Menu

woensdag 24 juni 2026

Ontmoetingen met Jung – Tjeu van den Berk

 


Subtitel: De moderne mens op zoek naar zijn ziel

 

Veel denkers zijn het erover eens dat ons eenzijdige rationele mensbeeld ervoor zorgt dat wij uit balans zijn. Zie de depressie en burn-outepidemie. Zie de moderne zelfvervreemding. Zie de hedendaagse zingevingscrisis. Toch lijkt bijna iedereen er op de een of andere manier doodsbang voor zich onder te dompelen in iets als de ziel: je wordt al gauw voor gek versleten. De Zwitserse psychiater Carl Gustaf Jung (1875 – 1961) durfde dat wel. “Ontmoetingen met Jung” bestaat uit een bundel veelzijdige essays van theoloog en Jung-kenner Tjeu van den Berk (1938). Eerder besprak ik van hem “In de ban van Jung”.

 

Het Rode Boek

Het eerste hoofdstuk heeft het in 2009 uitgegeven “Rode Boek”, een door Jung zelf gekalligrafeerde innerlijke ontdekkingsreis, als onderwerp. Tussen 1913 en 1918 maakte Jung een geestelijke crisis door die de basis zou gaan vormen voor zijn latere psychologische inzichten. Hij begon zo’n intense dromen, obsessieve fantasieën en angstvisioenen te ervaren dat hij bang was psychotisch te worden. Toch besloot hij deze indrukken niet weg te duwen, maar ze juist te onderzoeken. Hij daalde als het ware af in zijn psyche. Met zijn verbeelding ging hij in gesprek, een methode die bekendstaat als ‘actieve imaginatie’. Jung beschouwde de fantasiefiguren die hij daarbij ontmoette niet als echte personen, maar als autonome uitdrukkingen van het onbewuste. Zijn ervaringen noteerde hij eerst in zwarte notitieboeken. Vervolgens werkte hij ze uit in een groot, rijk geïllustreerd manuscript dat bekendstaat als “The Red Book” (Liber Novus). Hij maakte er een boek van dat doet denken aan een middeleeuws handschrift. Zijn leven lang voelde hij zich aangetrokken tot de middeleeuwen en tot stromingen die daarmee werden geassocieerd, zoals de hermetische traditie, de gnostiek en de alchemie.

 

Een wandelend krankzinnigengesticht

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, merkte Jung dat verschillende van zijn visioenen een voorspellend karakter hadden. Pas toen besefte hij dat hij niet bezig was gek te worden, maar dat zijn imaginaties uit ‘de ondergrond van het collectieve onbewuste’ tot hem kwamen. Zijn Engelse vertaler: “… Jung was zowel een wandelend krankzinnigengesticht op zich als de geneesheer-directeur ervan (…) Hij maakte alles door wat een geestelijk gestoorde doormaakt (…) en het is alleen dankzij zijn verbazende vermogen om deze ervaringen van een afstand te observeren en te begrijpen, dat hij niet door het psychotische materiaal dat door de ‘scheidingswand’ heen kwam, ten onder ging. Hij slaagde erin het materiaal in een succesvolle psychotherapeutische methode onder te brengen…”.

 

Mandala’s

De afbeeldingen in het Rode Boek drukken het bewustwordings- of individuatieproces uit dat Jung doormaakte. De mandala’s die instinctmatig bij hem naar boven kwamen, symboliseren de kosmos met haar tegengestelde krachten, die in de kern van de mens samenkomen. Het mandala-idee staat voor “… een spiraalvormige beweging naar een middelpunt toe, waar het ik en de ziel samenvallen in het grote Zelf…”. De betekenis van de mandala ligt niet in het einde van het lijden, maar in de schoonheid van het ‘mysterium coniunctionis’, het ‘mysterie van de tegenstellingen’. “… In een mandala sluiten de Duivel en Christus vriendschap, vinden Hel en Hemel elkaar, sluiten Goed en Kwaad een huwelijk…”. Het samenvallen van de tegenstellingen gaat gepaard met lijden. Alleen zo kan de liefde triomferen. Willen water en vuur verenigd worden, dan is daar de smeltkroes voor nodig, wisten de alchemisten al. Tibetaanse monniken, Aboriginals en Indianen vervaardigden al eeuwenlang mandala’s. Ook schizofrene patiënten tekenen ze onwillekeurig. De mandala staat dan ook voor (genezende) heelheid, voor de totaliteit van het Zelf.

 

Onderwereld

Voor een leek als ik is het moeilijk om de uitleg over de tekeningen van Jung goed te begrijpen. Wat ik er echter van begrijp, is dat in Jungs wereldbeeld de ‘hoogste god’ Abraxas is, die zowel het ‘summum bonum’ van de Bijbelse God als het ‘infinum malum’ van de duivel in zich verenigt. Zelf denk ik dat Jung hier een onjuiste tegenstelling creëert. De duivel is immers niet de tegenpool van de Bijbelse God; demonen en engelen zijn elkaars tegenspelers (zie bijvoorbeeld "Lucifer" van Joost van den Vondel). De christelijke God staat daar naar mijns mening boven en behoudt het gezag. De ‘goden en demonen’ verbindt Jung met de negen klassieke planeten, een gedachte die ik vaker ben tegengekomen in de theologie. Tot zijn grote verbazing stuitte Jung later op Chinese alchemistische traktaten van meer dan 1800 jaar oud, waarin precies dezelfde ideeën werden uitgewerkt als waarmee hij zich bezighield. Dat bevestigde zijn visie op het ‘collectief onbewuste’. Het onbewuste, met zijn driften en instincten, staat voor de onderwereld: het mythische dodenrijk, het land van de voorouders, waar Jung ‘dode zielen’ ontmoet. Zie Jezus, die volgens de christelijke traditie ‘nedergedaald is ter helle’. Beschrijft Dante in zijn “Divina Commedia” een hemelvaart, in het “Rode Boek” beschrijft Jung een hellevaart.

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

 

Prophetenwahn

Jungs experiment met zichzelf bestond eruit om alles wat zich onder de drempel van het bewustzijn afspeelde ruimte te bieden boven die drempel, zodat zijn ik-bewustzijn er (een wetenschappelijke) kijk op kon krijgen. Tegelijk moest het irrationele wel in de hand worden gehouden. Jung was zich zeer bewust van het gevaar van ‘Prophetenwahn’. “… Het is de duivel die zegt: Veracht het verstand en de wetenschap maar…”. Zijn gezin en patiënten hielden hem met beide benen op de grond, schrijft hij.

 

De kloof tussen buitenwereld en binnenwereld

Het tweede hoofdstuk zet Jungs ‘individuatieproces’ in de schijnwerpers: de ‘heel-wording’. “… Het rationale Ik aanpassen aan het irrationele Zelf, dat nu gebeurt juist in een gezond individuatieproces…”. Jung meent dat de kloof tussen buitenwereld en binnenwereld te groot geworden. Hij vond het opvoedingsmodel van de moderne mens in zijn tijd uiterst monomaan, wat denk ik alleen maar erger is geworden in onze tijd waarin alle pionnen op de buitenwereld worden gezet. “… Onze moderne opvoeding is ziekelijk eenzijdig. Natuurlijk is het juist, dat wij de ogen en oren van jonge mensen openen voor de horizonten van de wijde wereld, maar het is dwaas, te menen, dat men hen daarmede voldoende op het leven voorbereid! Een uiterlijke aanpassing aan de realiteiten van deze wereld is alles, wat men met zulk een opvoeding bereikt. Niemand echter denkt aan de aanpassing aan het Zelf, aan de krachten der ziel, die alle krachten van de wereld vele malen overtreffen…”. In een artikel op Nu.nl (20.06.26) over de ‘worstelende jonge vrouw’: "…. Iedereen moet tegenwoordig het beste uit zichzelf halen en alles moet altijd sneller, dus we zitten in een ratrace die niemand kan winnen…". Nu God dood is, lijkt de belangrijkste levensvraag te zijn: ‘Wat zullen de anderen wel niet van mij denken?’. Mensen blijken zich daardoor massaal in de luren te laten leggen, met dank aan de sociale media.

 

Ondergronds wortelstelsel

Volgens Jung is ons onderbewuste de ‘scheppende moeder’ van ons bewustzijn. Wij ontspruiten aan een ‘eeuwenoud wortelstelsel’. Freud, zijn leermeester, dacht het precies andersom. Voor hem was het onbewuste niet veel meer dan de vuilnisbak voor onze verdrongen zaken. Jung onderscheidt vier bewustzijnsfuncties: zintuiglijke gewaarwording (zien, horen, tasten, ruiken), ratio, gevoel en intuïtie – wier materiaal enerzijds uit de fysieke buitenwereld en anderzijds uit de psychische binnenwereld stamt. Het centrum van deze functies presenteert zich als een ‘ik’. Jung ziet de ziel als een overgangsgebied tussen het bewuste en onbewuste, dat wordt opgedeeld in een persoonlijk en een collectief onbewuste (Freud hield het alleen bij het persoonlijke onbewuste).

 

Hergeboorte

Het individuatieproces kent vijf fasen die door elkaar heen lopen. Voor het gemak zet ik ze even op een rij. Fase 1 begint met een ‘participation mystique’: er is nog sprake van een versmelting van het individuele bewustzijn met de omgevende wereld. We zijn verbonden met alles en iedereen. Fase 2 behelst het ontstaan van het ik en zijn projecties. Het ik draagt onbewuste inhouden over op omringende objecten (kerk, sport, kunst). Ouders worden goden. We laten ons betoveren door machtige archetypen (bijvoorbeeld verliefdheid). In Fase 3 worden projecties geabstraheerd en/of teruggenomen. We gaan het verschil zien tussen projecties en projectiedragers. De ouders zijn geen goden en Sinterklaas bestaat niet. Echter: hoewel we niet dan meer in de duivel geloven, bestaat het kwaad nog steeds. Fase 4 staat voor vervreemding. De mens doorziet zijn projecties en bant ze radicaal uit. Maar wat blijft er van hem over als hij de verbinding met zijn eeuwenoude wortelstelsel doorknipt en hij enkel nog vaart op zijn ratio? Het nihilisme?  Welke ‘kiem’ kan het nog opnemen tegen zijn banale-wereld-van-alledag? Voor Jung is dat de droom. De droom biedt een uitgang naar de oernacht, naar het ondergrondse wortelstelsel. Onze problemen moeten blijkbaar onoplosbaar worden voordat ons onbewuste weer mee mag spelen. Fase 5 staat dan ook voor inkeer, regressie en een numineuze wedergeboorte uit de wateren van het onbewuste. Dan zijn we weer terug bij een - dit keer bewuste - ‘participation mystique’. Het draait allemaal om geboren worden, sterven en herboren worden.

 

Godsbeeld

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Het derde hoofdstuk gaat over Maggy Reichstein, een patiënte van wie Jung naar eigen zeggen veel leerde, onder andere op het gebied van overdracht en tegenoverdracht, synchroniciteit, mandala’s en chakra’s. Wat ik met name interessant vind, is wat hij haar schrijft over zijn psychologische visie op het goddelijke: “… God is aanwezig in ons als ‘Imago Dei’, als een bééld van God, dat niet onderscheiden kan worden van het (archetype van het) Zelf en daarom de gelijkstelling: God = Zelf…”. Jung: “… Het Zelf verschijnt als tweevoud, als de liefdevolle Vader en als de Duivel, de opponent van God…”. Even verder: “… De sterfelijke mens is het vat voor deze gebeurtenissen…”.

 

Jung versus Buber

Wat ik niet wist: Jung blijkt nogal in de clinch te hebben gelegen met de Joodse godsdienstfilosoof Martin Buber, waarover het in het vierde hoofdstuk gaat: “… Het is niet zo gemakkelijk om de kern van de controverse Buber-Jung boven water te halen. Over wat waren ze het nu precies niet eens? Soms lijkt het verschil in visie tussen beiden flinterdun te zijn, andere keren lijkt het levensgroot, soms is er sprake van een werkelijk niet begrijpen van elkaar, dan weer lijkt het er sterk op dat ze elkaar niet wilden begrijpen…”.

 

Een ‘vat’ voor de goddelijke genade

Metafysici zijn mensen die geloven op de hoogte te zijn van de onkenbare dingen aan gene zijde, aldus Jung. Daar zet hij grote vraagtekens bij: “… Ik betwijfel echter sterk of onze voorstelling van de dingen identiek is met de natuur van die dingen…”. Met andere woorden: niemand heeft ooit God gezien. Wij maken ons enkel metafysische en religieuze ‘voorstellingen’; wij maken ons ‘godsbeelden’. Archetypische beelden zou je metaforisch kunnen omschrijven als psychische demonen en engelen omdat ze zich nogal ‘autonoom’ gedragen: “… deze autonomie, die een feit is, moet men zeer ernstig nemen…”. Even verder: “… De zogenoemde ‘machten van het onbewuste’ zijn geen intellectuele ‘begrippen’ die men naar willekeur kan manipuleren, maar gevaarlijke tegenstanders, die in de inrichting van de persoonlijkheid soms vreselijke verwoestingen aanrichten. Deze ‘machten’ zijn alles wat men van een psychisch ‘tegenover’ maar kan wensen of vrezen. De leek denkt natuurlijk met een duistere organische ziekte van doen te hebben. Maar de theoloog, die daarachter de duivel vermoedt, staat duidelijk dichter bij de psychische waarheid…”. Deze ‘machten van het onbewuste’ zijn ‘numineuze archetypen’. Vanuit zijn positie omschrijft iedereen ‘God’ weer anders. De paus ervaart God niet zoals een psychiater: “… Een orthodoxe christen kan nauwelijks anders dan het betreuren als hij ziet hoe onbekommerd en respectloos ik door de hemel van de dogmatische ideeën fiets…”. Het beeld dat wij van God hebben staat nooit los van de mens. Alle uitspraken over God komen van beneden. “… Bij Jung zijn het twee verschillende dingen: de ‘ervaring’ van het ‘mysterium fascinosum et tremundum’ en de ‘duiding’ ervan. Die duiding kan volgens Jung duizenden vormen aannemen, en dat is in de geschiedenis ook gebeurd, ‘Mana’, ‘Atman’, ‘Tao’, ‘Alles’, ‘Niets’, ‘Iets’ en ook het woord ‘God’. Voor al deze ‘namen’ kan men sidderen, knielen, stil zijn of dansen…”. Jung is een psycholoog, geen theoloog. “… God kán dus best een niet-psychische werkelijkheid zijn. Alleen, we kunnen dat nooit weten…”. Jung gaat het enkel om het ‘belevingskarakter’ van het goddelijke, dat in feite natuurlijk iets onbeschrijflijks is. Ik kan een heel eind met hem meevoelen als hij schrijft: “… Het Zelf staat nooit of te nimmer in de plaats van God, maar is wellicht een ‘vat’ voor de goddelijk genade…”. Even verder: “… Wat lapidair gezegd, er ontspringt volgens Jung niet zoveel aan het innerlijk van de mens: integendeel, het is eerder zo dat dat innerlijk ontspringt aan de werkelijkheid zelf…” (Dan Brown speelt ook met dit idee in "Het ultieme geheim").

 

Donut

Voor Buber bestaat het goddelijke niet ‘in’ de dingen maar ‘tussen’ de dingen. Hem gaat het vooral om een ‘ontmoeting’ met een ‘tegenover’, om een ‘Ik-Jij-relatie’. Buberspecialisten verklaren de populariteit van dit thema bij Buber vanuit zijn hartverscheurende jeugd. Hij was amper vier toen zijn moeder hem verliet: “… De kleine Martin rende nog naar het Franse balkonnetje om haar uit te zwaaien, maar ze draaide zich niet om…”. Hij werd in de steek gelaten voor een Russische luitenant met wie ze een nieuw gezin begon. Tot aan zijn dood bleef Buber de pijn van dit trauma met zich meedragen. Misschien zou je kunnen stellen dat Buber het goddelijke vooral om zich heen ervoer, terwijl bij Jung het goddelijke zich voornamelijk ín zijn innerlijk afspeelde. Ik denk dat ze allebei gelijk hebben. Zie ook Dirk De Wachter in “Wachten. Een levenshouding”: misschien kunnen we onszelf het beste zien als een ‘donut’.

 

Asymmetrie

In een intermezzo vertelt de inmiddels zesentachtigjarige Tjeu van den Berk hoe hij als negentienjarige op een kloosterschool in contact kwam met Jung, en hem nooit meer heeft losgelaten. Het vijfde hoofdstuk gaat vervolgens over Jung en zijn betrekkingen met de geniale, maar labiele quantumfysicus Wolfgang Pauli (1900 – 1958). Jung probeerde zijn synchroniteitstheorie in verband te brengen met de kwantumfysica. Ik vind het te moeilijk om het hele verhaal uit de doeken te doen, maar wat mij raakte is het feit dat Pauli tot in het diepst van zijn wezen geschokt was toen hij erachter kwam dat links- en rechtshandige atomaire deeltjes niet altijd spiegelbeelden van elkaar vormen. Hun kernkracht wijkt soms af: “… Asymmetrie zit blijkbaar ‘ingebakken’ in de kosmos…”. Zie ook Arnon Grunberg die in “Mogen we nog een beetje leven?” uitlegt dat evenwicht staat voor rust, en ‘eeuwige rust’ de dood betekent. Het leven bestaat bij de gratie van onbalans. Zonder ‘probleem’ is er geen verhaal. Als je er over nadenkt, zou je dus kunnen constateren dat – raar maar waar - ‘zonden’ de wereld draaiende houden. Een centrale boodschap in de Bijbel is het concept van het kwaad dat uiteindelijk ten goede wordt gekeerd, vooral met betrekking tot de eindtijd (Romeinen 8:28). De definitieve verlossing is tegelijk het definitieve einde: de apocalyps. Alles grijpt in elkaar.

 

Zien wat niet bestaat

Het gekste verhaal staat in hoofdstuk zes. In 1932 ‘zag’ Jung met zijn minnares Toni Wolff - ongeveer de enige die hem door een zware depressie wist te loodsen - een aantal mozaïeken in het baptisterium der Orthodoxen in Ravenna. Het gebouw wordt toegeschreven aan Galla Placida, van 425 – 437 regentes van het West-Romeinse Rijk. De ruimte is gevuld met een zacht, blauw licht. Ze worden overweldigd door vier grote mozaïek-fresco’s van ongehoorde schoonheid. De eerste stelt de doop in de Jordaan voor, de tweede de doortocht van de kinderen Israëls door de Rode Zee, de derde de reiniging van Naämans melaatsheid in de Jordaan, de vierde - en meest indrukwekkende – Christus die de verdrinkende Petrus de hand reikt. Ze praten met elkaar over de oorspronkelijke dooprite als initiatie, waaraan werkelijk levensgevaar verbonden was. Het doopsel is een symbolische verdrinking. Tijdens de ‘onderdompeling’ kun je, op je weg door het water, ook nog door een monster worden verzwolgen (zie Jona). Een en ander staat voor de archetypische gedachte van dood en wedergeboorte. Na afloop struint Jung de winkeltjes in de buurt af om afbeeldingen van de mozaïeken te kopen, maar die zijn er niet. Hij houdt vervolgens een lezing waarin hij de mozaïeken in Ravenna noemt. Een kennis die naar Ravenna reist, vraagt hij de foto’s te kopen, maar ook hij kan ze niet vinden: de mozaïeken blijken helemaal niet te bestaan. Wat Jung en zijn soul-mate ‘met eigen ogen gezien’ hebben, was niet aanwezig. Ze hadden geen drugs of andere middelen gebruikt. Waren ze onderhevig aan een soort ‘waan’?  Tjeu van den Berk geeft als verklaring dat twee emotioneel geladen mensen met een sterk verlaagde bewustzijnsdrempel het baptisterium betraden, waardoor een archetype kon ‘opborrelen’. Jung legt zelf uit dat mensen met niet bewuste problemen exteriorisatieverschijnselen kunnen oproepen. Dat gebeurde hem nogal eens. Wolfgang Pauli stond ook bekend om de ‘ongelukken’ die hij in zijn omgeving zou veroorzaken: omvallende vazen en zo. Sommigen wilden hem niet eens in hun lab hebben. Wat Tjeu van den Berk niet noemt, maar mij wel opviel: een foto van Toni Wolff lijkt als twee druppels water op een afbeelding van Galla Placida die naast elkaar in het boek staan afgedrukt. Allebei donker haar en donkere ogen, een langwerpig gezicht met vooral precies dezelfde smalle mond.   

 

Kunst

Het zevende hoofdstuk gaat over Jungs kunstbeschouwing. Kunst is per definitie amoreel. Kunst is in de kern numineus van aard en voorbij goed en kwaad; anders verwordt zij tot ‘reclame’ (of porno). Daarom kan de grootste rotzak de mooiste kunst maken, en kan de nazi die ‘s avonds Rilke las of Beethoven speelde, de volgende dag mensen vermoorden alsof hij formulieren afstempelde. Misschien stelde de esthetische ervaring hem wel in de gelegenheid zijn slechtheid voor de duur van het Allegretto van Schubert te overstijgen. “… Schrijver Oek de Jong zegt in een interview: ‘Elk boek is uiteindelijk een afdaling in het onbewuste, een peiling van wat er spookt in je black box…”.

 

Goed en kwaad

Het achtste en laatste hoofdstuk gaat over de vervlechting van goed en kwaad. Steeds heeft Jung de eenzijdigheid van het christelijke godsbeeld van zijn tijd beklemtoond. Dat heeft volgens hem mogelijk gemaakt dat de kwade krachten zo buitensporig konden toeslaan in onze westerse cultuur: “… je moet toch op zijn minst verbaasd zijn, meent hij, dat de tweeduizend jaar oude christelijke ethiek van het doen van het goede en het laten van het kwade, in de vorige eeuw kon uitmonden in zo’n pandomonium. Zoveel eeuwen christelijke opvoeding en katechese, zoveel lessen uit Heidelbergse en Romeinse catechismussen zouden ons toch steeds meer in staat hebben moeten stellen de bekoring van het kwaad te weerstaan? Het tegendeel lijkt waar…”. Wij moeten onze schaduw onder ogen leren zien. Zie Paulus: “… Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik…” (Romeinen 7:19). Even verder: “… Voor veel christenen was het in de vorige eeuw een verademing te beseffen dat de duivel en de hel niet bleken te bestaan! En die overtuiging stond gelijk met ‘Het kwáád bestaat niet werkelijk.’ Als het nog bestond, dan alleen nog maar als een persoonlijk moreel vergrijp. Maar ja, écht zondigen deden we toch eigenlijk ook niet. De biecht had dus geen zin meer. En als men dan toch per se het kwaad wilde omschrijven, werd dat: ‘afwezigheid van het goede’, iets niet-bestaands dus. Dat het kwaad een ‘werkelijkheid’ is, verstrengeld met het goede, van die gedachte meent de ‘verlichte’ christen af te zijn. Dat we in ‘erfzonde’ geboren worden, is een oud Adam en Eva verhaaltje. En de opvatting dat het goddelijke of hoe je het ultieme mysterie van de werkelijkheid ook benoemt, zèlf een duistere kant heeft, wat in vrijwel alle culturen een overtuiging is, dat is voor een christen ‘uit den boze!...”. Toch staat er in de Bijbel: “… Ik ben de Heer, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de Heer, die deze dingen doet…” (Jesaja 45:6-7). Dubbelzinnigheid zit wezenlijk vast aan onze ‘condition humaine’.

 

Uitgave: Van Warven – 2025, 250 blz., ISBN 978 949 334 966 7, € 29,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten