Menu

vrijdag 27 juli 2018

De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld


Afgelopen zaterdag (21 juli) las ik een column in het Nederlands Dagblad waarin Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, beargumenteert dat het christendom onder andere niet meer aanspreekt omdat het “… zich zo hemeltergend braaf en burgerlijk presenteert – het ergst nog wel waar het poogt ‘eigentijds’ en voor moderne, politiek-correcte oren acceptabel te zijn…”. Zijn advies: “… Wil je iets snappen van de geestelijke nood en verlangens van deze generatie, van hun gevoeligheid voor een onverschrokken, robuuste mystiek, van hun hang naar broederschap en bravoure ook? Bezoek deze zomer eens een hardrockfestival…”. Nou, beste Anton, dat ga ik niet doen. Eigenlijk zoek ik bijna altijd de muziek op waarover gesproken wordt in een boek. En als het enigszins acceptabel is link ik het ook nog wel in mijn bespreking: zie mijn vorige blog. Want, zoals Baricco zegt: ieder verhaal heeft zijn eigen muziek. Maar ik moet bekennen dat ik de heavymethalmuziek waar in het overigens prachtige “Laat me niet vallen” van Willy Vlautin naar wordt verwezen zo’n satanisch gebrul vond dat ik er niet aan ben begonnen. Ik was veel te bang dat niemand meer verder wilde lezen. Gelukkig gooit de hoofdpersoon zijn CD’ s al gauw weg. Anton de Wit maakt een opstapje van ‘November Rain’ van Guns N’ Roses (‘dat wilden we allemaal wel, zo de kerk uit lopen’) naar Johanna Sadonis van de hardrockband Lucifer. Hij snapt ook nog wel dat Guns N’ Roses brave misdienaars zijn vergeleken met death en black metal. Maar Johanna Sadonis is anders nog steeds psalmgezang vergeleken met wat Vlautin mij liet horen, hoor. Ik pleit ervoor het over een andere boeg te gooien. Laten alle brave christenen vooral “De avond is ongemak” lezen. Over een gereformeerd boerengezin waarin nog de Terdege, het Reformatorisch Dagblad en de herziene Statenvertaling wordt gelezen. Jawel. En tegelijk ontspoort het verhaal aardig richting "American Psycho" (Bret Easton Ellis – 1991). Okay, het is het nog niet helemaal, maar er worden toch heel wat doodenge dingen in allerlei minieme lichaamsopeningen van zowel dieren als mensen gepropt – het minst erge, een punaise in een navel. Verder deed dit rauwe romandebuut me aan die andere ongemakkelijke Nederlandse grootheid denken: Floortje Zwigtman ("Wolfsroedel" - 2002). Het is verbijsterend wat er in van die lieve hoofdjes omgaat. Nu hebben niet alleen christenen last van braafheid. Vandaag (24 juli) stort de - door mij zeer gewaardeerde - auteur Maxim Februari ook al zijn gramschap uit over de ‘gestroomlijnde’ saaiheid der hedendaagse literatuur. In het NRC. Vast Marieke Lucas Rijneveld (1991) niet gelezen! Ontwaar ik hier zowaar een trend? Het zal toch niet waar wezen (big smiley)?!

God verhoort

“… Ik was tien jaar en deed mijn jas niet meer uit…”. Zo begint “De avond is ongemak”. Het deed me onmiddellijk denken aan “De moord op Commendatore” van Haruki Murakami, waarin de dertienjarige Marie Akigawa ook haar jas aanhoudt om zichzelf te beschermen. De ‘ik’ wordt ‘Jas’ genoemd. Ze heeft twee oudere broertjes en een jonger zusje. Het is zo koud dat hun moeder hun gezichtjes insmeert met uierzalf (daar had ik nog nooit van gehoord, terwijl ik toch heel wat boerderijleven ben tegengekomen): “… Die morgen, twee dagen voor kerst, bleef ik haar vettige duimen in mijn oogkassen voelen en even was ik bang geweest dat ze te hard zou duwen, dat mijn oogballen als knikkers naar binnen zouden rollen…”. Ook liggen er blauwe diepvrieszakjes klaar voor over hun sokken (zoiets ken ik wel, wij deden vroeger stro of kranten in onze klompen – onze buurvrouw stopte tot mijn opperste verbazing zelfs een uitgevouwen krant in haar gebreide onderbroek). Verontrust ziet Jas toe hoe haar vader haar konijn aan het vetmesten is terwijl ze aan het aankomende kerstdiner denkt: “… Hij hield zich anders nooit bezig met konijnen, hij vond ‘kleinvee’ meer iets voor op het bord en hield alleen van de dieren die zijn hele blikveld in beslag namen met hun aanwezigheid…”. Dieuwertje Blok kan zich vereerd voelen: “… Ondanks het feit dat hij een rammetje was, had ik hem vernoemd naar de krullenmevrouw van ‘Het Sinterklaasjournaal’ omdat ik haar zo mooi vond. Het liefst wilde ik haar boven aan mijn verlanglijstje zetten, maar ik wachtte er nog even mee, daarbij had ik haar ook nog niet zien staan in het krantje van de Intertoys…”. De televisie staat trouwens in een kast waarvan ze de deurtjes dicht kunnen doen zodat de familie en de dominee niet merken dat ze naar zondige dingen kijken. Ze hebben alleen Nederland 1, 2 en 3, want daarop komt geen ‘bloot’ voorbij. Jas ligt mokkend op de grond. Haar oudste broer wilde haar niet mee hebben naar een schaatswedstrijd op het meer waarvan ‘de overkant’ lonkt. Ze bidt of God alsjeblieft haar broer wil nemen in plaats van haar konijn. God verhoort.

Op schouders gedragen helden
Haar broer schaatst in een wak. Zijn verdrinkingsdood zet het gezinsleven totaal op z’n kop. De opgetuigde kerstboom, de kerstkransjes en de kerstrollade worden allemaal weggegeven: “… We hadden het touw om onze lichamen kunnen binden zodat we niet in plakjes uiteen zouden vallen…”. Vanaf dan wordt het boek een eindeloos poep- en piesverhaal. Jas plast in bad waarin haar moeder haar en haar zusje aan het wassen is als de veearts het afschuwelijke bericht komt brengen. Ze moet onderweg poepen als ze met haar vader op de tractor onderweg is om voederbieten op te halen, alhoewel ze liever thuis bij haar broer in de lijkkist was gebleven (stel dat hij in haar afwezigheid zou ontdooien): “… Mijn poep was van mij, maar eenmaal tussen de grassprieten van de wereld…”. Uiteindelijk hoeft ze niet meer: “… Ik kon mijn poep vasthouden, niets wat ik niet kwijt wilde hoefde ik vanaf nu nog te verliezen…”. Uit een interview maakte ik op dat Rijneveld op een melkveehouderij werkt waar ze de dag grotendeels doorbrengt met het opruimen van koeienstront. Waar je mee omgaat word je kennelijk mee besmet. Een paar weken geleden zei een psychiater tegen mij dat poep- en pieswanen vrij veel voorkomen. Volgens haar heeft dat te maken met het al dan niet onder controle houden van je leven. Een heel logisch verhaal, lijkt mij. Op naar de bieten, waarvan sommigen vanbinnen rot zijn: “… Het papperige wit dat op pus leek, kleefde aan mijn vingers bij het oprapen…”. De vader van Jas veegt zijn neus af aan zijn mouw als hij huilt: “… de stof zou net als de mouwen van mijn jas hard worden van opgedroogd snot…”. Honderden keren zeggen haar ouders tegen Jas dat ze moet ophouden met neuspeuteren, het helpt niets. Ik dacht aan de studenten met wie ik tijdens een hete zomervakantie op een rozenkwekerij werkte. Tijdens de pauzes begonnen ze zulke gore verhalen te vertellen dat ik ten lange leste mijn boterhammen zou laten staan: een nieuwe sport was geboren. Ze wisten niet dat ik op mijn zestiende al in een bejaardentehuis werkte. Hah. De baas, die tussen de middag bij zijn gezin thuis ging eten, zei tegen mijn moeder dat als er een meisje tussen al die jongens zou werken de laatsten zich vanzelf wat netter gingen gedragen. Enfin; Rijneveld even later naar aanleiding van de begrafenis weer zo mooi dat de tranen zich vanzelf bij mij aandienden: “… het enige wat die middag klopte was dat helden op schouders werden gedragen…”.

Moe en verpletterd

Vanaf dan noemt Jas de overgebleven kinderen inclusief zichzelf de ‘drie koningen’. Naar het kerstverhaal over de Wijzen uit het Oosten die op zoek gingen naar Jezus: “… want op een dag zullen we onze broer vinden, al moeten we er ver voor reizen en cadeaus meenemen…”. Al snel is duidelijk dat de vijf jaar oudere broer van Jas een eersteklas rotzak is. Grijnzend maakt hij in het zicht van zijn zusjes dieren dood. Een zorgwekkende blauwe streep siert zijn voorhoofd, vanwege het bonken tegen de bedrand tijdens zijn slaap. Jas zit in over haar moeder die niet meer eet: “… Af en toe ben ik bang dat het aan ons ligt, dat wij haar vanbinnen oppeuzelen, zoals bij de grote kaardespin. Daarover heeft de juffrouw tijdens de biologieles verteld dat zij zichzelf na de geboorte van haar jongen aanbiedt, de kleine, hongerige spinnetjes verslinden de moeder met huid en haar en laten nog geen pootje achter. Geen moment treuren ze om het verlies…”. Haar vader wil bij het naar bed gaan geen verhaaltjes meer vertellen over Jantje die altijd kattekwaad uithaalt: “… ‘Waar is Jantje?’ vraag ik dan. ‘Die is moe en verpletterd door verdriet.’ Dan weet ik meteen dat vaders hoofd moe en verpletterd is, omdat Jantje daar woont. ‘Komt hij nog terug?’ ‘Reken er maar niet op,’ zei vader vervolgens met terneergeslagen stem…”. Ze wil op school geen sukkel zijn: “… De sukkels zijn als dropjesstaafjes in een zak Engelse drop, iedereen laat ze links liggen…”. Niemand die interesse toont voor haar hart dat af en toe alle kanten uit bonkt: “… In moeders buik is mijn hart negen maanden belangrijk geweest, maar eenmaal uit de buik maakt niemand zich er meer druk om of het wel genoeg slagen per uur maakt, schrikt niemand op wanneer het even stilvalt of zo snel begint te kloppen dat er wel sprake moet zijn van angst of van spanning…”. En even verder over de vraag of haar vader een hart heeft: “… Ik kan me geen hart inbeelden achter zijn ribben, eerder een gierput…”. Tussendoor steeds weer, onverwacht ongelooflijk prachtig, over bijvoorbeeld de knotwilgen rondom de boerderij: “… De bomen staan in een rijtje met hun koppen gebogen richting mijn slaapkamer, als een groep ouderlingen die ons afluistert…”.

Huid tegen huid, honger tegen honger
Overal zindert seksualiteit tussendoor en bepaald niet zachtzinnig. Haar vader duwt zonder mankeren brokken groene zeep in haar anus om haar stoelgang weer op gang te krijgen, terwijl ze als een kalf op de bank ligt: “… Dan trekt vader aan de rand van mijn onderbroek, ten teken dat de procedure is afgerond, dat ik weer overeind kan komen. Hij veegt zijn vinger af aan zijn schipperstrui en pakt met dezelfde hand een plak kruidkoek van het dressoir, neemt een grote hap…”. En even verder: “… Soms, als mijn vader me welterusten komt wensen, steekt hij een tong in mijn oor. Het is minder erg dan de vinger met groene zeep, maar toch. Ik weet niet waarom hij dat doet, misschien is het net als bij de dop van het pak vanillivla die hij iedere avond schoonmaakt met zijn tong, hij vindt het anders zonde...”. Haar broer laat een hamster rondwoelen in zijn boxershort die hij later verzuipt in een glas water. Zijn seksuele spelletjes worden steeds bruter en sadistischer. Jas vraagt zich af of ze ‘tietloos’ blijft. Ze wil niet zoenen: “… Kussen is iets voor oude mensen, die doen dat als ze geen woorden meer kunnen vinden, dan snoeren ze elkaars lippen…”. Ze verlangt ook niet naar jongens. Ze verlangt naar zichzelf. Over het spiraaltje dat bij een foto van de eerste echo van Jas in het album is geplakt: “… Als ik vroeg waarom moeder haaientanden in haar had, zei vader: ‘Wees vruchtbaar en wordt talrijk, maar zorg wel eerst dat je genoeg slaapkamers hebt; dit was een noodoplossing, dat wist God, alleen jij was toen al zo koppig als een rund.’ Na mijn geboorte nam moeder geen spiraaltje meer. ‘Kinderen zijn een erfenis van de Heer’. Tegen erfenissen kun je geen nee zeggen…”. Haar vader en moeder maken doorlopend ruzie. Moeder banjert steeds vaker in haar badjas rond. Dreigt van de voersilo af te springen. Vader fietst nogal eens weg om nooit meer terug te keren. Iedere keer denkt Jas dat ze hem voort het laatst heeft gezien. Wat moet er dan van de drie koningen terecht komen? Geknuffeld wordt er niet meer. Tijdens de afwas gaat Jas dicht bij haar moeder staan, “… in de hoop dat ze me per ongeluk aanraakt als ze de koekenpan naar de uitgestalde borden op het aanrecht brengt. Even maar. Huid tegen huid, honger tegen honger…”. En een eindje verder: “… Naast voeding en kleding hebben we aandacht nodig. Dat lijken ze steeds meer te vergeten…”. Jas zoekt een 'verlosser'. Ik ben christelijk, maar ik ga niet flauw doen, ik zeg niets. Nadat Jas van haar broer een verhaal heeft gehoord dat padden pas na de winterslaap gaan eten als ze gepaard hebben, raakt Jas geobsedeerd door het idee dat haar moeder niet meer eet omdat haar ouders niet meer op elkaar liggen: “… We moeten iets doen aan de liefde hier in de boerderij…”. Ze vangt twee padden die ze in een melkemmer onder haar bureau verbergt om op een ritualistische manier de geslachtsdrift van haar ouders weer op gang te helpen: “… Vader en moeder zien onze tics niet. Ze hebben niet door dat hoe minder regels er zijn, hoe meer we deze zelf gaan verzinnen…”.

Leven met de dood
Jas’ fantasie is grenzeloos. Volgens haar zitten er een stel ondergedoken Joden in de kelderkast. Waarom brengt haar moeder er anders elke week twee plastic Dirk-zakken vol eten naar toe? Ze vreest dat ze pedofiel is vanwege haar interesse in de piemeltjes van haar buurjongetjes. Als haar zusje zegt dat alleen grijze mannen pedofiel zijn is dat een hele opluchting. Gelukkig is er in haar klas nog niemand grijs. Ze wordt bang voor alle ziektes die in ‘De Muzikale Fruitmand’ worden opgenoemd. Raakt gefixeerd op de dood: “… De regenworm is een van de sterkste dieren omdat hij doorgehakt nog gewoon verder kan leven, hij heeft wel negen harten…”. Op het platteland is er overal touw wat mensen op nare ideeën brengt. Jas plast steeds vaker in haar broek. Het natte ondergoed verstopt ze onder haar bed. Haar moeder ruikt toch niks vanwege haar van verdriet chronisch verstopte neus. Terwijl Jas naast een platgereden egel neerhurkt doet ze een in mijn ogen prachtig gebed: “…. Wees ons genadig God, wees ons nabij. Wij zijn hier op deze plaats samen om afscheid te nemen van egel, die zo ongenadig van ons werd weggenomen. Wij geven U dit gebroken leven terug en leggen het in Uw handen. Ontvang egel en schenk hem de rust die hij niet kon vinden. Wees voor ons allen een barmhartige en liefdevolle God opdat wij kunnen leven met de dood. Amen…”. En fijngevoelig over het judoblad van haar overleden broer die haar ouders steeds vergeten op te zeggen waardoor: “… iedere vrijdag weer zijn dood met een klap op de deurmat valt…”. Als het boerenbedrijf ook nog eens getroffen wordt door mond-en-klauwzeer is het hek helemaal van de dam.

De verbeelding aan de macht

Vader zegt dat ze een boer in plaats van een kalf als protest tegen het ruimen in een boom hadden moeten hangen. Had vast meer indruk gemaakt op die laffe heidenen. Moeder benadrukt zonder omwegen dat ze dood wil, terwijl ze haar arm tegen het gloeiende ijzer in de oven drukt. De drie koningen draaien om elkaar heen en halen uit als krijsende katten. Naar iedereen die ze tegen komen, dus ook naar jou. Ze vermoorden elkaar nog niet, maar daar is ook alles mee gezegd. Uiteindelijk lijkt er iets als een toekomst te gloren. Terwijl de ouderlingen, die eens in de week komen kijken of er ‘vrucht op de prediking’ is of ‘gewas na het gezwaaide woord’, met haar moeder een gesprek voeren in de voorkamer, weet Jas dat ze minstens een uur haar gang kan gaan, en voeren haar grillen naar een plot dat je plat slaat. Oh Jas, en ik was net zo van je gaan houden! De verbeelding aan de macht.

Uitgave: Atlas Contact – 2018, 272 blz., ISBN 978 902 544 411 2, € 19,99
Rechtsreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten