Menu

dinsdag 12 juli 2016

Moedervlekken – Arnon Grunberg


Na “Ik kom terug” van Adriaan van Dis en “Magdalena” van Maarten ’t Hart de derde aangekondigde moederroman. Arnon Grunberg. Van Dis en ’t Hart zijn fantastische schrijvers, maar Grunberg slaat echt álles, vind ik persoonlijk. “Moedervlekken” is een boek waarin het allemaal naast elkaar bestaat: menselijkheid en absurditeit, slapstick en tragiek, tederheid en onverschilligheid, opofferingsvermogen en obsceniteit, humor en verdriet, liefde en eenzaamheid, warmte en wanhoop, mededogen en tevergeefsheid, overlevingsdrift en doodswensen. Aan het woord is Kadoke, een ‘grensoverschrijdende’ psychiater die niet meer gelooft in de psychiatrie. Welkom op het slachtveld dat leven heet.

Kolonialisme

Kadoke, een bedaarde veertiger, gescheiden, gelukkig geen kinderen, meestal genoeg hebbend aan zijn sigaret en werkzaam als ambulante hulpverlener in de suïcidepreventie – wat het verhaal verrassend actueel maakt (zie de verontrustende nieuwsberichten over het naar recordhoogte gestegen aantal zelfmoorden van de laatste tijd): “… het hopeloze geval waarop hij veelal stuit, brengt hopeloos werk met zich mee - , maar daar heeft hij zich bij neergelegd. De menselijke waardigheid schuilt in de volharding waarmee het hopeloze werk wordt verricht…”. En met een link naar de gebruikelijke clichés over dat je lichamelijke aandoeningen tenminste kunt zien terwijl geestelijke pijn verborgen blijft: “… Een botbreuk kun je genezen, leukemie in sommige gevallen, maar wie doet wat Kadoke doet, weet wat er te verwachten valt; hij stabiliseert. Meer dan dat zit er dikwijls niet in. En zelfs stabiliseren lukt niet altijd…”. Keurig volgens het boekje der moderne Nederlandse letterkunde penetreert hij al in het derde van de in totaal zesentwintig hoofdstukken in alle geuren en kleuren, een - in dit geval – buitenlands meisje, wat vaag een bel bij hem doet luiden die herinnert aan ‘kolonialisme’. En wel in de badkamer van zijn ouderlijk huis. Terwijl zijn bejaarde moeder, een Joodse kampoverlever, met een bloedend been voor de deur staat te schreeuwen. In zijn blootje en met zijn condoom nog om buigt hij zich over haar heen. Eigenaardig genoeg zijgt la mama niet naar adem happend ineen, valt niet flauw, belandt niet in shock, nee; in haar ogen ontmoet hij enkel ‘overweldigende jaloezie’: “… Wat deed je met dat meisje. Je weet dat ze van mij is…”. Toch lag seks totaal niet in de bedoeling. Kadoke was even van het padje af, waarschijnlijk bevangen door de hitte en doordat de engel van een au pair annex bejaardenverzorgster (“… Er was voor haar geen toekomst in Nepal. Voor wie wel? … In Nepal was ze begonnen aan een opleiding tot verpleegkundige maar het Westen riep, of misschien moet je het anders zeggen. De armoede riep: ‘Ga weg’…”) toevallig net gedoucht en enkel gehuld in een oude badhanddoek - dus als het ware voor het grijpen - door het huis liep. En bij Grunberg draaien alle banale situaties ook altijd minstens een kwartslag: de volgende dag wordt Kadoke opgewacht door het vriendje van de au pair die hem compleet in elkaar slaat. Met opgeheven hoofd en doof voor zijn lokroep wat betreft geldige paspoorten, loopt het illegale stel trots zijn leven uit, om nooit meer terug te keren. Hoe moet dat nu met moeder?

Waarheid
In de wachtkamer van de eerste hulp post rationaliseert Kadoke zijn bestaan, zijn professie, en de zorg in het algemeen en tot in het oneindige, terwijl hij lijdzaam de dwingende protocollen van een ongeïnteresseerde arts in opleiding (“… Je moet afstand bewaren tot de patiënt maar de patiënt moet er op kunnen vertrouwen dat hij zijn leven in handen legt van iemand voor wie dat leven ook enige waarde heeft…”) en een maatschappelijk werker (“… ‘Zijn er dingen die ik zou moeten weten?’ vraagt de maatschappelijk werker. ‘Is er iets wat u me wilt vertellen?’ Kadoke kijkt naar het plafond, er zijn scheuren zichtbaar. ‘Dat de geestelijke gezondheidszorg in Nederland op een moreel en praktisch faillissement afstevent. Ik zou als ik u was een ander beroep kiezen.’…”) ondergaat. Kadoke veroordeelt zijn eigen harteloosheid evenzeer, maar “… Wie dagelijks met het lijden van anderen wordt geconfronteerd, of beter gezegd: wie dagelijks met de doodswens van anderen wordt geconfronteerd, moet hard worden, een zekere ongevoeligheid ontwikkelen om niet mee te worden gesleurd in andermans wanhoop. Daarbij zou hij het narcisme van de hulpverlener nooit willen onderschatten. Als er iets is wat de hulpverlener onder ogen dient te zien is het zijn onvermogen, zijn eigen machteloosheid. Hij moet begrijpen dat hij niet veel kan doen, dat hij de situatie door zijn aanwezigheid soms erger maakt in plaats van beter, dat hij zich dan terug moet trekken en de narcistische wens om te helpen moet leren onderdrukken…”. De patiënt heeft niet alleen de psychiater nodig, de psychiater ook de patiënt. Omgekeerde hulpbehoevendheid: “… Kadoke drijft op het noodgeval. De crisisdienst is meer dan zijn werkgever, de crisisdienst is een aanzienlijk deel van zijn leven; in andermans crisis vindt hij zijn bestaansrecht…”. Volgens Kadoke creëert iedere beroepsgroep zijn eigen perpetuum mobile: “… Is dat niet de kern van de psychiatrie, dat de patiënt verleid moet worden tot leven, al was het maar dat psychiaters anders overbodig zouden worden?...” – een thema dat me gelijk aan “Winter in Gloster Huis” van Vonne van der Meer doet denken, al verzon zij heel wat verhevener doelen. Over de vraag waarom Kadoke psychiater is geworden onder andere: “… Omdat de ziekte ons dichter bij de waarheid brengt, omdat de ziekte in sommige gevallen misschien de waarheid is…”. Gekken en dronkaards… Maar waarom moeten patiënten dan genezen? “… Ze moeten niet, ze mógen, of in elk geval in theorie. Omdat de waarheid van de ziekte onleefbaar is, in veel gevallen…”, en even verder: “… Het is geen individueel vraagstuk, het is een maatschappelijke kwestie. De maatschappij kan zich zelfmoord niet veroorloven. Stel je voor, als suïcide gewoon zou worden, dat zou subversief zijn, het diepste wezen van de maatschappij aantasten, het zou alles ontregelen. Het zou ons ontregelen…”. En over ‘het vieze geheimpje van veel depressies’: “… Eigenlijk is er een ander die gepijnigd en gestraft moet worden, maar omdat die ander onvindbaar is of omdat men beschaafd genoeg is om de ander met rust te laten, straft men zichzelf…”.

De geruststellende zekerheid van de ondergang
Zolang hij geen andere bejaardenverzorgster vindt besluit Kadoke bij zijn geadoreerde moeder in te trekken. Er komt een sollicitant, maar voor hij het kan tegen houden helpt ze moeder naar de wc, waarop ze gillend het huis uit rent. Grunberg in de bocht: moeder heeft een piemel! En dan is daar weer die schrijnende kanteling. Vader belandde na het sterven van zijn vrouw in een zware depressie die hij, tot opluchting van alle betrokken deskundigen, alleen maar bleek te kunnen overwinnen door middel van een verrassend creatieve oplossing. Langzaam maar zeker ‘werd’ hij moeder. “… Ook merkwaardige genezingen blijven genezingen...”. Moeder weigert echter vierkant door haar zoon gewassen te worden, dus gaat deze op zoek naar zijn ex-vrouw die hij, inmiddels hoogzwanger van haar tweede echtgenoot, in een synagoge vindt. Als moeder halverwege de trap naar de douche niet meer kan, gaat ze er onder het toeziend oog van het bakkeleiende ex-stel (“… De laatste maanden van zijn huwelijk verlangde hij naar zijn patiënten, omdat hij bij hen even tot rust kwam. Zij boden hem de geruststellende zekerheid van de ondergang…”) bij zitten. Echter: “… Voordat moeder omhoog kan worden gehesen komt ze zelf in actie. Ze draait zich om en op handen en knieën klimt ze zonder al te veel zichtbare moeite naar boven, alsof ze een jong hondje is dat het traplopen nog niet onder de knie heeft. Maar ook als ze boven is staat ze niet op, ze blijft op handen en knieën lopen. ‘Moeder, je bent geen hond,’ zegt Kadoke. ‘Kom overeind, het is genoeg geweest.’ Moeder kruipt op handen en knieën in de richting van haar bed. ‘Mevrouw Kadoke,’ zegt de ex, en ze hurkt naast moeder neer. ‘Vindt u het prettig om op handen en knieën door uw eigen huis te lopen?’ ‘Ja,’ zegt moeder, ‘dat vind ik heel prettig, ik had er eerder mee moeten beginnen.’ ‘Uw zoon wordt er zenuwachtig van. Hij vindt het niet fijn als u zo door uw huis loopt. Hij wil graag dat u op twee benen door de kamers wandelt. Kunt u dat begrijpen?’ ‘Mijn zoon,’ zegt moeder, en Kadoke hoort hoe honend haar stem klinkt, ‘hij is zo conventioneel. Hij is saai. Ik kan me niet voorstellen dat ik zo’n saai iemand op de wereld heb gezet, want zelf ben ik helemaal niet saai.’ Ze doet als een hond nog een paar passen, en als ze bij het bureau is aangekomen waaraan ze s’ ochtends haar ontbijt verorbert, lijkt het alsof moeder haar achterpoot omhoog doet om tegen het bureau te plassen. Maar misschien is dat iets dat Kadoke zich verbeeldt…”. Ik heb me tranen gelachen om dit vreselijke boek.

Misstap
Kadoke beschouwt zich vol tevredenheid als een veteraan in de psychiatrie (“… Je moet zelf een beetje een noodgeval zijn om de echte noodgevallen te kunnen herkennen…”), maar er passeert genoeg om vraagtekens bij te zetten. Tijdens de wekelijkse casuïstiek, waar alle noodgevallen met collega’s worden doorgesproken, twijfelt men openlijk aan zijn deskundigheid. Hij heeft een gedwongen opname geweigerd van een man die drie dagen later toch zelfmoord pleegt. Kadokes’ verweer: hij heeft nu eenmaal geen glazen bol. Zijn beoordelingen hangen af van ervaring en intuïtie, en zijn dus eigenlijk natte vingerwerk (wat psycholoog Léonie Holtes ook al zeer ongemakkelijk toegeeft in “Ervaring niet vereist”). Er zit een ‘schepseltje’ van veertien - “… het is waar, ze beginnen vroeg met suïcide. Ze beginnen met alles eerder…” - op het politiebureau. Gevonden met een overdosis pillen in een park. Ze hoort stemmen die boos op haar worden als ze de opdrachten die ze haar geven niet uitvoert. Kadoke weet heel goed dat als iemand op zo’n jonge leeftijd interne behandelingen ondergaat, waarschijnlijk altijd een borderliner zal blijven, die de psychiatrie nooit meer uit komt. Ze wil niemand spreken, ook haar ontredderde vader niet, die al zes uur op haar zit te wachten in de gang. Hij smeekt Kadoke om uitleg. Maar dat is zijn taak niet. Kadoke laat hem in zijn sop gaar koken. Hij is er voor de patiënt, niet om het handje van een papa vast te houden. Dat heet: professionaliteit.
“… De ziekte vernietigt zelden alleen de patiënt, maar dikwijls ook de omgeving…”.
En dan is er nog een hoogfunctionerende jongedame (fotograaf) van eind twintig, Michette, die hij juist wél laat opnemen, zelfs onder politiebegeleiding, omdat ze automutileert. Een tijdje later blijkt de kliniek haar stante pede te hebben ontslagen. Ze snijdt zichzelf en drinkt bleekwater en andere schoonmaakmiddelen omdat ze juist gek wordt in een inrichting. Dan loopt het uit de hand: Kadoke besluit haar op te zoeken om uit te leggen waarom hij haar verkeerd heeft ingeschat. Michette heeft al zoveel hulpverleners en behandelplannen gezien dat ze feilloos in de gaten heeft dat hij daarmee alle regels met voeten treedt. Ze ontfutselt hem zijn telefoonnnummer, en als ze op een zeker moment belt dat het echt niet meer lukt, begaat Kadoke zijn zoveelste misstap. Hij neemt haar mee naar huis om voor zijn moeder te zorgen. De vrouwen doen in eerste instantie nog het meest denken aan twee blazende katten die aan elkaar moeten wennen, maar uiteindelijk verdraagt de een de ander wonderwel. Ze houden elkaar overeind. Ze zijn elkaars reden om te leven. Het gaat zelfs zo goed dat ze, op het nogal abrupte eind van de roman, Kadoke min of meer overbodig maken: therapie geslaagd zou je kunnen zeggen.

God wakker roepen
Ik waardeer Grunberg vooral vanwege zijn oeverloze gefilosofeer. Camus zei het al: “… Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden…”. Als je in niets of niemand gelooft, waarom zou je er dan geen punt achter zetten als het tegen zit? En soms, à la Grunberg, zelfs heel érg tegen zit? Kadoke: “… Wanneer is het leven niet meer leefbaar? Ik geloof niet dat je als mens op dat soort vragen antwoord moet willen geven. Wij leven niet omdat het leven leefbaar is. Wij leven ondanks het vermoeden dat het niet leefbaar is. Je leeft niet dankzij iets, je leeft ondanks iets…”. En bovendien: “… Ieder mens heeft een lijdende kern…”. Of gelooft Kadoke toch nog ergens in? De rabbijn is zijn moeder vergeten of misschien kan hij niet accepteren dat ze verandert is van een man in een vrouw. Zijn moeder noemt hem een ‘kotsmiddel’, maar zou wel graag willen dat er op Rosj Hosjana (Joods Nieuwjaar) voor haar op de sjofar (ramshoorn) wordt gespeeld: om God wakker te roepen. Als vervanging neemt Kadoke Michette, een menselijke ramshoorn, mee voor haar. Wat een metafoor. “… Zoals een kat een vogel voor zijn baasje heeft gevangen en op het tapijt achterlaat, zo brengt hij een noodgeval voor zijn moeder mee…”. Ze wordt haar ‘mitswe’. Weet Kadoke hoe je moet leven? “… Nee dat weet hij niet. Kadoke weet hoe je niet moet sterven en dat is misschien genoeg. Genoeg voor nu, genoeg voor Michette…”.
En toch blijft Grunberg mij met al zijn diepgang het gevoel geven dat hij maar wat aan zwetst - al moet ik ook verschrikkelijk om hem lachen. Het is alsof hij duidelijk wil hebben dat het geen fluit uitmaakt welke draai je geeft aan de verhalen over gebeurtenissen, gevoelens, gedachten, gedragingen en gevolgen. Het kan net zo goed helemaal anders zijn. Waarheid bestaat niet. Als dat verhaal er maar komt. Even serieus Grunberg: dan blijf je wel met lege handen achter…

Uitgave: Lebowski – 2016, 400 blz., ISBN 978 904 881 913 3, € 22,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 6 juli 2016

Demian – Herman Hesse


Tjeu van den Berk - zie mijn vorige blog - noemt “Demian” (1919), een nog steeds pakkend verhaal van de Zwitserse schrijver en dichter Herman Hesse (1877-1962), de meest jungiaanse roman ooit. Hesse en Jung kenden elkaar. Hesse onderging psychotherapie bij een leerling van Jung, Joseph Lang, en later bij Jung zelf. In 1946 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.

Crisis

Volgens Jung gaat het er in het leven om dat wij ‘onszelf’ worden via een zogenaamd ‘individuatieproces’. Allerlei mythen, sprookjes en legenden hebben het daar over. Of het nu gaat om Boeddha of Christus, Parsifal of Hercules, Odysseus of Osiris, steeds legt de held een zelfde weg af. Van den Berk: “… Meestal vindt de geboorte in het verborgene plaats, onbereikbaar voor de gevaarlijke, duivelse krachten, die hen willen doden. De kindertijd ontstegen, gaat onze held de strijd aan met deze krachten. De held moet op de een of andere manier daarvoor ‘de draak’ opzoeken in zijn hol, de bewoonde wereld verlaten, in de onderwereld afdalen en het gevecht met het ‘Ungeheuer’ aangaan. Daarmee komt op de een of andere manier de weg vrij voor het vinden van de schat. De held komt terug met die schat en laat zijn medemensen erin delen…”. Het aparte is eigenlijk, dat de ik-persoon in “Demian”, de puber Emil Sinclair – die staat voor Hesse zelf, naar mijn gevoel de schat helemaal niet vindt, laat staan zijn medemensen ervan laat mee genieten. Van den Berk over het ‘bewustwordingsproces’ dat ieder mens idealiter dient te ondergaan: “… Het bewustzijn moet zelf afdalen in het onbewuste. Daar komt het op krachten maar daar kan het ook verslonden worden. Dit proces zien we overal uitgebeeld. Of het nu Jona en de grote vis is, Roodkapje en de wolf, Osiris en Seth, Joris en de Draak, of we in de loden kist (Osiris), in het graf (Christus) of in een glazen kist (Sneeuwwitje) begraven worden, steeds is daar weer een noodzakelijke overgangsfase in onze menswording, een die via desintegratie naar herintegratie leidt. Je kunt dit ook anders zeggen: het is een onontkoombare voorwaarde voor geestelijke volwassenwording dat je regressieve stappen moet zetten, in retraite moet gaan, een ‘Nachtmerfahrt’ moet aangaan net zoals de zon in de Egyptische mytholgie…” (ik moest denken aan de mensen in mijn blog over “Wat burnout met je doet” die achteraf allemaal zeggen veel van hun crisis te hebben geleerd).

Heaven and hell
Hesse in het voorwoord van “Demian”: “… In ieder mens heeft de geest gestalte gekregen, in ieder mens lijdt het schepsel, in ieder mens wordt een verlosser gekruisigd…”. Zijn verhaal begint als Emil Sinclair tien jaar is, en zich uiteenzet over twee tegenovergestelde werelden die door elkaar heen lopen: heaven and hell. De lichte, ordelijke, warme wereld van thuis, een gegoed milieu waar ‘milde glans, duidelijkheid en netheid, zachte, vriendelijke woorden, gewassen handen, schone kleren en goede manieren’ horen. Evenals ‘des ochtends gezongen koralen, kerstmis, rechte lijnen en wegen die naar de toekomst leiden, plicht en schuld, slecht geweten en biecht, vergeving en goede voornemens, liefde en verering, Bijbelwoord en wijsheid’. En de duistere, lawaaiige, gewelddadige wereld van ‘dienstboden en werklieden, spookgeschiedenissen en roddelpraatjes, een bonte stroom van wonderbaarlijke, lokkende, vreselijke, raadselachtige dingen als slachthuis en gevangenis, dronken mannen en ruzie makende vrouwen, barende koeien, gevallen paarden, verhalen over inbraken, moorden en zelfmoorden’. Die schaduwwereld is natuurlijk veel spannender, maar onverenigbaar met de sfeer thuis. En gevaarlijker. Emil Sinclair komt een straatjoch tegen die hem afperst en manipuleert. Hij durft er niets over tegen zijn ouders te zeggen – ook al maakt het hem misselijk van angst. Voor het eerst voelt hij de verschrikking van het ‘afgesneden-zijn’. Dan verschijnt Demian op het toneel, een imponerende nieuwe schoolleerling, die al gauw in de gaten heeft dat iemand Sinclair in zijn macht heeft, en hem van zijn duivel verlost. Hoe, dat weet Sinclair niet, maar hij heeft in ieder geval nooit meer last van zijn kwelgeest. Dan kan hij het gebeurde pas aan zijn ouders opbiechten en keert hij terug in het paradijs. Eigenlijk had Sinclair, volgens Hesse, bij Demian moeten biechten, maar Demian zou “… met spot en ironie, met aansporing en vermaning gepoogd hebben mij zelfstandiger te maken. Ach , dat weet ik nu: van niets ter wereld heeft de mens een grotere afkeer dan van het bewandelen van de weg die hem tot zichzelf leidt…”.

Puberen
Als ze beiden dezelfde catechesatielessen volgen blijkt Demian er wel héél verontrustende denkbeelden op na te houden. Volgens hem waren Kaïn en de misdadiger aan het kruis die weigerde te geloven, juist sterke figuren in plaats van slechterikken. En Abel en de gelovige misdadiger watjes. Demian over de God van de Bijbel: “… Hij is het goede, het edele, het vaderlijke, het mooie en hoge, het gevoelvolle – allemaal waar! Maar er is ook nog iets anders op de wereld. En dat wordt nu eenvoudig de duivel in de schoenen geschoven, en dat hele deel van de wereld, die hele helft wordt weggedrukt en doodgezwegen. Net zoals ze God prijzen als vader van alle leven, maar de hele seksualiteit waarop het leven toch berust eenvoudig doodzwijgen en misschien voor duivelswerk en zonde uitmaken…”. Ideeën die mij vooral doen denken aan wat Tom Wright in “Jezus en het evangelie van Judas” schrijft over gnostiek. Sinclair begrijpt dat ook het kwaad onder ogen moet worden gezien. Verder experimenteren beide jongens nog wat met gedachtebeïnvloeding. Volgens Demian hebben we geen vrije wil. Mensen kunnen alleen maar willen wat al diep in hen verborgen ligt. Als ze dát willen gebeurt het ook echt. Hij vertelt over bepaalde nachtvlinders waarvan mannetjes over een urenlange afstand naar een zeldzaam vrouwtje vliegen als ze behoefte hebben te paren. Niemand weet hoe ze op kilometers afstand het enige vrouwtje in de omgeving gewaar worden. Sinclair verliest Demian uit het oog als hij naar een jongenspensionaat wordt gestuurd. Daar nemen leegte en eenzaamheid bezit van hem. Duisternis wordt zijn deel. Hij gooit de kont tegen de krib, slaat aan het zuipen, heeft een grote bek, maakt schulden. Het is een wonder dat ze hem niet van school jagen. Tot hij op afstand verliefd wordt op een meisje, waardoor hij omdraait als een blad aan een boom. Hij verinnerlijkt haar beeld dat hij zegt ‘als een heilige te aanbidden’. Noemt haar zijn ‘Beatrice’, naar Dante. Als hij haar probeert te tekenen, blijkt ze de trekken van Demian te hebben. Of is hij het zelf? “… Lot en hart zijn twee namen voor één denkbeeld…”. En even verder: “… Het is goed om te beseffen: in ons is iemand die alles weet, alles wil, alles beter doet dan wij zelf…”. In ieder geval is het positieve, dat de lichte wereld nu niet bereikt wordt via een terugval op thuis, maar veroorzaakt door een beeld uit zijn eigen wezen.

Wat niet in onszelf huist, windt ons niet op
Sinclair mist Demian. Op een dag tekent hij de wapenvogel boven de deur van zijn ouderlijk huis, waar Demian ooit meer dan normale belangstelling voor toonde. Het wordt een goudkleurige sperwer die zich uit een ei verheft. Hij stuurt de tekening op naar Demian. Na een tijdje vindt hij een briefje op een boek in zijn klas met de boodschap:
“… De vogel ontworstelt zich aan het ei. Wie geboren wil worden, moet een wereld vernietigen. De vogel vliegt naar God. De God heet Abraxas…”. Sinclair begrijpt dat dit het antwoord van Demian is, en blijft van dan af bezig deze mythe innerlijk te verwerken. Hij hoort een jonge leraar het over de god/duivel Abraxas hebben. Even later ontmoet hij een zonderlinge organist - Pistorius - die hem mee naar huis neemt. Terwijl ze samen als vuuraanbidders in het haardvuur staren, wordt hij verder in de geheimen van de ziel gewijd: “… Als we iemand haten, dan haten we in zijn beeld iets dat in onszelf huist. Wat niet in onszelf huist, windt ons niet op…”. Ik las dat Pistorius staat voor Joseph Lang, de psychiater van Herman Hesse (zie hierboven). Ook van deze leidsman moet Sinclair weer afscheid nemen. Op een dag kwetsen zijn woorden Pistorius onbedoeld hard en onherstelbaar: “… Toen ik toesloeg had ik gedacht een sterke en weerbare te treffen – nu was het een stil, lijdzaam mens, een weerloze, die zwijgend berustte…”.

De ondergang van het oude Europa
Sinclair tegen een jongen die zelfmoord wil plegen (een thema dat nogal eens voorkomt in de boeken van Hesse): “… Je hebt de verkeerde weg gekozen, de verkeerde weg! We zijn geen varkens, zoals je denkt. We zijn mensen. We maken goden en strijden met hen en zij zegenen ons…” (Genesis 32). En over welke richting hij moet kiezen: “… Ik was niet op de wereld om te dichten, om te prediken, om te schilderen, noch ik, noch enig ander mens was daartoe op de wereld. Dat waren allemaal slechts bijverschijnselen. Het ware beroep van iedereen was slechts dat ene: zichzelf vinden…”. En dan zijn we natuurlijk weer helemaal bij Jung. Naarmate Sinclair ouder wordt verdwijnt de reine Beatrice om plaats te maken voor een soort moedergodin. Een aantrekkelijke Lilith. Mooi, zinnelijk en angstaanjagend tegelijk. In een studentenstad loopt Sinclair Demian weer tegen het lijf en blijkt de godin sprekend op zijn moeder, Frau Eva, te lijken. Zijn grote liefde. Toch zal Frau Eva nooit de zijne worden. Bij haar thuis vindt hij zijn gelijken: allemaal individualisten die op hun eigen manier iets nieuws willen bereiken. Mensen met het onzichtbare kaïnsteken. Demian voorvoelt dat het oude Europa zo rot is dat het ten onder zal gaan, om plaats te maken voor een nieuwe toekomst. Daarop breekt de oorlog uit. Het individuele lot gaat samen op met het algemene. Sinclair raakt gewond aan het front. In een veldhospitaal vindt hij Demian terug die hem namens zijn moeder een kus op zijn lippen drukt, om vervolgens op te gaan in hemzelf. Hesse schreef deze roman niet voor niets tussen twee wereldoorlogen. Wij staren niet meer in het haardvuur. Wij staren naar de televisie – en ik bedacht dat daar misschien helemaal niet zoveel mis mee is. We zien het kwaad onder ogen, en, in ieder geval in films wordt het kwade altijd overwonnen door het goede.

Uitgave: De Bezige Bij – 2010, vertaling M. & L. Couthino, 159 blz., ISBN 978 902 342 298 3, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 3 juli 2016

In de ban van Jung – Tjeu van den Berk


Ondertitel: Nederlanders ontdekken de analytische psychologie

Des zomers wordt het minder druk op de boekenvloer en komt de tijd om mijn eigen specifieke interesses uit te leven. De dieptepsychologie bijvoorbeeld. Ik kwam “In de ban van Jung” van Tjeu van den Berk tegen, een imponerend boek over de Zwitserse psychiater en cultuurfilosoof Carl Gustaf Jung (1875-1961), de grondlegger van de analytische psychologie. Ik snap natuurlijk geen hout van Jung: veel te vaag en te zweverig – maar de verketterde leerling van Freud boeit mij mateloos. En, zoals iemand in het boek zegt: ‘Tot Jung gaat men niet als zieke, maar als zoeker.’ Alleen al het feit dat hij, in tegenstelling tot Freud, verkondigt dat er méér is dan seks in het leven – ook al zou je dat anno 2016 niet zeggen – doet mij opgelucht ademhalen. Bovendien serveert Jung religie niet af als kletskoek. Vroeger werd hij door veel christenen aan de kant gezet als ‘occult’ – maar daar lijkt een kentering in te zijn gekomen. Veel hedendaagse theologen citeren hem onbekommerd, en zelfs iemand als de orthodoxe Bijbelleraar Willem Ouweneel heeft een droomboek op hem gebaseerd: "Nachtboek van de ziel". Veel jungiaanse thema’s, als het collectief onbewuste, introvert-extravert, de schaduw, archetypen, het individuatieproces, synchroniciteit, alchemie, gnostiek, zijn inmiddels volkomen ingeburgerd. Het werk van Van den Berk gaat over zijn ontvangst in Nederland. Sommige aanhangers zijn al lang en breed in de vergetelheid weggezakt, maar bepaalde schrijvers doen er nog steeds toe, zoals Etty Hillesum, Gilles Quispel, Gerard Reve, Marten Toonder, Augusta de Wit, Simon Vestdijk en Harry Mulisch.

Freud dacht psychologisch, Jung mythologisch

Mulisch heeft geen enkele behoefte de twee grootmeesters tegen elkaar uit te spelen en zegt eenvoudig: Jung is artistieker. “… Freud dacht psychologisch, Jung mythologisch…”. En dat is precies waarom ik Jung zo leuk vind. Mulisch: “… Over de therapeutische waarde van Jungs methode kan ik niet oordelen, - al betwijfel ik of een impotente kantoorbediende door toepassing van alchemistische classificatie van zijn dromen weer overeind kan worden geholpen. Zelfs bij een impotente cultuurfilosoof zal het vermoedelijk niet lukken, want ook bij hem zal men voor het vereiste doel analytisch-reductionistisch terug moeten keren naar ‘la mama’, in plaats van synthetisch verder te gaan naar Cybele of de Sphinx. Gelukkig ben ik geen therapeut, en ook geen impotente kantoorbediende of cultuurfilosoof; maar als de schrijver die ik ben, is mijn instelling natuurlijk veel eerder die van beeldendienaar dan die van beeldenbestormer. Wat mij betreft zit achter de Sphinx niet mijn moeder, maar achter mijn moeder de Sphinx…”. Nietzsche zei het al:
“… Derselbe Tat erlaubt unzählige Auslegungen – es gibt keine richtige Auslegung…”. Even terzijde, nog een leuk citaat van Mulisch: “… Men moet Napoleon zijn om te kunnen zeggen ‘Ik ben Karel de Grote’, en dan moet ook nog de zon van Austerlitz doorbreken; wie verder nog zegt dat hij Karel de Grote is, of Napoleon, wordt afgevoerd naar het gekkenhuis…”. Hah. De altijd ironische Mulisch wijst erop hoezeer Freud gelijk heeft wat betreft zijn concept van het zogeheten ‘Oedipuscomplex’ als je kijkt naar de breuk met Jung; waarbij het een gegeven is dat voor kort zo ongeveer alle kunstenaars op de schouders van hun voorgangers gingen staan teneinde ze een kopje kleiner te maken – denk ik dan (zie bijvoorbeeld mijn blog over “Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur”). Behalve in onze postmoderne tijden, waarin álles kan, omdat de vader - met kleine v dan wel grote V - vaak in geen velden of wegen meer te bekennen is.

Esoterisch
In de inleiding beschrijft Van den Berk kort de voorgeschiedenis van Jung: zijn afkomst en de manier waarop zijn ideeën tot stand komen. De ongewone uitingen van zijn nichtje tijdens spiritistische seances (wat toen nogal in de mode was) in zijn ouderlijk huis, of terwijl ze slaapwandelt, brengen Jung op de gedachte dat zich achter ons normale bewustzijn een verborgen wereld moet schuilhouden. Hij lanceert het begrip ‘cryptomnesie’ wat zoveel betekend als ‘verborgen herinnering’ (ik moest denken aan de moeder van Adriaan van Dis die in “Ik kom terug” tijdens een seance met de zware stem van een Japanner gaat praten – ze heeft in een jappenkamp gezeten). Op 17 juli 1902 promoveert Jung, inmiddels assistent-arts aan de beroemde psychiatrische kliniek Burghölzli in Zürich, op “Zur Psychologie und Pathologie sogenannter okkulter Phänomene”. In wetenschappelijke kringen vindt men het te esoterisch en in esoterische kringen te wetenschappelijk. Daarna ontwikkelt hij het ‘woordassociatieonderzoek’ waarmee hij zogeheten ‘complexen’ op het spoor kan komen. Een mooi verhaal gaat over hoe hij een dief tegen zijn wil moeiteloos zijn vergrijp laat bekennen door gebruik te maken van enkele verborgen prikkelwoorden. Jung ontvangt er een eredoctoraat in de rechten van de Clark Universiteit in de Verenigde Staten voor (hieruit ontwikkelt zich trouwens de leugendetector). Als Jung merkt dat Freud ook bezig is met het onbewuste, zoekt hij contact, slaan ze de handen ineen, en wordt Jung de stuwende kracht naar buiten toe wat betreft de psychoanalyse. Eigenlijk laat de twintig jaar oudere Freud, die openbare debatten uit de weg gaat zoveel hij kan, Jung de kastanjes uit het vuur halen, want in eerste instantie worden de heren compleet uitgelachen om hun wilde ideeën. Ongetwijfeld zullen veel van Freuds’ hysterische victoriaanse Weense patiënten te maken hebben gehad met seksuele trauma’s, maar Jung begint al gauw aan de pijlers van de leer van Freud te knagen, door zijn toehoorders op het hart te drukken niet al te beducht te zijn voor de demon van de seksuele drift. Seks is weliswaar een belangrijk onderdeel van het leven; maar om dat nu te reduceren tot het één en al… Het droge commentaar van Karl Jaspers: “… Freud sieht was durch Verdrängung der Sexualität entsteht oft ausserordentlich treffend. Aber er fragt nicht einmal was durch Verdrängung des Geistes entsteht…”. Na het uitgebreide voorwoord vertelt Tjeu van den Berk aan de hand van de biografie van een keur Nederlandse adepten wat Jung voor hen betekende, en wel in min of meer chronologische volgorde, wat een mooi totaalbeeld oplevert. Ik ga ze kort langs.

1) Maria Moltzer (1874-1944), dochter van de eigenaar van de Hollandse likeurfabriek Bols, die uit protest tegen alcoholmisbruik verpleegster wordt. Acht jaar lang is ze Jungs’ belangrijkste assistente – daarna raken ze gebrouilleerd. Moltzer ontpopt zich tot een gewaardeerd kindertherapeute. Zij reikt Jung het inzicht dat intuïtie de basis van creativiteit vormt. Met alleen denken en voelen bereik je niks. Over het christendom als individuatieproces: “… Pas het christendom reikt ons, volgens haar, de beelden om deze duistere tocht van de ziel mogelijk te maken. Beginnend met ‘de goddelijke geboorte van Christus tussen de dieren’ en eindigend met ‘het mysterie van Christus op Golgotha en zijn verrijzenis’, wordt hier symbolisch de weg geschetst…”. Volgens mij is de verandering die de gelovige op zijn geestelijke weg ondergaat hetzelfde als wat de Tsjechische priester Tomáš Halík, die Jung herhaaldelijk aanhaalt in “De nacht van de biechtvader”, ‘de tweede adem van het geloof’ noemt.

2) Albert Willem van Renterghem (1874-1944), 'de nestor van de psychische geneeswijze in Nederland'. Op zijn oude dag gaat Van Renterghem enthousiast in analyse bij Jung, maakt van dichtbij de breuk tussen Freud en Jung mee, en zal uiteindelijk – zoals de meeste psychiaters in Nederland – voor Freud kiezen. In eerste instantie is Van Renterghem vooral bekend als ‘wonderdokter’ in Goes omdat hij als huisarts hypnose gebruikt. De bekende tachtiger Frederik van Eeden wil dat wel eens met eigen ogen zien: “… Frederik van Eeden was stomverbaasd. In de slaapkamer lag languit op de vloer met een kussen onder zijn hoofd een boer te slapen. In de kinderkamer werden twee stoelen door slapende mensen bezet. Een oudere juffrouw rustte wat, nadat Van Renterghem haar hoofdpijn had ‘weggesuggereerd’. Tegenover haar lag een achttienjarig meisje te sluimeren. Haar was door de arts ingeprent dat ze geen last meer zou hebben bij het urineren. In de bedstee sliepen vier kinderen. In de hoek van de studeerkamer stond een man die aan een oogziekte leed, rechtop te dromen. Een bont gezelschap van mannen en vrouwen uit de kleine burgerij en van het platteland wachtte om behandeld te worden…”. Van Renterghem: “…De suggestie-methode, een denkbeeld vervangende door een ander, voert iets in; de analytische, een denkbeeld verjagende, voert iets uit… “.

3) Johan Rudolf Katz (1880-1938), een moeilijke maar geniale psychiater en natuurkundige die de leer van Jung ontzettend helder weet uit te leggen: “… Terecht meent Jung, dat de diepere oorzaak der meeste neurosen niet gelegen is in een seksueel conflict, maar in vele gevallen in een conflict tusschen bewust denken en onbewust voelen of in een conflict tusschen bewust voelen en onbewust denken. Dit conflict is vaak aan den patiënt zelf geheel onbewust…”. Als geen ander lijkt hij aan het adagium van Jung te voldoen dat ‘hoe meer licht iemand verspreidt des te groter zijn schaduw is’.

4) Jan Herman van der Hoop (1887-1950), arts en een van de grootste Nederlandse jungiaanse denkers. Hij was vooral gegrepen door Jungs’ zogeheten ‘typenleer’ - denken, voelen, gewaarworden, intuïtie – waardoor mensen hun problemen verschillend oplossen en sommigen elkaar gewoon niet liggen. Via zijn verhaal gaat Van den Berk diep in op Jungs’ laveren in de Tweede Wereldoorlog, waarin velen hem verdacht hebben van nazi-sympathieën. Als Hitler in het rampjaar 1933 bondskanselier wordt, treedt de voorzitter van de internationale vereniging van psychotherapie, de prominente Duitse psychiater Ernst Kretschmer, af. Hij weigert nazi’s te helpen de discipline van de psychiatrie voor propagandistische doeleinden in te zetten: “… Er is iets geks met psychopaten. In normale tijden schrijven we gedegen evaluatierapporten over hen, maar in tijden van politieke onrust regeren ze ons…”. Men verwacht dat Jung als vice-voorzitter het ook wel voor gezien zal houden, maar hij neemt het stokje over. Hij denkt dat hij daardoor beter Joodse collega’s kan helpen. Op het eind van de oorlog belandt Jung weliswaar op de ‘zwarte lijst’ en worden zijn boeken verbrand.

5) Augusta de Wit (1864-1939), schrijfster van de bekende novelle "Orpheus in de dessa", waarin het om twee levensbeschouwingen gaat: “… die van de zakenman Bake (waarin de mens de natuur dienstbaar aan hemzelf maakt) en van de fluitspeler Si-Benkok (waarin de mens in harmonie leeft met de natuur). Aan het einde van het verhaal doodt de zakenman de fluitspeler, zij het ‘per ongeluk’. Wie de mythe van Orpheus kende, kon uit de titel opmaken dat hier een drama beschreven werd. Het is een symbolisch verhaal. De Wit lijkt te zeggen: in ons dienen die twee levensbeschouwingen een dialoog aan te gaan, een strijd desnoods. En wie er oren voor heeft, zal op bepaalde momenten de ijle fluittoon van de geest horen in het jachtige materiële bestaan…”. Haar leven en werk draait om de relatie tussen verbeelding en werkelijkheid. Tijdens een sabbatsjaar volgt ze werkcolleges bij Jung, waar ze wat dat betreft aan het juiste adres is.

6) Olga Fröbe-Kapteyn (1881-1962) is degene die de beroemde jaarlijkse Eranos-lezingen organiseert, waar Jung vaak aan deelneemt. Ze bieden een soort platform waar allerlei geleerden en denkers elkaar ontmoeten. Wat namen: Heinrich Zimmer (Indologie), Károly Kerényi (Griekse mythologie), Mircea Eliade (Godsdienstgeschiedenis), Gilles Quispel (Gnostiek), Gershom Scholem (Joodse mystiek), Martin Buber (Chassidisme), Henri Corbin (Islam), Adolf Portmann (Biologie), Herbert Read (Kunstgeschiedenis), Max Knoll (Natuurkunde), Erwin Schrödinger (Kwantumfysica), Joseph Campbell (Vergelijkende mythologie), Hugo Rahner (Kerkgeschiedenis), Daisetz Teitaro Suzuki (Zenboeddhisme), Paul Tillich (Theologie), Laurens van der Post (Journalistiek), Frederik Buytendijk (Psychologie), Gerardus van der Leeuw (Vergelijkende godsdienstwetenschappen), Erich Neumann (Psychologie). Daar worden Jungs’ ogen geopend voor het Oosten. De bijzondere sfeer tijdens deze bijeenkomsten duiden sommigen als ‘het samengaan van Mythos en Logos’ - die elkaar volmaakt in evenwicht houden. Later zal Olga de wereld over struinen op zoek naar afbeeldingen van archetypen. Verrassend is dat een buitengewoon geïnteresseerde koningin Juliana in bezit blijkt van de hele serie Eranos-Jahrbücher.

7) Jan Hondius (1900-1977), niemand kent hem meer, maar ooit was hij archeoloog, filosoof, dichter, beeldhouwer, vergelijkend godsdienstwetenschapper en bioloog. Hij schrijft vier boeken over Jung, vertaalt twee kapitale werken van Jung in het Nederlands en brengt een opmerkelijke jungiaanse roman uit: “Ontmoetingen met vorige levens”(1957).

8) Etty Hillesum (1914-1943), wordt bekend door de publicatie van haar dagboeken, 38 jaar nadat ze als Jodin in Auschwitz is vermoord. Ze beschrijft daarin haar spirituele ontwikkeling waarin, naast Rilke, Jung een grote rol speelt. In haar diepste zelf vindt zij God: “… Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden...”. En even verder: “… En mijn gevecht wordt nu eenmaal gestreden op innerlijk terrein met mijn eigen demonen…”. Over het proces dat ze doormaakt: “… De Kosmos is uit mijn hoofd verhuisd naar mijn hart, of voor mijnentwege naar het middenrif, in ieder geval uit mijn hoofd naar andere regionen…”. Het is zeker niet zo dat Jung bedoelt dat wij zélf God zijn, zoals soms wordt beweerd: “… Deze bovengeschikte totaliteit wordt door het bewustzijn als numineus ervaren, als een tremendum et fascinosum. Als empericus interesseert mij slechts het belevingskarakter van deze bovengeschikte totaliteit, die op zichzelf, ontisch beschouwd, iets onbeschrijflijks is. Dit ‘zelf’ staat nooit of te nimmer in de plaats van God, maar is wellicht een vat van de goddelijke genade…”. Wat mij betreft kan het niet mooier worden gezegd. Ik noem dit 'zelf' mijn 'ziel'. Van de week had de schrijfster Marilynne Robinson het in het tv-programma “De Nieuwe Wereld” (op zondagochtend) in dit verband over ‘een reservoir van goedheid’. Maarten Wisse omschrijft de ziel in "Zo zou je kunnen geloven", dat ik toevallig net aan het lezen ben, prikkelend down-to-earth als ‘een surplus batterij', waar je door middel van Jezus Christus op aangesloten kunt zijn (en dat is precies waarom ik christen ben).

9) De oprichters van de eerste Jung-vereniging in 1946 worden in dit hoofdstuk doorgelicht. Dat zijn: Marguerita Hofstede Crull (1897-1972), Annie Blits (1903-1975), Elisabeth Camerling (1901-1969), Victor Westhoff (1961-2001) en Jacques Noordzij (1920-2006). Het laat mooi zien hoe er na de Tweede Wereldoorlog wat meer belangstelling komt voor Jung, alhoewel de nuchtere Hollanders Freud toch op zijn voetstuk laten staan.

10) Tom van Waveren (1899-1959), een ‘deftige’ bloembollenboer uit Bennebroek, blijkt een persoonlijke vriend van Jung te zijn geweest.

11) Eugène Antoine Désiré Emile Carp (1895-1983), hoogleraar psychiatrie, is de eerste die een monografie over Jung schrijft, erg dapper, want in zijn tijd is Jung ‘not done’: “… De belangrijkste verdienste van Jung was volgens Carp dat hij de psychologie (weer) personalistisch heeft gemaakt. De weg die het ik van de mens aflegt (dient af te leggen) naar zijn diepste Zelf, sprak Carp zeer aan…”. Na zijn dood valt de nadruk weer op de hersenen – vooral vanwege het op de markt komen van psychofarmaca. In een interview hekelt hij de felle aanhangers van Freud: “… Het had iets van geloof. Het had een onwetenschappelijke kant: je kon nauwelijks kritiek hebben, dat werd als weerstand gezien, of als onbegrip. Het was een geloof waartoe ze je wilden bekeren…”. Veel freudianen vinden dat Carp het hoogleraarschap niet toekomt omdat hij een gelovige rooms-katholiek is.

12) René Jaques van Helsdingen (1915-2013), eveneens psychiater. Hij publiceert een boek met fascinerende tekeningen van een kunstenares die ‘Claire’ wordt genoemd en in analyse is geweest bij Jung: “Beelden uit het onbewuste. Een geval van Jung”. Vier daarvan zijn in dit hoofdstuk opgenomen en van commentaar voorzien. Ook komen er onder andere prachtige fragmenten in voor over Van Helsdingens’ visie op de films “Dood in Venetië” en “Rosemary’s baby”.

13) Gilles Quispel (1916-2006), de legendarische gnosiskenner, die gefinancierd door het C.G. Jung-instituut in het bezit komt van de zogeheten ‘Jung Codex’ en later het enig bewaard gebleven ‘Evangelie van Thomas’. Van den Berk vertelt het razend spannende verhaal over zijn speurtocht vanaf het moment van de toevallige ontdekking van de Nag Hammadi-geschriften in een hoge kruik onder een rots door een Egyptische boer. Quispel betitelt Jung als een gnosticus.

14) Marten Toonder (1912-2005), de bekende striptekenaar en bedenker van Tom Poes en Heer Bommel, vindt in Jung een verwante ziel. Niet Toonder maakt het verhaal maar Bommel: “… Al na een paar maanden begon deze figurant zich te ontplooien. Het bleek dat hij niet Ollie heette, zoals hij zich aanvankelijk liet noemen. Zijn naam was Olivier B. Bommel en hij stelde er prijs op om als heer te worden aangesproken. Hij beschikte over ruime middelen, waarmee hij een voorvaderlijk kasteel kocht en een grote staat ging voeren. Dat waren allemaal dingen die ik niet verzonnen had maar die er vanzelf inkwamen terwijl ik bezig was met het verhaal…”. Tom Poes staat voor de ratio: “… Heer Bommel heeft zich de rol toegeëigend van de heer, die zijn eenzame onbegrepen gang gaat, terwijl Tom Poes er als een gek achteraan moet hollen om de zaken op orde te houden. Hij komt nu eenmaal uit de wereld van het verstand en dat zal hij weten ook…”. En even verder: “… Magister in de Zwarte Kunsten, Hocus P. Pas, is de kwade genius in de Bommel-verhalen. Wat met name in hem huist, om het jungiaans te zeggen, is het archetype van de Schaduw. Zijn begroeting is steeds: ‘Duister op uw pad’, ‘Schaduw op uw pad’, ‘Slangen op uw pad’ of ‘Padden op uw pad’…”.

15) Gerard Reve (1923-2006). Volgens Van den Berk is Reve van alle beschreven personen het meest jungiaan geweest. Hij gaat diep in op de figuur van de maagd Maria in zijn werk. Het aparte is dat Reve, net als Jung, een primitief eigen onderkomen bouwt. In Frankrijk. Beiden zien dat als een soort religieuze activiteit, en ervaren de plek als ‘moederlijk’, een soort baarmoeder. De schrijver Erwin Mortier gaat er een keer logeren, maar heeft zijn buik al gauw vol van het bezoek (Reve kan bij tijd en wijle onuitstaanbaar zijn, vooral als hij dronken is) en vindt de plek naargeestig: “… De stijl van het geheel is meer autistisch dan Provençaals. (…) Het landgoed is een tijdelijk tot buitenverblijf omgebouwde tombe. Het sluit de wereld niet buiten. Het beschut niet. Het is de kerker van een obsessief verlangen, dat er tegen de muren opgiert; het graf van een moederloos kind van drieënzeventig. (…) Het landgoed is de isoleercel van een volstrekt voor het leven onaangepast mens. Het is Betondorp in de bergen…”. Reve: “… Of Freud dichter bij de waarheid is dan Jung doet weinig terzake, zo lang ik aan Jung onnoemlijk veel heb, en aan Freud niets. (…) Maar wat heeft een kunstenaar of een religieus mens aan Freud? Ik zoek niet naar wetenschappelijke werkelijkheid, maar naar formuleringen, die aan het woordloze en onzegbare de eer en plaats geven die het toekomt…”. Reve klampt zich aan Jung, Arthur Schopenhauer en katholieke dogma’s vast om niet ten onder te gaan in de chaos: “… Bij dit alles is mijn werk niet op hinderlijke wijze stichtend of belerend, noch bevat het iets dat naar apologie zweemt: het vertolkt de gewaarwordingen en gevoelens van een gewoon mens, zij het van iemand die niet geheel goed bij zijn hoofd is. Maar bestaan er mensen die dat wel zijn?...”.

Inspirerend
Vervolgens komt er nog een bijlage (waarin wat minder uitgesproken Jung-volgers de revue passeren), een slotbeschouwing, een bronnenlijst, een begrippenlijst en een personenregister. Tjeu van den Berk reikt ontzagwekkend veel aan; zelden heb ik zo’n inspirerend boek gelezen...

Uitgave: Meinema – 2014, 544 blz., ISBN 978 902 114 367 5, € 44,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier