“… Dionysos (is) de Meester van de Zinsbegoocheling, die een wijnrank kon laten groeien uit een scheepsplank en in het algemeen zijn aanhangers de wereld anders kon laten zien dan ze is…” - E.R. Dodds in “The Greeks and the Irrational”
De romantici zijn volgelingen van Dionysos, aldus Safranski in mijn vorige blog. “De verborgen geschiedenis“ (1992), het bedwelmende debuut van de Amerikaanse schrijfster Donna Tartt (1963) dat sommigen af serveren als ‘kwaliteitspulp’ terwijl het skyhigh in alle rankinglijsten eindigde (dan doe je toch iets goed, volgen mij), is bij uitstek een ‘dionysische’ tragedie. Een en ander verwijst naar de door Euripidus in het drama “Bakchai” beschreven ‘roes’, die de maenaden, de vrouwelijke volgelingen van Dionysos, bereiken: een uitzinnige staat van bewustzijn waarin ze dieren verscheuren, geslachtsgemeenschap hebben en dergelijke meer. “… ‘We geven het niet graag toe,’ zei Julian, ‘maar je zelfbeheersing verliezen is iets dat beheerste mensen zoals wij onnoemelijk fascineert…”. BookTokkers labelen “De verborgen geschiedenis”, een kruising tussen “Misdaad en straf” van Dostojevski en “Bloemen op zolder” van Virginia Andrews, onder het genre ‘dark academia’. Uit de proloog blijkt dat het verhaal over een student gaat, Bunny, die dood wordt gevonden in een besneeuwd ravijn. De verteller, Richard Papen, inmiddels achtentwintig, en zijn vrienden hebben er iets of alles mee te maken. Eerder besprak ik van Donna Tartt "Het puttertje".
Übermenschen
Het verhaal. Richard Papen laat zijn onbevredigde tienerjaren in Plano, Californië, achter om aan een kleine en exclusieve universiteit te gaan studeren in Vermont, waar hij al snel gefascineerd raakt door een vijftal stinkend rijke, wereldvreemde studenten Grieks en hun elitaire prive-docent Julian Morrow. Ze komen over als een stel Nietzscheaanse ‘übermenschen’: “… Zijn studenten waren – als dat al iets zei over zijn onderricht – tamelijk imponerend, en hoe sterk ze onderling ook verschilden, ze hadden allemaal iets kils over zich, een wrede, gekunstelde charme die verre van modern was en de vreemde, koele sfeer van de klassieke wereld ademde: ze waren schitterende creaturen, die ogen, die handen, die blikken – ‘sic oculos, sic ille manus, sic ora ferebat’…”. De impulsieve, joviale Bunny, zoon van een beroemde voetballer en laatste in de rij van vijf jongens, die iedereen geld aftroggelt omdat hij als het erop aan komt geen cent te makken heeft, evenals Richard Papen zelf. De tweeling Charles en Camilla, engelachtige wezen opgevoed door hun oma, die het liefst in het wit rondlopen. De stijve Henry met zijn ouderwetse Engelse tweedpakken en eeuwige paraplu. En, last but not least, de angstwekkend magere, knokige, elegante, roodharige, homoseksuele Francis, met zijn prachtige gesteven hemden, dubbele manchetten, schitterende stropdassen, en zwarte overjas die onder het lopen achter hem opbolt, “… waardoor hij er uitzag als een kruising tussen een studerende prins en Jack the Ripper…” .
De last van het zelf
Na de nodige inspanningen weet Richard zich de kliek binnen te wurmen, waarmee hij een jaar lang optrekt. De beschrijving van zijn eerste les knalt het boek binnen en wordt niet meer geëvenaard, vind ik. “… Het gesprek ging die dag over het verlies van het zelf, over Plato’s vier soorten goddelijke waanzin, over waanzin in alle vormen; hij begon over de last van het zelf, zoals hij het noemde, en de reden waarom mensen het zelf willen verliezen…”. Alleen al hoe Julian Morrow, een Baudelaire-achtig type, van start gaat: “… Ik hoop dat we allemaal klaar zijn om de wereld der verschijnselen te verlaten en die van het verhevene binnen te gaan?...”. Of zijn pupillen ook niet vinden dat onze individuele ziel ons ongelukkiger kan maken dan wat ook? We willen er maar al te graag van af toch? Hoe verlies je jezelf? Door waanzin. De Erinyen of Furiën maken de mensen krankzinnig door hun al aanwezige eigenschappen tot in het extreme te versterken. Door liefde. Het opgaan in de ander. Door oorlog. Het opgaan in de vreugde van de strijd. Lees Xenephon. Lees Thucydides. Ook bij de Grieken werd oorlog gezien als gedeeltelijk bepaald door de wil van de goden (zie Willem Ouweneel in “Mozes, Messias, Mohammed” over het idee in zowel het christendom als de islam dat engelen meevechten in de strijd). Volgens Herodotus profeteert het orakel van Delphi inzake de Spartanen dat Apollo en Athena Nike ‘genood of ongenood’ aan hun kant komen meevechten. Bloedvergieten mag dan iets verschrikkelijks zijn, maar de bloedigste passages in Homerus en Aeschylus zijn vaak de schitterendste, aldus Julian. “… Welke beelden uit de poëzie staan in ons geheugen gegrift, van welke beelden houden we het meest? Juist die. De moord op Agamemnon en de toorn van Achillus. Dido op de brandstapel. De messen van de verraders en het bloed van Caesar; weten jullie nog hoe Suetonius beschrijft dat zijn lichaam op de baar wordt weggedragen, terwijl één arm neerhangt?’ ‘De dood is de moeder van de schoonheid,’ zei Henry. ‘En wat is schoonheid?’ ‘Ontzetting.’ ‘Mooi gezegd,’ zei Julian. ‘Schoonheid is zelden zacht of troostrijk. Integendeel. Echte schoonheid is altijd schokkend.’…”. Even verder: “… We denken dat we vele verlangens hebben maar in feite hebben we er maar één. Welke?’ ‘Om te leven,’ zei Camilla. ‘Om ééuwig te leven,’ zei Bunny met zijn kin in zijn handpalm…”. De toon is gezet.
Extase
Na de pauze gaat het over de vormen van waanzin die de goden ingeven: poëtische, profetische en dionysische. De laatste is verreweg de raadselachtigste: ‘religieuze extase’. De beschaafde vormelijke Grieken lieten zich vaak en masse meeslepen in de wildste vervoering: “… dans, razernij, doodslag, visioenen - voor ons, denk ik onomkeerbare vormen van klinische krankzinnigheid. Maar de Grieken, althans sommige, konden gek worden en weer normaal, naar believen…”. Er bestaat veel raadselachtige documentatie over. “… Volgens sommigen kwam het door vasten en bidden, volgens anderen was drank de oorzaak. Het feit dat het bij deze hysterie om een groepsproces ging had er in ieder geval ook iets mee te maken. En toch is het extreme karakter van het verschijnsel moeilijk te verklaren. Die extatische mensen vielen kennelijk in een niet-rationele, pre-intellectuele staat terug, waar de persoonlijkheid plaatsmaakte voor iets heel anders, en met ‘anders’ bedoel ik iets dat blijkbaar niet sterfelijk was. Onmenselijk…”. Richard: “… Ik dacht aan het toneelstuk de ‘Bacchae’ met zijn geweld en beestachtigheid waar ik bang van werd, net als van het sadisme van hun moordzuchtige god. Vergeleken met andere tragedies waarin, hoe meedogenloos ze ook waren, een herkenbaar rechtvaardigheidsprincipe heerste, was het een overwinning van het barbarisme op de rede: duister, chaotisch en onbegrijpelijk…”.
Als de stoppen doorslaan
Wij hebben beschaving verworven door de welbewuste onderdrukking van het oude, dierlijke zelf. Zie Karen Armstrong in “Compassie”. Julian vindt het ‘verkeerd’ het primitieve zelf van onze emoties en de driften te doden. Waarom? “… Omdat het gevaarlijk is het bestaan van het irrationele te negeren. Hoe beschaafder, hoe intelligenter en hoe geremder iemand is, hoe meer behoefte hij heeft aan een manier om de oerimpulsen, die hij moeizaam heeft onderdrukt, te kanaliseren. Anders zullen die taaie oude krachten zich ophopen en verhevigen totdat ze sterk genoeg zijn om los te barsten, door het uitstel des te sterker geworden en vaak machtig genoeg om de wil helemaal weg te vagen…”. Zie de Romeinse keizers. Tiberius, de lelijke stiefzoon van de goddelijke verlosser Augustus, die geacht werd in zijn voetsporen te treden. Natuurlijk lukte hem dat niet. Hoe hij ook zijn best deed, het was nooit goed genoeg. Het volk haatte hem. Uiteindelijk sloegen de stoppen door. “… Hij liet zich meeslepen door zijn perversies en hij stierf oud en gek, verloren in de lusthof van Capri: niet eens gelukkig, zoals je zou hopen, maar ellendig. Voordat hij stierf schreef hij een brief aan de Senaat: ‘Mogen de Goden en Godinnen mij treffen met een vollediger vernietiging dan ik nu dagelijks onderga.’ Denk eens aan de mannen die na hem kwamen. Nero. Caligula…”.
Romeinse logica
Het genie van de Romeinen en misschien tegelijk hun fout, was hun bezetenheid met orde, volgens Julian: “… Je ziet het in hun bouwkunst, hun literatuur, hun wetten: die heftige ontkenning van het duistere, het onredelijke en de chaos…” (zie ook: “De nieuwe Romeinen” van Gerhard Mehrtens). Daarom vindt hij het ook begrijpelijk dat ze de christenen genadeloos hebben vervolgd, terwijl ze anders zo tolerant tegenover vreemde religies stonden: “… wat een idee dat een gewone misdadiger uit de dood zou zijn verrezen, hoe stuitend dat zijn volgelingen hem vereerden door zijn bloed te drinken…”. Misschien waren ze niet alleen bang voor zoveel irrationaliteit maar voelden ze zich er tegelijk verschrikkelijk toe aangetrokken (dat denk ik ook altijd over christenen die diep in het occulte duiken om medechristenen ertegen te waarschuwen). “… Pragmatisten zijn vaak vreemd bijgelovig. Ondanks al hun logica leefden de Romeinen immers in grotere angst voor het bovennatuurlijke dan welk volk ook…”.
Absoluut vrij te zijn
De Grieken waren anders. Ze wisten dat het dom was de onzichtbare wereld en de oude goden te negeren. Dat we sidderen voor alles wat we mooi noemen is een typisch Grieks idee. “… En wat kan er huiveringwekkender en mooier zijn voor de zielen als die van de Grieken en van ons dan het volledige verlies van zelfbeheersing? De ketenen van het bestaan voor even af te werpen, de toevalligheid van ons sterfelijke zelf te vernietigen? Europides zegt over de Maenaden: hoofd achterover, keel naar de sterren, ‘meer herten dan mensen’. Absoluut vrij te zijn! We zijn natuurlijk heel wel in staat deze destructieve hartstochten op meer vulgaire en minder efficiënte manieren te botvieren. Maar hoe zalig moet het zijn om ze in één uitbarsting los te laten! Te zingen, te schreeuwen, blootsvoets te dansen in het bos in het holst van de nacht, net zo onbewust van je sterfelijkheid als een dier! Het zijn machtige mysteriën. Het loeien van stieren. Bronnen van honing die uit de grond opwellen. Als onze ziel sterk genoeg is kunnen we de sluier wegrukken en die naakte, verschrikkelijke schoonheid recht in het gezicht zien; laat God ons verteren, verzwelgen, onze botten verweken. En ons dan herboren uitspuwen…”. Dat is voor Julian de verschrikkelijke verleidelijkheid van het dionysische ritueel. Het vuur van het zuivere zijn. “… Iemand – was het Van Gogh? – zei dat oranje de kleur van gekte is…”.
Spelen
Dat Donna Tartt welbewust de Romantiek als filosofische stroming hanteert, blijkt onder andere uit het feit dat als Richard zijn studeren aanduidt als ‘werk,’ Julian hem corrigeert door op te merken dat wat zij doen ‘spelen’ is. Zie mijn vorige blog: Friedrich Schiller die mensen ‘gevaarlijke dieren’ noemt die moeten leren ‘spelen’. Het stikt van fragmenten als deze: “… Terwijl ik op mijn zij lag te staren naar een poel wit maanlicht op de houten vloer, bolden de gordijnen in een windvlaag op, lang en bleek als spoken. En de bladzijden van de ‘Parmenides’ ritselden alsof een onzichtbare hand erdoor bladerde…”. Ik ga niet het hele verhaal in “De verborgen geschiedenis” langs, dat moet je zelf maar lezen. Het is per slot van rekening een - weliswaar filosofische - thriller. Ik beperk mij tot de passages die te maken hebben met wat mij het meest interesseert: het dionysische.
Pneuma enthousiastikon
Julian Morrow begeestert. De Griekse cultuur stijgt het groepje studenten naar het hoofd. Op een gegeven moment vertelt Henry na een reeks geheimzinnige gebeurtenissen aan Richard hoe hij bezeten raakte van het idee samen met de groep een bacchanaal te houden. ‘Beauty is terror’: wat kan er huiveringwekkender en mooier zijn voor zielen van de Grieken en van ons dan het volledige verlies van zelfbeheersing? De helderziende krankzinnigheid van Plato. De dionisysche geestvervoering. “… De oude commentatoren zijn er heel terughoudend over. Met veel moeite lukte het me sommige van de gewijde riten te achterhalen – de gezangen, de heilige voorwerpen, wat je moest dragen, doen en zeggen. Het mysterie zelf was moeilijker: hoe kreeg je jezelf in die toestand, wat was de catalysator?...”. Ze probeerden van alles uit: “… Alcohol, drugs, bidden, zelfs kleine doses gif…”. Van lakens maakten ze tunieken: “… daar zaten we dan, midden in de nacht op de heuvel achter Francis’ huis, dronken, in chitons, Griekse hymnen te zingen als bij een soort ontgroening en ineens begon Bunny zo hard te lachen dat hij als een kegel omviel en van de heuvel rolde…”. Waken, vasten, plengoffers, er gebeurde niets. “… We hebben takjes dollekervel gebrand en de dampen opgesnoven. Ik wist dat de Pythia laurierbladeren kauwde, maar dat werkte ook al niet…”. Ze leken wel gek. Uiteindelijk besefte Henry dat hij mogelijk iets over het hoofd zag omdat hij zich vastpinde op de beschrijvingen van de Pythia “… de ‘pneuma enthousiastikon’, giftige dampen en dergelijke…”, in plaats van de bacchische methoden.
Zuiverheid
Want: “… om in dit of welk ander mysterie ook de god te ontvangen moet je in een staat van ‘euphemia’, rituele zuiverheid, verkeren. Dat is in wezen het bacchische mysterie. Plato heeft het erover. Voordat het goddelijke de overhand kan krijgen, moet het sterfelijke zelf – onze stoffelijkheid, het deel dat in ontbinding overgaat – zo schoon mogelijk worden gemaakt…”. Door symbolische handelingen: water over het hoofd gieten, baden, vasten. Maar ook dat had geen resultaat, omdat een religieus ritueel volgens Julian pas effect oplevert als het betekenis voor je heeft. Zoals de “Divina Comedia” voor iemand die geen christen is, ook onbegrijpelijk is. “… ‘Simpel gezegd,’ zei hij, ‘we geloofden niet. En geloof was de enige absoluut noodzakelijke voorwaarde. Geloof en totale overgave.’…”. Uiteindelijk besloten ze het nog één keer te proberen voor het weer omsloeg: “… We hebben drie dagen gevast, langer dan we ooit hadden gedaan. In een droom zag ik een boodschapper. Het liep allemaal gesmeerd, het stond te gebeuren en ik had een gevoel dat ik nog nooit had gehad, dat de werkelijkheid om ons heen zelf op een prachtige en gevaarlijke manier veranderde, dat we gedreven werden door een kracht die we niet begrepen, naar een bestemming die ik niet kende…”. Ze besluiten laat op een avond weg te glippen zónder Bunny, die alles altijd op het laatste moment verknalt.
God is een serieus iets
En het wérkte, zegt Henry eenvoudig: “… Het was hartroerend. Fantastisch. Toortsen, duizeligheid, zingen. Wolven huilden om ons heen en een stier loeide in het donker. De rivier was wit. Ik weet nog dat ik dacht dat het net een versneld afgedraaide film was, de maan werd vol en nam weer af, wolken vlogen langs de hemel. Wijnranken groeiden zo snel uit de grond dat ze zich als slangen om de bomen slingerden, seizoenen gingen in een oogwenk voorbij, het konden wel hele jaren zijn geweest... Ik bedoel, wij beschouwen verandering in de wereld der verschijnselen als het wezen van de tijd, maar dat klopt helemaal niet. De tijd is iets wat voorjaar en winter, geboorte en aftakeling, goed en kwaad trotseert, allemaal. Het is iets onveranderlijks en heerlijks en het is absoluut onverwoestbaar. Dualiteit bestaat niet meer, er is geen ego, geen ‘ik’ en toch heeft het niets van die vreselijke vergelijkingen die je in Oosterse religies soms hoort, dat het zelf een druppel water is die opgaat in de oceaan van het heelal. Het is meer alsof het heelal uitdijt tot de grenzen van het zelf. Je kunt je niet voorstellen hoe saai de alledaagse grenzen van het gewone leven lijken na zo’n extase. Het was of ik pasgeboren was. Ik wist mijn naam niet meer. Mijn voetzolen waren aan flarden, maar ik voelde het niet eens…”. Het zijn toch seksuele riten, vraagt Richard. “… ‘Natuurlijk,’ zei hij vriendelijk, bedaard als een priester met zijn donkere pak en zijn ascetische bril. ‘Dat weet je net zo goed als ik.’ We zaten elkaar een ogenblik aan te kijken…”. Of hij Dionysus heeft gezien? “… Je hebt geen idee hoe Dionysus eruitziet. We hebben het over God. God is een serieus iets…”, antwoordt Henry.
Razernij
Toen ze weer tot zichzelf kwamen, hadden ze geen flauw idee waar ze waren. Ze moesten eindeloos hebben gerend. “… Charles had een bloederige beet in zijn arm en hij wist niet hoe hij eraan kwam, maar het was geen mensenbeet. Te groot. En vreemde putjes in plaats van tandafdrukken. Camilla zei dat ze dacht dat ze een hert was; en dat was ook merkwaardig, want wij herinnerden ons dat we een hert achterna zaten door de bossen, kilometers ver leek het wel…”. Haar haar zat onder het bloed en de modder. Hun kleren hingen in repen aan hun lijf. Even verder: “… Daar stonden ze te hijgen, met glazige en agressieve ogen – ik herkende ze helemaal niet en we waren misschien wel gaan vechten, als de maan niet net achter een wolk vandaan was gekomen. We staarden elkaar aan. Het begon allemaal weer terug te komen. Ik keek naar mijn hand en zag dat die onder het bloed zat, en iets ergers dan bloed…”. Met andere woorden: de bacchantische furie eindigde in een slachtpartij. Zie ook Anya Niewierra die het gedrag van een oorlogsmisdadiger in “De Camino” uitlegt aan de hand van een spreeuwenwolk: “… Milan was tijdens de oorlog opgeslokt door de zwerm, hij had meegevlogen in een zwarte wolk, hij was opgegaan in een nieuwe vorm, in dat nieuwe wezen, en hij had zijn eigen stem en zijn eigen denken verloren, hij wás de zwerm geworden, en hij moordde binnen de zwerm. Maar de man die ik vorig jaar (…) weer ontmoette, had zich losgemaakt van de zwerm en was weer een individu geworden, een mens met een eigen geluid, met een eigen richting. Hij was weer de Milan uit mijn kinderjaren.”…”. Het duurde dagen voor de groep weer wat bij zinnen was. Kortom, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn.
Innocence lost
Achter het perfecte plaatje van het sjieke universiteitsleven blijkt zich een werkelijkheid schuil te houden waar de honden geen brood van lusten. Als er één doelgroep is die geen raad weet met het ‘zelf’ zijn het de studenten wel, die voornamelijk snuivend en zuipend door het leven gaan. Iedereen verschuilt zich achter een masker. Houdt de schijn op. Speelt - soms een hele geraffineerde - rol. Je zou kunnen zeggen dat de bubbel waar Richard Papen deel van uit maakt, aan eigen arrogantie, eigen hybris ten gronde gaat, zoals Prometheus, King Lear en Macbeth vóór hen. Hoogmoed komt voor de val. Richard zegt trouwens zelf dat hij een kei is in liegen. De uitverkorenen van Julian Morrow voelen zich mijlenver verheven boven het banale plebs. Zeker jonge mensen zijn gevoelig voor wijze leermeesters. Sterker, we zouden allemaal wel een ‘starets’ willen tegenkomen, iemand die ons de weg wijst door onze moeilijke levens. Maar in de literatuur gaat het meestal helemaal mis met zulke mentors: zie “De magiër” van John Fowles of “Op weg naar de Harz” van Wessel te Gussinklo. Ergens is “De verborgen geschiedenis” ook een soort ‘moraliteit’. Stel op prinsen géén vertrouwen. De groep valt uiteen onder de druk van wroeging, ziekmakende zelfkennis en angst. Het is hard ontwaken uit de waan.
Uitgave: De Bezige Bij – 2024, vertaling Barbara de Lange, 624 blz., ISBN 978 940 313 135 1, € 19,99
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :
Een reactie posten