Menu

vrijdag 26 juli 2013

Leven na leven – Kate Atkinson


Geloof het of niet; maar ik nam het manuscript van “Leven na leven” mee naar Londen, en ook dit keer bleek - zonder dat ik het wist - een deel van het verhaal zich af te spelen op de plekken waar ik mij bevond. King’s Cross, Green Park, Piccadilly Circus, Kensington. De namen uit het boek liepen dermate parallel met de namen van de metrostations waar ik langs zoefde, dat ik bijna het gevoel kreeg in een filmscript te zijn beland (“Mind the gap”). Behalve als ik uitstapte. In het boek ligt Londen in puin vanwege de bombardementen tijdens WO II: “… Ze had de hele middag rondgesnuffeld in Oxford Street en Regent Street om maar iets te doen te hebben – eigenlijk om uit de kloostercel van haar zit-slaapkamer te komen. Alle winkels waren duister en desolaat. Petroleumlampen bij Swann en Edgar’s, kaarsen bij Delfridge’s – de afgetobde, schimmige gezichten van mensen als iets uit een schilderij van Goya. Er was niets te koop…”. Dat ziet er inmiddels anders uit, kan ik je verzekeren. Ik ben even Waterstone’s binnengelopen om te kijken hoe het boek er in het Engels uitziet (“Life After Life”: een pil van ruim 500 blz./ harde kaft / mooie voorkant met daarop een klein meisje) en er even aan te snuffelen (niks ruikt lekkerder dan een nieuw boek, toch?!).

Beertje
Ik kende Kate Atkinson (New York, 1962) niet. Ze blijkt diverse literaire thrillers op haar naam te hebben staan, won o.a. de St. James Award, studeerde ooit Engelse literatuur – wat goed merkbaar is in het boek; de personages lezen auteurs als E.M. Foster, Joseph Conrad en Graham Greene en citeren dichters als John Donne, Robert Louis Stevenson, en Andrew Marvell -, en ging daarna les geven en voor vrouwenbladen schrijven. Momenteel woont ze in Edinburgh.
“Leven na leven” is geen thriller, maar een monumentale familieroman, met als hoofdpersoon Ursula Todd – door haar vader steevast ‘beertje’ genoemd: Ursula betekent ‘berin’ - , de middelste uit een met vijf kinderen gezegend Engels bankiersgezin.
Ze wordt gevolgd van geboorte naar pensioen, dat grofweg de tijd rond de twee wereldoorlogen omvat, en zelfs wat verder: “… Ze at die avond later dan gewoonlijk omdat ze op haar pensioneringsfeestje was geweest – dat had wel iets van je eigen begrafenis bijwonen, alleen kon je na afloop weglopen…”. Ik schrijf expres niet ‘van geboorte naar graf’, want het vreemde aan dit verhaal is dat Ursula voortdurend met één dan wel twee benen in het graf staat. Er is iets heel raars met de tijd aan de hand. Het leven van Ursula begint namelijk telkens opnieuw omdat ze op allerlei manieren de dood – herhaaldelijk aangeduid als een ‘zwarte vleermuis’ die zijn vleugels om haar heen slaat - vindt: bij haar geboorte stikt ze omdat de navelstreng om haar nekje is gewikkeld, ze verdrinkt in zee, ze valt uit een dakraam, ze overlijdt aan de Spaanse griep, ze raakt vergast, ze wordt doodgeslagen door haar man, ze komt om tijdens een bombardement. Maar steeds krijgt ze een nieuwe kans omdat ze wordt herboren en gaan de dingen in haar nieuwe leven net even anders waardoor het – deze keer – beter gaat.

Stel dat…
Kate Atkinson speelt met haar karakters en laat alle mogelijkheden zien die voor een schrijver open staan. De herhalingen blijven fascineren. Het deed me heel erg denken aan de film “Groundhog Day” waarin de reporter Phil Connors gevangen zit in een tijdlus en steeds op dezelfde dag wakker wordt. Evenals Phil probeert Ursula vanwege haar ‘voorkennis’ bepaalde zaken te beïnvloeden. Ze weet b.v. dat het dienstertje Bridget door haar vriendje besmet zal worden met een dodelijk griepvirus en zorgt er op allerlei manieren voor dat ze niet met hem uit kan gaan: ze duwt haar van de trap (waarvoor ze naar een psychiater wordt gestuurd die zegt dat ze déjà vu’s heeft) en in een ander leven zegt ze dat ze heeft gezien dat haar lief met een ander heeft staan zoenen zodat Bridget de verkering uitmaakt.
Het grote thema van dit boek is “stel dat”: “… ‘Vraag jij je wel eens af?’ zei Ursula. ‘Als er maar één klein dingetje anders was gelopen, in het verleden, bedoel ik. Als Hitler bij zijn geboorte was overleden, of als iemand hem als baby had ontvoerd en hem had opgevoed in – ik weet niet, laten we zeggen een gezin van quakers – dan zou alles toch heel anders zijn. ‘Denk je dat quakers een baby zouden ontvoeren?’ vroeg Ralph zachtmoedig. ‘Nou, als ze wisten wat er zou gaan gebeuren misschien wel.’ ‘Maar niemand weet wat er gaat gebeuren. En bovendien was hij misschien precies hetzelfde geworden, met of zonder quakers. Misschien zou je hem moeten doden in plaats van ontvoeren. Zou je dat kunnen? Zou je een baby kunnen doden? Met een geweer? Of als je geen geweer had met je blote handen? In koelen bloede?’ Als ik geloofde dat ik Teddy ermee zou kunnen redden, dacht Ursula. Niet alleen Teddy natuurlijk, ook de rest van de wereld…”. Ze schiet Hitler nog echt dood ook, als ze hem in één van haar alternatieve levens leert kennen via Eva Braun, met wie ze vriendin wordt. Tussen de verhalen door komen allerlei filosofische discussies aan de orde over hoe grote denkers als Heraclitus, Boeddha en Nietszche zich het fenomeen tijd voorstelden.

Over het ergste zwijg je
Je kunt het zo gek niet bedenken; of Ursula heeft het meegemaakt. Ze wordt in het ene leven alleen gekust, maar in het andere verkracht. Ze heeft een openlijke en geheime minnaar. Ze is gelukkig en in een andere versie ongelukkig getrouwd. Ze ondergaat een illegale abortus en krijgt een kind en is kinderloos.
Het indrukwekkendste gedeelte is zondermeer de beschrijving van haar leven als lid van een reddingsploeg die mensen helpt tijdens de luchtaanvallen in Londen (WO II). Ongelooflijk sterk beschrijft Atkinson hoe de stad verandert in een hel. Over het ergste zwijg je: “… Ursula vertelde niet over een incident waarbij ze was geroepen, een getroffen huis waarvan de bewoners kippen hadden gehouden in een provisorische ren in de achtertuin en dat ze de kippen daar had aangetroffen, bijna allemaal nog in leven, maar beroofd van al hun veren, die waren weggeblazen. ‘Geplukt en wel,’ had meneer Bullock gevoelloos gelachen. Ursula had mensen gezien van wie de kleren waren weggeblazen en bomen die midden in de zomer van al hun bladeren waren ontdaan, maar daar had ze het evenmin over. Ze vertelde niet dat ze door rioolwater uit kapotte buizen had gewaad en al helemaal niet dat er mensen in datzelfde rioolwater waren verdronken. Ze zei ook niets over de gruwelijke gewaarwording om je hand op de borst van een man te leggen en te merken dat je hand op de een of andere manier ín die borst was gegleden. (Dood – iets om dankbaar voor te zijn, veronderstelde ze.)…”. Hoe ze redden wat er te redden valt, tot ze bijna omvallen van vermoeidheid. De gruwelijke details: “… Een brancarddrager, die nog geen levende slachtoffers had gevonden, raapte ledematen op: armen en benen die uit het puin staken. Hij zag eruit alsof hij van plan was de doden later weer in elkaar te zetten. Deed iemand dat, vroeg Ursula zich af. In de lijkenhuizen, probeerden ze de mensen daar weer als macabere legpuzzels samen te voegen? Sommige mensen waren natuurlijk niet meer opnieuw te formeren: twee mannen van het reddingsteam waren brokken vlees bij elkaar aan het harken en in manden aan het scheppen, een ander schrobde iets met een bezem van een muur…”.
Ze zegt dat haar zachte hart wordt ‘uitgekristalliseerd’: “… Het was een goede vuistregel dat iemand minder snel zou overlijden naarmate hij meer herrie maakte. Dit specifieke slachtoffer klonk alsof ze bereid was zich in haar eentje uit de ravage van het huis te vechten en een rondje om Kensington Gardens te rennen…”. Maar ook de bijna onaardse goedheid waartoe mensen in staat zijn: “… Meneer Emslie zei nu nog dringerder: ‘Toe nou, Susie, toe nou, kindje, blijf wakker, goed zo.’ ‘Ze heet echt Renee,’ zei Ursula, ‘ook al ontkent ze het.’ ‘Ik noem hen allemaal Susie,’ zei meneer Emslie zachtjes. ‘Ik heb een dochtertje gehad dat zo heette…”.

Een grapje is iets heel serieus
Heel het boek ademt een onderkoelde, niet al te betrokken, ironische ondertoon: de beruchte Engelse humor als je het mij vraagt. Je houdt er van of niet. Knap, hoe de vertaalster, Inge Kok, dat tot zijn recht laat komen.
Als er in huis over het ‘zesde zintuig’ van Ursula wordt gepraat, gaat dat zo:
“… Mevrouw Glover snoof afkeurend tijdens haar worsteling met de plumpudding. Zij vond vijf zintuigen al te veel, laat staan dat je er nog een aan zou toevoegen…”, over Ursula’s eerste kus: “… ‘Kus’ leek een te hoofs woord voor wat Howie deed. Hij stak zijn enorme tong, als een os, tegen het valhek van haar tanden en ze besefte stomverbaasd dat hij verwachtte dat ze haar mond opendeed en de tong binnenliet. Dan zou ze beslist stikken. Mevrouw Glovers tongpers in de keuken kwam onwillekeurig in haar op…”, even verder: “… Het leek een hele prestatie om op je zesteinde verjaardag te worden gezoend, en dan nog wel op zo’n onverwachte manier. Hierdoor passeerde ze beslist de triomfpoort die naar een bestaan als volwassen vrouw voerde. Als het Benjamin Cole was geweest, had ze niets meer te wensen gehad!...”, en jaren later: “… ‘Hij heeft me op mijn zestiende verjaardag geprobeerd te zoenen.’ ‘De schoft!’ Pamela lachte. ‘Dat heb je me nooit verteld.’ ‘Niet echt wat je van een eerste zoen verlangt. Eerder een rugbytackle. Hij was een beetje een hork’…”, over mensen die zeuren over hun eindeloze ziektetjes: “… Hun organen hadden kennelijk meer karakter dan hun eigenaar…”, tegen haar moeder die het de hoogste roeping vindt voor een vrouw om moeder en echtgenote te zijn: “… U wilt me laten sloven boven een warm fornuis in plaats van een bunsenbrander?...”, en tegen haar zus: “… ‘Waarom is het zo stil, wat heb je met de jongens gedaan?’ ‘Verkocht,’ zei Pamela, die opleefde. ‘Drie voor de prijs van twee’…”. Het wemelt van zinnen als: “… Haar uniform was zo gesteven dat het uitstekend zou blijven staan als zij er niet in had gezeten…”, “ … Ursula ging ervan uit dat als Izzie zonder schrammetje tijdens de hele oorlog had kunnen rijden, ze het eind van de Victoria Embankment waarschijnlijk ook wel zou halen zonder te verongelukken…”, “… ‘Carpe Diem’, zei Hugh en Sylvie zei: ‘Jij hebt nooit veel geplukt’…”. Ik heb wel eens gelezen dat Engelsen hun mening in grapjes verpakken omdat ze het moeilijk vinden rechtstreeks en direct te zijn zoals wij. Winston Churchill zei ooit: “Een grapje is iets heel serieus”.

Af
“Leven na leven” bevat een vuurwerk aan verhaallijnen die ook nog eens qua tijd alle kanten opspatten. Het opmerkelijke is dat het daardoor niet verandert in een literaire chaos. Nergens loopt het uit de hand. Dit boek is ‘af’; op een manier zoals verbeeld in het symbool van de ourobos, de slang van de tijd die zijn eigen staart verzwelgt. Alles wat was komt steeds weer terug, in een eindeloos refrein van gedeeltelijke herkenbaarheid. Zelfs als Ursula in haar zwartste momenten op de stoep staat bij haar lichtzinnige tante Izzie: “… ‘Ik heb geen geld, en ik geloof dat ik een baby krijg’… ‘Mijn man heeft geprobeerd me te vermoorden…”, klinkt het steeds: “… Dan zou ik maar binnenkomen…” (“… Izzie is Izzie; dat klinkt als een zwerm bijen…”). Misschien is dat het.
Alle tegenstellingen in de vorm van goed en kwaad, van leven en dood, van licht en duisternis, zelfs van het wat slome begin tegenover het heftige einde, heffen elkaar op in een bijna volmaakt evenwicht. Yin en Yang. De eenheid van alles. Dit boek is zichzelf genoeg. Kate Atkinson brengt het allemaal bijna luchthartig; maar wát een razend knappe prestatie…

Trailer: http://www.youtube.com/watch?v=tUyBH834su8

Uitgave: Atlas Contact - 2013, 480 blz., ISBN 978 902 544 370 2, €15,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen