Menu

vrijdag 27 december 2013

Donderdagmiddagdochter – Stevo Akkerman


Onderschrift: Het verhaal van het verlies van een kind, een huwelijk onder druk en een schrijver die zijn geloof moet herijken.

Journalist Stevo Akkerman schreef een hartverscheurend egodocument rond het overlijden van zijn derde kindje, Evy Elise, dat niet levensvatbaar bleek. Het zette heel zijn wereld op zijn kop: “… Zo ligt ze in de kist, het mensje dat in dossiers door het leven gaat als een ‘cyanotische, zacht huilende en iets gaspende neonaat met Potters facies: een platte neus en aangezicht en hoogoplopend hoofd’, het meisje dat wij niet meer hebben gezien in haar eigen kleertjes, de dochter die ik even heb ontmoet op een donderdagmiddag in maart – en sindsdien iedere dag. Niet omdat ze begraven ligt aan het einde van onze straat, maar omdat ze haar intrek heeft genomen in mijn hoofd, op een plek waar alle gedachten langskomen en waar het geheugen niet omheen kan…”. Soms gebeuren er dingen die het leven bijna verdelen in ‘er voor’ en ‘er na’: alles komt in een ander licht te staan.
Akkerman is van 1963 en ik van 1964; dus we zijn van dezelfde generatie. Zijn verhaal heb ik tevens gelezen als een op alle fronten herkenbaar tijdsdocument. Akkerman schreef eerder de romans “Vals weerzien” en “De inboorling”.


Een verhaal
Psychiater Frieda Klein zegt in “Blauwe maandag” – zie mijn vorige blog – dat mensen hun leven vorm moeten geven in een verhaal, zodat ze er grip op krijgen. Dat is precies wat Stevo Akkerman doet: “… Door ze te noteren, tracht ik de gebeurtenissen netjes in het gelid te zetten. Ik wijs ze hun plaats en dwing hen zich aan te passen aan de rode lijn die ik heb ontdekt of heb bedacht…”. Maar: “… Het verwarrende is: terwijl ik schrijf om greep te krijgen op de geschiedenis, gebeurt het omgekeerde…”. Allerlei herinneringen komen naar boven. Verleden en heden - “… ik leef in het tijdperk dat strekt van poepdoos (bij zijn overgrootmoeder) tot Google…” - beginnen door elkaar te lopen.

Herkenbaar
Akkerman groeide op in een kinderrijk en streng gereformeerd milieu – ík in een heel wat luchthartiger hervormde familie, maar wel binnen de orthodoxe rechter flank. Bij Akkerman thuis namen ze zichzelf doodserieus (gezin van een hoofdonderwijzer), terwijl het bij ons een vrolijke bende was, waar mij al vroeg werd ingestampt mezelf en anderen met de nodige korreltjes zout te nemen. “… Het gaat niet goed met mij. Ik maak het hele gezin te schande. Mijn vader en moeder vertellen dat ze op ouderavonden met gebogen hoofd door de gangen van de school gaan. En dan moet de maandagmiddag nog komen dat ze telefoon krijgen van de politie, op een tijdstip dat ik geacht word op catechisatie te zijn. Ze kunnen hun zoon komen ophalen van het bureau, waar hij zit wegens winkeldiefstal. Chokotoffs gepikt bij de Spar. Ja, ik bezorg mijn ouders en de Here veel verdriet…”. Bij de Akkermans hoorden ze bij ‘de enige, echte en ware kerk’, en wel de ‘vrijgemaakte’, waaraan hij werd geacht zich zonder tegenspraak te conformeren: er werd voor hem gedacht. Mij werd verteld dat het niet uitmaakte bij welke kerk je hoorde - ‘als je het maar méénde’ – en op het hart gedrukt dat ik verantwoordelijk was voor mezelf, en dat anderen niet voor mij konden denken, al wilden de meesten die ik ontmoette dat natuurlijk wel graag. Toch proef ik meer overeenkomst dan verschil:
“… Op voetbal mochten we niet, dat was goddeloos, en een spijkerpak was ook verboden; uniform van de wereld. Ons haar was fris en kort. Niet over de oren. Kwam ik van de kapper thuis zonder bevredigend resultaat – had ik ‘gedekt’ besteld in plaats van ‘kort’ – dan werd ik teruggestuurd…”
. Ja, die gereformeerde jongens met hun bloterige flaporen en terlenka-broekjes liepen compleet voor gek. En ík ook. Want als meisje moest ik persé een rokje aan, terwijl heel de klas in hippe strakke jeans liep, en een hoedje op naar de kerk. Het was echt vreselijk, allemaal. Stevo: “… Wij hadden geen televisie. Televisie was een gruwel, op zondag al helemaal en sport was afgoderij…”. De goddeloze platen die hij niet mocht draaien: Abba, The Rolling Stones, The Beatles, Pink Floyd, Simon and Garfunkel, Supertramp, Status Que, Led Zeppelin, Alquin, The Clash. De goddeloze boeken die hij niet mocht lezen: Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Harry Kuitert, Herman Wiersinga, Gerard Reve, Willem Frederik Hermans, Paul Sartre, Albert Camus, Sigmund Freud, Louis Paul Boon, William Burroughs, Jotie t’Hooft. De goddeloze films die hij niet mocht zien: De kanonnen van Navarone, Een vlucht regenwulpen. Ik ken ze allemaal.

Het is overal wat
Als jaren later de directeur van de Evangelische School voor Journalistiek (waar de lessen grotendeels bestaan uit het ontkrachtten van de evolutietheorie) vraagt op te schrijven ‘Wie Jezus voor jou is’; weet Stevo Akkerman niets anders te verzinnen dan uit de ‘Heidelberger’ (“… Mijn kinderen weten niet eens wat het is, maar ik leerde elke week een vraag en antwoord uit de ‘Heidelbergse Catechismus’ uit het hoofd…”) te citeren, wat natuurlijk niet de bedoeling is. Er wordt een persoonlijk en authentiek antwoord verwacht: “… Maar ik wist heel goed dat de waarheid – dat ik geen flauw benul had wie Jezus voor mij was – verboden was; zoiets zei hier niemand, nooit, zelfs niet in gedachten. Je kon God hier wel vinden, maar niet zoeken. Soms wilde ik dat ik nooit van Hem gehoord had. Dan zou ik hem zelf kunnen ontdekken. Soms wilde ik dat Hij niet bestond. Dan hoefde ik me nergens druk om te maken. Soms wilde ik dat ík niet bestond. Dan kon ik niet verloren gaan…”.
Tijdens zijn studie ontmoet hij Maria, zijn vrouw, die een heel wat vrolijker geloof aanhangt, en hem al gauw van zijn gereformeerde preutsheid afhelpt.

Machteloos verdriet
Het gaat door merg en been als Stevo vertelt hoe ze er, na het overlijden van hun dochtertje, samen even tussen uit gaan. Ze stranden in een hotelletje in Londen waar Maria op bed gaat liggen huilen om daar niet meer mee op te houden. Stevo die er verdoofd bij zit, niet weet te troosten, niet durft te strelen, ondergedompeld in zijn eigen machteloze verdriet. Een paar jaar later zijn ze in Washington en gaat het pas echt fout, als Maria zegt dat hun dochtertje is overleden omdat ze niet genoeg hebben gebeden:
“… Ze kan net zo goed zeggen dat ik mijn dochter heb vermoord…”
. Ze zegt dat ze het zo niet bedoelt, maar: “… Als we elkaar de volgende ochtend terugvinden, zijn we elkaar kwijt. We zouden op bezoek gaan bij een collega, maar van Maria hoeft het allemaal niet meer. Ik ben een klootzak, ze gaat niet mee, bekijk het maar. Vijf, zes keer lopen we het rondje van Dupont Circle, met steeds een paar meter tussen ons in. Hoe langzaam ik ook ga, ze blijft achter me lopen. Houd ik halt, dan doet zij dat ook. Dan sjok ik weer verder. Dupont Circle: we lopen hetzelfde rondje, maar niet dezelfde weg…”.
Maria heeft zich aangesloten bij een charismatische pinkstergemeente, waar Stevo niets van moet hebben. Ze gelooft in boze machten, in tongentaal, in gebedsgenezing, in opwekkingsliedjes en in Armageddon. Stevo vindt het allemaal occulte rimram: “… De vrijgemaakt-gereformeerden hebben mijn jeugd gestolen, nu gaan de pinkstergelovigen er met de rest vandoor. Alles is in stukken gevallen…” en ietsje verder: “… Ze zet me klem. Het is om gek van te worden. Natuurlijk mag ze zelf weten wat ze gelooft. Maar dit niet. Wat dan wel? En waar ligt de grens? Kan ik dat wat duidelijker aangeven? Nee, dat kan ik niet en dat wil ik niet, en ik begrijp niet hoe het mogelijk is dat ik dit gevecht verlies terwijl iedereen ziet wat er mis is met Hagin (een voorganger) en zijn volgelingen. Iedereen, behalve zij. Het is om razend van te worden. Maar dat mag ook al niet. Waarom ben ik zo kwaad? ‘Luister,’ zegt ze, ‘misschien vergis ik me. Wat dan nog? Heb jij nooit iets gedacht waarvan je later vond dat het niet klopte?’ Haar geloof is niet te verdragen, maar haar redelijkheid is nog erger. Wat kan ik doen?...”.

Gelovig zijn, maar niet mesjokke
Stevo Akkerman heeft het over de Amerikaanse mirakelprediker Benny Hinn, naar wie ik mij door een collegaatje ook een keer heb laten meetronen. Ik geloofde mijn ogen niet: al die mensen die in de jaarbeurshallen in Utrecht gewoon achterover vielen en in elkaar zakten als hij een keertje met zijn hand gebaarde. Toen ik opstapte omdat ik mijn trein moest halen, en achter het podium langsliep, was ik benieuwd of zijn geheimzinnige kracht mij ook zou raken, maar helaas: er gebeurde niets. Ik ben ook een keer met een vriendin naar een evangelische dienst geweest waarin een zanger in tongen ging staan bidden. Het was dood- en doodeng. Hij zei dat hij door kreeg dat er iemand van de aanwezigen het heel moeilijk had, en of degene die dat was naar voren wilde komen, zodat hij of zij de handen opgelegd kon worden. Mijn vriendin stond in de startblokken: haar ouders zaten in een onverkwikkelijke scheiding. ‘Dat gaat over mij’, fluisterde ze, ‘ik ga er naar toe’. Ik pakte haar arm. Mijn haren stonden recht overeind. ‘Als je dat maar laat’, siste ik terug, ‘hoeveel van degenen die hier zitten, denk je wel niet, vinden dat ze het zwaar hebben’. Ja, dat was ook weer zo. Ik heb iemand van het heil afgehouden.
Stevo heeft het over colleges over argonauten die op aarde zijn geland om onze zielen te ontvoeren: dr. Rob Matzken. Ik heb het allemaal gelezen. Christenen hebben hun eigen Erich von Däniken’s. Om je vingers bij af te likken. Wat Stevo wil: “… Gelovig zijn, maar niet vrijgemaakt; evangelisch, maar niet mesjokke. God vasthouden, maar zonder kleuterliedjes bij het begin van de lessen journalistiek. (… ) God vasthouden en er niet gratis het EO-lidmaatschappij bij krijgen, dat is het eigenlijk…”.
En wat ook waar is: “… Zou ik niets meer geloven, dan zou mijn ongeloof nog steeds gereformeerd zijn. Zoals er ook evangelisch ongeloof moet bestaan, een hervormd ongeloof, een katholiek ongeloof…”.
Steeds komt Akkerman terug op de z.g. ‘Akeda’, de geschiedenis waarin Abram zijn zoon Izaäk wilde offeren. Het moet een onverteerbaar verhaal zijn voor iemand die een kind heeft verloren – en eigenlijk voor iedereen met een beetje gevoel in zijn lijf. Ik kan er alleen mee uit de voeten via de visie van Lisette Thooft, die helemaal geen christen is. Net zo goed als dat het verhaal van de joodse bijbelgeleerde Pinchas Lapide, die helemaal niet gelooft in Jezus als Messias, maar wel in zijn opstanding, mij veel meer overtuigt dan de uitleg van welke rechtzinnige theoloog dan ook.

Ik ben nergens meer
Op een dag besluit Maria dat Stevo genoeg heeft laten zien dat hij niet van haar kan houden: “… Mijn vrouw is mijn vrouw niet meer, mijn kinderen voelen zich verraden, mijn vrienden worden moe van me – al zeggen ze dat natuurlijk niet, de gelovigen denken dat ik een heiden ben, de heidenen denken dat ik een gelovige ben, ik ben op mezelf aangewezen, maar met mezelf kan ik ook niet veel. Ik zit in een appartement dat het mijne niet is, met naast de bank een stapel boeken waar ik eindeloos de tijd voor heb, maar waar ik geen letter in lees. Ik kook maaltijden die ik niet wil eten, kijk naar tv-programma’s die ik niet wil zien, bel mensen die ik niet wil spreken, loop heen en weer tussen woonkamer, keuken en slaapkamer zonder te weten wat ik daar zoek, ik gooi Glorix in de plee, doe de afwas en stofzuig, maar thuis ben ik niet – ik ben nergens…”.

En toch…
Ik ben alleen op een streng gereformeerde basisschool geweest, daarna was het allemaal niet meer zo christelijk en mijn werk was al helemaal midden in de wereld, behalve, gek genoeg, ooit een blauwe maandag in een christelijk bejaardentehuis in Zwolle (je wilt niet weten waar ik overal heb gewerkt). De Esdoorn, waarvoor Akkerman, om geld te verdienen, in zijn jonge jaren op de fiets potjes bejaardenpies naar verschillende huisartsen bracht, en waar ik een hoop ‘vrijgemaakte’ types heb ontmoet. Later is zijn oma daar overleden. Ja-ja, we leven in een klein landje: nog even, en we zijn collega’s.
Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een beetje vanaf de zijlijn – en met belangstelling, dát zeker - toekeek hoe mijn christelijke bekenden, vrienden, en familieleden zich overeind hielden in hun christelijke territorium. Als het moest deed ik wel mee (naar de kerk, en naar de kroegen waar ‘reformatorische’ jeugd rondhing – de christelijke ‘onderwereld’, zoals Akkerman het zo fijntjes benoemt, waar werd gedanst en gevreeën, en het op een zuipen werd gezet: “… Aan het einde van de dag zag je sommigen dronken over de vloer kruipen. Ze sloegen met hun handen in de drab van bier, as en glasscherven en voor zover ze nog iets te vertellen hadden: het was zeker niet de tale Kanaäns die ze bezigden…”); maar eerlijk gezegd meende ik het niet zo heel erg, allemaal. En toch: op het eind van het boek komt Akkerman in een kerkje op het Begijnhof aan het Spui terecht, waar hij zich wonderbaarlijk op zijn plek voelt. Dat is mij ook gebeurd. Waarom komen mensen als hij, als Vonne van der Meer, als Henk Vreekamp, als ik, ondanks alle vragen zonder antwoord, leed zonder uitzicht, bekrompen vooroordelen en harde confrontaties met botte godsdienst zonder twijfel, toch altijd weer in kerken terecht? Daar heb ik vooralsnog maar één antwoord op: omdat we ‘ongeneeslijk’ religieus zijn. Omdat we onmogelijk kunnen geloven dat we overgeleverd zijn aan onszelf. Omdat we ons niet kunnen neerleggen bij de zinloosheid van het bestaan. Omdat we vermoeden dat er een kern van waarheid zit in de aloude woorden van de Heidelbergse Catechismus, die Akkerman citeert: “… Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus…”. Wie die mysterieuze Heiland Jezus Christus dan ook moge zijn…

Uitgave: Nieuw Amsterdam – 2013, 160 blz., ISBN 978 90 468 1530 4, €16,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen