Menu

donderdag 6 november 2014

De menselijke smet – Philip Roth


“… To be nobody but yourself in a world which is doing its best, night and day, to make you like everybody else means to fight the hardest battle which any human being can fight; and never stop fighting…” – E. E . Cummings (1894-1962)

De Nobelprijs voor literatuur heeft hij nog steeds niet gekregen, maar hij is wél een van de spraakmakendste Joods-Amerikaanse auteurs: Philip Roth (Newark, New Jersey, 19 maart 1933. In 2012 kondigde hij aan te stoppen met schrijven, na 31 titels te hebben uitgegeven). Tijdens mijn zoektocht naar oude boeken vond ik het laatste deel van zijn z.g. “American Trilogie”, waarin hij de naoorlogse politieke cultuur van Amerika beschrijft: “De menselijke smet” ( “The Human Stain” - 2000 - vertaling Else Hoog). Het speelt zich af tegen de achtergrond van het Lewinsky-schandaal, wat weer helemaal aktueel is, omdat Monica Lewinsky onlangs zelf de publiciteit opzocht om nogmaals haar gal te spuwen – zie hier. Het eerste deel, “American Pastorale”(1997), gaat over de Vietnamoorlog en de protestgeneratie. Het tweede deel, “I married a Communist” (1998), handelt over het McCarthy-tijdperk.


Er is geen mens die nog het goede doet; er is er zelfs niet één (Rom. 3:12)
Ik ben opgegroeid op de biblebelt, waar kerkgangers vroeger via de Heidelbergse Catechismus werd ingestampt dat hun aard zo verdorven was ‘dat ze ganselijk onbekwaam waren tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Veel schrijvers komen zonder catechismus tot dezelfde conclusie.
In “Een weeffout in onze sterren” van John Green zegt een ongeneeslijk zieke puber - Augustus - dat we een stempel op de wereld willen drukken, maar alleen maar littekens achter laten.
In “Alles stroomt” van Vasili Grossman, zegt een overlever van 30 jaar strafkampen dat de Sovjetburgers anderen verraadden, belasterden en banden met geliefden verbraken omdat er anders niet te leven viel: “… De mensen wensten niemand kwaad toe, maar deden hun leven lang kwaad…”.
En Philip Roth bij monde van één van zijn personages: “… we laten een smet achter, we laten een spoor achter, we laten een afdruk achter. Onzuiverheid, wreedheid, mishandeling, stront, zaad – er is geen andere manier om op aarde te zijn. Heeft niets met ongehoorzaamheid te maken. Niets te maken met genade, redding of verlossing. Het zit in iedereen. Het huist in ons. Onlosmakelijk. Bepalend. De smet die er is voor hij een vlek maakt. Zonder zichtbaar bewijs. De smet die zo intrinsiek is dat een vlek niet nodig is. De smet die ‘voorafgaat’ aan ongehoorzaamheid, die ongehoorzaamheid ‘omvat’ en iedere uitleg, ieder begrip te boven gaat…”. Roth heeft geen hoge dunk van de mensheid. De mens als beeld van God? Belachelijk. We hebben met al onze kleinzieligheid, onze twisten, onze ruzies, onze haat, onze moorden, onze begeerten, onze hartstochten, onze ontaarding, onze grofste genietingen, en verslingerd als we zijn aan ons eigen bestaan, meer weg van de wispelturige Griekse machten op de Olympus, dan van de joodse God , “… oneindig alleen, oneindig vaag, monomaan de enige God die is, was en altijd zijn zal, met niets beters te doen dan over joden tobben…”, of van “… de volmaakt gedeseksualiseerde, christelijke man-god met zijn onbevlekte moeder en het schuldgevoel en de schaamte die uit een intense bovenaardsheid voortkomen…”. En dat kun je maar beter accepteren, dat scheelt een hoop ellende. Voilà: dit is nog eens literatuur. Hoe je het ook wendt of keert: we zijn gewoon slecht. Of ik Augustinus zit te lezen, de erfzonde enzo…

Spoken
Het is het jaar 1998, het jaar van de Lewinsky-affaire, die Roth gebruikt om zich als een dolle stier af te zetten tegen het hypocriete, zedenprekerige Amerika, en het op te nemen voor president Clinton: “… Ikzelf droomde van een reusachtige vlag die dadaïstisch als een Christo-verpakking over de volle lengte van het Witte Huis gedrapeerd was, met de tekst HIER WOONT EEN MENS…”, waarbij hij zelfs met Abelard (de twaalfde-eeuwse filosoof die ontmand werd omdat hij het met het nichtje van zijn gastheer deed) en Nathaniel Hawthorne (de schrijver van "The scarlet letter" uit 1850, dat gaat over de moeder van een onecht kind, die gedwongen werd publiekelijk de bloedrode letter A , van het woord Adulteress / Overspelige, op haar kleding te dragen) komt aanzetten.
Aan het woord is Roth’ alter ego Nathan Zuckerman (die in verschillende van zijn romans optreedt, en zelfs een eigen leven begon te leiden buiten Roth om, vanwege zijn rol in "The ground beneath her feet" uit 1999 van Salman Rushdie). Als schrijver heeft hij zich teruggetrokken op het platteland. Hij vertelt over zijn 71-jarige buurman Coleman Silk, een voormalig decaan en professor klassieke talen, die in ongenade is gevallen op de universiteit waar hij les gaf, omdat hij een paar immer afwezige studenten aanduidde als ‘spooks’. Een woord waar hij natuurlijk ‘spoken’ mee bedoelde; maar dat ook een scheldnaam voor ‘zwarten’ is. En laten die studenten nu uitgerekend zwart zijn geweest. Dus: Coleman was een rassenhater. Iedereen viel over hem heen. Hij, en zijn vrouw Iris maakten zich geweldig druk om de hetze. Edoch, Iris, normaal een dragonder van een wijf, een joodse ‘stoomwals’, kon er niet tegen, en kreeg een beroerte waar ze aan stierf. Vermoord door de universiteit, die de zaak tot en met uitmolk, om op die manier zoveel mogelijk zwarte studenten en docenten te werven – volgens Coleman. Omgekeerde discriminatie. De zaterdagavonden waarop Nathan Coleman opzoekt om wat te drinken, te kaarten en naar ouderwetse jazzmuziek te luisteren, vertelt Coleman hem steeds meer over zijn verleden, over zijn familie en over de vrouwen in zijn leven , oftewel - als je met Philip Roth van doen hebt - seks. Coleman praat, en praat en praat, en Nathan luistert.

Alle boosaardigheid ter wereld
Coleman is al twee jaar bezig aan een boek waarin hij al zijn frustraties op een rijtje wil zetten. Dat krijgt hij niet voor elkaar. Hij heeft een échte schrijver nodig: Nathan. Die zit niet op hem te wachten - hij wil via romans het bestaan onderzoeken; géén pamfletten schrijven - en op een gegeven moment is het ook niet zo belangrijk meer, want Coleman heeft een nieuwe vlam. Lang leve de viagra, en wel een beetje sneu voor Nathan Zuckerman, want die gaat impotent en incontinent door het leven vanwege een prostaatoperatie.
Ze gooit heel het leven van Coleman overhoop: Faunia Farley. Ze is in alles zo ongeveer het tegenovergestelde van hem. Pas 34 jaar, een keiharde overleefster, een schoonmaakster die niet kan lezen (“… het is al erg genoeg dat mensen praten…”), op 14-jarige leeftijd weggelopen van school en uit een thuissituatie vol misbruik door een machtige stiefvader, getrouwd geweest met een oorlogsveteraan met PTSS die haar mishandelde en hun zuivelboerderij naar de knoppen hielp, moeder van twee kinderen die zijn omgekomen bij een brand, iemand die door middel van drie baantjes haar inkomen bij elkaar scharrelt, en die wil dat hun relatie geheim blijft uit angst voor haar onberekenbare ex, die haar overal loopt te stalken. Coleman adoreert haar.
Dan ontvangt hij een anoniem briefje: “… Iedereen weet dat jij een half zo oude, mishandelde analfabete seksueel uitbuit…”. Hij herkent onmiddellijk het handschrift van de jonge feministische Française die voorzitter is van zijn faculteit en die destijds niets liever wilde dan dat hij als racist aan de kaak werd gesteld. Dat kan er ook nog wel bij. Nathan: “… Ik vond alleen maar een vriend, en alle boosaardigheid ter wereld kwam aangestormd…”. Waarom hij uiteindelijk de levens van Coleman en zijn vriendin toch tot op het bot ontleedt in “De menselijke smet” snap je pas na een tijdje: ze blijken geen van beiden meer te leven.

Jezelf zijn
Tijdens en na de begrafenissen van Coleman en Faunia komt Nathan Zuckerman achter de geheimen van hun getormenteerde levens.
Coleman had zwarte roots, maar zijn huid was zo licht, dat hij zich zijn hele volwassen leven heeft voorgedaan als blanke Jood. Hij wilde ontsnappen aan de gevangenis van zijn ras, ‘zichzelf ‘zijn, ‘vrij’ zijn. Hij ging zelfs naar zijn moeder toe om haar te vertellen dat hij zou gaan trouwen met een blanke die van niets wist en ook nooit zou weten – als het aan hem lag. Hij maakte zijn moeder kapot. Hij brak met zijn familie en vertelde zijn leven lang leugens tegen de mensen om hem heen. En uitgerekend hij wordt ten onrechte uitgemaakt voor racist. Juist hij wordt vermalen tussen de kaken van het correcte denken; iets waar we in Nederland inmiddels wel wat bij voor kunnen stellen.
En Faunia blijkt wel degelijk te hebben kunnen lezen en schrijven: er wordt een dagboek van haar gevonden. Ook Faunia heeft haar identiteit verzonnen.
Heel het boek gaat over de controverse tussen authentiek durven zijn en/of jezelf overleveren aan de gemeenschap. Over ‘ik’ en ‘zij’. Over het individu en de massa. Over je eigen gang gaan en de macht die anderen over je hebben. Over jezelf ontworstelen aan je afkomst om je eigen pad te bewandelen of je juist conformeren aan de groep waar je toevallig in terecht bent gekomen. Over het kiezen tussen eenzaamheid of erbij willen horen. Over het voor jezelf opkomen of loyaal zijn aan de rest. Een thema dat zo oud is als de wereld, denk ik. Neem "Dorsvloer vol confetti" waarin Franca Treur een meisje neerzet dat zich loswrikt uit een refo-gezin, of haar tweede boek waarin iemand niet kan aarden in een woongemeenschap.
Je kunt niet ten koste van alles voor jezelf gaan en dan ook nog de goedkeuring van anderen verwachten. Dat is hybris, overmoed. De meningenmachine draait op volle toeren. De wereld maakt je af: Coleman zou Faunia gebruiken als seksslavin. Coleman zou haar tot een abortus hebben gedwongen, waarop Faunia een zelfmoordpoging zou hebben begaan. Coleman’s kinderen, die over de geruchten horen, verwijderen zich van hem. Coleman is walgelijk en Faunia is zielig. Beiden worden outsiders. Wat mij betreft verhaalt Roth het allemaal het mooist in de beschrijving van een tamme kraai, waar Faunia gek op is. De kraai wordt door zijn soortgenoten getreiterd en gepikt: “… Een kraai die echt niet weet hoe hij kraai moet zijn en een vrouw die niet echt weet hoe ze vrouw moet zijn…”.
Ongelooflijk indrukwekkend beschrijft Roth verder het maatschappelijke aanpassingsproces van de ex-man van Faunia, die volkomen doorgedraaid uit Vietnam terugkomt. Wat er allemaal in zijn hoofd omgaat. De manier waarop een therapeut hem over zijn trauma’s probeert heen te helpen (wat niet lukt). Dit is dus waar de regering zo beducht voor is, als voormalige jihadstrijders terugkomen uit Syrië, dacht ik bij mezelf – daar kun je gerust bang voor zijn.
“Stoner”, zie mijn vorige blog, speelt zich gedeeltelijk in dezelfde tijd en in hetzelfde wereldje af. “Stoner” is beheerste chaos. “De menselijke smet” is onbeheerste chaos. Ik wilde dat het anders was, maar ik heb meer met het laatste…

In 2003 werd “The Humain Stain” dramatisch verfilmd door regisseur Robert Benton, met in de hoofdrollen Anthony Hopkins als Coleman Silk en Nicole Kidman als Faunia Farley.

Uitgave: Pockethuis - 2004, 414 blz., ISBN 978 902 907 279 3, €19,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen