ook nog eens enge ziekten overbrengt, functioneren de Hofjoden als geldkanonnen voor de Europese monarchen. Geldzakken die ze maar al te hard nodig hebben. Als de judeofobe Habsburgse keizerin Maria Theresa alle Joden uit Praag zet dreigt een economische ineenstorting. De belangrijkste vertegenwoordiger van de Hakala - Joodse Verlichting - is Moses Mendelssohn, wiens argumenten voor tolerantie nog steeds onthutsend actueel zijn in de wereld van nu. Waar Voltaires opmerkingen over religie voortkomen uit pure minachting (Voltaire is diep allergisch voor de Hebreeën), getuigen die van Mendelssohn van een hoogstaand respect .

10) Joden zonder baard
De volgende verteller van het verhaal van de Joden is de bokser Dan Mendosa, uit het van antisemitisme vergeven Londen, die er een geheel nieuw hoofdstuk aan toevoegt: dat van de Jood die terugslaat. De nationale obsessie voor de sportheld is zo groot dat er nauwelijks aandacht is voor de Franse Revolutie. Hij publiceert de eerste memoires van een sportman ooit. Opent een boksacademie waarin je opgeleid kunt worden in de edele kunst der zelfverdediging. Terwijl op Rag Fair, de lompenmarkt, Joodse schooiers hun tweedehands spullen proberen te slijten (de enige handel die hen in feite is toegestaan) opent het grote geld langzaamaan de deuren voor menige Jood. Men vindt ze bij broederschappen als de Society of Antiquaries, de Royal Society, het Royal College of Physicans, de universiteiten van Oxford, in vrijmetselaarsloges (de belangrijkste plaats om contacten op te doen), alsmede onder geheimraden voor de regering van Ierland, beëdigde advocaten en hoge marineofficieren.

11) Joden als burgers
Frankrijk. De Revolutie geeft en de Revolutie neemt. De Joden krijgen burgerrechten maar na twee jaar ontaardt alle vrijheid weer in de nachtmerrie van de Terreur, die op een terugval in de middeleeuwen lijkt. Alles wat Joods is gaat ten onder in een chaotische, onmenselijke en traumatiserende ontkerstening. Napoleon helpt de emancipatie weer (enigszins) op gang, en wordt dan ook op handen gedragen.

12) Po-lin
Schama uit zijn verbazing over het feit dat er, na de nazi’s, de moordende goelag en de veldslagen van het Rode Leger, nog steeds talloze generaties Joden aanwezig zijn in Oost-Europa. Prachtig vertelt hij over de sprookjesachtige wereld van de chassidim met hun geschreeuw, geroep en extatische radslagen. De goddelijke vonken die bevrijdt worden uit de bolsters van het kwaad. Naarmate de Talmoedstudie steeds formalistischer en muggenziftiger wordt wint de mystiek rond de Magied, geheel gehuld in het wit, de kleur van genade, steeds meer terrein. De synagogen waarin de heilige ark is beschilderd met griffioenen die hun leerachtige vleugels uitstrekken tegen een azuurblauwe achtergrond. De opbeurende levendigheid van de ooit vrolijk beschilderde graven. Beren die grijpen naar druiventrossen. Herten met fraaie geweien die met hun hoef in de aarde krabben terwijl ze dreigend naar indringers kijken. Een opgerolde leviathan die zijn eigen staart opeet. Een eenhoorn die zijn hoorn in de muil van een verraste leeuw ramt. Drie hazen, gevangen in het rad van de tijd, die achter elkaars staart aan jagen. Er is iets vreemds aan, maar je kunt er zo een-twee-drie niet je vinger opleggen. Tot je het ineens ziet: ze hebben maar drie oren, terwijl het toch wis en waarachtig lijkt dat ze er elk twee hebben. Soms verwijzen dieren naar mensen, die niet mogen worden afgebeeld in de begrafeniskunst. En daartussendoor ineens van die door je ziel snijdende mededelingen als: "… Dat er een klein aantal (synagogen) is blijven staan, komt doordat de Duitsers er plezier in hadden ze te gebruiken als openbare latrine, stal of bordeel. In de synagoge van Częstochowa werden jonge Joodse meisjes dag in, dag uit verkracht en gemarteld… ". In feite zijn er maar heel weinig armetierige sjetls zoals in “Fiddler on the Roof”. De meeste Joden wonen in de grotere stadjes. Met z’n duizenden. Vaak vormen de Polen zelf een minderheid. Po-lin betekent: vestig je hier. Dat is precies wat de Poolse magnaten willen. Zet ergens Joden neer en er ontstaat vanzelf handel en cultuur. De Joden regelen de hele infrastructuur van Polen. Natuurlijk worden ze regelmatig afgeslacht door hordes rovende Kozakken. Dat is niet meer dan normaal. Het feit dat de tsaar van Rusland een dienstplicht instelt voor jonge Joodse kinderen (sommige opgepakte jongetjes zijn nog aan het tandjes wisselen) en tieners, gaat de geschiedenis in als één van de grootste wreedheden hen ooit aangedaan.

13) Amerikanen
Dit hoofdstuk is opgehangen aan het levensverhaal van kapitein Uriah Levi die het als Jood voor elkaar krijgt bevel te voeren op een Amerikaans oorlogsschip. De wandelende Jood schiet in de negentiende eeuw even diep wortel als alle anderen in het land waar hij wettelijk als gelijke moet worden behandeld, al heeft dat hier en daar zo zijn haken en ogen. Ook de Joden maken Amerika groot: denk bijvoorbeeld aan de ‘jeans’ van Levi Strauss. Of aan het eerste Joodse sekssymbool, actrice Adah Isaacs Menken, die welbeschouwd helemaal niet van Joodse bloede was.

14) De moderniteit en haar sores
Eeuwenlang zijn de Joden zwartgemaakt en vervolgd vanwege hun obscurantisme. In de negentiende eeuw worden ze aangevallen vanwege het tegenovergestelde: de moderniteit die de voortvarende Europese Joden aan de man proberen te brengen. De wereld gaat naar de haaien en dat is natuurlijk de schuld van de Joden. Hun vulgaire, commerciële opera’s (Meyerbeer, Mendelssohn- Bartholdy: in de verwrongen geest van Richard Wagner hebben de Joden de muziek die eeuwenlang was voorbehouden aan opdrachtgevende vorstenhoven en kerken veranderd in een soort geldautomaat van jan en alleman). De opzichtige prullen in hun warenhuizen. Hun tegennatuurlijke spoorwegen die zich niets aantrekken van eeuwenoude, nobele grenzen tussen talen, gebieden en volken. Als er spoorwegongelukken gebeuren komt dat doordat de Rothchilds zich niets aantrekken van de veiligheid en alleen maar denken aan eigen gewin. Alles wat heilig is bezoedelen de Joden met hun vuige hebzucht. Hier en daar laait het geloof in het bloedsprookje weer op, met alle afschuwelijke gevolgen (zelfs in 1983 publiceert de Syrische minister van Defensie, Mustafa Tlass, nog een boek waarin wordt verondersteld dat het bloedsprookje een algemeen aanvaarde waarheid behelst). En dan komt Karl Marx met “Das Kapital”.

15) Keerpunt
Tegen het eind van de negentiende eeuw puilen de Europese steden uit van Joden op de vlucht voor pogroms. Het opkomend modernisme houdt gelijke tred met een massaal en virulent antisemitisme. Eeuwenlang is de Joden verweten dat ze zich niet aanpasten, nu zouden ze zich te diep in het maatschappelijke verkeer hebben gewurmd. Komplottheorieën zijn schering en inslag: de Joden willen de samenleving overnemen. Eindelijk dringt het besef door dat ze hoe dan ook een uitgekotst volk zijn dat een eigen identiteit en plek nodig heeft, om een vuist te maken en mee te tellen in de wereld. Zo zijn de dromen over ‘Zion’ werkelijkheid geworden.

16) Zou het nu moeten zijn?
In het laatste hoofdstuk behandelt Schama de Dreyfus-affaire en het zionisme van Theodor Herzl: “… Er stonden twee visies op hoe een Joods bestaan in Palestina kon worden geleid tegenover elkaar, twee visies op hoe Joden en Arabieren in één land konden of zouden leven. Jeruzalem of Tel Aviv, geestelijk of werelds. De twee visies weigerden zich te verenigen, het eens te worden over wat een waarlijk Joods bestaan uitmaakt. Dat is nog altijd zo…”. Hoe waar dat is blijkt maar weer eens uit de reacties die president Trump heden ten dag oproept na zijn aankondiging de ambassade van de Verenigde Staten te verplaatsen naar Israëls’ hoofdstad Jeruzalem. Schama’s epos eindigt waar mijn eerdere blog over “Mijn beloofde land” van Ari Shavit begint. Rest mij nog er even op te wijzen dat als je in staat bent dit hele boek door te worstelen, je de op het laatst toegevoegde woordenlijst niet moet laten voor wat het is, want het is de leukste vocabulaire die ik ooit heb gelezen.

Uitgave: Atlas Contact – 2017, vertaling Sylvie Hoyinck; Maarten van der Werf; Paul Heijman; Josephine Ruitenberg; Huub Stegeman, 963 blz., ISBN 978 904 502 544, € 49, 99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 16 november 2017

Bij je volle verstand – Tim Keller


Subtitel: Een uitnodiging voor sceptici

De populairste theologen in de conservatieve protestantse hoek zijn op dit moment waarschijnlijk Tim Keller (zie mijn blogs over “Het huwelijk” en “Aan Gods hand door pijn en lijden”) en Tom Wright (zie mijn blogs over “Paulus van Tarsus”, “Jezus en het evangelie van Judas”, “Pleidooi voor de Psalmen” en “Goed nieuws!”); gekscherend Tim & Tom genoemd. In zijn nieuwste boek, “Bij je volle verstand”, gaat Tim Keller in op de vraag in hoeverre je het redelijk kunt noemen om te geloven. Ik denk niet dat het atheïsten over de streep zal trekken, simpel omdat geloof ‘een gave van God’ is volgens de Bijbel. Ik denk wel dat het ‘ietsisten’ wat vastere grond onder de voeten kan geven. In die zin is het dus een beetje een preek voor eigen parochie – maar daar is natuurlijk niets mis mee. Keller heeft een nogal wollig taalgebruik; het is zaak even goed voor zijn verhaal te gaan zitten. Wat ik het buitengewone aantrekkelijke aan Tim Keller vind is dat hij zijn betogen doorspekt met voorbeelden uit de literatuur en filmwereld.

Omdat de meeste mensen stom zijn

Een quote van John Lennon uit 1966: “… Christianity will go. It will vanish and shrink. I needn’t argue about that; I’m right and will be proved right…”. Niets blijkt minder waar. Volgens een groot onderzoek door het Pew Research Center neemt religie juist toe. Een land als China wordt christelijker naarmate het meer moderniseert. Christenen en moslims maken een steeds groter deel van de wereldbevolking uit, behalve in de Verenigde Staten en Europa (Washington Post, 24-04-2015): “… In God geloven is voor vier op de vijf mensen ter wereld helemaal niet gek, en dat zal in de nabije toekomst niet veranderen…”. Hoe komt dat? Het meest lompe antwoord is waarschijnlijk: omdat de meeste mensen stom zijn. Een wat doordachter en mensvriendelijker antwoord: omdat het seculiere denkraam essentiële dingen voor een bevredigend leven mist en omdat veel mensen intuïtief aanvoelen dat er méér is dan de zichtbare wereld. Een van de meest vooraanstaande filosofen van de wereld, Jürgen Habermas, is - tegenwoordig - van mening dat de wetenschap geen uitsluitsel kan geven over moraliteit of daar zinnige dingen over kan zeggen. Met een beroep op godsdienst zijn er verschrikkelijke dingen gebeurd, maar het secularisme was geen haar beter. De Franse revolutionisten waren gepokt en gemazeld in de geest van de Verlichting. Toch onthoofden ze in het openbaar 17.000 mensen. Om maar te zwijgen over het fascisme en communisme: “… de concentratiekampen leidden tot het morele besef dat eugenetica misschien in wetenschappelijk opzicht wel efficiënt was, maar (tegelijk) door en door slecht…”. Waar kun je de onderbouwing hiervoor vinden? Habermas: “… De idealen van gewetensvrijheid, mensenrechten en democratie zijn de directe nalatenschap van de Joodse ethiek van gerechtigheid en de christelijke ethiek van de liefde. Tot op de dag van vandaag is daar geen alternatief voor…”. Er is niets mis met de wetenschap, integendeel, maar het onderwijst geen waarden en leert ons geen naastenliefde. Wetenschappelijke kennis is niet toepasbaar op de belangrijkste aspecten van het menselijke bestaan, waaronder zaken als schoonheid, hoop, eergevoel, lijden, deugdzaamheid, opoffering en vergeving. Veel mensen voelen intuïtief aan dat we met onze liefdes en verlangens niet gereduceerd kunnen worden tot materie, chemie en DNA.

Een wilde God
Voor mij komen de indrukwekkendste argumenten voor religie echter van degenen die zeggen een rechtstreekse ervaring van het transcendente te hebben meegemaakt. Die een of andere Aanwezigheid hebben ervaren die het normale leven overstijgt. Waarschijnlijk zijn dat er veel meer dan we denken omdat mensen nogal terughoudend zijn in het vertellen daarover. Vrienden en familie zullen al heel gauw zeggen: die is van het padje af. Eerlijk gezegd denk ik dat het in onze moderne wereld heel moeilijk is om in het goddelijke te geloven zonder ooit iets van God te merken. Sommige filosofen noemen zo’n ervaring ‘The Whoosh’ – een gesuis dat snel voorbijgaat. Een ander heeft het over een besef van een ‘heilige orde’ dat steeds weer opduikt in ons bewustzijn.
Het mooiste voorbeeld dat Keller noemt vind ik dat van atheïste Barbara Ehrenreich, bekend van haar invloedrijke boek “De achterkant van de Amerikaanse droom”, die onder de titel “Living with a Wild God” haar memoires schreef. Ze vertelt daarin over een onuitsprekelijke ervaring: “… Er was geen sprake van visioenen, geen profetische stemmen of totemdieren, niets anders dan dit laaiende alom aanwezige. Iets werd in mij gegoten en ik werd ergens in uitgegoten. Dit was geen passieve vrome eenwording met ‘het Al’, zoals door oosterse mystici beloofd wordt. Het was een heftige ontmoeting met een levend iets… ‘Extase’ past er als woord bij, maar alleen als je erkent dat het niet in hetzelfde domein thuishoort als geluk of euforie, dat kan lijken op een uitbraak van geweld…”. Keller: “… haar ervaring had haar in verbinding gebracht met iets ‘wilds’, iets ongeconditioneerds, zelfs iets gevaarlijks en gewelddadigs, niet iets wat ze als vriendelijk of goed kon interpreteren…”. Volgens Ehrenreich past de ‘wilde, amorele Ander’ niet in het plaatje van de vriendelijke, christelijke God, maar Keller beargumenteert dat God zeker wel als ‘wildheid’ voorkomt in de Bijbel: “… In Bijbelse weergaven van ontmoetingen met het goddelijke (zie Exodus 3 en 33 en Jesaja 6) voelen de menselijke ontvangers zich uitermate onbeduidend. Deze passages laten ook een God zien wiens aanwezigheid op een gewelddadige manier traumatisch en dodelijk is en tegelijk toch heel indringend en aantrekkelijk…”. En even verder: “… Zelfs Ehrenreichs zijdelingse opmerking dat ‘het was wat het was’ doet denken aan wat God tegen Mozes zei: ‘Ik ben, die ik ben’(Exodus 3:14, vert. NBG ’51). De ‘wildheid’ die Ehrenreich beschrijft past helemaal bij veel beschrijvingen van God in de Bijbel. God verschijnt in een storm (Job 38:1); op andere plekken als een opvlammend vuur (Exodus 3:2) of als een rokende oven of een brandende fakkel (Genesis 15:17). Ehrenreichs ervaring ligt griezelig dicht aan tegen de beroemde beschrijving die Rudolf Otto gaf van het ‘Heilige’. Zij was, zoals hij het noemt, aangelopen tegen het ‘volstrekt andere’… het vreemde en bevreemdende dat buiten het bereik van het gewone, begrepene en vertrouwde valt en daarom heimelijk is en onverklaarbaar. Het staat in contrast met het alledaagse en vervult het gemoed met verstijvende verbazing en verwondering…”. Waarom zijn er zoveel ervaringen die verder reiken dan het wereldbeeld van het secularisme, zelfs bij hen die daar helemaal niet op zitten te wachten (zie bijvoorbeeld: “De dag dat ik Jezus ontmoette” van Charlotte Rørth)? Als het zichtbare het enige is, waarom verlangen we dan zo intens naar iets wat niet bestaat en nooit bestaan heeft?

Zorgwekkend narcistisch
Keller gaat diep filosofisch in op de stelling dat het rationeel net zo min te bewijzen valt dat God niet bestaat als wel. Zowel de christen als de atheïst zijn ‘gelovigen’: “… Beiden kijken naar dezelfde werkelijkheden in de natuur en in het menselijk bestaan, en beiden zijn op zoek naar een manier om die te begrijpen door een proces dat rationeel, persoonlijk, intuïtief en sociaal is. De rede werkt niet zelfstandig en kan dat ook niet…”. Naar aanleiding van de sciencefictionfilm “The Matrix”: “… Kun je bewijzen dat je niet ergens in een grote kuip zit met draden en schroefjes die uit je achterhoofd komen die je een andere werkelijkheid voorschotelen?...”. Een hoofdstuk gaat over het zoeken naar de zin van het leven. Modernisten - Albert Camus, Anton Tsjechov, Franz Kafka, Jean-Paul Sartre, Joseph Conrad, Virginia Woolf, E.M. Forster, Samuel Beckett – rouwden om de zinloosheid van het leven. Het postmodernisme is er juist blij om, want nu is ieder voor zich vrij zijn om zelf zin te creëren. Dat lijkt mij eerlijk gezegd neerkomen op jezelf aan je haren uit het moeras trekken. De visie dat het leven is wat je er zelf van maakt wordt in het boek dan ook ‘zorgwekkend narcistisch’ genoemd. Zolang alles goed gaat zal het wel los lopen, maar wat als het tegen zit? Ene Richard Shweder schrijft over de betekenis van het leven: “… Voor de mens uit de oudheid… was de uitwendige wereld gelukkig en vreugdevol, maar was de kern van de wereld ten diepste verdrietig en duister. Onder het vrolijke oppervlak van de wereld van de zogenaamde vrolijke oudheid lagen ‘toeval’ en ‘noodlot’ op de loer. Voor de christen is de externe wereld duister en vol lijden, maar de kern ervan is niets anders dan pure, diepe vreugde en genot…”. Over het thema ‘voldoening’: “... We willen iets wat niets in het leven ons kan geven…”. Keller haalt het liedje ‘Is That All There Is’ van Peggy Lee uit 1969 aan. Ik zou daar ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’ van The Rolling Stones - 1965 - aan toe willen voegen. Het gaat van de wereldberoemde uitspraak van Augustinus, ‘Onrustig is mijn hart tot het rust vindt in U, oh God’, naar C.S. Lewis die stelt: “… Schepselen komen niet met verlangens ter wereld zonder dat daarvoor bevrediging bestaat. Een baby ervaart honger; en kijk, er bestaat voedsel. Een klein eendje wil zwemmen; en kijk, er bestaat water. Mensen hebben seksuele verlangens; en kijk, er bestaan seksen. Als ik in mijzelf een verlangen waarneem dat zich door niet één ervaring in deze wereld laat bevredigen, dan is de meest waarschijnlijke verklaring dat ik voor een andere wereld ben gemaakt…”.

De dingen die je aanbidt zullen je levend verslinden
Keller besteedt een hoofdstuk aan het concept ‘vrijheid’. Religie wordt meestal gezien als de vijand van vrijheid. Echter, niemand is vrij. De postmoderne romanschrijver David Foster Wallace: “… In de dagelijkse loopgraven van het volwassen leven bestaat er niet zoiets als… niet aanbidden. Iedereen aanbidt. De enige keus die we hebben is het voorwerp van onze aanbidding. En de meest overtuigende rede om wellicht voor een of andere god of voor iets spiritueels te kiezen als voorwerp van aanbidding… is dat zo ongeveer alle andere dingen die je aanbidt je levend zullen verslinden. Als je geld en materiële dingen aanbidt, als je daar de werkelijke zin van het leven aan ontleent, dan zul je nooit genoeg hebben, nooit het gevoel hebben dat je genoeg hebt… Aanbid je eigen lichaam en schoonheid en seksuele aantrekkingskracht, en je zult altijd het gevoel hebben dat je lelijk bent. En als zichtbaar wordt dat de tijd niet heeft stilgestaan, dan sterf je duizend doden voordat (je geliefden) je ten slotte in de grond leggen… Aanbid je macht, en je zult je uiteindelijk zwak en bang voelen, en je zult nog meer macht over anderen nodig hebben om je angst het zwijgen op te leggen. Aanbid verstand, als slim beschouwd worden, en je zult je uiteindelijk stom voelen, een bedrieger, iemand die altijd op het punt staat om ontmaskerd te worden…”. Keller toont overtuigend aan dat onze identiteit wordt gevormd door anderen. Hij geeft een prachtig voorbeeld van een Angelsaksische strijder die in het jaar 800 twee sterke impulsen in zichzelf ontdekt: een neiging tot agressie en gevoelens voor hetzelfde geslacht. Hij leeft in een strijderscultuur dus zal hij zijn vechtlust ontwikkelen. Homoseksualiteit erkent hij niet dus zal hij dat in bedwang houden en onderdrukken. Dezelfde man met dezelfde impulsen in onze tijd in Manhattan zal precies het omgekeerde doen. Zijn seksuele voorkeur accepteren en voor zijn woede therapie volgen. Waarom? Omdat de samenleving vertelt wat we moeten geloven. Omdat een soort filter, een set uit de buitenwereld aangereikte overtuigingen en waarden, bepalen wie we zijn. Kijk alleen al wat social media ons (aan) doet. Ga op zoek naar jezelf en je vindt op den duur niets dan haat, eenzaamheid, wanhoop, woede, verval en verwoesting, aldus C.S. Lewis. Geef jezelf over en je vindt je ware ik. Verlies je leven en je redt het… Dit christelijke principe doortrekt het hele leven. Van boven tot onder. Keller gaat diep in op de moderne inzichten omtrent identiteitsvorming en zet daar de christelijke identiteit tegenover die niet ‘bewerkstelligd’ maar ‘ontvangen’ wordt (zie ook het Joodse begrip ‘tsimtsoem’ bij Nicole Krauss in haar roman “Donker woud”).

Heaven Is a World of Love
Robert Putman, een geciteerde hoogleraar openbaar bestuur aan Harvard, omschrijft de geestelijke toestand van mensen in de New York Times van 22 april 2016 als ‘wanhopig’, wanneer hem gevraagd wordt het feit dat in Amerika de zelfmoordcijfers tussen 1999 en 2014 met 24 procent zijn toegenomen te verklaren (zie bijvoorbeeld ook de cijfers van de hedendaagse burn-outexplosie; in de afgelopen twee jaar voor Nederlandse vrouwen stijgend van 9,4 naar 15 procent, en van Nederlandse mannen van 6 naar 9 procent). Een auteur zegt in de New York Book Review dat de moderne literatuur geen weg weet met vreugde. Keller: “… Films die het goed doen zitten bomvol apocalyptische nucleaire en natuurrampen, zombie-invasies of andere doemscenario’s. De ‘kwalitatief betere’ tv-series als Breaking Bad, House of Cards en Mad Men worden allemaal gekenmerkt door antihelden…”. Hij noemt een economisch deskundige die beargumenteert dat het seculiere optimisme een ramp geweest is, niet alleen voor het milieu maar ook voor de menselijke geest: “… Het ondermijnt ons vermogen om als mensen met moeiten en lijden om te gaan, en het kan mensen er niet toe aanzetten om kortetermijnplezier op te geven voor een hoger doel…”. Op een indrukwekkende manier vergelijkt Keller onze tijdgeest met de christelijke hoop die uitgaat van de goedheid van het leven in de confrontatie met de beperkingen ervan. Hij geeft het voorbeeld van slaven die volgens veel denkers door hun christelijke overtuigingen lijdzaam en gedwee zouden zijn gemaakt. Keller denkt dat het tegenovergestelde het geval was. Het zou juist het uithoudingsvermogen van de slaven hebben verhoogd: “… Hoop vereist geen geloof in vooruitgang, maar slechts geloof ‘in recht, in de overtuiging dat de slechteriken zullen boeten, dat onrecht hersteld zal worden, (dat) de ordening die aan de dingen ten grondslag ligt niet straffeloos genegeerd wordt…”. Veel mensen zijn van mening dat het verlangen naar een hiernamaals egoïstisch zou zijn. Maar de belofte van de Bijbel is niet dat we eeuwig zullen leven in een immaterieel, spiritueel paradijs, ver weg van deze wereld. We stijgen niet op naar de hemel; Gods hemelse glorie en reinigende schoonheid en macht komen naar beneden. Onze materiële wereld zal ooit vernieuwd worden, zodat kwaad, lijden, veroudering, ziekte, armoede, onrecht en pijn voor eeuwig weggenomen zullen worden (Openbaring 21:1-5, 22:1-4), en letterlijk draaien op liefde. Daarom is volgens Tolkien, de schrijver van ‘Lord of the Rings’, ieder goed vertelt sprookje een voorproefje van het evangelie. De achttiende-eeuwse filosoof en predikant Jonathan Edwards zegt: “… Heaven Is a World of Love…”.

Metaverhalen
Een hoofdstuk behandelt het probleem van de moraliteit. Als er geen God is hoe zit het dan met goed en kwaad? In handen van extreme gelovigen kan moraliteit weliswaar iets zijn om bang van te worden, maar aan de andere kant, als we zelf individueel onze waarden creëren, op grond waarvan kunnen we dan andere mensen dwingen die te aanvaarden? Als we zonder bedoeling gemaakt zijn, dan slaat het toch nergens op om zelfs maar te spreken over moreel goed en verkeerd? “… Vandaag de dag is er geen enkele mogelijkheid om een moreel standpunt te rechtvaardigen of er zelfs maar over in gesprek te gaan met iemand die het er niet mee eens is. Het enige wat we doen is die ander overschreeuwen…”. En even verder: “… daarom wordt onze samenleving uiteengereten door gepolariseerde, onverenigbare, alternerende universums van moreel debat die elkaar op geen enkele manier ook maar een klein beetje kunnen overtuigen…”. Socioloog Christian Smith vertelt over jongeren die gevraagd werden hoe ze wisten of een handeling moreel was of niet. Vaak zeiden ze dat ze “… in wat voor situatie dan ook automatisch weten… wat goed is en wat verkeerd…”. Dat is waarschijnlijk nog waar ook, want in de Bijbel staat dat alle mensen, ongeacht hun overtuiging, door God geschapen zijn met een moreel geweten (Romeinen 2:14-15). Keller behandelt het postmodernisme aan de hand van de beroemde definitie van filosoof Jean-François Lyotard als: “… het geen geloof hechten aan metaverhalen…”. Grote verhalen leiden alleen maar tot macht en onderdrukking – zie bijvoorbeeld het kapitalisme of het fascisme en communisme. Echter: “… Het enorme ironische hieraan is dat het postmodernisme zijn eigen metaverhaal creëert…”. Wat we nodig hebben is kort gezegd een ‘niet-totaliserend metaverhaal’. Volgens Keller is dat de christelijke visie: “… Voor een christen kan verlossing geen utopische hoop op onvermijdelijke vooruitgang zijn of op menselijk vernuft, maar alleen op God, en op Gods tijd…”. En even verder: “… Ten slotte kunnen metaverhalen door hun waarheidsclaim tot dominantie leiden, maar de lijn van de Bijbelse geschiedenis laat een verhaal (zien) waarin God keer op keer kiest voor hen die onderdrukt en beklagenswaardig zijn, die machteloos zijn en aan de zijlijn staan…”. Over gelovigen: “… Hun wereld is eerder mysterieus dan begrijpelijk, en ze verwachten niet dat ze er de macht over krijgen…”.

De meest invloedrijke man die ooit heeft geleefd
Aan het eind van het boek laat Keller een stel bewijzen en signalen de revue passeren die geen van allen zo sterk zijn dat ze geloof afdwingen, maar het geloof wel logisch maken: “… Sterker nog, deze argumenten zijn zodanig dat het ‘redelijker’ is en een minder grote geloofsstap vergt om in God te geloven dan om niet te geloven…”. En even verder: “… het doel van de zogenaamde theïstische argumenten is niet om ons een specifieke beschrijving van God te geven. Het belangrijkste wat ze doen is helpen ‘de ontoereikendheid in te zien van het (seculiere) naturalisme’ en ons zover te krijgen dat we gaan inzien dat er waarschijnlijk iets transcendents is buiten het universum…”. Keller noemt Jezus de meest invloedrijke man uit de geschiedenis. Historische geleerden zijn er vrijwel unaniem over eens dat Hij ooit geleefd heeft. De evangeliën zijn ooggetuigenverslagen en tonen geen tekenen van aanpassing aan de behoeften en gevoeligheden van de cultuur in die tijd. “… De stelling dat Jezus’ identiteit die is … van de Jahwe-God en dat hij aanbeden dient de worden, de notie van een gekruisigde Messias, het concept van een individuele opstanding, de domheid van de discipelen, het samengeraapte zootje dat achter Jezus aanging…” waren voor christenen buitengewoon gênante aspecten aan het Jezusverhaal. Keller wijst op de volmaakte flexibiliteit en ultieme wijsheid in alle relaties van Jezus. Hij was vrij van vooroordeel. En over zijn goddelijkheid: “… In de hele geschiedenis van de wereld is er maar één persoon die niet alleen beweerde dat hij God was maar er ook in slaagde om daar grote aantallen mensen van te overtuigen…”. Was hij een ontspoorde demagoog en bedrieger of de Zoon van God? “… De dingen die hij over zichzelf beweert ‘getuigen, als ze niet waar zijn, van een grootheidswaanzin in vergelijking waarmee Hitler een model van bescheidenheid en gezond verstand zou zijn’…”. Daarbij moet je ook nog eens bedenken dat Joden wel de laatsten zijn die geneigd waren te geloven dat een mens goddelijk zou kunnen zijn. Verder zijn er een overstelpende reeks historische bewijzen en wetenschappelijke argumenten voor de opstanding van Jezus. Keller: “… Hoe moeilijk het ook is om te geloven dat hij God is die naar de aarde gekomen is, het is misschien wel net zo moeilijk om dat niet te geloven…”.

Uitgave: Van Wijnen – 2017, vertaling Heleen Sytsma, 320 blz., ISBN 978 905 194 545 4, € 19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier