Menu

zaterdag 13 augustus 2011

HhhH – Laurent Binet


Als de vader van Laurent Binet hem tussen neus en lippen door wat vertelt over de aanslag op planningsdeskundige van de Holocaust Reinhard Heydrich, ‘de beul van Praag’ en ‘gevaarlijkste man van het Dritte Reich’, raakt Laurent (1972 - docent Frans aan een militaire acedemie) volkomen geobsedeerd door dit verhaal. Hij leest alles wat hij over Heydrich te pakken kan krijgen. Volgens hem is de aanslag ‘één van de grootste verzetsdaden uit de geschiedenis van de mensheid en ontegenzeggelijk het belangrijkste wapenfeit van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog’ geweest. Al gauw puilen de boekenrekken in zijn appartement uit van de boeken over WO II. Hij gaat naar alle films die er over dit onderwerp te zien zijn: The Pianist, Der Untergang, Die Fälscher, Zwartboek, enzovoort. Zijn televisie blijft ingesteld op de geschiedeniszender van de kabel, en in verloren uurtjes speelt hij zelfs videospelletjes die over de oorlog gaan. Alles voert hem terug naar zijn onderwerp: “… Natacha (zijn vriendin) krijgt een studio in Montmartre waarvan de deur de toegangscode 4206 heeft en ik denk meteen aan juni 1942. Natacha vertelt me op welke datum haar zus gaat trouwen en ik roep opgewekt: ‘Nee, niet te geloven, 27 mei? De dag van de aanslag!...”, en even later “… die hele geschiedenis fascineert me, dat is nu wel duidelijk, en tegelijk werkt ze op mijn zenuwen, geloof ik…”. Om zijn vader ‘wat terug te geven’, besluit hij dit onderhavige boek te schrijven.

Heydrich begon zijn carrière bij de marine, maar werd er vanwege een seksschandaal uitgegooid. Dan neemt hij dienst bij een nieuwe elite-organisatie met groeiende faam: de SS. Het betaalt niet, eerst is hij niet veel anders dan voetveeg. Maar hij klimt op in de hiérarchie en wordt de rechterhand van degene die er de lakens uitdeelt: Heinrich Himmler. Vandaar het nazi-grapje ‘HhhH: Himmlers hersens heten Heydrich’; de ondertitel van dit boek.

“… Als het niet de vooraankondiging was van de dood van miljoenen mensen, zou de confrontatie iets komisch kunnen hebben. Aan de ene kant de lange blonde man (Heydrich) in een zwart uniform met een gezicht als een paard, een schelle stem en glimmend gepoetste laarzen. Aan de andere kant een kleine hamster met een bril (Himmler), kastanjebruin haar, een snorretje en over het geheel genomen een weinig arische uitstraling. De fysieke band van Heinrich Himmler met het nazisme komt tot uiting in zijn belachelijke wens om met zijn snor op zijn meester Adolf Hitler te lijken… Tegen alle rassenlogica in is het de hamster die beveelt…”

Zij leggen samen de fundamenten voor de sinistere SD. De Sicherheitsdienst of veiligheidsdienst. De onbekendste en ook de ergste van alle nazi-instellingen, inclusief de Gestapo. Heydrich krijgt de smaak heel snel te pakken. Informatie, manipulatie, chantage en spionage worden drugs voor hem. Men zadelt hem op met allerlei bijnamen: ‘de slager’, ‘de jood Süss’ (vanwege zijn kromme haakneus), ‘de geit’ (vanwege zijn rare lach), ‘het blonde beest’ (…”het valt niet te ontkennen dat je in de rangorde der diersoorten van een andere categorie bent geworden”…). Adolf Hitler noemt hem ‘de man met het ijzeren hart’, en zegt na een onderonsje met hem: ‘Die man is uitzonderlijk begaafd en uitzonderlijk gevaarlijk. Het zou stom zijn om niet van zijn diensten gebruik te maken.’

Op de Wannseeconferentie (20 januari 1942) legt Heydrich in een paar uur vast op welke manieren de ‘Endlösing’ van de Joden moet worden toegepast: “… op die datum waren in Polen en de USSR al massale executies aan de gang, maar die waren toevertrouwd aan de Einsatzgruppen, uitroeiingscommando’s van de SS, die zich ertoe beperkten hun slachtoffers met honderden, zelfs duizenden tegelijk bij elkaar te drijven, vaak op een veld of in een bos, en hen daar met mitrailleurvuur neer te schieten. Het probleem van deze methode was dat ze de zenuwen van de beulen danig op de proef stelde, waardoor het moreel van de troepen steeds verder zakte, zelfs van geharde troepen als de SD of de Gestapo – Himmler zelf was in zwijm gevallen toen hij een massa-executie bijwoonde. Vervolgens waren de SS’ers ertoe overgegaan hun slachtoffers in stampvolle vrachtwagens te verstikken door de uitlaat naar binnen te draaien, maar de techniek bleef handwerk. Na Wannsee werd de uitroeiing van de joden, door Heydrich overgedragen aan de goede zorgen van de trouwe Eichmann, aangepakt als een logistiek, sociaal en economisch project van zeer grote omvang…”. Gevolg: gaskamers in concentratiekampen.

Ter illustratie het verhaal over SS-Standartenführer Paul Blobel die zich in Babi Jar (het z.g. Grootmoedersravijn in de Oekraïne en waarschijnlijk met honderdduizend doden het grootste massagraf in de hele geschiedenis van de mensheid) met zoveel ijver van zijn taak heeft gekweten, en langzaam gek wordt: “… Toegegeven moet worden dat de doden van Babi Jar niet gemakkelijk vergeten kunnen worden, want de aarde waarin ze zijn begraven, is in beweging. Er stijgt rook uit op, aardkluiten ploppen als champagnekurken omhoog, terwijl uit de bodem bellen gas ontsnappen, afkomstig van de lichamen in ontbinding. De stank is verschrikkelijk. Met een waanzinnige schaterlach verklaart Blobel tegen zijn bezoekers: ‘Hier rusten mijn dertigduizend joden!’ En hij maakt een breed gebaar dat het hele ravijn omvat, een enorme borrelende buik…”.

Binet legt uit hoe de Duitsers president Hácha dwingen de capitulatie van Tsecho-Slowakije te tekenen, wat leidt tot de groteske scène waarin de nazi-ministers Göring en Ribbentrop “… Hácha letterlijk rond de tafel achternazitten, hem steeds de pen in de hand drukken, en hem sommeren te gaan zitten en dat klotedocument te tekenen…”.
En zo kon het gebeuren dat Heydrich de functie van plaatsvervangend protector van Bohemen en Moravië (in feite de eerste authentieke SS-staat) wordt en in Praag komt te zetelen, vanwaar hij een waar schrikbewind uitoefent.

Na de hele voorgeschiedenis minutieus uit de doeken te hebben gedaan vertelt Binet over de daadwerkelijke aanslag op Heydrich door een door Londen gestuurd Tsjecho-Slowaaks commando: operatie Anthropoid genaamd. In een bocht van een weg wordt de mercedes van Heydrich door twee partizanen onder vuur genomen. Er zit van alles tegen; op het cruciale moment komt er een tram vol passagiers langs, een stengun weigert, een granaat treft wel doel. Heydrich wordt gewond naar een ziekenhuis vervoerd waar hij sterft aan een infectie. Als represaille worden twee Tsjechische dorpen volkomen met de grond gelijkgemaakt, honderden mannen standrechtelijk geëxecuteerd en duizenden vrouwen en kinderen afgevoerd en vergast. De partizanen duiken onder in de ijskoude crypte van een kerk, worden verraden, en vechten zich dood: achthonderd SS’ers hebben bijna acht uur nodig gehad om met zeven mannen af te rekenen.  

Natuurlijk zijn er tientallen, zo niet honderden boeken geschreven over deze aanslag. Wat Binet er aan toevoegt is dat hij heel zijn schrijfproces er in verwerkt. Dat maakt het verhaal sterk en persoonlijk. Eigenlijk wil hij niets verzinnen, geen fictie schrijven, maar dat maakt het weer zo droog en wetenschappelijk. Hij wikt en weegt, en dubt en zoekt, en uiteindelijk vindt het boek zijn weg.

Binet won de Prix Goncourt Du Premier Roman 2010, de Franse prijs voor het beste debuut van 2010 (Liesbeth van Nes verzorgde de Nederlandse vertaling). Gaandeweg het boek dacht ik: je moet toch wel lef hebben om met dit verhaal te komen na de overdonderende publiciteit rond 'De welwillenden' van landgenoot Littell. Zoiets fenomenaals valt toch bijna niet te overtreffen? Heel handig: na ruim 200 bladzijden komt Binet daar zelf ook mee:
“… Uiteraard, het kan niet anders of het verschijnen van het boek van Jonathan Littell en het succes ervan hebben me een beetje van de wijs gebracht…”. En uiteindelijk wijdt hij een hoofdstuk vol bazig gekat aan 'De welwillenden': “… Ik heb in een nieuwsgroep een bijdrage gelezen van een zeer overtuigd lezer die naar aanleiding van de hoofdpersoon van Littell schreef: ‘Max Aue klinkt waarachtig omdat hij de spiegel is van zijn tijd.’ Helemaal niet! Hij klinkt waarachtig (voor bepaalde gemakkelijk te belazeren lezers) omdat hij de spiegel is van onze tijd: een postmoderne nihilist, kort gezegd. Op geen enkel moment wekt hij ook maar de suggestie een aanhanger van het nazisme te zijn. Hij toont integendeel nadrukkelijk een vaak kritische afstandelijkheid ten opzichte van de nationaal-socialistische doctrine en daarom kun je niet zeggen dat hij het waanzinnige fanatisme weerspiegelt dat in zijn tijd de overhand had. Integendeel, die nadrukkelijke afstandelijkheid, dat vermoeide ‘ik heb het allemaal wel gehad’, dat permanente onbehagen, die voorliefde voor filosofisch geredeneer, die bewuste amorele houding, dat naargeestige sadisme en die verschrikkelijke seksuele frustraties die hem innerlijk verscheuren… ach natuurlijk! Waarom ben ik daar niet eerder opgekomen? Ik zie het opeens heel duidelijk: De welwillenden, dat is gewoon ‘Houellebecq bij de nazi’s’…”.
En in het daaropvolgende hoofdstuk: “… Ik begin het geloof ik te begrijpen: ik ben een infra-roman aan het schrijven…”.
Bravo! Wat mij betreft zijn het deze passages die dit boek de hoogte in tillen; en zeker niet het spannende oorlogsverhaal op zich.    

Uitgave: Meulenhoff - 2010

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen