Menu

donderdag 28 februari 2019

Tiels Flipje en de snikkende sleutel

Alexandra van Steen & Menno van Vliet (tekst), Arie van Vliet (tekeningen)


Hèhè, even wat luchtigers. Kennen jullie “Flipje” nog? Op de eerste mooie zaterdag van deze maand kwamen we in Tiel terecht. Daar komt hij vandaan. Mijn vader kwam niet ver van Tiel, op een boerderijtje midden tussen de boomgaarden, ter wereld. Voor mijn gevoel stond het in een soort doolhof in the middle of nowhere. Als je niet beter wist zou je niet kunnen bevroeden dat er tussen al dat geboomte werd gewoond. Ik weet nog dat op de geheimzinnige, schemerige deel, die je over moest lopen voordat je in het voorhuis belandde, geen koeien stonden – zoals bij mijn andere opa en oma - maar grote kisten vol appels en peren. Het domein van een helle-hond van een beest: Sonnik. Mijn oma waarschuwde mij en mijn broertje altijd dat we in zijn buurt rustig moesten zijn omdat hij niet te vertrouwen was. Ik denk dat dat een truc was om ons een beetje mak te houden. Want toen de eerste kleurenfotootjes verschenen, zag ik er eentje waarop wij de grote zwarte loebas flankeerden, gekleed in eenzelfde knalrood truitje als wij, die onze tantes hem over zijn kop heen hadden aangetrokken. Ik denk niet dat een agressieve hond zich zoiets laat welgevallen. Flipje was alom aanwezig op de potten en flessen die uit de voorraadkast kwamen. De jam, de appelstroop, en niet te vergeten, de nieuwerwetse tweedrank, die alleen werd geschonken als er iemand jarig was. Wanneer de kruidenier een mand met boodschappen kwam brengen gooide hij Flipje-stickerspaarboekjes of sleutelhangers in de tent, die we van op de tafel gedrapeerde oude gordijnen en dekens hadden gemaakt. Ik denk dat we een jaar of vier waren, want we konden nog niet lezen - ik ben er een van een tweeling. We zaten als muisstille onderduikers rillend van opwinding te wachten of de vreemdeling ons zou opmerken. En dan verscheen daar ineens die enge hand. Dit keer wit in plaats van zwart (gehandschoend), zoals met Sinterklaas. Maar altijd strooiend met goede gaven. Voor mij staat Flipje sindsdien voor frisse en fruitige avonturen.


Waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat

Tiel dus. In het centrum bevonden we ons ineens tegenover het toch wel wat roetige standbeeld van het beroemdste ventje van de Betuwe. ‘Ze mogen hem wel eens schoonmaken’, zei ik tegen mijn man. Was hij altijd zo donker geweest? Vervolgens liepen we een prachtig tweedehands boekwinkeltje binnen, waar ik graag even reclame voor maak. DE BOEKENLEGGER, Vleesstraat 12. Een, twee, drie euro per boek - niks dus - en de opbrengst gaat naar straatkinderen in Tanzania. De uiterst vriendelijke verkoper wees ons op het kleine maar dappere Flipje-museum, bij de oude Waterpoort die een prachtig uitzicht biedt op de druk bevaren Waal, waar we een nostalgische visite brachten. Na voor de eerste keer dit jaar in de buitenlucht een terrasje te hebben gepikt keerden we met een Flipje-stripboek familiewaarts. Een moderne versie weliswaar. “Tiels Flipje en de snikkende sleutel”, uitgegeven in 2008, en maar liefst met een nawoord van Clemens Cornielje, commissaris van de Koningin in Gelderland. Het voor volwassenen natuurlijk uitermate flauwe (doelgroep basisschool), maar wel leuke verhaaltje, is gebaseerd op de vondst van een Romeinse sleutel die je in het museum kunt bewonderen. Geschiedenis is belangrijk, aldus Cornielje: “… Als we weten waar we vandaan komen en wat er is gebeurd in de geschiedenis is het makkelijker om te begrijpen hoe onze stad, onze provincie en onze maatschappij in elkaar zit…”. Geschiedenis leert je over het goede en kwade; waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat. Waarvan akte. Dat onderschrijf ik van ganse harte.


Minerva
Het verhaal. En saaie grijze zondag in oktober waarop de zon zich niet laat zien. Flipje (in 1935 met medewerking van een zomerfee geboren uit een grote frambroos) en zijn vriendjes – Flapoor Olifant, Bertje Big, Jasper Aap, Kroesje Beer en Mauwmauw – vervelen zich dood. Hun strenge hospita, Juffrouw Schaap, dreigt dat als ze niet iets nuttigs gaan doen ze nog wel een paar klusjes voor hen kan bedenken. Ze weten niet hoe gauw ze met z’n allen het huis uit moeten rennen. Ze besluiten naar een oude begraafplaats aan de rand van de stad te gaan kijken, waar archeologen mooie dingen hebben gevonden. Flipje las er een artikel over in de krant. Het bestaat uit afgegraven kleigrond, waar de humeurige Flapoor met zijn grote olifantspoten in blijft plakken. Verder is er weinig te zien. Plotseling horen ze zacht gesnik. Ze gaan op het geluid af. In de schemering struikelt Jasper Aap over iets onzichtbaars. Terwijl hij languit in de modder ligt ziet hij tot zijn grote schrik twee griezelige lichtjes. De rechtschapen Flipje denkt gelijk aan iemand die hulp nodig heeft. Nader onderzoek doet hen op een antieke sleutel stuiten. Ze schrikken zich rot als de sleutel begint te praten. Een zijkant bestaat uit een vrouwengezichtje, dat zich voorstelt als Minerva, de godin van vrede en rechtvaardigheid. Ze maant de vrienden aan zachtjes te praten, want de kop van de sleutel stelt een slapend everzwijn voor, de kwaadaardige Zwentibold, waarvoor ze doodsbang is. Hij mag niet wakker worden. Op de andere kant van de sleutel is het gezicht van een oude man afgebeeld. Drinkebroer Silenus. Volgens Minerva een aardige slaapkop waar je niets van te vrezen hebt. Minerva wil terug naar haar kistje, waarmee ze over de hele wereld reisde, om te proberen onrecht en oorlog te stoppen. Door een vloek van de wrede koning Zwentibold (in 900 tijdens een veldslag overleden en begraven in de abdij van Susteren in Limburg, waar hij echter als een heilige wordt vereerd) is ze op de sleutel terecht gekomen. Zwentibold pakte ooit, tijdens een feest, het kistje - dat zich voor niemand anders opende dan voor Minerva - af en toverde haar op de sleutel. Na zijn dood verscheen hij ook op de sleutel, zodat hij haar voor eeuwig in de gaten kan houden. De sullige Silenus kwam per ongeluk mee, omdat hij de ruziemakers destijds uit elkaar wilde halen. Maar ja, waar is het doosje gebleven?


Hoog water
Op naar het museum. Als er ergens een plek is waar zich oude dingen bevinden dan is het daar. Hoewel het al na sluitingstijd is horen Flipje en zijn vriendjes de deur met een krak open gaan. Minerva valt in zwijm als ze een oude steen met Romeinse inscripties ziet, maar het akelige zwijn opent juist zijn ogen, spreekt Jasper aan met ‘rare aap’, en daagt hem uit in een kastje te klimmen. Binnen no time is Jasper verdwenen. Zijn vriendjes bedenken zich geen moment, duiken ook allemaal het kastje in, en flitsen eveneens weg. Ze vinden elkaar terug in het jaar 1995, op een dijk die op doorbreken staat vanwege het hoge water. Iedereen is aan het evacueren. Het grappige is dat ik mij nog herinner dat ik destijds met mijn man bij het hoge water ben gaan kijken. Minerva vertelt dat ze nog veel verder terug in de tijd moet om het kistje te vinden waarmee ze de vloek die op haar rust kan verbreken. Echter, haar ontbreekt de toverkracht. Ze zal goede daden moeten verrichten om die aan te vullen. Of Flipje en zijn vriendjes haar willen helpen. Natúúrlijk willen ze dat. Ze helpen een boerinnetje haar spullen hoog en droog op de zolder te zetten voor als het water komt. Uit haar schortzak valt bijna een magische sleutel, die Minerva mag gebruiken om hen en zichzelf nog verder terug in de tijd te toveren.


Slag om Arnhem
Daarop komen ze midden in de Tweede Wereldoorlog terecht. Tijdens de Slag om Arnhem (17 – 24 september 1944). Naast de brug die hevig beschoten wordt ligt een gewonde soldaat. Die vertelt dat de Duitsers bezig zijn alle door de geallieerden veroverde huizen langs de rivier in brand te steken. In een van de kelders liggen zeker 200 gewonde militairen, zowel Engelse en Amerikaanse als Duitse. Flipje en zijn vriendjes krijgen het voor elkaar een tijdelijk staakt het vuren bij de Duitsers af te dwingen, om de gewonden af te voeren naar een noodhospitaal. Als ze naar de plek terug gaan waar ze de soldaat hebben achtergelaten is hij verdwenen. Ze vinden er alleen een hoorn en een geheimzinnig sleuteltje.


Lodewijk Napoleon
Vervolgens komen ze op de koets van de broer van keizer Napoleon Bonaparte terecht, die tijdelijk koning is van Nederland: Lodewijk Napoleon. Het is inmiddels 1810 en de vermoeide keizer, die overal aan de verliezende hand is, staat op het punt Nederland na vier jaar bezetting terug te geven. Flipje en zijn vriendjes maken kennis met ‘Tiel’, het hondje van Lodewijk Napoleon, die in Tiel zomaar in zijn diligence is gesprongen. De gemene Zwentibold laat plotseling van zich horen door luid te miauwen. Tiel schrikt zich te pletter en springt pardoes uit het koetsraampje, recht onder een groot wiel, wat hem een gebroken pootje kost. Gelukkig heeft Mauwmauw goed opgelet in het noodhospitaal en weet ze als een volleerd verpleegster het pootje met een rechte tak te spalken. Weer een goede daad gedaan. Als dank vindt ze om haar hals een kettinkje met een mooi sleuteltje.


Weeshuis
Dan flitsen ze naar de jaarmarkt van Tiel in 1563. Ze herkennen de Sint Caeciliakapel direct. Daar ontmoeten ze een paar zwerfkinderen. Weesjes. Minerva wordt zo verdrietig van hun verhaal dat ze zilveren tranen huilt. Bertje Beer beraamd een plan om met z’n allen zielige smartlappen ten gehore te brengen. Met het geld dat ze verdienen kunnen ze de stadhouder misschien bewegen een weeshuis te laten bouwen. De duiten vliegen in hun petten. Evenals de zilveren tranen van Minerva. Zwentibold probeert nog wel even met een rukwind de zilveren tranen weg te laten waaien, maar ze komen als zilveren regen weer naar beneden. En ja hoor; tussen de zilveren druppels vindt Flipje ook een raadselachtig sleuteltje in zijn hoed.


Tiel wordt Gelders
Terug naar 1339. Hertog Jan III van Brabant ligt constant in de clinch met Graaf Reinald II van Gelderland. Eindelijk is er een oplossing in zicht. Tiel zal geruild worden met Heusden. Tiel zal voortaan Gelders worden en Heusden Brabants. Maar Zwentibold is dol op oorlog en verwoesting en zorgt dat de papieren, die op het punt staan getekend te worden in een kasteel, door elkaar komen te liggen. Flipje en zijn vriendjes leiden de bewindslieden af, en leggen de formulieren op het laatste moment – pfff – weer goed. Aan een ijzeren harnas bengelt een leuk sleuteltje.


Vrede maken
1009. Tiel wordt geplunderd door de Vikingen. Jasper Aap boort gaatjes in hun drakenschip zodat hij onder water loopt als hij zwaar beladen is en tot zinken komt. Zeker als Flapoor, die blijkbaar goed kan zwemmen, er ook nog eens met zijn volle gewicht aan gaat hangen. Op een ton ligt alweer een sleuteltje voor het grijpen. Dat brengt hen terug naar een herberg, pal naast het kasteel van Zwentibold. Eindelijk is Minerva terug in haar eigen tijd. Ze wijst Flipje en zijn vriendjes naar de bergplaats van haar kistje en de vloek wordt verbroken. Ineens staan Minerva en Silenus in levende lijve voor hen. Het kistje opent zich en blijkt vol te zitten met sleuteltjes van vrede en voorspoed, die Minerva overal uitdeelt waar oorlog en onrechtvaardigheid dreigt. Flipje en zijn vriendjes krijgen het eerste sleuteltje, zodat ze nooit meer ruzie maken. Na een laatste treffen met de boze Zwentibold flitsen Flipje en zijn vriendjes weer naar hun eigen eeuw. Als ze op huis aan gaan, treffen ze hun buurmeisjes, zoals altijd verwikkeld in een hevige ruzie. Flipje geeft hun het sleuteltje. Hij vindt dat zij het harder nodig hebben dan hij en zijn vrienden. Als ze thuis komen is juffrouw Schaap net klaar met pannenkoeken bakken en blijkt er helemaal geen tijd te zijn verlopen. Terwijl ze zich vol proppen vliegen op straat de buurmeisjes elkaar gillend in de haren. Allebei willen ze het sleuteltje voor zichzelf. Vrede maken, dat moet je toch vooral zelf doen, zegt Flipje.


Uitgave: PrimaMedia – 2008, 40 blz., ISBN 978 907 721 717 7

zondag 24 februari 2019

Het labyrint van de wereld en het paradijs van het hart
Jan Amos Comenius


In de uitverkoopbak van een gerenommeerde boekhandel graaide ik laatst tot mijn stomme verbazing een werk van Jan Amos Comenius (Moravië, 1592 - Amsterdam, 1670) te voorschijn. Dat sloot wel heel erg aan op mijn vorige blog over Tijl Uilenspiegel en de Dertigjarige Oorlog – zie hier. Comenius was namelijk de eerste grote pedagoog uit de westerse geschiedenis en zocht als protestant, evenals de Winterkoning, zijn toevlucht in ons tolerante landje. “Het labyrint van de wereld”, gevolgd door “Het paradijs van het hart”, is een allegorische satire over een pelgrim die nergens in de wereld rust vindt. Tot hij rijp is voor een grote innerlijke ommekeer. Het lijkt derhalve op “De christenreis naar de eeuwigheid” van de Engelse puritein John Bunyan, maar is veel makkelijker en eigenlijk ook veel leuker om te lezen. Comenius schreef zijn werk toen hij eenendertig jaar oud was. Hij droeg het op aan Karl von Žerotín, een Moravische landsheer die op zijn kasteel onderdak bood aan vierentwintig geestelijken die de heersende denkpaden hadden verlaten en daardoor in moeilijkheden waren gekomen – evenals Comenius zelf. Zijn huis werd door vuur vernietigd. Zijn hele bibliotheek en talrijke manuscripten verbrandden. In 1621 overleden ook nog eens zijn eerste vrouw en twee kinderen aan de pest.

Het labyrint van Kreta

Het verhaal start met een jongeman die de leeftijd heeft bereikt waarop hij onderhand een beroep moet gaan kiezen, maar geen flauw idee heeft wat. Dus besluit hij de wereld in te trekken om het een en ander met eigen ogen te aanschouwen. Al gauw dienen zich twee bereidwillige gidsen aan. De ene heet ‘Overalbij’. Volgens hem is de wereld nog erger dan het labyrint van Kreta, maar geen nood, hij kent alle verborgen plaatsen. De andere heet ‘Verblinding’. Hij stelt zich voor als de tolk van de koningin van de wereld, door de een ‘Wijsheid’ door de ander ‘IJdelheid’ genaamd. Hij zorgt dat over alles een aangenaam licht valt, want anders zou iedereen maar gek worden van ellende. Voor de pelgrim het weet gooit Alweter een soort toom over zijn hoofd met een bit dat uit ‘halsstarrigheid’ is gesmeed en riemen die uit ‘nieuwsgierigheid’ bestaan. Niets zo wispelturig als de mens, meent Alweter. Nu weet hij tenminste zeker dat de pelgrim zijn zoektocht niet voortijdig zal staken. Verblinding zet hem ook nog een bril op zijn neus die vervaardigd is uit ‘vooroordeel’ en ‘gewoonte’. Gelukkig staat hij scheef, en kan de pelgrim onder de glazen door gluren. Allereerst nemen ze de pelgrim mee naar een hoge toren waaruit hij de wereld kan overzien, die verbeeld wordt als een grote stad, verdeeld door zes hoofdstraten. Iedere stand heeft een eigen straat: de huisgezinnen, de handwerkslieden, de geleerden, de geestelijken, de overheid en de ridderstand. Als de pelgrim het allemaal goed in zich opneemt merkt hij al gauw dat alle rollen nogal door elkaar heen en in elkaar overlopen.

Speculare
Als ze gedrieën langs de wenteltrap naar beneden lopen, komen ze in een zaal vol jonge mensen terecht waar het ‘Lot’, een grimmige oude man, iedereen een willekeurig briefje uit een pot laat trekken. Daarop staat wat voor werk ze moeten gaan doen. De pelgrim vraagt ontheffing en krijgt dat ook. Hij mag een tijdje rondkijken. ‘Speculare’ staat er op zijn papiertje: ‘zie rond’ of ‘onderzoek’. Daarna lopen ze naar het marktplein waar de pelgrim versteld staat van de bonte verscheidenheid aan gepeupel. Jong, oud, wit, bruin, dun, dik, arm, rijk, individualisten, groepsmensen: “… Terwijl ik dus opmerkzaam rondkeek, zag ik dat zij niet alleen qua gelaat, maar ook qua lichaam op verschillende manieren misvormd waren. Zonder onderscheid hadden allen puisten, roven en uitslag. Bovendien bezat de één een zwijnenlip, een ander hondentanden of ossenhorens, weer een ander ezelsoren of baselikogen en er waren er ook met een vossenstaart en de klauwen van een wolf. Ik zag enkelen met een hoog opgetrokken pauwenhals, anderen met een opgestreken kuif als van een hop, nog anderen met paardenhoeven enzovoorts. De meesten echter leken op apen. Ik schrok ervan en zei: ‘Ik zie immers louter monsters?’…”. Allemaal dragen ze een masker in het bijzijn van anderen en allemaal doen ze hun uiterste best op te vallen zonder ooit naar elkaar te luisteren. De grootste schreeuwers lopen zelfs op stelten om zich boven anderen te verheffen. Sommigen hebben een spiegel bij zich waarin ze zich voortdurend van achteren en van voren bekijken. De meesten zijn met onzinnige zaken bezig. Ze vallen en struikelen voortdurend, zonder dat ze het in de gaten hebben. Iedereen is het liefst met nieuwe dingen bezig, maar voor ze ook maar iets op poten hebben staan, wordt het door een ander alweer omver gehaald. En dwars door alles heen loopt de man met de zeis, waar niemand rekening mee houdt.

De vrijwillige slavernij van het huwelijk

Een grappig hoofdstuk gaat over de echtelijke staat. Op een plein lopen alle vrijgezellen elkaar eerst te keuren. Een en ander kost sommigen zoveel hoofdbrekens dat ze er letterlijk knetter van worden. Als ze eindelijk iemand gevonden hebben waarmee ze zich willen verloven worden ze in manden gezet en gewogen, om te kijken of ze met elkaar in evenwicht zijn. Een mooie hoed en een gevulde beurs kan van grote invloed zijn. Is dat oké, dan worden ze met ketens aan elkaar vastgeklonken die van zijn levensdagen niet meer los zijn te maken. En dan begint de ellende. Wat als de man links en de vrouw rechts wil? “… Soms haalde de man de overwinning en sleurde de vrouw achter zich aan, ofschoon zij zich aan aarde, gras en allerlei uitsteeksels probeerde vast te klampen. Soms evenwel moest de man achter de vrouw aan lopen, hetgeen bij de voorbijgangers de lachlust opwekte…”. Om maar te zwijgen over het krijsende, snotterige, stinkende kroost dat zich gaandeweg bij hen aansluit. Als de moeders tenminste de bevallingen overleven. En wanneer een kind al de rijpere leeftijd bereikt wordt het werk dubbel zo zwaar: want o, die puberteit – ook toén al…

Verwijfd
Daarna steekt de pelgrim zijn licht op bij de handwerkers. Hij ziet hoe ze zich voor ongeveer noppes en onder veel gevaar te barsten werken. En waarom? Alleen om zichzelf vol te proppen met lekker eten? Geld vliegt je beurs harder uit dan dat het er in valt. “… Omdat een weinig zeer eenvoudige spijs en drank toereikend zijn om het menselijk lichaam te onderhouden, weinig en eenvoudige kleding om het te bedekken en een eenvoudig stulpje om het te beschutten, volgt daaruit dat slechts geringe zorg en moeite – zoals inderdaad in oude tijden de gewoonte was – daarvoor nodig zijn…”. De pelgrim trekt met koopmannen de wijde wereld in, maar merkt dat als ze niet bezwijken van kou of hitte, ze wel overvallen worden door rovers. Hij sluit zich aan bij de koopvaardij. Maar zijn de zeelieden niet overgeleverd aan windstilte, dan steekt er wel een storm op. Na schipbreuk te hebben geleden besluit hij nooit meer een voet op een schip te zetten. Hij moet niet zo ‘verwijfd’ doen, bromt de bemanning.

Alle wijsheid van de wereld dwaasheid bij God
Waarschijnlijk is de stand van de geleerden meer iets voor hem, besluiten zijn gidsen. Om toelatingsexamen te doen is er een flinke zak geld nodig. Ook moet je het je laten welgevallen dat je lichaam van alle kanten wordt misvormd (waarschijnlijk doelt Comenius hier op de zogenoemde depositis scholastica, een in de zeventiende eeuw gebruikelijke lichamelijke kwelling van de novieten door oudere studenten, waarvan de ontgroening een overblijfsel is). Het blijkt dat alle snoevende geleerden elkaar tegenspreken en de grootste bek het voor het zeggen heeft. De meeste artsen houden zich hoofdzakelijk bezig met kwakzalverij. En ach, de filosofen: “… Bion had zich rustig neergezet, Anacharsis wandelde rond, Thales vloog, Hesiodus ploegde, Plato joeg door de lucht zijn ideeën na, Homerus zong, Aristoteles disputeerde, Phytagoras zweeg, Epimenidus sliep, Archimedes hief de aarde uit haar voegen, Solon schreef wetten en Galenus recepten voor, Euclides mat de zaal op, Kleobulus poogde de toekomst te doorgronden, Periander stippelde de plichten uit, Pittacus voerde oorlog, Bias bedelde, Epictetus bediende, Seneca, zelf te midden van tonnen goud zittend, verheerlijkte de armoede, Socrates verklaarde openlijk dat hij niets wist, Xenophon daarentegen beloofde aan iedereen alles te zullen leren, Diogenes gluurde uit zijn vat en beschimpte allen die voorbijkwamen, Timon verwenste iedereen, Democritus lachte bij dit alles en Heraclitus huilde erbij, Zeno vastte, Epicurus gaf zich aan brasserijen over en Anaxarchus zei dat al deze zaken slechts schijnbaar en niet in werkelijkheid bestonden…”. Tenslotte fluistert Paulus van Tarsus de pelgrim in het oor dat alle wijsheid van de wereld dwaasheid is bij God.

Navolging
De pelgrim gaat langs bij alchemisten die vruchteloos op zoek zijn naar de steen der wijzen. Hij wordt beetgenomen door de lege beloften (alles weten zonder in dwalingen te vervallen, alles in overvloed bezitten zonder enig gebrek te lijden, vele duizenden jaren leven zonder ziekte en grijze haren) van de geheime broederschap der Rozenkruisers. Hij komt bij verwaande rechters terecht die “… trachtten uit te vinden hoe iedereen niet alleen zijn eigendom het beste kon beschermen, maar ook een deel van het goed van een ander op vreedzame wijze aan het zijne kon toevoegen zonder de maatschappelijke orde en eendracht in gevaar te brengen…”. Hij ziet dat het verkrijgen van titels tijdens promoties vaak een zaak is van omkoperij. En hoe de Joden worden uitgelachen en bespot om de pietluttigheid van hun denkbeelden. In het wit geklede en goed gewassen moslims houden desondanks zeer gewelddadig huis. De pelgrim ziet wel wat in de christelijke kerk, maar hij merkt dat de geestelijken het volk naar de mond praten, en dat de gelovigen in plaats van Jezus na te volgen nog erger zondigen dan de heidenen. De priesters wentelen zich in wellust en de bisschoppen zijn druk met rentenieren, in plaats van dat ze hun ondergeschikten beteugelen in het kwaad. Naast de kerk zijn allerlei kapelletjes opgetrokken waar verschillende sekten een net weer iets ander voorschrift verkondigen dan de gebruikelijke. Als de rooms-katholieke leer wordt aangevallen weten de schuchtere geestelijken zich amper verbaal te verdedigen, en stenigen, verdrinken, of vernietigen hun tegenstanders liever te vuur en te zwaard: wie niet horen wil moet voelen. Als de pelgrim zelf de kansel beklimt en een preek ten beste geeft, merkt hij dat zijn toehoorders amper luisteren, het niet met hem eens zijn en hem bespotten.

Wie hoog troont kan diep vallen

De tocht gaat verder langs met handen en voeten gebonden vorsten, partijdige raadgevers, opgeblazen bureaucraten, zorgeloze bestuurders en incompetente handhavers. De pelgrim komt in een arsenaal terecht waar hij het wapentuig ziet waarover het leger beschikt: “… Het was vervaardigd van ijzer, lood, hout en steen dat gesmeed of bewerkt was om te steken, neer te houwen, te snijden, spietsen, slaan en knijpen, hoofden te klieven, te scheuren, te branden, in één woord te moorden…”. Hij maakt van dichtbij een veldslag mee: “… Nu eens werd de een, dan de ander een hand, een voet of een hoofd afgerukt, men viel over elkaar heen en alles baadde in bloed…”. Als dank mogen de soldaten zoveel zuipen, vreten en seksen als ze willen. Degenen die het dapperst zijn worden in de ridderstand verheven en verwerven bepaalde privileges. Ze mogen onder andere drijfjachten houden en de boeren tot herendiensten pressen. Als je genoeg geld meebrengt kun je het ridderschap ook afkopen. Hij bekijkt de nieuwsboden en merkt op dat er niets vluchtiger is dan het nieuws, terwijl de nieuwsopinies er alleen maar voor zorgen dat mensen elkaar in de haren vliegen. Dan bereikt de pelgrim het slot van Fortuna. De hoofdpoort, ‘Deugd’ genaamd is ingestort en begroeid met doornstruiken. Daarom zijn er in de muur enkele zijingangen gehakt, en wel: Huichelarij, Leugen, Vleierij, Oneerlijkheid, List, Geweld enzovoort. Lukt het je al hier doorheen te komen, dan moet je nog het geluk hebben door een rad volkomen toevallig opgepikt te worden, om op een hogere verdieping te belanden. Op de bodem van het kasteel verblijven degenen die letterlijk gekluisterd zijn aan hun goud. Op de middelste verdieping huizen de genotzuchtigen. De drinkebroers en smulpapen die zich te goed doen tot ze er misselijk van worden. De luiaards. De feestvierders. Degenen die zich bezig houden met sport en spel - maar ook dat word je zat op den duur. En dan zijn daar nog natuurlijk de hoereerders, die allemaal syfilis oplopen. Op de bovenste verdieping zetelen de groten der aarde. Maar er wordt zo op hen gelet dat ze zich amper durven te bewegen. Hun status geeft meer last dan lust. Wie hoog troont kan diep vallen. Als kers op de taart kun je ook nog proberen onsterfelijk te worden door je naam te vereeuwigen in de geschiedenis. Maar ach, zowel goeden als slechten worden herinnerd. En of de manier hóe op waarheid berust is maar de vraag.

Lucht en leegte
Omdat niets in de wereld de pelgrim kan bevredigen nemen zijn gidsen hem uiteindelijk mee naar het paleis van Wijsheid waar de koningin der wereld zetelt. Ze klagen hem aan en noemen hem een zure knorrepot. De koningin nodigt hem ten langen leste uit deel te nemen aan de geheime gang van zaken rond haar verheven troon. Hij staat aan de grond genageld als de Bijbelse koning Salomo in al zijn luister aan komt zetten. Deze wil niets minder dan hare majesteit huwen. Edoch, koningin Wijsheid is Gods eigen gade, dus er valt niets te trouwen. Daarop zet Salomo zich zuchtend neder om te kijken wat precies het verschil is tussen wijsheid en dwaasheid, want ook hem bevalt niets onder de zon. Een grappig hoofdstuk beschrijft hoe ondanks alle politieke retoriek alles bij het oude blijft. Er worden wel wetten tegen allerlei zonden vervaardigd, maar als die zonden een andere naam krijgen, gaat iedereen weer frank en vrij zijn gang. Dronkenschap wordt Aangeschoten dan wel Vrolijkheid. Gierigheid wordt Spaarzaamheid. Woeker wordt Interest. Wellust wordt Liefde. Hovaardigheid wordt Waardigheid. Wreedheid wordt Gestrengheid. Luiheid wordt Goedaardigheid. Enzovoorts. De vertegenwoordigers van alle standen komen om verruiming van hun vrijheden vragen. Voortaan mogen ze allerlei titels voor hun naam schrijven: ‘hooggeleerd’, hoogachtbaar’, ‘eerwaardig’, ‘hoogedelgeboren’, ‘doorluchtig’, enzovoorts. De pelgrim: “… De schitterende buit die u meent behaald te hebben bestaat slechts uit een paar pennenkrassen op een blad papier…”. De armen, die zich beklagen over hun gebrek, wordt toegestaan zich met ‘onverdroten ijver’ omhoog te werken. De arbeidzamen krijgen de toezegging dat zij voortaan geen aandacht meer hoeven te besteden aan hen die de kantjes er van aflopen. De geleerden en beroemdheden krijgen ter meerdere eer en glorie een steen op hun graf toegezegd. De overheden mogen ter voorkoming van een burn-out plaatsvervangende ambtenaren aannemen. Klagende onderdanen wordt toegezegd dat als ze door bereidwilligheid en inschikkelijkheid de gunst van hun opzieners weten te verwerven, hen geen strobreed in de weg zal worden gelegd om zich daarover te verheugen. De staatslieden en rechters mogen als nieuwe regel hun eigen en algemeen welzijn goed in het oog houden. En de gehuwden moeten een nieuw advies vooral geheim houden: de vrouwen regeren voortaan binnenshuis en de mannen buitenshuis. Salomo ontmaskert de koningin en haar bestuur welsprekend, ‘IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid’, oftewel ‘lucht en leegte’, en stampt woedend met zijn gevolg de zaal uit. De pelgrim stalkt hem een tijdje, en ziet dat zelfs deze briljante vorst zich inlaat met wellust, en zich vermaakt met wel duizend schone deernen. Jaloersheid steekt de kop op. Opstand breekt uit. Alles eindigt uiteindelijk in een inferno van haat en geweld. De pelgrim beseft dat het nooit beter zal worden op aarde. Iedereen is gedoemd te sterven. Er zit maar één ding op: de wereld ontvluchten.

Hemel op aarde

Het tweede deel, “Het paradijs van het hart”, is een veel korter boekje. Daarin vertelt de pelgrim hoe hij uiteindelijk op aandrang van een stem van buiten zich gedesillusioneerd opsluit in zijn kamer en de weg naar binnen inslaat. In zijn innerlijk ontwaart hij ondanks alle duisternis toch een streepje licht. Als hij zich hierop concentreert wordt het licht steeds helderder en is daarin een gestalte zichtbaar: Jezus. Hij leert dat zijn lichaam een tempel is, verlicht door de Heilige Geest. Hij leert ook dat als hij zich richt op God hij vrij is van alle gedoe waarin hij op aarde verzeild raakte. Wanneer je God lief hebt boven alles en je naaste als jezelf heb je verder helemaal geen wetten en regels meer nodig. Al het andere is ondergeschikt en onbelangrijk. Er is zeker wel een hemel op aarde, maar dat is nergens anders te vinden dan in je eigen hart. Comenius omschrijft zijn prachtige verhaal als “… een duidelijke beschrijving hoe in deze wereld en al haar aangelegenheden niets heerst dan dwaling en verwarring, onzekerheid en nood, leugen en bedrog, angst en ellende en tenslotte afkeer van alles en vertwijfeling. En hoe hij, die zich met God de Heer alleen in de woonstede van zijn hart binnensluit, zelf tot ware en volle vrede van het gemoed en tot blijdschap komt…”. Ik heb zijn boek in een vertaling van R.A.B. Oosterhuis uit 1983 gelezen. Inmiddels heeft uitgeverij Vantilt een nieuwe uitgave op de markt gebracht, waar vertaler Kees Mercks aan heeft meegewerkt, en het verhaal wat hipper wordt gebracht. Erik van den Berg in De Volkskrant van 14 mei 2016: “… 'Wat mij tot schreiens toe bewoog' (Benthem Oosterhuis) wordt bij Mercks 'Iets waarom ik wel kon janken', van het grootvaderlijke 'Dwaas die ge zijt' maakt hij het amicale 'Hé malle' en de verzuchting 'God behoede ons' verandert in een wel zo krachtig 'Allemachtig'…”. Deze uitgave is tevens geïllustreerd met werk van de Tsjechische graficus Miroslav Huptych die 12 collages maakte naar aanleiding van “Het labyrint van de wereld”.

Uitgave: Vantilt – 2016, 288 blz., ISBN 978 946 004 262 1, € 19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 20 februari 2019

Tijl – Daniel Kehlmann


Hubert Lampo zegt ergens dat Vlamingen een anarchistische inborst hebben. Dat zou je wel denken ja. Zie de avonturen van Reinaert de Vos in de buurt van Hulst, uit mijn vorige blog, en bijvoorbeeld ook die van Tijl Uilenspiegel. Volgens het boek dat Charles de Koster in 1867 aan de laatste wijdde zou hij geboren zijn te Damme. In deze Nederlandse versie neemt de potsenmaker tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) de katholieke Spanjaarden op de hak. Maar zijn prototype bestond al veel eerder. Uilenspiegel duikt voor het eerst op rond 1350. Hij stamt uit de Saksische folklore. Zijn graf valt dan ook niet alleen in Damme, maar ook in het Duitse Mölln te bewonderen. Kehlmann, die eerder naam maakte met de bestseller "Het meten van de wereld", plaatst zíjn “Tijl” middenin de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).

God ziet alles en billijkt weinig

Een onzichtbare verteller beschrijft hoe Tijl Uilenspiegel op een mooie lentedag zijn stadje aandoet, dat nog steeds door de oorlog is gespaard. Iedere dag danken ze er God, de heiligen en alle andere onzichtbare wezens die er verder nog toe doen, voor. Tijls roem is hem al vooruitgesneld. Iedereen heeft van hem gehoord. Met zijn huifkar getrokken door de pratende ezel Origenus, zijn zus Nele die zijn zus niet is en een oude vrouw zonder naam, rijdt hij het plein op. Hij zingt en danst met Nele, speelt toneel en voert politieke spotdichten op. Over de oorlog, de Winterkoning en over de liefde - vooral over de liefde. Binnen no time heeft de gladjanus het toegestroomde volk compleet in zijn macht. Voordat het tot een ware orgie komt begint Nele het ‘Agnus Dei’ te zingen. Iedereen valt op zijn knieën, want God ziet alles en billijkt weinig. Als knaller op de vuurpijl loopt Tijl over een koord dat van de kerktoren naar een vlaggenmast is gespannen. Vanaf zijn hoge positie beveelt hij het gepeupel hun rechter schoen uit te trekken. Als gehypnotiseerd beginnen de mensen met hun schoenen te gooien en te slaan. Het eindigt in een enorme vechtpartij waar Tijl gierend van het lachen tussenuit knijpt. Alleen de oude Louise sist dat Tijl onheil over hen afroept. Dat ze te maken hebben met een bezwering. Ze krijgt gelijk. Even daarna komen er uitgehongerde soldaten opdagen die de vrouwen verkrachten, de mannen doden en alles plat branden. Alleen Tijl weet dat ze ooit hebben bestaan.

Toverspreuken en pentagrammen
Het daaropvolgende hoofdstuk springt terug in de tijd. Tijl Uilenspiegel is een kleine molenaarszoon die opgroeit in een keiharde, armetierige, bijgelovige wereld. Ze leven op gortepap en dunbier. Zijn vader, Claus, is een dromer die zich liever het hoofd breekt over de oneindigheid en de raadselachtigheid van het bestaan, dan over de domme boeren waarvoor hij het graan maalt, en hem weigeren een hand te geven omdat hij niets voorstelt. Ze liggen alleen aan zijn voeten als ze ziek zijn. Vanwege zijn geneeskundige gaven. Hij kent de werking van kruiden. Ooit heeft hij les gehad van een handlezer annex geestenbezweerder. Een dominee leerde hem lezen. Hij weet welke toverspreuken boze geesten weg jagen. De deurposten van de molen zitten onder de pentagrammen. Als katholiek kwam hij ooit uit het Lutherse noorden gezwalkt. Toen de bundel met boeken die hij onderweg bij elkaar had gestolen te zwaar werd om mee te zeulen, besloot hij een vaste standplaats te kiezen. Dus werd hij molenaarsknecht. En trouwde hij met de levenslustige molenaarsdochter. En toen haar vader stierf werd hij zelf molenaar. Tijl lijkt het vreemde van zijn vader te hebben geërfd. Hij oefent eindeloos met koorddansen en leert zichzelf jongleren met steentjes. Hij ruziet met de knecht die hem nog nét niet vermoordt, naait anderen een oor aan als hij de kans krijgt, en wordt zo goed als gek wanneer hij met een lading meel alleen wordt achtergelaten in het bos omdat zijn moeder moet bevallen. Van de zoveelste baby die dood gaat. Pas de volgende dag wordt hij vermist en gaan ze hem zoeken.

Heksenmeester
Op een zeker moment staan er twee jezuïeten voor de deur: Oswald Tesimond, doctor in de medicijnen, theologie en chemie met als specialiteit drakologie. Niet dat hij ooit oog in oog gestaan heeft met een draak, want daar zijn ze veels te schuw voor. Juist het feit dat draken zich niet laten zien bewijst dat ze bestaan. En doctor Athanasius Kircher, doctor in occulte tekens, kristalkunde en muziek. Beiden historische figuren. Blij met gelijkgestemden van doen te hebben praat de naïeve molenaar op alle mogelijke manieren zijn mond voorbij, en wordt door de heren ingerekend als heksenmeester. Samen met een oude vrouw die zijn volgeling zou zijn. Onder de meest gruwelijke folteringen bekennen ze wat de doctoren jezuïten maar willen. Ze worden verhangen tijdens een openbare rechtszitting. De moeder van Tijl moet haar woonplaats verlaten en ziet geen kans langer voor haar zoon te zorgen. Daarop vlucht Tijl de bossen in. Samen met zijn vriendinnetje Nele, die een toekomst waarin ze zal worden uitgehuwelijkt en hetzelfde onverbiddelijke lot moet ondergaan van alle vrouwen om haar heen (eindeloos kinderen krijgen, een man die haar slaat, werken tot ze er bij neervalt), niet ziet zitten. Eerst sluiten ze zich aan bij een talentloze balladezanger. Later bij een duivelse kunstenmaker.

Narrenvrijheid
Vervolgens komen de belevenissen van de corpulente graaf Oswald von Wolkenstein (ook al een bekende naam, alleen kloppen zijn tijdgegevens niet: degene die ik ken leefde van 1376/77 tot 1445) aan de orde, die op gevorderde leeftijd aan zijn autobiografie zit te werken. Hij vertelt hoe het Weense hof hem er met een stel dragonders op uit stuurt om de legendarische grappenmaker Tijl Uilenspiegel op te sporen. Hij vindt hem in een geruïneerd klooster waar de abt overleeft op een dieet van waardigheid, wilskracht en zelfdiscipline, zoals hij zelf zegt. Hij trekt de zoom van zijn pij omhoog en laat de graaf een afzichtelijk boetekleed van jute, stalen doornen, glasscherven en opgedroogd bloed zien. Gewenning zou de huid van een olifant kweken. Als de graaf eindelijk Tijl tegenover zich heeft gaat dat zo: “… ‘Ben jij Tijl Uilenspiegel?’ ‘Een van ons tweeën moet het zijn. Kom je me halen?’ ‘In opdracht van de keizer.' 'Welke keizer? Er zijn er zoveel.’ ‘Nee, dat is niet waar! Waarom lach je?’ ‘Ik lach niet om de keizer, ik lach om jou. Waarom ben je zo vet? Er is toch niks te vreten, hoe doe je dat?' 'Hou je mond,’ zei de dikke graaf en hij werd meteen kwaad omdat hem niets gevatters te binnen schoot…”. Tijl gaat zonder mankeren mee, hij heeft niets te verliezen. Bovendien zit hij al lang genoeg te wachten. Hij scheldt de graaf uit voor papzak en vadsige spekhond: “… Dat majesteitje van jou, die oerstomme majesteit met zijn gouden kroon op zijn gouden troon heeft over mij gehoord omdat ik daarvoor heb gezorgd. Niet slaan, ik mag dat zeggen, je weet toch wat narrenvrijheid is. Als ik jouw majesteit niet oerstom noem, wie doet het dan? Iemand moet het doen. En jij mag het niet…”.

Een hel waarvoor geen woorden zijn
Op de terugweg komen ze midden in een veldslag terecht. Een hel waarvoor geen woorden zijn: “… Franz Kärnbauer liet zich van zijn paard vallen, verbaasd zag de dikke graaf hem door het gras rollen en hij vroeg zich af of hij dat ook moest doen, maar hij zat hoog en op de grond lagen harde stenen. Karl von Doder was hem vóór, hoewel hij gek genoeg niet naar één maar naar twee kanten sprong, alsof hij niet had kunnen kiezen en van beide mogelijkheden gebruikmaakte. De dikke graaf dacht dat hij droomde, maar toen zag hij Karl von Doder werkelijk op twee plekken liggen: het ene deel rechts, het andere links van zijn paard, en dat aan de rechterkant bewoog nog…”. De zinnen weigeren te doen wat de graaf wil. Daarom steelt hij ze van anderen: “… In een geliefde roman vond hij een beschrijving die hem goed beviel en als mensen er bij hem op aandrongen de laatste veldslag van de grote Duitse oorlog te beschrijven, vertelde hij wat hij in Grimmelhausens ‘Simplicissimus’ had gelezen. Het paste niet helemaal omdat het in die roman om de slag om Wittstoch ging, maar daar stoorde niemand zich aan, niemand vroeg er iets over. Wat de dikke graaf niet kon weten, was dat Grimmelhausen de slag bij Wittstoch weliswaar zelf had meegemaakt, maar dat ook hij die niet had kunnen beschrijven en in plaats daarvan zijn zinnen uit een door Martin Opitz vertaalde Engelse roman had gestolen, waarvan de schrijver nooit ofte nimmer bij een veldslag was geweest…”. Het grappige is natuurlijk dat Kehlmann het zelf ook niet zo nauw met de waarheid neemt.

De Winterkoning
Tijl en Nele blijken ook nog een tijdje te zijn opgenomen in de niets voorstellende hofhouding van Frederik van Bohemen, de zogeheten ‘Winterkoning’, die na een koningschap van slechts één winter in Praag, samen met zijn vrouw Liz, als ballingen hun heenkomen zochten in Den Haag. Tegen alle adviezen in had de protestantse Frederik de Boheemse koningskroon aanvaard, op initiatief van Liz: “… ‘Gebruik je verstand,’ zei ook zij. Daarna liet ze een lange seconde verstrijken voordat ze eraan toevoegde: ‘Hoe vaak krijgt iemand een troon aangeboden?’…”. De vertegenwoordigers van de katholieke keizer werden uit het raam van de Praagse burcht gegooid, maar overleefden omdat ze in een hoop stront waren gevallen: “… Onder kasteelramen lag altijd veel stront, dat kwam door de vele po’s die elke dag werden geleegd. De ellende was alleen dat de jezuïeten daarna overal in het land verkondigden dat de functionarissen waren opgevangen door een engel die hen zachtjes op de grond had gezet…”. En zo barstte er een zoveelste godsdienstoorlog los. De eenzame, teleurgestelde, Engelse prinses Elizabeth, een slimme tante, probeert van haar huwelijk te maken wat ze kan: “… Ze begreep dat hij haar nooit zou vergeven. Niettemin zou hij van haar blijven houden, zoals zij ook van hem hield. De essentie van het huwelijk was niet alleen dat je samen kinderen had , maar bestond ook uit alle leed dat je elkaar had aangedaan, alle fouten die je samen had gemaakt, alle dingen die je elkaar de rest van je leven kwalijk nam...”. Wat vooral aan hem tegenviel was zijn onverbeterlijke domheid. Het verhaal keert zich naar de eerste huwelijksnacht. Liz die van toeten nog blazen geweten had en haar eega een draai om zijn oren gaf toen hij haar vastberaden beetpakte: “… ‘Doe niet zo raar!’ Hij probeerde het weer en ze duwde hem zo hard weg dat hij tegen het dressoir tuimelde. Er viel een karaf in scherven en ze zou zich haar hele leven de plas herinneren die zich op het intarsia vormde en waarop als kleine bootjes drie rozenblaadjes dreven. Het waren er drie, dat wist ze nog precies…”. Het grappige is dat Frederik later in het verhaal precies hetzelfde denkt over zijn ‘arme, lieve, naïeve’ gemalin - iedereen legt de wederwaardigheden in zijn leven altijd ten eigen voordele uit. Hoe verlegen en angstig ze was geweest in de bruiloftsnacht. Hoe hij zijn armen had uitgespreid om haar naar zich toe te trekken en daarbij een karaf rozenwater van het nachtkastje had gestoten. Het had alle betovering gebroken. Hij herinnert zich de plas water met daarop, drijvend als een bootje, de rozenblaadjes: “… Het waren er vijf. Dat wist hij nog precies…”. Trouwens, volgens hem had hij juist Liz overtuigd dat de Boheemse troon hem toekwam. Zoals hij ook alle anderen had moeten overtuigen…

Stank, honger, kou
Er komt geen eind aan de grappen en grollen van Tijl. Hij geeft koningin Liz zelfs een leeg oftewel wit schilderij, met de opdracht aan iedereen te vertellen dat het een ‘magisch’ geval is. Dat alle dommerikken, dieven, huichelachtigen en bastaards er niets op kunnen zien. Kijken wat er dan gebeurt! Nou, iedereen voelt zich dus hoogst ongemakkelijk. Natuurlijk snappen de meesten wel dat ze bedonderd worden waar ze bij staan, maar ze weten niet of Liz in het verhaal gelooft. Op een zeker moment vergezelt Tijl de Winterkoning op audiëntie naar het legerkamp van de protestantse Zweedse Gustaaf Adolf. Hij is druk bezig met het bevrijden van de Duitse staatjes die zuchten onder het keizerlijke katholieke juk. Zelden las ik zo’n verpletterend verslag over wat je je moet voorstellen bij zo’n zeventiende-eeuws leger van huursoldaten die ook nog eens hun liefjes en gezinnen meenamen (waar konden ze anders blijven?). De allesoverheersende stank die je van heinde en ver tegemoet komt. Nergens een hond te bekennen: iedereen die kan rennen is weggevlucht. Frederik die denkt dat het sneeuwt, maar het zijn asdeeltjes van de platgebrande bossen die door de lucht zweven. De honger. De kou. Langs de kant van de weg hopen donkerbruin vuil: de uitwerpselen van honderdduizend mensen: “… Hij had het gevoel dat hij de stank zelfs kon zien: een giftige gele verdikking van de lucht…”. De stank van etterende zweren. Van gewonden. Van teringlijders. Van hopen dode kinderen, allemaal onder de vijf jaar, de lucht er omheen zwart van de vliegen. Gustaaf Adolf steekt trouwens de draak met de gevluchte koning. Van hem hoeft hij niets te verwachten. Op de terugweg sterft Frederik aan de pest.

Duits geloei
Zijn weduwe vraagt, als ze Tijl heel veel later nog een keertje terugziet, of hij mee terug gaat naar Engeland, maar daar begint hij niet aan: “… Het goede theater had ze het meest gemist, van het begin af aan, meer nog dan fatsoenlijk eten. De Duitse landen kenden geen echt theater, ze hadden alleen armzalige komedianten die schreeuwend door de regen huppelden, scheten lieten en elkaar een pak rammel gaven. Dat kwam waarschijnlijk door de logge taal; Duits was geen taal voor het theater, het was een brouwsel van klaaglijke klanken en hard gegrom, het was een taal die klonk alsof iemand zijn best deed niet te kokhalzen, alsof een koe een hoestbui had, alsof het bier dat iemand had gedronken er door zijn neus weer uit kwam. Wat kon een dichter met zo’n taal beginnen? Ze had zich aan de Duitse literatuur gewaagd, eerst aan die Opitz en daarna nog aan iemand anders van wie ze de naam was vergeten, ze kon ze niet uit elkaar houden, die lui die altijd Krautbacher of Engelkrämer of Kargholzsteingrömpl heetten, maar als je met Chaucer was opgegroeid en John Donne gedichten aan je had gewijd – ‘fair phoenix bride’ had hij haar genoemd, ‘and from thine eye all lesser birds will take their jollity’ over haar geschreven -, dan kon je, al was je nog zo beleefd, niet zomaar doen alsof dat Duitse geloei iets voorstelde…”. Uiteindelijk komen we ook ietsje meer te weten over de trauma’s die Tijl opliep in zijn jonge jaren. Hij heeft zijn vader verraden. Werd verkracht door een stelletje landlopers (Boeren? Soldaten?). Samen met Nele vergiftigde hij de psychopatische jongleur waar ze zich aan hadden uitgeleverd: “… De kunst was de vliegenzwam en de amaniet te mengen, want ze waren allebei wel dodelijk, maar apart smaakten ze bitter en vielen ze op. Als je ze in één gerecht verwerkte, vermengden de aroma’s zich tot iets zoets wat zo lekker was dat je niets in de gaten had…”. Geen wonder dat Tijl geen rust kent, nooit normaal doet en zich aan niemand kan hechten – ook niet aan jou als lezer. Eigenlijk weet je aan het eind van het verhaal nog steeds niet wie hij werkelijk is. Hij heeft het veel te druk met het leven steeds een stap vóór te zijn. Op alle vlakken een echte koorddanser dus . Maar in ieder geval weet je wel wat meer van de in onze contreien vrij onbekende Dertigjarige Oorlog.

Uitgave: Querido – 2017, vertaling Josephine Rijnaarts, 352 blz,ISBN 978 902 141 551 2, € 12,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 13 februari 2019

De schelmenstreken van Reinaert de Vos – Koos Meinderts



Hubert Lampo, die op zoek ging naar het verdwenen boek “Madoc” (zie mijn vorige blog), waarop ene Willem - bijna zeker de schrijver - verwijst in het Middelnederlandse dierenepos “Van den Vos Reynaerde”, herinnerde mij aan een prachtig uitgegeven prentenboek van Koos Meinderts. Daarin heeft hij het verhaal over Reynaert verwerkt voor kinderen vanaf een jaar of tien. Alhoewel onder het nodige voorbehoud. Het boek begint met een waarschuwing: “… Het lezen van de schelmenstreken van Reinaert de Vos kan ernstige schade toebrengen aan de tere kinderziel…”. Een betere aanbeveling bestaat er niet, volgens mijn charmante stadsgenote boekhandelaar Margreet de Haan, die het een tijdje geleden enthousiast onder de aandacht bracht in De Wereld Draait Door – zie hier. Het leuke is dat er twintig bekende kinderboekillustrators aan deze bijtend satirische zotteklap hebben meegewerkt, waardoor het een waar kunstwerk is geworden.


Fiezelevozen
Reinaert is inderdaad vreselijk! Terwijl hij onder het eten van een kipkluifje zijn eigen kroost bedondert tijdens een spelletje monopoly – hij jat een briefje van duizend uit de bank – houdt Koning Nobel in zijn tuin de jaarlijkse Hofdag. Allerlei dieren doen hun beklag over Reinaert. Een bekakt hondje vertelt dat hij zijn ‘saucisson’ heeft gestolen: “… 'Een sauciwatte?' 'Een saucisson! Een peperdure Franse worst'…”. Isegrijn de Wolf stelt zelfs dat Reinaert zijn vrouw op een bijzonder onfrisse manier heeft bepoteld. En het allerergste: zijn kinderen waren er bij. Mooi, aldus Zijne Majesteit, dan zijn er tenminste getuigen. Helemaal niet, jammert Isegrijn, de rotzak heeft ook nog eens zijn bloedjes van kinderen in de ogen gepiest zodat ze stekeblind zijn. Grimbaart de Das neemt het voor Reinaert op. Hij is tenslotte zijn oom. Volgens hem heeft Isegrijn de Wolf zelf Reinaert in zijn slaapkamer toegelaten. “… Dat was omdat ie zich had voorgedaan als vertegenwoordiger in naaimachines…”, verdedigt Isegrijn zich dubbelzinnig. Ergens anders gebruikt Meinderts voor het buitenechtelijke gescharrel van Reinaert het prachtige woord ‘fiezelevozen’. Reinaert is zich echter naarstig aan het beteren volgens Grimbaart: hij leeft als een monnik en eet inmiddels vegetarisch. Als er ook nog eens een begrafenisstoet van een door Reinaert doodgebeten kip voorbijkomt (zietuwel: hij heeft haar niet opgegeten, pleit Grimbaart), is Koning Nobel helemaal klaar met hem. Bruun de Beer krijgt de opdracht Reinaert op te gaan halen en voor het gerecht te slepen.


Wil je dat nooit meer doen!
De slimme Reinaert brengt het hoofd van Bruun de Beer op hol door hem honing te beloven, verborgen in de gespleten stam van een boom, die wordt opengehouden door een paar wiggen. Natuurlijk zijn ze er door de geslepen vos van te voren in geslagen. Als Bruun zijn kop in de boom steekt trekt Reinaert de wiggen eruit en zit Bruun klem. Wanneer de dorpsbewoners hem ontdekken, gaat er een gejuich onder hen op, en slaan ze hem een voor een op zijn dikke kont, aleer hij zich los kan trekken. De volgende die Reinaert moet bewegen naar het hof te komen is Tibeert de Kater. Omdat hij zo slim is, fleemt Koning Nobel. Tibeert voelt zich zeer vereerd. Dat gaat eveneens mis. Ondertussen wordt er ook nog een flinke sneer uitgedeeld richting de geestelijkheid, die zich blijkbaar niet anders gedroeg dan in onze dagen. Tibeert loopt namelijk tijdens een muizenjacht in de pastorie in een val en krijst alles bij elkaar. Daarop rennen de pastoor en zijn huishoudster in hun blootje uit een toch al verdacht piepend bed: “… Tibeert keek omhoog naar het klokkenspel van mijnheer pastoor en haalde met zijn vrije poot vlijmscherp uit. De pastoor vloekte alle heiligen uit de hemel. ‘Wil je dat nooit meer doen!’ riep Julocke tegen Tibeert. ‘Straks heb ik niks meer aan mijnheer pastoor!’…”. In de middeleeuwen waren ze niet zo zoetsappig. Uiteindelijk zit er niets anders op dan dat Grimbaart de Das zijn oom gaat halen.


Doodstraf

Reinaert heeft geen zin om mee te gaan. Hij is net een potje mens-erger-je-niet aan het spelen: gooit drie en verzet zijn pion vier plaatsen, zodat hij veilig binnen is. Grimbaart dreigt dat als hij niet meekomt het leger op hem wordt afgestuurd en hij met zijn hele gezin zonder proces zal worden opgeknoopt. Hij heeft geen keus. Omdat ze onderweg geen priester zien, biecht Reinaert tegenover zijn neef een waslijst aan zonden op, die hem als penitentie met een stevige tak veertig stokslagen geeft. Eindelijk verschijnt Reinaert de Vos, nederig maar niet heus, voor de rechtbank. Hij wordt veroordeeld tot de doodstraf en mag als laatste wat zeggen. Jan en alleman zijn de schuld dat hij zo slecht is geworden, oreert hij welbespraakt. En het was in zijn geval niet eens nodig het verkeerde pad op te gaan, want hij is immers de bezitter van een grote schat. Voor wie het wil weten: een kist vol zilver en goud welteverstaan. Koning Nobel weet niet wat hij hoort! Reinaert wil er wel meer over kwijt maar eist dat de koningin er bij wordt gehaald, want het is een gruwelijk verhaal dat ook haar aangaat. Waarschijnlijk denkt hij dat de emoties van een vrouw makkelijker te bespelen zijn dan die van een ijzervreter als Koning Nobel.


Uit liefde

Fluisterend vertelt Reinaert dat hij de schat van zijn vader en vier andere samenzweerders heeft gepikt. Om te voorkomen dat Koning Nobel van de troon werd gestoten. De schat was bedoeld als bloedgeld. Om tijdens de staatsgreep de dienaren aan het hof om te kopen: “… Ik zal u de details besparen, majesteit,’ besloot Reinaert zijn verhaal. ‘Maar het is iets met vlijmscherpe messen, een Koninklijke keel en heel veel blauw bloed.’ De koning greep verschrikt naar zijn hals, terwijl naast hem de koningin wit wegtrok…”. Volgens Reinaert heeft zijn vader zich verhangen toen hij er achter kwam wat zijn zoon had geflikt. Als de eerste de beste Judas. Nou ja, hij was toch al niet bepaald een voorbeeld. De koning gelooft geen snars van zijn verhaal. De koningin heeft medelijnen met Reintje. De laatste speelt het spel van verdeel en heers perfect en gaat er uiteindelijk lachend in vrijheid vandoor. Want hoewel Koning Nobel zijn manen schudt vanwege de naïviteit van zijn egaa, en vreest dat hij spijt zal krijgen als haren op zijn hoofd, laat hij Reinaert toch vrij: “… ik zal naar je luisteren, vrouw. Uit liefde, enkel uit liefde!...”. Het volk dat massaal is toegestroomd vanwege de feestelijk verwachte ophanging druipt teleurgesteld af. Reinaert vertelt de koning dat de schat te vinden is bij de Kriekenput in het lugubere Hulsterbos. Hij zou wel mee willen om hem aan te wijzen maar hij was juist van plan op bedevaart te gaan. Naar Rome. Hij had ooit een priester verkocht aan de duivel, dus het werd hoog tijd de paus om vergiffenis te vragen.


Kan wel even duren
Reinaert wijst zijn beschuldigers aan als de samenzweerders en krijgt het zelfs voor elkaar dat de koning een stevige tas laat snijden uit het berenvel van Bruun, die in de gevangenis belandt. En twee paar wolvenleren schoenen van de poten van Isegrijn, die daar ook komt te zitten. Hij vraagt of Belijn de Ram hem een stuk op zijn pelgrimstocht mag vergezellen als kapelaan. En ook Cuwaert de Haas, gewoon vanwege de gezelligheid. Thuis wordt Cuwaart opgevreten door Reinaert en zijn kroost. De kinderen spelen mikado met de afgekloven botjes. Zijn kop wordt met een zogenaamd belangrijke brief in de pelgrimstas gestopt en Belijn de Ram krijgt de opdracht het geval naar de koning te brengen. Zijne Majesteit ontploft bijna van woede als hij door heeft dat hij er voor de zoveelste keer in is geluisd. In optocht gaat het naar de burcht Malpertuus, het kasteel van Reinaert, waar het volgende briefje op de deur is geprikt: “… Ben op wereldreis. Kan wel even duren. Voor dringende zaken kunt u terecht bij mijn vriend Koning Nobel. Was getekend, Reinaert de Vos…”. Nah, als dít verhaal onder onze jeugd de eeuwige liefde voor literatuur niet kan opwekken weet ik het niet meer. Het deed me denken aan een antropologisch onderzoek waarover ik vandaag een krantenartikeltje las. Een team onder leiding van Oliver Scott Curry van de Universiteit van Oxford heeft zeshonderd documenten bestudeerd uit zestig culturen waaruit ze concluderen dat vrijwel alle mensen leven volgens zeven morele basisregels. Ongeacht hun religieuze achtergrond. "... Help je familie, help je groep, vergeld slechte daden, wees dapper, heb respect voor ouderen en je superieuren, verdeel schaarse middelen eerlijk en respecteer het bezit van anderen...". Behalve de Chuuk, een volk in de Stille Oceaan, waar diefstal gezien wordt als dapper en een teken van oprechtheid. Maar uitzonderingen bevestigen de regel. De studie is de eerste fase in een uitgebreider onderzoek: "... We ontwikkelen nu theorieën over hoe en waarom die basisprincipes zich ontwikkelen. Later gaan we dan bekijken of die theorieën kloppen...". Dat weten we dan ook weer.


Voor wie van fietsen houdt is er een leuke Reynaertroute uitgezet in Vlaanderen: zie hier

Er bestaat zelfs een heus Reynaertgenootschap: zie hier

Uitgave: Hoogland & Van Klaveren – 2018, 48 blz., ISBN 978 908 967 273 5, € 17,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 9 februari 2019

Arthur / Kroniek van Madoc – Hubert Lampo


Vanmorgen werd ik wel héél vrolijk wakker. Terwijl ik met mijn eerste beker koffie de ochtendkrant doorbladerde stuitte ik op een artikeltje over de ontdekking van een dertiende-eeuwse tekst aangaande koning Arthur, in de bibliotheek van Bristol (ND, 05.02.2019). Wat wil het geval: ten eerste loopt mijn dochter momenteel stage in Bristol. Ten tweede: ik had net een ontzettend leuk boekje over koning Arthur gelezen. Van Hubert Lampo. Gevonden op mijn rommeltochten door kringloopwinkels. Jawel. In het krantenbericht wordt verteld dat ene Michael Richardson, van de universiteit van Bristol, op zoek was naar materiaal voor zijn studenten aan de master ‘geschiedenis van het boek’. Hij vond een oud theologisch geschrift (zestiende eeuw) dat gekaft was met papier waarop allerlei bekende namen uit de Arthurromans stonden: Arthur, Merlijn, ridder Gawain. Het bleek om tot nu toe onbekende fragmenten op totaal zeven bladen te gaan. In het oud-Frans. De tekst beschrijft een veldslag bij het Zuid-Franse stadje Trèbles, in de buurt van de bekende vestingstad Carcasonne, dat een jaar geleden nog in het nieuws was vanwege een gijzelingsdrama in een supermarkt, door een geradicaliseerde ISIS-aanhanger. De fragmenten gaan onder andere over tovenaar Merlijn, die de manschappen van koning Arthur aanvuurt en naar de overwinning voert, door middel van een banier waarop een draak is afgebeeld die echt vuur spuwt. Fantastisch toch?! Wetenschappers gaan de zwaar beschadigde bladen met moderne technieken proberen leesbaar te krijgen en te publiceren. De tekst is vooral zo bijzonder omdat ze een van de bronnen moet zijn geweest voor “Le Morthe d’Arthur” van Thomas Malory, waarop vrijwel alle latere Arthurlegenden zijn gebaseerd.

Over het zoeken naar betekenis

Waarom gaat mijn hart sneller kloppen zo gauw het om onderwerpen als Koning Arthur, de ridders van de Ronde Tafel en de Heilige Graal draait? Volgens Hubert Lampo omdat het om archetypen a là Jung gaan, die diep in onze ziel begraven liggen. Op de achterflap van het onderhavige boek: “… De Keltische verhalen over Koning Arthur en de ridders van de Tafelronde vormen een van de vitaalste mythen van de Europese cultuur. Ze hebben sinds de middeleeuwen in vrijwel alle talen van Europa tot de verbeelding van dichters en schrijvers gesproken. De queeste naar het raadselachtige wonder van de Graal is de meest treffende allegorie voor de menselijke opdracht om vanuit de gedoemde, demonische werkelijkheid een ideaal te bereiken…”. Mooier kan ik het natuurlijk niet beschrijven. Je moet niet naar geluk, je moet naar betekenis streven, zou relatietherapeut Esther Perel zeggen. Dan houd je het onder de meest benarde omstandigheden vol. Zie ook Viktor E. Frankl over “De zin van het bestaan”. Lampo benadert Koning Arthur niet als wetenschapper, maar als romancier. Zoals Shusaku Endo “Jezus”, zeg maar.

Arthur, koning voor eens en altijd
Heeft Koning Arthur echt bestaan? Lampo begint te vertellen over een kroniek van Herman Doornik, de “Miracula Sanctae Mariae Laudunensies”, waarin verteld wordt hoe het stadje Bodmin in Cornwall in het jaar Onzes Heren 1113 uit zijn provinciale rust wordt gewekt door een indrukwekkende groep Franse geestelijken. Ze komen helemaal uit Laon gewandeld, met een schrijn waarin zich de wonderdadige relieken van de Heilige Maagd bevinden. Ze zouden genezende kracht hebben. De geestelijken hopen hiermee geld in te zamelen voor de herbouw van hun in de fik gevlogen kerk. Eén van de plaatselijke gelovigen vertelt een kanunnik over Koning Arthur die nog steeds zou leven. De kanunnik verklaart de verteller voor mesjogge, waarop de hem omringende simpele vrome zielen zo kwaad worden, dat een handgemeen ternauwernood kan worden voorkomen. Van even na 1100 dateren meerdere Britse heiligenlevens waarin Arthur figureert. In het “Leven van de H. Gildas” zou Arthur de broer van Gildas, ene Hueil, hebben gedood. In het “Leven van de H. Caranogg” heeft Arthur een kostbaar altaar gestolen om het op een godslasterlijke manier als eettafel te gebruiken. En in het “Leven van de H. Padernus” roofde Arthur een als relikwie beschouwde tunica die Padernus van de Patriarch van Jeruzalem zou hebben gekregen. Kortom, de kerk beschouwde Arthur als een woeste heidense koning, hoe geliefd hij bij het gewone volk ook mag zijn geweest. Omstreeks 410 trokken de Romeinen zich terug van het Britse eiland omdat ze hun handen vol hadden aan de oorlogen op het vasteland, en werd de Britten officieel meegedeeld dat ze voortaan zelf hun boontjes moesten doppen. Daarop volgde een politieke strijd tussen de Keltische nationalisten en de Romeins-gezinden. Lampo denkt dat Arthur een aanvoerder was onder de Keltische hoofdman Vortigern, die in het jaar 520 de binnengevallen Saksen een grondige nederlaag bezorgde.

Dux bellorum
Verder besteedt Lampo aandacht aan de “Annales Cambriae” (Annalen van Wales), die rond 950 verschenen. Daarin staat dat in 518, tijdens de slag van Badon, Arthur drie dagen lang ‘het kruis van Onze Heer Jezus Christus op de schouders droeg’, en de Britten ‘de zegepraal behaalden’. En dat in 539 Arthur en Modred geveld werden in de slag van Camlann, terwijl de dood heerste in Engeland en Ierland. Waarschijnlijk slaat dat op de gele koorts of de builenpest, die in de zesde eeuw haast onafgebroken de westerse wereld teisterden. Dan bestaat er nog een Welshe elegie, de “Goddodin” van Aneirin, een bard die het heeft over een vechtmachine die zoveel vijanden velt, dat de raven er zich aan konden verzadigen, ‘ofschoon de genoemde krijger niet Arthur was’. In 829 duikt Arthurs naam opnieuw op in de “Historia Brittonum”(Geschiedenis van de Britten) van ene Nennius. Een eigenaardig verhaal vertelt over een voorhistorische hoop stenen, een zogenaamde ‘cairn’, waarin Arthurs hond Cabal een pootafdruk heeft nagelaten terwijl zijn meester jacht maakte op het mythische everzwijn Twrch Trwyth, uit andere Keltische verhalen. Ook gaat het over een grafheuvel, Licit Anir, waar de (bastaard)zoon van Arthur, een zekere Anir, ligt begraven. Door Arthur zelf vermoord en ter aarde besteld. Verder vertelt Nennius over twaalf veldslagen waarin Arthur steeds de overwinning behaalde. Daarna moeten we tot 1125 wachten voordat Arthur weer in een serieuze historische context voor de dag komt in de “Historia Regum Andlorum” (Geschiedenis van de Engelse Koningen) van William van Malmesbury, die hem voor het eerst charismatische eigenschappen toedicht. Volgens de overlevering kwam Arthur rond 460 à 470 in de burcht van Tintagel in Cornwall ter wereld, en ontpopte hij zich gaandeweg tot leider van een soort fedaratief leger: de ‘dux bellorum’. In 539 zou de oud geworden Arthur, tegelijk met zijn rivaal Modred, die ook nog eens zijn jonge mooie vrouw Guinevere van hem afpikte, zijn gesneuveld in een burgeroorlog: de voornoemde slag van Camlann dus.

Archeologie
Lampo beschrijft verder tal van archeologische sporen die de geheimzinnige Arthurlegende ondersteunen, zoals de Tristanzuil te Fowey (Tristan was een ridder van de Ronde Tafel). Hij heeft het over de Wansdyke – een verdedigingslinie uit Arthurs tijd. Noemt het Romeinse kuuroord Bath. De Badbury Rings (Dorset). Het hill-fort Liddington Castle (Wiltshire). De nabij gelegen Ridgeway: waarschijnlijk een bedevaartroute naar het megalitihische Avebury en Stonehenge. Verder het 150 meter hoge ijzertijdfort Brent Knoll (Somerset). De Mount Froggs of Kikkerheuvel. Cadbury Castle (de heuvel zou hol zijn - Arthur en zijn getrouwen slapen er in – in de Sint-Jans- en de Kerstnacht draven zij echter op hun briesende paarden en omringd door hun honden door de omgeving – soms verliest een paard een zilveren hoef), waar het paleis van koning Arthur zich zou hebben bevonden: Camelot. De Tor van Glastonburry. De Arthur Well. En wat Frankrijk betreft: “… In het merengebied van Paimpont (Ille-et-Vilaine) huizen dezelfde feeën als die uit Cornwall en Somerset, in het nabije Fôret de Brocéliande houden zij in Le val sans retour (de Vallei waaruit men niet weerkeert) hun minnaars gevangen. Deze streek wordt als het land van herkomst van Lancelot du Lac beschouwd…”.

Middeleeuwse bestsellers
Nadat rondtrekkende vertellers op kermissen, jaarmarkten en nabij druk bezochte bedevaartsoorden, eeuwenlang als professionele entertainers verhalen over koning Arthur ten beste hebben gegeven, verschijnt hij in 1136 eindelijk als een echte literaire held in het dikke, vlot leesbare “Historia Regem Britannar” (Geschiedenis der Koningen van Brittannië) van Geoffrey Monmouth (1100-51). Zowat een derde van het geheel is aan Arthur en zijn tijd gewijd. Het gaat weliswaar om epische fictie. Naar analogie van Herodotus wordt Geoffrey dan ook wel eens ‘de vader van de leugens’ genoemd. Lampo vertelt hoe Hendrik II in 1154 de troon van Engeland besteeg en deze tot zijn dood in 1189 bleef bezetten. Omdat hij twee jaar daarvoor trouwde met de mooie en dynamische Aliénor van Aquitanië, omvatte zijn rijk Engeland en heel het westelijke deel van Frankrijk. Aliénor’s opa was de eerste grote Zuidfranse troubadour: Willem IX van Aquitanië. Naast Godfried van Bouillon heeft hij deelgenomen aan de eerste Kruistocht. Een zo vrome onderneming verhinderde hem niet een berucht en hierom door de Paus geëxcommuniceerde rokkenjager te zijn, die op zijn kosten een kerk liet bouwen en gelijktijdig een bordeel met als nonnetjes vermomde prostituées. Waarschijnlijk erfde Aliénor haar onconventionele karakter en haar geestdrift voor de dichtkunst van hem. Veel poëten vonden bij haar steun en inspiratie. Ze hield het niet lang in Engeland uit bij haar elf jaar jongere ontrouwe echtgenoot en resideerde vanaf 1170 in Poitiers, waar zij haar schitterende hofhouding opluisterde met kunstenaars, geleerden en dichters. Ze had een even kunstzinnige dochter: Marie de Champagne. Hier ontstond de wereld van de ‘hoofse minne’, de ‘fin amor’. Het onderwerp werd deel van de gesprekken, de gezelschapsspelletjes en de poëzie. In deze wat frivole sfeer kwamen totaal nieuwe omgangsvormen in de mode en wisten vrouwen een aanzien te verwerven als nooit tevoren. Wij weten hiervan door de Arthurromans van Chrétien de Troyes: “Erec”, “Cligès”, “Lancelot”, “Yvain” en vooral het onvoltooide “Perceval” (1182), waarin voor het eerst de Graal opduikt. Lampo staat stil bij minnezangers als Robert de Boron die het ook al onvoltooide drieluik “Roman de l’Estorie dou Graal” schreef. De Vlaamse dichter Jacob van Maerlant (1253-92). Walter Map die misschien (?) de auteur van de Proza-Lancelot of Vulgaat-Lancelot was. Hij was ook de satirische roddeltante die “De Nugis Curialium” (De Beuzalarijen van het Hof) schreef. Verder gaat het over de Duitse minnezanger Wolfram von Eschenbach die tussen 1200 en 1216 zijn “Parzival” het licht liet zien. En een zekere ‘Meister Kyot, der Provenzal’. Ook ene Bleris, een vertaler, die Lampo indentificeert als heer Walewein, ‘kende alle verhalen van de Graal’. Uit deze onoverzichtelijke warboel aan teksten bouwt Lampo een prachtig beeld van Arthur op, waar ik verder niet zoveel over ga schrijven. Het verhaal is bekend, en zo niet, in allerlei variaties op internet te vinden.

De heilige Graal

Het meest intrigerende onderwerp in de Arthurromans is natuurlijk de raadselachtige Graal (buiten Merlijn de tovenaar dan). Chrétien de Troyes voert hem op in zijn “Perceval”. Perceval is een argeloze jonge kerel, die tijdens zijn tocht naar het hof van koning Arthur in een kasteel terecht komt, waarin hij een vreemde processie langs ziet schrijden. Een daaraan deelnemende jonkvrouw heeft een soort vat in handen dat een verblindend licht uitstraalt: de Graal. Er is ook nog sprake van een jongeman met een witte lans waaruit bloed druppelt. Perceval schijnt sprakeloos aan de grond genageld te staan, want later wordt hem verweten dat hij niet gevraagd heeft naar de betekenis van wat hij zag. De dag daarop is de burcht uitgestorven en staat zijn paard gezadeld klaar. Er zit niets anders op dan zijn avonturen als dolende ridder te vervolgen. Van de eigenaardige personages die Perceval onderweg ontmoet verneemt hij dat hij zijn gastheer, de zieke visserkoning, had kunnen genezen door het stellen van de ‘juiste vragen’. De kwaal van de koning maakt namelijk het hele land onvruchtbaar. Stelt het bloot aan ramp op ramp. Om de noodlottige betovering op te heffen gaat Perceval alsnog op zoek naar de spoorloos verdwenen burcht, maar het verhaal houdt op voordat hij wat dan ook heeft gevonden. Verschillende auteurs hebben nadien het verhaal voltooid, meestal op onbevredigende wijze. Niemand is er ooit achter gekomen wat de Graal en de lans precies betekenen. Robert de Boron maakt er een christelijke overlevering van. Volgens hem gaat het om de schotel waarvan Jezus tijdens het Laatste Avondmaal het Paaslam heeft gegeten, dan wel de beker waaruit de Verlosser zijn wijn dronk. Tijdens de kruisiging zou Jozef van Arimathea hierin het bloed van Jezus hebben opgevangen, waardoor het vaatwerk een hoogst heilig relikwie werd. De bloedende lans zou eigendom van de Romeinse soldaat Longinus zijn geweest, die daarmee Jezus’ zijde doorboorde. Familieleden van Jozef van Arimathea namen de heilige voorwerpen mee naar het geheimzinnige gewest Avalon in Engeland, dat op Glastonburry zou duiden. Volgens Geoffrey of Monmouth het mythische dodenrijk waar Arthur verblijft. In het grijze verleden bevond zich daar een beroemde Cisterciënserabdij waar ooit het graf van Arthur en Guinevere werd gevonden. Volgens de volksoverlevering zou er een Keltische hoofdman plus vrouw zijn opgedolven, die duizend jaar tevoren in een boomstam of een kano werden begraven. Er is ook sprake geweest van een loden kruis met daarop de naam van Arthur. Nu bestaan er gegevens waaruit blijkt dat er indertijd een levendige export van tin, koper, lood en zilver vanuit Cornwall en de omliggende streken naar landen rondom de Middellandse zee plaatsvond. De oudste smeltovens werden vaak ‘jodenhuizen’ genoemd. Deze handel had dus verband met ‘Joden’. Volgens de folklore zou Jozef van Arimathea in deze business hebben gezeten en als oom van Maria de Messias hoogstpersoonlijk meegenomen hebben op zijn reizen. Zodoende heeft Jezus zelfs met sommige plaatselijke druïden van gedachten gewisseld, en eigenhandig een lemen kerkje gebouwd in Glastonburry.

Vruchtbaarheidscultus

Lampo verbindt de Graal verder met de talrijke verhalen over het Heilige Bloed dat uit één of andere kruistocht naar Europa werd meegenomen en, onder andere in Brugge, werd vereerd. Hij heeft het over de occulte mathematicus John Dee (1527-1608) en zijn bijzondere interesse voor Glastonburry, waar hij achter bepaalde alchemistische geheimen probeerde te komen. En over ene mrs. Kathleen Maltwood die op de astrologische en astronomische betekenis van de Ronde Tafel wees. Weer anderen hielden een bescheiden houten drinknap als de oorspronkelijke Graal. Volgens sommigen werd de Graal door vluchtende monniken meegenomen naar een burcht van de Katharen in Frankrijk: de Montségur. De Graal zou beschermd worden door een groep ridders: de Tempeliers (dan moet ik altijd aan Umberto Eco denken die in “De slinger van Foucault” schrijft dat zo gauw iemand met de Tempeliers aan komt aanzetten je met een gek van doen hebt). Albrecht von Scharfenberg zegt in “Der jüngere Titurel” (1270) dat de Graal onzichtbaar door de lucht kon zweven. De Graal zou ook verband kunnen houden met de Keltische overlevering omtrent het zogeheten “Vat des Overvloeds”. Luilekkerland en Tafeltje-dek-je komen je vanzelf voor de geest. In sommige verhalen is de Graal een edelsteen. Ene professor Weston heeft het verhaal over de zieke visserkoning, in navolging van antropoloog Sir James G. Frazer (1854-1941) in zijn standaardwerk “The Golden Bough” (De gouden Twijg), gelinkt aan heidense vruchtbaarheidsriten die draaien rond de dood en wederopstanding van de levende natuur – zie ook Dan Browns “Da Vinci-code”. En de zwaard- en Morrisdansen in Engeland. Of de ‘mumming plays’: rudimentair volkstoneel waarbij met stokken of houten zwaarden gewapende figuren zich in de richting van de zon bewegen. De Mithras-rite. De door de ijstijdjagers overgeleverde ‘Horn Dance’ waarbij zes van hertengeweien voorziene dansers optreden, de ‘deer men’, die elkaar tarten met hun horens en belaagd worden door een met pijl en boog gewapende schutter. De voorhistorische vruchtbaarheidsrituelen zijn bijvoorbeeld ook te herkennen in de rotstekeningen van Lascaux (Frankrijk, Dordogne) en elders, wat ons tot meer dan twintigduizend jaar terug in de tijd brengt. Lampo denkt temeer deze kant uit omdat de kerk iedere confrontatie met de Arthurkronieken uit de weg is gegaan, ook al zijn er gaandeweg de nodige christelijke elementen ingeslopen.

Legendarische prins
Het tweede verhaal, de “Kroniek van Madoc”, bestempelt Lampo als een literaire detectiveroman, naar het boek “Madoc” waarop wordt gezinspeeld in “Reinaart de Vos”. Dichter Willem vertelt daarin dat hij al eens eerder een ‘bouk maecte’, dat “Madoc” heet. Echter, dat werk is nooit gevonden. Het is een wat minder aansprekend onderwerp dan Arthur, maar het laat wel veel leuke feiten zien aangaande de wereld van de middeleeuwen. Na wat snippers informatie uit middeleeuwse en rederijkersbronnen vindt Lampo in Wales een Madoc-epos. Er blijkt overzee een complete Madoctraditie te bestaan. Het onderwerp is een legendarische prins die het ruime sop koos toen zijn vader, Owain Gwynned, overleed, en er ruzie onder zijn zonen ontstond over de opvolging. Hij zou onder meer het land Aztlan, dat door de Azteken werd bewoond, hebben bereikt (1169-70), zijn doorgereisd naar Mexico, en zelfs Noord-Amerika hebben aangedaan. In de achttiende en negentiende eeuw bleken er Indianen met een blanke huidskleur te hebben rondgelopen die zich in het Welsh uitdrukten en handschriften te koop aanboden die de Bijbel in het Welsh bevatten! Dus vergeet het maar dat Columbus Amerika ontdekte… Allerlei teksten over de middeleeuwse zeevaart komen aan bod. Er wordt gezocht naar het paradijs. Men komt zeemeerminnen en –mannen tegen. Het gaat over houten boten die in elkaar zijn gezet met hoornen pinnen in plaats van ijzeren spijkers vanwege de magneetbergen. En over de ‘geis’: een soort penitentie die niet door een geestelijke maar een bard is opgelegd. Gevaarlijke draaikolken in de Bermudadriehoek komen aan bod. Evenals mythische eilanden (zie "Circe"). Soms doemen er ter waarschuwing enorme standbeelden uit zee op dat het einde van de wereld in zicht is. Lampo gaat op zoek naar de schrijver van Reintje: Willem de minstreel, of troubadour, of jongleur. Misschien was hij een arts. Misschien was hij een bedelmonnik. Misschien was hij een soldaat. Of alles tegelijk. Waarschijnlijk was hij een Kathaarse ketter en heeft (alweer) de kerk zijn geschriften verdonkeremaand. Als Lampo op het eind van het boek zelfs een stel spiritisten op de “Madoc” loslaat, wordt het me eerlijk gezegd wel wat al te gortig. Ook al hebben die niet veel meer te vertellen dan we al weten…

Uitgave: Meulenhoff – 1996, 255 blz., ISBN 978 902 905 087 6, € 5,78
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 4 februari 2019

Hij zag de hemel – Soendar Singh


Ondertitel: De visioenen van Sadhoe Soendar Singh

Als je het hebt over ‘Jezus zoals ik hem niet kende’ (zie mijn vorige blog)… Marilynne Robinson vertelt ergens dat ze een grootvader had die gek was op oude boeken en zich vaak terug trok op de zolder van zijn afgelegen boerderij, waar hij het werk van een of andere obscure theoloog dat hij ergens had opgevist, ging zitten lezen. Ik zou het vast goed met hem hebben kunnen vinden, want ik ben precies zo. Ik vond in een kringloopwinkel een merkwaardig boekje over ene Sadhoe Soendar Singh. Uit 1975. Nu had ik die naam wel eens horen vallen, en na lang nadenken weet ik ook wel weer waar. Ik ben hem tegen gekomen bij buitenlandcommentator Aad Kamsteeg die ooit een column over hem schreef in het ND. En ik meen ook in “De geest van het Oude Loo” van Han van Bree, dat ik eens heb besproken. Uit de inleiding van ene ds. W.H. Verhoef begrijp ik dat dat laatste helemaal klopt, want koningin Wilhelmina schrijft in haar boek "Eenzaam maar niet alleen" (Ten Have, 1959) dat ze in religieus opzicht heel veel aan Soendar Singh te danken heeft gehad. Het bijzondere aan zijn verhaal vind ik eigenlijk wel dat het zo in de lijn ligt van wat neuroloog Eben Alexander vertelt over zijn bijna-dood-ervaring in “Na dit leven”, en “De dag dat ik Jezus ontmoette”, waarin de Deense onderzoeksjournalist Charlotte Rørth vertelt hoe ze als ongelovige letterlijk op Jezus stuitte.

Toets alles

Als het over spiritualiteit gaat wil ik altijd wel graag weten uit welke hoek de wind waait. Onder dit label wordt zoveel humbug verkocht, dat enige alertheid qua ‘scheiding der geesten’ zeker op zijn plaats is. De helft van “De visoenen van Sadhoe Soendar Singh” bestaat uit zijn levensbeschrijving. Verzorgd door ene dominee Willem Wouter Verhoef (1928- 2013), bij leven hervormd predikant in onder andere Hoenderloo en Vlaardingen, las ik op internet. Hij schijnt nogal geïnteresseerd te zijn geweest in de zogenaamde ‘charismata’ of ‘geestesgaven’, zoals bijvoorbeeld gebedsgenezing, en de geloofsgemeenschappen waarin die een rol spelen, zoals de Pinksterkerken. Het enige wat ik weet van de Pinksterbeweging is wat ik heb opgepikt uit de roman van Johan Lock: “De erfenis van Adriaan”. En daarin komt het Pinkstergeloof er bepaald bekaaid af. Maar zijn verhaal is natuurlijk dat van een teleurgestelde afvallige. Er zullen heus wel gelovigen zijn die het daar prima kunnen vinden. Volgens Verhoef staat de Bijbel vol met bijzondere verschijnselen. Gelovigen hoorden Gods stem. Zagen visioenen van sprekende engelen en hemelse of demonische werelden. Als die verschijnselen schaars zijn, zoals in de tijd van de hogepriester Eli (1 Sam. 3:1), dan heeft dat te maken met geestelijke achteruitgang. Het volk van God verloor de antenne om Zijn stem te verstaan. Veel protestantse theologen hebben gesteld dat, toen de Bijbel er eenmaal was, al die bijzondere openbaringen van God niet meer nodig waren en dus ook niet meer voorkwamen. Volgens Verhoef snijdt dat geen hout. Nergens in de Bijbel zijn er teksten te vinden waaruit je zoiets kunt opmaken. Integendeel. Zie 1 Thess. 5:19-21: “… Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede…”. Dat betekent volgens hem ook dat niet altijd alles aangaande bijzondere openbaringen per definitie okay is: “… het goede is als het ware iets dat er uit gehaald moet worden…”.

Sadhoe voor altijd
Verhoef vertelt dat Soendar Singh op 3 september 1889 in een welgesteld gezin in Rampoer, India, werd geboren. Hij bezocht een christelijke school waar hij kennis opdeed van het Nieuwe Testament. Hij wilde er niets mee te maken hebben, verbrandde op vijftienjarige leeftijd zelfs een Bijbel en werd daar vervolgens weer zo onrustig van, dat hij drie dagen later besloot zijn hoofd op de rails te leggen als de God van de christenen zich niet aan hem zou openbaren. Daarop werd de kamer waarin hij zich bevond gevuld met een wonderbaarlijk licht waarin zich een gestalte bevond. Hij dacht dat hij met Boeddha of Krishna te maken had, maar de verschijning stelde zich voor als Jezus. Vanaf dan zegt hij dat hij een innerlijke liefde en vrede voelde die alle verstand te boven ging. Zijn familie deed er alles aan om hem voor het oude geloof terug te winnen. Hij werd onterfd. Hij werd bedreigd met de dood. Tenslotte vluchtte hij naar Simla waar hij zich bij een kerk aansloot. Drie en dertig dagen na zijn doop legde hij de belofte af om voor de rest van zijn leven Sadhoe te worden: “… Een Sadhoe (spreek uit sádoe) is een oosterling, die gekleed in het speciaal daarbij behorende saffraangele gewaad, geestelijke oefeningen doet of met een bepaalde boodschap door het land trekt, zonder geld of goed te bezitten, geheel afhankelijk van de mildheid en gastvrijheid van de mensen…”. Hij predikte bij de grens van Afghanistan en Tibet en later meer zuidelijk in Madras. Hij verkeerde vaak in levensgevaar. Verhoef vertelt een raadselachtig verhaal over hoe Soendar Singh in Tibet in een put werd gegooid waaruit hij na drie dagen werd verlost door een engel (?) die een touw naar hem gooide: “… De Lama was er zeker van, dat de sleutel van de put gestolen was, doch toen hij die op de gewone plaats aan zijn gordel vastgebonden vond, werd hij bang en beval de Sadhoe de stad te verlaten, opdat zijn machtige God hemzelf of de stad niet zou straffen…”. Soendar Singh richtte een school op voor goeroes. Toen hij in 1929 weer een poging deed om met het evangelie door te dringen in Tibet, is hij niet teruggekeerd van zijn reis. Hoogstwaarschijnlijk kwam hij om in het ruige klimaat van de Himalaya. Onder Soendar Singhs’ aanhangers bevonden zich gerenomeerde theologen, zoals de godsdiensthistorici Friedrich Heiler en Nathan Söderblom.

En-en
Verhoef besteedt een groot deel van het boekje aan uitleg rond de visioenen van Soendar Singh, waarbij sterk naar voren komt dat het oosterse denken verschilt van het westerse. Er wordt uitgegaan van de mens als een drie-eenheid van lichaam, ziel en geest, analoog aan de Goddelijke drie-eenheid: wij zijn geschapen naar het beeld van God. De visioenen hebben vooral betrekking op wat er gebeurt na de dood. Soendar Singh gelooft niet in dood is dood, maar stelt dat wij in een soort fase terecht komen tussen het aardse leven en de opstanding aan het einde van de tijd, als Jezus terugkomt. Ons lichaam wacht in het graf tot ze weer verenigd wordt met onze ziel en geest. Deze fase bestaat uit een breed spectrum aan gradaties tussen hemel en dodenrijk (wat iets anders is dan de ‘hel’, waarvan pas sprake is na de opstanding). In die tussenfase leren wij geestelijke dingen van engelen. Er zijn dus mogelijkheden na de dood. Het is allemaal niet zo zwart-wit. Jezus ging immers zelf na zijn dood naar het dodenrijk om de gestorvenen een nieuwe kans te geven (1 Petrus 3:19, 20 en 4:6). Volgens Soendar Singh is er sprake van een mogelijke bekering en een voortgaande heiliging na de dood. Wat ik wel mooi vind is dat er bij Soendar Singh plaats is voor een en-en standpunt, daar waar wij westerlingen vaak geneigd zijn of-of te denken. Of we hebben een individuele kern, of we zijn enkel relatie. Zie Franca Treur in “Hoor nu mijn stem” die een student boud laat beweren: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Waarom zou het een het ander uitsluiten? Verhoef: “… Zowel in de theologie als in de psychologie is ons al tientallen jaren met grote nadruk verteld, dat de mens is de mens-in-relatie. Hij is niet op zichzelf te zien. Hij is in relatie met, met zijn medemensen en met de ganse schepping. Hij kent en wordt gekend; hij heeft lief en wordt liefgehad; hij heeft zijn herinnering, zijn weg door het leven en alles wat daarin aan ervaring en vorming op hem afgekomen is. Dit zijn de dingen die hem gemaakt hebben tot wat hij is en hoe hij is. Zo is hij deze mens, met zijn erfelijke belasting en met zijn zonden, met zijn verdriet, zijn vreugde, zijn spanningen, zijn geloof…”. Wij maken elkaar, zou relatiedeskundige Esther Perel zeggen. Volgens Soendar Singh draait het hele mens-zijn om de relatie met de ander en is de hemel een nieuwe samenleving waar gewerkt wordt naar volmaakte liefde. Voor elkaar en voor God. Volgens hem zullen we elkaar in het hiernamaals ook zeker herkennen: wie of wat valt er lief te hebben als onze persoonlijkheden zijn gewist?! Zie bijvoorbeeld ook Lazarus die de rijke man kende, Mozes en Elia die met Jezus spraken op de berg Tabor, en de Emmaüsgangers die de weliswaar veranderde Jezus na zijn opstanding herkenden. Omdat een en ander dicht in de buurt komt van spiritisme grenst Verhoef de visioenen van Soendar Singh af. Hij heeft ze niet gezocht, ze zijn hem overkomen. En het allerbelangrijkste: ze stoelen altijd op en verwijzen altijd naar Jezus Christus.

Geestelijke wereld
Het tweede gedeelte van het boekje bestaat uit wat Soendar Singh zelf heeft geschreven aangaande zijn visioenen. Op aandringen van zijn vrienden heeft hij zijn pen ter hand genomen; wat hem zelf betreft hoefde dat niet zo nodig. Hij merkt ook op dat hij maar heel summier kan vertellen over wat hem is overkomen, omdat er eigenlijk geen woorden voor zijn en het een en ander het menselijk bevattingsvermogen totaal te boven gaat. Hij zegt dat de dood een ‘wisseling van bestaan’ is. De mens kan nooit vernietigd worden. De Schepper schept nooit iets dat ter ziele gaat. In een visioen vertellen ‘heiligen’ hem dat de dood zoiets is als gaan slapen. Sterven doet geen pijn, het is meer het gevoel dat er een grote loomheid over je komt. Mensen die zich in het leven nooit hebben voorbereid op de dood snappen vaak niet wat hen overkomt. Ze zijn erg in de war omdat ze niet beseffen dat ze in een geestelijke wereld terecht zijn gekomen in plaats van een materiële wereld. Er kunnen goede dan wel boze geesten naar je toe komen, al naar gelang je eigen aard. Ben je een liefdevol mens geweest dan zullen liefdevolle geesten je meenemen naar hun verlichte sferen. Ben je een slecht mens geweest dan zullen slechte geesten je meenemen naar hun duistere regionen: “… iedereen zal naar verhouding van zijn geestelijke groei samen zijn met bewoners, die in aard en natuur aan hem gelijk zijn…”. Hij vertelt ook dat hij heeft gezien hoe engelen zorgen voor kleine kinderen “… met een toewijding en liefde zoals geen enkele moeder kan opbrengen…”. Ze onderrichten de kinderen in hemelse wijsheid, tot ze gaandeweg aan de engelen gelijk worden. Het intellectualisme wordt in de geestelijke wereld over het algemeen ervaren als een barricade en een vorm van afstomping: “… De wetenschap die te maken heeft met materiële feiten, is in de wereld achtergebleven met uw physieke verstand en brein. Hier is alleen de geestelijke wijsheid van nut, die voortkomt uit de vrees en liefde tot God…”.

Licht
Het buitengewoon indrukwekkende verslag van Sadhoe Sing doet een beetje aan “De goddelijke komedie” van Dante denken, dat ook over een reis door het hiernamaals gaat. Hij vertelt dat in de hemel de grootste degene is die op aarde het meest gedaan heeft voor anderen. Zijn naaste het meest heeft gediend. Daarin bestaat ook de diepste vreugde en het doel van het leven. Zie Matth. 20:26. Het inzicht in ons geestelijke bestaan kan al in het tijdelijke beginnen voor zover wij daarvoor open staan en bereid zijn te leren. In het hiernamaals gaat onze geestelijke groei door. We zitten daar echt niet werkloos op een roze wolkje, zoals Maarten ’t Hart denkt. Het herinnert me aan de evangelische Bijbelleraar Henk Binnendijk, die ook gelooft dat het leven nu ten diepste een voorbereiding is voor het leven straks, en ooit schreef: “… Je zult daar zijn wat God hier van je heeft kunnen maken…”. Dat geldt voor ieder mens, ook voor degenen die op aarde nooit geconfronteerd zijn met de kerk of wat dan ook. Als Christus zich aan een overledene openbaart houdt Hij rekening met de ontwikkeling die de ziel van iemand heeft bereikt: “… Hij verschijnt dan nevelig of in voller licht van zijn heerlijkheid. Zodat zijn verschijning kan worden verdragen…”. Het wordt niemand verboden het licht van de hemel binnen te gaan. Het is alleen zo dat elke vorm van slechtheid in het licht van God zichtbaar wordt. Voor alle inwoners van de geestenwereld. Evenals elke vorm van goedheid. Niets kan verborgen blijven. Daarom deinzen zondaars die geen berouw hebben en geen vergeving willen ontvangen daarvoor terug. Iedere verstokte en verharde zondaar zal proberen zich in de duisternis te verstoppen, met andere boze geesten, om zo min of meer te ontsnappen aan het kwellende licht: “… God werpt nooit iemand in de hel, noch zal Hij het ooit doen, maar de mens schept voor zich zelf de hel…”. Door anderen kwaad te doen, doe je in feite jezelf kwaad. Het licht van God is onverdraaglijk voor egoïsten. “… Wie liegt beledigt en bezeert niemand dan zichzelf…”. Buitensporigheden en beestachtigheid met betrekking tot de eigen vrouw zijn (gelukkig) even grote zonden als overspel met vreemden: “… Man en vrouw zijn werkelijk verenigd, niet voor zinnelijkheid, maar voor wederzijdse hulp en ondersteuning…”.

Op weg naar volmaaktheid

Evenals mensen die een bijna-dood-ervaring hebben meegemaakt vertellen, schrijft Sadhoe Sing ook over een overledene die naar zijn door dierbaren omringde lichaam kijkt. De overledene wordt opgehaald door engelen, familieleden en vrienden die hem begeleiden naar de sfeer die hij door zijn leven en geloof heeft bereikt. Daar moet de overledene een tijd blijven om die dingen aan te leren die nodig zijn om op te stijgen naar hogere graden van volmaaktheid. Iedereen is blij met de geestelijke groei van een ander. Niemand kan in de hemel schijnheilig zijn want in het alles openbarende licht van Christus ziet iedereen je zoals je bent. Dat kan ook een geweldige troost zijn: eindelijk zul je helemaal begrepen worden. Dieper dan je jezelf kent. Over de hel zegt een engel: “… Wie weet of dit tenslotte geen reinigende vlam is?...”. Nu is de schepping nog aan zinloosheid onderworpen, maar dat zal niet zo blijven. Dwars door alle pijn en ellende heen vernieuwt God de gevallen schepping. De schepping is als ‘in barensnood’. Een engel vertelt: “… God heeft van de mens geen machine gemaakt, die automatisch werkt. Noch heeft Hij zijn bestemming als in de sterren en planeten vastgelegd, opdat zij nooit uit hun koers zouden gaan. Maar Hij heeft de mens naar Zijn beeld geschapen, met begrip, kennis van onderscheid en macht om onafhankelijk te handelen. Daarom staat hij boven alle andere schepselen. Ware de mens niet met een vrije wil geschapen, dan zou hij zich nooit in Gods tegenwoordigheid kunnen verheugen, noch de vreugde van de hemel kunnen smaken. Hij zou slechts een werktuig geweest zijn, dat zich zonder bewustzijn of gevoel zou bewegen, of gelijk de sterren geweest zijn, die onbewust door de oneindige ruimte snellen. Maar de mens, die vrij is, is door zijn aard het tegenovergestelde van deze zielloze volmaaktheid. Dit soort volmaaktheid zou in werkelijkheid onvolmaakt zijn. Zulk een mens zou een slaaf geweest zijn, die juist door die volmaaktheid gedwongen zou zijn tot daden, waaraan hij geen vreugde kon beleven, omdat hij geen keus had. Voor hem zou er geen onderscheid geweest zijn, tussen God en een stem. De mens, en met hem al het geschapene, is onderworpen aan de ijdelheid, maar niet voor altijd. Door zijn ongehoorzaamheid en door die ijdelheid heeft de mens zichzelf en alle andere schepselen in allerlei ellende en lijden gebracht. Door deze geestelijke worsteling alleen kunnen zijn geestelijke krachten volkomen ontwikkeld worden, en alleen in die worsteling kan hij de noodzakelijke lessen te zijner volmaking leren. Daarom zal de mens, als hij ten slotte deze hemelse volmaaktheid bereikt, God danken voor het lijden en de strijd van de tegenwoordige wereld. Want dan zal hij ten volle begrijpen, dat alles medewerkt ten goede voor hen, die God liefhebben (Rom. 8:18-30)…”. Nou, ga daar maar eens diep over nadenken, zou ik zeggen…

Uitgave: Hoenderloo’s Uitgeverij en Drukkerij – 1975, vertaling A.M. Hoekendijk, 104 blz., ISBN 978 071 571 113 8, € 12,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier