Menu

dinsdag 14 juli 2015

De kolonel krijgt nooit post – Gabriel García Márquez


Vorig jaar overleed de beroemde Colombiaanse schrijver Gabriel Márquez, die de Zuid-Amerikaanse literatuur vooral op de kaart zette met zijn magisch-realistische "Honderd jaar eenzaamheid" (1967). Hij werd 87 jaar. In 1982 won hij de Nobelprijs voor de literatuur. Zelf heeft hij zijn korte roman “De kolonel krijgt nooit post” (1961) vaak als zijn meesterwerk betiteld.

Hanen slijten als je er zoveel naar kijkt

Márquez was een meester in het neerzetten van schitterende beelden. De novelle verhaalt over een niet bij name genoemde, gepensioneerde kolonel, die op een morgen in oktober wakker wordt. Een maand waarin hij zich altijd slecht voelt; alsof er “… in zijn buik zwammen en giftige lelies opkwamen…”. Zijn astmatische vrouw is er ook al niet al te best aan toe: “… Ze stelde nauwelijks meer voor dan wat wit kraakbeen om een kromme, stramme ruggengraat…”. Van het beetje koffie dat er nog in huis is maakt hij een laatste kopje en geeft dat aan zijn vrouw. Hij liegt dat hij zelf al gehad heeft. Hij knapt zich op om naar een bijzondere begrafenis te gaan: de eerste dode die sinds lang op een natuurlijke wijze is gestorven. “…’Kam je haar’, zei ze. Met een hoornen kam probeerde hij zijn staalkleurige borstels wat in model te krijgen. Maar het was vergeefse moeite. ‘Ik zal er wel uitzien als een papegaai,’ zei hij. Zijn vrouw nam hem op. Ze vond van niet. De kolonel zag er niet uit als een papegaai. Het was een dorre man met stevige botten die met bouten aaneengedraaid leken. Alleen zijn levendige ogen verhinderden dat hij er uit zag alsof hij op sterk water geconserveerd was. ‘Zo zie je er keurig uit,’ zei ze toegeeflijk…”. Hij blijkt de trotse eigenaar te zijn van een vermaarde gevechtshaan, die met een touwtje vastgebonden zit aan een poot van de keukentafel. Ooit was de haan van zijn enige zoon die, tijdens een wedstrijd waarop hij gevoelige politieke informatie doorgaf, werd doodgeschoten. Kinderen komen naar de haan kijken: “… ‘Hou eens op met dat gestaar naar dat beest,’ zei de kolonel. ‘Hanen slijten als je er zoveel naar kijkt.’ De kinderen stoorden zich niet aan zijn woorden…”. Als er eentje een mondharmonica uit zijn zak haalt, verbiedt de kolonel hem te spelen. Er is een dode in het dorp. Pas als hij in de begrafenisstoet meesukkelt, en merkt dat er in het muziekcorps dat vooroploopt een trompet ontbreekt, weet hij zeker “… dat de dode dood was…”. Halverwege wordt de stoet teruggefloten door een woedende burgemeester; ze mogen niet langs het politiebureau. De openbare sfeer is nogal dreigend.

Wij zijn de wezen van onze zoon
De kolonel wacht al vijftien jaar met ossengeduld op zijn veteranenpensioen. Elke vrijdag loopt hij naar de postboot om te kijken of eindelijk de officiële brief arriveert die hem uit zijn geldnood zal verheffen. Telkens tevergeefs. Altijd is hij even gestrest en verbijt hij zijn teleurstelling en wanhoop. Hij is bang dat hij uit armoe de haan zal moeten verkopen; het enige wat hem bindt aan zijn zoon. Als zijn vrouw hem opdraagt zijn nette lakschoenen aan trekken omdat zijn oude schoenen rijp zijn voor de vuilnisbelt: “…’Maar dat zijn net weesschoenen’, protesteert hij. ‘Iedere keer dat ik ze aandoe, heb ik het gevoel of ik uit een gesticht ontsnapt ben.’ ‘Wij zijn de wezen van onze zoon,’ zei de vrouw…”. De dokter, een aardige jonge vent van wie de kolonel kranten krijgt om te lezen, komt langs, terwijl hij buiten al begint te roepen: “… Alle zieken dood?...”. Volgens hem wordt de vrouw met haar astma wel honderd, waarop de vrouw hem verzekert: “… Eén dezer dagen blijf ik er nog in, en dan neem ik u mee naar de hel, dokter…”. De kolonel wil niet door hem onderzocht worden, waarschijnlijk omdat hij hem niet kan betalen: “... Ik gooi mezelf wel in de vuilnisbak…”. Ook de kolonel en de dokter wisselen stiekem clandestiene boodschappen. Als de kolonel verzucht dat er alwéér geen verkiezingen worden gehouden zegt de dokter dat hij niet zo naïef moet zijn: “… We zijn echt te groot om de Messias te verwachten…”. Hij wil geen geld van de kolonel aannemen; zegt dat hij hem wel een vette rekening presenteert als de haan een gevecht heeft gewonnen. Een rijke stinkerd biedt vierhonderd pesos voor de haan. De kolonel neemt een voorschot aan, maar krijgt daar al gauw spijt van. De dokter zegt dat hij er wel negenhonderd voor kan krijgen. Terwijl de kolonel en zijn vrouw zich voor de buitenwereld groot houden gaan ze zo ongeveer dood van de honger. De kolonel blijft maar volhouden dat de haan zal zorgen dat het geld binnen rolt als de wedstrijden eenmaal beginnen. Zijn vrouw vraagt waar ze in de tussentijd van moeten leven: “…De kolonel had vijfenzeventig jaar, alle vijfenzeventig jaar van zijn leven, minuut voor minuut nodig gehad om op dit punt te belanden. Hij voelde zich zuiver, ondubbelzinnig, onoverwinlijk toen hij zijn antwoord gaf: ‘Stront’…”.

De kracht van verhalen

Ik kwam ertoe dit verhaal te lezen door het prachtige boek van Henk Vijver: "De kolonel krijgt eindelijk post. Verhalen over geweld en verzoening" (daarover in de volgende blog meer). Vijver vertelt dat de middelbare scholieren in Aracataca, de geboorteplaats van García Márquez, onder leiding van de schrijver Nahum Montt, de kolonel honderden brieven hebben teruggeschreven. Uit één daarvan: “… Kolonel, hou vol en verkoop de haan alsjeblieft niet…”. Ik citeer Vijver omdat ik het zo ontzettend mooi vind:
“… Iemand als de kolonel, die zo door iedereen in de steek is gelaten en die er tegelijk zo voor strijdt om zijn waardigheid te behouden, roept gevoelens van mededogen en vriendschap op. Het besluit om deze eenzame kolonel brieven te schrijven is in feite de meest logische reactie op het verhaal. Tenminste voor lezers die, zoals de scholieren van Aracataca, geen grens trekken tussen fictie en werkelijkheid. Of de kolonel nu alleen in het verhaal of ook buiten het verhaal bestaat, doet er voor hen niet toe. Hij spreekt hen aan omdat hij sympathiek is en zich in een uitzichtloze situatie bevindt. Om dat te laten gebeuren heb je een zekere onbevangenheid nodig. Onbevangenheid om je te verplaatsen in de situatie van een ander en daar je handelen ook door te laten bepalen, zoals deze jongeren doen. Hun medeleven met de kolonel brengt hen ertoe actie te ondernemen om zijn eenzaamheid te doorbreken. Dat is de kracht van verhalen. Een goed verhaal kan de lezer helpen zijn eigen beperkte situatie te overstijgen. Een verhaal nodigt je uit te denken vanuit de levenssituatie van een ander mens en daar vervolgens ook je gedrag op af te stemmen. De kolonel uit het verhaal van García Márquez helpt de jongeren van Aracatara te ontdekken wat eenzaamheid is en helpt hen ook te reageren op die eenzaamheid. Een goed verhaal opent mensen de ogen voor aspecten van de werkelijkheid die zij tot dan toe nog nooit hadden gezien en roept krachten in hen op die zij tot dan toe misschien ook nog niet kenden. De Israëlische schrijver Amos Oz noemt literatuur daarom een van de krachtigste instrumenten die wij hebben om het kwaad en de onderlinge haat te bestrijden. Literatuur kan een mens leren met andere ogen te kijken naar de wereld en naar de mensen, ook als het gaat om tegenstanders of vijanden. En op die manier verleidt literatuur niet alleen om anders te kijken, maar ook anders te denken en te handelen. Verhalen stimuleren onze verbeeldingskracht waardoor de wereld groter wordt. Er ontstaat ruimte voor anderen en voor andere denkwijzen. Op die manier kunnen verhalen bewerken dat er in plaats van wederzijdse haat en vooroordelen een begin van begrip en wederzijdse erkenning tussen mensen ontstaat. De jongeren van Aracantara laten zien hoe dat werkt …”. Colombia is een zeer gewelddadig land (zie bijvoorbeeld ook mijn blog over “Het geluid van vallende dingen” van Juan Gabriel Vásquez). Vijver: “… Misschien wel het grootste probleem van dit land is dat mensen ‘het verschil’ niet aanvaarden, zeggen Colombiaanse schrijvers. Accepteren dat anderen ook echt anders zijn. Dat zij andere politieke opvattingen hebben, een ander geloof, een andere etnische afkomst, een andere cultuur, andere economische belangen, een andere seksuele geaardheid. Steeds weer blijken de Colombianen dergelijke verschillen te willen onderdrukken. Ze mogen niet bestaan. De werkelijkheid en de mensen zullen en moeten beantwoorden aan het concept van de werkelijkheid dat men er zelf op nahoudt. De eigen gedachten, overtuigingen en belangen gelden als absolute maatstaf. Wat en wie daar niet aan beantwoordt, zit er volledig naast en is daarmee tot vijand verklaard. De verbeeldingskracht van goede verhalen en gedichten laten zien dat andere zienswijzen en andere belangen mogelijk zijn en recht van bestaan hebben naast de eigen belangen en overtuigingen. Alles wat anders of afwijkend is, is niet per definitie fout…”. Aan de hand van “De kolonel krijgt nooit post” laat Vijver mij stilstaan bij mijn eigen dogmatisme. Goede literatuur pleit voortdurend voor een ruim hart.

Uitgave: Meulenhoff – 2014, vertaling Braber van der Pol, 80 blz., ISBN 978 902 908 864 0, € 10,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen