Menu

dinsdag 21 juni 2016

De nacht van de biechtvader - Tomáš Halík


Ondertitel: Christelijk geloof in tijden van onzekerheid

Ik snap waarom Halíks tweede in het Nederlands vertaalde boek, “De nacht van de biechtvader”, niet de ontzagwekkende Templeton Prize heeft gewonnen en zijn eerste, “Geduld met God” (zie mijn vorige blog), wél. Het is moeilijker, gedateerder en persoonlijker. Af en toe steekt de Tsjechische priester onze nationale, ironische brompot Maarten van Rossum naar de kroon (waar ik trouwens wel vreselijk om moet lachen, hoor). Bijvoorbeeld over onze liberale samenleving: “… Kunnen we nog verhinderen dat de democratie, niet in de laatste plaats bedoeld ter bescherming van minderheden, verandert in de ‘dictatuur van de meerderheid’, in wat de mediabazen met hun versimpelde criteria tot ‘de smaak van de meerderheid’ verklaren? Kunnen we nog de ontwikkeling verhinderen, ooit door G.K. Chesterton geestig samengevat, dat de democraten de gewone burger tot het terechte inzicht brachten dat ‘je evenveel waard bent als de hertog van Norfolk’, maar dat ze vaak de ‘minder democratische formulering’ bezigen dat ‘de hertog van Norfolk net zo’n varken is als jij’? …”. “De nacht van de biechtvader” bestaat uit zestien essays die minstens een jaar of tien geleden geschreven zijn. Filosoof, theoloog en psycholoog Halík (1948) peilt hierin onze ‘postoptimistische’ tijd aan de hand van zijn jarenlange gesprekservaringen met gelovigen en ongelovigen. Zijn stokpaardjes aangaande ‘God als Mysterie’ en ‘geloof als paradox’ komen ruim aan de orde, maar worden in “Geduld met God” uitvoeriger uitgelegd – zodat het zeker de moeite loont om met dit boek te beginnen, teneinde Halík beter te kunnen verstaan.

Dialoog in de diepte

We leven in een sombere wereld. Na alle terroristische aanslagen, oorlogen en natuurrampen van de laatste decennia, die de mensheid overkomen zonder dat zij er wat tegen kan doen, is ons naïeve verlichtingsgeloof van voorheen wel zo’n beetje gesloopt. Ook in het christendom is er sprake van een religieuze crisis: het vertrouwen op een bovenwereldlijke regisseur die ons uit de problemen sleurt, blijkt nergens op te slaan. In “Geduld met God” heeft Halík het over het ‘roze godje’ van ons egoïsme. God is geen bovennatuurlijk wezen ergens achter de coulissen van deze wereld, stelt Halík. God vinden we op de bodem van ons bestaan, en als we ons tot Hem richten verandert ons leven van een monoloog in een dialoog. Het grootste probleem aangaande het atheïsme ziet hij dan ook in het gevolg dat mensen zonder een corrigerende Jij tegenover zich, geneigd zijn zelf voor God te gaan spelen, waarop hij verwijst naar het ongebreidelde hedendaagse ‘selfisme’. In antwoord op het vaak geuite “… Religie is een kruk voor zwakken, ik heb geen god nodig – ik ben mijzelf een god…”, dat volgens hem vooral op ‘een juweel van een narcistische stoornis’ wijst, schrijft Halík: “… Als we de teugels durven loslaten die niets sturen, maar die integendeel juist ons voortdurend meeslepen – door onze angsten en eigendunk, onze bespottelijke en tegelijk gevaarlijke grootheidswaan, dwaasheid en ijdelheid -, als we onze vermeende functie van bevelhebber van de kosmos opgeven, voelen we een enorme opluchting. Nederigheid en waarheid bevrijden en helen…”.
Iemand die precies hetzelfde zegt in een prachtig interview vandaag in Trouw (Letter & Geest, 18.06.16,) is Esther Maria Magnis, waarvan ik onlangs haar eerste roman “Mintijteer” besprak: “… Maar als je lijdt, moet je God– als je de gedachte dat hij er is een kans geeft – daarmee confronteren. Dat is de dapperste en beste manier vind ik, want misschien is God wel anders dan we verwachten of kunnen begrijpen. We zullen nooit veel over hem, het leven en de wereld te weten komen als we op onze stoel blijven zitten en kijken naar het schouwspel dat ons leven heet. Als je blijft praten tegen God terwijl je lijdt, geeft hij je misschien geen antwoord, maar zorgt hij er wel voor dat het stiller wordt vanbinnen. Net als dat mijn kind huilt in mijn armen. Dat is toch minder erg – ze schuilt namelijk ergens, ze is veilig…”. Evenals Magnis gelooft Halík niet dat christenen het in de hoogte (nóg sterker geloven, nóg meer aktiviteiten) of in de breedte (meer bekeerlingen maken) moeten zoeken, maar in de diepte (analoog aan bijvoorbeeld de dieptepsychologie): “… kennelijk gaan Rahners woorden in vervulling dat het christendom van het nieuwe millennium óf mystiek wordt, óf ophoudt te bestaan…”.

Nooit opgeven over God te praten omdat het moeilijk is
Dit ‘nieuwe’ geluid van Tomáš Halík en Esther Maria Magnis verrast mij zeer.
Als wij de weg van Christus willen gaan - volgens Halík is het christendom geen stelsel van overtuigingen, maar een ‘methode’ – dan zullen we ook Golgotha tegen komen: “… Ik ben bang dat voor veel christenen de voorstelling vreemd is dat ook in ons, in de kerk, in ons geloof, in onze zekerheden veel moet ‘afsterven’, gekruisigd moet worden, zodat er ruimte ontstaat voor de Opgestane. Waarom zijn we zo bang voor onze nederlagen (inclusief de evidente zwakte van het christendom in de huidige wereld), als we het paasgeloof belijden met als kern de paradox van de overwinning door een absurde nederlaag?...”. Oftewel Magnis in “Mintijteer”: “…Er staat nergens dat het geluk ons aan de kont hangt…”. Halík pleit dan ook voor een ‘klein’ geloof. De opstanding is volgens hem zeker geen sprookjesachtig ‘happy end’, waarin het weer wordt zoals vroeger. Van regressie is geen sprake. Jezus’ opstanding is niet een ‘levend worden van een lijk’, een ‘reanimatie’, een ‘terugkeer naar de oorsprong’. Jezus heeft een diepe verandering ondergaan. Het betekent ‘een nieuw leven beginnen’. Golgotha staat voor een geloof dat moet sterven om te vernieuwen. Als het geloof niet verandert leeft het niet (ik moet hierbij direct denken aan Antoine Bodar en Willem Ouweneel die ongehoord zijn verketterd omdat ze anders gingen denken). Deze transformatie noemt Halík in sporttermen: ‘de tweede adem van het geloof’. Magnis over haar onverhoorde gebeden: “… Achteraf had ik mijzelf, mij en mijn broer en zus, voor gek moeten verklaren. Dat moet je af en toe doen – jezelf voor gek verklaren. Dingen opnieuw bekijken, opnieuw doordenken, zoiets. Maar opnieuw bedenken betekent niet dat je zegt: ‘Zo zie je maar weer, het is allemaal zo simpel, je vader is dood, dus God bestaat niet.’ Dat kon ik niet. Zo eenvoudig is het niet…”. “Mintijteer” gaat als geen ander verhaal over dat uiterst persoonlijke en vaak pijnlijke opstandingsproces. Ik sta er nog steeds versteld van dat Esther Maria Magnis daar woorden voor heeft gevonden. En hoe. Magnis in Trouw: “… Soms schreef ik iets wat ik dagen daarna niet meer geloofde…”. En even verder: “… Ik geloof dat taal noodgedwongen gesloten is; dat we daar als mensen met elkaar aan vastzitten, ook als het gaat om God. Om hem te zoeken, moeten we eerst erkennen dat we mensen zijn, en dat we dus onbeholpen naar woorden moeten zoeken. Maar we moeten nooit opgeven om over God te praten omdat het moeilijk is…”.

Adoro te devote, latens Deitas
‘Ik aanbid met eerbied U, verborgen God’- daarmee zou je het geloof van Tomáš Halík kunnen typeren. Hij vindt inspiratie bij verschillende denkers als Teilhard de Chardin, Dietrich Bonhoeffer, Karl Rahner en Hans Urs von Balthasar. Ook vertelt hij hoe de confrontatie met andersdenkenden en de bestudering van andere wereldgodsdiensten zijn eigen geloof verdiepte. Juist het ‘vreemde’ stemt tot nadenken. God is een geheim dat we niet kunnen overzien of onder controle krijgen. Halík schrijft dat hij tot geloof is gekomen door eindeloos te twijfelen en dat hij allergisch is voor de ‘geventileerde zekerheden’, de ‘gemanipuleerde hartstocht’ en de ‘religieuze achterlijkheid’ van hyperoppervlakkige godsdienstmeetings. Oftewel de ‘massaindustrie van de religieuze versimpeling’ (laat de E.O.-jongerendagadepten het maar niet horen). Vervolgens is hij weer sceptisch over zijn eigen scepsis: “… Als ouders van zulke tieners zou ik waarschijnlijk blij zijn als mijn kinderen naar zulke blij-christelijke activiteiten zouden gaan waar ze niet gedrogeerd of hiv-positief vandaan komen, waar ze niet, zoals bij tal van religieuze of politiek extremistische sekten, hun schedel van buiten of van binnen kaalscheren, zich geen satanscultus, geweld of een woedende ontkenning van de hele wereld laten opdringen. Als politiek verantwoordelijke voor de opvoeding van de jongere generatie zou ik zulke activiteiten verwelkomen en ondersteunen, ook als ik helemaal geen christen zou zijn. Ik zou namelijk nuchter berekenen dat het helemaal niet slecht is als tenminste een deel van de jongere generatie ergens leert dat niet liegen en niet stelen geen slecht principe is, en dat het niet alleen in ervaring, maar ook in ethisch opzicht uitmaakt of je, als je elkaar als vijftienjarige voor de tweede keer in je leven ziet, elkaar een hand geeft of meteen maar met elkaar naar bed gaat…”. Het gaat Tomáš Halík om het volgende: “… Als we mensen niet bijtijds duidelijk maken dat God in een ontoegankelijk licht verblijft, dat gebed stil-zijn voor het Geheim is en geloof de weg van het respecteren en het wennen aan dit Geheim is, en dat elke schreeuw ‘Ik ben er’ slechts het bewijs is dat ik de weg kwijt ben, dan bedriegen we hen en onszelf en is er geen waarheid in ons…”. Daaruit volgt dat God onmogelijk wetenschappelijk bewezen kan worden: “… Si comprehendis, non est Deus, zegt Augustinus en dat moeten we dodelijk ernstig nemen: wat je kunt begrijpen (of zelfs ‘bewijzen’!), daarvan weet je absoluut zeker dat dat niet God is…”. Halík is diep gevormd door de zogeheten ‘negatieve theologie’: je kunt alleen zeggen wat God NIET is. Natuurlijk kan de wetenschap religie ook niet weerleggen: dan compromitteert ze zichzelf en pleegt ze verraad aan haar eigen integriteit. Evenals Willem Ouweneel stelt Halík dat religie en wetenschap elkaar hoogstens kunnen ontmoeten binnen de grenzen van de filosofie: de moeder van alle wetenschappen. Er van uitgaande dat atheïsme eveneens een vorm van religie is, behoren de ‘wetenschappelijke wereldbeschouwing’ en het ‘wetenschappelijk atheïsme’ dan ook tot de diepst gezonken vormen van religie in de wereldgeschiedenis (Halík doelt hier op het communisme dat niet alleen aanspraak op de politiek maakt, maar op het hele terrein van zingeving).

Misschien
Het christelijke geloof verplicht tot een houding van eerbied tegenover de wereld. Het belijdt dat de wereld een geschenk is dat je wordt toevertrouwd. De wereld waarin we leven is diep ambivalent, we kunnen niet om al het menselijke kwaad en diepe lijden heen, maar misschien kunnen we leren ánders te kijken, beoordelen en verdragen. Atheïsme is een redelijke optie (atheïst of gelovige, iedereen heeft zijn verhaal met God): maar ‘misschien’ is de Bijbel toch waar. Wellicht, ondanks alles, en tegen alles in. Halík: “… ‘Het is niet de vraag of God bestaat’, schreef onlangs een Tsjechische logicus en wiskundige, ‘natuurlijk bestaat Hij – minstens als woord in onze woordenschat. Het probleem is; welke plaats kennen we hem toe?’…”. We kijken altijd maar vanuit ons eigen, kleine perspectief naar de wereld. We kunnen God de rug toekeren. Maar bestaat het lijden dan niet meer? Ontdoen we ons dan ook niet van de kracht om kwaad en lijden tegemoet te treden of de baas te worden? “… We kunnen God verwijten dat Hij niet een machtige golem is die we altijd te hulp kunnen roepen om onze problemen met ons of voor ons op te lossen zoals het ons uitkomt. We kunnen hem verwijten dat Hij niet met ons aan de frontlinie van ons gevecht staat als een duidelijke, herkenbare en steeds inzetbare arm – dat Hij er alleen maar is in de vorm van hoop…”. Misschien verdwijnen de kerken in de vorm die we nu kennen (Halík droomt van kerken die ooit het centrum worden van levenslang leren en scholen van christelijke wijsheid, zoals in de plaats van de verwoeste Joodse tempel de synagogen kwamen – en ik zou de eerste leerling zijn, echt!), maar geloof, hoop en liefde zullen altijd blijven: “… Laten we daarom niet de God in wie we geloven in verwoestende tsunamigolven zoeken. Hij is geen driftige en vernietigende zeegod van wraak en toorn. Eerder vinden we hem in golven van solidariteit die na zulke catastrofen opkomen, of die nu uitdrukkelijk door geloof gemotiveerd zijn, of door ‘gewone’ menselijke liefde en medelijden. ‘Waar goedheid en liefde is, daar is God’, zingen we tijdens de liturgie van Witte Donderdag, op de drempel van Pasen…”.
Amen.

Uitgave: Boekencentrum – 2016, vertaling Peter Moree, 192 blz., ISBN 978 902 397 066 8, € 19,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen