Menu

dinsdag 13 januari 2026

De zondebok – René Girard

 


In “Het uur van de wolven”, zie mijn vorige blog, schrijft Giuliano da Empoli dat hij vreest dat Zelensky ooit het lot van de ‘zondebok’ zal ondergaan: “… Als de chaos een zeker niveau overstijgt, is de orde alleen nog te herstellen door een zondebok te vinden. En de leider, wie het ook is, is altijd een zondebok in spe. Tolstoj vergelijkt hem met ‘een ram die is vetgemest voor de slacht’. Vetgemest door triomfen, de volgzaamheid van zijn onderdanen, door de macht en de fortuin, om dan plotseling te worden geveld door dezelfde krachten die hem hebben verheven. Ik zou willen dat Zelensky dat lot kan ontlopen. Maar de wetten van de politiek dulden maar heel weinig uitzonderingen…”. Ik zag op YouTube een ongewoon inspirerend video-interview van filmmaker Gertjan Duijm met filosoof Joachim Duyndam over het werk van de antropoloog en literatuurwetenschapper René Girard (1923 – 2015), die veel over het zondebokprincipe heeft geschreven – zie hier. Gertjan en zijn collega Florian Groeneveld zijn het documentaireproject 'ZINcentraal' begonnen als reactie op de hedendaagse zingevingscrisis. Een bevlogen initiatief in een tijd waarin de innerlijke leegte pijnlijk zichtbaar wordt, en ik daarom hierbij van harte aanbeveel. Evenals Gertjan heb ik “De zondebok” gelezen, een vrij ingewikkeld boek, vooral ook omdat het uit 1982 stamt, een periode waarin de tijdgeest heel anders was dan nu. Girard geeft er bijvoorbeeld blijk van hard te zijn aangevallen omdat hij in zijn werk het christendom erbij haalt, wat destijds schijnbaar een taboe was onder intellectuelen. Inmiddels is de Bijbel weer booming. Het is absoluut de moeite waard om “De zondebok” uit de mottenballen te halen en grondig te bestuderen, vooral omdat het ‘zondebokmechanisme’ inmiddels zijn duizenden verslaat op sociale media, waar je om het minste of geringste figuurlijk wordt afgemaakt. Wij leven in een ‘cancelcultuur’. Onzekere pubers, voor wie groepsacceptatie zo ongeveer van levensbelang is, worstelen er tot ziekmakend toe mee. Mannen moeten het (vaak onterecht) ontgelden. Hoog tijd om te onderzoeken wat Girard te melden heeft.

 

Begeerte

Lang verhaal kort: Girards visie komt erop neer dat mensen altijd en overal de neiging vertonen geweld tegen elkaar in te zetten, omdat zij dezelfde dingen begeren. Daarvoor gebruikt Girard het woord ‘mimesis’ (nabootsing). Je wilt altijd wat de ander ook wil, zodat overal waar mensen samenleven onvermijdelijk afgunst en strijd ontstaan. Omdat je elkaar niet permanent in de haren kunt vliegen, richt het geweld zich op iemand die buiten de groep wordt geplaatst. De ‘zondebok’: zijn tweede begrip. Dat kan nog verder gaan. Een zondebok wordt soms een sacraal wezen omdat hij/zij/het uiteindelijk een belangrijke functie in de samenleving vervult (Socrates, Antigone). Zo ontstaan religies. Zie Jezus: de ultieme zondebok. De rest van Girards werk is een illustratie bij voornoemd grondpatroon dat hij overal ziet opduiken: in mythen, de wereldliteratuur, de heilige boeken van de mensheid. Onbewust zijn wij ontiegelijke na-apers. Zo ‘leren’ wij. Iedereen heeft tegenwoordig de mond vol over ‘authenticiteit’, maar als we iets niet en nooit zijn, is het wel dát. Wij functioneren bij de gratie van onze spiegelneuronen. Neem don Quichotte die de idealen nabootst die hij uit de ridderromans kent. Neem madame Bovary die in haar buitenhuwelijkse relatie de liefde tracht te beleven die zij in verhalen beschreven heeft gezien. Neem de vreemde hamsterwoede die in de coronaperiode ontstond inzake toiletpapier. Neem de lieve kindertjes die elkaar krijsend van woede de haren uit de kop trekken om een poppetje dat de volgende dag ergens vergeten in een hoek ligt. Neem de totaal uit de hand gelopen nieuwjaarsrellen waarbij het blinde geweld zich richtte op de politie als kop van jut. Zelfs in het dierenrijk komt de zondebok voor. In een prachtige podcast van Radio Horzelnest (24.03.21) vertelt filosoof Martine Berenpas hoe ruziënde ganzen pikken naar een onschuldige soortgenoot die toevallig voorbij waggelt. Toen ik erover zat te reflecteren concludeerde ik: verroest, ik schrijf deze blog ook omdat ik ooit anderen ben gaan imiteren. Op een zondagmiddag struinde ik door wat boekensites en dacht bij mezelf: dat kan ik ook wel…

 

Verblinding

Girard begint zijn studie met de bespreking van het gedicht “Jugement du Roy de Navarre” van de veertiende-eeuwse dichter Guillaume de Machaut. Guillaume geeft een verwarde opsomming van rampzalige gebeurtenissen waardoor hij zich in huis heeft opgesloten om gelaten de dood af te wachten. De wereld gaat gebukt onder godsoordelen. Er zijn tekenen aan de hemel. Het regent stenen die de levenden vermorzelen. Hele steden worden verwoest door de bliksem. De mensen sterven bij bosjes. Hoe dan? Wel de boosaardige Joden en hun handlangers hebben de rivieren en daarmee de drinkwatervoorziening vergiftigd. De bevolking heeft de onverlaten afgeslacht maar de mensen blijven maar doodgaan. In grote getalen. Tot Guillaume op een mooie lentedag gelach en muziek op straat hoort, en de beproeving voorbij lijkt te zijn. Hoogstwaarschijnlijk refereert het verhaal aan de beruchte ‘zwarte pest’ die in 1349 en 1350 het noorden van Frankrijk teisterde. De bevolking en ook Guillaume zijn zo bang dat ze weigeren het beest bij de naam te noemen. Om zijn angst te verdoezelen gebruikt Guillaume in plaats van het woord ‘pest’ het ‘wetenschappelijke’ aandoende eufemisme ‘epidemie’. Girard heeft het over ‘verbaal exorcisme’. Een ‘taalkundig’ (en tamelijk onschuldig) offer: om jezelf wijs te maken dat je de zaak onder controle hebt, geef je de verschijnselen die je tegen staan een andere naam. Deze ‘verblinding’ en ‘wanhopige wil het klaarblijkelijke te ontkennen’ bevordert de jacht op de ‘zondebok’ alleen maar. Girard benadrukt verder het feit dat Guillaume een veelheid van rampen niet met elkaar in verband brengt. Hij beschrijft ze een beetje zoals de tien plagen van Egypte. Wat hem ontbeert is een helicopterview. Hij lijkt niet in te zien dat het één met het ander te maken heeft en onder één noemer samenvalt: de pest (zie de vele crisissen in ons land, die elkaar in de hand werken). Het punt van Girard: Guillaume de Machaut heeft niet in de gaten dat de Joden als ‘zondebok’ fungeren. Wij wél.

 

De schuldigen

Girard zet een aantal opvallende kenmerken van het ‘vervolgingsverhaal’ op een rijtje. Ten eerste: pogroms en heksenjachten spelen zich voornamelijk af in tijden van sociale crises (epidemieën, hongersnood, politieke moeilijkheden, kerkelijke twisten). Dus als de normale instituties zijn verzwakt. Als het sociale leven ontwricht raakt. Als er geen leiderschap meer is. Als er een snelle ‘wederkerigheid’ van negatief gedrag optreedt: schelden, geweld. Hoe minder gezag, des te meer conflicten. Iemand moet de schuld krijgen van deze culturele ontbinding. Hetzij de maatschappij als geheel (wat tot niets verplicht), hetzij een voor de hand liggende minderheid. Ten tweede: de stereotype beschuldigingen gaan meestal over a) misdrijven tegen autoriteiten of juist tegen de zwaksten en minst weerbaren, b) seksuele misdrijven en c) religieuze misdrijven. De zogenaamd ‘duivelse’ boosdoeners houden zich negen van de tien keer bezig met rituele kindermoord, incest, heiligschennis, enzovoorts. De massa neigt tot vervolging. Zoekt per definitie een uitlaatklep om haar zucht naar geweld te bevredigen. Roept om actie. Hoe dan ook. Ten derde: het slachtoffer moet tot een bepaalde categorie behoren die in het bijzonder aan vervolging bloot staat. In vrijwel elke maatschappij zijn dat de etnische of religieuze minderheden. De christenen in moslimlanden. De ‘asielzoekers’. De ‘buitenlanders’. Er bestaan dus algemene kenmerken voor het kiezen van slachtoffers. Ook lichamelijke gebreken dan wel uitzonderlijk gedrag kunnen de aandacht trekken. Alles wat afwijkt, alles wat abnormaal is, is een trigger. Vandaar de racistische karikaturen. Niet alleen de buitenstaanders en misdeelden zijn de klos. Evenzo de buitengewoon bevoorrechten en machtigen: “… Uiteindelijk trekken alle extreme eigenschappen van tijd tot tijd collectieve uitbarstingen aan, niet alleen buitengewone rijkdom en armoede, maar ook andere extremen van succes en mislukking, schoonheid en lelijkheid, deugd en ondeugd, de kunst te behagen of te ergeren, de zwakte van vrouwen, kinderen en grijsaards, maar ook de kracht van de sterksten die zwakte wordt tegenover de numerieke overmacht. Met grote regelmaat keren de massa’s zich tegen hen die aanvankelijk een buitengewone greep op hen hadden…”. Niet de grote verschillen worden als bedreigend ervaren, maar juist het kleiner worden en verdwijnen van de verschillen, aldus Girard (‘omvolking’). De ‘ander’ komt te dichtbij. Zie de moeite die bijvoorbeeld de SGP en behoudende kerken hebben met de emancipatie van vrouwen. Ten vierde: uiteindelijk escaleert de boel natuurlijk in het geweld ‘an sich’. Wat volgt is de letterlijke dan wel figuurlijke lynchpartij.

 

Monsters

Girard: “… Hoe meer een mens slachtofferkenmerken bezit, des te grotere kans loopt hij de banbliksem naar zich toe te trekken…”. Zie Oedipus die zijn vader heeft gedood en zijn moeder gehuwd. Bovendien is hij kreupel, later blind, een vreemdeling en bedelaar en tegelijk een almachtig vorst. In de wereld van de mythen bestaan nog geen Joden of mensen van kleur. Daarentegen wemelt het er van de éénogigen, éénarmigen en andere mensen met een beperking. Fysieke en morele ‘vreemdheid’ komen samen in ‘monsters’ die de vervolging rechtvaardigt. Bij de dragers van slachtofferkenmerken is het alsof de grens tussen het dierlijke en menselijke vervaagt. Dat maakt hen tot schietschijven van de meerderheid. Zie de Minotaurus: half dier, half mens. Mirciade Eliade over de personages in de Griekse mythologie: “… Zij onderscheiden zich (deze helden) door hun ‘kracht’ en hun ‘schoonheid’, maar ook door ‘monsterachtige trekken’ (‘reusachtige gestalten’ – Heracles, Achilles, Orestes, Pelops – maar ook door een gestalte ‘ver beneden de middelmaat’), zij zijn ‘diervormig’ (bijv. Lyakon ‘de wolf’) of in staat zich ‘in dieren te veranderen’. Ze zijn ‘androgyn’ (Kekrops), ‘transsexueel’ (Teiresias) of ze ‘verkleden zich als vrouwen (Herakles). Voorts worden de helden gekenmerkt door tal van ‘anomalieën’ (‘hoofdloos’ of ‘veelkoppig’; Herakles is voorzien van ‘drie rijen tanden’); ze zijn ‘kreupel’, ‘éénogig’ of ‘blind’. Dikwijls vallen de helden ten offer aan ‘waanzin’ (Orestes, Bellerophon, zelfs de buitengewone Herakles, als hij ‘de zonen slacht’ die Megara hem heeft gebaard). Hun ‘sexuele gedrag’ is ‘excessief of afwijkend’: Herakles ‘bevrucht in één nacht de vijftig dochters van Thespios’; Theseus is vermaard om ‘talrijke verkrachtingen’ (Helena. Ariadne enz.), Achillus ‘schaakt Stratonice’. De helden bedrijven ‘incest met hun dochters of hun moeders’ en ‘moorden’ uit jaloezie, uit woede, of dikwijls zonder enige reden; ‘zij maken hun moeders of bloedverwanten af’…”.

 

Gewonde genezer

Volgens Girard is het mythische monster een masker waarachter een slachtoffer zit. Moderne vervolgers aanbidden hun slachtoffers niet. Haten ze alleen maar. In de mythen is het monster dan wel het slachtoffer het voorwerp van een cultus. Alleen in de mythen, en uitsluitend in de mythen, herstelt het slachtoffer de orde. Een paradox die karakteristiek is voor de mythen. De overtreder verandert in hersteller. De grootste boosdoener verandert in steunpilaar van de sociale orde. Omdat hij verantwoordelijk is voor de ziekte, is hij dat ook voor de genezing. Voorbij een zekere geloofsintensiteit verschijnt de zondebok niet slechts als een passieve vergaarbak van kwade machten, maar als een almachtige manipulator die door middel van het kwaad, het goede bewerkstelligt (Antigone, Socrates). De vervolgers kunnen de verzoening immers niet aan eigen verdienste toeschrijven. Deze ‘omkering’ brengt het ‘heilige’ voort: de wezenlijke dimensie van de mythen. Deze ‘gedaanteverwisseling’ is voor ons moeilijk te begrijpen omdat het ‘sacrale’ nagenoeg uit de westerse samenleving is verdwenen. “… Achter de genezende goden gaan altijd slachtoffers schuil en de slachtoffers hebben altijd iets geneeskrachtigs…”, volgens Girard. Ik bedacht dat wij anders wel het fenomeen van de ‘gewonde genezer’ kennen.

 

Wie is jouw zondebok?

Girard vraagt zich af of wij ondertussen niet ‘meesters zijn geworden op het gebied van het onthullen van zondebokken van anderen’ (en in zijn tijd bestonden de sociale media nog niet eens…). Nooit ontdekken wij de zondebokken van onszelf. En, rechtsreeks tegen de ‘huichelachtige lezer, mijn gelijke, mijn broeder’: “… Laat iedereen zich afvragen hoe het met hemzelf is gesteld als het over zondebokken gaat…”.  Even verder: “… Wij hebben stuk voor stuk legitieme vijandschappen. En toch wemelt de hele wereld van zondebokken. De vervolgingswaan woedt meer dan ooit, weliswaar niet altijd zo tragisch als ten tijde van Guillame de Machaut, maar des te geniepiger…”. Het magische denken is voor het grootste gedeelte een beschuldigingssysteem: “… Het is altijd de ander die de rol van tovenaar speelt en die op bovennatuurlijke wijze werkt om aan zijn naaste kwaad te berokkenen…”. Het is dezelfde reden als gewoonlijk, of je het nu ‘bijgeloof’ of ‘intolerantie’ noemt.

 

Heiligen

Ook de heiligen zijn zondebokken. Girard schrijft fascinerend over de ‘pestheilige’ Sint Sebastiaan, die de goddelijke stralen van de zon, die de pest veroorzaken, als pijlen opvangt. Uit verslagen blijkt dat de Azteken permanent in oorlog waren, niet vanwege gebiedsuitbreiding, maar om slachtoffers te verwerven die nodig waren voor hun talloze offerrituelen, die het opkomen van de zon en maan garandeerden. Het gaat over ‘vrijwillig slachtofferschap’, over ‘vrijheid die identiek is aan de wil van de goden’, waardoor je ‘jezelf uitspuugt’, wat neerkomt op een ‘mimetische samenwerking tussen slachtoffers en hun beulen’. Oftewel: zelfhaat. Zie bijvoorbeeld de heksen die, overtuigd van zonden, soms vrijwillig de brandstapel op gingen. Zie de categorie onderdanige vrouwen die op allerlei manieren over zich heen laten lopen omdat mannen ze wijsmaken dat ‘God het wil’. Van ‘de vrouw aan het aanrecht’ tot ‘de vrouw in boerka’. Ik zat erover na te denken hoe vreemd het eigenlijk is dat sommige extreem orthodoxe kringen het zwelgen in religieuze zelfhaat stimuleren – zie Maarten ’t Hart en zijn vaak aangehaalde quote: ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ – maar zelfmoord als een grote zonde zien (als je zover bent dat suïcide in het vizier komt, wordt Jezus als plaatsvervangende optie naar voren gehaald – niet eerder). Terwijl Christus in de Bergrede haat toch gelijkstelt aan moord.

 

Transformaties

“… De mythologie is een spel van gedaanteveranderingen…”, aldus Girard. Mythen zijn volgens hem ‘trucages’ om de collectieve moord op een slachtoffer te verhullen of een andere betekenis te geven. “… Niets is geschikter voor het wakker roepen van vermoedens dan de elementen van onschuld die op bizarre wijze op het hoofd van de ware schuldige worden gestapeld…”. Zie bijvoorbeeld de eigenaardige posters tegen seksuele intimidatie bij een Duits zwembad waar immigrantenjongeren de boel verzieken en het leger in Engeland waar twee-derde van de vrouwen last heeft van onacceptabel gedrag. “… Het is altijd het verlangen goed te veinzen dat de veinzerij onthult…”. Girard analyseert onder andere de mythe van Balder (zie: “Ragnarök” van A.S. Byatt) waar de collectieve moord voorgesteld wordt als een onschuldig spel: “… het is de schuld van Loki, zeker het is altijd de schuld van Loki, als de schijnmoord op Balder, het kinderspelletje van die brave Asen, per saldo dezelfde gevolgen heeft als wanneer het om werkelijke moord zou gaan…”. Loki wordt de enige vergaarbak van het geweld, dat voorheen gelijkelijk verdeeld was over de bende vulgaire moordenaars: “… De reputatie van Loki wordt dus opgeofferd voor de rehabilitatie van alle andere goden…”. Bij de moord op Lisa ging het precies andersom. Daar werd de moord door één dader álle mannen aangewreven. Een dame stelde zelfs een avondklok voor de heren voor. Vrouwen eisen de nacht op, terwijl er in werkelijkheid veel meer jongens in het nachtleven omkomen dan meiden.

 

Dubbelheid

Ik citeer de Girard Studiekring omdat ik het niet beter kan verwoorden: “… Enerzijds was de zondebok een beklagenswaardig en veracht persoon, anderzijds viel hem vaak een haast religieuze verering ten deel. In het denken van Girard zijn alle Griekse goden als uitgedreven zondebokken te beschouwen. Dit verklaart hun 'dubbelheid', waardoor ze enerzijds heil brengen, anderzijds wandaden hebben bedreven. Ze trouwen met hun zuster, slapen met hun moeder, vermoorden hun vader, eten hun kinderen op etc. Dergelijke beschuldigingen in archaïsche religies zijn stereotiep voor zondebokken. Men begrijpt niet hoe er na de crisis weer vrede is gekomen. Om het eigen aandeel in het collectieve geweld niet onder ogen te hoeven zien, wordt dit wonder aan een god toegeschreven. En om de uitdrijving te rechtvaardigen wordt een verhaal geconstrueerd (een mythe) over de verdorvenheid van de zondebok…”. Hoe ging men met het schandaal om van de collectieve moord? Gewelddadigheid is besmettelijk. Als tegenwicht werden er tijdens religieuze riten minstens even gewelddadige offers gebracht, die evenwel legitiem en heilig waren.

 

Modellen van moraal

Omdat men de criminele trekjes van de goden c.q. slachtoffers niet pruimde, werden ze gaandeweg uitgewist, tot men ‘modellen van moraal’ overhield: goden die via bagatellisering en verdringing waren gezuiverd van elk gebrek. Alleen het weldadige aspect bleef over. Zie de volmaakte Balder. Er bestaat een veelheid aan tussenliggende gradaties die de goddelijke schuldigheid reduceren zonder deze terug te werpen op de gewelddadige gemeenschap en vooral zonder te onthullen wat beslist verhuld moet blijven: het zondebokmechanisme. Zie de held die zijn misdaden niet opzettelijk heeft gepleegd: Oedipus of de blinde Hod die Balder vermoordde. Zie de goden die bedwelmd worden door een giftige drank of een bijensteek waardoor ze niet meer weten wat ze doen. Zie Zeus die zich in een zwaan verandert om de minnaar van Leda te worden: een verfraaiing van sodomie? Zie de ‘trickster’ die orde schept door de orde te verstoren (soms drijft hij de gekheid zo ver, dat hij de gevolgen niet meer in de hand heeft). Zie de toornige god die zo liefheeft dat hij in woede uitbarst. Uiteindelijk wordt de godheid opgesplitst in een volledig goede held en een volledig slecht monster dat de gemeenschap teistert. Zie de duidelijk geëvolueerde verhalen en legendes over Oedipus en de sfinx, St. Joris en de draak, de waterslang uit de arawak-mythe en de bevrijder die hem doodt.

 

De stichtingsmoord

Girard wijst op de verhalen over de moord op stichters van steden en religies. Elke gemeenschap lijkt zich te funderen en te ordenen vanuit een gewelddaad. Er doen zelfs Joodse legenden de ronde dat Mozes zou zijn vermoord. Neem de geschiedenis van Willem van Oranje. Of van  Romules en Remus. De mythe over de beide (tweeling)broers is altijd gelijk: er is een conflict omdat er wedijver, concurrentie, rivaliteit is. Eteocles en Polynices. Kaïn en Abel. Isaak en Ismaël (zie “Mozes, Messias, Mohammed” van Willem Ouweneel). Jakob en Ezau (zie “Israël en de hiel van Ezau” van Willem Ouweneel). Massa’s kunnen bezeten worden door een moorddadige razernij. De Grieken kennen de dionysische ‘diasparogmos’, waarbij in een roes het lichaam van een mens of een dier uiteen wordt gereten. Anya Niewierra in “De Camino” aan de hand van een zwerm spreeuwen over een oorlogsmisdadiger: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren…”.

 

Vervolgingsteksten versus slachtofferteksten

Nergens treedt het zondebokmechanisme zo duidelijk aan het licht als in het Bijbelse lijdensverhaal. De evangeliën draaien om het lijden van Christus, dus om hetzelfde drama als alle mythologieën van de wereld. Alleen worden de mythes verteld vanuit het perspectief van de vervolgers, en het evangelie vanuit het perspectief van een slachtoffer. Dat maakt de evangelisten in theologisch opzicht tot grote vernieuwers. Zie Johannes 15:25: ‘Zij hebben mij zonder reden gehaat’ wat correleert met Psalm 35:19. En Lucas 22:37 c.q. Marcus 15:28: ‘Men heeft hem gerekend tot de misdadigers’ wat correleert met Jesaja 51. Het gaat in de Bijbel ook nog eens om stereotiepe beschuldigingen. Neem de ongelukkige Jozef die door de Egyptenaren gevangen wordt gezet op grond van de praatjes van een plaatselijke Venus die volledig aan haar prooi is verknocht. Neem de boetepsalmen waarin de slachtoffers hun stem verheffen. Pilatus, die na de ondervraging van Jezus tot de conclusie komt dat hij ‘geen schuld ziet in deze mens’, is uiteindelijk niet opgewassen tegen de mimetische aantrekking van de massa. Zie Handelingen 4:25-48 over het ‘geraas van de naties’ oftewel ‘de opwinding van het volk’. De zin die de verblinding van de vervolger definieert staat in het hart van het lijdensverhaal: “… Vader vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen…” (Lucas 23:34). Volgens Girard gaat het hier om de eerste definitie van het onbewuste in de menselijke geschiedenis. 

 

Het Lam Gods

Hogepriester Kajafas besluit tijdens de raadsvergadering over de openlijke crisis als gevolg van de te grote populariteit van Jezus, dat ‘het beter is dat één mens sterft voor het volk dan dat het hele volk ten gronde gaat’ (Joh. 11:47-53). Het gaat slechts om een voorbijgaande vorm van een veel grotere crisis, die uitloopt op de totale verwoesting van de Joodse staat minder dan een halve eeuw later. De zondebok is het ‘Lam Gods’. Hij is de door de bouwlieden verworpen steen die ooit de hoeksteen zal worden. Zie Jezus’ verwijzing naar het ‘teken van Jona’ (Matt. 12:38-42). Tijdens een storm wijst het noodlot Jona aan als het slachtoffer dat de zeelieden overboord werpen om hun in nood verkerende boot te redden. Hij is degene die lijdt voor alle anderen. De Evangeliën zeggen dat Jezus dezelfde plaats inneemt als alle slachtoffers in verleden, heden en toekomst.

 

Johannes de Doper

In de Evangeliën komt een tweede voorbeeld van collectieve moord voor: die van Johannes de Doper. Het verhaal begint, zoals veel mythen, met twee vijandige broers. Herodus heeft zijn broer diens vrouw, Herodias, ontfutseld: zie ‘de mimetische begeerte’. De profeet waarschuwt Herodus voor de noodlottige gevolgen van de mimetische begeerte. Dat kost hem zijn vrijheid. Herodus’ dochter, door de historicus Flavius Josephus Salomé genoemd, mag als exorbitante beloning voor haar weergaloze dansact op een feest, vragen wat ze wil. “… Salomé heeft geen verlangen om uit te spreken. De mens heeft geen verlangen van zichzelf, de mensen zijn vreemd aan hun verlangens. De kinderen weten niet wat ze moeten verlangen en hebben het nodig dat men het hun bijbrengt…”. Salomé is zeker niet de wulpse vamp uit diverse legendes, gezien het verkleinwoord ‘koraison’ (klein meisje). Dat de begeerte van haar moeder de hare is geworden blijkt wel uit de woorden dat ze zich ‘direct’ terug haast naar de koning om ‘onmiddellijk’ het hoofd van Johannes de Doper op te eisen. Ook nog op een schaal. Is ze bang dat de koning, eenmaal ontnuchterd, terugkomt op zijn belofte?

 

Besmetting

“… De imitatie is nog bezetener dan het origineel…”. Het gaat als het ware om een ‘besmetting’. Johannes de Doper is voor Herodias een ‘aanstoot’ omdat hij de waarheid zegt. De waarheid is ‘een steen des aanstoots’. “… De aanstoot en de dans zijn elkaar tegenovergestelde. De aanstoot is alles wat ons verhindert te dansen…”. Iedereen heeft zijn obstakel: “… wij zijn allen als Herodias geobsedeerd door de een of andere Johannes de Doper…”. Johannes de Doper wordt de aanstoot voor Herodias, dan van Salomé, en door haar dans draagt ze die tenslotte over op alle toeschouwers. “… Ze verzamelt alle begeerten en maakt er een bundel van die zij richt op het slachtoffer dat Herodias voor haar heeft uitgekozen. Er is vooral de onontwarbare knoop van de begeerten en opdat die aan het einde van de dans uiteenvalt is het nodig dat het slachtoffer sterft dat er kortstondig de incarnatie van is…”. Als een soort ‘catharsis’. De disgenoten zijn betoverd door Salomé. De hartstocht van Salomé is de hunne geworden. Girard wijst op het feit dat Salomé de woorden van haar moeder letterlijk neemt. ‘Om iemands hoofd vragen’ wordt meestal figuurlijk bedoelt: eisen dat iemand sterft. “… Zondigen door overdreven aan de letter vast te houden is slecht interpreteren…”. Is interpreteren zonder ‘weten’, ‘eng’, ‘dwangmatig immitatief’. Salomé’s optreden doet denken aan een ‘rituele offerdans’. Het verhaal heeft iets van de fascinatie die koppensnellers hebben voor het hoofd van hun tegenstanders. “… Een met drank en spijzen volgestopte massa zoekt iets buitenissigs en dat kan alleen maar een schouwspel zijn van erotiek of geweld, bij voorkeur van beide tegelijk…”. Ze zijn in trance. Voor hetzelfde geld was Salomé zélf de klos geweest (zie voornoemde ‘diasparogmos’). Zie in dit verband ook Matt. 7:6 – “… Werp uw paarlen niet voor de zwijnen; ze zouden die kunnen vertrappen om zich vervolgens tegen u te keren om u te verslinden…”. Het thema van het ‘buitensporige aanbod’ komt ook vaak voor in allerlei legendes (Faust, Don Juan). De gever wil van de ontvanger als het ware een dubbelganger van zichzelf maken. Hij is ‘bezeten van mimetische begeerte’ door de overwoekering van de ander. Er is geen ego meer over. Hij wil zich voor zijn idool opofferen als het moet. De weldoener is nooit bedacht op het verzoek dat men hem doet. De massa, in dit geval de disgenoten, levert de mimetische energie die nodig is om te doen wat hij eigenlijk niet wil. Pilatus overkomt hetzelfde. De sacralisering van het slachtoffer is te ontwaren in het feit dat Herodus later denkt dat Jezus de opgestane Johannes is. Alsof hij niet kan geloven in de definitieve dood van zijn slachtoffer.

 

De verloochening van Petrus

Girard gelooft er niets van dat Petrus Jezus verloochent omdat hij bang is voor zijn leven, zoals veel commentatoren denken. Dan zou hij de binnenplaats nooit hebben betreden. En zeker niet zo gaan staan schreeuwen. Dat Petrus zijn meester op kleinzielige wijze verraadt, is veel eerder omdat hij bij de groep rond het vuur wilde horen. Hij schaamt zich de oren van zijn kop omdat hij iets heeft met de Meester die van zijn voetstuk is gevallen. De gewezen zondebok. Zijn wij niet precies zo? Jezus wist heel goed dat als zijn triomferende messiasme zou falen, als hij niet langer de man zou zijn die de menigten meesleepte, de charismatische wonderdoener, de politieke belofte, zijn leerlingen hem zouden laten vallen als een baksteen. Zie Markus 14:66-72. Het ‘eerste en tweede hanengekraai’ was in die dagen in Jeruzalem waarschijnlijk een manier om bepaalde uren van de nacht aan te geven.     

 

De bezetene van Gerasa (ook wel Gadara)

Het is niet toevallig dat van alle gebreken van Satan de ‘afgunst’ en de ‘jaloezie’ het duidelijkst op de voorgrond treden. Girard analyseert het Bijbelverhaal over de bezetene van Gerasa, die zijn verblijfplaats heeft in de grafkelders. Een levende dode. Het gaat om een cyclische pathologie. Lucas benadrukt dat hij het over een ‘stadsmens’ heeft, wiens demon hem alleen tijdens zijn aanvallen naar de eenzaamheid sleept. De Gerasenen ketenen hun medeburger als er weer een crisis zit aan te komen, maar steeds weet hij zich uit zijn boeien te bevrijden. Hij is ontembaar. Willen de Gerasenen eigenlijk wel dat de bezetene definitief geneest? Waarom smeken ze Jezus na de genezing te verdwijnen en zich niet met hun zaken te bemoeien? Willen ze hun zondebok niet kwijt? Zorgt de incidentele mallemolen ervoor dat de lucht tijdelijk opklaart? Waarom doet de bezetene aan ‘zelfsteniging’? Is hij de overlevende van een mislukte steniging? Hij imiteert de straf die opgegeven misdadigers ondergaan met als eindresultaat de dood. Er lijkt een soort spel gaande tussen hem en zijn medeburgers. Alsof ze van elkaar ‘bezeten’ zijn: ieder als aanstoot van de ander.

 

Kuddegeest

Mattheüs heeft het heeft over twéé bezetenen. Ze versperren de weg. Ze vormen een schandaal. Bij Marcus wordt de Geraseen bezeten door een ‘legioen’ demonen. Het kwaad staat altijd aan de kant van de menigte. Er lijkt een wederzijdse band te bestaan tussen de Gerasenen en de demonen die in een kudde varkens varen. Ze storten van een steile helling in zee. Het doet denken aan een rituele terdoodbrenging, waarbij alle vervolgers tegelijk opdringen zodat de veroordeelde geen andere uitweg heeft dan de dood. Zo is niemand individueel verantwoordelijk. De daders hoeven niet bang te zijn in een eindeloze cyclus van persoonlijke wraak terecht te komen. Steniging werkt net zo. In het Bijbelverhaal is de normale verhouding omgekeerd. Het slachtoffer wordt gered, de bezeten menigte stort in het water en verdrinkt. “… De genezing van Gerasa keert het universele schema van het fundamentele geweld in alle samenlevingen van de wereld om…”. De demonen ‘onderhandelen’ met Jezus. Willen niet ‘buiten de streek’ uitgedreven worden. Azen op een ‘lokale verplaatsing’. Aangegrepen door panische angst besluiten de demonen haastig ‘zwijnen te worden’. Dat is precies wat zo ongeveer overal gebeurt (zie wat er momenteel gaande is in Iran). Deze keer is het echter voorgoed gedaan met ze. De demonen vormen het evenbeeld, het imago van de menselijke groep. Zijn er de ‘imitatio’ van. In wezen zijn de demonen en de Gerasenen identiek: “… De Gerasenen stenigen hun slachtoffers en de demonen dwingen het hunne zichzelf te stenigen, wat op hetzelfde neerkomt…”. De gezamenlijke zondebok houdt de groep bijeen. Zorgde de ‘kuddegeest’ voor de ‘val in de afgrond’, die tot het laatste biggetje toe enthousiast door allemaal werd overgenomen? Girard vertelt dat Dostojevski, die zijn roman “Boze geesten” op dit Bijbelverhaal heeft gebaseerd, schrijft over de paradoxale ‘aantrekkingskracht van de afgrond’.

 

Innerlijke verdeeldheid

Girard keerde op latere leeftijd terug naar de katholieke kerk, waarna hij veel Bijbelverhalen ging gebruiken in zijn werk. Hij wijst op de uitspraak van Jezus dat ‘geen huis (en ook geen hart) dat tegen zichzelf verdeeld is overeind kan blijven’. Zie het archetype van de twee vijandige broers aan het begin van talloze mythen. Satan is de ‘mimetische kracht’, de ‘diabolos’, de ‘door-elkaar-gooier’, de dualist die altijd verwarring en verdeeldheid schept. Ik heb Girards visie als volgt begrepen: het mimetische (wereldse) verlangen maakt dat je vroeg af laat tegen een ‘obstakel’, een ‘aanstoot’, een ‘skandalon’ dan wel een ‘zondebok’ aanloopt die zoveel conflictuele rivaliteit, afgunst, jaloezie, wraakzucht, haat en nijd oproept dat je hem/haar/het letterlijk dan wel figuurlijk een kopje kleiner maakt, zodat je weer verder kunt. Tot je het volgende ‘slachtoffer’ tegenkomt. Zie de Geraseense cyclus. “… Satan aanbidden, dat is de beheersing van de wereld nastreven…” (zie Matt. 4:8-10). Christus is het definitieve en volmaakte offer, schrijft Girard. Daarom kan Hij volgens mij ook het unieke advies geven je vijand ‘de andere wang toe te keren’ in plaats van tot vervolging over te gaan. Het is enkel de Geest van God die de innerlijke verdeeldheid voorgoed kan opheffen. Deze ‘eenheid’ is precies het geheim van het koninkrijk van God.

 

Licht in de duisternis

Ik meen dat Girards visie heel dicht in de buurt komt van “De reis van het gewaarzijn” van psycholoog Riekje Boswijk-Hummel. Je zou kunnen zeggen dat Girards werk robuuster en mannelijker is, en dat van Boswijk zweveriger en vrouwelijker. Zie verder “Het labyrint van de wereld” van Comenius. Of “Eva” van Carry van Bruggen. Boswijk ontdekt ook ‘het licht’ in zichzelf. Dat is al heel wat in een tijd van duisternis, denk ik. In het christendom is dat licht elk ego voorbij. Volgens het evangelie laat de Paracleet voor alle mensen het licht schijnen. Het bestaat allang in de wereld, maar de meeste mensen vermijden het zo lang mogelijk dat te zien, zegt Girard. We zijn niet zélf dat licht, volgens de Bijbel, we zijn slechts getuigen van het licht. Theoloog/filosoof Willem Ouweneel stelt het allemaal nog veel korter en bouter: óf je bent gericht op de wereld, óf je bent gericht op God. Meer smaken zijn er niet.

 

Uitgave: Kok Agora – 1986, vertaling Ben Hoffschulte & Roel Kaptein, 256 blz., ISBN 902 427 534 2

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

Geen opmerkingen :

Een reactie posten